Lezen

Klacht Verbeterings- en/of aanpassingspremie

Geachte   U heeft ons geschreven omdat u van mening bent dat u ten onrechte een renovatiepremie werd geweigerd. U betwist dat het aanbrengen van spuitkurk op de gevel van uw woning niet in aanmerking komt omdat het volgens u, en deskundigen die u raadpleegde, wel als gevelbekleding of -bepleistering kan beschouwd worden.   We hebben uw klacht grondig onderzocht.   Bij bepleistering brengt men steeds de specie aan in een bepaalde dikte aan op de gevel en vervolgens geëffend. Spuitkurk wordt in dunne lagen van enkele millimeters op een gevel gespoten. Dit wordt eerder als een verfsysteem dan een bepleisteringstechniek aanzien. Niettegenstaande verfsystemen een positieve invloed hebben op de waterdichtheid van de gevel, werd het niet weerhouden in de lijst van de subsidiabele werkzaamheden. De toepassing van dergelijke technieken komt eerder voor in de decoratieve sfeer, de verfraaiing en de afwerking.   Onder de term gevelbekleding verstaat men het aanbrengen van een stijf materiaal, meestal met enige tussenstand aan de oorspronkelijke gevel. Het gaat over platen, panelen, stroken, ... van verschillende materialen (natuursteen, gebakken materiaal, vezelcement, kunststof, hout, aluminium, zink, ... ). Bijgevolg is spuitkurk geen gevelbekleding.   Omtrent de misleidende informatie die u heeft ontvangen van de dienst Stedenbouw kunnen wij helaas geen oordeel vellen. Ons agentschap is niet bevoegd voor het toezicht of de controle op de goede werking van dergelijke diensten.   Het spijt ons te moeten meedelen dat spuitkurk niet als een gevelbekleding kan worden beschouwd, evenmin als een bepleistering, zoals bedoeld in de regelgeving. We kunnen de weigering dan ook niet herzien en beschouwen uw klacht als ongegrond.   Bent u niet tevreden met de behandeling van uw klacht, dan kunt u voor een tweede beoordeling terecht bij de Vlaamse Ombudsdienst (Leuvenseweg 86, te 1000 Brussel; gratis telefoonnummer 0800 240 50, fax: 02 552 48 00; e-mail: info@vlaamseombudsdienst.be ; website: www.vlaamseombudsdienst.be).   Met vriendelijke groet       naam, Administrateur-generaal

Griet
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 20)

De man die me wakker schudt, lijkt op het kerstmannetje. Scheef op zijn kop staat een rode muts en hij heeft een knalrode neus. Aan zijn snor hangen kleine stalactieten en zijn wenkbrauwen en baard zijn wit van de aangevroren dauw.   “Kom, jongen, maak dat je wegkomt,” zegt hij. Ik richt me op en wrijf mijn ogen uit. Met een verdwaasde blik kijk ik om me heen. Het duurt even voor ik me realiseer waar ik me bevind.   “Kom! Wegwezen!” dringt hij aan. Hij port me aan met de tip van zijn groene rubberen laars. Ik krabbel overeind. Moeizaam, want mijn hele lijf doet pijn. Ik ben totaal verkleumd en ril alsof ik hoge koorts heb. De man geeft me een duw in mijn rug om gauw van me af te zijn. Buiten de beschutting van het winkelportaal waait een ijzige wind. Ik sla mijn armen om me heen in een poging mijn lichaamswarmte te behouden. Tevergeefs. Ik beef alsof ik de ziekte van Parkinson heb.   Terwijl ik me een weg baan door de dikke sneeuwlaag schiet me een voorval te binnen van toen ik een jaar of tien was. Toen ik het net zo koud had als nu. Het had toen ook hevig gesneeuwd. Ik was naar school gegaan in korte broek, omdat moeder van oordeel was dat een kind geen pantalon hoorde te dragen. Lange broeken waren voor grote mensen, zei ze. Of het nu vijftig graden boven nul was of twintig eronder… een korte broek was wat ik aan kreeg. Het enige verschil was dat ik ’s zomers korte sokken droeg en ’s winters dikke wollen kousen tot net onder de knie. En dat ik ’s zomers een blazer droeg en ’s winters een gevoerde anorak. Ik weet nog hoe ik na school naar huis liep en op het plein achter de kerk een zestal jongens een sneeuwgevecht zag houden. Het waren kerels uit onze school, een paar jaar ouder dan ik. Pubers met een pesterig kantje. Toen ik langs hen heen liep, mikte één van hen een stevig samengeperste sneeuwbal tegen mijn kop. Het kwam aan als een kei. In een impuls grabbelde ik ook een handvol sneeuw bij elkaar, vormde een bal en keilde deze in hun richting. Ik raakte één van hen recht in zijn gezicht. Een seconde later lag ik spartelend in de sneeuw, bedolven onder een groep slaande, schoppende en krijsende jongens. Ik trachtte mijn hoofd te beschermen met mijn armen, maar de slagen kwamen van overal. Ze bleven op me inbeuken tot ik het bewustzijn verloor.   Pas toen ik overeind werd geholpen, kwam ik weer bij. Het was de aardige mijnheer De Greef die me onder de arm nam. Mijnheer De Greef was de buur met de hogere functie in het bedrijf waar ook vader werkte. Als zijn naam thuis werd uitgesproken, was het altijd met een zweem van afgunst. Of om er kwaad over te spreken. Dat hij zijn hoge functie had afgekocht. Of dat hij goed was in hielen likken. Het was doorgaans moeder die deze woorden sprak. Ze braakte ze uit, alsof ze giftig waren. Maar ik vond mijnheer De Greef een vriendelijke man. Ik mocht van geluk spreken dat hij het was die me aantrof.   “Boris, jongen toch, wat is er met je gebeurd?” vroeg hij bezorgd, terwijl hij met zijn eigen zakdoek het gestolde bloed van onder mijn neus wreef. Waar mijn hoofd had gelegen, had de sneeuw een vage rode kleur. En mijn anorak vertoonde vooraan een grote scheur. Wat zou moeder zeggen? Ik vertelde mijnheer De Greef wat er was gebeurd toen ik na school naar huis liep. Hij keek op zijn polshorloge en trok een bedenkelijk gezicht.   “Vreemd dat je vader je niet heeft gevonden,” zei hij. “Hij moet hier een kwartier geleden zijn voorbij gegaan.” Zijn woorden drongen nauwelijks tot me door. Ik beefde zo hard dat ik mijn knoken hoorde rammelen.   Mijnheer De Greef droeg me naar huis, omdat mijn stijf bevroren ledematen me niet meer konden dragen. Als een lappenpop lag ik in zijn armen, met wiegende onderbenen.   Moeder was in alle staten. Niet alleen omdat ik meer dan anderhalf uur later thuis kwam dan normaal, maar ook omdat mijn anorak was gescheurd. En misschien nog het meest omdat het mijnheer De Greef was die me naar huis bracht. Ze liet de aardige man niét binnen. Hij vertelde haar, staande aan de deur, dat hij me had gevonden op het plein, achter de kerk, en maakte haar er fijntjes opmerkzaam op dat hij het vreemd vond dat vader me niet had zien liggen.   Nadat ze zich van mijnheer De Greef had ontdaan, verzorgde moeder mijn wonden: mijn kapotte knieën, geschaafde kin, voorhoofd en linkerslaap. Daarna legde ze me in bed. Twee uur later lag ik nog te rillen van de kou. Ondertussen hadden mijn ouders ruzie. Ik hoorde moeder schreeuwen tot boven. Ik verstond niet helemaal wat ze zei, maar ze had het voortdurend over mijnheer De Greef.   Vijf dagen lag ik ziek te bed. Hoge koorts. Moeder deed haar best om me er gauw weer bovenop te helpen. Ze bracht me thee en koekjes, die ik telkens na een kwartier weer uitkotste. Maar vader kwam al die tijd niet één keer op mijn kamer. Toen ik hem vijf dagen later zag, op de overloop, keek hij even stiekem om zich heen en gaf me een gemene klap tegen mijn achterhoofd. Zomaar. Ik deed niets. Van het schrikken plaste ik in mijn pyjamabroek, wat me op een tweede klap kwam te staan. Vaders klappen kwamen altijd hard aan. De meest gemene mep die ik ooit heb gekregen was tijdens een kerkdienst, gedurende de consecratie. Net nadat de priester de woorden had gesproken: “Want dit is mijn lichaam” Vader had me al vier keer gewaarschuwd dat ik niet achterom mocht kijken. Maar Elsje zat enkele rijen achter ons. Ze had een jurkje aan dat tot net boven haar knieën reikte en ik trachtte onder de stoelen door tussen haar benen te gluren. De klap die ik kreeg, net toen de priester de hostie hoog in de lucht hield, galmde door de kerk als een zweepslag. Mijn hoofd vloog enkele centimeter vooruit en ik slaakte een luide gil. De priester liet van het schrikken zijn hostie bijna uit zijn handen glippen en wierp ons een vernietigende blik toe.   Ik ban de herinnering uit mijn gedachten en sleep me voort. Doordat ik al enkele dagen geen maaltijd meer heb gehad, voel ik me duizelig. Alsof ik een drug heb genomen en ik in hogere sferen verkeer. Het lijkt alsof ik geen deel meer uitmaak van deze wereld. Dat alles buiten mij om gebeurt. Dát doet echte honger dus met een mens.   Mijn voeten malen hectometers, maar het is alsof ze dat uit zichzelf doen. Dat ik er geen controle over uitoefen. Stap na stap slepen ze me door het pak sneeuw. Af en toe glijden ze weg en houd ik me recht door hevig met mijn armen te zwaaien. Eén keer lukt het me niet om overeind te blijven. Mijn steunvoet schuift onhoudbaar voor me uit en doet me plat op mijn rug belanden. De val in het dikke pak sneeuw is niet pijnlijk, maar uit pure vermoeidheid blijf ik liggen.     “Gaat het, jongen?” hoor ik iemand vragen. Het is een dame met een bontjas die zich over me buigt. Ze kijkt me bezorgd aan van onder een gigantische Russische berenmuts. Haar knalrode lippen steken erg af tegen het witte landschap. Ze helpt me recht en biedt me aan om even op adem te komen in het gebouw waar ze werkt.   In de bloedheet gestookte ruimte is het alsof ik ontdooi. Mijn vingers lijken oververhitte koolstaafjes die elk moment vuur kunnen vatten. De pijn is haast niet te harden. Wanneer ik ontdek dat in het gebouw, waar ik ben binnen geloodst, de stadsdiensten zijn gevestigd, vraag ik of ik een inlichting kan bekomen bij het kadaster. De dame is welwillend en zorgt ervoor dat ik als eerste aan de beurt kom.   De man achter het bureau hijst zich met een verveelde zucht overeind en loopt naar de wandkast achter hem. Ik bekijk hem van onder tot boven. Hij draagt een keurig pak, maar om zijn voeten zitten bruine suède laarzen, die lelijke vochtkringen vertonen. Sneeuw heeft de gewoonte mensen te doen afzien van vestimentaire etiquette. Na enig zoeken diept hij een ordnermap op, welke hij, staande bij de wandkast, openslaat. Hij bladert met zijn wijsvinger, die hij om de haverklap bevochtigt aan zijn onderlip, doorheen de documenten tot hij heeft gevonden wat hij zocht. Dan pas komt hij terug naar het bureau, knipt de ijzeren beugels van de ordner open en schuift me een document toe.   “Hier,” zegt hij. Hij wijst met een kromme, nicotinebruine vinger op een paragraaf. Ik buig me voorover en lees. Er wordt melding gemaakt van een kavel die sinds 1968 aan ene Hendricus Janssen zou toebehoren. Merkwaardig genoeg bevindt deze kavel zich op hetzelfde adres als ons huis.   “Is de heer Janssen uw vader?” vraagt hij.   “Nee. Mijn vader heet Edouard Wolfs,” zeg ik.   “Voilà! Dan moet u zich vergissen,” besluit hij. “Het perceel waarvan u spreekt is eigendom van de heer Janssen. En zoals u hier kunt lezen, heeft die het tot op heden nooit bebouwd.”   “Maar dat kan niet!” roep ik uit. “Mijn vader heeft dit perceel gekocht in de jaren zeventig en heeft er nog datzelfde jaar een huis op laten bouwen!” De man schudt vastberaden het hoofd.   “Kan niet,” zegt hij. “Het pand waarover u spreekt, heeft nooit bestaan.”   “Maar ik heb mijn hele leven in dat huis gewoond!” schreeuw ik. “Een paar weken geleden stond het er nog.”   “Wel, als dat zo is, dan stond de woning er illegaal en lijkt het me niet meer dan normaal dat ze is afgebroken,” antwoordt hij kordaat. Hij bergt het document weer op in de ordner en klapt ze dicht.   “Ja, maar…” doe ik verward.   “Mag ik u nu verzoeken om plaats te maken!” zegt hij. “Er wachten nog mensen.”   “Maar… ú moet zich vergissen!” roep ik huilerig. “Ik zeg u toch dat ik…”   “PLAATSMAKEN!” blaft hij me toe. Ik voel me bleek wegtrekken en mijn ademhaling wordt zwaar, alsof ik van de zuurstof word afgesloten. Ik sta op van mijn stoel en werp een blik achter me. Er zitten vijf mensen te wachten om geholpen te worden. Twee vrouwen en drie mannen. Er bekruipt me een beklemmend gevoel wanneer ik hen herken. Het zijn exact dezelfde mensen die me gisteren in de wachtzaal van het station zaten te bespieden. Er kan geen twijfel meer over bestaan dat ik word geschaduwd! Er klinkt een heldere toon. Op een monitor in de hoek van de kamer verschijnt een nieuw volgnummer. De man met de hagedisogen, die me in het station de hele tijd zat aan te staren, staat op en komt mijn richting uit. Ik deins achteruit. Terwijl hij me voorbijloopt, werpt hij me een geringschattende blik toe en doet “kssst”, alsof hij een kat verjaagt.   Ik hol door de lange gang en houd halt bij de balie, waar de aardige dame werkt die me heeft binnengelaten. Ik kijk achter me om zeker te zijn dat ik niet word gevolgd, druk me tegen de balie aan en zeg met gedempte stem: “Mevrouw, u moet me helpen!” De dame kijkt op van haar computerscherm.   “Wat kan ik voor u doen?” vraagt ze. Ik kijk nogmaals achterom om te verifiëren of niemand me is gevolgd en zeg: “Ik kan nergens mijn familie vinden. Mijn ouders, mijn broers, mijn zussen… allemaal zijn ze verdwenen!”   “Oei! Dat is erg,” reageert ze bezorgd. “Maar wat wilt u dat ik daaraan doe? Zou het niet nuttiger zijn indien u zich tot de politie zou wenden?”   “Dat heb ik al gedaan,” fluister ik, “maar ze wilden me niet geloven. Ze dreigden er zelfs mee me in de bak te gooien.” Ze kijkt me aan met een bedenkelijke blik.   “Waarom zouden ze dat willen doen?” vraagt ze.   “Weet ik niet. Ik wilde gewoon aangifte doen van de verdwijning van mijn familie. En van ons huis, want dat is óók verdwenen.”   “Uw huis?! O, daarom wilde u het kadaster raadplegen.”   “Precies. Maar de beambte was ook al geen hulp. Hij beweert dat ons huis er nooit heeft gestaan. Maar dat is een leugen! Ik heb er 21 jaar gewoond! Weet u…” Ik buig me naar haar toe en fluister: “Volgens mij ben ik het slachtoffer van een complot.” De dame zet een stap achteruit, alsof ik haar heb meegedeeld dat ik een besmettelijke ziekte heb. Er verandert iets in haar blik. Er sluipt een zekere argwaan in.   “Sorry,” zegt ze, “maar ik vrees dat ik niets voor u kan doen.”   “Jawel! U moét me helpen!” doe ik huilerig. “Ik weet niet meer wie ik moet contacteren! En ik heb het koud! En ik heb honger! ” Ik plooi mijn bovenlichaam over de balie en neem haar bij haar polsen. Ze slaakt een kreet alsof ze wordt verkracht.   “Laat me los!” schreeuwt ze. “Laat me los!” Op dat moment zwaait de buitendeur open en komt een man binnen. Hij stampt de sneeuw van zijn laarzen en komt recht op me toegestapt. Ik laat de polsen van de vrouw los en maak me onmiddellijk uit de voeten.   De wind huilt een naargeestig lied en ik voel me angstig. Terwijl ik doelloos langs de straten loop, doemen steeds meer beelden uit het verleden in me op. Ik zie me aan de rok van moeder hangen. Letterlijk. Tot mijn twaalfde klampte ik me aan haar vast als een aapje. Zolang ik een schoolkind was, beschouwde ik mijn moeder als de ideale mama. Het was pas toen ik in mijn puberteit kwam dat ik de dingen in vraag begon te stellen. Door andere kinderen over hun ouders te horen praten, leerde ik dat er naast zorg ook zoiets bestond als affectie. Ik zag hoe andere ouders met hun kinderen omgingen. Warmer. Hechter. Ik zag hoe jongens van mijn leeftijd liefdevol over hun bol werden geaaid. Ik hoorde hoe hen vragen werden gesteld over wat ze hadden geleerd op school. Over wat ze hadden gedaan. Ik vroeg me af waarom vader nooit aan mij vroeg hoe het op school was geweest. En waarom moeder me nooit eens liefdevol over het hoofd streelde. Als ze met haar hand door mijn haar ging, was het om mijn pony van mijn voorhoofd te vegen waardoor die afzichtelijk ader zichtbaar werd. Het leek meer op pesten dan op een teder gebaar. Zodra dat besef begon te dagen, ging ik me losmaken van mijn ouders. Ik begon te zinnen op een eigen leven. Maar ik kon niet zomaar weggaan. Tot dat idee begon te rijpen van Sydney. Dat gebeurde nadat ik op een site was gestoten die “Gap Year na het middelbaar” heette, en als ondertitel droeg: “Wil jij graag de wereld ontdekken na het middelbaar?” Mijn interesse was meteen gewekt. Een reis naar het andere eind van de wereld leek me een uitgelezen mogelijkheid om de navelstreng met mijn ouders door te knippen. Wist ik veel dat het zo zou lopen…   Ik sla het park in en waad door de massieve sneeuwlaag als een frontsoldaat door een modderige loopgraaf. Hoewel ik stilaan aan het eind van mijn krachten ben, word ik getroffen door de betoverende schoonheid van het plantsoen. Op de takken van de bomen ligt zoveel sneeuw dat ze doorbuigen. Het is een sprookjesachtig beeld, dat me zelfs in mijn dofste ellende even oog doet hebben voor het fraais dat de aarde biedt. Ik maak me de bedenking dat deze wereld een aards paradijs zou kunnen zijn. Als dieren en mensen elkaar niet naar het leven zouden staan. De ene uit overlevingsdrang, de andere voor zijn plezier. En als het leven niet op ons woog als sneeuw op de takken van de bomen. Ik vraag me af of we het leven moeten beschouwen als een cadeau of als een geseling? Onze hersenen zorgen ervoor dat we nadenken over dingen waarover we beter niet zouden nadenken. Een dier leeft zijn leven. Sterft het morgen, het zij zo. Ze hebben wel een overlevingsinstinct. Maar aan hun dood gaat geen gepieker vooraf. Geen in vraag stellen. Geen deprimerende gedachten. Een dier is per definitie fatalistisch, zij het uit onwetendheid. Zou het niet beter zijn indien de mens zich ook wat makkelijker zou schikken in zijn lot? Ik houd halt. Misschien moet ik beginnen bij mezelf. Ik voel mijn krachten afnemen en kom door de decimeter dikke sneeuwlaag haast niet meer vooruit. Zou dit een indicatie zijn dat mijn leven hier en nu moet ophouden? Als ik me nu eens gewoon voorover liet vallen? Met mijn gezicht in de sneeuw. Zorgen dat ik geen adem meer krijg en langzaam stik… Ik ontspan mijn spieren en begin voorover te hellen. Eerst tergend langzaam, tot de zwaartekracht vat op me krijgt en ik met kracht in het dikke pak sneeuw plof. Het voelt koud aan, maar op één of andere manier ook behaaglijk, alsof ik in een comfortabele gewatteerde doodskist word gelegd. Stilaan wordt het ademen moeilijker. Het is wachten tot ik het bewustzijn zal verliezen…   “Tsjilp!” Een fijn vogelgeluidje trekt mijn aandacht.   “Tsjilp, tsjilp.” De herinnering aan het vogeltje uit mijn droom doet mijn bewustzijn weer toenemen. Met mijn laatste kracht duw ik me op en kijk omhoog. Boven me zie ik op een doorhangende tak het roodborstje zitten. Het lijkt mijn aandacht te willen trekken. Misschien wil het me er op wijzen dat mijn tijd nog niet is gekomen. Dat mijn taak nog niet is volbracht. Ik zuig een teug zuurstof diep in mijn longen en voel mijn kracht toenemen. Ik krabbel overeind en kijk waar het vogeltje zich bevindt. Het is opgevlogen en zit nu op een tak van een boom iets verderop. Het roept me met een onophoudelijk getsjilp. Ik ga achter het diertje aan en baan me strompelend een weg door de sneeuw. Telkens ik het vogeltje nader, vliegt het op en blijft in een volgende boom op me zitten wachten.   Wanneer we de rand van het park naderen, doemt door de kale takken van de heesters de gevel op van het huis waar Bea verblijft. Wit als een Indische tempel. Imponerend als een zestiende-eeuws kasteel. Ik blijf aan de overkant van de straat staan en werp een blik op het raam op de eerste verdieping. De ruit is niet beslagen en is er geen spoor van mijn broers of zussen. Het roodborstje zit nu op de motorkap van een auto die geparkeerd staat voor de deur van het gebouw. Het tsjilpt voortdurend en wipt nerveus heen en weer. Ik steek de straat over. Net wanneer ik tussen de geparkeerde auto’s door wil lopen, zwaait de zware eikenhouten deur van het witte huis open. Ik schrik en duik weg achter een auto. Glurend over de motorkap, zie ik een man de drempel afkomen. Hij trekt zijn kraag hoog op en loopt gehaast verder. Zijn voeten schuiven voortdurend heen en weer op de platgelopen sneeuw, maar hij slaagt er in overeind te blijven. De deur van het gebouw zwaait intussen langzaam dicht, vertraagd door een pomp die de bewoners moet behoeden voor een luide bons. Ik veer op uit mijn schuilplaats en slaag erin mijn voet net op tijd tussen de kier te wurmen. Even later sta ik geïmponeerd rond te kijken in de imposante inkomhal waar de geringste kik een oorverdovend geluid lijkt. Ik sluip op mijn tenen verder.   Tientallen deuren geven uit op een schier eindeloze gang. Zonder uitzondering zijn ze dicht. Achter sommige deuren hoor ik een eenzame stem opklinken. Soms zacht, soms luid en onbeheerst. Achter andere deuren is het angstwekkend stil, als in een mortuarium. Helemaal achteraan in de gang staat een deur op een kier. Ik sluip naderbij en duw ze net zo ver open dat ik mijn hoofd erdoor kan wurmen. Het is de keuken. Er is geen levende ziel te bespeuren, maar op het aanrecht ligt een pak beschuiten. Mijn honger is zo groot dat ik mijn angst even vergeet. Ik duw de deur verder open en scheur de verpakking van de beschuiten. In de koelkast zoek ik naar beleg. Het enige bruikbare wat ik er aantref is een grote pot mayonaise. Beschuit met mayonaise. Het lijkt vies, maar honger is de beste saus. Ik eet alsof ik me tegoed doe aan het lekkerste gerecht in een sterrenrestaurant.   Wanneer mijn ergste honger is gestild, steekt de angst weer op. Ik loop naar de deur en werp een blik in de gang. Er is nog steeds geen mens te bekennen. Ik verlaat de keuken en beklim de trap die me naar de eerste etage brengt, waar de kamer van Bea zich bevindt. Ook hier zijn alle deuren hermetisch gesloten, op één na. Ik sluip behoedzaam naderbij. Er stijgt een gedempt getokkel op uit het vertrek waarvan de deur wijd open staat. Ik plak me met mijn rug tegen de wand, vlak naast de deur, en gluur stiekem naar binnen. Bij het zien van de persoon, die aan een bureau zit te werken, lijkt mijn hart stil te vallen. Ik trek als de bliksem mijn hoofd terug en blijf als aan de grond genageld voor me uit staan kijken. Heb ik gezien wat ik heb gezien of was het een zinsbegoocheling? Pas een lange minuut later durf ik nog een blik in de kamer te werpen. Ik trek grote ogen als blijkt dat mijn zintuigen me niet hebben bedrogen. Achter een omvangrijk bureau zit een mij overbekende man een tekst te typen. Hoewel hij zijn haren voor één keer keurig heeft gekamd en hij zijn weelderige borstharen verborgen houdt achter een netjes gestreken hemd met stropdas, is er geen twijfel mogelijk. Het is Jan Byttebier! De enige echte! Ik slaak een kreet van verrukking, wat hem de ogen doet opslaan.   “Hey!” zegt hij wanneer hij me ziet staan.   “Hey!” doe ik ook, met aarzelend opgestoken hand.   “Is er iets? Kan ik je ergens mee helpen?” De tranen springen me in de ogen. Die vriendelijkheid waarmee hij me aanspreekt. Een gevoel van extreme gelukzaligheid overvalt me. Ik bekijk hem alsof hij een verschijning is.   “Is alles goed met je?” vraagt hij. Hij bekijkt me van onder tot boven. Bezorgd, lijkt het wel.   “Waarom draag je zoveel kleren boven elkaar?” wil hij weten. “En wat is dat witte goedje op je gezicht?” Ik tast aan mijn wangen en bemerk dat ze vol hangen met mayonaise.   “Gaat het weer niet goed met je?” vraagt hij. Ik schud het hoofd.   “Kom, zet je even,” zegt hij. “Vertel me eens wat er aan de hand is.” Ik stap op hem toe en neem plaats aan het bureau.   “Alles is weg,” zeg ik.   “Wat bedoel je met alles?”   “Alles en iedereen. Vader, moeder, mijn broers, mijn zussen, ons huis… Alles is weg.” Hij kijkt me monsterend aan.   “Ogenblikje,” zegt hij. “Ik werk dit even af, en kijk dan wat ik voor je kan doen.” Hij zet zich weer aan het typen. Ik bekijk hem aandachtig. Ik ben blij dat ik hem eindelijk heb gevonden. Alleen begrijp ik niet waarom hij plots zo toegankelijk is, nadat hij me weken uit de weg is gegaan. En waarom hij zo keurig gekleed gaat. Niet langer die Crocodile Dundee-achtige outfit, maar een keurig maatpak waarvan het vest over de leuning van zijn stoel hangt.   “Kennen Marianne en jij elkaar nu wel of niet?” vraag ik. Hij kijkt op van zijn scherm. Er tekent zich een frons af op zijn voorhoofd.   “Welke Marianne bedoel je?”   “De Marianne bij wie ik inwoonde in Sydney.”   “De Marianne bij wie je inwoonde in Sydney,” herhaalt hij. Hij schuift zijn klavier van zich af. “Daar moet je me even het fijne over vertellen. Wie is die Marianne precies? En waarom dacht je dat wij elkaar kenden?”   “Ik zag haar op een foto staan met een man die als twee druppels water op jou leek. Ik was er van overtuigd dat jij het was, maar zij beweerde dat het ene Davy Matthews betrof. Twee weken later zag ik jullie samen. Maar zij bleef halsstarrig beweren dat ik het me had ingebeeld. We hebben toen vreselijke ruzie gehad. Ik ben weggelopen en heb in een park geslapen. De dag erna ben ik teruggegaan om mijn spullen op te halen. Ze lag op het bed en zag er vreselijk uit. Ze zei dat ik bij haar moest blijven, maar dat wilde ik niet. Eergisteren heb ik dan het vliegtuig naar België genomen, maar tijdens de vlucht kreeg ik wroeging. Gisteren heb ik haar meerdere malen trachten te bereiken, maar het lukt me niet. Ik vrees dat ze zichzelf iets heeft aangedaan.” Hij kijkt me doordringend aan.   “Jan… kun jij me helpen?” vraag ik. “WIL jij me helpen? Alsjeblieft?” De tranen lopen me over de wangen. Hij lijkt even na te denken, neemt dan de hoorn van de haak en toetst een nummer in.

Lou Van Lier
21 0

Een bewogen dag

Ze voelde het rood naar haar wangen stijgen. Haar hersenen zochten wild en krampachtig naar de juiste woorden die haar zouden bevrijden uit deze vernederende situatie. Het kaalgeplukte geel-bruin verschoten konijntje dat, zich van geen kwaad bewust, na een paar vrolijke tuimelingen uit haar boekentas voor de voeten van Joris was beland, lokte enkel schamper gegrinnik uit. ‘Eefje sabbelt nog op knuffels in haar béééd’.   Ze keek naar de knuffel.  Ooit had Langoor haar veel gesust in donkere nachten, maar een tijdje geleden had ze hem afgedankt.  ‘Meisjes van tien slapen niet meer met een knuffel’, had haar grote broer gezegd. Maar hoe kwam Langoor in haar tas? ALINA. Waarom kon haar zusje haar spullen niet gewoon netjes bijhouden of thuislaten? Alsof ze nog niet genoeg vertroeteld werd door mama, nu moest ze ook al in de klas met alle aandacht gaan lopen.  In háár klas nota bene.   Langzaam en ongemerkt vervormde haar minzame, immer diplomatische glimlach tot een opstandige grimas. Waar ze het lef vandaan haalde, daarover piekerde ze later nog vaak, maar met één uithaal scoorde ze midden in het gezicht van haar jongere zusje.  Of liever; in dat van de grootste slungel van de klas. Ze wankelde, maar lang had ze niet. Juf Lieve kon elk moment terugkomen en in tegenstelling tot wat haar naam deed vermoeden, zou ze bij het zien van Joris’ opzwellende neus niet mild zijn. Eefje graaide haar spullen bijeen, twijfelde even over Langoor, maar rende dan toch met enkel haar tas over haar arm door de deur, over de speelplaats en door de grote poort tot op de kiezelweg, waarlangs ze ‘s morgens liepen. Met een bang hartje hurkte ze achter de grote struik, haalde haar broodtrommel boven en begon nerveus op de plakjes rogge met kaas te kauwen, vastbesloten hier tot de laatste schoolbel te schuilen...

wonsea
0 0

Te snel

Vanop de eerste rij keek ik toe hoe een oud koppel zijn entree maakte. Zij kwam wat schuw naar de balie. Waar dokter Madani zat? Enkele meters achter haar, als een hondje dat aan een onzichtbare leiband werd meegesleurd, volgde haar kromme, oude echtgenoot. Onhoorbaar kreunend en piepend. Een paar ton tijd rustte op zijn schouders. Terwijl zij de door mij uitgelegde route begon te volgen, draaide hij zich in slow motion om om haar te volgen. “Battery low,” dacht ik onwillekeurig. Sjokkend sleften ze door de gang.   Geruime tijd later kwam dokter Madani gehaast naar de balie. Meneer moest om kwart voor twee al in het algemeen ziekenhuis zijn voor een scan van zijn hersenen. Het was inmiddels kwart na twee gepasseerd.   Te tijd tikt trager voor oude mensen. Maar voor ons, jonge mensen, of jongere mensen, tikt hij snel.   Tesneltesneltesneltesnel!   Sociale media voor vluchtige “vriendschappen”. Online shops voor sneller winkelen. Snelle levering! Snelle service! Niet tevreden geld terug! Alles is zo tijdelijk. Alles vluchtig, inwisselbaar en vooral: snel! Prikkels van overal. Reclame zoemt langs onze hoofden, als zeurderige muggen in een zwoele zomernacht. Altijd honger naar meer. Niets doen is doodzonde, stilstaan nutteloos. Tenzij je gebroken benen hebt. Of een burn-out. Of een depressie. Die krijg je vroeg of laat heus wel. Sommigen noemen het een modeverschijnsel. Voor anderen is het de enige uitweg. De enige vlucht uit een drukker wordende maatschappij. Tijd is kostbaar. Voltijds werken! Een gezin ernaast en toch tijd voor qualitytime. Me-time en zelfontplooiing. Een bevredigend sociaal leven. Intussen blijven de prikkels zoemen. Onze smartphones opdringerig om aandacht vragen en wij er reflexmatig op reageren.   Te veel. Te snel.   Maar dus. Het oude koppeltje. Het was rustig aan het onthaal. En ik had wel met hen te doen. Dus belde ik voor hen naar het ziekenhuis met de vraag of ze mochten komen, ook al waren ze geruime tijd te laat. Het kon nog nog, maar dan moesten ze wel snel zijn. Een collega zou hen met het golfkarretje wel tot ginds rijden. Moeizaam kwam het oude meneertje recht – hij was intussen gaan zitten om zijn oude botten wat te laten rusten.   Zo schuifelden ze van het toneel en verdwenen achter het zware gordijn terwijl het leven verder raasde en de tijd hen voorbijstak.

Mandy
0 0

Appelflap

Appelflap Zo van die dagen. Druilerige regen. Stil verdriet in mijn hart. Mijn hoofd dat mijn hart bemoedigend toefluistert: “Het is oké hoor, lieve Hart van me. Natuurlijk doet dit pijn. Laat het maar pijndoen. Laat maar weten als je klaar bent om verder te gaan, dan neem ik je hand vast en wandelen we samen verder. Zal ik je helpen een beetje te schrijven? Een beetje te huilen op papier? Zal ik je een kopje thee zetten?” Ik wil gewoon een beetje zijn. We gaan een eindje fietsen. Ondanks de regen. Om de regen. Ik wil voelen. Het verdriet als steken in mijn hart. Tranen brandend in mijn zielenvijvers. Voélen. Voel ik echt pijn? Voel ik echt verdriet? Voel ik niet ook dankbaarheid? Dankbaarheid voor het moois dat ik heb mogen beleven, mogen voelen in elke vezel van mijn lijf? Geluk, zo intens dat het pijn doet? Liefde voor een man die nooit de mijne zal zijn en dat ook niet hoeft te zijn? Zo lang hij is, ben ik blij. Hij is te realistisch om zich te binden. Te wijs voor beloftes. Te nuchter voor Liefde. Te complex om met woorden of verstand te kunnen vatten. En hou ik echt zoveel van hem of ben ik gewoon verknocht op het gevoel dat ik krijg van hem. Door hem? Dat gevoel dat ik lééf. Dat ik inspiratie voel borrelen in het diepste van mijn buik, in het diepste van mijn zijn.   We gaan een eindje fietsen. Ondanks de regen. Om de regen. En als beloning, een stop bij de bib voor nog wat inspirerende boeken. Over schrijven, over leven, over gebroken harten. En een stop bij de Panos voor een appelflap. Thuis een troostende kop thee met de zalig zoete appelflap en de zalvende muziek van Yndi Halda. In feite is de appelflap veel te zoet. Héérlijk. Plakkerig. Vettig. Mijn tong maakt vrolijk een sprongetje bij het gevoel van de dikke korrels suiker. De appeltjes maken hem net niet té zoet toch niet. Ik glimlach. De smaak van troost. ’t Is allemaal zo erg nog niet.

Mandy
0 0

Brief ouders

Aan de ouders van de kinderen van School Het Klaverblad     Antwerpen, 2 mei 2016   Schoolreis Pairi Daiza op maandag, 9 mei 2016   Beste ouders   Zoals u intussen al weet, gaan wij volgende week maandag op schoolreis naar Pairi Daiza!   We zullen allerlei verschillende dieren bezoeken en we zullen ook kunnen genieten van een show waar dieren de hoofdrol in spelen. Het belooft een spannende en leerrijke dag te worden!   Om er een topreis van te kunnen maken, is het belangrijk dat we op tijd kunnen vertrekken aan de school. De bus komt ons om 8 uur oppikken. Omdat we nog de kans moeten hebben om te kijken of al onze kinderen aanwezig zijn, rekenen we graag op uw medewerking door om kwart voor acht stipt aanwezig te zijn.   Geef uw kind a.u.b. een kleine rugzak mee die hij of zij zelf kan dragen. Hierin kan u het lunchpakket, wat tussendoortjes en drankjes stoppen. Het is onze missie om onze kinderen gezond op te voeden. Daarom willen wij een beroep doen op u bij het maken van de rugzak van uw oogappel. U kan uw steentje bijdragen aan ons positieve imago van gezonde, groene school door enkel gezonde tussendoortjes mee te geven (zoals fruit en noten) en geen frisdrank (hiermee bedoelen we coca cola of andere limonades, appel- of ander fruitsap, mag uiteraard wel).   Voor het comfort van uw kind raden we aan om hem of haar speelkledij en stevige stapschoenen aan te trekken. Een zonnepet of regenjas, naargelang het weer, zijn zeker ook nuttig.   Om uw kleuter een leuke afsluiter van deze topdag te geven, kan het op school blijven slapen! Dit is uiteraard niet verplicht. Indien u ervoor kiest uw kind te laten slapen, denk er dan a.u.b. zeker ook aan een pyjama, handdoek en tandenborstel/tandpasta in te pakken!   We verwijzen graag naar onze brief van 25 april voor de meer uitgebreide informatie over het volledige programma. Om het u gemakkelijk te maken, kan u in bijlage een beknopte versie van het programma terugvinden.   Tot slot zouden wij u willen vragen om morgen 3 euro mee te geven aan uw kapoen als bijdrage in de kosten.   Alvast bedankt voor uw medewerking! We kijken ernaar uit om er met zijn allen één of twee onvergetelijk leuke dagen van te maken!     Met vriendelijke groeten,     Het leerkrachtenteam   Bijlage: Beknopt programma     Programma Maandag                   7.45 uur:         verzamelen aan de schoolpoort 8.00 uur:         vertrek 18.00 uur:       terug op school. U kan uw kind komen halen of hij of zij mag blijven slapen. 18.30 uur:       avondeten met verse frietjes! 19.15 uur:       pyjama’s aandoen voor een rustige nacht… na een leuke pyjamafuif! 20.30 uur:       tanden poetsen en bedtijd   Dinsdag 8.30 uur:         ontbijt (cornflakes met melk) 9.30 uur:         buitenspelen en groepsactiviteit 12.00 uur:       lunch (sandwich) 13.00 uur:       leuke en leerrijke tekenfilm over de dierenwereld 15.35 uur:       uw kan uw kleuter weer oppikken of hij/zij kan nog even uitblazen in de nabewaking    

Mandy
110 0

Buiten het huis

Ik stap uit de douche en huiver als mijn blote voeten de koude stenen vloer raken. Met een handdoek om mijn lichaam geslagen loop ik naar de kledingkamer, als ik de deur open doe wordt ik omringd door een sterke lavendelgeur van de pas gewassen goederen. De wasmiddel die ik toen der tijd gekocht had verzekerde me dat de lavendel kalmerend werkt en de geest weer in balans brengt. Niets is minder waar, maar wat verwacht je voor één euro vijftig.   Uit de kast pak ik een pyjama broek en een warme trui met daarop een afbeelding van een uiltje. Als ik volledig aangekleed ben loop ik naar mijn slaapkamer om de gordijnen dicht te trekken. Wat ik toen zag deed het bloed in mijn aderen bevriezen. Hij staat er weer, die klootzak staat daar weer stoïcijns voor zich uit te kijken. voor mijn huis met zijn capuchon op, die lafaard. Als een pijl uit een boog ren ik naar de telefoon die in de, met lavendel bevuilde kledingkamer ligt. Met trillende handen toets ik 112 in. ‘Met wie kan ik u doorverbinden politie, brandweer of ambulancezorg?’ klinkt de stem van een beleefde vrouw. ‘Politie’ fluister ik, alsof hij me buiten kan horen. Na een korte ééntonige piep hoor ik een andere stem, een man deze keer ‘Wat is uw noodgeval?’ ‘Hij staat er weer, hij staat er elke avond. Ik heb jullie gister ook gebeld.’ Schijnbaar was de paniek in mijn stem merkbaar. De stem aan de andere kant van de telefoon probeert me gerust te stellen, tevergeefs. ‘mevrouw, we gaan u helpen. Wat is uw naam en adres, dan sturen we iemand naar u toe’. Tussen het snikken door probeer ik een verstaanbaar antwoord te verwoorden. ‘Mijn naam is Dewi Roosendaal en ik woon op Vuurdoornstraat 1071’.  ‘oké Dewi, er komt iemand aan’. Nog voordat ik de behulpzame man aan de telefoon kan bedanken klinkt er een oorverdovend geluid door het huis en begin ik te schreeuwen. Het glas van mijn slaapkamer ligt nu overal. Na anderhalf uur was de politie eindelijk ter plaatse, tenminste zo voelde het. Mijn klok zegt dat het maar 7 minuten heeft geduurd. Natuurlijk was hij toen allang verdwenen. De agenten waren snel weg, geen onderzoek, geen patrouille. Geen prioriteit.   Langzaam maar zeker wordt het ochtend, het eerste daglicht breekt door het dichte wolkendek. Koude lucht stroomt binnen via het slaapkamerraam. Het doordringende geluid van de deurbel haalt me uit gedachten. Langzaam trek ik de deur open en voor me staat mevrouw Stielstra van nummer 1086, wat tevens ook haar geboortejaar is. Mevrouw Stielstra is een klein oud vrouwtje, met meer rimpels op haar gezicht dan haar op het hoofd. In haar knokige handen heeft ze een schaal met broodjes. ‘Dag lieve schat, ik hoorde wat er gister gebeurt is’. Haar moederlijke stem kalmeert me. Ze plaatst de schaal op het sleutelkastje naast de deur en legt haar hand geruststellend op mijn schouder.  ‘lieverd, de deur staat altijd voor je open’, ‘dank u’. Ze knikt en sluit in de tussentijd haar vriendelijke ogen, om daarmee te zeggen; geen probleem, je bent altijd welkom. Daarna loopt ze met een flinke pas terug naar haar huis.   De wijzers van de klok lijken wel voortuit te kruipen, keer op keer kijk ik naar de klok hopend dat er een uur verstreken is. Vijf minuten, geen lucht. drie minuten, droge keel. zeven minuten, zweet handen. Ik moet hier weg. Zo snel als ik kan trek ik de voordeur open. De koude regen druppels vallen op mijn gezicht, mijn haar plakt aan mijn wangen. Ik ga met mijn rug tegen voorpui aan staan en laat me langzaam naar beneden glijden totdat ik me in een zittende positie begeef. ‘Dewi, is alles goed?’ vraagt een zware stem. Ik kijk naar rechts, waar Alex onder een grote paraplu in zijn voortuin staat, Alex is mijn buurman. Hij is niet bepaald een mooie man, lelijk eigenlijk. Hinkend loopt hij naar me toe. Hij heeft enkele jaren terug een auto ongeluk gehad, waarbij hij bekneld was geraakt. Zijn vrouw Vivian, zoon Benjamin en dochter Mira zaten ook in de auto, die hebben het niet overleefd. Alex kon alleen maar toekijken hoe zijn gezin één voor één overleed. Tegen de tijd dat ze hem uit het wrak konden knippen waren de zenuwen in zijn been al zwaar beschadigd, waardoor hij nu in pijn leeft. Als hij voor me staat steekt hij zijn hand naar me uit, ik pak hem niet. Met samengeknepen ogen blijft hij me aan kijken, die ogen zijn niet te vertrouwen. Blijkbaar voelt hij mijn ongemak, want hij sloeg als een blad aan een boom om en tovert een grote glimlach op zijn gezicht. Nog steeds houd hij zijn hand voor me, dit keer pak ik hem wel. Hij trekt me met zijn ruwe hand omhoog. ‘Bedankt’ zeg ik kortaf. Dan loopt hij weg en wuift me gedag. Op het moment dat hij zijn huis binnen stapt kijkt hij kort naar mij, in zijn ogen zit veel verdriet en pijn verschuild, maar het gene wat zijn gedrag juist onvoorspelbaar maakt is de woede.   Die avond lig ik in mijn bed, mijn raam is inmiddels gemaakt. Het enige geluid aanwezig is het tikken van de klok, soms denk ik dat die klok me in de maling neemt, ik weet zeker dat die secondes steeds langer gaan duren. Af en toe voel ik onder mijn kussen om zeker te weten dat het keukenmes, die ik daar een paar weken terug neer heb gelegd, er ook daadwerkelijk nog is.  Ik strijk met mijn vingers over het gladde lemmet en op zeker hoogte geeft het me een geruststellend gevoel. Om een uur of twee val ik in slaap, maar zelfs in mijn dromen wordt ik achterna gezeten door de onbekende man. Midden in de nacht wordt ik wakker, badend in het zweet. Ik draai me op mijn rechter zij en kijk naar de klok, kwart voor vier. Mijn oog valt op mijn nachtkastje, waar mijn mes op ligt. Mijn hart begin sneller te kloppen en mijn longen beginnen te branden, Hij lag onder mijn kussen. Ik ga rechtop zitten, mijn telefoon is nergens te bekennen. Snel pak ik het mes van nachtkastje af en ren naar beneden. Hij is binnen. Eenmaal beneden doorzoek ik het sleutelkastje, maar mijn sleutels liggen er niet. Met een trillende hand duw ik de deurklink naar beneden, hij heeft mijn sleutels. In de keuken hoor ik gerommel, kastjes worden open getrokken en weer dicht gesmeten. Ik ren naar buiten, Ik haal mijn blote voeten verschillende keren open aan de scherpe stenen. Door de tranen zie ik niet echt waar ik heen ren, het maakt me ook niet echt uit, het enige wat ik belangrijk vind is dat er zoveel mogelijk afstand zit tussen mij en de man die nu mijn huis overhoop haalt.   Als ik licht zie ga ik daarop af, er is iemand wakker. De deur staat op een kier, op dit moment vindt ik dit helemaal niet verdacht, het enige waar ik aan denk is dat ik daar veilig ben. Naast de deur hangt een boordje met daarop het huisnummer, 1086. Opgelucht haal ik adem, dit is het huis van mevrouw Stielstra. ‘Hallo, mevrouw Stielstra’, mijn stem trilt en klinkt bang. Het huis is warm en overal staan oude spulletjes, ik loop naar de oude draaitelefoon en til de hoorn op en druk hem tegen mijn oor aan, geen kiestoon. De deur slaat dicht en de kamer wordt ineens donker, op dit moment is de enige lichtbron een lantaarnpaal die voor het huis staat. Verstijft van angst blijf ik naar de deur kijken, er staat daar iemand. Langzaam komt hij op mij aflopen, hij hinkt niet. Voordat ik het weet kijk ik in de duistere ogen van mevrouw Stielstra, die ogen die eens zo vriendelijk waren. In haar hand heeft ze een kleine revolver, met een sadistische grijns op haar gezicht drukt ze de loop tegen mijn slaap. ‘laat dat mes vallen’, de stem komt uit haar mond, maar hij komt me niet bekend voor. Ik gooi het mes opzij, de tranen blijven komen. Met haar oude hand veegt ze over mijn wang, ‘loop maar naar de schuur’. Zegt ze terwijl ze met haar wapen naar de tuin gebaarde. Toen ik niet bewoog kreeg ik een duw, de reis van de achterdeur naar de scheur duurde eeuwig, maar toch niet lang genoeg. Ze doet de krakende, van ijzer gemaakte deur open en duwt mij naar binnen, ze loopt achter me aan en sluit de deur. Aan het plafon hangt een enkel peertje die zijn best doet om de hele kamer te verlichten, de muren zijn bedekt met verschillende geluidswerende panelen en tegen de linker muur staat een grote opslag box. Er hangt een vreselijke geur, rottend vlees. Enkele jaren terug was ik in Frankrijk waar ik aan de kant van de weg een dood beest zag liggen, het was een vreselijke geur. Toch was dit erger, want ik weet zeker dat er geen dood beest in die box ligt. Ik hoor een harde knal en de grond komt snel dichterbij, het doet geen pijn en voor het eerst in een hele lange tijd ben ik niet meer bang.  

Ashlyn Cardwell
10 0

Brief voor ouders

  Kleuterschool Het kleurenpalet Brussel   Beste ouders,   Maandag 2 mei 2016 gaat het leerkrachten team van onze school zijn best doen om uw kind(eren) een prachtige dag te bezorgen!   De kinderen gaan op schoolreis naar Pairi Daiza. Dit is een fijn dierenpark in Henegouwen.   Bovendien kunnen de kinderen die nog meer avontuur willen ook blijven slapen op school. U kreeg daarover al een brief.   Maandag 2 mei vertrekt de bus op school om 8u stipt. We vragen u om 7.45u op school te zijn.   Wat uw kind heeft mee te nemen: Lunchpakket: boterhammen 2 drankjes (geen frisdrank) + 1 flesje met water 2 tussendoortjes Dit alles in een kleine rugzak   Wat je kind best aandoet die dag: Speelkledij en stevige stapschoenen Zonnepet bij mooi weer Regenjas bij regenweer   Om 18u zijn we terug en kan je uw kind komen ophalen. De kinderen die niet blijven slapen kunnen dan afgehaald worden.   Voor de slapenblijvers In een vorige brief beschreven we wat je allemaal hebt mee te geven, als je kindje blijft slapen op school. Het programma van maandagavond en dinsdag vind je opnieuw in deze brief.   In de avond eten we gezellig allemaal samen een lekker pakje friet! De leerkrachten en kinderen ruimen op en versieren de speelzaal en maken het gezellig. Want ze gaan een feestje vieren in een heel speciaal kostuum: in pyjama. U kind is dus van harte uitgenodigd op een leuke pyjamafuif op school.   De leerkrachten zorgen er voor dat u kind zijn/haar tandjes poetsen en ze voldoende nachtrust krijgen. De kinderen zijn in goeie handen.   Dinsdag 3 mei            Opstaan !            De hele dag voorzien we leuke activiteiten en is er tijd om te spelen!   8.30u: ontbijt: cornflakes met melk 12u: middagmaal: een lekkere sandwich 15.35u: het einde van deze speeldag U kindje kan ook nog in de nabewaking blijven.   Nog enkele belangrijke aandachtspunten voor de slapenblijvers: - Elk kind brengt morgen 3 euro mee, voor het eten. - Denk eraan doorheen de drukte van deze speciale dag de bagage van uw kind zeker terug mee naar huis te nemen.   Wij kijken uit naar de dag van morgen en gaan het leuk en gezellig maken.   Vriendelijke groeten, directie en leerkrachten team.

veerle bovyn
3 0

Welkom bij de osteopaat

  Welkom bij de osteopaat   Ik ben Veerle bovyn, 38 jaar en 13 jaar fulltime osteopaat. Osteopathie kijkt verder dan de plaats van uw klacht in uw lichaam. Alle weefsels en systemen in je lichaam zijn met elkaar verbonden. De osteopaat zoekt verbanden tussen deze verschillende delen. Hij zoekt waar in je lichaam het niet meer vloeiend en vrij werkt en beweegt. Osteopathie is een heel specifieke geneeskunst en is doorheen de jaren geëvolueerd. Elke osteopaat legt zijn eigen accenten en ontwikkeld zijn manier van werken. Soms worden andere vormen van heling gecombineerd met de klassieke osteopathie. Dat kan voor u, als patiënt, verwarrend worden.   Ik leg kort uit hoe mijn behandeling er uit ziet. Ik bevraag wat uw klachten zijn. Uit dit gesprek krijg ik zicht op de toestand van je lichaam en hoe jij omgaat met je lichaam. Hierna starten we een bewegingsonderzoek om te kijken hoe je volledige wervelkolom beweegt. Ik ga de beweeglijkheid van je borstkas na, evalueer je ademhaling en kijk of buik-en bekkenorganen vrij zijn.   Jij ligt ontspannen, ik vraag u soms voller te ademen. Verder is het goed om te rusten en waar te nemen wat er in je lichaam gebeurt. Ik werk met mijn handen. Meestal zacht, soms harder, afhankelijk van wat jouw lichaam nodig heeft. Wat ik met deze technieken wil bereiken is het volgende: weefsel ontspannen, gewrichten losmaken, doorbloeding verbeteren, nieuw mechanisch evenwicht installeren, energie niveau verhogen, zenuwstelsel harmoniseren, druk wegnemen van stresspunten en overbelaste zones, ademvolume verbeteren, je lichaam en geest in evenwicht en rust brengen.   Via wat ik lees in je lichaam en van wat ik opneem uit een gesprek ontdekken we samen patronen van jou die een minder goede invloed hebben op je gezondheid. We zoeken naar wat haalbare veranderingen voor jou zijn in de richting van gezonder en vrijer leven. Ik geef oplossingen binnen verschillende domeinen zoals: houding, beweging, voeding, denkpatronen, routinematige handelingen, emotionele reacties of blokkaden. Osteopathie kan op een bepaalde manier confrontatie geven met jezelf. Dit is steeds op een zachte en gezonde manier. Het is mijn bedoeling vanuit ontspanning te werken. Op jouw ritme geef ik je meer bewegingsvrijheid en lichaamsbewustzijn.   Wanneer je recente onderzoeksresulaten hebt zoals RX foto’s, verslagen, scans of bloedanalyse is het nuttig deze mee te brengen. Een behandeling duurt een 45 minuten tot een uur. Je betaalt 50euro. Hiervan betaalt je ziekenfonds 10 euro terug. Na 2 weken, maximaal een maand zie ik je een tweede keer terug. En dan kijken we verder of er nog behandelingen nodig zijn. Bij een specifieke klacht heb je tussen de 3 en 6 behandelingen nodig om tot een duurzaam gezonder niveau te komen.   Welkom op afspraak. Je kan me bereiken op 0486 372427 of veerle _iao@yahoo.co.uk   Gezonde groeten, Veerle Bovyn.

veerle bovyn
4 0

mars en venus

Cliché: Mannen zijn sociaal, altijd omringd door makkers waarmee ze praten over vrouwen en auto’s. Toch is een man blijkbaar ook een solitair wezen. Het misstaat immers niet wanneer een man zich een hele avond op zijn eentje aan de toog nestelt met een biertje als enige gezelschap. Een vrouw daarentegen… Ik doe de test en ga alleen op café. Ik spot een man evenzeer alleen en duidelijk bereid om de avond ook alleen te eindigen. Of zo lijkt het althans. Is hij in werkelijkheid ‘op zoek’, en is die solitaire aanblik een pose? Het moet gezegd dat wij ons als vrouwen die pose niet kunnen veroorloven, hij (de pose) zou steevast geïnterpreteerd worden als zielig of wanhopig. De man in kwestie blijkt timide, doch enigszins in de stemming voor een bescheiden gesprek, wellicht omdat dat beter staat dan gewoon alleen zijn – hoewel. Het bescheiden gesprek verloopt moeizaam maar zeker en de nodige koetjes en kalfjes tieren welig. Ik heb absoluut geen zin om nu al naar huis te gaan, anders zou ik misschien toch vriendelijk bedanken voor al dit goedkope en oppervlakkige gezwets. We mekkeren en kabbelen gezapig verder over een aantal biertjes en ettelijke sigaretten (die verdomde houding weer!) en terwijl ik me suf pieker over een interessant onderwerp, komt plots de spreekwoordelijke aap uit de mouw. Mijn gesprekspartner is er in geslaagd het gesprek in de richting van zijn relatie te sturen. Hij heeft ruzie met zijn vriendin. Zijn vriendin is jaloers. Onnodig en belachelijk. Meneer is ook wel wat aan de jaloerse kant, geeft hij mompelend toe, maar haar gedrag is toch echt onvergeeflijk. “Dus dan maar besloten om je te komen bezatten,” vraag ik op wat hopelijk een ironische toon is. Nee, nee, schudt het hoofd van mijn gezel heftig en verongelijkt. “Niet echt.” Een trieste blik volgt. Een korte stilte. En dan, als een waterval, komt heel het verhaal van de ongelukkige liefde in geuren en kleuren over me heen, en ik merk dat zijn tong niet meer gecoördineerd de lettergrepen vindt om zijn frustratie en ongenoegen te uiten. “Ach, het is overal wel wat,” zeg ik uiteindelijk, in de hoop de conversatie een andere wending te kunnen geven. Maar ik merk dat de bal doel mist en dat mijn proefkonijn geen oren heeft naar de opmerking, naar wat dan ook. Ik dien duidelijk enkel als klankbord en het glas Duvel aan zijn lippen zorgt daarbij voor een perfecte akoestiek. Door de alcoholnevels heen onderscheidt mijn vriend opeens een bekende van hem aan de andere kant van het café. Hij verontschuldigt zich met de woorden, “die man is als een broer voor mij,” verlaat vervolgens zijn barkruk en stapt op de man af. Dankbaar terug alleen te zijn met mijn eigen gedachten staar ik onwillekeurig naar het gesprek tussen beide ‘broers’. Van wat ik ervan kan opmaken, is het een vrij eenzijdig gesprek, met mijn mannetje in de hoofdrol. Veel begrijpende hoofdknikjes en een schouderklopje van Broer. Wat later zie ik ze samen grapjes maken en lachen. Mijn vriend werpt mij af en toe een schampere blik toe waarin ik enige vorm van medelijden meen te onderscheiden. Ach, mannen onder elkaar. Dat kan een vrouw toch niet begrijpen. (Maar het staat ieder vrij een poging te doen.) Mijn laatste solitair glas van die avond leeg ik met de gedachte dat een man alleen aan de bar niet minder zielig is dan een vrouw, integendeel. Maar het café, en meer bepaald de zones aan en rond de bar, is toch nog immer mannelijk territorium, en wij vrouwen kunnen slechts trachten om er ons met de elleboog tussen te wriemelen. Ik blijf alvast proberen…

LL Rigby
0 0

Dynamisch team zoekt gedreven experts voor brainstorm

Opzet: Het  is een brief naar Stijn Oosterlynck, professor stadssociologie  aan de Universiteit  Antwerpen.  We willen hem overtuigen om mee te denken over de oprichting van een nieuw bedrijf dat werkt rond de tewerkstelling van kansengroepen. In een eerste fase gaat het over een denktank, in een later fase zouden we hem ook in de raad van bestuur willen. Ik ken Stijn uit een lang verleden. Stijn is sterk maatschappelijk geëngageerd.     Beste Stijn,   Ik schrijf je namens de vele werkzoekenden in het Antwerpse. Door het nieuwe beleid van de verschillende overheden hebben ze het niet makkelijk.  Voor vele werkzoekenden, zoals de 60-jarige bouwvakker Jean-Pierre of de 19 jarige ongeschoolde vluchteling Mohamed, is weinig perspectief op de arbeidsmarkt.  Vooral in Antwerpen gaapt een grote kloof tussen de vele werkzoekenden en de talrijke jobs.  Onderhoudstechnieker worden is niet evident als je niet schrijven kan.   Net nu snoeit de overheid in de sociale sector en bezetten private bedrijven de markt. Ook ons bedrijf, Educar, met twintig jaar ervaring in de begeleiding en tewerkstelling van kansengroepen, sluit de deuren.  Als personeel blijven we niet bij de pakken zitten en richten een nieuw bedrijf op. De doelstelling blijft dezelfde, de aanpak  verandert.     We zoeken gedreven experten uit verschillende domeinen om hierover na te denken.  Met deze brief willen we u uitnodigen voor deze brainstormsessie  op een nog te bepalen datum. Als gedreven socioloog  en expert in sociaal- en stedelijk beleid is uw bijdrage essentieel.  De brainstorm zal worden geleid door de voormalige directeur van garage de Wrikker, Bob Dockx.  Sleutelpersonen uit verschillende sectoren nemen deel. Experten als  Fons Leroy (Algemeen directeur VDAB) en Karel Van Eetvelt (voorzitter Unizo) zegden hun medewerking al toe.   Vriendelijke groeten,   Bram Dekoning Projectontwikkelaar, Educar 0485/34.40.50 bram@educar.be  

Bram
0 0

Profielschets van mijn lezers

DOEL Webvertising op de bestaande site van onze praktijk, en foldertekst in de wachtruimte.  Ik werk als osteopaat in een gezondheidscentrum, samen met kinesisten en fitnessbegeleiders. Dus informeren, uitnodigen en overtuigen. In kleine mate amuseren, verstrooien, leren. Site tekst en foldertekst zullen verschillen, besef ik.   WETEN Wat weet de lezer al over osteopathie? Is deze medestander of tegenstander? Hoe is het met de gezondheid van mijn lezer? Ze kunnen osteopathie kennen en ze kunnen er ook nog maar van gehoord hebben of het als advies gekregen hebben, maar er nog niets van kennen. De clienten vanuit de kiné en de fitness weten vermoedelijk wel al iets.   WILLEN De site bezoekers zijn op zoek en willen informatie en weten hoe ik werk. De client in de wachtkamer wil informatie maar kan ook gewoon als amusement of verstrooing en leergierigheid wat willen lezen. Info: behapbaar, niet te moeilijk, concreet, of ik hen kan helpen of niet, of hun probleem een indicatie is voor osteopathie, wanneer het kan, hoeveel het kost.  Sommigen willen ook overtuigd worden dat het een goede keuze is om naar de osteopaat te gaan. Anderen dienen zelfs gerustgesteld te worden dat het een veilige behandeling is.   VINDEN Van heel open en geinteresseerd en zoekende en openstaand tot kritisch en wantrouwig en bang.   KUNNEN Mensen kunnen lezen, maar hebben niets aan vakjargon, abstractie of ingewikkelde structuren. Dus gemakkelijke mensen taal, helder en concreet. 

veerle bovyn
0 0