Lezen

Te vroeg op vrijdagavond.

Het is vrijdagavond. De fel rode cijfers van de wekker verraden de tijd. Het is 21:17u en ik lig al in bed. Misschien is het te vroeg om me al aan de nacht over te geven? Ik zit er niet mee. De zachte regen tikt ritmisch tegen het dakraam. Ik word er rustig van. De laatste tijd ben ik dikwijls alleen. Alleen en stil op mezelf. Soms ben ik dan ver weg en lijk ik diep in gedachten verzonken en dat is soms wel zo. Meestal ben ik op die momenten druk aan de slag met iets of iemand wat mijn aandacht heeft opgeëist. Met de voorbije week bijvoorbeeld, die weer bol stond van gebeurtenissen waar ik jullie een mening over verschuldigd ben. Dan begin ik te analyseren. Met beschouwen en over-analyseren om dan meestal te eindigen met over-reageren. Maar even dikwijls gebeurt er gewoon helemaal niets. Ik oog dan eenzaam of misschien triest dat is maar schijn. Ik heb dan gewoon geen zin in mensen. Geen goesting om te praten of om aan een sociale norm te voldoen. Ik wil dan geen meningen aan mijn hoofd. Zeker geen gedoe. Op zulke momenten sluit ik me helemaal af en maak ik bewust geen tijd voor nieuws of voor jouw gedachtenwereld. Niet dat je mij niet interesseert of dat jouw dingen me niet bezighouden. Integendeel, het kost me gewoon wat veel moeite of energie om jouw geest er bij te nemen. Om hem te ordenen zodat ik hem begrijp of gepast kan reageren. Ik tracht meestal te achterhalen wat je precies bedoelt. Hoe je het voelt en waarom je het zegt. Of wat je van verlangt zonder het te vragen. Voor juiste interactie of voor een juiste repliek, moet ik je opvattingen eerst verwerken om ze goed te begrijpen. Dat kost wat tijd. Wellicht meer tijd dan dat er geduld kan voor geoefend worden. Een te snelle conclusie dat jouw verhaal me niet boeit is voorbarig en misplaatst. Dat snelle besluit brengt me van mijn stuk. Hoewel het hier van boven razendsnel gaat en ik het probleem klaar en duidelijk zie. Hoewel oplossingen dikwijls in duidelijke beelden voorbij flitsen, kost het me toch meer moeite om dat antwoord juist te formuleren zodat jij ook voelt hoe ik het bedoel. En dan lukt het soms gewoon echt niet. Om erger te voorkomen las ik op zulke momenten een time-out in en neem ik wat afstand. Ik maak dan wat plaats in mijn hoofd zodat volgende druppels mijn emmer niet doen overlopen. Voldoende niets doen werkt! En als ik dan genoeg niets gedaan heb, heb ik hard genoeg gewerkt om straks een beetje tijd over te hebben om iets anders te kunnen doen.

jan pultau
0 0

De wraak van het kleine (slot van deel 6)

          Niets brandt beter. Dan frietkoten. De leegte van de hemel. Goden in de hel.       Ik feliciteerde Alfred, met zijn culinaire creativiteit. De groentenburger was groener dan het vel achter mijn oren en dat wil iets zeggen.   Ik feliciteerde hem ook met zijn frietkot, dankte hem voor zijn vriendschap, voor de openheid die hij getoond had, toen hij voorgelezen had uit zijn ‘Wimpie in Wonderland’.   Ik stond op het punt om ook Igance te bedanken, maar zo ver kwam het niet. Een witte sleurbak kwam het grint voor het frietkot opgevlamd, trok de handrem en parkeerde zich tussen twee slakken.   “Wat krijgen we nu?” riep Alfred en we haastten ons naar buiten. Ze stapte uit, zonder rijbewijs, zomers gekleed (ook al was het februari) en stak twee handen in de lucht, maakte tekens van victorie en blijdschap.   “Wat een coole kar, Lotje”, zei ik, “waar heb je die gekocht?”   Het was oldtimer, een witte Golf GTI en ze gooide drie spuitbussen, één in de richting van Ignace, één naar mij en een kleiner model in de richting van Alfred.   “Ik wil een rode streep in het midden. Het moet een Poolse tweekleur worden”, riep ze en haalde plakband uit de koffer.   Wij zijn brave jongens en gehoorzamen. Na een half uur was het klusje geklaard en ze vloekte : “Cholera! Dat is niet rood! Dat is oranje!”   Ik probeerde haar te kalmeren en te troosten : “Dat komt vast door dat rare licht van de zon vandaag. Ze straalt beige, als mayonaise. Of het is die gele glans van de laffe mensheid.”   “Foert”, zei ze en we gingen samen het frietkot binnen.   “Dit is de laatste dag”, sprak Alfred weinige ogenblikken later. “De tragiek van deze plek leefde al in de naam van mijn friterie,” en we hieven blikjes. We aten de laatste groetenburgers op en verscheurden één en ander.   “Wat ik nog wilde weten, Ignace”, vroeg ik, “als die Florimond Wittebolle de nonkel is van Wimpie en Roeland Wittebolle jouw neef… dan ben jij ook de neef van Wimpie?”   Ignace knikte en zei : “Ik moet ervandoor” en hij knipoogte naar Lieve Lotje die hem aan de arm trok, hem meezoog in haar witoranje GTI. Ze startte de motor en weg waren ze.   “Allicht naar een Delhaize”, zei Alfred. “Zeg, Alfred”, ik wilde het weten, “is het goed afgelopen met Wimpie?” “Wim is groot geworden, ligt minder wakker dan Ignace, jij of ik... al dreigde het twee jaar geleden verkeerd te lopen.”   “Hoezo?” vroeg ik. “Als hij op een dag erachter kwam dat Walter Remysen in Zeebrugge een appartement had… Hij stond daar. Op een vrijdag in januari. Aan die voordeur. Met een mes in de hand.”   “En toen?”   “Ignace kwam net op tijd, nam het mes uit zijn hand en zei : ‘Ik weet het, Wim, het was niet zomaar een hond, niet zomaar een kat, maar ga alsjeblieft naar huis’, en Wim keerde terug op zijn stappen.”   “En die nonkel Wittebolle?” vroeg ik. “Die leeft ook nog”, zei Alfred. “Over het lot van Florimond beslist enkel Roeland.”   Ik zweeg en hielp. We goten jerrycans leeg. Benzine. Staken het frietkot in de fik. We stonden nog even te kijken, Alfred en ik.   Ignace… die was zijn stiften vergeten, maar ze gingen niet op in die vlammen. Ze zaten in mijn plastiek zak en ik was al onderweg, naar het zuiden.   En Alfred frietkabouter, hij lag daar goed, in diezelfde plastiek zak. Hij sliep. Op een zacht inlegkruisje.                                       met dank aan Lotje voor het inlegkruisje                    ook een grote merci aan Bartje voor de vele illustraties           laatste bladzijde van  'De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Twankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
54 0

Kater (de kracht van de wenkbrauw)

mijn hersenstam verkaterd pretpark verdraaide molen, dat dronken kind met suikerspin   rolschaatsen schoorvoetend achteruit   vertel me terug naar je dromen keer me wederom, dit porseleinen mensje in een poppenhuis   jouw knutselwerk je prutste maar wat modderde aan verdronken fonteintje slurpende soep   ik was één der verzamelschelpen je deed er nog een schepje bovenop   driemaster op afstandsbediening ankert   in de branding schittert het licht parelmoeren bedrading van verdwaasde zonnevlokken er gaat niets boven je ogen die olievelden in het hart van een orkaan   ik word een zeiler van je fronzen wenkbrauwen als zeewierstruikjes borstelen dit geboetseerde schuitje dat botervlootje waar mens zich in kruimeldeeg verzandt   er zijn overlevenden op dit schuurpapieren land ze drijven in het maagzuur slikken zich een verschot in de ruggengraat dansende aderen drank tot het hen het strot verknijpt   tenen worden straten een verzicht dat voor haardvuur neervlijt   er schokt iets in mijn handen het is kleur en het krijst het sterft en vergrijst donst van schimmelkoorts   overal slingeren slierten droom als lamsvlees krult het om een verroeste werkelijkheid ik wil terugwijzen maar mijn gevingerte verstrikt tot frituursnack   er woedt wat zoals lever in brijzels uitgekraterd braakt over mijn verse spijkerbroek   je wenkbrauwen teren welig op deze hersenstam   ik had er geen zier om gegeven tot je vergat hoe prachtig het wel was

Robijn Bodijn
9 0

De wraak van het kleine (2)

                     Ik slaap nergens graag. Niet in een smulbox. Niet in een kooi.       Alfred bracht me een smulbox. “Heb ik niet besteld”, zei ik hem. Mijn stem klonk allicht nog wat geërgerd. Ik had zo veel uren gestoken in het oplossen van dat enorme anagram, en nu… nu leek het een mengeling van halve waarheden en verzinsels.   “Van het huis”, zei Afred en ik deed het doosje open. “Een nieuwigheidje van me. Eigen preparaat. Een groentenburger. Proef tenminste.” “Ook bedankt voor het potje zure uitjes”, antwoordde ik.   “Denk je nog steeds dat er veel rammelt aan het anagram?” vroeg Ignace. “Eerlijk, Ignace, ik weet niet wat ik moet denken.”   “Feit is wel dat Walter Remysen op 9 januari 2015 een kogel door de kop kreeg. Officieel was het zelfmoord. Maar daar geloof ik niets van.” zei Ignace. “Wat denk je dan dat er gebeurd is?” wilde ik weten. “Men vreesde een lek… hij was uiterst labiel geworden. Daarom… voor de zekerheid… een eeuwig zwijgen.” beweerde Ignace. “Wat zou hij dan lekken?” vroeg ik. “De grootste dofpotoperatie van de twintigste eeuw,” zei Ignace. “Voor de dioxinecrisis zag veel het daglicht nooit.”   “Ik kreeg een eerste vermoeden,” zo ging hij verder, “toen mijn neef, Roeland Wittebolle, vertelde, dat zijn vader, die Florimond, die noodslachter uit Dudzele, maanden lang, elke nacht weg was, met zijn Magirus, dat hij hoorde, hoe het werk verdeeld werd, over de telefoon. Duizenden varkens met de ziekte van Aujezski moesten zo snel als mogelijk verwerkt worden. Ze werden ‘s nachts door mannen als Florimond opghaald.”   “’Noodslachters’ is een groot woord”, zei Ignace. “Het waren zelfstandigen met een vrachtwagen, een stok, wat touwen en een mes. De zieke beesten voerden ze naar kleine slachthuizen, zoals die van Van Hoornweder in Sijsele. Daar werden ze dezelfde nacht in worst gedraaid, in koteletten, in filets gesneden.”   “En mensen werden er niet ziek van”, merkte ik op. Ignace knikte en legde verder uit : “Dat herhaalde zich. Enkele weken was het iets rustiger, zei mijn neef Roeland, en toen begon het weer, nacht na nacht. Enkel varkens.”   Ik proefde van de groenteburger.   Tegen Ignace zei ik nat twee happen : “Alleen een hond stierf er aan, aan die varkensjeukpest, zo nu en dan, en als men in de supermarkt of bij een slager zijn beklag ging doen, dan trok men de schouders op, zei men allicht : Het kan van overal komen.”   “Er moeten wel supermarkten geweest zijn die hun leverancier daarover aanspraken”, vermoedde Ignace en zei dat de hoeveelheid besmet vlees die in omloop was, gigantisch moet geweest zijn, “Jaarlijks worden meer dan tien miljoen varkens geslacht in België. Eén procent daarvan zijn er al honderdduizend, of zesduizend ton.”   “En in die jaren was het allicht meer dan één procent” was mijn commentaar.   Ignace knikte en ik vroeg naar het anagram : “Wat met die Delhaize, Noppen en Vermassen?”   Hij antwoordde : “Die Vermassen was allicht slechts een verwijzing.” “Naar wat?” vroeg ik. “Naar de Bende van Nijvel natuurlijk” en Ignace legde verder uit dat die ‘Bende van Nijvel’ een fabeltje was. “Voor dergelijke misdrijven, waarvan de ware toedracht in de doofpot gestopt werd, moest toch iet of wat van uitleg verzonnen worden.”   “Een soort van bliksemafleider?” vroeg ik. Ignace nam een zuur uitje uit mijn potje en hij knikte : “Winkelketens die al te mondig dreigden te worden, werden gewaarschuwd, of denk je het toevallig was, dat alle aanslagen in supermarkten gebeurden, of op hun parking.”   “En die echte Reus,” wilde ik weten, “die van Aalst?” “Die was één van de hanglangers van Remysen.” “En Karel Van Noppen?” vroeg ik door. “Die werd vermoord omdat hij voor zijn schoonbroer, die Walter Remysen, altijd een oogje dichtkneep, als controleur. Maar bij vetmesters die niet tot de clan Remysen behoorden, deed hij dat niet zo gemakkelijk en werd toen omgelegd.”   Ignace nam een tweede uitje.       pagina twee van "De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

De wraak van het kleine (1)

                       Mensen zijn zwijnen. Varkens dieren. En Wimpie een jongen.     “Dan staat jouw blog vol met fake news!” zei ik tegen Ignace. Boos werd hij niet, hij glimlachte en antwoordde : “Ik schreef een dierenfabel, maar dan omgekeerd en gebaseerd op waargebeurde feiten.”   Hij nam nog een slok van zijn fanta en ging verder : “Het vleeswarenwinkeltje was een afvalcontainer bij de Fish Bone in Zeebrugge. Naast Noordzeekreeft met noedels serveerden ze daar Vlaamse klassiekers, zoals koteletjes met gekookte patatten en bloemkool in bechamelsaus. Als Wimpie zijn kat en hond niet vond, dan wist hij wel waar ze uithingen.”   En dat was rond die afvalcontainer van restaurant de Fish Bone. Twankie Wankel, de kater met twee achter- en één voorpoot, sprong erin, graaide er wat graten en botten uit en ze aten daar, kat en hond samen, van de restjes.   Later, op een doemdag, lag Twinkeltje daar, op de mat bij de De Wandelaeres. Ze had koorts, krabde zich het lijf haast stuk en nonkel Wittebolle, Florimond, noodslachter van beroep, de Beul van Dudzele, kwam langs, zei tegen vader De Wandelaere dat het duidelijk was. Varkensjeukpest! Hij nam een mes en sneed zonder pardon de hond de keel over.   “Dat spaart een rekening van de veearts”, zei nonkel Wittebolle en Wimpie liep weg.   Toen Florimond het huis van de De Wandelaeres, in de Noordhinderstraat te Zeebrugge verliet wond Twankie Wankel zich nog rond de rechterlaars van Florimond. Nonkel Wittebolle gaf het beestje een schop en het vloog op de straatstenen. Een Mercedes 300S kon niet op tijd remmen… Ook voor Twankie Wankel was het die dag ‘over en uit’.   Dat Wimpie niet dom was, dat wist men op school. Hij las in een bibliotheek alles over varkensjeukpest, vond de varkensbotten bij de container, wist hoe laat het was en hij wachtte. Zo vaak als hij kon hing hij daar rond, in de buurt van het restaurant, tot op een dag… Het was een witte vrachtwagen met rode letters. Vlees kwam de chauffeur leveren. Geen vis. Dat maakte het opschrift op de Scania meer dan duidelijk en toen vroeg hij het aan de chauffeur :   “Kan ik bij U ook koteletten kopen voor mijn mama?” De man in het wit wreef hem door de haren en sprak : “Mijn jongen, in één bak zitten er honderd. Dat is allicht wat te veel. Het vlees van Walter is niet voor Jan met de pet.”   “Ze heeft een restaurant!” Wimpie bleef aandringen. De chauffeur gaf hem een visitekaartje en zei : “Dan moet je mama Walter bellen.”   ‘Walter Remysen’, stond op het visitekaartje, daaronder ‘vlees van de beste varkens’, ook nog een adres en een telefoonnummer.   Wimpies onderzoek was nu compleet. Hij kende ze nu allebei. Florimond Wittebolle en Walter Remysen. De moordenaars van zijn Twankie Wankel, van zijn Twinkeltje.       eerste pagina van 'De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Rafeltjes en fabeltjes (slot van deel 5)

           Wees op je hoede. Frietkotslak. De gang is lang en droog. Zo sprak de haas.       Er was veel dat niet klopte. Geen specht op de bast van een zilverberk. Geen hamer op het aambeeld van een ijzervogel en evenmin het anagram, het rammelde.   Want de wapens klopten niet. Walter Remysen kreeg een kogel door de linkerslaap. Dat is een feit. Een mes? Een wiel? Elke brave ziel kon zien dat er iets scheef zat, dat het rechte pad niet naar de waarheid leidde. Bovendien, wat de moord op Twinkeltje betrof, was ik geen sikkepit wijzer geworden en waarom Twankie Wankel niet meer leefde, dat wist ik alsnog evenmin.   Ik dronk een Pale Ale, peuterde kruimels uit de plooien van de zetelstof, probeerde in te slapen, maar het lukte niet. Er waren nog drie flesjes nodig om mijn hoofd te doen verlangen naar een sober bed.     Te lang slapen doet de troost op kerkhoven. Het was elf uur en ik stond op. Poetste mijn tanden en twee schoenen. Ik vertrok weer richting noord. Het pad was nauwer dan voordien, te klam de lucht.   “Het klopt niet, Ignace!” waren mijn woorden toen hij binnenkwam. “Een mes? Een wiel? Daarmee werd Walter niet vermoord! Er zat een gat in zijn kop! Van een kogel!”   Ignace reageerde niet, bestelde geen 7up meer, vroeg een fanta en ook Alfred keek me aan alsof ik een schaatsenrijder was die de dikte van het ijs niet vertrouwde.   “Alles klopt”, zei Ignace, “alleen ben je er nog niet. Je vergeet te veel de kleinigheden. Heb je alle mieren op je pad geteld? Heb je geluisterd naar de adem van de kikkers in het winterbos?”   Ik schudde het hoofd. Ignace bestelde een 7up voor me, trok een stoel aan zijn tafeltje achteruit. Hij zei : “Zet je neer, jongen uit het blinde zuiden.”   Ik zat daar, mijn handen plat op de tafel, de vingers gespreid als poten van spinnen die zich strekken in een web dat niemand ziet. Ignace klopte met zijn linkerhand op de rug van mijn rechterhand en zei :   “Twankie Wankie was een kater, had drie poten. Twinkeltje, dat was een hond. Ik noem het maar een meisjeshond, omdat ‘teefje’ anders klinkt.” “Van wie?” vroeg ik. “Van Wimpie”, zei Alfred die bij het tafeltje was komen staan. “Het waren de ouders van Wimpie, van Wim De Wandelaere. Zij waren het die wel eens een grapje maakten toen ze de hond en de kater niet op hun matje zagen liggen. Dan vroeg Wimpies vader : ‘Waar hangt hij nu weer uit, onze Antoine De Wandelaere?’ Mama Lippens voegde er dan altijd met een glimlach aan toen : ‘en waar loopt zij nu rond, onze Wilhelmina Lippens?’, waarmee ze Twankie Wankel en Twinkeltje bedoelden.”   “Een hond en een kat?” en ik trok ogen als een vuurvlieg die verrast werd door een zon. “Een hond en een kat”, herhaalde Alfred die naar zijn kuipjes liep. Twee kaaskroketjes werden bruin.   “En de kat heeft de hond vermoord met een mes en een wiel?” vroeg ik vol ongeloof.   Ignace schudde het hoofd en nam een slok van zijn fanta.       derde en laatste bladzijde van 'Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Rafeltjes en fabeltjes (2)

                                     Groen mos lijkt geel. Voor gouden vogels.                                Gouden kanaries lijken groen. Voor gele parkieten.       “En?” vroeg Ignace ‘s anderendaags om twee na twaalf. Ik glunderde. De dader was komen bovendrijven, had een schotwonde, maar was het zelfmoord? “Die Y hielp me meer dan ik aanvankelijk verwachtte”, zei ik.   “Wie is het?” vroeg Alfred, die vleesblokjes op een stokje stak.   Fier als een gouden pauw sprak ik ; “Die ZUS is de zus van Karel Van Noppen... en ik zag het op Google Street View. Ze woont in een villa met naast de deurbel, bij die poort, dat naambord 'Familie REMYSEN' en dan hield ik nog over : G L D W A T E R O. Gold en Water zijn geen voornamen. GOD ook niet, maar WALTER wel!”     Thuis, ik had een Mort Subite uitgeschonken in een helder glas en gelezen had ik. Veel. Op het internet. Dat Walter Remysen de schoonbroer van Karel Van Noppen was. Dat die Walter een notoir crimineel en vetmester was, of beter : geweest, want hij stierf in de nacht van vrijdag 9 januari 2015, in zijn appartement te Zeebrugge.     “Ik denk dat de spilfiguur Walter Remysen is,” zei ik tegen Ignace. “Hij pleegde zelfmoord, twee jaar geleden.”   “Ja, en duidelijke sporen van inbraak of ander geweld waren er niet geweest. Hij lag daar, in zijn zetel met een gat in de linkerslaap”, sprak Ignace die het onderste lijntje woorden volledig maakte :    V E R M A S S E N    J E Z U S   W A P E N    J E U K P E S T    M E S T    W I E L   D E L H A I Z E    N O P P E N     Z E E     W A L T E R    R E M Y S E N     G O D   “Die ZEE verwijst naar Zeebrugge en die GOD staat voor spilfiguur!” verduidelijkte Ignace.   “En Vermassen denkt dat hij een Messias is. Mest verspreidde de jeukpest… maar dat wiel... dat begrijp ik niet.” zei ik.   “De betekenis van dat wiel begrijpt je onderbewustzijn wel”, zei Ignace en Alfred knikte.   Lieve Lotje kwam binnen, met een schat van een muts op haar hoofd en in haar Poolse armpjes droeg ze een kattenjong.   “Weggelopen!” zei ze. “Allicht voor een hond.”       tweede pagina van 'Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
38 0

Rafeltjes en fabeltjes (1)

                                   Blijdschap is een vloed. Van zonnetranen.       12h00 en ik was blij. Toen hij kwam binnengestapt. “Dag Ignace”, zei ik. De fameuze B3 werd weer op het tafeltje gekleefd. “Heb je goed geslapen?” vroeg ik en Ignace antwoordde : “Als brokken na een donderslag. De maan heeft me gelijmd.”   Alfred bakte voor Lotje eerst een curryworst speciaal en bracht ons daarna twee 7ups.   L R L E E P H I N A Z S Y G E D E E L D E W I N O P E N W A T E R M O Z E S   “We hebben er nog altijd achtendertig over”, zei ik tegen Ignace. “Suggesties?” vroeg Ignace. “Ik ben niet zeker of er maar één wapen is” opperde ik. “Wat voor wapen dan?” wilde Ignace weten.   “Een WIEL!” riep Lotje. “Wielen zijn verschrikkelijke moordwapens!"” Lotje speelde de curryworst binnen, ze trok haar geelgroene sokken op en zei : “Ik heb een droge keel. Ik ga elders vodka kopen.” Ignace schudde de kop, maar schreef toch op : WIEL   “En wat nog?” vroeg hij me. “Bij VERMASSEN dacht ik direct aan de Bende van Nijvel, maar we hebben geen B”, zei ik “En ook geen C voor Colruyt”, was de reactie van Ignace. “Doe dan DELHAIZE", was mijn voorspel en hij schreef op : DELHAIZE   “Eén ding begrijp ik niet”, zei Ignace, “waarom kozen ze altijd een supermarkt uit. Hoeveel mensen lopen daar rond, in een grote supermarkt misschien honderd, in een kleine twintig. Waarom ze geen doel kozen dat echt symbool stond voor links, of een groter doel, een luchthaven bijvoorbeeld. Er moet ook een link zijn met die supermarkten.” Ignace klonk overtuigd.   “Welke link dan?” vroeg ik. “Denk na!” zei Ignace. “Wat wordt in een supermarkt verkocht dat gelinkt kan worden aan een criminele organisatie?” Ik trok ogen als een struisvogel en kon niet antwoorden. “Vlees!” zei De Reus. “Jij had toch Aujezsky opgezocht, niet? Las je toen niet dat de mens er weinig last van krijgt, als hij vlees besmet met de varkenspest eet?” “Klopt!” en ik stelde voor in die richting verder te zoeken… “Dan moet inhet anagram toch iets staan dat te maken heeft met die vleesmaffia.” “Proberen we KAREL VAN NOPPEN?” stelde ik voor. “We hebben geen K en ook geen V meer”, zei Ignace en hij schreef op, in het rood : NOPPEN. “En wat doen we met die OPEN WATER MOZES?” vroeg Ignace. “Aan RODE ZEE dacht ik, GOD misschien.” “Beide tegelijk kan niet. Bij NOPPEN gebruikten we de voorlaatste O. Er is er nog maar één over.” “Dan doen we enkel ZEE”, stelde ik voor en Ignace schreef op : ZEE   Met een zwarte stift vulde De Reus van frituur De Bosbrand het rijtje met woorden waarvan we dachten dat ze tot de oplossing behoorden, verder aan :   V E R M A S S E N     J E Z U S    W A P E N     J E U K P E S T    M E S T    W I E L  D E L H A I Z E    N O P P E N     Z E E   Wat we nog overhielden was :   R S Y G E E L D W A T E R M O S   “Geel water mos”, zei ik. “Die volgorde is toevallig”, sprak Ignace. “Betekent vast niets.” “Ignace, de naam van een spilfiguur moet nu toch stilaan zichtbaar worden.” “Misschien,” zei hij. "Kijk hier, in het anagram stond WANT ZUS SVEN MARS... zus van Vermassen?” “Het kan de zus van eender wie zijn,” sprak Ignace. “We laten het voorlopig zo.”   ‘Geel water mos’, herhaalde mijn hoofd en Lieve Lotje kwam het frietkot binnen, met in de linkerhand een fles Belvedere-vodka. Haar haren hingen als gouden dweilrafeltjes over haar schouders. Er vielen heilzaam veel druppels, meer dan een regenputje slikken kan.       eerste bladzijde van "Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

De Merel

De zwarte merel fluit zijn lied op de tak van een dikke beukenboom. De zwarte merel hoopt dat er een vrouwtje op af komt. Maar hoe hard hij ook zijn best doet met fluiten, het maakt niet uit. Er komt geen vrouwtje naar zijn zangtalent luisteren. Alle andere vogels in het bos zijn al een nest aan het bouwen. Nog enkele dagen en de vrouwtjes leggen een ei dat ze dan samen, om de beurt uitbroeden. Merel wil het nog één keer proberen. Hij haalt heel diep adem en begint uit volle borst te zingen. -'Stop! Stop!' Roept opeens iemand naast merel. In de stam van de dikke boom naast merel is een holletje waaruit het rossig kopje van een eekhoorn tevoorschijn komt.   -'Stop eens met dat kattengejank. Dat hoor ik nu al bijna de hele dag. Nu ben ik het beu.' -'Fluit ik niet mooi misschien?' Vraagt de merel. -'Merels als wij zijn de beste zangvogels van heel het bos en ver daarbuiten,' probeert hij de eekhoorn uit te leggen. Eekhoorn zet zich naast merel op de tak en biedt hem een verse eikel aan. Merel schud zijn kopje: -'Neen, dank je. Ik hou meer van zaadjes of een sappige worm.' Eekhoorn haalt zijn neusje op en knabbelt aan de harde vrucht. -'Zing ik dan zo slecht?' Vraagt merel nogmaals en begint ongevraagd te fluiten. Eekhoorn slaat zijn beide pootjes tegen zijn oren en brult: -'Stop ermee merel! Het verwondert mij niet dat er geen vrouwtje op afkomt. Waar heb jij zo slecht leren zingen?' -'Bij de rand van het bos staat een klein huisje. In de dikke eik ernaast ben ik geboren. Steeds hoorde ik daar viool spelen. Toen ik wat later leerde vliegen zag ik door het raam van het huisje dat een klein meisje leerde viool spelen. Samen met haar heb ik muzieknoten geleerd en fluit ik nu de mooiste melodiën.'   Eekhoorn begint te lachen. -'Mooiste melodiën? Je fluit als een kraai met keelpijn! Van dat meisje met viool, dat wil ik wel eens zien en horen', zegt hij. Merel vliegt voorop terwijl de eekhoorn van tak tot tak en van boom tot boom springt tot aan de rand van het bos. Het kleine huis heeft een rieten dak en door de schoorsteen komt de geur van vers gebakken brood onze twee vrienden tegemoet. Het moet er warm en knus zijn. Merel en eekhoorn zetten zich op een tak dicht bij het open raam. Net op tijd want langs het bospad komt een jong meisje naar het huisje gestapt. -'Dat is ze.' Fluistert merel. -'Maar, wat is ze gegroeid! Ik herken haar haast niet meer.' Het meisje gaat het huisje binnen en opeens wordt het doodstil in het bos. Alsof elk dier de adem inhoud. Zelfs de wind is gaan liggen. Allemaal weten ze wat er nu gaat komen. Vanuit het open raam komt de klank van een viool naar buiten. Zo mooi. Dit is niet wat merel gehoord heeft toen hij klein was. De muziek die hij nu hoort is warm en zacht. Een stuk van een groot wereldberoemde componist wordt bespeeld op de viool. Al snel opent merel zijn bekje, haalt diep adem en begint de melodie mee te fluiten. Eekhoorn wil weer zijn oortjes afschermen, maar deze keer kijkt hij vol bewondering op naar merel. Samen met het meisje horen de dieren een hemelse muziek. Het lijkt alsof het bos mooier wordt. De zon schijnt door de takken van de bomen en geeft meer warmte. Bloemen steken hun kopje in de hoogte alsof ze nu beter kunnen horen. Dieren koppeltjes leggen hun hoofdje verliefd tegen elkaar aan. Merel kan gewoon niet meer stoppen met fluiten. Meteen komt een vrouwtjesmerel naast hem zitten. Zo'n mooi geluid heeft zij nog nooit gehoord.   Een paar maanden later zitten merel en eekhoorn terug op de tak van de dikke eik bij het boshuisje. De bladeren van de bomen in het bos beginnen stilaan geel en rood te kleuren. De herfst staat voor de deur. Het raam van het huisje staat op een kier en gespannen wachten onze twee vrienden op de klanken van de viool. Merel is zenuwachtig. Meermaals kijkt hij achterom of tuurt hij in de lucht. -'Verwacht je soms iemand?' Vraagt eekhoorn. Plots zien ze allebei een vrouwtjes merel met drie jongen achter haar aan op hun toekomen. Ze zetten zich alle drie naast pappa merel. Hij kijkt trots naar zijn drie jongens die net hebben leren vliegen. Verliefd kijkt hij naar zijn vrouwtje. Dan wordt het ijzig stil in het bos. Elk dier voelt wat er staat te gebeuren. Voor het raam verschijnt een jong meisje, dat ondertussen een jonge dame is geworden, met haar viool. Ze plaatst het instrument onder haar kin en met de strijkstok raakt ze enkele snaren aan. Het is prachtig en tevens ontroerend om te zien hoe zo'n jonge vrouw met zoveel talent en overgave voor heel het bos staat muziek te spelen. Samen met zijn gezin en zijn beste vriend eekhoorn wil merel naar het concert luisteren. Zo leren zijn jongens muzieknoten en kunnen ze heel mooi fluiten als ze wat ouder zijn.

Luc Verschooten
5 0

Wimpie in Wonderland (slot van deel 4)

                 Niets gaat trager. Dan het sterven. Van een levendige pijn.       Ze leek nijdig maar was mild, het Poolse meisje van zestien. Neen, van haar zoveelste kippenschnitzel wilde ik geen stuk.   Ignace lag thuis knock-out en Alfred, hij mocht fier zijn op zijn oeuvre, zijn verhaaltje klonk me in de oren als een vliegtuig zonder roest.   Lieve Lotje uit het dorpje Leba aan de Poolse kust was naast me komen zitten. Vier van onze oren hadden geluisterd naar Alfred die voorlas uit zijn tekstjes op dat onbevlekte frietpapier.   “Gelukkig. Het is kalm vandaag!” zei Alfred, want het was weer zo’n dag die een gans volk hypnotiseren kan. Alle schermpjes aan voor een man of elf. De knop in het hoofd staat bij de meesten dan op vaderland zonder fabeltjeskrant, en dan lijkt het alsof dat echt kan bestaan een natie, alsof ik me echt ergens anders moet voelen als ik één stap over een krijtlijn zet die iemand ooit getekend heeft, ergens tussen Eede en Strobrugge.   ‘Mijn god, wat ben ik blij dat ik dít landje hier gevonden heb, die paar vierkante meter, binnenin een frietkot, waar geen vlag hangt en geen geur van onderscheid tussen de kleuren van een kop of wimpel’, dacht ik bij mezelf.   “En hoe eindigt het met Wimpie?”, vroeg Lieve Lotje. “Ik weet het nog niet?” zei Alfred. “Veel gaat snel voor velen, traag de tijd voor anderen en tragisch is het ook voor blinden. Enkel zij die ogen sluiten, schijfjes bloedworst op de lenzen kleven, denken zo, dat het echt kan, om weg te kijken.”   “En hoe verging het Wimpies hond en kat? Vertel het, mily gnom!” wilden Lotjes ogen.   “Wat ik weet...” en Alfred vertelde, dat alles groeit, omhoog, opzij, opzij, zelfs in een poppenstoet groeien reuzen met de tijd, want nat papier-mâché het zwelt, hun kop wordt dikker en dikker en met de tijd barst alles.   Wimpies hondje stierf al na een jaar of twee. Meneer Wittebolle zei : zo gaat dat, man. En ook de kat, helaas, die leeft niet meer. Een baan is soms te breed, een wiel te snel en Wimpie nam een schop. Dat rood moet van de weg, zei mamalief.   Er zijn nu putten overal, ook in die tuin, met kruisjes, scheefgezakt.       Alfred zweeg, vouwde zijn frietpapieren dicht en legde ze onder een veel te grote pot met zure uitjes.   Hij sneed wat hartjes uit patatten en we aten samen, met ons drie. We dachten aan Ignace terwijl een voetbal rolde, ergens op het gras.       derde en laatste bladzijde van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
18 0

Wimpie in Wonderland (2)

                                  My dear dodo. Wake me up. Before you go-go.       Er gebeurde niets. Alfred zei : “Hier zijn je kroketjes. Ik wist dat je ze ging vragen. Ze lagen al in een mandje.” “Te bronzeren. Dank je”, zei ik en hij las verder over Wimpie, “dat het al gauw krioelde rondom Wimpie, van de beestjes en de animale wonderen.   Als ik begin vanuit de grond, dan zijn het zachte mollen, visjes in een regendruppel, gouden, zwarte exemplaren, rare evers, roze kevers in een pantser van plastiek. Je weet niet wat je ziet, noch wat een mens onthouden kan, diep in dat gat van de vergane tijd kropen er wormen, darmenloze kleine wezens keken door hun bolle ogen naar de lucht waarin ze vlogen, vogels slank en breed, sneller dan een pijl, die ene trager dan een slak. Hij valt. Denk ik. Die reiger heeft te lange poten want het water is niet diep. Ik loop er zomaar door. De kikkers ze geloven niet dat ik niet zwemmen kan. Neen want straks. Dan leer ik het, van een gewone dikkop die zijn staart schenkt aan een lam dat zo graag kwispelt.   Ik wil een hond die naast een kat wil slapen en ze kwamen, afgelopen, remden net voor ik ze vangen ging, mijn armen stonden open om te vliegen. Molshopen zijn bruine duinen, wist je niet dat er in deze gaten pijltjes zijn getekend, in de wand gekrast zijn de symbolen, heel eenvoudig, door een kind als ik is dat in één twee drie ontcijferd en ik weet het waar ze wonen, al mijn dromen schuilen in een nest diep in de grond.   Ik streel mijn hond, ik aai mijn kat, omdat mijn handen niets vergeten, weten waar waar het kriebelt bij die beestjes, als ze sterven wordt het stil, soms veel te stil, maak ik een kruisje met twee stengels van een plant die vond dat al dat groen te zwaar geworden was.         pagina twee van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Wimpie in Wonderland (1)

                        Elk jaar wordt het maart. Is er taart met februarilijkjes.     De tijd staat niet stil. Soms wil hij vooruit en op een dag, dan valt hij een diepe put. 'Unten im Loch der Zeit' is er een tunnel, die alles kan terugvoeren. Afvalwater, verdwaalde regendruppels, lange seconden en malle uren.   “Dit voorspelt narigheid”, merkte ik op. “Hou je snavel, grijze kinkelkraai”, zei Alfred op dezelfde verteltoon waarmee hij begonnen was.   Wimpie is het. Vaak verstrooid. Heeft wel duizend schrammen van het vallen, probeert het en soms lukt het, kan hij zich vasthouden aan de lianen van vergeten braamstruiken.   Roodsel. Dat is er genoeg in huis en hij wordt vaker dan je denkt een indiaan. Het bruin komt van de zon, het rood, dat is gewoon ontsmetting uit een flesje met pipetje. Het is mercurochroom en hij loopt, blijft het proberen, op de klinkers van de paden.   Wegeltjes kronkelen ertussen, tuintjes zijn het van die keuterboertjes en hij kent de kleuren. Wimpie weet het. Rechtsaf bij de roodpaarse kolen, links bij die groenrode stengels van rabarber, rechtdoor bij het wuivend loof van wortelen, twee keer links, zo rond de bonenstaken en dan altijd maar, nog verder, nog, tot aan tomaten rood als bloed en in de verte rijdt het, als een monster op ijzeren wielen, een treinding op een berm waarachter ze verdwijnt. Die zon. Ze doet het elke dag.   En je weet hoe dat gaat. Er wordt een tuinbadje gekocht, een fototoestel, de slang is voor het water en ijsjes druipen over bovenlichamen van kinderen, mijn god, ik wil het, werd het maar weer zomer, zo’n zelfde oude zomer als weleer.   Dan komt het. Het wordt maart. Hazen graven nieuwe holen, dieven van de winter nieuwe gangen voor het koude zilverwerk en Wimpie groeit. Je ziet het. Alle foto’s worden groter, lenzen, messen scherper. Wimpie snijdt zijn eigen brood en vingers bloeden zelden langer dan één zielige minuut.   Er zijn vaders en er zijn moeders. Je hebt er die dingen kopen, je hebt er die onzin verkopen, je hebt er die beesten verzamelen, een kuikentje voor Wimpie, gansje wit voor moeder en de papa wilde altijd al een echte bok met horens lang, krullend haar tot op de grond.     “Geen frietjes vandaag”, onderrbak ik. “Doe mij vandaag liever van die ronde kroketjes. Zijn er nog?” “Hou toch je kop”, zei Alfred. “Ik ben aan het voorlezen.” “Voor straks, een partijtje croquet spelen, op dat lapje daar, in dat verloren gras.”   Hij kwam naar me toe en ik dacht : nu gaat het gebeuren. Eindelijk. Word ik de nek omgewrongen. Door een getuige van de onschuld.         eerste bladzijde van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Uit te lezen vlees (slot van deel 3)

                       Als het regent. Wassen zelfs de slakken zich. In onschuld.       Intussen had ik een iets groter schriftje, een B5, waarin ik honderden woorden opschreef, alle met letters uit die resterende zesenzestig letters.   Ik schonk me thuis een gordon scotch in (later nog een paar). Ze kwamen van bij de Colruyt, vijf euro vierennegentig cent voor zes flesjes. Na vier flesjes en vierhonderd worden gaf ik er de brui aan en kroop in mijn nest   Morgen. Eerst het vaste wandeltochtje langs slakken en kruipplanten, een kleintje met mayonaise bestellen, ook een 7up en dan zie ik wel. Wat we nog uit die letterreeks kunnen peuteren.   Mijn ogen waren lam van de letters en wilden zo snel mogelijk slapen.     En omdat de zon het wilde, werd het weer licht. Ik stond op, zette de lege Gordon Scotch-flesjes in de wachtende bak van plastiek, at een boterham met muizenstront en kleedde me aan. Ik had me overslapen en het was al kwart na elf. Het is een half uur stappen naar de frituur van Ali F.!   Ik was er om vier voor twaalf, trok het deurtje open en groette Alfred. Hij beet op een balpen, schreef even later iets op een vel frietpapier en legde de stilo weg. Hij bracht me alvast mijn 7up.   “Ik wist niet dat je schrijver was”, vroeg ik hem en hij grinnikte. “Verhaaltjes.” Meer zei hij niet. Het werd twaalf uur. Twee na twaalf. Twaalf na twaalf.   “Hij komt niet elke dag”, zei Afred, “soms heeft Ignace het lastig.” “Waarmee?” vroeg ik. “Hoe zal ik het zeggen…. Soms flipt hij.” “Wordt hij dan gevaarlijk?” Toen ik het gezegd had, voelde ik het al.   “Hahaha… gevaarlijk! Dan wil hij alleen maar in de grond kruipen. Hij heeft me het ooit eens verteld. Dat hij zichzelf dan een spuit geeft, knock-out gaat en een dag of twee niet uit zijn bed komt.” Ali schepte mijn portie frieten, draaide wat aan de knop van één van de kuipen en liet een mandje zakken.   “En dat schrijven van je, Alfred… wat schrijf jij dan?” vroeg ik. “Curieuzeneuze-en-vragesterretjes” was zijn antwoord en hij lachte weeral. “Horror? Porno?” Ik daagde hem wat uit en hij zei : “In ieder geval geen kinderkutverhaaltjes.” “Gij zwanzer”, reageerde ik en toen ik mijn bakje frieten van op zijn kleine koeltoog nam, griste ik het vel frietpapier mee waarop hij geschreven had.   “Ze zijn goed gebakken. Zo heb ik ze graag”, zei ik, “en Wimpie? Wat bestelt hij normaal?” “Gij smeerlapje”, riep hij toen hij zijn geschrijf onder mijn bakje frieten zag liggen. “Wimpie is de zuiverste ziel van de ganse zuivelwereld”, zei Alfred. “Is zijn vader dan melkboer”, vroeg ik. “Wimpie heeft geen vader”, en Alfred zweeg.   Ik ging niet verder in op ‘Wimpie’ en vroeg enkel nog hoe het schrijven vlotte.   “Als inktslakken die verdwalen bij motregen. Nog beter als het begint te gieten. Dan valt er al na een kwartier niets meer te lezen.”   Dat waren de woorden die hij sprak terwijl hij vleesblokjes, ajuin en paprika (alles zat op een stevig stokje) voorzichtig in een mandje legde. Het was voor een mankende man.     derde en laaste bladzijde van 'Uitgelezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Uit te lezen vlees (2)

's Anderendaags zaten wij daar weer, in frituur De Bosbrand. Ik kwam altijd uit het zuiden toegestapt en Ignace uit het noorden.   Ik zorgde ervoor dat ik er altijd om vijf voor twaalf was en Ignace moest ergens onderweg zijn stappen tellen en de snelheid aanpassen want hij kwam altijd precies om twaalf uur door de deur.   We plakten de fameuze B3 met plakband vast aan het tafeltje en staarden eerst samen naar de zesenzestig letters.   “En?’ vroeg Ignace. “Iets gevonden gisterenavond?” “Eén instinker, één ziekte en een moordwapen”, antwoordde ik. “Welwel… en dat is al?” Ik trok een dwaze kop en ging twee 7ups bestellen. Alfred zei dat het de laatste waren, dat we daarna frieten moesten drinken.   “Wat gaan we dan eerst schrappen?” zei Ignace. “Wat je zei, toen we die ‘die hete dieetmest uit Gdansk’ ontcijferd hadden… dat ze niet van Mars kwamen. Dus Sven Mars is niet van Mars en Vermassen ook niet.” “Dus SVEN MARS wordt VERMASSEN”, stelde ik voor. “Oké, als we die extra E elders halen, kan het.” zei Ignace. “Dat is dan toch al iets. Wat nog?” vroeg hij. “Dat het moordwapen een mes was, en dat hebben we afgeleid uit ‘dieetmest’.”   WAPEN – MEST, schreef Ignace op.   “En AUJEZSKY heb ik opgezocht… de ziekte van AUJEZSKY is de VARKENSJEUKPEST.” “Dan hebben we een probleem”, zei Ignace, “er is maar één K” “Ook andere dieren kunnen het krijgen, heb ik gelezen.” “Dan schrijf ik op JEUKPEST” en Ignace nam een rode stift. “En die jeukpest wordt allicht ook verspreid via de mest… dan moet MEST zeker in de oplossing staan!” besliste Ignace. “JEZUS heb ik ook gevonden”, zei ik, “want GEDEELDE WIJN staat er”   Alfred schoot in de lach : “Eindelijk bekeerd!” en tegen hij het Poolse meisje (ze bleef maar terugkomen) zei hij : “Neen, mijn schat, inlegkruisjes verkoop ik niet”, waarna ze een kippenschnitzel bestelde. “Ik dacht dat je vegetarisch was”, zei Alfred tegen het popje met de witrode kousen. “Ty naiwnie gnom” zei ze, “en rol hem eerst goed plat, die lap vlees, zoals we dat in Polen doen.” Alfred had geen deegrol noch hamer en gebruikte dan maar zijn vuisten om dat lompje vlees in paneer op een vleespannenkoek te doen lijken. “Goed zo?” vroeg hij en het Poolse Lotje knikte.   Intussen had Ignace een zwarte stift genomen en begon een nieuwe rij woorden, onder die van het anagram.   V E R M A S S E N   J E Z U S  W A P E N    J E U K P E S T    M E S T    Diezelfde letters schrapte hij in de oorspronkelijke letterrij en we hielden over :   L R L E E P H I N A Z S Y G E D E E L D E W I N O P E N W A T E R M O Z E S   Ik haalde mijn TI-30G boven en berekende hoeveel mogelijkheden er nog overbleven. “Nog achtendertig letters te gaan en faculteit achtendertig is ...euh... meer dan een septiljoen”, zei ik. “Toch al iets minder dan die vijfhonderdvierenveertig quindeciljoen”, en Ignace gaf me een schouderklopje.   “En hoeveel frieten willen de Einstein Brothers vandaag?” vroeg Alfred. “Ook zoveel?”   “Frietpaviljoen is geen getal”, zei Ignace.       pagina twee van 'Uit te lezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
19 0

Uit te lezen vlees (1)

  L E E P P E E R L E E P H I N T M E S A U J E Z S K Y G E D E E L D E W I J N O P E N W A T E R M O Z E S W A N T Z U S S V E N M A R S   Ignace ging niet eens zitten op zijn vaste stek, hij bleef recht staan aan ‘zijn’ tafeltje en nam uit zijn zak van plastiek een groter blad dan we van hem gewoon waren. Een B3! Het blad bedekte bijna het ganse tafelblad. “Zesenzestig!”, zei hij, “een anagram van zesenzestig letters. Gekregen, van Wimpie.” “Wimpie Wankie Wimpel Wanker Pamper Pilipili”, Alfred begon een liedje te zingen waar de beste rijmelaar een puntje aan kan zuigen en Ignace riep dat hij zijn muil moest houden.   Ik kwam naast Ignace, aan zijn tafeltje staan. Op dat vel papier stond een ganse rij letters. Ik telde ze. “What the fuck”, zei ik, “zesenzestig….” en ik schreef in mijn schriftje : 66!, waarbij die ‘!’ geen uitroepteken is maar staat voor 'faculteit'. Faculteit zesenzestig, het aantal combinaties met zesenzestig letters. “Hoeveel mogelijkheden zijn er dan?” vroeg ik aan Ignace. Hij wees met zijn vinger. Het stond in de linker onderhoek van het grote blad :   66! = 544344939077443064003729240247842752644293064388798874532860126869671081148416000000000000000    “Maak je geen zorgen,” zei Ignace, “ik weet dat het meer is dan een vijf met daar achter tweeënnegentig nullen, meer dus dan vijfhonderd quindeciljoen.” Alfred begon te neuriën, nam een glas, blaasde er wat kabouterdamp op en begon het glas een glansje te geven. “En jij wilt dat anagram oplossen? Uit die qui… quindeciljoen mogelijkheden de juiste vissen?” vroeg ik aan De Reus. Hij knikte. "Hoe dan? Een algoritme gekoppeld aan een woordenboek, aan een namenregister en weet ik wat nog veel?” Ignace bestelde twee 7ups. Hij die anders altijd fanta dronk, ging eens een 7up proberen en een anagram met zesenzestig letters oplossen!   Hij zei, na een paar minuten  : “Luister... ten eerste, het zijn er geen vijghonderd quindeciljoen, omdat sommige letters meerdere keren voorkomen… en denk je echt dat we een computer nodig hebben? Hoe wou je dan automatisch gaan zoeken in naam-, plaats- en ik weet niet welke andere registers?” sprak Ignace. “Google even bellen”, grapte Alfred en hij maakte een teken naar me. Met het puntje van zijn rechter wijsvinger tikte hij tegen zijn rechterslaap. “Allez… zeg het hem dan”, zei Ali me. “Wat?” vroeg ik, “...dat-ie zot is?”   Ignace lachte en beaamde het : “Ja, ik ben niet goed wijs, maar maak je geen zorgen… er zitten veel verwijzingen in de anagrammen die Wimpie maakte, grappen ook, en instinkertjes. “Wimpie? Wie is Wimpie?”, vroeg ik met luidere stem dan gewoonlijk. “Wimpie... Wimpie woont nu in Zuienkerke”, zei Ignace.   “Een waterrat en wonderboy was hij, Wimpie. In de zomer zwom hij liefst in een zwembadje vol lettertjesspaghetti” riep Alfred die patatten aan het schillen was.   Ik las de letters nog een keertje, woorden waren het, maar wist begot niet waar te beginnen en zei : “Ignace, dat lukt nooit. Al mogen het er minder zijn dan die vijfhonderd quindeciljoen, het zijn er zeker nog meer dan een deciljoen!” “Mag zijn,” was zijn antwoord, “maar wees gerust. Je brein is tot veel in staat, meer dan je denkt. Je hersenen maken ook gebruik van je onderbewustzijn. Een computer kent geen dingen als spontane associaties, onlogisch lijkende links of instinkertjes die je eerst op het verkeerde been lijken te zetten en tegelijk een lichtje doen branden in een andere gang.”   “Schrijf de reeks over, probeer het thuis.” “Ik weet het niet”, zei ik en dacht bij mezelf : had ik maar niet zo snel ‘einde’ geschreven onder mijn Zeebrugs verhaaltje met containers, straatlopers en vuilbakmiserie.   Ik wilde schrijven. Niet puzzelen.      66!  L E E P   P E E R   L E E P   H I N T   M E S   A U J E Z S K Y   G E D E E L D E   W I J N  O P E N   W A T E R   M O Z E S   W A N T   Z U S   S V E N   M A R S       bladzijde één van 'Uit te lezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0