Lezen

Oude mannen

Ik aanvaard een compliment enkel zonder schroom wanneer het uit de mond van een man boven de zeventig komt. Ik hou van de bijna- vaderlijke manier waarop de bejaarde zijn oppervlakkige opmerking vakkundig in respectvolle woorden verpakt. Alleen het fonkelen van zijn door cataract aangetaste ogen verraden naweeën van de lust die op zijn twintigste door zijn lijf woelde. De gedachte overvalt me wanneer ik met de uitbater van mijn garage keuvel. De oude man heeft tal van en zonen verwekt die de zaak overnemen maar hij sloft toch nog eens graag door zijn imperium van autobanden en benzinegeur. Tussen zijn werkend nageslacht, voorzien van typisch garage-blauwe overallen en tribal tatoeages, kletsen we over de oorlog en hoe de tijd intussen te snel gaat voor hem. Hij is 84, zegt hij, maar de eerste honderd zijn de moeilijkste. Hij knipoogt en ik lach.   Ik denk aan die keer met de man van tachtig. We raken aan de praat op straat, hij nodigt me uit op restaurant en zo geschiedt. Hij haakt zijn arm lachend in de mijne en troont me als een duur geschoten kermisprijs mee  door het etablissement. Zijn hoffelijkheid wisselt soepel af met schunnige opmerkingen en knipoogjes. De man is een meester- verleider. Hij heeft dan ook al 80 jaar ervaring.In de zak die hij bij zich draagt zitten de pantoffels en een vuile pyjama van zijn vrouw. Haar ogen staan vaag en ze kent hem enkel uit beleefdheid. Toch bezoekt hij elke dag. Hij vertelt het me met de rauwe eerlijkheid die alleen oude mensen in zich hebben. Dat soort oud dat de mens wekelijks de balans van zijn omgeving doet opmaken: wie welke dodelijke kwaal heeft, wie het leven opgaf. Dat soort oude mens dat eindelijk groeipijn leert aanvaarden, om dat het ongemak van krimpen. De garagist buigt zich naar me toe om me iets toe te fluisteren. Zijn muffe adem kruipt in mijn neus. Zou het het nestelen van de dood in zijn binnenste zijn dat ik ruik, vraag ik me af. En als dat zo is, hoe zou het dan zijn om met hem te slapen. Om zijn vuur te voelen wanneer ik zijn doven ruik. Deze jonge man in zijn oude huls, die leven spreekt maar dood uitademt: ik zuig zijn verhalen gretig op. Ik hang aan zijn lippen. Er is weinig waar ik meer plezier uit haal dan gedetailleerde bejaardenverhalen. Tenzij misschien een compliment.

Amarylis
0 1

Het eindige nog voor dat het begon

Het begon allemaal met het jaar 2015.Sommigen weten er alles van en andere hebben niets gehoord of gezien. Het startte met Litouwen die de eurozone toetrad.Ook brandden vier historische gebouwen af, waar iedereen over vergat. Er was even rust totdat in Parijs doden werden verklaard.Het was een aanslag op Charlie Hebdo, maar was het de aandacht wel waard? Iedereen heeft een eigen mening, terwijl ook dat soms vergeten wordt.Ondertussen werden kerken in Niger in brand gestoken, de tijd ertussen was zeer kort. Mensen doen rare dingen, willen doelen bereiken door hun eigen visie te gebruiken.Denken niet na over de gevolgen ervan, en zouden zomaar de dood kunnen induiken. De zendtijd werd stilgelegd toen een gewapende man het journaal binnendrong.Media, tv, radio, iedereen wist het, terwijl ik angstig een liedje zong.   Mensen hoopten voor het einde van de onrust, maar niets was minder waar.De IS publiceerde een video van onthoofdingen en er vielen in Tunis doden hier en daar. Topsporters in Argentinië kwamen om, maar velen zagen nauwelijks iets staan.Totale zonsverduistering boven het noorden van de Atlantische Oceaan. Een klein lichtpuntje zorgde voor een seconde vrede met z’n allen samen.Terwijl een paar uur later door een aanslag in Jemen 140 mensen omkwamen. Verdriet, pijn, rouw en leed kenden de mensen in die streken.De naasten hadden hoop op overlevenden, terwijl anderen van de zijkant keken. Door een aardbeving in Japan hebben duizenden mensen het leven gelaten.Paar dagen later waren er aanslagen in Tunesië, een gevoel van geen water en aarde. Mensen leefden van uur tot uur en hoopten op een ontmoeting met een leven.Ze keken naar zichzelf en dachten hiermee de moed op te geven.Explosies in China, overstromingen in India, en Chili trof een zware aardbeving. Genoeg aandacht werd er niet geschonken, de mensen daar vroegen om vergeving. Door verdrukking overleden in Mekka honderden mensen.Totale maansverduistering in Nederland en België, terwijl anderen leven en licht wensten. Vele dingen veranderden wanneer er vluchtelingen in Europa binnenstroomden.Meningen, reacties, kritiek en afkeer vloeiden binnen, terwijl ze gewoon op kleine plaatsen woonden. Sommigen vonden dat ze hier niet hoorden, ze zeiden zelfs: ze zijn het niet waard.Maar hoe is het mogelijk iemand terug te sturen naar een land waar meer dan de helft van de bevolking dood wordt verklaard?Afschuwelijke, aangrijpende beelden van het Syrische jongen Aylan die aanspoelde aan de kust. Daar kennen de mensen geen leven, hebben angst, maar niemand is zich daarvan bewust.Het was een beeld dat Europa wakker schudde en de ogen open deed. Wat ook logisch was na zoveel gruwel, drama, pijn en leed.Kinderen in die landen kennen geen ontspanning, kennen geen vreugde, weten niet wat een leven hebben is. Ze zien maar 1 dingen voor hun ogen: vluchten, de menselijkheid is iets wat ik mis.Op een gegeven moment vallen 130 slachtoffers in Parijs door terroristische aanslagen. Een tragedie voor heel Europa, omdat het zo dichtbij gebeurde in deze gruwelijke dagen. Heel Facebook stond vol met Franse vlaggen en berichten met daarin hun medeleven.Terwijl diezelfde dag in Libanon doden vielen door bomaanslagen, maar niemand moest aandacht geven.Ook op dat moment verloren we levens in Bagdad door een aanval op het kerkhof.Japan en Mexico kenden een aardbeving, de wereld was stil, dat is pas hard en grof.Terroristen die het nodig vonden om de vrede in één keer te vernietigen en alles te manipuleren.De Islam werd vergeleken met de terroristen, maar het zijn 2 verschillende dingen, dat kan ik zelfs zweren.De wereld veranderen, angst zaaien, dat is waar IS voor kiest.Maar men moet het verschil weten tussen een christen, moslim, jood, protestant en een terrorist. Parijs kreeg 1 min stilte, waar mensen ook voor beefden.Jammer genoeg kregen de anderen niet veel, verbleven in landen waar ze alleen maar overleefden. De wereld is na zoveel gebeurtenissen, na 1 volledig jaar drastisch geëvolueerd.Van liefde voor mensen, behulpzaamheid en warmte tot haat, afkeer en is helemaal getransformeerd.Hartroerend, schokkend, aangrijpend en vooral meeslepend om naar alle gruwelijke beelden te kijken.Hoe kinderen voor hun ogen hun ouders verliezen en achteraf staren naar de lijken. Als kind je dierbaren verliezen en geen hand meer op je schouder voelen.Dat is het ergste wat je kan meemaken om daarna definitief af te koelen.Velen kunnen niet meer doen dan alleen maar op te groeien en rustig te blijven staan. Maar wel schreeuwend in het hart verder door het leven proberen te gaan.Ze gaan anderen ‘mama’ horen roepen en de liefde tussen hun zien bloeien.Terwijl zij in de spiegel gaan kijken en gaan proberen om geen traan te laten vloeien.Biddend en hopend naar een mooier jaar, naar een mooiere toekomst en alles achter ons te laten staan.Want achter deze harde tijd is er genoeg gebeurd om dit de geschiedenis in te laten gaan.

Betti J.
0 0

Jukebox voor dromen

“Met wilde regelmaat is het dag en nacht in mij.” Prachtzin uit een dichtbundel van Stijn Vranken. Maar op dit uur (08u14) voel ik me toch vooral heel erg wild ochtend. De vrouw rechts van mij doet dan weer haar best om wild in slaap te vallen. Ik zie (en hoor) haar vingers ongecontroleerd meetikken op Rihanna’s golden oldie ‘Shut up and drive’. Intussen staan we al vijf minuten stil in het station van Gent-Dampoort: shut up conducteur, en laat ons voorttreinen. Ik hoor het refrein dwingend nagalmen.   Ik lijk solidair met de old school Rihannafan aan m’n rechterzijde, maar ik ben soms maar een schijnsocialist. Ik beken: ik hou ervan om een koptelefoon te dragen zonder dat er muziek opligt. Niet omdat ik een show off of gadgetnerd ben: de koptelefoon is een afdankertje van m’n lief. Let’s listen to some music like it’s 1999. Een discman was geloofwaardiger geweest. Ik probeer van de stilte en de passerende Vlaamsche landschappen te genieten, maar de spreekwoordelijke stokjes tussen m’n oogleden houden het niet recht. De dichtbundel die ik lees lijkt de slaap niet te overwinnen. Dus ik gun m’n ogen wat rust en schakel m’n gedachten naar modus unconscious – ik scheur weg in de turquoise oldtimer uit de videoclip van ´Shut up and drive’ en ga cruisen door het achterland van Beervelde. Nog even neemt m’n bewustwijn het over. Note to self: google de videoclip als je opnieuw kunt verbinden met wifi.   De fase voor het inslapen is vaak het heerlijkst. Je beseft niet dat je denkt, dus je denkt wíld. Geen zelfcensuur op dit moment. Tot je wakker schrikt uit je schijnslaap – “Vervoersbewijs alstublieft!”- en je tot je verbazing moet betalen voor je tripje langs Beervelde. What was I thinking? Ja, wát droomde ik nu weer? Damn, de droom is weg, maar het cruisegevoel zindert nog na. (Of is het de trein die eindelijk op snelheid rijdt?) Last note to self: lees in het vervolg geen dichtbundels meer maar Uitvinden voor dummies en ontwerp een registratiemachine van prille dromen. Toch tijd genoeg nu; ik pendel twee uur per dag. Twee uur extra om te doen alsof je naar hippe muziek luistert, in slaap te vallen en te dromen over uitvindingen als jukeboxes voor dromen. Cruisedroom van Gent-Dampoort naar Beervelde in Riri’s car: 2 euro. Put another coin in the jukebox baby!

Flor Naranja
24 1

Verstrikt in je eigen gewoontes

Ik word wakker van de deurbel die een hard en eentonig geluid maakt. Met een bonzende kop schuif ik heimelijk het gordijn een stukje open zodat, ik kan zien wie voor de deur staat. Sanne. Met moeite doe ik de deur open omdat, ik de laatste tijd geen zin heb om mensen te ontvangen in mijn flatje. Ik heb haar al zeker 2 maand niet gesproken. Als ze binnenkomt blijft ze ontmoedigd staan. Wat is hier gebeurd? Ik heb geen zin om antwoord te geven of te gaan liegen. Wat kom je doen? Ik wilde zien hoe het met mijn broertje gaat. Ze draait zich om en kijkt me teleurgesteld aan. Je bent nog steeds niet gestopt hè. Ik heb geen zin in zo’n gesprek dus loop naar de keuken om koffie te maken. Als ik mijn handen was kijk ik in het kleine spiegeltje tegen de witte tegelmuur. Shit. Ik heb een dik blauw oog en er zit opgedroogd bloed onder mijn neus. Ik haal met de theedoek het bloed onder mijn neus vandaan en zet twee kopjes koffie. Sanne is aan de keukentafel komen zitten en bekijkt mijn post. Ik pak een pakje Marlboro en een aansteker uit de keukenla. Ik bied haar ook een sigaret aan maar, ze wijst af. Ze leest zorgvuldig een aantal brieven van de belastingsdienst en een van de deurwaarder die ongeopend op de keukentafel liggen verspreid. Waar ga je heen als je uit je huis moet? Ik ga schuin tegenover haar zitten en schuif de asbak naar me toe. Ik weet er geen antwoord op te geven dus haal mijn schouders op. Sanne kijkt me geïrriteerd aan. Hoeveel schulden heb je in totaal? Ook daarop weet ik geen antwoord te geven. Ik neem een trekje van mijn sigaret en zet de twee kopjes koffie op tafel. Kijk is naar jezelf man je bent bleek en mager. Toen ik hier voor het laatst was had je nog een tv en een elektrische gitaar in de woonkamer staan. Hoe is het op je werk vraag ik haar om zo op een ander onderwerp te komen maar, het mislukt. Ik druk de sigaret uit in de asbak. Ze zijn hier gister geweest hé? Ik probeer het nog te ontkennen. Wie? Hoeveel schulden heb je bij die mensen. Ik merk dat ze steeds bozer wordt. Hoeveel schulden heb je bij hun! Ik zit met mijn handen in mijn haar. Vijfduizend euro of zoiets . Jezus. Sanne is gaan staan. Dit is dus de reden waarom Kelly en Jari bij je weg zijn.   Verdomme Roy je eigen zoon! Je maakt jezelf kapot, gevangen in jezelf en je wil het alleen doen maar, dat gaat je niet lukken zonder hulp. Ik kijk naar de scheefhangende foto op het keukenkastje. Kelly aan de linkerkant, ik aan de rechterkant en Jari in het midden. Toen nog een gezellig gezin. Hij is nu vijf jaar oud en hij begint te begrijpen dat papa er niet kan zijn. Sanne begint nu harder te schreeuwen. Je moet er voor Jari en Kelly zijn. Ze legt een aantal papieren voor mijn neus. Ik kijk haar aan. Een kliniek. Sanne gaat naast me zitten. Wil jij niet gewoon weer het normale leventje wat je hiervoor had? Je bent 25 je hebt nog een heel leven voor je. Ik weet wel dat ze gelijk heeft maar, ik vind het lastig iets tegen haar te zeggen. Ze stopt de blauwe brieven en de brief van de deurwaarder in haar tas. Ik zet het op een rijtje voor je. Sanne kijkt streng naar het papier van de kliniek. Denk er over na voordat je steeds dieper wegglijd. Ik knik als een klein kind die net iets gedaan heeft wat niet mag. Ze loopt naar de deur en ik loop achter haar aan. Als ze zich omdraait geeft ze me een kus op mijn wang. Dit had mama toch ook nooit zo gewild. Ik voel mijn tranen branden maar, ik hou me groot. Als Sanne de deur achter haar dicht trekt val ik machteloos met mijn knieën op de grond. Meer dan een kwartier zit ik daar op mijn knieën alleen maar na te denken hoe ik nou verder moet. Ik denk aan mijn moeder die nou bijna vier jaar geleden is overleden aan een hartstilstand. Ik besluit te gaan douchen om alle nare dingen van me af te spoelen. Als ik me uitkleed zie ik overal blauwe plekken en schaafwonden. Ja ze waren hier gisteren geweest. Ze wilden geld zien. Mijn dealers wilden hun geld zien. Wat ik niet had. Ik besef nu dat ik alles verloren ben. Mijn gezin, mijn baan en geld. Ik begin te beseffen dat ik eigenlijk alles heb verloren. Ik word zo boos. Zo boos op mezelf dat ik mijn hand tegen de muur kapot sla. Als ik tot rust ben gekomen doe ik de douche aan. Kleine warme straaltjes gaan langs mijn hoofd. Sanne, Kelly en zelfs mijn vader zijn hier wel vaker langs geweest om te zeggen dat ik hulp nodig heb. Het kan zijn dat ik toen gewoon niet luisterde of dat ik agressief werd maar, dat weet ik al niet meer. Ik was onder invloed op die momenten. Nu Sanne het vertelde kwam het aan en hard ook. Ik zet de douche uit en droog me af. Het is half twaalf. Ik zet nog een kopje koffie en kijk nog eens rustig naar de papieren van de kliniek in Drenthe. Wat moet ik nou in Drenthe. Ook kijk ik naar de foto. Een van de weinige foto’s die ik heb van mijn gezin. Het gezin waar ik weer al wil deelnemen. Ik wil mijn zoon weer kunnen omarmen, hem het goede leren en ik wil ze beiden weer kunnen beschermen. Dat is de enige reden waarom ik zo’n kliniek in zou willen. ik steek nog een sigaret op. Terwijl ik dat doe zie ik in het bakje op het aanrecht tussen de sleutels en papieren een zakje liggen. Ik kan de verleiding niet weerstaan ik moet even ontspannen. Mijn handen trillen. Het is een gewoonte geworden om elke dag te gebruiken. Misschien is dit niet het goede maar voor nu kan ik nog geen nee zeggen tegen mezelf. Ik ga vroeg slapen om de volgende ochtend naar Kelly en Jari te gaan.   De volgende ochtend sta ik voor het huis. Er wordt er snel open gedaan. Kelly staat voor me. Ze kijkt een beetje geschrokken naar mijn gezicht die nog vol blauwe plekken en schaafwonden zit. Ze omhelsde me, maar zei niets. Ze begrijpt wat ik kom doen en ik zie dat ze opgelucht ademhaalt . Ze laat me binnen zodat ik Jari nog even kan zien voordat ik vertrek naar de kliniek. Hij speelt met zijn lego die hij voor zijn verjaardag gekregen heeft van Kelly. Ik kom gehurkt naast hem zitten. Ik wil heel veel tegen hem zeggen, maar het komt niet zonder stotteren mijn mond uit. Hij wijst naar een paar blauwe blokjes. Ik duw ze voorzichtig op elkaar en besef dat het een hele tijd geleden is dat ik met hem gespeeld heb. De tijd is zo snel gegaan. Ik ga met mijn hand door zijn lichtblonde haar en geef hem een kus op zijn wang. Ik ga staat en kijk naar Kelly. Ik geef haar een knuffel. Het gaat je lukken zegt ze. Het doet me goed dat ze dat zegt. We kijken met z’n tweeën naar Jari die nog druk met zijn lego bezig is. Doei Jari zeg ik. Hij draait zich om doei papa. Het raakt me op de manier hoe hij doei zegt. Ik ben klaar om te gaan. Kelly kijkt me nog één keer aan dan draai ik me om en doe ik de deur achter me dicht. Ik trek mijn petje wat verder voor mijn ogen en doe mijn capuchon over het petje. Er rolt een traan over mijn wang. Zenuwachtig ga ik weg het goede pad op.

Judith
28 1

de vrouw met de i-phone7

Puur biologisch gezien lukt het allemaal nog wel en kan ik perfect het onderscheid maken tussen mannen en vrouwen. Ik begrijp het allemaal wel min of meer. Primaire geslachtskenmerken, eicellen, baarmoeder, borsten, bredere heupen....Externe vrouwelijke geslachtsorganen...vlagina, eierstekken en menstruatie. Ik ben wat dat betreft goed geïnformeerd en ben helemaal mee met de vrouwelijke biologie anno 2016.Om het anders te illustreren. Als er een me vrouw tussen 50 mannen passeert ik ze er met een grote waarschijnlijkheid wel zal kunnen uithalen. Hoewel met dat transgender gedoe is zelfs dat misschien al zelfoverschatting.  Als me gevraagd wordt of ik "de vrouw" begrijp en inzicht heb in hoe ze denken, handelen en voelen. Hoe ze blijten als ze willen lachen. Hoe ze overlopen van energie terwijl ze  dan net moe zouden moeten zijn en vice versa. Hoe ze zich verliezen in details en niet bezig zijn met waar het echt zou moeten over gaan ... Dan moet ik bekennen! Dan vertoont mijn kennis van de vrouw heel veel vergelijking met de whatsappskills van pak weg de man van Tollund. Op zulke moment waan ik me nog in mijn vertrouwde grot in Altamira waar een of andere gereïncarneerde Bill Gates een uiteenzetting komt doen over waarom de i-phone 7 het beste is wat ooit op de markt verschenen is. <object id="__symantecPKIClientMessenger" style="display: none;" width="300" height="150" data-install-updates-user-configuration="true" data-supports-flavor-configuration="true" data-extension-version="0.5.0.161"></object> <object id="__symantecPKIClientMessenger" style="display: none;" data-install-updates-user-configuration="true" data-supports-flavor-configuration="true" data-extension-version="0.5.0.161"></object>

jan pultau
0 0

Andreas, de kleine duistere elf

Hij was mijn beste vriend, ik hield van hem. Hoe hij die duivel is geworden, ik zal het nooit begrijpen. Zijn ene verkeerde beslissing heeft ons allemaal gebroken. Ik, Ella zal als zijn beste vriendin die zelfs niet meer tot hem kon doordringen het mezelf nooit vergeven. Door mijn dwaasheid zijn wij allemaal gestorven en kleeft ons bloed aan zijn handen.   We leefden in het land van de elven, Elfendal. Van over heel de wereld kwamen er mensen naar onze scholen. En in dit hooggeschoolde land waren wij nog eens toegelaten in één van de exclusiefste scholen. We gingen schoolmaterialen gaan kopen. ‘Ella,’ riep de schattigaard, 'zijn deze zelf-vliegende pennen niets voor ons?’ ‘Die zijn niet toegelaten’, antwoordde ik. 'Je weet dat toch.’ Hij begreep het kennelijk toch niet aan die twee pennen in zijn mand te zien. Koppigheid was bij hem een familiekwaal. We gingen verder met winkelen, het enige dat we nodig hadden om te starten was een basis schoolpakket. Het bevatte heel wat poedertjes en dierenonderdelen (we zwijgen erover), maar het enige dat we echt nodig hadden, was een magisch oog. Als je zo’n oog voor je houdt, verandert de kleur. Afhankelijk van de kleurencombinatie wordt je lessenrooster bepaald. Daarom dat we voor de eerste dag niet veel nodig hadden.   Na ons winkelbezoek gingen we iets drinken. ‘Dit is het,’ zei Andreas, 'een nieuw begin.’ Dit was de eerste keer dat ik Andreas iets emotioneel hoorde zeggen. Ik was er eerlijk gezegd wat van geschrokken. ‘Het gaat geweldig zijn’, zei ik. ‘Ik hoop het', lachtte hij, 'We gaan elkaar er anders wel doorslepen.’ ‘Het zal wel zijn!’, zei ik terwijl ik hem een schouderklopje gaf.   Een paar dagen later was het zover. Ik was vol zenuwen naar Andreas z’n huis gegaan. Hij stond niet zoals afgesproken buiten te wachten, zoals altijd was ie te laat... Ik belde aan, z’n ma deed open, ze zei: ‘Hij doet weer lastig, je gaat nog een minuutje moeten wachten.’ Geïntimideerd besloot ik dan maar te wachten. ‘Ik ga zo niet naar school', horde ik van het bovenverdiep komen. ‘Ik heb een idee', zei de mama, 'We laten Ella keuren.’ Ze kwamen allebei naar beneden, Andreas had een mega schattig klassiek oufitje aan. ‘Het ziet er echt super lief uit.', zei ik. ‘Ze vinden me weer schattig', flipte Andreas, 'Ik ga zo dus niet gaan!’ Uiteindelijk zei z’n mama dan maar: ‘Het is goed, ga je maar omkleden.’ Hij kwam terug beneden in een casual oufit. ‘Kunnen we dan gaan', zei ik, want we waren al te laat. We vertrokken nadat Andreas de deur had dichtgeslaan. Ik wou niet tussen de ruzie komen, dus zweeg ik er maar over.   We stonden voor de poort van onze nieuwe school, een magisch moment. Letterlijk magisch, want we werden omhoog gezogen. ‘Hier vliegen we dan, een nieuw begin', zei ik. ‘Je hebt hem door, we gaan inderdaad naar een nieuwe school', spotte hij. Ik probeerde hem te slaan, maar hij wist snel genoeg buiten mijn bereik te zijn.   Onze eerste schooldag was super verlopen, we hadden al een heleboel vrienden gemaakt. De lessen zelf waren voornamelijk praktisch, helemaal anders dan de jaren ervoor. Wat ik persoonlijk wel leuk vond.   Een paar dagen erna gingen we op klasuitstap. We bezochten een begraafplaats, die van de Verschrikkelijke. Hij eerste ooit over ons rijk, volgens de oude geschriften zou hij duizenden levens hebben opgeofferd om een duistere spreuk te kunnen gebruiken. Hij was verleid door een duistere man, een afgevaardigde van de duivel. In zijn blinde liefde is hij hem in zijn kwade plannen gevolgd. Er is een rebellie ontstaan, zijn eigen leger had zich tegen hem gekeerd. Toen ze zijn kamer binnenkwamen, was hij al dood. Vermoedelijk was hij gedood door de duivel. Ze hebben hem in een stuk steen opgesloten, in de hoop dat zijn duivelse gedachten niet verspreid gingen worden.   We waren op het kerkhof, ik liep naast Andreas toen er plots een jongen naast hem kwam wandelen. ‘Aangenaam,’ zei de hij, 'jij bent toch Alexaner?’ ‘Inderdaad', antwoordde Andreas, 'En jij bent toch Basiliaan?’ ‘Je hebt m’n naam onthouden', glimlachte hij. Dat toonde al hoeveel zelfvertrouwen hij had, hij verwachtte dat niemand hem ging herinneren.   We waren toegekomen, onze leerkracht gaf ons wat bijkomende informatie, maar het was niet interessant. Totdat Andreas plots op z’n knieën viel. ‘De haat,’ kreunde hij, ‘het is gewoon te sterk.’ Toen viel hij levensloos neer, Basiliaan en ik vingen hem op. Iedereen kwam rond hem staan, maar niemand kwam dichtbij. Het was natuurlijk een enge situatie op een enge plaats. Het duurde niet snel voor onze leerkracht ook van de partij was. Hij nam hem op en liep weg. ‘Kom allemaal aan de poort staan', zei hij nog voor we hem niet meer konden zien. Ik liep hem achterna, maar kon hem niet vinden. Basiliaan was met me meegekomen, hij zei: ‘Ze kunnen toch niet nergens zijn.’ ‘Dat weet ik wel', snakte ik z’n neus af. Na een 20-tal minuten was onze docent terugkomen, hij had een verpleegster met zich meegenomen. ‘Dus jij bent Ella’, zei ze. 'Andreas z’n ouders zouden willen dat jij bij hem bent tot zij er zijn.’ ‘Natuurlijk ga ik dat doen!’, antwoordde ik. ‘Mag ik mee?’, vroeg Basiliaan. Ik twijfelde even, maar zei dan toch: ‘Ja, ga maar mee.’ De verpleegster gaf haar afkeur, ik reageerde erop: ‘Hij heeft hem geholpen, hij hoort erbij te zijn.’ Dit is mijn zonde in dit verhaal...   Andreas lag in de ziekenboeg, we gingen naast z’n bed gaan zitten. Een paar uur later wou ik naar m’n kamer gaan. Zijn ouders konden er pas de volgende dag zijn, ze waren op reis, maar ik was ongelofelijk moe, zo kon ik niet blijven. ‘Ga maar,’  zei Basiliaan. 'Ik blijf wel.’ ‘Zeker,’ vroeg ik, 'het is voor ons allebei een vermoeiende dag geweest, zou je niet ook even gaan rusten?’ ‘Maak je geen zorgen', zei hij. 'Ik wil hier zijn.’ Normaal zou ik iemand die ik pas ken nooit bij hem hebben actergelaten, maar ik had het gevoel dat ik hem kon vertrouwen. Wat een dwaas was ik toch...   De dag erna kwam ik terug. Ik zag dat Andreas ontwaakt was. Basiliaan lag met z’n hoofd op het bed te slapen. ‘Goedemorgen,’ zei de ontwaakte, 'sorry van het hele gedoe.’ ‘Verontschuldig je eens niet', reageerde ik. 'Dat mag hij gaan doen!’ Ik klopte Basiliaan wakker, hij schoot onmiddellijk recht en zei: ‘Het spijt me.’ ‘Dat mag ik hopen!’, riep ik. ‘Stop hier eens mee', flipte Andreas. 'Je slaat mensen toch zo niet.’ Andreas had z’n aandacht op Basiliaan gefocust, ik was kennelijk lucht geworden. Een paar tellen later zei hij: ‘Hij heeft hier heel de nacht gezeten, je hebt het recht niet om zo te doen.’ ‘Het recht,’ flipte ik dan zelf, 'enkel omdat ik m’n nek niet kapot heb geholpen.’ Ik ben dan furieus weggelopen, een paar uur later besefte ik dat ik fout zat. Ik ben dan uit goede wil teruggegaan wanneer hij terug naar huis mocht. Ik dacht dat ze wel nog samen gingen zijn, maar ik kon ze maar niet vinden. ‘Die kunnen toch niet verdwenen zijn', ergerde ik me. Ik ging ergens achter een hoekje kijken en daar zag ik iets wat ik nooit wou zien. De verschrikking in een nieuwe vorm, een liefde ontstaan tussen Andreas en Basiliaan. ‘Het is niet wat je denkt', riep Andreas me na toen ik wegliep. Ik wist niet wat te doen, volgens de legende is dit de eerste stap naar het duister. Ik ben dan maar naar het bureau van de directeur gelopen. ‘Er is een oplossing', zei hij. 'Een moet sterven, zodat de andere puur kan zijn.’   Op de dag van de executie, Andreas was vastgemaakt aan een stoel. Hij moest dit volgens het ritueel vanaf de eerste zetel zien. Basiliaan stond klaar onder de beul, luttele tellen voor zijn onthoofding. ‘Neem mij', riep Andreas. 'Laat hem gaan, alsjeblieft, neem mij!’ Andreas was van een hogere klasse, natuurlijk gingen ze hem niet laten sterven. Hij schreeuwde zijn hart uit, maar niemand luisterde. ‘Nog een laatste boodschap', zei de beul. ‘Slechts drie woorden,' zei hij, 'Andreas, ik hou’ Hij werd onderbroken, de beul liet zijn zwaard te vroeg vallen, hij zei: ‘Waardeloos kind, je had er al drie gezegd.' ‘Neen!!!!!’, riep Andreas met een kwaadheid in zijn stem die ik nog nooit gehoord had. ‘Hoe durven jullie’ zei hij, maar zijn moeder onderbrak hem met de woorden: ‘Maak je geen zorgen jongen, je bent terug puur.’ ‘Puur,’ explodeerde de haat, 'jullie zullen hier allemaal stuk voor stuk voor boeten, geen één van jullie zal ik laten leven, mannen, vrouwen en kinderen, ieder van jullie zal eindigen!.’ Waarop hij op een duistere, lachende toon zei: ‘Wacht, vooral de kinderen, ik denk dat ik zal beginnen met hun ledematen voor de ogen van de ouders te verwijderen en ze daarna nog in leven zal houden om de ouders de gedachte ‘Mijn kind zal het nu nog veel erger hebben dan mij mee te geven naar hun graf.’ Hij wist dat hij zo z’n eigen doodvonnis getekend had, iedereen wist dat hij toen doordrenkt was van het duistere. Toen gebeurde het, iedereen kon de stem horen, die van de verschrikkelijke, hij zei: ‘Prachtige jongeman, ik wil je de kracht geven om deze magnifieke wens te vervullen, het enige dat je moet doen is me je leven geven.’ ‘M’n leven,’ schreeuwde Andreas, 'm’n vorige levens, mijn toekomst en mijn ziel, neem het allemaal!’ ‘Natuurlijk mijn schat,’ lachtte de stem zo luid dat je het door heel het land kon horen, 'laten we beginnen.’ Er regende zwarte magie op Andreas neer, het veranderde hem, hij kreeg de vorm van de duivel. Niemand zou dit overleven, maar van al zijn slachtoffers was ik de eerste die moest vallen. Hij kwam naar me toe, greep m’n nek vast en zei: ‘Hoe durfde je me zo te verraden.’ ‘Ik wou je helpen', Probeerde ik te zeggen, maar hij had m’n nek al gebroken. Ik weet niet precies wat er daarna gebeurde, maar ik weet heel zeker dat niemand nog zou mogen leven...

Simon
0 0

Breekbaar geluk

IJsberend loop ik door mijn bescheiden woonkamer. De tv staat aan. Ze praten weer over de vluchtelingen in Nederland. Vaak lopen de discussies hoog op en dan vooral als Geert Wilders aan het woord komt. Ik kijk naar mijn zes jarige zoontje die geconcentreerd naar zijn lego kijkt. Als ik naar hem kijk dan denk ik was het nou maar anders gelopen. Tien jaar geleden heb ik een reis gemaakt om nieuwe dingen te ontdekken. Toen ontmoette ik hem. Ik ontmoette de vader van mijn zoon. Ik geloofde daar eigenlijk nooit in. Liefde op het eerste gezicht. Toch was het wel zo. Ik was verliefd op zijn mooie bruine ogen en zijn brede glimlach. Ik weet het nog precies de eerste keer dat we afspraken. We gingen samen koffie drinken. Ik voelde me op mijn gemak bij hem en dat heb ik niet snel bij mensen. Me echt op mijn gemak voelen. Hij stelde me voor aan zijn familie. Ik werd hartelijk ontvangen maar, stiekem vond ik het toch een beetje eng een hele andere cultuur. De kennismaking tussen mijn ouders en hem liep echter minder goed. Hij is buitenlands had mijn moeder gezegd. Mijn vaders gezichtsuitdrukking zei voor mij al genoeg. Ik was boos weggegaan en had nog geschreeuwd. Ik snapte mijn ouders niet. Waarom vinden ze hem geen goede jongen? Vier maanden heb ik geen contact gehad met mijn moeder terwijl onze huizen maar 10 minuten van elkaar verwijderd zijn. Ze belde me op een donderdag middag dat ze me mistte en of ze een keer langs kon komen. Mijn vader wilde er toen nog steeds niets van weten. Gelukkig veranderde dat snel. Hij werd toch wel een beetje nieuwsgierig zei mijn moeder. Amir had in die tijd een visum aangevraagd. We gingen trouwen en kochten samen een huisje. Hij had een baan gevonden als automonteur. Ons geluk kon niet meer stuk. Een paar jaar later werd ik zwanger van Jamal. Amir en ik waren de gelukkigste mensen op aarde. Zo voelde we ons althans. Ik had een camera gekocht om alles vast te kunnen leggen. Op vrijdagavond gingen we dan foto’s plakken in een album die we hadden gekregen van mijn ouders. De ouders van Amir en zijn twee broers en zussen waren naar Nederland gekomen om onze kleine Jamal te kunnen bewonderen. Ook wij gingen af en toe naar Amir’s ouders dan kwam de hele familie bij elkaar en was het één groot feest. Ik had gehoopt dat we nu nog met z’n drieën op de bank konden zitten. Jamal was twee jaar toen de moeder van Amir in paniek had gebeld. Ik verstond enkele woorden maar kon niet goed plaatsen waar het gesprek precies over ging. Ik moet naar mijn ouders zei hij. Ze zijn niet veilig daar. Op het nieuws werd toen al gezegd dat het onrustig was. Dezelfde dag is Amir vertrokken om iedereen, samen met zijn broers, op een veilige plek te krijgen. Hij gaf Jamal en mij een kus en ging. Ik zat weken in onzekerheid. Mijn ouders kwamen vaak langs en bleven dan ook slapen om me te helpen mat Jamal. De hele dag keek ik naar het nieuws om een beetje op de hoogte te blijven. Het nieuws dat binnen kwam was geen goed nieuws. Een maand later belde de broer van Amir. Ik voelde dat het niet goed zat en ik had gelijk. Amir en zijn oudste broer waren neergeschoten. Ik zakte in elkaar. Mijn vader nam de telefoon over en mijn moeder kwam naast me zitten. Amir’s ouders, zijn twee zussen en zijn jongste broertje zijn naar Nederland gevlucht. Ik was voor een tijdje weer bij mijn ouders gaan wonen samen met Jamal. Een jaar lang hebben ze in een azc gewoond, daarna kregen ze allen een verblijfsvergunning. De familie is erg hecht geworden en komt bijna elke dag even langs. Mijn moeders komen vaak op Jamal oppassen omdat ik weer begonnen ben met werken. Als ik Jamal nu in zijn bruine ogen kijk denk ik nog vaak terug aan de tijd dat Amir en ik voor het eerst samen koffie gingen drinken, hoe verliefd ik op hem was en eigenlijk nog steeds ben. Mensen zoals Wilders zouden dezelfde route af moeten leggen als Amir, misschien hebben ze dan meer begrip voor de vluchtelingen.

Judith
47 1

De ruimte

‘Sommige dingen zie je enkel van dichtbij, andere zie je pas vanop een afstand. Wie zich hierin vergist gaat als een blinde door het leven.’ Anoniem, ergens op een muur   De makelaar haast zich door de voortuin, zakt voor het hek op een knie en opent de verfpot met een schroevendraaier. Ze kijkt vluchtig over haar schouder en tijgt aan het werk. Met enkele vlugge borstelstreken overdekt ze de plekken waar een groene waas van mos begint te verschijnen op het witte hek. Ze staat recht, zet twee stappen achteruit en keurt haar werk. Dan sluit ze de pot en haast zich weer naar het kleine huisje. Ze struikelt bijna over een rooster en vloekt binnensmonds. Ze kijkt op haar horloge, lijkt even te twijfelen en zakt dan opnieuw op een knie. Ze gebruikt de schroevendraaier nu om het metalen rooster snel weer vast te zetten, een schroef in elke hoek. Ze schrikt op van het geluid van autobanden op de steentjes van de oprit. Ze springt op, recht haar vest en trapt met de zijkant van haar voet de verfpot en borstel een bosje in, uit het zicht. Met een geoefende glimlach loopt ze het jonge koppel tegemoet. ‘Welkom, welkom. Ik ben Jeannie. Jullie zullen gewoon weg zijn van dit huisje.’       Twee weken later. John rijdt langzaam door zijn nieuwe straat. Zijn wagen is helemaal volgestouwd met kartonnen dozen, kussens en uitgebeende staande lampen. Een man posteert zich wijdbeens op straat en dwingt John in de remmen te gaan. John laat het raampje zakken. De man komt langszij en duwt een flyer onder Johns neus. John knikt kort en neemt het foldertje aan, stopt het zonder het verder te bekijken losjes tussen zijn lippen en draait de oprit van het huisje in dat Alice en hij net gehuurd hebben. Alice staat hem in het deurgat op te wachten. Nog voor de wagen stil staat, heeft ze de klep van de koffer al geopend.     ‘De laatste?’     John zwaait zijn benen uit de wagen. ‘Jep. Eindelijk. Ik begin te denken dat we beter wat spullen hadden laten opslaan. Of weggeven.’     Alice laadt de inhoud van de koffer uit. ‘Daar is die staande lamp. Die gaat geweldig goed passen in de woonkamer.’     ‘Heb ze wel moeten uit elkaar halen, anders paste ze niet in de auto.’     ‘Komt wel goed.’ Alice gaat door de knieën, recht haar rug en staat weer recht met een doos vol boeken. ‘Had je deze niet kunnen achter laten? Wanneer ga je die ooit nog een keer herlezen?’ John loopt rond de wagen en probeert de doos over te nemen van Alice. Ze keert zich wat van hem af. ‘Ik doe het wel.’ En stapt moeizaam het huisje binnen. ‘Voorlopig in de rommelkamer.’       Die avond zitten ze op de bank, omringd met open kartonnen dozen. Alice blaast een haarlok de hoogte in. De lok nestelt zich koppig opnieuw op haar voorhoofd. ‘Wacht maar tot de laatste kasten er zijn. Dan krijgen we het hier wel op orde.’     John bladert in een boek dat hij al eens gelezen heeft, kijkt naar de achterflap, herleest de laatste bladzijde en sluit het boek weer. ‘Het is allemaal toch wat krap.’ Hij kijkt de kamer rond. ‘Onze salontafel past hier nooit in. Van zijn leven niet.’     Alice legt een hand op zijn knie en aait hem zachtjes. ‘Komt wel goed.’ Ze ademt diep in en uit, steekt haar neus de lucht in, snuift diep en snuffelt dan nog wat verder.     ‘Wat is er? Ik ben het niet geweest.’     Ze schudt het hoofd en fronst. Ze snuffelt nog eens, haar hoofd in haar nek gekanteld, de neus omhoog gericht. ‘Hebben we Febreze? We moeten zeker naar de winkel om Febreze morgen.’             ‘Morgen is het zondag.’     ‘Maandag dan. Eerste werk.’     ‘Dat went wel. Een goeie poetsbeurt, en hop.’     John kijkt Alice van onder zijn wenkbrauwen aan. ‘Een goeie beurt.’     Alice laat het hoofd zakken en geeuwt hartstochtelijk. ‘Morgen misschien. Ik ben bekaf. Er wordt vanavond niks ingewijd.’     John zakt dieper in de zetel weg en neemt het boek weer ter hand. Hij slaat het open bij het begin. ‘Er was veel volk op straat vandaag. Deelden foldertjes uit.’ Alice reageert niet. Ze zit intussen met haar vingers diep in heur haarbos en masseert zachtjes haar scalp. ‘Heb het op de keukentafel gelegd. Vast één of ander straatfeest of zo. Actieve buurt. Lijkt me leuk.’ Alice beweegt niet. John kijkt weer naar zijn boek, leest de binnenkant van de flap en legt het weer opzij. ‘Ik ga al op het matras liggen. Morgen zet ik het bed wel in elkaar.’       John sloft achter de koffiepot aan naar de tafel. Alice prikt lusteloos een vork in haar spiegelei. Het eigeel begint zich over haar bord te verspreiden. Ze staart in haar bord. Een traan rolt over haar wang. John giet haar mok vol, daarna de zijne. Hij begint te bladeren door de stapel reclamefolders die uit de brievenbus puilde toen ze hier arriveerden.     ‘God. Er is een joch vermist. Daarom waren al die mensen op straat.’     Alice kijkt verstoord op. ‘Wat?’     ‘Die flyer van gisteren. De mensen op straat. Geen feestje, een zoektocht. Kijk.’ Hij schuift de flyer onder haar neus, een zwartwit kopietje met foto van een jongen met weerbarstig haar en een brede grijns waar twee tanden uit ontbreken. ‘Daniel Stonestreet. Nog maar negen. Wie verdwijnt er nu uit een buurt als deze? God, wat een hitte. En dat om half tien ’s ochtends al. Het wordt een lange zomer.’ Alice blijft naar de foto staren, uitdrukkingsloos. John staat recht en loopt de keuken uit. Onderweg botst hij tegen een verhuisdoos aan en vloekt.       ‘Neem ook wat rattenvergif mee. En muizenvallen. Zo’n oud huis zit vast tjokvol beesten. Dit hier zal niet volstaan.’ Alice gooit twee verstuivers luchtverfrisser in de winkelkar. ‘Ik zweer je dat ik de hele nacht die geur in mijn neus heb gehad. Volgens mij is er een rat gestorven onder de vloer.’     John bestudeert aandachtig de tekst op een doos rattenvergif. ‘He, dit spul is gemeen. Ik weet niet of ik een dier zoiets zou kunnen aandoen. Zelfs al gaat het om een rat.’ Alice schiet hem een giftige blik toe en John zet gedwee een grote verpakking in het karretje. ‘Weet je, ik had dit best alleen kunnen doen. Winkelen. Jij had gerust kunnen thuis blijven om je ding te doen.’     Alice kuiert verder de gang door en monstert de muizenvallen, ratteklemmen en mierenverdelgers. ‘Straks.’     John volgt haar van achter de kar. ‘Ik bedoel maar, dat was toch het punt van alles. Dat je de ruimte kreeg. Om je ding te doen.’     Alice kijkt hem geërgerd aan. ‘Straks, zeg ik toch. Het komt niet op afroep, weet je. Ik moet ervoor in de stemming zijn. Het was ook jouw beslissing. Het was onze beslissing. Samen. Ze draait zich om en loopt met stijve pas verder. ‘Ik ga wijn zoeken. Veel wijn.’       De volgende dagen lijken een doorslag van maandag. Voor de middag een uitstap naar de winkel. Onvoorstelbaar hoeveel spullen nodig blijken om een huis je thuis te maken. En hoe je nooit aan al die dingen tegelijk denkt, zodat je maar een enkele keer naar de winkel hoeft. Na de middag wat dozen uitpakken of verplaatsen. Op woensdag een boekenkast in elkaar draaien die te hoog blijkt voor het plafond. Op donderdag opnieuw naar de winkel voor citronellakaarsen tegen de muggen en insecticide tegen de vliegen. Het wordt weer zo’n zomer. Elke avond eten in stilte, afhaal omdat het fornuis het niet doet.     ‘Bel Jeannie, zeg dat ze er wat aan komt doen.’     ‘Heb ik al gedaan. Ze zegt dat Carl de klusjesman door zijn rug is gegaan vorige maand. Over twee weken of zo kan hij opnieuw aan het werk. Als alles goed gaat.’     ‘Jammer dat jij geen klusjesman bent geworden. Zou ons een hoop gedoe besparen.’     ‘Of jij klusjesvrouw.’     Alice glimlacht speels. ‘Dat zou jij wel zien zitten, met zo’n overall en een helm.’     ‘Zonder overall mag ook. Maar met de helm.’     Alice nipt van haar glas rode wijn. ‘Straks misschien, stouterd. Eerst nog wat verder werken.’ En ze staart opnieuw naar haar scherm, waar alleen een knipperende cursor de witte pagina siert. John giet zijn glas wat voller, meer dan nodig is.       Op vrijdag staat er politie in de straat wanneer Alice en John terugkeren van hun winkeluitstap. Een troep buurtbewoners staat achter een geel lint naar het huis van de eenzaat aan het eind van de straat te staren. Een vriendelijke man, met een kleine hond. Hij wandelt elke avond voorbij en groet vriendelijk wie zijn pad kruist. John en Alice wandelen bedeesd naar de groep, die in volledige stilte het gebeuren gade slaat. Achter de ramen van het huis duiken af en toe mannen en vrouwen in witte overalls op, als acteurs in een vreemd schimmenspel. De zwaailichten van de politiewagens werpen lange schaduwen tegen de muren van het huis.     ‘Nooit gedacht dat Bill er zo een zou zijn’, bromt een oudere man. Hij woont tegenover John en Alice, maar zijn naam kennen ze nog niet. ‘Arme Daniel. Speelde altijd met zijn bal op straat. Dacht dat ie hier veilig kon zijn. Maar het is altijd iemand die je kent.’ Agenten kammen de voortuin en achtertuin van het huis uit. Een Duitse herder snuffelt het terrein af. ‘Straks komen de graafmachines, let op mijn woorden.’ De oudere man spuugt op de grond, zijn vrouw slaat een kruisteken. ‘Bill heeft nog mee flyers uitgedeeld. Zo zie je maar. Verbergen in het openbaar, noemen ze dat. Smeerlap.’     John trekt Alice naar zich toe en legt een beschermende arm om haar heen. ‘Kom.’       John draagt een rinkelende doos lege wijnflessen naar de wagen. Ze zijn er flink tegenaan gegaan, deze week. Hij wappert een hand om de vliegen om zijn hoofd weg te jagen en overweegt om online te zoeken naar zo’n blauwe lamp die insecten een rit op de bliksemschicht naar de vergetelheid biedt. Hij grinnikt om die vondst en haalt een notitieboekje boven. Hier zit misschien meer in, een kortverhaal of zo. Straks zal hij het blaadje afscheuren en aan Alice geven, die een bestand bijhoudt met alle spitsvondigheden die ze samen kunnen verzinnen. Ooit past het wel een keer ergens in. Al heeft ze sinds hun aankomst bitter weinig geschreven. Misschien hoort een dergelijke pauze wel bij de verwerking. Als ze maar gauw weer op gang geraakt. Nog twee weken en John’s vrije tijd is voorbij. Tegen dan moet alles in orde zijn in dit huis. John bekijkt het huis nog eens goed langs de buitenkant. Gezellig. Pittoresk. Maar vooral: klein. Net genoeg eigenlijk voor twee personen. Zelfs niet voor een gezin. Is dat waarom Alice net dit huis wilde huren?       ‘Eindelijk die laatste doos!’ Alice ploft met een zucht op de bank, haalt het breekmes boven en snijdt fluks door de kleefband die de doos omsluit.     ‘Voorzichtig! Daar zitten ook nog wat boeken in!’ Alice plooit de doos open.     ‘Shit.’ Ze haalt een roman boven. Er is een reep van de voorflap gesneden. ‘Sorry.’     John neemt het boek aan. ‘Geeft niet. Heb het al eens gelezen. Die zal ik maar niet proberen door te verkopen.’     ‘We fiksen het wel met wat tape.’ Ze laden de laatste doos verder uit, wetende dat het nog steeds niet de echte laatste doos is. Er staan er nog drie, half leeg, opgestapeld in de rommelkamer. Allemaal boeken en spullen van John, voornamelijk speelgoed en filmmerchandising.     ‘Wat zit er nog in?’ John gaat languit op de bank liggen en legt zijn voeten bij Alice op schoot. Ze rommelt verder in de doos.     ‘Tijdschriften. Waarom hebben we tijdschriften mee verhuisd? Hebben ze hier geen tijdschriften?’        John opent een oog en sluit het weer. ‘Geen idee. Ze hebben hier zelfs pedofielen. Het zijn trouwens jouw tijdschriften. Doe ermee wat je wil.’     Alice bladert door enkele maandbladen. ‘Dit zijn zeker geen tijdschriften die ik gekocht heb.’ Met een korte polsbeweging laat ze het blad als een frisbee door de lucht roteren. ‘Op de weggooistapel dus. Hier is die koffiemok van mij! En het zoutvaatje! En de sleutels van de achterdeur van ons oude huis.’     John glimlacht met gesloten ogen. ‘Hebben we de keukentafel gewoon met één veeg in een verhuisdoos geleegd?’     Alice geeft geen antwoord. Haar vingers bevoelen de koffiemok. Er zit nog een bruin randje opgedroogde koffie op de bodem. ‘Begin je volgende week opnieuw?’ John antwoord niet. Hij lijkt te slapen. Alice zet de mok op de grond en graaft verder in de doos. Haar vingers raken iets zachts, grijpen het vast en halen een kleine pluchen pinguïn boven. Het prijskaartje hangt er nog aan. Ze kijkt naar John op de bank, zijn ademhaling langzaam en regelmatig nu. Haar hand hangt aarzelend in de lucht boven zijn knie, trekt zich dan terug. Alice zakt wat dieper weg in de bank en omhelst de knuffelpinguïn met gesloten ogen.       De volgende dag gaat de deurbel. John schiet wakker. Ze hebben de hele nacht op de bank geslapen. Hij neemt de kamer in zich op: de open doos, de stapel weg te gooien tijdschriften, de koffiemok van Alice’s studietijd. Alice slaapt nog, haar hoofd ligt in een onnatuurlijke knik naar achteren op de bank waardoor haar mond open staat en er af en toe een gekke reutel vrij komt. Ze heeft de knuffel nog steeds vastgeklemd. De bel gaat opnieuw, langer nu. Alice’s adem stokt even en begint dan opnieuw de reutelen. John komt stijfjes van de bank en loopt naar de voordeur. Een dikkig meisje van de pakjesdienst duwt hem een kartonnen doos in handen.     ‘Hier tekenen alstublieft. Prettige dag nog.’     Wanneer Alice de keuken binnen wankelt, heeft John het pakje al open gedaan. ‘Zo’n blauwe lamp. Tegen de insecten!’ Hij leest verder de installatiegids en schuift afwezig de koffiemok naar Alice. Ze zit vol met verse, dampende koffie.     ‘Je hebt mijn gedachten gelezen.’ Ze warmt haar handen aan de mok en snuift de geur op. ‘Hebben we geslapen op de bank? God, wat marginaal!’     John glimlacht en leest verder. ‘Ik heb foto’s van je gemaakt.’     ‘Nooit!’ Ze geeft hem een duw tegen zijn schouder. Hij lacht en duwt terug. Ze drinken in stilte hun koffies en John neemt de gids helemaal tot het einde door. Dan neemt hij de blauwe lamp uit de plastic verpakking, kantelt hem en bekijkt elke zijde grondig.     ‘Wat doen we met de pinguïn?’     Alice giet het laatste restje koffie in haar mok. ‘Oh shit, sorry. Wilde jij nog wat?’ John schudt het hoofd. Alice kijkt even diep in haar tas. ‘Die houden we nog even.’       John wandelt rond het huisje, op zoek naar een geschikte plek om de insectenzapper te installeren. Alice staat in de voortuin, lege koffiemok in de hand. Ze kijkt naar de straat en steekt aarzelend een hand de hoogte in. John keert terug uit de achtertuin. ‘Ik denk dat we de lamp het beste boven de oprit kunnen installeren. De enige plek waar nu al een elektriciteitsdraad naar buiten komt. Voor de tuinverlichting. Alice?’     Alice staart een wandelaar na tot die de hoek om loopt. ‘Gatver, John. Hij is het.’     ‘Wie, schat?’     ‘Hij! Die vent met zijn hondje! Van de politie, je weet wel. Die inval. Loopt hier gewoon langs alsof er niks gebeurd is! Hij wuifde naar me! Kan je je zoiets nou voorstellen?’     John loopt naar de stoep. ‘Waar dan?’     ‘Daar! Net nog. Hij liep de hoek om. Hoe kan zoiets nou?’     ‘Ben je zeker dat hij het was? Met dat hondje? Zo’n klein bruin geval.’     ‘Het was hem in ieder geval, met die teckel van hem. Bill. Heette hij niet Bill?’     John haalt de schouders op. ‘Ze zullen vast niks gevonden hebben. Iemand is onschuldig tot zijn schuld bewezen is. Wat weten wij er nou van?’     Alice trekt haar schouders op en kruist haar armen voor haar borst. ‘Ik vind het maar niks, zo’n griezel in de buurt. Waarom kwamen we ook weer naar hier?’     John blijft staan met de blauwe lamp in zijn handen. ‘Goeie vraag.’ Ze draaien zich om en bekijken het kleine huisje. ‘Voor de ruimte. Je… we hadden ruimte nodig. Om na te denken. Te herbeginnen. Je ding te doen.’     Alice glimlacht droef. ‘Veel ruimte is hier eigenlijk niet.’     John kijkt naar de grond, dan naar Alice. Hij opent zijn mond, sluit hem dan weer. ‘Mooi.’ Hij stapt langs Alice weer naar binnen.       Die avond drinken John en Alice drie flessen middelmatige rode wijn leeg. Alice zit met haar glas achter haar laptop en ratelt als bezetene over de toetsen. John heeft de verhuisdozen weer boven gehaald en begint zijn boeken opnieuw in te pakken. ‘Laten we het als een vreemde vakantie beschouwen.’     Alice kijkt John aan van over haar scherm. Ze begint te schateren. ‘Zo vreemd, zo vreemd. Wat heeft ons toch bezield. Mij bezield.’ Ze staat recht en loopt onvast op hem af, schuift de kartonnen doos voor zijn voeten opzij en gaat schrijlings boven op hem zitten. Haar losse haren hangen als een gordijn voor zijn ogen, zwaaien dan opzij. Ze begint hem vol op de mond te zoenen. ‘Sorry’, fluistert ze. ‘Sorry sorry sorry. Ik wist niet wat ik wilde. Sorry.’     John legt zijn handen om Alice’s middel en trekt haar zachtjes dichter tegen zich aan. ‘Ik weet het. Misschien hadden we allebei even nood aan verandering, een ander perspectief.’ Hij zoent haar en zijn handen kruipen langzaam over haar rug omhoog.     Alice zucht. ‘Alsnog het huisje inwijden alvorens het weer te verlaten?’     ‘Klinkt goed.’       Drie dagen later verlaten John en Alice het huisje dat ze zo kort hadden bewoond en keren terug naar hun oude woning. Wanneer ze vertrekken laat John de blauwe lamp achter op de keukentafel, met een briefje voor Jeannie, de makelaar. Tegen de vliegen. We zijn er nooit toe gekomen deze lamp te installeren. Al lijkt het probleem stilaan af te nemen. Succes ermee, Alice en John.   ***       Carl de klusjesman komt steunend van zijn ladder gekropen. De blauwe lamp hangt tegen de muur boven de oprit, de elektrische kabel is verbonden en het verdomde ding werkt niet. Hij heeft meermaals de zekeringen gecontroleerd en uitgesloten dat het probleem zich daar zou bevinden. Rest er nog de mogelijkheid dat de kabel ergens onderbroken is. Best mogelijk, gezien de vorige bewoners hadden geklaagd over ongedierte in huis. Een rat kan er gemakkelijk doorheen gebeten hebben. Carl volgt de kabel met zijn ogen naar beneden, waar hij langs een rechthoekig rooster het huis in verdwijnt. Carl vloekt en haalt een schroevendraaier boven. Hij wrijft even over zijn pijnlijke rug en mompelt binnensmonds. ‘Kruipkelders. Ik haat kruipkelders.’ Dan zakt hij op een knie en verwijdert de schroeven, laat zich verder op zijn buik zakken en knipt een zaklamp aan om de kabel te inspecteren. Zijn zicht wordt geblokkeerd door een donkere massa. Hij wringt zich naar binnen en merkt dat onder de massa een grote donkere vlek op de vloer is afgetekend, bijna opgedroogd in het beton. ‘Gadver, smeerlapperij.’ Hij probeert zijn hand schoon te vegen aan zijn overall en grijpt dan het voorwerp vast. Dan ziet hij de schoenzool, en wat dieper in de kelder: een voetbal. Zijn hand trekt harder en het geluid van scheurende stof weerklinkt. Er komt een ziekmakende geur los, gevolgd door een wolk kleine donkere vliegjes. Carl braakt meteen zijn ontbijt uit en de zure lucht vermengt zich met de stank van verrotting die de kruipkelder vult. Wanneer hij bekomen is zal hij Jeannie bellen, en de politie. Die zullen Daniel Stonestreet formeel identificeren en zijn ouders contacteren. Het onderzoek zal uitwijzen dat hij overleed ten gevolge van gebrek aan water, vermoedelijk nadat hij kwam vast te zitten in de kruipkelder. Hoe dit mogelijk is geweest, kan niemand vertellen.  

Rob G
0 0