Lezen

Soetekijn en de zuurling

    Soetekijn zij waagt en durft het altijd. Hinken tussen mijnen, zelfs met halve benen van een arme, yep zij kan het, met één kwinkslag heupbeweging alle dollars van een afgesnedenpiemeljood versieren om ze te verwedden op tweekleurenpony's of één kreupel paard.   Het is lang geleden dat ie haar nog zien mocht in het echt, maar als zij komt, dan jubelen de pruimen in de bomen, in de schappen van een Spar. Naast het verlegen zwart, een bak vol aubergines ligt het zure groen, nog verder de citroenen, drie limoenen uit Peru.   Hij denkt nog vaak. Eraan en ook terug. Het was een trein naar Lima vanuit Märklin, de couchette klein, het land met kloven nauw, flanken en ravijnen eerlijk, van een soort die men vertrouwen kan. Hij voelt nog steeds, die tong van haar, het merg in hem mist het gekriebel.   Chot, waar zijn ze dan? De sparren, frisse naalden en die blik van Soetekijn prijkt nergens op verpakkingen van blinde vinken. Het kan nooit! Onvindbaar zijn de borrelnoten met dezelfde kleur als haar kronkelogen, waarmee ze horizonten uit hun radeloze lijnen redden kan.   Of toch, misschien achter dit rek, het veld met achillea, voorbij een grens, een Koreaanse Kim hij wuift, zijn newwavekapsel, kop en pruik ze hangen aan een haak, naast de wc-borstels voor arschlöcher met draken van een gat.   En als het van Unilever afhing, dan zou hij de niertjes van Soetekijn nooit meer mogen masseren. Eerst zou hij een karretje vol moeten kopen, wasverzachter vooral, boter voor magere monden en de droge ingang van een ziekewereldkont.   Ach en onderweg loopt hij te kauwen. Scherp is de smaak, de tong. Soetekijn probeert het in zijn oor en als hij aan de kassa komt, staat zij daar. Niet Soetekijn. Veeleer een groengrijs jonk, dat met haar barcodespel boerenworsten niet eens strelen durft   Ze spreekt. Het jonk zegt dat ze het boven, op dat scherm, wel gezien hebben, hoe hij vrat van de zurkel, zuurkool uit een potje kneep. Soetekijn, zij voelt het, komen, grinnikt en haar manen glimmen van plezier, nu de zuurling zich weer steken gaat, een middelvinger in de keel.   Het zuur en de zeik van zeven levens dweilen zich een weg over de vloer, omhoog, doorheen de zolen, dringen zich in witte kousen van vermeende onschuld, in de kleren, stengels en de poten van het starend suikerriet.         Uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
20 0

bolsters

we zijn nog niet zo lang geleden geboren, dacht ze toen we naar de avond keken. het gras acupunctuurde in onze ruggen.  ze zei dat ze bang was dat er een bolster op haar hoofd viel. ik zei dat ik dat begreep.   ik zei dat ik niet wist dat het bolsters waren en dat ik dat eigenlijk veel leuker vond.  ze hingen mysterieus aan een boom, groene knobbels  die we met half dichtgeknepen ogen konden wegblazen. ik zei dat bang zijn misschien ook zo werkt.    soms weet ik niet eens wat voelen is. ze zeggen dat het op regenen lijkt en dat stormen de dingen zuiveren  en ik vraag me af wat er dan eerst was.   soms wil ik de aarde in mijn huid laten branden.    ik was naar buiten gelopen en ik had haar niet gezien omdat ze zoals het leven achter een muur was gaan staan. mijn hart sprong zo hoog dat de oudste stenen scheurden.  we aten maïswafels in stukken om over fragmenten te praten. er was geen tijd geweest tussen reizen en werken.    ik had die dag drie stenen gekocht.  we luisterden naar wat de stilte te vertellen had en speelden dat we in de knoop lagen. er klonk het geluid van gelukkig zijn.  onze armen grepen elkaar als strohalmen. ik was de eerste die ontknoopt werd toen ik nog verward wilde zijn.   we herschreven de regels van badminton zodat we allemaal raketten werden.  we sloegen onze verhalen over het net tot ze gewichtloos in pluimen veranderden.  er gleed een vliegtuig door de regen.    later rolden we over het grasveld. onze hoofden wankelden en ze fluisterde waarom ik gevallen was. ik verpakte mijn antwoorden in de wolken om ze zachter te maken.  we keken naar de lucht en hoe die tussen ons en de kosmos hing. haar handen tekenden druppels van een onweer in de bergen; ik had inderdaad nog nooit zoiets moois gehoord.    ik denk dat ik weet hoe liefde voelt.   het werd voorzichtig schemeravond; de zon schilderde haar eigen ondergang.  misschien zijn we allemaal wel groene knobbels  en worden we alleen maar bolsters als we vruchten dragen. ik wilde voor altijd blijven liggen.     

Kristien Spooren
25 1

Tom Van de Tomatenautomaat

    Tettersmet en Tom Van de Tomatenautomaat, ze zijn bezeten door één waanzin en het kost wat lef om deze wereld te trotseren. Soms dan stappen ze, soms lopen ze doorheen de bossen, spotten roestvogels. Ze pikken er, in avocado’s, mensenvet en noten van een bitter lied (denkt Tom).   Zijn hoofd zit vol. Revolvers. Geweren en weerloze wolven. Hij hoort ze vaak, die ratelslangen, stekelvarkens, het geluid van meevallers en eigenlijk wilt hij niet liever dat hij sterft, die Tettersmet. Doch, dat is onzeker als het grijs van deze bergen die het zwart van elke nacht vergeven.   Verder. Straks en op dat strand. Onder zand zullen ze wachten in eieren, hoop en embryo’s van schilpadden. Je denkt misschien een ‘d’ te missen of een dode moeder die voor jou veel lekkernijen bakt.   Het deeg ligt elke dag weer op het aanrecht, braaf te wachten om uiteengerukt te worden, in bolletjes met fouten om nog eens plat en dan zo heerlijk wijd gerold te worden, als een platte wereld door de lucht te suizen.   Met goudvissen en zilversprot! De ober lacht, voorzichtig, het is Tettersmet, de vriend van Tom, die iets bestellen wil. Weet je wat het is? In elke grot schuilt er wel één! (zegt Tom Van de Tomatenautomaat); ze kijken weldra in het zwarte gat.   No way! en met zijn hanennek, zijn hoofd als van een slak, komt hij gekropen uit zijn vaste stek, het tolhuisje. Te voet door tunnels mag echt niet en ze staan daar. Tom hij peinst, hij trekt zijn wenkbrauwen omhoog tot ver voorbij de grens van groene onschuld, waar geen pijnbomen meer groeien en het duurt, niet lang. Na het voorbijdrijven (een wolk of twee) komt het geluk.   De lift is van een mooie krullenvrouw, een ferme prent, die tepels heeft zoals een ooi met zonnebril en ze rijdt. Ze brengt hen vlak tot bij het beest. De muil staat open klaar gesperd. Njam-njam-njam, men eet er brood, here only cash! Echt geen geruil tegen een onvangbare vis, hetzij gekuis van scheepsclosetten.   Terwijl men verderkauwt en zoekt, wilt het dat het druppelt. Briljantine uit de haren van een kapitein die als een aal door rats en rotsen sturen zal, een uur lang en Tom voelt het. Griekse onrust, donkerblauw, een vlot dat langzaam vergaat aan de havenrand.   In zijn hoofd zijn ze er. Zinkende verwachtingen vals geld kermisjetons herinneringen aan een meifoor van weleer en het is Tettersmet die nog iets vindt, een briefje grijs en vuil. Vijf euro is genoeg en ze betalen de twee kaartjes naar Lefkimmi.       uit de reeks  'Dialogen met monsters en dia's'  

Bernd Vanderbilt
12 0

Uilemuil en Snottegot

    Zot zijn Uilemuil en Snottegot. Ze lopen langs de vloedlijn, op een strand en met de moed van een Griekse frigo zetten zij hun stappen in de richting van geen ene horizon.   Daar zien ze in de verte drijft een zeeboot. De romp zit van onderen vol, begroeid is het ding met slijm waterwezens wukkels stekels des te veel karakollen zonder ogen (durft Snottegot te denken).   Dichterbij een Serviër, die van achter zijnen zonnenbril tevoorschijn gekropen komt, een sigarettenpeuk in de richting van een beest gooit. Het is een zeeslak (volgens Snottegot, die het beest een kei vindt) en het zit op een kei in deze branding, droomt allicht van vinnen duizend poten of rupskettingen om door alle slijken heen te kunnen ploeteren.   En zij moet dan zijn, wat de ganse weg naast hem zat, rechts, in de stuurloze helft van hun voertuig met SRB-sticker (vermoedt Uilemuil). Een serviëtje overloopt haar wang. Ik denk dat de façade van haar schminkkop begint te smelten in de zon (mompelt Uilemuil). Straks zien we of ze echt is, wat voor een tronie ze verbergt en of de draak nog te houden is, als hij éénmaal rechtstaat uit haar vel van vleesgeworden appelsienen. Nu is hij nog vastgebonden, met dat ene koord van haar bikinibroek.   Ik denk dat haar onderkant hem niet eens interesseert! en Snottegot probeert Uilemuil in de richting van de lucht te doen kijken. Hij bedoelde haar onderbewustzijn, daar waar het sap zo zijn geheimen heeft.   Zo dweilen zij verder, voorbij een aangespoeld kind, een leeg blik, door al het gebrokene heen, golven die verdwijnen in geruis, enkele scherven van flessen zonder boodschap of liefdesverklaring, hand in hand (met nog steeds diezelfde moed, die van dat dappere Griekse koelschrijn).   Verfrissing is hier kostbaar, het zeewater lauw als frieten met wat zout onder papier, om mee naar huis te nemen, noem het heimwee (lult Uilemuil uit zijn rode nek) en vermoedelijk staat hij straks ook recht de Serviër, die beroerde bommerloender, om een kipsoeflaki te bestellen in het buffet.   Weet je wat het is? Goede idioten maken betere kip, kip met kam en kop en lellen, terwijl de vogels hier zonder twijfel op de vlucht zijn, de leegte boven de zee eens wilden proberen.   Ik weet het niet (zegt Snottegot). Misschien dat ik het volgend jaar nog eens probeer. Op een motor door een land vol oregano. En drie druiven. Aan een tros bij een afgrond. Bij de zee. Met een zon. Die verdraaid en nog eens opgaat. Voor wat kiezels.       uit de reeks  'Dialogen met monsters en dia's'  

Bernd Vanderbilt
14 0