Lezen

Gordijnen langs de ring.

De lichtblauwe gedrappeerde gordijnen (ont)sieren nog steeds de ramen van wat ooit onze slaapkamer was.   Wanneer ik toevallig voorbij rijd vallen zij het eerst op.   Dan pas het balkon met de roestige ballustrade.   Toen ik de gordijnen zo 'n 20 jaar geleden ophing had ik er al een bloedhekel aan. De combinatie van gedrappeerd lichtblauw kunstsatijn, de voile drapperiën en roze overgordijnen waren fake, nep en kitscherig. Ze hadden, zo bedenk ik me destijds het doel een soort van Holly Hobbiesfeer te creeren en zorgden voor sfeer van kuisheid en fatsoen.   Een soort van zedigheid en sereeniteit die hevig contrasteerden met mijn hitsigheid en tempramentvolle  geestdriftigheid.   De gordijnen waren in mijn ogen functioneel om vleselijke lusten te temperen.  Althans zo heb ik het altijd ervaren.  Wellicht daadoor dat ik er zo'n bloedhekel aan had. Nu nog steeds. Kutgordijnen, maar dat durfde ik toen zo niet zeggen. Het herenhuis langs de ring staat al 17 jaar leeg en lijkt een beetje een spookhuis. De gordijnen hebben de tand des tijds overleefd en hangen er nog steeds op dezelfde manier zoals op de dag dat ik er de deur achter mij dichtsloeg. Onze relatie is het anders vergaan. Daar schiet niets meer van over.   Persoonlijk wijt ik dat aan onderdrukte hitsigheid en passie en te veel Holly Hobbie maar er zullen wellicht nog wel andere redenen zijn voor het scheeflopen. Misschien lag scheef lopen zelf aan de basis van het scheeflopen of was het er een gevolg van, dat laat ik in het midden. Een ding is wel zeker de gordijnen hebben er geen goed aan gedaan.    

jan pultau
0 0

Wie heeft meneer konijn vermoord?

Rudy was allergisch. Niet in die mate dat hij rode ogen of een loopneus kreeg. Het was erger. Papa had gezegd dat het kalfsragout was in chocoladesaus. Het was zo lekker dat Rudy hem had geloofd en twee keer van het malse vlees had opgeschept. Pas tijdens het dessert niesde hij voor het eerst.   Zoals iedere ochtend liep Rudy naar het konijnenhok achterin de tuin. Gewoonlijk zat meneer konijn braaf te wachten op het lekkers dat hij voor hem had fijngesneden. Wortel, appel, venkel en wat broccoli. Maar vandaag was het hok leeg. Rudy schrok, liep als een gek over het gras, zocht achter de schutting, keek in elke struik, maar vond niets. De pluizige vlek die hij vanuit zijn ooghoek zag bewegen deed hem even twijfelen, maar het was de kat van de buren. Ze liep langs zijn benen tot aan het tuinhuis. Daar stond een vuilniszak. De kat kromde haar rug en krabde er een gat in. Er vielen restjes op de grond. Rudy niesde een tweede keer. Toen hij dichter kwam zag hij tussen het afval een witte vacht.   Eerst was het nog onschuldig. In het grootwarenhuis, nam hij af en toe een reep chocolade uit het rek. Maar na een tijd waren het ook pralines en truffels uit krantenkiosken of plaatselijke superettes. Wanneer hij zich echt slecht voelde, was alles goed. De meeste chocolade verstopte hij op een plaats waar hij zijn allergie onder controle had.   Het liep pas fout tegen het einde van het schooljaar. Rudy had een muffin uit de handen van een meisje gerukt. Ze stond rustig op de bus te wachten. Hij had gezien hoe ze ervan had gegeten, hoe er stukjes chocolade aan haar tanden kleefden en toen was er iets in zijn hoofd geknapt. Hij had het op een lopen gezet, maar een man die ook aan de bushalte stond was achter hem aan gegaan.   Toen de politiewagen voor de deur stopte, zat Rudy op zijn kamer. Mama stond in de keuken. Zijn papa liet nietsvermoedend de twee agenten binnen. Hij vroeg zelfs of ze iets wilden drinken. Ze bedankten vriendelijk, zeiden dat er aangifte was gedaan, dat er een getuige was. Rudy’s ogen waren rood. Hij hield een zakdoek voor zijn neus. ‘Het ligt daar,’ zei hij en wees naar boven. De agenten gingen hem voor, gevolgd door zijn ouders. Aan het einde, links van de trap, was de zolder. De vloer lag bezaaid met chocolade. In het midden, als een soort orakel, lagen op elkaar gestapelde botten, de vacht van een dier en een muffin. Mama sloeg haar handen voor haar ogen: ‘WIE HEEFT MENEER KONIJN VERMOORD?’   Rudy was allergisch maar erg was het niet. Mama had voor hem kalfsragout klaargemaakt. Het was zo lekker dat hij nog een bord opschepte. Als dessert at hij een reep chocolade. Daarna nam hij een blad papier en schreef een brief die begon met: ‘Sinds vorige week ben ik niet meer allergisch’. Zijn papa schreef niet terug.

Sascha Beernaert
33 0

Als het ons overkomt: over Kapaza en de nachtwinkel

Later dan deel 1:  +++ Titel zoekertje:Jos PauperBeschrijving: (N): Slechte vader(E): Bad father(F) : Malheureuse pèrePrijs:BedragGratisRuilenPrijs overeen te komenNiet van toepassingLevering:OphalenVerzendenConditie:GebruiktNieuw Tegelijk met deel 1:  o 6 chocoladekoekjes van het huismerk, een fles rode wijn en een pakje condooms lagen op de kast van zijn hotelkamer. "Hey, heb je een vuurtje voor mij?""Nee, sorry." Waarop de tiener een aantal vloekwoorden uitsprak.Jos zat op een trein van Barcelona op weg naar zijn hotel. Zijn wagon, die gevuld was met brullende schoolkinderen, had iets weg van een bijennest gevuld met een zwerm zoemend ongedierte. De tieners aan de andere kant rookten met de raampjes dicht. Iemand sprak tegen hem."Je krijgt dat er nooit meer uit," Zei de vrouw die tegenover hem zat."Uhm," stamelde Jos."Die aardbeienvlek op je hemd.""Oh.""Ik kan het er misschien uit krijgen, maar ik kan niets beloven.""Dan kan ik je in de plaats trakteren op een etentje."Er verscheen bij beiden een opgewonden glimlach.De trein arriveerde waarna alle passagiers uit de trein ontsnapten zoals lucht uit een doorgeprikte ballon.Jos en de vrouw waren de twee laatste luchtdeeltjes die de ballon verlieten en zich nu op het lege perron bevonden.Het hotel waar Jos verbleef was een honderdtal meter verderop te zien door een groot bord met de lichtgevende letters: RO A DA IMA.Het verbaasde Jos dat de mensen die op de snelweg ernaast reden nog nooit verblind waren door het felle licht.Met een zwierige pas liep de dame van de trein voorop naar binnen en nam plaats aan een van de vijf tafels in het restaurantje dat meer leek op een inkomhal. Het keukenpersoneel zat een tafeltje verderop iets te roken dat op wiet leek.Eén iemand moffelde zijn rolletje snel maar voorzichtig in een asbak, om er straks nog een paar trekjes van te kunnen nemen. Met losse veters beende hij naar Jos en de vrouw. Jos had intussen ook plaats genomen tegenover de vrouw.Na hun bestelling zaten Jos en de vrouw af en toe speels naar elkaar te staren."Hoe heet je?" vroeg Jos.Een korte stilte."Ik heb geen honger," zei ze afwezig. Haar ravenzwarte haar kwam even voor haar glanzende groene ogen."Wat?""Ik heb geen honger," herhaalde ze."Ik ook."Langzaam haastten ze zich uit het inkomrestaurant naar Jos' kamertje, zonder te betalen. Het potje rattenvergif in de hoek van de hotelkamer moest weer opgevuld worden."Je kunt hier een nachtje blijven als je wil?""Kan niet, ik wil morgen naar Madrid."Ze nam een lichte aanloop naar het bed, nam een halve draai en sprong met armen gespreid als een bungeejumper erop. Jos legde zich naast haar.Toen hadden ze seks, met ingehouden adem en gesmoorde kreunen; ze gingen ervan uit dat de muren zo geluidsdicht waren als karton. Jos' hemd met de vlek lag op de grond. Na de seks nestelden ze zich naast elkaar. "Mijn naam is Anita," fluisterde ze en ze legde haar hoofd naast zijn borst (niet erop, dat lag niet goed).Het geruis van voorbijrazende auto's wiegde hen in slaap. Later dan deel 1:  ++ 6 chocoladekoekjes van het huismerk, een fles rode wijn en een leeg pakje condooms lagen op de kast van de hotelkamer. Zondag dood, maandag begrafenis! Wel dat was niet de eigenlijke slogan van Ruyts rouwcentrum, maar daar kwam het wel op neer. Zijn Spaanse vakantieliefde, verloofde, grauw hoopje as zat nu in een urne. Iedereen die haar ooit heeft gekend, familie, vriend of klasgenoot, zat te huilen. Een uur later zat iedereen buiten de nieuwste modetrends te bespreken terwijl Anita's overblijfselen via de achterdeur in een camionette werden gekieperd. Tot zover zijn maandagnamiddag. Eenmaal thuis, toen de straatlantaarns aansprongen, plofte hij in de zetel. Hij realiseerde zich dat hij zijn dochter was vergeten op te halen van school.Hij schuifelde, alsof hij in een wachtrij voor een attractie was, naar zijn auto. De grijze verf begon af te bladeren net als zijn geluk de voorbije jaren dag na dag begon te eroderen. De groeven als resultaat waren duidelijk te zien op zijn asgrauwe gezicht. Op het tempo van een schildpad kraakte de Volkswagen door de bebouwde kom.Hij kwam piepend tot stilstand voor de gezonde voedingswaren-winkel die alcohol, sigaretten en nog meer alcohol verkocht. De winkelier die van een ander afkomst leek, lachte hem vriendelijk toe met een snuifje argwaan."Ik ga niets stelen," zei Jos droog. De man keek hem heel bevreemdend aan met zo een 'oh, dacht je soms dat ik dat dacht?'-blik.Sloffend tussen de rekken griste hij een fles rode wijn mee. Het etiket was intussen niet meer leesbaar, maar hij bekeek het optimistisch; die wijn heeft vast goed gerijpt.Met een zwier liet hij de fles op de toonbank landen."Foer juros plees."Jos rolde 2 euro naar hem toe, zei dat hij het wisselgeld mocht houden en verliet met een rustige pas de winkel. Onder de nachtelijke hemel reed hij naar de parking van de school van zijn dochter.Hij lag op de grond en dronk de hele fles wijn op.Twee minuten later smeet hij de lege fles aan duigen op de grond. De scherven glinsterden in het witte maanlicht.Er schoot een hevige pijnscheut als een bliksemschicht door hem heen naar zijn linkerhandpalm. Hij had niet door dat hij met een scherf in zijn tere huid zat te krassen.Hij liet zich vergezellen door de maan die zo helder scheen dat ze op de zon leek. Later dan deel 1:  + 6 chocoladekoekjes van het huismerk, bloedrode scherven van een rode fles wijn en een pakje lege condooms lagen op de kast van zijn hotelkamer. "Kom! Hier zijn de koekjes," riep Jos' dochter uitbundig.Jos keek aandachtig naar de prijs, alsof het zou dalen door ernaar te staren."Godver...""Wat zeg je, papa?""Wil je vanille of chocolade?""Chocolade. Mijn vriendinnetjes hebben ook altijd chocoladekoekjes, met die dino op." Hij legde de koekjes in de mand."Waarom mag ik die koekjes met de dino niet?""Ik dacht dat je bang was van dino's."Ze stond op het punt te antwoorden, maar hij snoerde haar de mond door naar de kassa te stappen.Even later zaten ze in de auto op weg naar huis. De benzinemeter stond al een week in de rode zone."Mama zou die dinokoekjes hebben gekocht."Ze vulde haar monoloogje aan. "Waarom is mama me niet komen halen?""Mama is op reis, naar Spanje," fluisterde Jos nauwelijks verstaanbaar door de regendruppels die op de vooruit kletterden."Ze heeft me geen afscheidskusje gegeven.""Mij ook niet, ze moest haar trein halen."Het melodieus getik van regen was in harmonie met het gesnik op de achterbank."Zitten al jouw vriendinnetjes nog in je klas?""Ja." stotterde ze terwijl zoute tranen haar lippen streelden.Toen ze thuis waren, verwarmde Jos een magnetronlasagne voor beiden en dan stopte hij zijn dochter in bed."Luister, het kan zijn dat ik je morgen wat later ophaal. Ik moet naar... een feestje. Als ik je niet op tijd kan ophalen, zeg je dat maar aan je juffrouw. Deal?" Hij aaide haar wang."Deal.""Slaapwel," liet Jos zijn dochter na terwijl hij even later in de deurpost stond."Papa, mag ik maandag twee koekjes meenemen naar school?""Morgen? Ja. Natuurlijk.""Slaapwel," geeuwde ze.Jos rolde de zetel in en dacht aan een website waarvan hij had gehoord. Hij ging dat Kapaza-ding zeker eens bekijken. Later dan deel 1: +++ 4 chocoladekoekjes van het huismerk, bloedrode scherven van een rode fles wijn en een pakje lege condooms lagen op de kast van zijn hotelkamer. Jos zat voorovergebogen op een stoel naar z'n computerscherm te staren. De oude computer zat luid te zoemen. Door de tranen in zijn ogen leken de woorden op het scherm te dansen. Hij had zichzelf te koop gezet op Kapaza. 1 reactie(s): Locatie: in de buurt van Rome, Italië.'Ik kom naar je toe, vader - J.P.'

Etlir Xharra
49 0

Mijn eerste spreekbeurt

Naam: roosjeKlas: 2BTaak: psreekbeurt hallo. ik ben roosje en mijn spreekbeurt gaat over doot zijn. ik ga over een paar maanden mischien doot denkt de dokter en sommige kinderen weten niet wat dat betekent. strakjes wel. alee dat denk ik toch. als je doot bent gegaan dan is er iets gebeurt. ofwel heb je een ziekte gekregen, ofwel heb je honger gekregen, ofwel heeft iemand je dootgeschoten, ofwel ben je heel oud, ofwel heb je heel veel verdriet, ofwel heb je te hart gelachen ofwel heb je je te hart geverveeld. eerst kunnen mensen komen kijken hoe je er uit ziet als je dootgaat. dan ben je een muzeum, maar mensen moeten geen tikets kopen, omdat iedereen die komt kijken van je hout en dus hebben ze allemaal vrijkaartjes. je hebt dan je mooiste kleren aan, degene die jij wil. jij bent doot, dus jij mag kiezen. zoals wanneer je jarig bent. doot en jarig is een beetje hetzelfde. als je leeft dan gaan mensen elk jaar over je leven praten en herineringen ophalen op je verjaardag. als je bent dootgegaan dan gaan ze dat doen op je dootsdag. er is wel een verschil: iedereen kent heel goed zijn verjaardag, maar zijn dootsdag kent niemand. als alle mensen jouw muzeumtje bezocht hebben en jouw gezien hebben als je doot bent, dan sluit het muzeum. ze kunnen het muzeum niet open houden omdat mensen die doot zijn hard gaan stinken. dat is niet door scheetjes, want scheetjes krijg je enkel als je ajeunen en bonen eet en dat lusten doden niet. doden stinken omdat je je niet meer kunt wassen als je doot bent. als het muzeum gesloten is, dan gaat de kerk open. en dan lig jij in het midden van de kerk en mag iedereen afscheid nemen, nu voor echt. dat heet een begrafemis. het stinkt er een beetje raar soms. de mensen gaan dan liedjes luisteren en huilen en over je vertellen. ze zeggen alleen maar goede dingen over je. niet dat je snoepjes hebt gepikt of dat je je huiswerk niet gemaakt hebt en ook niet dat je geklikt hebt. ze zeggen hoe leuk en lief en grappig ze je vinden. dat doen ze niet als je nog leeft. dat is omdat je anders een dikke nek krijgt en dan niet meer in de kist past. want aanja, als je dootgaat krijg je een kist. dat dient als bed, maar dan eentje waar je niet uit kan vallen. het is een kist omdat ze je na de begrafemis in de grond gaan steken en als je in een kist ligt komt het zand niet bij je. sommige mensen gaan niet in een kist, maar daar maken ze as van. hoe doen ze dat? ze verbranden je. dat klinkt eng maar je voelt het niet meer. en dan pas je in een potje. Als je altijd al eens in een potje wilde passen dat kan dus als je doot bent. zo. en als je dan in die kist ligt, of in dat potje zit, dan is het gedaan. dan ben je voorbij. en nu is mijn spreekbeurt voorbij. maar niet doot. dankjewel voor jullie aandacht!

Kruimels voor de kranten.
0 1

Wij zijn samen onderweg, Hallelujah!

De twee mannen in mijn leven zijn Titus en Adam. Er is ook nog een derde man, maar die wenst anoniem te blijven. Moeder leest mee. Titus is de stille man die alles doet wat je als vrouw verlangt. Met zijn verlegen glimlach laat hij zich elke keer weer optillen tot de plek waar ik het wil. Hij houdt het hoofd met lachende, ondeugende , zelfs ietwat loensende ogen altijd wat schuin. Hij flirt schaamteloos en jawel, daar hou ik wel van, seizoen na seizoen… Sleur wordt zwaar overschat. Titus gaat ook wijdbeens wandelen met zijn vette rana ribibunda aan de leiband, dicht bij zijn voet, maar dat deert mij niet. Titus zou complexen kunnen hebben over afmetingen, maar ik vind het goed zo. Ik ben discreet. En dan is er Adam. Adam kwam pas twee weken geleden voor jaren in mijn leven, hoop ik, maar ik kan al maanden niet over hem zwijgen. Vanaf het eerste moment dat onze blikken elkaar kruisten, was het red alert voor mijn gelukcentrum. .Ik ben dan ook vol blinde vlekken voor hem en dat is goed zo. Adam is vinnig, brutaal en sexy en weet verdomd goed dat hij gewoon onweerstaanbaar is. Hij praat bijna onhoorbaar bij hoog toerental en daar hou ik wel van. Ik kan inderdaad hier en nu verklaren zonder gêne dat door Adam ik mij weer vrouw voel. Het schriele dametje is weg. Mijn benen zijn eindeloze verlengstukken geworden van mijn al even aantrekkelijk bovenlijf. Ik ben die vrouw die in slow motion u voorbij wandelt op 14 cm hoge hakken in goudkleurige sandalen, naar u even mijn koele, gespeelde ongeïnteresseerd blik werp terwijl ik heel expressief aan mijn al even voluptueuze lippen lik en mijn lange, karamelkleurige krullen laat dansen op mijn schouders. Dat is wat Adam met mij doet. Wie mij beter kent, weet dat ik niet vies ben van een experimentje hier en daar. Wie mij beter kent, weet ook dat ik lijd aan een ernstige vorm van mannenanalfabetisme, ergens tussen stadium III en IV. Een ernstige overdrijving? Spreek mij tegen. Stelling: hoogste graad van mannenanalfabetisme. Gegeven: het einde van de avond na een meer dan een geslaagd etentje in ons lievelingsrestaurant. Het begin van iets beloftevols. De eerste donderslag , de eerste slingerende bliksemschicht en de donkergrijze lucht kondigen zich dreigend aan. Het zal stormen op alle fronten. Man vraagt : “Heb je een paraplu bij?”. Bewijs: Het duurt 45 seconden voor ik een antwoord kan en durf verzinnen en verwoorden op de vraag van de avond. Mijn hersenen scannen koortsachtig de mannenbetekenis van het woord paraplu. Bedoelt hij dat hij mij nu beschermend in zijn armen zal nemen? En indien ja, hoe drapeer ik mijn armen rond zijn nek zonder een neusbreuk te veroorzaken? Of wil hij nagaan of ik een vrouw ben die in alle omstandigheden zoals MacGyver voor hem op de motorkap spring en ducttape, een Zwitsers zakmes en het vork van het dessert in de jarretelles van mijn beste ondergoed verstopt heb samen met een paraplu?  En wil hij zo nagaan of hij eindelijk de vrouw van zijn leven gevonden heeft: een subtiele combinatie van Angela Merkel en Lara Croft? Wil hij zo verifiëren of ik een paraplu kan openen in één dodelijk efficiënte beweging zonder mijn imaginaire 75D in zijn gezicht te proppen? Of wil hij ontdekken of ik wel de betekenis van het woord paraplu ken? Al die mogelijke antwoorden moet ik overlopen gedurende 45 seconden. Ondertussen staan wij beiden in de plenzende regen. Onze auto is verdwenen in een diepe modderpoel. En dan ontdek ik aan zijn verbeten lip dat hij waarschijnlijk paraplu paraplu bedoelt .  Besluit: stelling bewezen. Ik ben, denk ik, er terecht trots op dat ik bij elke professor met een nerveuze tic de stelling van Pythagoras op meer dan 250 manieren kan bewijzen aan het bord. Ze vloeien uit mijn krijtje. Hypothenusa, parallellenpostulaat, triangulatie galmen door de ruimte in een ware melodie. Mijn bord staat vol. Het hoogtepunt is er. Mijn professor hapt naar adem. In diezelfde mate weet ik alles over mannen. Ik bestudeerde het in een boek. Als mijn professor mij even later op een topografische opmeting zegt dat ik nu zijwaarts moet invluchten met mijn jalons, de loodlijnen moet neerlaten en de cirkelbogen moet uitzetten, blijf ik stokstijf staan. Het flipperkastgevoel is er weer in alle hevigheid. Mijn bluetooth vindt nooit zijn apparaat. Dat is het patroon in mijn mannenanalfabetisme. Het is dus tijd voor een nieuw experiment. Wij doen dat dus met zijn drieën: Titus, Adam en ik. De derde man doet niet mee. Moeder leest mee. Eerst neem ik Titus liefdevol op. Zijn witte baard raakt mijn oor even aan, maar het kietelt niet. Hij klemt zijn rode lantaarn in zijn linkerhandje, maar dat doet hem niet kirren van plezier. Hij glimlacht alleen maar. Wij gaan naar de oprit. Daar staat Adam al te wachten: trots, rood, uitgestrekt, in volle glorie. Vrees niet, Titus, ik gesp je stevig vast. Adam laat het gewillig toe. Ik neem plaats.   Wij hebben elkaar eindelijk gevonden: de ongeduldige, de lieve en de passionele zijn samen. Alle knopjes lichten rood op. Op de achtergrond zingt Finley Quay, It’s Great When We’Re Together . Het zwarte canvasdakje schuift open. De blauwwitte wolken rijden mee. Ik neem de eerste afslag op de snelweg. Wind beroert ons zachtjes. Het toerental stijgt. Hier zijn wij dan met ons drie samen en alles kan gebeuren. Stop het dagdromen. Stop de tijd. Titus, mijn tuinkabouter van regenbestendig plastiek, grijnst naar het keukenraam. Mijn splinternieuwe Opel Adam 1.4, 64kW Easytronic Open Air, ‘Red 'n' Roll briljant’ met ‘I’ll be Black’ dak straalt op de oprit in de weerspiegeling van het raam. Waarom toch kan de liefde niet zo simpel zijn als cruisen in een Opel Adam met een vastgeklikte plastieken tuinkabouter aan je zij ?

Anne-Marie De Clercq
130 0

Vliegpartij

De geur van onze vorige vliegpartij hangt in haar krullen. Ik beeld het mij in als een film die ik in mijn hoofd laat afspelen. Ik ken haar ondertussen al een jaar of vijf, maar iedere keer opnieuw vervaagt de herinnering wanneer ze de deur achter zich sluit. Omdat ik makkelijk overspoeld word door indrukken, komt Ilse iedere laatste donderdag van de maand naar de instelling. Zo hoef ik niet weg te gaan uit mijn vertrouwde omgeving. Geen bus te nemen, niet door drukke straten te wandelen of mensen aan te spreken waarvan ik niet weet wat ze van mij willen. Vandaag is donderdag. Ilse is zoals steeds gekleed in haar stewardess pakje. Ik ben weg van alles wat met vlieghavens te maken heeft. Omdat ik niet zo goed met geld overweg kan, zijn haar bezoekjes op voorhand geregeld door mijn ouders. Om het toch echt te laten lijken betaal ik met een zelfgemaakt vliegticket. New York en Monaco zijn voor een volgende keer. Ilse staat naakt voor mij. 'Gaan we vliegen?' vraagt ze. Ze weet dat ik het woord 'vrijen' vies vind. 'Als ik de commandant mag zijn' zeg ik. Ik lig op mijn rug. Ilse zit op mij, beeldt uit hoe de reddingsvesten zichzelf opblazen. 'Come on my commandant you can do it'. Ze neemt mijn handen vast. Brengt ze in wiegende bewegingen tot bij haar borsten. Laat dan los. We stijgen op. 'This is your captain speaking' zeg ik. Mijn vingers glijden in haar nek, naar de achterkant van haar hoofd. Ik land op rood krulhaar. 'Mayday mayday' roept ze. De geur van een nieuwe vliegpartij hangt in de kamer.

Sascha Beernaert
0 0

Li Yin

Li Yin miste haar thuisland, het altijd groene land van haar voorouders. Wilde rivieren stroomden door de uitgestrekte wouden, vielen metersdiep van hoge rotspartijen en zochten hun weg doorheen de flarden van mist die altijd door het groene land dreven. ‘De mist is onze verbinding met de zielenwereld,’ had grootmoeder haar als klein meisje verteld. Li Yin hield er toen van om het woud in te trekken, tot aan de Watervallei of de Eeuwenboom. Elke keer dat ze mist zag, ging ze erin staan en sloot haar ogen. Dan kon ze de stemmen van de bomen horen, van de dieren die zich tussen het bladerdek en in hun holen verscholen, van het bruisende water. En soms, als ze heel goed luisterde, kon ze de aarde onder haar voeten horen ademen. Dan ging ze op de grond liggen tot de dieren kwamen kijken, die verschrikt wegschoten als ze bewoog. Ze liet de stemmen doordringen tot in haar hart en ademde mee met het ritme van de aarde, als deel van het groen en de mist. ‘Li Yin, luister je wel?’ Li Yin schrok op. ‘Vergeef me, vader, ik was…’ ‘Aan het dromen?’ Li Yin boog haar hoofd en reikte naar haar stok. ‘Waar gaan we heen, vader?’ ‘Ik heb een groep gevonden die je misschien interesseert.’ Li Yin zuchtte inwendig. Niet wéér een hobbygroep. Waarom begreep vader niet dat ze nergens bij paste? Ze had al kleien, dictie en zang uitgeprobeerd. De activiteiten vond ze heel fijn en in het begin waren de mensen erg behulpzaam. Maar na een tijdje merkte Li Yin dat ze haar vergaten, geen uitleg meer gaven of gewoon niet meer naar haar toe kwamen. Dan voelde ze zich zo alleen als toen ze naar dit lawaaierige land aan de andere kant van de oceaan waren verhuisd en Li Yin merkte dat ze de stemmen van de zielenwereld niet meer kon horen. Ze had gesmeekt om terug te gaan, maar haar ouders vonden haar gezondheid belangrijker. Li Yin tikte met haar stok links en rechts op de grond tot ze de band van de auto voelde. Ze reikte naar het achterportier en stapte in. Haar vader reed een hele tijd zonder een woord te spreken. Haar ouders waren voor haar verhuisd. De dokters in China hadden haar een jaar gegeven. In Amerika stond de geneeskunde verder en via een aantal pijnlijke operaties hadden de dokters haar tijd met vijf jaar kunnen verlengen. Haar tijd om het licht te zien, en de bomen en het water, om de vogels te zien vliegen en de mieren te zien kruipen. Op haar vijftiende was haar zicht toch achteruit gegaan en Li Yin had moeten leren hoe ze met haar stok moest wandelen en braille moest lezen. De prijs voor dat alles was de stilte in Li Yins hoofd. Zelfs in de rustigste wijk was het Amerikaanse lawaai te luid om de zielenwereld te horen. Het piepen van de vele elektronica maakte haar soms gek. Dan kon ze enkel met haar handen tegen haar oren heen en weer zitten wiegen tot het lawaai stopte. Ze had gehuild en gehuild om wat ze was verloren en soms voelde ze zich zo onnoemelijk eenzaam. Toen haar vader uiteindelijk de auto parkeerde en haar portier opende, hield Li Yin haar adem in. Geen elektronica, geen motoren. Enkel een briesje frisse wind. Een zacht geruis van water vulde Li Yins oren en ze ademde diep in en uit. ‘Kom.’ Vader legde haar arm op de zijne en leidde haar naar wat een stuk wilde natuur bleek te zijn. Li Yins hart ging sneller slaan. Het ruisen van het water werd luider, de wind feller. Vader legde haar hand tegen de ruwe stam van een boom en Li Yin legde haar tweede hand ertegen. Vader liet haar los. Li Yin deed haar sandalen uit en groef haar tenen in de dampende aarde. Ze luisterde, zette enkele stappen en ging op de grond liggen. Li Yin wachtte tot de geluiden van de natuur verstilden en haar hart het ritme van de aarde aannam. Toen hoorde ze hen. Ruisende stemmen, zacht als een briesje. Verwelkomend, vol vreugde. Li Yin huilde tranen en lachte. Thuis!

Lyne Uytterhoeven
14 0

Een bubbel van niets

Zij is eenzamer dan het woord eenzaam zelf. Zij. Hoort. Niets. Zij hoort niets. Ook geen stilte, de stilte is iets. De stilte is stilte. Zij hoort niets. Rondom haar is een bubbel van niets. Een bubbel die al het geluid absorbeert en haar achterlaat in het niets. Ze. Hoort. Niets. Ze hoort haar vader niet juichen om de voetbal.  Ze hoort haar moeder niet vloeken omdat ze een bord heeft laten vallen. Ze hoort haar kleine broertje niet smeken om een koekje. Een koekje. Ze. Hoort. Niets. Op school kan ze niet volgen. Als de leerkracht even wegdraait om iets op het bord te schrijven, kan ze niet meer zien wat hij zegt. Om te antwoorden of iets te vragen, is ze te traag. School is een hel en wat erger is, ze hoort zichzelf het niet eens  uitschreeuwen van frustratie. In haar vriendengroep knikt ze vaak meer dan ze werkelijk begrijpt wat er juist gezegd wordt. Waar de anderen geen probleem hebben om door elkaar praten, kan zij haar hoofd niet snel genoeg draaien. Maar op school heeft ze tenminste vrienden. Mensen bij wie ze kan gaan zitten tijdens de pauzes en mensen die haar soms vragen voor groepswerken. Maar hoewel ze niet alleen is, is ze toch eenzaam. Wat soms een redding is, maar meestal een vloek is dat ze er perfect normaal uitziet. Ze wordt niet nagestaard of aangewezen, zoals ze soms zie bij andere gehandicapten. Gehandicapt. Een label dat op haar geplaatst wordt en waar ze niets over kan zeggen. Haar moeder heeft niet graag dat ze dat woord gebruik. Zij zegt dat ze een normaal meisje is, dat ze denkt zoals iedereen. Toch heeft haar moeder er geen problemen mee om de subsidies die haar status als gehandicapt met zich mee brengen, gretig te aanvaarden. Ze is geen gehandicapte, alleen als er van haar geprofiteerd kan worden. Mensen zijn raar. Nooit zullen ze voor een blinde iets dichterbij houden en vragen of hij het dan wel ziet. Toch roepen ze in haar oren. Ze voelt mijn trommelvliezen trillen van pijn. Maar ze hoort niets. Ze hoort niet wat er achter haar rug wordt gezegd. Of voor haar neus. Ze hoort geen taal, ze ziet alleen maar de taal van anderen. Gisteren zijn ze naar de dokter geweest. Hij stelde voor om te informeren naar een CI. Een cochleair implantaat. ZE ZOU KUNNEN HOREN. Haar moeder horen zingen terwijl ze was doet. Haar vader horen lachen om een grap op tv. Haar broertje horen zeggen dat hij van haar houdt. Ze zou zelfs mee kunnen roddelen over jongens op school. Ze komt bijna dansend thuis. Thuis kruipt ze meteen achter de computer, ze wil alles te weten komen over het CI. Ze begrijpt niet hoe het werkt, het zet  geluid om naar pulsaties en die rechtstreeks naar het slakkenhuis sturen. Wat ze wel begrijpt is dat ze een gaatje in haar schedel gaan boren. En dat de slaagkans op haar leeftijd slechts 50% is. En dat zelfs met een CI ze maar 30 decibel meer kan horen. En dat er mensen zijn die wensen dat ze zich nooit hadden laten opereren. En ze vraagt zich af of ze wel wilt horen.  Of ze wilt weten wat er over haar wordt gezegd. Of  ze ’s morgens de boren wil horen die nu al maanden vlak voor de deur de waterleiding proberen te vervangen en waarover haar ouders zo vaak klagen. Ze begint zich af te vragen of het dat is wat ze wilt. Stiekem, onder de dunne bescherming van haar lakens, zoekt ze meer informatie over een CI op. Hoe meer ze te weten komt, hoe meer ze begint te twijfelen. Kunnen horen lijkt haar heerlijk, maar ze is al heel haar leven doof, is ze wel klaar voor alles wat de horende wereld met zich meebrengt? Ze zal geen filter hebben in het begin. Ze zal alles horen. Ook dat wat normale mensen kunnen negeren, zal zij horen. Ze zal  haar ouders voor het eerst horen ruziemaken en het water van de kraan horen druppen en haar broertje over het parket horen glijden en hun kat op de trap horen en de vogels buiten horen fluiten en haar tantes horen roddelen ,al dat te samen, en ze zal niets kunnen wegfilteren. Hoe moet ze dan een gesprek voeren? Hoe moet ze dan erin slagen om niet afgeleid te worden door de wereld om haar heen? Door op alles te klikken waar op te klikken valt, geobsedeerd om zoveel mogelijk te leren, en dieper te gaan dan ooit te voren,  komt ze uit op een website van een dovenvereniging. Blijkbaar zijn er groepen waar mensen als zij niet de uitzondering zijn maar de regel. Plaatsen waar men niet met medelijden naar haar zullen kijken als ze ontdekken dat ze doof is. Er worden verschillende dingen georganiseerd, zoals wandelingen, spelletjesavonden, quizzen, maar ook gewoon momenten om met elkaar te praten. Hoe ze dan praten, weet ze niet. Hebben zij allemaal zo’n CI? Haar ouders blijven vragen wanneer ze een afspraak kunnen maken bij een specialist. Wanneer niet of. Ze twijfelen er niet aan dat ze een CI wil. En waarom ook niet? Waarom zou ze niet willen zijn als al de anderen? Dat is toch waar ze al heel mijn leven van droomt? Normaal zijn? Ze durf niets zeggen over de gebarenkringen die ze heeft opgezocht. Er is er eentje vlak in de buurt. Ze zou de bus kunnen nemen, gewoon een uurtje blijven om te zien hoe het er aan toegaat in een zaal vol met andere doven. Soms droomt ze ervan om stiekem weg te glippen en te gaan, hoeveel ze haar ouders er ook door kwets om haar apartheid te benadrukken. Ze weet hoe zwaar het op hen weegt om steeds weer te moeten zeggen dat ze doof is. Alsof zij gefaald hebben toen ze gemaakt werd. Maar ze wil gewoon al haar opties weten voordat ze een beslissing maakt. Ze is uiteindelijk dan toch geweest. Ze heeft gezegd dat ze met een vriendin ging zwemmen, heeft de bus genomen en is naar de dovenclub geweest. En eerlijk? Ze voelde zich er eerst net zo erg een buitenstaander als op school. Iedereen sprak er in gebarentaal en leek elkaar zo ook te verstaan. En zij verstond de taal weer niet. Hoewel er niets te horen viel, zag ze niet wat er gezegd werd. Toen ze na een kwartiertje wou opstaan en weer vertrekken, kwam er een vrouw naar haar toe. Ze sprak haar aan in gebarentaal, maar toen ze zag dat ze haar niet begreep, sprak ze tegen haar. Ze vroeg of ze hier voor de eerste keer was en waarom ze hier was. Ze luisterde naar haar verhaal. Over hoe eenzaam ze zich voelt op school en soms zelfs thuis, over hoe de dokter had voorgesteld om een CI te implanteren, over haar onderzoek op het internet en over ze steeds meer en meer begon te twijfelen over wat ze nu juist wil. Ze vertelde haar over hoe graag ze bij de groep zou willen ‘horen’. De vrouw glimlachte om haar onbewuste woordspeling, maar ze bedacht dat dat exact uitdrukte wat ze zeggen wilde. Ze vertelde de vrouw over haar verlangen om haar moeder slaapwel te horen zeggen, om haar vaders troostende woorden te horen. Ze vertelde haar alles wat al weken op haar maag lag. En de vrouw luisterde. Ze weet niet of ze alles verstond, of ze niet te snel praatte om haar lippen duidelijk te vormen, maar toch luisterde de vrouw. Daarna nam ze haar bij de hand en bracht haar naar een andere man toe. Ze gebaarden onderling iets, ze wist dat het over haar ging omdat ze een paar keer naar haar wezen en regelmatig in haar richting keken. Toen vertrok de vrouw en liet haar achter bij de man. Hij glimlachte en vertelde haar zijn naam. Daarna wees hij naar iets achter zijn oor, wat, zo vertelde hij haar, zijn CI was. Hij was net als zij doof geboren en was ook oraal, dat wil zeggen als je leert spreken en liplezen in plaats van gebaren, opgevoed. Toen hij rond haar leeftijd was, had men hem ook voorgesteld om een CI te laten implanteren en hij was akkoord gegaan. Toen keek hij haar aan en zei dat het uiteindelijk voor hem de juiste beslissing bleek te zijn. Het was moeilijk in het begin, zo zei hij, omdat je van niets naar alles gaat. Hij voelde zich soms depressief en alleen. Mensen verwachtten dat hij meteen alles zou kunnen wat zij ook konden, omdat hij nu toch een implantaat had. Maar zo snel ging dat niet en hij begon zijn beslissing te betreuren. Toen kwam hij ook via via hier terecht. Net zoals zij begreep hij niets in het begin, maar hij begon thuis gebarentaal te leren en door regelmatig te blijven komen, pikte hij het redelijk snel op. Met redelijk snel, zo waarschuwde hij haar, bedoelde hij een aantal jaar totdat hij echt vlot was. En met deze combinatie van de horende wereld en de dove wereld voelde hij zich het gelukkigste. Hij was doof, met of zonder implantaat, en hij voelde zich ook thuis in de Dovencultuur, maar als hij wou, kon hij ook met horende mensen converseren. Hij kon vertellen tegen zijn vrouw dat hij van haar houdt en haar horen antwoorden. Maar hij kon hetzelfde gebaren tegen zijn dove zoon. Ze heeft nog lang over dat gesprek nagedacht en soms denkt ize: “Ja, laat ik het zo doen, ik laat mij implanteren, maar ik leer ook gebarentaal.” Ze gaat op afspraak bij specialisten, bij dokters en bij mensen bij wie de operatie succesvol was, maar die definitieve stap durft ze nog steeds niet te zetten. Ondertussen is ze wel begonnen met gebarentaal te leren en gaat ze nog steeds stiekem naar de gebarenkringen, waar ze zich steeds beter en beter thuis voelt. Ze heeft het thuis nog niet durven zeggen, omdat ze weet wat haar ouders gaan denken. Dat ze geen CI wil, dat ze niet normaal wil zijn. Misschien is dat wel zo, misschien houdt ze wel van dat speciale kantje aan haar, zeker sinds ze mensen heeft leren kennen die ook van dat speciale kantje houden, maar vooral wil ze voorlopig gewoon nog geen beslissing nemen. Dus zij hoort niets. Ze is doof geboren. Ze heeft haar eerste schreeuw zelf niet gehoord. Ze heeft nog nooit iets gehoord. Zij. Hoort. Niets. Ze is doof, maar ze is ook Doof en voorlopig is ze het gelukkigste in haar bubbel van Niets.

Lotte
0 0

Wil je even gaan zitten?

Ga toch zitten.  Waarom ga je toch niet zitten?  Het zouden onzeker geprevelde eerste woorden kunnen zijn die een gezellige babbel en een spannende avond inleiden ergens aan de bar van een leuk cafee waar je toevallig je eerste lief tegen 't lijf loopt.   Zet je toch even. Als je tijd hebt tenminste. Als je wil? Als het niet derangeert? Wil je daar niet even gaan zitten?   Of het zouden bezorgde woorden kunnen zijn wanneer datzelfde lief (die ondertussen bij je is ingetrokken) wit wegtrekt en blozend gelijk een bak witloof dreigt van haar sokkel te vallen door die vervelende ochtendmisselijkheid. Zet je toch even. Gaat het? Zou je toch niet even gaan zitten?    Wat later klinkt die "zou je niet even willen gaan zitten" als: Af! Zit!  Zit zeg ik! wanneer de hond, die met dezelfde bestelling als het eerste kind mee geleverd, aan je met de eerste spaarcenten verdiende lederen sofa aan het knabbelen is.   Vandaag hoor ik de woorden opnieuw bijna dagelijks door het huis galmen.   Zitten aub!  Waarom kunnen jullie niet gaan zitten? Gevolgd met de "en doe den bril omhoog."   Is het jaloezie?  En zijn vrouwen dan nijdig omdat wij mannen gericht en doelgericht de gazon kunnen bewateren terwijl zij enkel maar hun emmer kunnen uitkieperen? Is het de confrontatie met de fysische plasbeperking, eigen aan het vrouw? Enkel zittend? Of is het die fier opgedroogde gele pislek die op de witte wc-bril prijkt en het daarmee gepaard gaand beeld dat je ongewild influistert "heel even geleden stond hier een echte vent met zijn fluit in zijn handen?"   Akkoord het mikken kan soms beter.  Er wordt wel een enkele keer aan het te bereiken doel voorbij geschoten maar dit is dan hoofdzakelijk te wijten aan de toestand waarin de lans zich op dat ogenblik bevindt.  Als rechtstaand plassen vooraf gaat aan wakker worden zou het kunnen dat er door de hardheid der dingen de roos gemist wordt.  Op deze, maar enkel op deze momenten zou zittend plassen een te overwegen alternatief kunnen zijn.    Maar voor de overschot heeft deze jongeheer de nieuwe-man-grenzen bereikt.  Rechtstaand pissen wordt me niet ontnomen.  Rechtstaand plassen is een mannenrecht! Er gaat niets boven een fier rechtopstaand fijn geproduceerde urinestraal welgemikt in het midden van de pot gespritst. Rechtstaand pissen is het enige wat ons nog onderscheid van vrouwen. Laat er echt geen misverstanden over bestaan.  Echte mannen maken er een erezaak van.  Nooit op de bril.!  De (pis)lek op de bril ontstaat maar uiterst zelden bij het pissen zelf, maar is eerder het gevolg van de afschudactiviteit.  Bij accuraat afschudden gaan menige mannen in de mist en laten zoals slechte indianen sporen achter.  Dus mannen probeer voortaan een voorbeeldindiaan te zijn.  Don't overdo it en ga bij het afschudden nu niet roedejongeleren en hou het bescheiden. Wis je sporen en wees de voorbeeld-Old-Shatthand-van het wc gebeuren.   

jan pultau
0 0