Lezen

16 April

16 April 2002 was voor velen niet veel meer dan de dag na 15 april 2002. Als je iemand vraagt wat voor weer het die dag was, dan zal bijna niemand je daar een antwoord op kunnen geven. Als je aan mensen vraagt wat zij die dag deden, dan zullen de meesten je het antwoord verschuldigd blijven. Ik hoor in dit geval, jammer, genoeg niet bij de meesten. 16 april 2002 was het typisch Belgisch weer. Er was geen zon en ook geen regen. De hemel zat wel dicht met grijze wolken en ik bevond mij op mijn piepklein kot in het centrum van Antwerpen.  Het was die dag mijn moeders vijftigste verjaardag, maar in tegenstelling tot wat je zou verwachten, was ik het die op een telefoontje van haar zat te wachten.  Ik weet nog precies weet hoe mijn gsm rinkelde en hetgeen ik angstig verwachtte, werd bevestigd.  Hij was gestorven. De jongste broer van mijn vader. Zelf vader en veel te vroeg  weggehaald  uit het  levendig jonge bestaan van zijn gezin.  Mijn hart brak voor de eerste keer op een manier die ik nooit eerder had gekend.  Zelfs vandaag heb ik nog steeds geen woorden gevonden om het gevoel van dat soort verlies te beschrijven. Laat staan dat ik ooit al de juiste woorden van troost  in dergelijke situaties tegenkwam. Het is iets raars. Negeren lijkt het gemakkelijkst, maar de herinnering slaat uiteindelijk sowieso dubbel zo hard terug. Het is vreemd hoe ik die dag mijn moeder aan de andere kant van de lijn nooit een gelukkige vijftigste verjaardag wenste. Hoe ik nog exact weet dat ik  een paar minuten aan de grond genageld stond en daarna op automatische piloot de trein naar mijn toenmalig lief in Leuven nam, zonder mij een treinrit te herinneren.  Het is vreemd hoe ik de rest van die dag  alleen maar wilde wegrennen van iedereen die erover wilde praten, omdat erover praten niemand terugbrengt. Het is vreemd hoe ik nog precies weet wat ik aan had op de begrafenis en hoe ik die kleren daarna nooit meer aan zou doen. Alsof ze doordrongen waren van verdriet en dingen die ik nooit meer wilde voelen. Ijdele hoop natuurlijk, want bij het leven hoort nu eenmaal de dood. Vreemd ook hoe ik die kleren nog steeds in mijn kast heb, terwijl ze al lang niet meer passen. Ik laat ze hangen, omdat ik niet wil vergeten. Omdat ik nooit wil vergeten dat elke gezonde dag die je in dit leven krijgt, dient om ervan te genieten. Gisteren waren we 16 april 2017. Vijftien jaar later is deze dag nog steeds niet zoals ze was voor 2002. Mijn moeder blies vijfenzestig kaarsjes uit en dacht daarbij zoals elk jaar nog steeds aan de dag dat ze door verdriet nooit écht vijftig werd. We vierden Pasen bij mijn grootouders, maar er bleven ondertussen al twee stoelen leeg.  Op een verrijzenis kunnen we enkel maar tevergeefs hopen, maar misschien moeten we net daarom de levenden vandaag een beetje meer vieren. 

Ans DB
0 0

Julie's blues

  terwijl de wind de granen streelde hebben ze mij gevonden in een koekoeksnest   ze hebben mij meegenomen als een reuzengnoom voor een hottentottenkinderboerderij   gejaagd door hun tijdelijke kerstboombossen mijn veren en mijn kleren behangen   met hun herinneringen vogel- griep misschien ik was kapot ik sliep levend beefde nog   heel even zag ik twee konijnen in een pijp gevangen werd ik wrang genepen in een bocht   ze hadden steden wrede wasem veelvraatstank en smog hing rond de dichtgegroeide oren   af te tellen dagen vroegen om een einde sneltreinwielen om wat plat te rijden   ik denk nog vaak terug aan Gordon the moron die me duwde op die derde donderdag van   september de septische put zat vol met dolle aaltjes weet je dat ik graag zwem in open water   veel later en nog steeds was ik niet losgelaten door die mensen met hun brij my sweet Julie heeft nog lang gehuild   ik zat daar voorbarig mezelf bijna van kant te maken onder een niets vermoedende zon als een zondaar   zonder schuld snippers kanttekeningen betrappen konden ze mij niet zij daar met hun lelijke weelde   levereendjes lelijke ploezes sandwiches bouwkranen sanitaire stank en krankenhuizen het was   die rauwe lust hun rechte wortelen in folie gewikkeld werd een laatste wens de witte pens van een dakloze   lag in het gras wat wel meeviel was dat ik haar ooit gevonden had zij met haar meesterlijke krullen   behaard was de poes met een geitebaard wij zijn het echt dachten we zo vrij als eendjes van plastiek   drijvend in een vijver of een navel- putje ik ging naar de vleesbiecht in haar schoot kon ik dacht ik   mij verbergen lichtjaren eenzaamheid vergeten de jonge merels zaten op een draad vol stroom en de   ontlading stierf in stilte heeft ze die ochtend bij die verse dageraad de cellen koel ontboden   zich niet langer nog te splitsen nam om kwart voor zes   een mes om mij te doden         uit de reeks  'Waanhoop'  

Bernd Vanderbilt
1 0

Paasgedoe

Kevin staart bedenkelijk naar zijn paasei dat hij zonet in de tuin heeft gevonden. Zijn rechtermondhoek gaat lichtjes omhoog, wat hij altijd doet als hij een vraag heeft die gesteld dient te worden. ‘Wat is de betekenis van Pasen alweer, mama?’ Tessa kijkt op van haar weekblad dat, hoe kan het ook anders, Pasen als thema heeft gekozen. Ze leest een artikel over leuke paasuitjes om te doen met kinderen. Ik zie moeders en kinderen die vrolijk hand in hand tussen de eerste lentebloesems wandelingen maken en vraag me af of Kevin zin heeft in paasuitjes. ‘Ik dacht de verrijzenis van Jezus, of was het nu de kruisiging? Rik, weet jij het nog?’ ‘De kruisiging, geen twijfel’, antwoord ik voordat ik een croissant in twee hap. ‘Waarom vieren we dat met chocolade eieren dan?’, vraagt Kevin. Ik verslik me als de croissant halverwege mijn keel blijft steken en grijp naar de koffie om door te spoelen. Tessa verplaatst zich op haar stoel. ‘Wel, euh, gewoon, om ons te herinneren aan de, euh, kruisiging, denk ik’ ‘En waarom worden die dan zogezegd door vliegende klokken gebracht?’, gaat Kevin verder. Ik heb net de croissant doorgeslikt en tik op mijn keel om de stemvibraties terug op gang te brengen. ‘Ach ja, dat is gewoon symbolisch Kevin. Die komen uit Rome, wist je dat?’ Ze wacht niet op antwoord en doet een poging zijn bevraging af te leiden. ‘Is het een lekker paasei?’, vraagt ze. Kevin neemt een grote hap van zijn ei en met zijn mond vol chocolade, zegt hij droog: ‘Ik vind dat paasgedoe maar niets’. Tessa haar hand beweegt traag naar het weekblad en ze slaat het geruisloos dicht. Ze kijkt me verslagen aan. Ik voel dat mijn stem terug is en vraag opgelucht: ‘Nog iemand een croissantje dan?’

Kris De Vriendt
0 0

PAISAJA LUNAR, HET MAANLANDSCHAP

In de toeristische gids over Tenerife staat dat de wandeling naar het Paisaja Lunar, de mooiste wandeling van het eiland is, met kers op de taart een adembenemend natuurverschijnsel een maanlandschap. Wij beseffen na jaren rondreizen en gidsen lezen, dat iedereen de toerist wil lokken met een scheet in een fles en zijn bezienswaardigheden opklopt tot mirakelniveau,maar al sinds 2004 hebben wij toch deze wandeling in ons achterhoofd. De kleine huurautootjes en de weg er naar toe, lieten ons steeds weer afhaken.. Vorig jaar echter hadden wij een grotere en wat solidere auto en trokken wij samen met onze stoute schoenen tevens ons wandelbottines aan. Wij reden eerst naar het hoogste dorp van Tenerife en sloegen vol moed de bosweg in.  Een 7 km lange onverharde weg, vol putten en stenen leidde naar de parkeerplaats waar de hoogte wandeling begint.  Manlief stuurde de auto tussen de kuilen, lavastenen en langs afgronden stapvoets tot aan de parking. Met onze wandelstokken duwden wij ons anderhalf uur door het lavagrind langs een pad met afwisselende vergezichten.  Dan kwamen wij aan een plek waar 5000 jaar geleden de vulkaanuitbarstingen een speciaal mooi fenomeen heeft doen ontstaan.  Mooi, de Canaries mogen er trots op zijn. Terwijl wij met het zicht op de puntige rotsen picknickten, bedacht ik hoeveel mensen ik al naar de maan heb willen schieten. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat deze plek nog veel te mooi is voor alle terroristen, fundamentalisten en moordenaars. Als al onze gevangenissen overvol zitten en men beslist om hen toch richting maan te lanceren, dan stelde ik vanaf dat moment mijn veto. Voor mijn part mogen ze rechtstreeks naar hun eigen beloofde hemel..recht naar hun eigen God. Ik kan me als atheïst moeilijk voorstellen hoe dat dan allemaal in het werk zou gaan, maar als je er in gelooft zal het helemaal niet onaangenaam zijn om ineens naar Allah, Mohammed, God de Vader, Jezus Christus, Jahweh, Boeddha of  Ganesh te gaan. Al eeuwen ontvangen deze “goden” uitgemoorde Moslims, Christenen of vergaste joden. Jaarlijks kloppen er duizenden aan met de vraag om in een betere kaste opnieuw naar de aarde te mogen. Zitten die goden dan ergens in het heelal rond  een ronde tafel, statistieken bij te houden of een soort om ter meeste te spelen ? Wat gebeurt er in de komkommertijd, als er geen grote oorlogen meer uitgevochten worden. Zitten ze zich dan op een wolk te vervelen, als er nu en dan nog maar alleen een verbrande heks, een vergiftigde paus, een paar vermoorde kinderen aankloppen ? Lachen zij  sarcastisch als er een van de laagste kaste verhongerde paria aanklopt met de vraag om als maharadja terug te kunnen ? Ja nu en dan komt er een grote vis, zoals een Bin Laden, maar geef nu toe, zonder het Amerikaanse duwtje in de rug, zat ook deze liever met zijn kont in het woestijnzand in plaats van in het Allah paradijs. Spreken deze goden dan een gezamenlijk strategie af om hun quota wat op te krikken ? Heuh wat zullen we weer eens doen ? Een aardbeving links of rechts, of wat denken jullie van een vulkaanuitbarsting, of nog leuker een tsunami over een eiland sturen ook goed om wat zieltjes naar boven te krijgen. Een grote epidemie is ook niet slecht, of weten jullie wat, we kunnen de salafisten wat tegen de sjiieten en de soennieten uitspelen. Waar kunnen we nog een oorlogje uitlokken, in  Oekraïne misschien? Wat vinden jullie het plezants, als ze daar beneden denken dat het de natuur is of de mens zelf die elkaar uitroeit ? Wie beslist er dan daarboven, wie naar de hemel en wie naar de hel moet, want geef toe wij krijgen langs de gelovige hoek wel heel tegenstrijdige meningen. Als er bij de Christenen iemand zelfmoord pleegt, dan is dit een grote zonde en mag die niet aan de rijstpap beginnen. Als bij de moslims daarentegen, een zelfmoordterrorist zichzelf en een aantal spijtige slachtoffers opblaast, wordt hij direct als held, met open armen en benen door duizenden maagden in de Allah hemel ontvangen. Je moet het maar begrijpen ! Terwijl ik aan mijn sandwich knabbelde en naar het besneeuwde topje van de Teide staarde, bedacht ik dat wij onze hemel en hel hier op aarde krijgen en niet in een voor mij fictief hiernamaals. De hemel is als je gezond bent, als je een fantastisch lief hebt, je kinderen en kleinkinderen zonder te grote problemen door het leven huppelen en als je soms het gevoel hebt dat je lichaam gaat openbarsten van geluk. Dat is de hemel. De hel krijg je, als je als homo of transgender levenslang tegen onverdraagzaamheid moet opboksen. Als je als atheïst of anders gelovige, probleemloos door medemensen als “niet gelovige honden” afgeslacht wordt. Als je partner van je wegglijdt door een ernstige operatie, kanker, dementie of Alzheimer. Als geliefden door een ongeval of een operatie zonder afscheid van je weggerukt worden of als je je eigen kinderen moet overleven. Dat is de hel. Ja, ja  ik hoor jullie al denken, waar blijft nu dat plezante verhaal ? Wel het leuke was, dat wij eindelijk na al die jaren het Paisaje Lunar gezien hebben en na anderhalf uur dalen probleemloos onze geparkeerde auto teruggevonden hebben. Wij vervolgens zonder platte banden de hobbelige weg door het lavalandschap overleefden. Ik voelde me gloeien van geluk en was trots op manlief zijn rijkunst. Wat later zaten wij,in het stralende zonnetje van een lekker koel pintje te genieten op een terrasje in het hoogste bergdorp van Tenerife, Vilaflor. Als we in ons huurhuisje aankwamen en ik mijn laptop opende, plopten er een prachtige foto van onze kleindochter en een mailtje van onze kleinzoon binnen. Dat is geluk, dat is de hemel !                  

Sim
0 0

De indringer

Personages: Karen (psychologe) en Robert (patiënt)Ruimte: Praktijk   Scène 1   Intakegesprek Robert   (Karen werkt aan haar bureau, deur wachtkamer staat open, Robert komt binnen)   R. Hallo? Sorry. Mag ik binnenkomen?K. Natuurlijk. (kijkt in agenda) Robert Duval. Kom binnen. Hee, wij kennen elkaar, niet?R. Ja? Ja! Ik weet het weer. Vorige zomer in…R … de Zanzibar!K … de Zanzibar !R. Tja, wat moeten we hier nu mee? Is dat een probleem?K. Dat denk ik niet. We hebben samen iets gedronken en wat gepraat. Tenzij jij anders beweert. (lacht)R. Hoe bedoel je?K. Ik bedoel... (gegeneerd) Vind jij het een probleem?R. Nee, natuurlijk niet, er is niets gebeurd. Het kan wel. Jij als therapeut en ik als … ja, als wat eigenlijk?K. Ik denk niet dat we ons toen in de Zanzibar deftig aan elkaar hebben voorgesteld.R. Nee, inderdaad. we hebben gepraat tot in de vroege uurtjes, dat weet ik nog. En stevig gedronken herinner ik me de dag nadien.K. Laten we opnieuw beginnen. Karen. Aangenaam.R. Robert. Aangenaam. (schudden elkaar de hand)K. Ga zitten.R. Dank je. Dus jij bent een psychologe. Goed, hier zitten we dan.K. Ja.R. Eigenlijk weet ik niet wat ik kom doen. Ik weet het wel maar ik ben zenuwachtig denk ik. Niet omdat we elkaar ontmoet hebben, zoals nu blijkt. Maar, het lijkt zo... Ik wilde nog afbellen.K. En toch zit je hier.R. Ja. Het lijkt nu zo onbelangrijk.K. Je hebt niet afgebeld. Dus zal het wel belangrijk zijn?R. Ja.K. Als het in je hoofd komt, hulp vragen, is dat niet zonder reden, niet zomaar. Je verzint het niet.R. Zo heb ik het nog niet bekeken.K. En het feit dat je het relativeert of minimaliseert nu je hier bent, is ook normaal. Doe je dat vaak?R. Relativeren?K. Of minimaliseren?R. En het ‘onbelangrijk’ noemen? (lacht het weg). Maar ja, je hebt gelijk. Ik denk altijd: het kan nog erger. Kan dat: te veel relativeren?K. Een gezonde portie relativeren helpt je om obstakels te overwinnen. Als je dat niet zou doen zou je binnen de kortste keren voor een berg onoverkomelijke problemen komen te staan die je dan weer verhinderen om verder te gaan. Veel mensen vragen zich de eerste keer af wat ze hier doen. Ze cijferen zich een beetje weg, of verdringen het probleem, zoals ze gewend zijn.R. Het is normaal, dus.K. Dat is wat mensen doen. Laat ons het volgende afspreken: bekijk dit als een kennismakingsgesprek, vrijblijvend, waarin we wat praten. En nadien beslis je zelf of we verder gaan.R. Oké, dat moet lukken denk ik. Maar dan moet ik natuurlijk ook zeggen wat het probleem is.K. Niets moet nu. Ik help je.R. Het is m’n vader. Mijn vader is ziek en ik verzorg hem. En ik voel me er niet goed bij. Mijn vader is niet van de gemakkelijkste. Of was niet van de gemakkelijkste. Ik bedoel niet omdat hij ziek is, maar … om vroeger.K. Om vroeger?R. Ik weet niet waar ik moet beginnen. Hij was geen ‘vader’. Geen goede vader. In alle aspecten van vader zijn. Ik heb hem jaren niet gezien, niet meer willen zien. Nu is hij ziek. Dement. Ik moet hem elke dag helpen met eten, rechtstaan, gaan zitten, liggen … Maar het klopt niet. Ik kan het niet. Ik wil mijn vader helemaal niet verzorgen, terwijl duizenden anderen dat wel doen, kan ik het niet. Het zit me dwars. En ik walg er van.K. Niets kan je ertoe brengen om je afkeer opzij te zetten?R. Nee.K. Heeft hij jou op een of andere manier gekrenkt?R. Gekrenkt. Wat zeg je dat mooi. Hoe mijn vader is, of beter was, kan je niet terugbrengen op de eenvoudige term krenken. Als ik er aan terugdenk … (stilte).K. En nu is hij dement.R. Hij kan geen boterham meer smeren, geen knoop meer dichtdoen. Ik moet het voor hem doen en ik kan het niet.K. Moet?R. Wat?K. Je zegt: ‘Moét het voor hem doen.’R. Ja. Er is niemand anders.K. Familie?R. Ik ben de enige. Mijn moeder is overleden, al dertig jaar.K. Vrienden, buren?R. Mijn vader had geen vrienden en de buren hield hij op afstand.K. Wat is de reden dat je toch voor hem zorgt?R. De buren hadden de politie gemeld dat er al een tijdje geen beweging meer was. Ik had nog steeds de sleutel, maar ik was er sinds de dood van mijn moeder niet meer geweest. Ik dacht: Eindelijk is het zover. Hij is dood. Toen ik binnenkwam stond de verwarming heel hoog terwijl het hoogzomer was. De lichten waren overal aan, zelfs in de kelder. De gordijnen en rolluiken waren dicht. Hij was alles vergeten: routine, tijdsbesef, dag, nacht. Hij zat in de zetel en hoorde me niet. Ik heb de dokter gebeld en die stelde dementie vast. Sindsdien kom ik elke dag, al drie maanden. Ik wacht tot hij aan de beurt is voor het rusthuis.K. Doe je alles zelf?R. ’s Morgens en ‘s avonds komt een verpleegster. Elke dag komen maaltijden. Er komt iemand om te poetsen. De rest doe ik. Het is een tijdelijke oplossing, maar het vergt het uiterste van me.K. En dit doe je al drie maanden. Wie of wat houdt je overeind?R. Ik ben alleen, werk veel. Ik ken wel wat mensen op de sportclub en soms drinken we daar wat. Maar de laatste tijd komt het er niet van. En ik ben niet zo’n prater.K. In de Zanzibar hadden we een leuk gesprek. Je was heel ontspannen.R. Die avond met jou. Het was onverwacht leuk. Ik had gedronken en raakte goed op dreef. Jij ook trouwens.K. Ik heb me geamuseerd. En goed gelachen. Ons gesprek ging over … wat eigenlijk?R. Jij zei iets over het gekakel van een groepje meisjes en toen…K. … begonnen we aan een analyse van de pikorde van kippen in een ren. En ik heb helemaal geen kippen.R. Ik ook niet. Het was een leuke avond. Het was lang geleden dat ik nog eens zo onbezorgd was. Zonder geflirt of gedoe. Ik heb er nog dagen van nagenoten.K. Ik ook.R. Zoiets lukt me niet meer.K. Plezier maken bedoel je?R. Die avond toen we daar zaten, was mijn vader nog niet terug in mijn leven. Alles was geregeld: werk, sporten, af en toe iets gaan drinken. Die periode was ik misschien een beetje gelukkig. Ik was in evenwicht. Of er was een soort evenwicht. Maar nu is alles anders.K. Dacht je toen niet dat het hoofdstuk ‘vader’ vroeg of laat eens aan de oppervlakte kon komen?R. Je bedoelt als ik nu niet voor hem zou moeten zorgen?K. Ja.R. Misschien wel.K. Het feit dat je hier nu zit is een teken dat je het wil aanpakken. Dat je er klaar voor bent?R. Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik dit niet volhoud. Wie weet hoe lang hij nog op die wachtlijst staat.K. Dat is toch goed: het vooruitzicht dat er een einde komt aan de zorg voor je vader?R. Elke dag is er een te veel. En weet je wat? Telkens als ik bij hem binnenkom, flitst er één gedachte door mijn hoofd.K. En die is?R. Dat ik de trap op ga naar zijn kamer en hem daar in zijn bed dood aantref. En dat ik de begrafenisondernemer bel. En dat die hem komt halen en ik iemand de boel laat leeghalen en het huis zo snel mogelijk verkoop. Klinkt vreselijk, vind je niet? Dat is wat ik elke ochtend denk.K. Zou dat een oplossing zijn? Zou je slecht gevoel weggaan?R. Karen, je hebt geen idee wat er bij ons allemaal gebeurde. Als ik je dat vertel. Ik weet zelfs niet of ik dat kan. Hij heeft mijn jeugd verpest. Hij heeft mijn moeder haar leven verpest. Alles. Dag in, dag uit. Het was de hel. Dat veeg je niet zomaar weg. Ik niet.K. Oké.R. Ik wil graag rust in mijn hoofd. Mijn vader neemt nu alle plaats in en dat wil ik niet. Dat verdient hij niet. Ik weet zelfs niet of ik ooit naar zijn begrafenis ga. Dat zal wel moeten want iemand moet toch… Hoor mij! Mijn vader leeft nog en ik ben zijn begrafenis aan het regelen. Alsof ik hem dood wens.K. Heb je vaak van die gedachten?R. Ja.K. Welke?R. Het gebeurde al enkele keren dat hij in slaap viel met zijn boterham nog in zijn mond. Hij stopt met kauwen zonder door te slikken en valt dan in slaap. Eén keer stikte hij er bijna in.K. Ja?R. Als hij dan wakker schrikt, weet hij helemaal niet meer dat hij aan het eten is. Dan is hij boos en haalt alles uit z’n mond alsof het iets smerigs is. Hij smeert het overal uit.K. Hij weet niet meer welke handelingen hij moet doen.R. Neen en ik krijg hem ook niet terug aan het eten. Hij draait zijn hoofd weg en hij negeert me nadrukkelijk. Alsof ik hém erger.K. En laat je het dan zo?R. In het begin niet nee. Dan wou ik dat hij alles opat. Ik moest vroeger ook alles van hem opeten, ook al lustte ik het niet. Het is raar dat ik nu beslis wat er op zijn boterham komt en niet omgekeerd.K. Doet niet elke ouder dat? Beslissen wat goed is voor zijn kind?R. Wat hij deed had niets met opvoeden te maken. Het was pure pesterij. Ik kreeg altijd hetzelfde op mijn brood. Zoet kwam niet op tafel. Alle kinderen hadden ’s middags snoep in hun brooddoos, dronken chocomelk. Ze hadden de heerlijkste dingen mee. Ik niet. Water, water en nog eens water. En brood met kaas, mijn hele lagere school. Ik haatte het.K. Dus geef jij hem nu enkel water en brood?R. Ik heb het overwogen, maar nee. Ik doe het omgekeerde: hij krijgt alles wat ik vroeger niet mocht en eet voor zijn neus boterhammen met zoetigheid. Belachelijk, niet? Alsof ik op die manier wraak kan nemen. Misschien houdt dat me overeind. Mijn kleine overwinningen.K. Helpen ze?R. Ik weet het niet. Het erge is dat hij er nog smaak van heeft ook. Waarschijnlijk herinnert hij zich niet meer wat hij ons vroeger allemaal oplegde.K. Dus daar gaat je wraak.R. Erg vind je niet? Ik schaam me dood. Maar het gaat me niet om de boterhammen. Het is veel meer. Ik herken mezelf soms niet: bij hem schakel ik mijn gevoel uit. Hij haalt het slechte in mij boven. Ik bedoel, gedachten aan zijn dood, zodat ik hem en het verleden kan afsluiten, houden me overeind. (stilte) Ik veracht mijn vader.K. Het lijkt me dat je je verleden niet zomaar op je eentje kan weg-relativeren. Vind je ook niet?R. Het is zo vreemd dat ik hier zit.K. Praten is verwerken. Je hebt nog nooit iemand over je jeugd verteld?R. Nee.K. Dan heb je nu al een eerste goede stap gezet.R. Hoe gaan we verder?K. Als je het goed vindt, zien we elkaar terug binnen twee weken. Dan heb je de tijd om alles even te laten bezinken.R. Goed. Dan zien we elkaar…K. … hier. Niet in de Zanzibar. (lachen) En... je zal het met water moeten stellen.R. Water, water. Altijd maar water! Afgesproken. Dank je, Karen.K. Tot ziens, Robert. Scène 2 Bang in het donker(Robert zit in de zetel, Karen in een stoel met notitieboekje)   K. Hoe is het?R. Ca va.K. Hoe voel je je?R. Een beetje onwennig nu.K. Wat is er onwennig?R. Ik praat de hele tijd over mezelf.K. Dat doe je niet vaak?R. Nooit eigenlijk. Er is niemand. Behalve jij.K. Hoe voelt het om over vroeger te praten?R. Toen ik vorige keer over die boterhammen vertelde, dat vond ik zo belachelijk klinken.K. Zo’n voorbeeld zoals die boterhammen helpt om herinneringen op te halen.R. Ik moet me soms inhouden om die boterham niet in zijn mond te proppen. Wat ik allemaal niet denk soms. Gelukkig gaat het over.K. Hoe?R. Ik verheug me op iets prettigs. Een film kijken bijvoorbeeld. Eén die ík gekozen heb, niet hij.K. Was je vader erg dominant in zijn opvoeding?R. Hij was dominant in alles. Hij gaf ons geen seconde rust.K. En je moeder?R. Mijn moeder… Ik praat nooit over haar.K. Wil je over haar praten?R. Nee. Ja.K. Wat voel je, als je aan haar denkt?R. Verdriet. Pijn. Mijn vader verafschuwde vrouwen.K. Ook je moeder?R. Ook haar.K. Wat deed hij dan?R. Hij zat ons altijd in de nek te ademen. Elke dag, elke minuut, zelfs ’s nachts. Ik was altijd bang. Bang om goed te doen. Bang om niet goed te doen. Weet je, ik doe nog steeds mijn slaapkamerdeur op slot. En ik woon nu al zoveel jaar alleen. Ik ben bang in het donker.K. Komt dat door iets wat je overkomen is?R. Zijn niet alle kinderen bang in het donker? Mag ik wat drinken?K. Natuurlijk. (schenkt hem een glas water in, hij drinkt)R. Als vader iets wist van school of als ik iets fout had gedaan -iets kleins- strafte hij me.K. Hoe?R. Hij haalde me ’s nachts uit bed en ik moest in de hoek staan. In het donker met mijn gezicht naar de muur. En dan ging hij naar beneden. Ik stond daar. Uren. Ik kon de kerkklok horen slaan.K. Hoe oud was je?R. Zeven, acht. Moeder trok de rolluiken soms een beetje op zodat het maanlicht binnen scheen. Maar meestal was het zo donker dat ik zelfs de muur voor me niet zag. Ik was doodsbang voor de monsters die me in mijn fantasie begluurden. Klaar om op me af te springen, me te verscheuren of aan me te zitten. Ik dacht dat ik ze hoorde, durfde niet bewegen. Ik voelde me in het donker zo kwetsbaar.K. Geen enkel kind zou uren in het donker mogen staan. Een slaapkamer moet een veilige, knusse plek zijn. Niet iets waar je angsten uitstaat.R. De dag erna was ik een wrak. Zijn straffen hadden effect, dat wel.K. Wanneer zat zo’n straf er op?R. Moeder legde me in bed na een tijd. Ze wreef me warm. Soms kwam ze niet.K. Gebeurde dat regelmatig?R. Gelukkig niet. De meeste straffen waren overdag.K. Hoe dan?R. Hij vond ter plekke iets uit. Tijdens het eten of als we televisie keken moest ik de hele tijd rechtstaan. Niemand sprak. Uren aan een stuk stilstaan, zwijgen. Dan word je gek van de spanning. Soms strafte hij me een hele dag.K. Hield hij je van school?R. Nee. Hij stuurde me zonder brood of boekentas naar school. Geen turnzak, dus zat ik aan de kant. Ik werd een soort freak en werd gepest. Thuis liep ik steeds op te letten of ik alles wel goed deed.K. En je moeder? Greep ze in?R. Soms. Maar hij strafte haar daarvoor. Dan moest ze in haar kamer blijven en naar zichzelf kijken in de spiegel. ‘Kijk dan vrouw,’ zei hij dan. ‘Kijk naar jezelf, je betekent niets. Je bent … niets’. En dat ik een verwend kind was, dat zij had bedorven. Dan riep hij me. ‘Robert! Kom naar boven, we moeten je moeder weer iets uitleggen!’. Dan ging hij tekeer tegen haar. Prekend met mij tussen hen in. Soms ging hij uren door. Op een avond, ik moet elf geweest zijn, werd ik wakker. Ik hoorde hem tekeer gaan. Moeder zat zonder japon in bed. Ze keek naar hem, onbeweeglijk en zei iets, ik hoorde niet wat. Hij riep, zijn stem sloeg over en hij ging naar de kast. Zij wist wat daar lag. Ik ook.K. Wat?R. Hij had een riem. Een leren riem met een gesp. De riem van zijn vader. Die had hij me ooit laten zien. ‘Met deze riem leerde mijn vader mij de regels,’ zei hij tegen mij. ‘Ik hoop dat jij deze riem nooit moet voelen, Robert, maar als de dag er is, zal ik hem gebruiken.’K. (stilte) Heeft hij de riem gebruikt?(Robert knikt bevestigend)K. Jij hebt alles gezien?R. Het was … waanzin. Hij bleef slaan. Ze weerde de riem af met haar handen. Ik deed m’n ogen dicht. Maar het stopte niet. Dat geluid.K. Gaat het?R. Na een week kwam ze terug aan tafel. Het licht was uit haar ogen. Weg. Voorgoed. Het is de eerste keer dat ik dit vertel.K. Dit is ernstig, Robert. Hoe overleef je zoiets als kind?R. Telkens als ik hem zie… Het gaat niet van mijn netvlies, als een foto van de duivel. Hij vertegenwoordigde voor mij het ultieme kwaad. En ik deed niets.K. Je was nog maar een kind.R. Toen, aan tafel, was mijn moeder weg. Alsof ze enkel nog fysiek aanwezig was. Kan dat?K. Ze vluchtte weg uit de werkelijkheid. Haar geest kon dit niet aan. Zoiets is strafbaar, weet je dat? Als je toen ook maar iemand iets had kunnen vertellen…R. Ik deed het slecht op school. Niemand wist waarom.K. Dat is erg voor je.R. Ze vermagerde. Ze at niet. Niet uit protest, nee, maar omdat ze het had opgegeven. Hij won. De glans in haar haren verdween, en ook haar stem en haar warmte. Ze staarde alleen nog maar. Dat was mijn moeder niet meer. Ze werd ziek, bleef in bed. En zonder dat ik afscheid heb kunnen nemen, was ze ineens… weg.Hij heeft alles van me afgenomen. Mijn jeugd, mijn moeder. Alles. Het was de hel. Dat veeg je niet zomaar weg. Ik niet.En daarom zit ik hier. Ik wil terug warmte in mijn leven. Goede herinneringen opbouwen. Gelukkig zijn. Maar ik weet niet hoe.K. Begin met kleine dingen.R. Ik sport weer. Ik ren er alles uit. ‘s Morgens voor ik hem zie en soms ook nadien. Soms denk ik dat ik veel eerder iets had moeten doen in plaats van al die jaren weg te kruipen voor hem. Ik had haar misschien kunnen... Is het nu te laat?K. Te laat?R. Om hem te confronteren! Zijn dementie. Verdomme! Ik kan het verleden toch zo niet laten? Als jij zegt dat het strafbaar is wat hij deed, en het blijft zoals het nu is; zonder dat mijn moeder gewroken wordt… Als ik alles goed maak, het op de een of andere manier rechtzet, dan kan ik er vrede mee nemen. Dan kunnen we rust vinden. Moeder en ik. Dan kunnen we rust vinden. Ik moet het goedmaken.K. Voel je je na al die jaren nog steeds schuldig om…R. (Kwaad) … om wàt?K. … om je moeder?R. Omdat ik niets gedaan heb om haar te redden? Ze is dood! Vergéten! (staat op, woedend)K. Robert? Ik bedoel niet dat je je schuldig moet voelen om haar. Je was tenslotte nog maar een kind en het feit dat je niets…R. Misschien moet ik het inderdaad anders bekijken. Ik dacht altijd al dat hij te sterk was om tegen in te gaan. Maar was dat wel zo? Waarom gooide ze zich niet als een leeuw in de strijd en gaf ze hem geen weerwoord, ongeacht de gevolgen?K. Ik bedoel niet dat…R. Misschien was ze inderdaad zwak. Ze wist immers dat ik boven op mijn kamer in het donker stond, uren na elkaar. Ze wist dat hij me vernederde en kleineerde tot er niets meer van me overbleef. Ze had moeten doen wat een moeder moet doen: haar kind beschermen kost wat kost. Maar nee. Ze liet mij achter. Bij hem. Ze ging dood, omdat dat de makkelijkste oplossing was voor haar. Voor haar, ja. Maar niet voor mij!K. Maar...R. Nee. Jij gaat haar hier nu niet verdedigen. Mijn vader had gelijk. Ze had al veel vroeger dood moeten gaan!K. Dat zijn harde woorden, Robert. Je vader was de oorzaak van al wat fout ging. Je mag niemand beperken in omgang of in geestelijke of emotionele ontwikkeling. Vergeet niet wat hij allemaal gedaan heeft. Hij was een zieke man, een tiran.R. Wat weet jij van mijn vader? Hoe weet jij hoe hij denkt? Wat ik denk? Wat doe jij eigenlijk allemaal met me? Jij zorgt dat ik mijn moeder zwak vind en haar op de koop toe schuldig ga vinden aan alles! Jij maakt dat ik haar neerhaal als een laffe, zwakke vrouw. Ze was een engel! Wat doe ik hier? Ik heb me vergist. Ik red het al zo lang alleen. Ik wil hier weg. (Robert gaat woedend af)K. (Geschrokken) Dat ging niet goed.   Scène 3 Spin off (Karen en Robert staan tegenover elkaar, licht gaat aan)   K. Het spijt me dat het gisteren zo gelopen is. Ik wilde je niet …R. Nee, Karen. Sorry dat ik je onderbreek. Maar ík moet me verontschuldigen. Jij niet. Ik weet niet wat me bezielde.K. Wil je gaan zitten?R. Nee, ik… wil eerst weten of we nog verder kunnen. Dit rechtzetten. Ik schaam me. Ik voelde een woede die eigenlijk helemaal niet op jou gericht was. Ik weet niet op wie eigenlijk. En ik vergat even waar ik was. Bij wie ik was.K. Het geeft niet.R. Toch wel, het geeft wel. Het was niet mijn bedoeling je aan te vallen. Wat ik tegen je zei… Wat zei ik eigenlijk allemaal?K. Het geeft niet.R. Je hebt me zo goed geholpen. Dat besef ik nu. Ik vind het gewoon soms zo beangstigend. Alles wat ik jaren en jaren heb buitengesloten: gevoelens en angsten, het komt allemaal terug. Hard terug. Alsof er een bus tegen me aanrijdt. Ik weet het soms niet meer.K. Het is normaal dat je in de war bent.R. Waarom werd ik dan zo kwaad?K. Soms kan het te veel worden. Kwaad zijn hoort er bij. Het is moedig dat je je komt verontschuldigen. Wil je verder, met de therapie? Je bent er nog niet, dat is duidelijk.R. Ik weet het. Mijn moeder is helemaal niet de schuldige. Ze is een slachtoffer.K. Net als jij.R. Net als ik.K. Voor mij is het oké. We doen gewoon verder als je wil.R. Ik bel je nog. Nu moet ik nadenken.(Licht uit)   Scène 4   ...      

Katelijn Van Hove
0 0

The winery

‘MYSTERIEUZE ANTWERPENAAR SPOORLOOS VERDWENEN’ ‘Bijzonder zorgwekkend. Zo noemt het gerecht de verdwijning van de 71-jarige Howard Hyde. Het Antwerpse gerecht en de politie hebben de voorbije maand al het denkbare gedaan om de mysterieuze, alleenwonende man terug te vinden. Zonder resultaat. De telg uit een welstellende familie van de Antwerpse beau monde lijkt van de aardbodem verdwenen.’ Jeffrey kijkt op van de krant en nipt van zijn koffie. Als je het zo leest, lijkt het wel een begin van een spannende televisieserie. Toch had de journalist niet overdreven. Oom Howard wàs een mysterieuze man. Toen hij veertien was had hij zijn oom gevraagd wat hij deed om de kost te verdienen. Hij had op een vriendelijke maar ernstige toon gezegd dat hij daar niet op kon antwoorden, daar zijn werk om discretie vroeg. Ook vroeg hij met niemand over de familie te praten. Jeffrey vond het toen allemaal best spannend, fantaseerde erop los en bedacht later dat oom gewoon heel rijk was en zich wilde beschermen. Maar een antwoord op zijn vraag had hij nooit gekregen. Zelfs nu wisten ze bij het gerecht enkel dat oom zich ‘raadgever’ noemde. Wat ze ook wisten, was dat Howard op de dag voor zijn verdwijning nog thuis was geweest. Daar had hij Jeffrey nog gebeld over zijn vertrek de volgende dag naar Engeland. Hij zou er tien dagen verblijven. Oom reisde dikwijls naar het buitenland, soms voor enkele maanden. En zoals gewoonlijk ging Jeffrey dan de post uit de brievenbus halen en af en toe de wagens in de garage eens starten. Na zijn terugkeer ontmoetten ze elkaar in de lounge van de zeilclub waar ze beiden lid waren, dronken cognac bij de koffie en praatten bij. Maar toen Jeffrey na twee weken niets van zijn oom had vernomen en hem ook nergens kon bereiken, werd hij ongerust en verwittigde de politie. Na onderzoek bleek dat Howard nooit om het gereserveerde busticket was geweest en dat hij ook niet was komen opdagen op een afspraak bij zijn bankier. Punctueel als hij was, bleek dit uiterst ongewoon. Na zes weken had de politie nog steeds geen spoor en hadden ze gehoopt via dit artikel misschien informatie te kunnen verzamelen. Het 0800-nummer getuigde hiervan en Jeffrey bedacht dat oom rijk genoeg was om op pagina 4 van het Nieuwsblad mét een foto (naast zijn sportvliegtuig nota bene) te prijken. Hij zuchtte. Om redenen die hem vroeger beletten in de aandacht te komen, was hij nu misschien verdwenen. Jeffrey stond op en nam een schaar om het artikel uit te knippen. Hij was een beetje verward. Oom Howard was altijd een constante geweest in zijn leven, de familie die hem nog restte. Jeffrey was enig kind, zijn vader was vorige zomer aan een hersenbloeding overleden en zijn moeder zat sindsdien suf voor zich uit te kijken in een bejaardentehuis. Howard was nooit gehuwd en beschouwde Jeffrey een beetje als ‘zijn gezin’, al was dit op een correct familiale, maar enigzins oppervlakkige manier. En het feit dat hij op 71-jarige leeftijd nog steeds heel fit en gezond was (en nog goed bij de pinken), maakte dat ooms vergankelijkheid nooit in hem was opgekomen. Nu besefte hij pas, hoe belangrijk oom wel voor hem was. Hij verweet zichzelf nooit te hebben aangedrongen omtrent ooms vroegere werk. Na een gesprek op het politiebureau had hij alle mogelijke scenario’s laten voorbijgaan in zijn hoofd. Was hij gevallen tijdens één van zijn wandelingen en lag hij ergens waar niemand hem vond? Was hij ontvoerd en konden ze elke dag een vraag naar losgeld verwachten? Had zijn ‘mysterieuze’ verleden hem parten gespeeld en was zijn lichaam na een afrekening verstopt? Het gerecht was al deze opties nagegaan, maar geen stap waren ze verder gekomen. Toegegeven, het was soms ver gezocht, maar ze tastten als het ware in het duister met de weinige informatie die ze hadden en elke mogelijkheid werd overwogen.Hij prikte het artikel op het bord in de keuken en liep naar de badkamer. Over een half uur kwam de poetsvrouw en dan wou hij het huis uit zijn. Hij had ook een reden om snel te vertrekken, want deze middag kon hij de sleutel weer afhalen bij het politiebureau en had hij toegang tot het huis. Misschien vond hij iets wat kon helpen in het onderzoek. Het was vrij onwaarschijnlijk, maar hij zou het in ieder geval proberen. In al die jaren dat hij in zijn ooms huis was geweest, had hij altijd zijn privacy gerespecteerd. Nu hij binnenstapte, voelde hij zich een ondeugend jongetje die die afspraken met voeten ging treden. Het wàs ook een huis waar je je klein in voelde; alle ruimten waren hoog en ruim, bedekt met donkerblauwe granietsteen en smaakvol ingericht met rode, kersenhouten meubels. Zoals gewoonlijk tijdens zijn afwezigheid was het huis leeg, maar het had nog nooit zo verlaten aangevoeld als nu. Het was gebouwd door zijn overgrootvader, een Amerikaan die na de oorlog van 1918 zijn geboorteland vaarwel zei om te huwen met een Vlaams meisje dat hij had leren kennen tijdens de bevrijdingsfeesten. Het huis had vier verdiepingen. Sommige kamers, wist hij, waren ingericht als logeerkamer maar hadden zolang hij zich kon herinneren nooit dienst gedaan voor andere gasten dan hijzelf. Jeffrey trok op de eerste verdieping enkele ramen en luiken open, zette naar gewoonte koffie en gaf de planten in de tuin water. Het had de voorbije dagen niet meer geregend en zo kon hij iets vertrouwds doen. Hij ging weer naar binnen, liep doelloos door de kamers, trok hier en daar een kast open, keek vluchtig in elke la maar vond niets dat zijn aandacht trok. Alles lag geordend, nergens was rommel of lagen nutteloze dingen. Hij kon zich voorstellen dat oom alles precies wist liggen en nooit naar iets moest zoeken. Hij besloot dan maar de werkkamer binnen te gaan. Het was een grote ruimte waar het zonlicht door het gekleurde glas scheen en zo voor een prettige gloed zorgde. Het voelde geruststellend aan, alsof oom hier nog was. Op het houten werkblad van het bureau stonden twee computerschermen, één aangesloten op het internet, één voor privégebruik, ‘want je kon nooit voorzichtig genoeg zijn’. Ernaast stond een grote doos met spullen die de politie voor onderzoek in beslag had genomen en weer teruggebracht. Ze hadden geen aanwijzingen gevonden, zelfs niet in de archiefkasten die drie van de vier wanden bedekten. Hij besloot ze toch maar één voor één te doorzoeken. Hij zag dat ze gevuld waren met gebonden boeken, gerangschikt per jaar en per onderwerp. Hij hoopte iets te vinden wat kon wijzen op oom Howards eventuele werk. Maar hij vond enkel gegevens over aandelen, bankverrichtingen, eigendommen, reiskosten, schenkingen aan liefdadigheidsinstellingen (oom had zijn hemel al verdiend), onderhouds- en huishoudkosten en allerhande aankopen. Jeffrey ging met zijn vingers door zijn zwarte haar. Hier was niets waar hij wijzer uit werd. Hij besliste om de spullen uit de doos te bekijken en ze daarna weer op hun oorspronkelijke plaats te leggen. Hij nam er foto’s, brieven en een adressenboekje uit en bedacht dat de enige objecten die over ooms persoonlijkheid vertelden, door een buitenstaander in één doos verzameld waren. Alsof alle ander spullen in het huis slechts decor waren voor een film. Vreemd eigenlijk, voor iemand met zoveel diepgang. Maar bij oom was het materiële nooit echt belangrijk geweest. Ze hadden er een keer over gefilosofeerd en oom had terecht opgemerkt dat mensen zich te veel hechtten aan het materiële, terwijl dat net het meest vergankelijke was. Al zijn herinneringen zaten in zijn hoofd en die nam hij overal mee naartoe, veilig en verborgen voor nieuwsgierigen om zo de onwetenden onwetend te laten. Hij bladerde het adressenboekje door. Zoals oom Howard ze ook in het echte leven van elkaar had gescheiden, stonden de personen die hij had gekend niet alfabetisch volgens naam, maar volgens ‘groep’ waartoe ze behoorden. Zo stond iedereen van de familie onder de ‘f’ en iedereen van de zeilclub’ onder de ‘z’ opgesomd. Beetje ongebruikelijk, bedacht Jeffrey, maar wel te verwachten van oom. Jeffrey kende iedereen, behalve enkele namen van mensen van de zeilclub die oom waarschijnlijk had leren kennen toen Jeffrey een jaar forfait gegeven had. De foto’s waren gerangschikt volgens onderwerp. Er waren vier boeken ‘familie’en twaalf met ‘reizen’ en ‘zeilen’. Op het politiebureau hadden ze hem gevraagd om ze één voor één nog eens te bekijken. En op de vraag of hij iedereen bij naam kon noemen had hij dit gedaan. Oom had hem vorig jaar (na het overlijden van Jeffrey’s vader) de familiestamboom en -foto’s laten zien en hun geschiedenis verteld. Iets waar zijn eigen vader nooit toe was gekomen. Ze hadden de hele nacht door aan de gezellig knetterende haard foto’s bekeken en hij had ervan genoten, beseffend dat dit één van die zeldzame momenten was dat oom loslippig was en hij zo iets over zijn familie te weten kon komen. Alles wat hij wist had hij ook aan de mensen op het politiebureau verteld. Niet dat er iets bezwarends was om te verzwijgen, alleen, hij had het moeilijk gehad omdat hij oom ooit had beloofd niet openhartig te zijn tegen buitenstaanders. Ook bij de foto’s en brieven van de ‘adoptiekindjes’ had hij uitleg moeten geven. Misschien kwam het doordat oom zelf geen gezin had, maar op de één of andere reden trokken kinderen hem aan. Vooral arme kleintjes. Hij kon hun leed niet verdragen. Je kon dit merken door de vele kinderen die hij fotografeerde op zijn reizen. Zo was hij ooit teruggekeerd uit Peru en vertelde hij honderduit over de leefomstandigheden van die’ arme, onschuldige zielen’. Na enkele weken had hij reeds plannen gemaakt om hen te helpen. Zo gaf hij geld om een schooltje te bouwen en engageerde hij zich na zijn volgende reizen voor verschillende projecten waarvan hij zeker wist dat zijn geld goed besteed zou worden. Ook bezocht hij weeshuizen die een fors geldbedrag op hun rekening gestort kregen. Sommige kinderen stuurden foto’s en schreven brieven bij wijze van bedanking. Oom had ze allemaal bewaard. Jeffrey bekeek ze één voor één. Je kon merken dat ze correspondeerden. Af en toe stond er een anekdote in over zijn bezoek. Dit vond hij interessant. Jeffrey las over uitstapjes en gekke dingen die hij had gedaan. Zo had hij zich een keer als kertsman verkleed, kompleet met slee en kadootjes. Het boeide hem wel, oom op een andere manier te kennen. Jeffrey had de giften altijd als een geruststelling voor ooms geweten beschouwd, maar nu hij de brieven zag, bedacht hij dat de kinderen wel veel voor hem hadden betekend. Het vervolledigde zijn karakter van een gevoelige, warme, vrijgevige man die deelde wat hij zelf in overvloed had. Verder waren er de fotoboeken met kiekjes van hun zeiltrips. Eén keer per jaar organiseerde de club een reis naar het buitenland. Jeffrey was dikwijls meegeweest en kende de meeste mensen die er aan deelnamen. Dat waren er wel wat, want soms vertrokken ze met 35 boten die dan elk op hun eigen tempo of met bevriende boten langs verschillende havens voeren. Zo’n reis kon drie weken duren en dan werden wel wat banden gesmeed. Op Howard’s boot was het altijd een komen en gaan van bevriende clubleden. Maar ook in de havens waar ze aanlegden waren veel bekende gezichten. Iedereen had altijd wel iets fris in de ijskast staan en bij gelegenheid werd een barbeque georganiseerd. Jeffrey genoot van de ontspannen, zorgeloze sfeer waar niemand iets tekort kwam, maar waar je je ook nooit ongemakkelijk voelde. Het waren allemaal welgestelde -jongere en ook oudere- mensen die met hun geld konden omgaan. Hij bladerde door het dikke fotoboek en dacht dat hij dit jaar misschien de reis moest annuleren. Hij zou niet zonder oom gaan. Iedereen zou vragen stellen waar hij niet op zou kunnen of willen antwoorden. Alles was altijd zo vanzelfsprekend gegaan dat hij zich niet kon voorstellen oom Howard nooit meer terug te zien. Hij schudde zijn hoofd even, als om die gedachte weg te bannen en sloeg het boek toe. Hij deed het een beetje hard en er viel een foto uit. Jeffrey raapte hem op. Die was hem niet opgevallen. Had die achteraan gezeten en was hij door het dichtslaan er uitgewaaid? Hij bekeek de foto goed. Hij zag een vrouw op een zeiljacht met de naam ‘The Helena’. Hij kende de vrouw niet. Ook de boot kwam hem niet bekend voor. Mogelijks van een trip waar hij niet bij was. Maar op de achterkant stond niets en dat was niet van ooms gewoonte, dat wist hij. Op alle foto’s stonden achteraan naam, plaats en datum. Misschien was er een verklaring voor. De politie had er alleszins geen aandacht aan besteed. Hij besloot eens navraag te doen in de club en thuis te kijken op het internet of de naam van het jacht iets opleverde. Het was trouwens al tegen de avond en Jeffrey besloot dat het genoeg was voor vandaag. Hij had een afwezig gevoel in zijn hoofd. Hij zette alles waar hij dacht dat het hoorde en verliet met een bedrukt gevoel het huis. Hij snoof de frisse buitenlucht op en voelde zijn hoofd opnieuw helder worden. Hij moest dringend alles doorspoelen. Jeffrey stapte op de hoek van de straat een cafeetje binnen en hoopte nog een snack te kunnen eten. ____________________ 20 juni 2005. Jeffrey stond bij de scheurkalender. Hij had zijn dochtertje Amy opgetild om net als elke morgen een briefje af te scheuren. Vandaag was de verjaardag van oom Howard. Hij zou 76 geworden zijn. Normaal gezien hadden ze dit gevierd in hun favoriete restaurant met een goed wijntje en een entrecôte op de grill. Maar hun regelmatige etentjes, boottochten en gezellige gesprekken in de club waren samen met oom verdwenen. Er was sindsdien veel gebeurd en in zijn leven was niets anders dan geluk. Maar het deed nog steeds pijn als hij er aan herinnerd werd en hij kon de gedachte niet verdragen dat ooms lichaam nooit gevonden was. Nadat de politie Howard als vermist geclasseerd had, was ook Jeffrey op een dood spoor geraakt. De vrouw op de foto, noch het zeiljacht was bij iemand bekend. Hij had zelfs de foto doorgestuurd naar vrienden uit zeilclubs in het buitenland,  kennissen uit het adresboekje gebeld, kortom al het mogelijke gedaan om uiteindelijk te moeten toegeven dat hij geen stap verder geraakte en zich moest neerleggen bij het feit dat hij oom nooit meer zou zien. Maar zelfs nu nog betrapte hij zich erop dat hij rechtveerde als de telefoon of de deurbel ging, in de hoop nieuws te horen over zijn verdwijning. Zolang Howard niet gevonden was, kon Jeffrey er moeilijk in berusten. Nadat Jeffreys moeder plots in haar slaap overleedt, was alles in een stroomversnelling gegaan. De notaris adviseerde om een procedure op te starten om Howard Hyde als overleden te kunnen verklaren, waarna Jeffrey dit deed en uiteindelijk zijn testament kon worden voorgelezen. Zoals verwacht zouden uit bepaalde fondsen jaarlijks nog geldsommen gestort worden naar liefdadigheidsinstellingen en werd Jeffrey als enige erfgenaam aangeduid. Hij was plots heel rijk geworden. Het was allemaal als in een droom aan hem voorbijgegaan. Dit was twee jaar nadat hij Marianne, nu zijn vrouw, had leren kennen. Dankzij haar had hij alles doorstaan en kunnen afhandelen zoals het hoorde. Als je bedacht dat hij haar de avond nadat hij in ooms huis was gaan rommelen in een cafeetje had ontmoet, vond hij het wel een hele bizarre samenloop van omstandigheden. Alsof oom Howard er toch nog ergens de hand in had, ook al was hij niet aanwezig. Hij streek nog eens met zijn vingers door zijn haar, een gewoonte waar hij zich vroeger nooit bewust van was (maar sinds Marianne het had opgemerkt wel) en hielp Amy in haar jasje. Marianne bracht haar elke morgen naar school. Het was vlak naast de drukkerij waar ze eigenaar van waren, een zaak die ze samen hadden uitgebouwd. Ze maakten plannen om nog twee winkels te openen en Jeffrey werkte vandaag thuis. Er kwam wel wat marktonderzoek en voorbereiding bij kijken en hier kon hij zich het best concentreren. Hij liep met hen naar beneden en Amy wuifde hem na tot ze achter de hoek verdwenen waren. Haar vrolijkheid had hem opgemonterd. Het waren z’n twee schatten. Hij kon zich een leven zonder hen niet voorstellen. Amy werd volgende maand vier en Marianne was één uit duizend. Hij had dit onmiddellijk bij hun eerste ontmoeting gevoeld en had toen tegen zijn gewoonte in zijn hart uitgestort en haar alles verteld. Ze hadden een tweede afspraakje en een derde en een jaar later woonden ze samen. Eerst boven de drukkerij, nu op een loft die ze prachtig hadden verbouwd en ingericht. Elke dag voelde nog steeds aan als toen ze net samen waren en hij hoopte dat er snel nog een kleintje bij mocht komen. Hij stapte terug binnen en maakte de brievenbus leeg. Elke morgen de krant bij een kop koffie en de dag kon beginnen. Zijn oog viel op een postkaart. Hij kon niet bedenken dat iemand van hun vrienden op vakantie was en terwijl hij de trap opging bekeek hij de handgeschreven tekst. Maar halverwege verstijfde hij: dit was oom Howards handschrift, zonder twijfel! Het bloed trok uit Jeffreys gezicht en hij voelde zijn slapen kloppen terwijl hij las: ’A visit to Helena’s Winery, a place to meet with friends.’ Hij draaide de kaart om en zag een geschilderd tafereel waarop een vrouw stond bij een typisch zuiders winkeltje met open, uitnodigende deuren, plantjes en wijn. De vrouw kwam hem vaag bekend voor. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en dacht diep na. Toen wist hij het: ‘The Helena’. Het was dezelfde vrouw als op de boot-foto. ‘Helena’s Winery’. Helena was haar naam. Maar van wie? Van iemand die hij kende? Zijn vrouw? Zijn dochter? Ze was veertig, hooguit vierenveertig. ‘A place to meet with friends’, een schijnbaar neutraal zinnentje, maar duidelijker kon het voor Jeffrey niet zijn. Het was een bericht van oom en hij wilde dat hij kwam! Hij gooide de krant op tafel en plofte op een stoel met de kaart in beide handen om elk detail te bekijken. Hij moest zien te ontdekken waar oom op dit moment verbleef. Hij bekeek de postzegel en zag dat hij in Languedoc, Frankrijk was afgestempeld. Een grote streek wist hij. Frankrijk. Er begon hem iets te dagen. Hij wist zeker dat hij tussen de bankafschriften van ooms schenkingen een adres in Frankrijk was tegengekomen. Jeffrey sprong recht en liep naar de kast, nam er een kaft uit en bladerde door de laatste afschriften. Zijn vinger gejaagd natmakend, bekeek hij ze één voor één. Hij vond al snel wat hij zocht: een overschrijving naar een weeshuis genaamd ‘Sint Hélène’ in Ambroix, France. Weer die ‘Helena’. Hij wist dat er jaarlijks een bedrag op de rekening van die instelling werd overgemaakt. Nu hij er over nadacht, had oom Howard er nooit over verteld. Bestond het dan wel? De foto’s! Als het weeshuis bestond moesten er foto’s en brieven zijn! Jeffrey nam het laddertje. In de hoogste kasten bewaarde hij de fotoboeken en correspondentie van oom Howard. Hij nam het doosje met daarop geschreven: ‘Mijn kinderen’ en zette het op tafel, haalde alles eruit en bekeek ze nog eens aandachtig. Bij één foto sloeg zijn hart letterlijk een slag over. Hij zat zomaar tussen enkele brieven afkomstig van een weeshuis in Argentinië. Jeffrey schrok toen hij dezelfde vrouw vanop het kaartje en de boot-foto herkende. In haar armen had ze een meisje van een jaar of twee en naast zich een jongen van zes of zeven. ‘Mijn kinderen’, de naam van de doos, kreeg plots een heel andere betekenis. Op de achterkant: ‘Sint Hélène, 1985’. De enige foto van dat zogenaamde weeshuis dat er waarschijnlijk helemaal geen was. Hij was verbluft. Die kinderen, waren dan zijn kinderen? Hij stond recht en legde alle stukjes naast elkaar. Was hij net tot de constatatie gekomen dan zijn oom nog leefde, vrouw en kinderen had, zichzelf via een ingenieus systeem geld doorsluisde en al vijf jaar bewust ondergedoken had gezeten? Maar waarom? Het moet iets met zijn verleden te maken hebben! Zijn werk of een voorval dat hem er toe noodzaakte het bestaan van vrouw en kinderen te verzwijgen en iedereen te doen geloven dat hij dood was. Hij had vijf jaar gewacht tot de erfenis was geregeld en iedereen Howard Hyde was vergeten om dan terug contact te zoeken met Jeffrey. Het was verbluffend slim. Als het waar was, moest hij oom nageven dat hij het erg goed had gespeeld. Niemand had deze mogelijkheid overwogen. Zelfs hij niet. Na al die jaren wist hij nu wat hij was blijven hopen: oom was niet dood, ze gingen elkaar weerzien en wel binnenkort! Marianne! Hij moest Marianne bellen. Ze zouden deze zomer naar Frankrijk gaan. O ja, deze zomer gingen ze ‘Helena’s Winery’ bezoeken, een plaats om met vrienden te vertoeven! -tekst Katelijn Van Hove-  

Katelijn Van Hove
0 0

PAASEIEREN RAPEN

Toen ik een ukkie was, werden de paaseieren gedropt door de paasklokken.  “De klokken van Rome” zei men toen.  Waarom die uit Rome kwamen?  Simpel!  Rome was het centrum van het universum.  Niet omdat de Romeinen destijds een van de belangrijkste beschavingen uit de geschiedenis hebben neergepoot.  Ook niet omdat Julius Caesar ons in een dronken bui “de dappersten aller Galliërs” heeft genoemd.  Wel omdat in Rome het hoofdkwartier van één der belangrijkste godsdiensten ter wereld gevestigd is.  Hier heerst de gezant van God op aarde over miljoenen katholieken.  Logisch dus, dat ook de paasklokken uit Rome komen.   Die paasklokken zouden in oorlogstijd geld waard zijn.  Zij zijn in staat om met chocolade eieren precisiebombardementen uit te voeren op burgerdoelwitten.  Die eieren landen altijd in tuinen van huizen waar kindjes wonen.  Bij de buren zijn er geen kindjes, dus liggen er ook geen eieren.  En als het slecht weer is, moet je alleen maar de vensters openzetten, en de klokken deponeren hun eieren in je woonkamer met een nauwkeurigheid waar de NASA jaloers op mag zijn.  Die eieren zijn dan poederdroog en er is er nooit eentje gebroken.   Maar waar is in ’s hemelsnaam die paashaas vandaan gekomen?  Ik neem aan dat die komt voor de kindjes van ouders waarop Rome zijn greep verloren heeft.  En dat zijn er de laatste jaren meer en meer.  Vooral sinds er links en rechts priesters en bisschoppen opduiken die de kinderen maar wat al te graag tot zich laten komen.  Klokken horen thuis in kerktorens en zijn dus een symbool dat niet zo kerkse lieden misschien liever door iets anders willen vervangen.  Maar waarom toch door een haas?  Misschien omdat er met Pasen heel veel eieren op één dag moeten afgeleverd worden en die beestjes bekend staan om hun snelheid?  Maar paaseieren zijn voor kinderen, en de uitdrukking “van de haas gep**pt” is dan weer net iets te vunzig voor een Ketnet publiek!  Persoonlijk had ik een paaskip veel logischer gevonden.  Kippen leggen eieren.  Hazen leggen alleen maar van die vieze keutels!   Zonder de discussie te willen voeden over wat er eerst was, de kip of het ei, heb ik ook zo mijn bedenkingen bij de oorsprong van het paasei.  Pasen is toch in de eerste plaats een religieus feest, waarbij de verrijzenis van Jezus, na zijn kruisdood, herdacht wordt.  Zou het dan niet logischer zijn om kinderen naar chocolade kruisjes te laten zoeken?  Ik zal wel weer veel te logisch redeneren!   Wie mijn vorige cursiefjes gelezen heeft, weet dat Meyers Briggs mij tot een logisch denker benoemd heeft, maar die extreme logica is niet mijn enige afwijking!  Ik ben tevens erfelijk belast met een enorm rechtvaardigheidsgevoel.  In de strijd der profeten moet Jezus de laatste tijd ferm de duimen leggen voor Mohammed.  Dat heeft iets te maken met “gaat en vermenigvuldig u!”  Wij doen dat maal 1,3 terwijl de islam vlotjes een factor 8 haalt.  Zou het dan niet logisch zijn dat zij ook chocolade-eieren mogen rapen?  Maar wie brengt die dan?  Een haas of een kip?  Een varken zal het zeker niet zijn!

Paul Carremans
330 0

Benito en de poezenblues

Ik maak me zorgen over Maurice. Maurice is een kat, mijn kat, een grote kat, een stevige kat. Een kat die muisjes in de muil neemt om ze vervolgens uit te spuwen.   Ik weet wat Maurice van plan is. Ik weet niet wat Maurice van plan is, maar ik weet wel waar Maurice mee bezig is.   Maurice schuimt het internet af naar toespraken van Benito Mussolini. Dat zie ik in mijn zoekgeschiedenis.   Ik heb Maurice er al op aangesproken. Ik heb hem gezegd: 'Maurice, die man, die Benito... Dat was een zwarthemd. En een vechtjas. Geen man om een geïndustrialiseerde staat te leiden, dus.' Maar Maurice keek me schaapachtig aan en miauwde iets dat ik niet verstond.   Gisteren heeft Maurice artikels gelezen over de vrouwen van Mussolini. Il Duce stond erom bekend een robuust minnaar te zijn, maar welke boodschap heeft een poes daaraan? Wou Maurice me iets duidelijk maken? Dat zijn castratie niet goed gelukt is misschien? Ik vroeg hem dan ook: 'Maurice, wil je me iets duidelijk maken?' Maar hij liep naar zijn kattenbak. Toen vroeg ik: 'Maurice, wie heeft je Italiaans geleerd? Wie, Maurice?' Geen antwoord.   De poezenpsychologe die wekelijks langskomt, weet het ook niet. Ze is mooi, die poezenpsychologe. Ik doe alsof ik van teflon ben. Ze mag ook eens een beetje moeite doen voor me.   Maurice heeft de beelden bekeken van de Mars op Rome. Hij was volledig opgezweept toen ik thuiskwam. Ik heb hem in de hoek gezet. Hij heeft de nacht erop in alle plantenbakken gekakt. Ik weet niet meer wat te doen.   De poezenpsychologe en ik roken een sigaret in bed. Ze is poedelnaakt en dat staat haar goed. Ik zeg: 'Ik maak me zorgen om Maurice. Hij leunt iets te zeer naar rechts.' De poezenpsychologe lacht: 'Ach, Mussolini was de kwaadste nog niet. Hitler, Stalin, Pol Pot... dat waren massamoordenaars. Maar Mussolini? Een fascistisch clowntje. Een voetnoot in de geschiedenis. Laat Maurice maar doen.' 'Jij kan me geruststellen', zeg ik.   De poezenpsychologe schaterlacht en verandert in een tijger.

Michaël Verest
14 0

Eruptie.

Hij.  Zwijgzaam. Stil en onrustig. Stil, onrustig en onopvallend. Volgt de modetrends niet. Een paar neutrale donkere schoenen, een jeansbroek en een trui zoals er nog vijf andere in zijn kast hangen. Een bril die hij tien jaar geleden gekocht heeft en die nog steeds functioneel is. Een krullende bos haar op zijn hoofd waaraan hij nooit aandacht heeft besteed. Het uiterlijk van een professor, maar dan niet van het verstrooide type. Eerder van het type dat goed georganiseerd is en welbespraakt wat het eigen vakgebied betreft. Zwijgzaam echter wat alles buiten het eigen vakgebied betreft. Een vulkaan die op uitbarsten staat.   Zij  Spreekt voor twee. Praatziek en heel aanwezig. Als hij een zin begint, maakt zij die voor hem af. Het gezicht onopgemaakt. Draag neutrale kleren. Heeft wel schoenen met hakken aan.  Waarschijnlijk ter compensatie van haar kleine gestalte. Een kwetterende vogel die theatraal boven op een tak zit. Die niet kan begrijpen dat andere mensen andere voor- en afkeuren hebben dan zijzelf, die het moeilijk heeft met veranderingen, die voldoende heeft aan haar werk en haar gezin. Heeft er geen idee van dat ze naast haar eigen woorden, ook de onuitgesproken onrust van haar man braakt. Een vulkaan die een deksel nodig heeft.   Zo noteerde Emma, een gerespecteerde relatietherapeute, haar bevindingen van het koppel dat voor haar zat in haar notitieschrift. Dit koppel helpen om gewoontepatronen te doorbreken zou een harde noot worden om te kraken, maar ze had al moeilijkere gevallen over de vloer gekregen en had vertrouwen in zichzelf en in het proces dat ze zouden gaan. Toen ze vertrokken waren, schreef ze verder. Ze maakte graag gebruik van beelden in haar beschrijvingen van vastgeroeste patronen en bezat de gave om deze beelden ten gepaste tijde in te zetten in de therapie.   Reden van aanmelding. Hij. De vulkaan die twee weken geleden tot een gigantische uitbarsting was gekomen. De lava die zo lang had liggen smeulen, was met een enorme kracht naar buiten getreden en had meer dan honderd huizen naar de vernieling geholpen. Hij was geschrokken van zichzelf. De uitbarsting duurde welgeteld 10 minuten maar voor hem leek het alsof het een eeuwigheid had geduurd. Na 10 minuten waren schaamte en schuldgevoel hem ter hulp gekomen. Zij hadden het puin opgeruimd en waren op zoek gegaan naar een reusachtig deksel. Toen ze dat gevonden hadden, hadden ze het op de top van de vulkaan geplaatst. Ze drukten het na twee weken nog altijd stevig op zijn plaats en kregen hierbij ook nog de steun van angst, angst voor een nieuwe uitbarsting. Zij. Hevig ontregeld door zijn uitbarsting. Ontdaan door de agressieve klanken die hij had gespoten en de heftige beschuldigingen die uit hem waren gestroomd. Geschrokken van hoe de fundamenten onder haar voeten waren gaan trillen en hoe haar ramen aan diggelen waren geslagen. Ze had zich klein en nietig gevoeld in zijn aanwezigheid, iets wat hij háár verweet. Ze had zich monddood gevoeld, ook een verwijt aan haar adres. Ze was bedolven geweest onder het puin en had nadien nog heftige naschokken gevoeld. Beetje bij beetje had ze zichzelf opgeraapt, was ze opnieuw begonnen met adem te halen. En toen hij voor de vijfde keer sorry had gezegd, dacht ze het hele voorval voor eens en altijd terug op te kunnen bergen. Ze had het graag in een doosje met slot gestopt en het veilig weggeborgen in een kast. Als niet...

Aline S
0 0

Onzichtbaar

Elke keer als ze naar de stad gaat, hoopt ze hen niet tegen te komen. Als ze de aasgieren op haar ziet afkomen, probeert ze weg te duiken of zich onzichtbaar te maken. Eigenlijk is het frappant dat ze tijdens de vergaderingen op haar vorig werk meestal onzichtbaar was terwijl ze door de aasgieren wonderbaarlijk snel wordt opgemerkt en deze roofvogels in haar een ideale prooi zien.   Ze weet ondertussen heel goed waar de bloeddorstigen die geld proberen te ronselen zich ophouden. En als het ook maar even kan, vermijdt ze die plaatsen.  Vandaag echter wil ze in die ene winkel, waar er vaak twee haar staan op te wachten als ze buitenkomt, ondergoed kopen voor haar vierjarige dochter.   Ze speurt in het rond als ze haar sleutel in het fietsslot steekt, is opgelucht niemand met een duidelijk opschrift op zijn borst te bemerken en is van plan zich snel naar binnen te haasten. Doen alsof je gehaast bent, is altijd een goede tactiek. Ze heeft het al vaak gezien: mensen die op hun duizendste gemak aan het winkelen zijn en die dan plots zeer dringend ergens moeten zijn als ze aangesproken worden door een man of vrouw van het goede doel. Wanneer ze zich terug opricht, staat hij al naast haar. Als een schim lijkt hij uit het niets te zijn opgedoken. 'Dag mevrouw, er is mij verteld dat mensen met coole mutsen met veel plezier geld schenken aan het goede doel. Hebt u even tijd voor mij?' Zijn woorden vormen wolkjes in de koude lucht.   Ze aarzelt en maakt aanstalten om verder te gaan. Het is ijzig koud en ze wil eigenlijk gewoon naar binnen. Ergens voelt ze zich ook wel gevleid en zet ze haar hippe muts wat rechter. De niet onaardig uitziende jongeman, op de been voor Oxfam, speelt gretig in op het moment van twijfel. 'Zal ik u even vertellen wat wij allemaal doen en hoe u ons daarbij kan helpen?' vraagt hij met het enthousiasme van iemand die geroutineerd is en die al menig persoon heeft weten te overtuigen.   Ze voelt zich schaakmat gezet. Nu nog zeggen dat ze geen tijd heeft, is ondertussen geen optie meer. 'Ja, heel even dan,' zegt ze snel met een half oog op de winkel en een half oog op hem gericht. 'Wat vindt u ervan, mevrouw, dat er boeren zijn in het Zuiden die meer dan 10 uur per dag werken en dan toch in armoede leven?' 'Dat is niet eerlijk,' antwoordt ze zacht. En ze vindt het ook echt niet eerlijk en zeer onrechtvaardig en het is ook helemaal niet dat het haar niet raakt, maar op dit moment is ze zelf op zoek naar een nieuwe job en moet ze rondkomen van een werkloosheidsuitkering die na een jaar nog amper 300 euro per maand bedraagt omdat ze samenwonend is. In tegenstelling tot wat haar familieleden denken, is dit een extreem laag bedrag voor iemand die op één jaar tijd duizenden sollicitatiebrieven verstuurd heeft, honderd antwoorden heeft gekregen waarvan 80 negatief; voor iemand die 20 gesprekken heeft gevoerd waarvan twee met positieve feedback maar met geschiktere kandidaten. Dus voelt ze zich ongemakkelijk en wenst ze dat ze assertiever kon zijn en hem zou durven onderbreken, maar dat durft ze niet.   'Nee mevrouw, zo zou het inderdaad niet mogen zijn. En daarom zijn wij er, mevrouw. Wij zijn er om dit onrecht uit de wereld te helpen. Zoals u wellicht weet, gaat een product door heel wat verschillende handen voor het in die van u terechtkomt. Wij willen ervoor zorgen dat elke schakel in dat proces, elke persoon die erin betrokken is, een eerlijke kans krijgt en dus ook een eerlijk loon. Zou het niet mooi zijn, mevrouw, indien u, door ons maandelijks een gift te schenken, uw steentje kan bijdragen op weg naar een betere wereld?' 'Euh ja, inderdaad. Ik zal er eens over nadenken', zegt ze dan. Op het moment dat ze zich wil omdraaien, houdt hij het formulier dat ingevuld moet worden onder haar neus. 'Nu inschrijven, bespaart u heel wat administratieve rompslomp, mevrouw. U kunt uw bijdrage op elk moment stopzetten en uw gift is bovendien fiscaal aftrekbaar. Waarom zou u nog twijfelen, mevrouw met de coole muts, de luisterbereidheid en de mooie ogen?' probeert hij nu het onderste uit de kan te halen. Ze wil zo graag geliefd zijn. Ze is het laatste jaar zo vaak afgewezen geweest dat ze het niet over haar hart krijgt deze jongeman die het hart op de goede plaats heeft en die opkomt voor mensen in moeilijke situaties zoals zijzelf, de rug toe te keren. Voor ze het goed en wel beseft, heeft ze het formulier ingevuld, met een week gevoel in haar maag, dat wel. En hij bedankt haar met zijn jeugdig enthousiasme. Hij neemt haar hand vast en kijkt haar in de ogen. 'U maakt zoveel mensen gelukkig door dit te doen, mevrouw', zegt hij. 'U zal het zich niet beklagen.' En weg is hij, op zoek naar een nieuwe prooi.    In de winkel gaan haar gedachten alle kanten op. Ze overtuigt zichzelf ervan dat ze dit gedaan heeft omdat ze nu eenmaal in een betere wereld wil wonen. Ze probeert zichzelf ervan te overtuigen dat er nog mensen zijn die én aan Oxfam én aan Amnesty én aan Artsen zonder grenzen, geld doneren. Ze maakt zich sterk dat het telkens om een zeer minieme bijdrage gaat en dat het beter is aan elke organisatie iets te geven dan veel aan één enkele. Ze weet alleen nog niet zo goed hoe ze dit nu straks thuis aan haar man zal moeten uitleggen. Misschien kan ze er wel voor zorgen dat hij het niet te weten komt. Tenslotte is zij degene die de geldzaken beheert.   Ze besluit alvast wel om vandaag geen geld meer te geven aan bedelaars. Onderweg naar de stad heeft ze immers al 2 euro in totaal uitgegeven aan bedelende daklozen: een halve euro aan de man die een been miste en toch hoopvol leek, 1 euro aan de vrouw met de meest gepijnigde blik in haar ogen die ze ooit had gezien, en nog een halve euro aan drie sjofel geklede straatmuzikanten waarvan er twee een paar tanden misten. Ze durfde al deze mensen nooit lang aan te kijken, als schaamde ze zich in hun plaats. Met het hoofd naar beneden, ineengedoken, wierp ze snel en behendig het muntstuk in hun hoed of kommetje zonder hun eventuele blijk van dankbaarheid af te wachten.   Maar haar besluit voor vandaag staat vast: haar geldbuidel gaat na deze aankoop voor haar dochter definitief dicht, hoe behoeftig iemand ook naar haar mag kijken. De aasgieren buiten vormen nu geen bedreiging meer. Eens ze jou als prooi gehad hebben, laten ze je gerust en gaan ze cirkelen rond andere bereidwilligen. Ze is dan wel werkloos, maar ze doet vrijwilligerswerk, doneert aan goede doelen en geeft geld aan bedelaars. Jammer dat niemand haar daar ooit eens een pluim voor geeft, dat dat geen kwaliteit is die gewaardeerd wordt in haar zoektocht naar werk. Jammer dat niemand voor haar doet wat zij voor anderen doet. Jammer dat ze onzichtbaar is.

Aline S
0 0

De boot en de woestijn

  Ik heb een botenwinkel geopend in het midden van de Sahara. De passerende nomaden zijn geïnteresseerd in mijn handelswaar, maar vragen er zich het nut van af.   'Het nut? Het nut? Die mooie vrouwen van jullie, zijn die nuttig?' piep ik. Daar hebben ze geen antwoord op, maar ze bieden me er wel één aan. Eén die ik graag in ontvangst neem.   Mijn gloednieuwe vrouw is een harde werkster. Ze heeft marketing gestudeerd aan de universiteit van Caïro. Ze promoot mijn boten via Facebook.   Steeds meer woestijnnomaden vinden hun weg naar mijn winkel, maar hebben geen geld om mijn boten te kopen, hoewel ze me op het hart drukken dat het de mooiste boten zijn die ze ooit gezien hebben.   Mijn vrouw fluistert me in dat ik boten moet ruilen tegen kamelen. Ze fluistert naakt, zoals altijd. Ik luister gekleed. Binnen de kortste keren zijn al mijn boten uitverkocht en heb ik veel, maar dan ook zeer veel kamelen.   Ik vraag mijn vrouw wat een kameel zoal eet. En vooral: waar we dat eten op de kop kunnen tikken. En nog meer vooral: hoeveel me dat zal kosten.   Mijn vrouw heeft geen antwoord op mijn prangende vragen. Ik verlaat haar op een kameel en laat dat dier de etalage van mijn vroegere botenwinkel uit schoppen. Ik weet niet of mijn vrouw één traan gelaten heeft.   We zijn nu enkele weken later en we bereiken de kust. Blijkbaar kunnen kamelen lang zonder eten en drinken. Ik niet, dus ik ben stervende. Ik jaag mijn kameel de zee in, met mezelf nog steeds geklemd tussen zijn twee bulten. Kamelen zijn slechte zwemmers. En ik heb geen kracht meer. Een boot vol nomaden passeert. Zie ik daar mijn vrouw? Of is het een fata morgana? Is zij een fata morgana? Was dat haar naam?   Mijn kameel en ik zinken naar de bodem. De wereld ligt open.

Michaël Verest
0 0

You know what I mean

I wish I could write you a lovesong To show you the way I feel   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   Seems you don’t like to listen   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
12 0

U heeft (1) ongelezen bericht.

Meestal ben ik Rachelle. Profiel : achteraan in de veertig, roodkleurig van haar (geverfd), lang gedragen en zacht gekruld (ingezet), niet echt een verzorgde snit, ook niet vormloos, gewoon lekker in de war. Ik ben eigenares van een kledingzaak voor babies in Marseille en mensen zeggen wel eens dat ik de Elizabeth Taylor van het Zuiden ben : mannen ja, mannen die blijven, ze zouden wel willen, één man die blijft, neen. Op één uitzondering na. Ben één keer getrouwd geweest maar het huisje-tuintje leven was niet voor me weggelegd. Daarom heb ik besloten de mannen niet te ondergaan maar ik zou wel laten weten dat er een Rachelle in Marseille is en heel land zou het weten.   Mijn gevoelens laat ik meestal thuis, mannen zijn alleen uit op wat ik achter mijn slipje hou, hoe vervelend ik dat ook vind. Ik werk in mijn eigen kledingzaak en heb onlangs een jong meisje aangeworven, Wardia, net afgestudeerd en die ik naar mijn hand en de warmte van mijn slipje kan draaien. Maar zover raakt ze niet. Ik heb al vaak gemerkt dat haar hete blik naar mijn wulps lichaam lonkt maar daar ga ik niet op in. Ik kom gewoon iedere avond langs om de kassa te maken. Ik weet dat Wardia vurig verlangt aangepakt te worden in de achterboetiek, zelfs wanneer er nog enkele moeders in de winkel rondhangen. Ik laat ze maar sidderen. Wie weet ga ik er ooit wel eens op in. Eigenlijk haat ik kinderen en mijn lievelingsfilm is nog steeds “Rosemary’s baby”. Ik ben allergisch aan de goede moraal die in mijn stad heerst. Doe dit en niet dat. Nog een beetje en ik verhuis naar andere oorden.   Na de sluiting ga ik meestal een glaasje drinken in het buurtcafé, “La balançoire mystérieuse” waar ook enkele vriendinnen van me vrijwel de hele avond rondhangen. Ook de commissaris komt hier al eens binnenwandelen voor een gezellig vrouwenonderonsje. En ook hier geldt de achterboetiek als een geprivilegieerde ontmoetingsplek voor enkele happy afters avec finition. De diensters bedienen veelal de wenken van het mannelijk schoon dan de glazen die ik bestel. Lang blijf ik dan ook niet hangen en al snel wandel ik halfzat naar mijn appartement waar ik in mijn eentje op het internet surf.   Daar zit ik. In de linkerhand een klassieker, gin-tonic, de rechterhand klaar met pen en papier om telefoonnummers te noteren. Mijn kut is nog ijskoud maar dat ligt aan de animator die me leven inblaast.   Rachelle is een virtuele sexbom die nooit zal ontploffen bij gebrek aan ontsteking en haar enige vrienden zijn enkele goed geschapen rubberen speeltjes die ze verkiest boven zinloze conversaties met van huis weggelopen mannen. Daar heeft ze toch niets aan, altijd dat gezaag over hun saaie wijven en lastige kinderen en hoe slecht het gaat op het werk. Neen, geef haar de aandacht van het wereldwijde web en ze zal zelf wereldwijd ontvankelijk zijn.   Heerlijk is dat, daar ligt ze te genieten van zoveel aandacht. Daar ligt ze, licht gekleed als een onbereikbare en onzichtbare sexgodin boodschappen te sturen naar mannen die ze niet kent. Mannen die ze ook niet wil kennen. De eerste gin-tonic wordt al snel gevolgd door een volgende gin-tonic, niet zonder eerst wat champagne koel te zetten. Als afsluiter van de dag. Rachelle rookt lange fijne sigaren met een lichte geur van vanille die de kamer kleurt. Haar stem heeft het elegante timbre van een vervallen Jeanne Moreau.   De ongebreidelde vrouwelijkheid van Rachelle gaat dwars door het scherm heen en komt sluipend in menig Franse huiskamer binnen waar enkele eenzaam geworden mannen hopen op een virtuele aai, een wilde fantasie of gewoon een reële ontmoeting. René is zo’n kwijler. René Le Quéler. Een klein stukje mensenverdriet van amper een meter zestig, kalend en fel behaard, inclusief nek en rug. Hij kent alleen maar supermarktslipjes en goedkope parfum. Profiel : stoere bink, donkerharig en felgebruind, één meter tachtig, met kennis van het leven, zoekt amoureus avontuur. Sportief, gecultiveerd, reist veel, kaderlid en blablabla.   Doch, het oog van Rachelle is als het oog van God : Rachelle ziet alles. Rachelle is een mythe. Virtueel althans want in het dagelijkse leven is ze gewoon niemand. Daarbuiten bestaat ze niet. Ze weet ook dat René Le Quéler een gemakkelijke prooi is om haar lusten aan te wakkeren en te laten duren. Dat zijn de spelregels van animatie. Nog even een slok van de gin-tonic. Slurp slurp.   Iedere avond is De Kwijler daar. Met lieve woordjes, met attentvolle uitspraken, met offers om de godin gunstig te blijven, met pogingen tot een afspraakje. Die man schreef op een dag dat hij speciaal zijn agenda voor haar een week had opengelaten om elkaar te ontmoeten. Maar Rachelle gaat nooit in op afspraken. Hoe kan ze ook? Niet alleen blijft ze liever thuis om met haar poes te spelen maar wat als René ontdekt dat ik Rachelle ben, een niet onknappe jongeman die ’s avonds wat bijklust om de huur te kunnen betalen.   “Rachelle, ik moet je iets bekennen”. Met iemand die iets te bekennen heeft aan Rachelle valt het ergste te vrezen. En het ergste was geschied. Iedereen weet dat Rachelle haar winkel heeft in de “Rue neuve” van Marseille heeft. Ik persoonlijk ken deze stad niet maar iedere grootstad heeft wel een belangrijke winkelstraat waar her en der een kledingzaak is voor babies. “Ik ben naar je winkel gekomen, Rachelle”. Ik schrik me een aap. Mij komen opzoeken? En wat was er dan te zien? “Ah ja…?” vraag ik vertwijfelend. “Rachelle, ik heb je winkel gezien en ik kon het me niet laten binnen te kijken in de hoop jou te zien”. Het geluk van de man was oprecht. Ik vroeg wat hij precies gezien had. “Rachelle, je bent de mooiste vrouw die ik ooit heb gezien, je bent zo goddelijk als je jezelf beschrijft iedere avond. Je bent een geschenk van de puurheid van de natuur. Wat doet zo’n mooie vrouw als jij iedere avond alleen? Je zou duizenden mannen gelukkig kunnen maken”. Dat wist ze wel en dat deed ze ook.   Het werd tijd om van de goddelijke verschijning een ijskoningin te maken. Een collega, Muriel 7 vroeg  me uit en grinnikte. “Ik heb die ook al gehad en hij sprak veel lof over jou. Als een jaloerse Muriel kan ik dit uiteraard niet hebben dus blijf ik hem uitvragen naar wat die del van een Rachelle wel heeft wat ik niet heb”. “Rachelle… ik hou van jou”. Daar was het. Daar stond het virtueel geschreven, oprecht en overtuigend. Iets waar de schrijver van dit stuk zelf naar verlangde. Ik hou van jou. Het gaf me virtuele voldoening. Zo vergat ikzelf een beetje mijn eigen ongeluk. Ik kon de grens tussen het bijklussen en mijn eigen eenzaamheid verheffen om later die avond gelukzalig naar huis te gaan en weten dat het nog kan gebeuren. En te beseffen dat er ergens nog wel iemand is die van me houdt.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
0 0