Lezen

2017, een jaar van knallen en opstaan

Het was zondag tien september 2017 ergens in een Grimbergs rusthuis. ‘Hou gij u ook goed hé, Anske!’ Ik knik en verlaat opgelucht de kamer. Het gaat beter met mijn grootmoeder. Ze weet mijn naam nog en ze is rustiger dan de laatste weken. Ze blijft nog wel even bij ons.Drie dagen later is ze dood. Op dertien september, nota bene de 43ste huwelijksverjaardag van mijn ouders, is ze eindelijk naar haar grote liefde, mijn grootvader, vertrokken. 2017, je sloeg en zalfde met dezelfde hand. In tegenstelling tot 2016, begon 2017 erg kalm. Het zou een jaar van rustpunten worden. Mijn ouders zouden met pensioen gaan en eindelijk van het leven kunnen genieten. Iedereen was gezond en ikzelf was net met een nieuwe job gestart. Ik zag het helemaal zitten en had erg hoge verwachtingen van dit nieuw begin. Eindelijk zat ik op de plek waar ik de voorbije tien jaar hard voor had gewerkt. Ik ging er volledig voor. Dagen van tien uur en meer op kantoor en elke dag naar huis al denkend aan de avonturen van de volgende dag. Ik had het gevoel dat ik leefde en niemand zou mij dat nog afpakken. In mei kwam de eerste kleine barst in het jaar dat zo aangenaam begonnen was. Ik ging te hard op in mijn job en ik moest een versnelling lager schakelen. Geen probleem, dacht ik, dit is niet de eerste keer dat ik me vergaloppeer in mijn perfectionisme. Ik ken mezelf onderhand al wel en weet hoe ik in zo’n situaties moet handelen. Ik stond weer op, haalde een paar keer diep adem, rechtte mijn rug en liep verder. Maar 2017 ging een stap verder in het stellen van beproevingen. In mei belandde mijn grootvader in het ziekenhuis en ook andere familieleden werden medisch voor voldongen feiten gesteld. Pijnlijk en vooral erg oneerlijk. Ik zag mensen rond mij breken en dat brak dan weer mijn hart. Tegen juni ging op het werk van kwaad naar erger. Stress werd te hoog, deadlines te kort en ik begon te wankelen. Ik voelde mij verloren in een gang zonder ramen waar dromen langzaam in nachtmerries waren veranderd. Hoewel ik kon rekenen op een aantal erg fijne collega’s, woekerde de stress tot hoog boven mijn hoofd. Ik verloor mijn geduld, mijn humeur, mijn goesting en ik werd ziek. Eerst voor twee dagen, dan voor een week. Ik stelde mezelf dagelijks de vraag wat ik dan wél wilde gaan doen, maar voor het eerste sinds jaren kon ik geen antwoord meer bedenken op die vraag. Gelukkig waren juli en augustus lichtpunten. Mijn schrijfwerk liep vlot en er diende zich een aantal theaterprojecten aan die mij de tweede helft van het jaar 2017 een reden zouden geven om te blijven doorgaan. Ik leerde mensen kennen die mij inspireerden en had een paar goede vrienden die mij eraan herinnerden dat ik meer was dan enkel een postproducer.En toen gebeurde er iets wat ik nooit had durven dromen: mijn eerste boek werd gepubliceerd. Ik heb geen kinderen, maar ik durf te geloven dat een boek op de wereld zetten een soortgelijk gevoel geeft. Je laat iets wat uit jou is gekomen los op de wereld niet wetend wat ermee zal gebeuren, maar waarvan je zeker weet dat zelfs al is het niet perfect, je er moeilijk een kwaad woord over verdraagt. September gaf de laatste mokerslag van 2017. Mijn oma stierf en hoewel ik goed afscheid heb kunnen nemen, deed dat toch veel pijn. De vrouw die vierendertig jaar lang één van mijn grootste voorbeelden was, zou nu alleen nog in mijn herinneringen leven.Rond mij zag ik dat andere mensen op hun beurt geliefden moesten afgeven. Ik zag sterke en mooie mensen huilen om oneerlijk verlies. Verlies dat veel te vroeg of onverwacht kwam, maar ook om verlies dat misschien meer te voorzien was, maar daarom niet minder inhakte.Na elke begrafenis of rotte werkdag kwam ik alleen thuis en voor het eerst sinds jaren besefte ik echt hoe eenzaam het bestaan zonder lief kan zijn. Letterlijk alles in mijn lijf deed pijn. Ik verloor gewicht, mijn gezondheid, en als laatste mezelf. Dit moest stoppen. En gelukkig deed het dat. Eind september kreeg ik een verlossende telefoon. De job waar ik al een aantal maanden voor aan het solliciteren was, was van mij. Voor het eerst sinds maanden huilde ik niet uit wanhoop maar uit hoop. Ik kreeg de kans om een switch te maken en na tien jaar afscheid te nemen van een job waarvan ik door de jaren heen misschien wel ongezond veel was gaan verwachten. De laatste twee maanden van 2017 waren er van loslaten en opnieuw beginnen. Van in de spiegel durven kijken en nadenken over hoe het nu verder moet. Van mijn gezondheid onder handen nemen en mijn goesting in het leven terugvinden.Ik ben er nog niet, maar ik ben er mee bezig en dat voelt eindelijk weer goed. Gelukkig is er vanaf nu een 2018 en dat is voorlopig even het enige wat ik nodig heb.

Ans DB
0 1
Tip

De 500 rijkste personen werden 23% rijker & Uitnodiging Windsors aan de Obama’s zou de woede van Trump opwekken

de 500 rijkste personen en de woede van Trump : de 500 rijkste personen dragen hun woede discreterde woede van de Obama’s : de Obama’s dragen hun schuld discreterde woede van de Obama’s is 23% rijker dan die van Trumpde Windsors zijn de rijksten en het schuldigstde 23% rijkste personen zijn woedend op Trump en de Obama’sde woede van Trump zou schade aan de 500 rijksten opwekken, aan de duizend rijksten, de honderduizend, één miljoen en één, de Windsorsik heb buren die woedend zijn op Trump, de Obama’s, de rijken, de Windsors en de communistenmijn uitnodiging aan mijn buren wekte de woede van mijn burenmijn uitnodiging aan de Trumps wekte de woede van de communistende communisten schuwen de Windsorsde communisten schuwen de consumptiede buren van de Obama’s schuwen de consumptie nietmijn buren schuwen de consumptie de consumptie uit noodzaak, de consumptieis verboden      is toegestaan: tassen, regenjassen, paraplu’s     is verboden: hengels, ladders, vlaggenstokken het is verboden rijker te zijn dan Trump ; dit is niet discreethet is verboden verder te denken dan Trump ; dit is verbodenzo eindigt een verbod : het in zichzelf keren van het denken ja de 500 rijkste personen werden 23% rijkerde duizend rijkste twintigde honderdduizend tien enéén miljoen hier: één, en dommer nog — en ik zag mijn bestaan stilaan vergaanben opgestaan ; begon aan een idee, deed gedwee wat kon en verzoneen eind — besloot: trek het me niet aanik kan alleen met mijzelf bestaanObama, Trump, de Windsors, mijn buren en de communisten laten gaanhet werk hier is gedaanhet werk is het werk als een aandoeninglees de media erop nade bom, de barst, de kentering, het keren vande tijdrekeningis stilaaneen uitkeringin een tentvan kartoneen voedselbonde nacht, de holocaustvan wat begonde kogelde zon

Nils Geylen
20 0

HET MANNEKE OP DE MAAN

Er was eens een meisje dat héél erg nieuwsgierig was. Ze overdonderde haar mama en papa met vragen, de hele dag door, over van alles en nog wat: “Waarom hebben auto’s vier wielen?”, “Hoe ver is het naar de zon?”, “Waarom heeft een kameel twee bulten?”, “Waar wonen de Eskimo’s?”, “Wie is de slimste mens ter wereld?”, “Waarom kan je door een venster wél kijken en door een muur niet?”, enzovoort… Gelukkig waren de papa en de mama van het meisje erg slim, en zo konden ze op alle vragen van het meisje een antwoord geven. Al moesten ze soms toch eerst diep nadenken, want de vragen waren af en toe wel héél moeilijk!   Op een mooie avond keek het meisje naar de hemel, en zag de volle maan heel fel schijnen. En ze ontdekte duidelijk een gezicht met twee ogen en een neus en een mond: iemand was op de maan naar hen aan het kijken! En ze vroeg aan haar mama: “Mama, hoe heet dat manneke op de maan?” “Maar kleintje toch,” zei de mama, “er woont toch niemand op de maan!”. Het meisje hield vol: ze kon het toch immers met haar eigen ogen zien! En ze vroeg het ook aan de papa… maar die antwoordde precies hetzelfde. Hoewel het meisje meestal alles geloofde wat haar mama en papa haar vertelden, had ze nu toch haar twijfels: iedereen kon toch de ogen zien! En de neus! En de mond! Ja toch? Dus vroeg ze het ook aan de juffrouw op school. Maar die zei ook al precies hetzelfde, en het meisje was helemaal in de war. En ’s nacht kon ze de slaap niet goed vatten, en droomde over het manneke op de maan. De volgende dag vroeg ze het voor alle zekerheid nog eens… maar met het zelfde antwoord. Ze voelde zich meer en meer verward, en kon ’s nachts niet goed slapen. En ze bleef maar dromen over het manneke op de maan.   Op een nacht werd ze opeens wakker van lawaai in haar kamer. Ze opende haar ogen en zag een vreemd mannetje bij haar bed staan, gekleed in een glanzend plastieken ruimtepak, en met zijn hoofd in een soort omgekeerde visbokaal! Ze kon zijn gezicht niet goed zien, maar zag wel dat hij hele grote oren had, die een beetje verkreukeld opgevouwen zaten in zijn bokaal. “Wie ben jij?”, vroeg ze, “En waar kom je vandaan?”. “Ik heet ietie, en je hebt mij geroepen”, zei het mannetje. Het meisje begreep er niets van: “Heb ik je geroepen?” “Ik kom van het land van de dromenluisteraars”, verklaarde het mannetje. “Wij luisteren de hele tijd naar de dromen van de mensen. En als iemand héél dikwijls van hetzelfde droomt, dan worden wij geroepen om te komen helpen…” “Kan jij mijn dromen horen?”, vroeg het meisje verbaasd. “Natuurlijk!”, zei het mannetje. En ja, eigenlijk… met zo’n oren moest iemand wel héél goed kunnen horen! “En kan jij mij helpen?”, vroeg het meisje verder. “Natuurlijk!”, zei het mannetje. “Weet jij dan hoe het manneke op de maan heet?”, vroeg het meisje. “Nee,”, moest het ventje toegeven, “dat weet ik niet…” “Maar hoe kan je mij dan helpen?”, reageerde het meisje een beetje teleurgesteld. “Ik kan je ernaar toe brengen.”, antwoordde de dromenluisteraar, “En dan kan je het hem zélf vragen!” “Maar mijn mama en papa zeggen dat het manneke op de maan niet bestaat!”, zei het meisje een beetje beteuterd. “Oeps!”, reageerde het ventje onthutst. Maar hij herstelde zich snel: “Dan gaan we toch gewoon kijken! Als er geen manneke bestaat, dan weet je het. En als hij wel bestaat, dan vraag je zijn naam! Simpel toch?”   Het meisje vond dat een schitterend plan. Ze vroeg zich wel af hoe ze daar zouden geraken? Maar het ventje stelde haar gerust: “Mijn droom-mobiel staat buiten.” En hij zei dat ze zich dan maar gereed moest maken. Het meisje wist niet goed hoe ze zich moest klaarmaken voor een reis naar de maan. Zoiets had ze nog nooit gedaan. Naar de Gavers was ze al geweest, ja.. maar naar de maan? “Je moet vooral zorgen dat je genoeg eten mee hebt voor onderweg”, zei het mannetje, “want het is toch een eindje vliegen!” Dus ging het meisje naar de keuken, en pakte daar het verse brood dat mama pas gebakken had, en sneed er met het broodmes dikke boterhammen af. En uit de kast haalde ze de pot met chocopasta, en smeerde die in dikke lagen op haar boterhammen. En toen wikkelde ze haar boterhammen in aluminiumfolie, en stak het pak in haar Hello-Kitty rugzakje. “Ik ben klaar!”, zei ze. En samen met het mannetje stapte ze naar buiten. “Waar is je droom-mobiel?”, vroeg ze. “Hier!”, antwoordde de dromenluisteraar… en hij wees naar haar kinderfietsje. Hij ging op het stuur zitten, en zei haar om op het zadel van haar fietsje te gaan zitten.  “Houd je maar stevig vast!”, waarschuwde hij haar. Toen maakte hij enkele vreemde krullende gebaren met zijn handen, en opeens waren ze weg… de lucht in! Ze schoten met een reuze vaart omhoog, en het meisje vond het fantastisch: het was precies als op de kermis, maar nog véél leuker en véél spannender. Onderweg maakte het meisje het zich gemakkelijk, en af en toe at ze een boterham. En het mannetje keek haar elke keer een beetje jaloers aan. Hij had ook wel zo’n vers gebakken boterham gewild. Maar met je hoofd in zo’n visbokaal, is het moeilijk om te eten. Het is nu wel zo dat dromenluisteraars eigenlijk niet hoeven te eten, maar… het zag er zo lekker uit!   Na enige tijd waren ze bij de maan aangekomen. Ze vlogen de hele maan rond, heel dichtbij de bodem, over de putten en de bergen. En nergens was er een manneke te zien. Af en toe zette de dromenluisteraar zijn droom-mobiel op de maan neer… maar er was geen teken van leven te bespeuren. “Wat denk je?”, vroeg hij aan het meisje, dat er ondertussen al lang van overtuigd was dat er helemaal niemand op de maan woonde. Aan de ene kant voelde ze zich een beetje teleurgesteld, want ze was er zo zeker van geweest. Maar aan de andere kant was ze ook wel heel blij, want nu wist ze héél zeker dat haar papa en mama op al haar vragen het juiste antwoord kennen. “Laten we dan maar terugkeren.”, stelde het mannetje voor. Maar eerst raapte hij nog een klompje steen van de maan op. Het zag er een beetje uit als een stuk glas ofzo. “Als souvenir”, verklaarde hij. Ze stak het klompje in de zak van haar pyjamavest, en stapte weer op haar fietsje. “Hou je ogen maar stijf dicht", raadde het mannetje haar aan, “Want dit keer zal het heel erg snel gaan, en het zou pijn doen aan je ogen!” En het meisje kneep haar oogjes dicht, en voelde hoe ze pijlsnel van de maan weg vlogen.   Opeens hoorde ze een stem haar naam roepen, en toen ze haar ogen open deed, zag ze haar mama staan. Ze keek om zich heen, en merkte dat ze in haar bedje lag, in haar kamer. Had ze het allemaal maar gedroomd? “Opstaan, kleintje!”, zei de mama, “Je moet naar school, hee…” Het meisje maakte zich klaar voor de school, en ging toen naar de keuken voor het ontbijt. Daar zag ze haar mama ontsteld voor de keukenkast staan. “Het brood is allemaal op!”, stelde de mama geschrokken vast… “Ik had gisteren nog maar pas een vers gebakken?” Het meisje liep vlug terug naar haar slaapkamer, en tastte in de zak van haar pyjamajasje… en ze vond daar een blinkend klompje. Ze hield het omhoog, en zag hoe het schitterde in alle kleuren van de regenboog. Nu wist ze wel heel zeker dat ze niet gedroomd had!   Die avond zaten ze buiten op het terras te genieten van een mooie zomeravond bij volle maan. De papa keek omhoog naar de heldere maan, en merkte plagerig op: “Zie eens naar boven! Janneke-Maan kijkt naar ons…” Maar het meisje keek haar papa heel serieus aan, en zei toen streng: “Maar papa toch! Er woont helemaal niemand op de maan!” En de volgende nacht sliep ze als een roos… en droomde gewoon dat ze een prinsesje was.

Eric Kerkhove
113 0
Tip

Zitplaats

Ik ontmoette haar op de trein naar het werk. Ze was helemaal uit Oekraïne hierheen gekomen, vertelde ze, de liefde achterna. In hartje Kiev ligt een universiteit die niemand kent. Daar had ze gestudeerd, voor ze haar geliefde was gevolgd. Hier had hij haar meteen in de steek gelaten. Toch was ze gebleven en opnieuw beginnen studeren en nam ze elke dag de trein naar de universiteit.   De volgende ochtend zat ze er weer, maar ditmaal had ze zich vermomd. Nu zag ze eruit als een jonge vrouw uit Rwanda. Ze leerde me dat het in Rwanda uit den boze is om te eten op straat, en dat het er niet staat om te roken als vrouw. Ik wou meer te weten komen, maar ik moest uitstappen, terwijl zij nog één halte verder moest.   Ook de andere dagen toonde ze zich een meesteres van de maskerade. Nu eens had ze zich onherkenbaar gemaakt als een Armeense, die hier marketing studeerde om ooit het vodkaflessendoppenbedrijf van haar vader op de wereldkaart te zetten, dan zat ze er als een meisje uit de Centraal-Afrikaanse Republiek, ijverig pennend aan het scenario van haar eerste kortfilm. Telkens opnieuw wist ik haar te vinden en was de plaats naast haar nog vrij, zodat ik kon gaan zitten en haar verhalen kon horen. Nooit vertelde ze dat zij het was, maar stiekem wist ik het terwijl ik luisterde.   Toen was ze er plots niet meer. Drie keer liep ik het middenpad van de trein af, maar nergens viel ze te bekennen. Ook de volgende dagen zat ze er niet. Ik heb haar nooit weergezien.

Felix Sandon
45 1