Lezen

Frank, mezelf en toevalligheden

“Is dit wat ik wil, dat ik mijn verhaal vertel? Is dat wat men van mij vraagt, dat ik dit wil, dat ik mijn verhaal vertel?”       Het leven van bekende mensen is niet simpel, bedacht hij zich toen hij voor de spiegel stond. Hij was al langer beroemd dan de tijd dat hij nu daar stond, reeds een jaar of vijf? Toen hij meedeed aan een kwis op tv. Bij toevalligheid word je leven bepaald, want natuurlijk, zoals dat gaat, had hij zichzelf niet ingeschreven. Het waren zijn gekke makkers van het werk, waar hij al lang niet meer werkt, die al lang ook zijn vrienden niet meer zijn. Hij bedacht zich voor de spiegel dat ze eigenlijk nooit zijn vrienden geweest zijn, maar bij toevalligheid, werkmakkers bij de autofabriek, de mensen waren waarmee hij zich associeerde. “Ga je mee ééntje drinken?” Het werden er gauw meer, en het bleef niet bij één nachtelijk cafébezoek. Als de weersvoorspelling die avond niet was uitgekomen, dat de komende uren zwoel gingen blijven, met in de loop van de nacht weliswaar onweer, met kans op hagel en hevige windstoten, zoals dat er steeds wordt bij verteld, alsof we niet weten wat een onweer inhoudt, hij was niet mee gegaan. De derde toevalligheid bedenkt hij zich voor de spiegel, terwijl hij zijn haren in de plooi legt. Eigenlijk zijn er weinig ontoevalligheden. Het café op de hoek van de straat aan de fabriek, dat is nu ontoevallig. Wat wil je immers? De plaats waar we ons kunnen verdrinken en vergeten dat we leven op toevalligheden, hoe zouden we anders onze onmacht overleven? Dat begreep de cafébazin maar al te best en ze telde het geld. Met deze pientere gedachte was hij klaar voor de wereld daarbuiten, met het venster op een kier. Het onweer was net gepasseerd dus kon hij de baan op, naar het interview met een gladjanus journalist van een gladjanus tijdschrift die zijn verhaal wilde horen. Geen weg terug, dacht hij, trok de deur achter zich toe en weg was hij. Zijn naam is Frank.   Gelukkig zijn de meeste mensen, zoals ik, onberoemd, en hoeven wij ons deze vragen niet te stellen en vertellen wij ons verhaal, onze gedachten, onze gevoelens op de manier dat wij dat willen. Ik doe het met gedichten en schrijf verhalen over Frank.   Weerbericht Het was met gelaten en vredige onmacht om horen Dat de ontmoeting van twee druppels water, in niets geleek in al wat zou volgen Dat denderende hagelbollen, inslagende bliksem en de wind zonder weerga Zouden uitsterven in de zang van een merel   ...........    

Maarten Vandervelpen
13 0

Het grotje ( erotisch )

Slap en klein hing ik daar Tot plots, ik werd wat gewaar Mijn baas was aan het stoeien En ik, ik begon gelijk te groeien Ik kan jullie wel vertellen Dan begint het hier snel te knellen Gelukkig werd ik al snel bevrijd En door een hand naar een mond geleid Wat was dat een heerlijk, lekker en zalig gevoel Zeker als ik die tong over en op mijn kopje voel Daar word ik nog groter en stijver van Wat was ze nog met mij van plan? Haar hand greep me vast Van kou totaal geen last naar een warm grotje werd ik geleid Voor een beetje actie werd het tijd Ik gleed het grotje langzaam naar binnen Al begon ik nog wat aan grote te winnen Toch ging het vlotter dan verwacht Het grotje was dan ook warm, nat en zacht De temperatuur bleef verder stijgen Ik begon het nu wel warm te krijgen Al snel werd het me toch zo heet Dat ik maar terug naar buiten gleed Toch voelde ik het verlangen, de zin Ik wou graag dieper dat grotje in Ik ging dan maar sneller over en weer Wel een tiental keer, misschien zelfs meer Zo lang tot ik het niet meer hield En mijn eigen warme vloeistof uit mij schiet Diep dat hete grotje in De portie was niet min Daarna begon ik langzaam af te koelen En me terug wat kleiner te voelen Tenslotte gleed ik helemaal uit de grot Doch er kwam nog een onverwacht slot Ik werd helemaal proper en weer schoon gelikt De restanten van mijn vloeistof werden ingeslikt Ik werd nog een laatste keer gekust En dan werd het tijd voor wat rust Toch hoop ik al op een volgende keer Ja ik bezoek zo'n heet grotje graag weer Want wat is het toch fijn Om daar in te mogen zijn.

Danny Dup.
757 0

Fetish uit een doos

Ik heb een dildo gekocht om de kunst van het masturberen te leren. Op de doos staat LOVEHONEY in dikke roze letters. Ik test hem vanavond voor het eerst. Aan wie ik zal denken weet ik nog niet, waarschijnlijk niet aan mijn man. Batterijen heb ik niet gekocht, dat hoeft naar het schijnt niet bij een dildo. Ik heb even getwijfeld, maar een vibrator leek me toch te fake. Een penis trilt ook niet minuten aan een stuk. Hoogstens enkele seconden misschien. Neen, een penis pulseert in op- en neerwaartse stoten. Daarom is het een penis. Bovendien was de dildo afgeprijsd. Voor 28,95 euro heb ik vanavond voor het eerst in zes weken weer eens goede seks. Als ik de verpakking mag geloven toch. Die valt trouwens wat tegen nu ik thuis ben. Ik had meer tijd moeten nemen daarnet in de winkel. Ik koop niet elke dag een seksspeeltje. Vijf minuten om te kiezen en af te rekenen is niet veel. Het kan ook liggen aan de plaatsvervangende schaamte die mij tijdens mijn aankoop overviel. De man voor mij aan de kassa had een fetish. Dat hij daar stond omdat de toonbank hem opwond, had ik pas door toen de verkoopster mij wenkte en hem vriendelijk verzocht plaats te maken. Hij schuurde nog snel zijn onderbuik tegen de glazen zijkant en verdween vervolgens achter een rek dvd’s vol parafilieën. De twee meiden achter mij die met enkele attributen, zogezegd voor een vrijgezellenparty, stonden te zwaaien maakten het nog gênanter. 'Strapon' en 'Futaner' hoorde ik hen giechelen. Ik was opgelucht toen ik weer buiten stond.   Uit de doos lijkt hij langer. Hij heeft blijkbaar ook een zuignap. Dat betekent dat, als ik hem optimaal wil gebruiken, op zoek moet naar iets om hem tegenaan te kleven. Onze slaapkamer heeft geen gladde ondergrond. De badkamer is geen optie, die is vandaag nog gepoetst. De woonkamer dan maar. Vanavond ben ik toch alleen. Ik spuug zo hard ik kan op de onderkant en plof hem in het midden van de tafel. Hij wiebelt van links naar rechts, maar blijft overeind. Gehurkt schuif ik een 6 inch siliconen dildo zo diep als ik kan in mij. Stel je voor dat mijn man nu binnenkwam. Ik probeer de gedachte te verdringen, alsook die van mijn ongeschoren bikinilijn. Ik plaats mijn handen voor mij uit, krom mijn rug zo ver ik kan. Vervolgens kantel ik mijn bekken en begin op en neer te bewegen. Op de een of andere manier slaag ik erin om pulserende penisbewegingen na te bootsen. Ik voel het aan een opkomend orgasme. Alsof er iets in mijn hoofd knapt duw ik plots mijn knieën tegen elkaar en wacht… In een flits zie ik een man en een toonbank. Ik veer recht en trek de dildo weg. Voor ik het weet sta ik voor het tafelblad. Het harde hout tegen mijn schaambeen windt mij op. De kwast op de rand die ik met mijn gedrup groter lijk te maken,  geiler. Ik doe het zonder nadenken. Duw mijn vagina tegen de hoek, wrijf steeds wilder in op- en neerwaartse bewegingen. Harder, harder, nog, harder, nog, nog, nog… Bij iedere kreun neuk ik de tafel tegen de muur. ‘Ik kom.’ gil ik. … Er liggen scherven op de grond. Ik ruim ze op. Als Filip mij morgen vraagt wat er met onze trouwfoto is gebeurd zeg ik dat hij van de muur viel tijdens het afstoffen. Vrouw-zijn is een kunst die je niet kunt leren. Masturberen daarentegen…

Sascha Beernaert
40 0

Hart van Kleuren

Een indrukwekkende bliksemschicht schroeide door de nacht. De hemelverscheurende donder liet de wolkenkrabbers van de metropolis schudden op hun grondvesten. Alles was plotseling gekomen; de donder, de flits die de hemel in vlammen leek te zetten. De regenstorm volgde snel. Honderden dikke druppels stortten uit de hemel en spatten op de asfaltweg open. Op de stoep stond een man. Hij heette Enoch. Enoch was geen normale man. Hij droeg abnormale kleding in allerlei kleuren met op zijn gele haren een gouden hoed. Ondanks de regen lachte hij en zijn grasgroene ogen lachten mee. Hij was het enige lichtpuntje in deze duistere wereld. Een kleurrijke vuurtoren in een oceaan van zwarte paraplu’s, pakken en gebouwen. Enoch richtte zijn vinger naar de hemel, vragend om aandacht. Maar niemand keek. Hij bolde allebei zijn handen en legde ze op elkaar. Niemand zag hoe een bol van kleuren tussen zijn handen groeide, toen hij ze weer van elkaar scheidde. De bol gaf een warm licht af en straalde over de zwarte oceaan. Maar niemand zag het. Toch lachte de man en toen hij zijn hoofd naar de hemel boog, lachte hij hardop in de stortregen. De kleurenbol straalde als vuur tussen zijn handen. Hij hijgde en met iedere hijg blies hij een dampend wolkje de koude wereld in. De bollen waren puur, gecreëerd uit de energie uit zijn hart. Hij pijnigde hem in zijn borst en vermoeide hem met iedere dag dat hij dit deed. Maar toch bleef hij het doen. Mensen in zwarte kleding liepen voorbij. Ze hadden allemaal één hand om de stok van hun paraplu geklemd. Ieders gezicht was naar de grauwe stoeptegels gericht. Enoch zuchtte. De bol nam in licht af. Toen verloor het kleur. De zwarte bol vermengde met de zwarte omgeving. Hij liet zijn armen zakken en de bol vervaagde. Het rinkelende geluid van munten die neervielen, liet hem opschrikken. Een vrouw had een handjevol munten in zijn bakje gegooid. De regen stroomde van haar paraplu. Haar grote ogen hadden een neonblauwe kleur die leken op te lichten in de donkere nacht. Een glimlach sierde haar gezicht. Enoch lachte naar haar en bedankte haar. Daarna liep ze glimlachend weg en Enoch staarde haar na.   De volgende avond had hij opnieuw kleurenbollen met licht laten verschijnen. De vrouw was weer gekomen, had weer naar hem geglimlacht en had ook haar naam verteld; Catherine. De volgende avond werd de straat opnieuw verlicht door zijn bollen. Catherine gaf elke avond weer geld, altijd met een glimlach die haar gezicht sierde. Iedere avond zag hij haar weer, goed of slecht weer. Op een avond bleef ze langer staan kijken dan de andere keren. Enoch creëerde de mooiste bol die hij kon creëeren en overhandigde het aan Catherine. Door de vreselijke pijn begonnen de tranen achter zijn ogen te prikken. Enoch dwong de tranen weg. De pijn bleef branden, maar het was het waard om te zien hoe Catherine de kleurenbol in haar handen nam. Ze bedankte hem en schonk hem de warmste glimlach die ze hem ooit had gegeven. Daarna was ze weggelopen…   ...en niet meer teruggekeerd. Iedere avond creëerde hij weer zijn kleurenbollen, maar niemand zag de schoonheid ervan. Niemand nam de moeite. Dagen werden weken, weken werden maanden en maanden werden jaren. Enoch bleef hopen dat Catherine zou wederkeren, zodat hij haar nog een bol kon schenken. ‘s Nachts lag hij dan huilend in bed, zijn gezicht in het kussen gedrukt.   Er was een avond dat de pijn te hevig was geweest. Hij hoestte van de pijn, een droge en verscheurende hoest. Bloed galde omhoog wanneer hij hoestte. De volgende ochtend werd hij wakker, zijn kussen bevlekt met bruin, opgedroogd bloed. Deze ochtend ging hij naar het ziekenhuis. De dokter onderzocht hem en onderzocht zijn hart. Zijn hart was een rode massa. Gepijnigd. Bloedend. Gebroken. Met een gebroken hart keerde Enoch weer terug naar zijn thuis.   Diezelfde avond wandelde hij over straat. De zware regen stroomde over zijn paraplu en de grauwe tegels waren donker van de nattigheid. Plots botste hij tegen iemand op. Hij keek op van de tegels en zag Catherine. De pijn in zijn gebroken hart leek weg te kwijnen, maar ze herkende hem niet. Ze stonden tegenover elkaar alsof ze vreemdelingen voor elkaar waren. Opnieuw creëerde Enoch een kleurenbol. Hij voelde de pijn onder zijn ribben schroeien en hij was er zeker van dat zijn hart nog meer zou breken. Maar toch bleef hij het doen. De kleuren waren prachtig, het licht warm en behaaglijk. Maar de pijn in hem brandde. Zijn benen wankelden en hoestend - gekweld - stortte hij ten aard. Het heldere bloed vloeide dik langs zijn mondhoeken. Hij wilde de bol aan haar geven, maar toen hij opkeek, zag hij dat ze verdwenen was. Tranen prikten achter zijn ogen, terwijl hij probeerde ze niet te laten gaan. De bol verduisterde en al het kleur en licht droop eruit. De mensen met zwarte paraplu’s en kleding passeerden hem - gezichtloos en zijn bestaan ontkennend. Zelfs toen hij zijn stervende adem uitblies zag niemand hem en niemand nam ook daarvoor de moeite. Moeizaam liet hij zich op zijn rug rollen. De regen stortte naast hem op de stoep en besprenkelde zijn blekende gezicht. Hij staarde naar de oneindige hemel, maar al snel werd deze bedekt door de zwarte paraplu’s. Enoch merkte niet dat zijn ogen dichtvielen, want alles was zwart.   Toen plots voelde hij een liefelijke warmte. Door zijn gesloten oogleden nam hij een licht waar - zwak, maar het moedigde hem aan zijn ogen te openen. Twee gele ogen ontmoetten de zijne. Hij zag enkel haar gezicht - een bezorgde uitdrukking. Hij keek opzij. Tussen haar handen zag hij een kleurenbol, de bron van het aanmoedigende licht. Zijn mondhoeken trokken hoopvol omhoog. Hij fluisterde iets, maar het was bijna onhoorbaar door de regenval. Ze keek vragend, en fluisterde iets terug. Met het laatste beetje kracht dat hij nog bezat, tilde Enoch zijn handen omhoog, naar haar. Een laatste uitstrekking - krachteloos en verslagen. Tussen zijn handen ontstond een kleurenbol. Het licht dat eruit straalde was feller en warmer dan elke andere bol die hij ooit in zijn leven had gecreëerd. De kleuren waren mooier dan ooit. Het laatste beetje energie dat nog in het hart van Enoch restte, werd opgebruikt voor de creatie van deze bol. Zijn hart verbrijzelde in honderden scherven. Het begon als een dof gevoel, maar al snel volgde een scherpe steek, alsof iemand hem stak met een lange dolk. Zijn handen trilden toen hij zijn bol met die van haar liet samensmelten. Kleuren die voorbij de fantasie van mensen traden, ontstonden in de samengesmolten bollen.   Een fluistering, nu langer.   Enoch verloste zijn allerlaatste adem. Het wolkje dampte de wereld in. En vervaagde.   ‘Ik heb niets meer.’ ‘Waarom niet?’ ‘Ik heb alles aan de verkeerde gegeven.’

Aaron de Bruijn
0 0

Zeezicht op Zurenborg

  Het is een zwoele zondagavond. Ik zit op een kruk en leun nonchalant tegen de voorgevel van café ZeeZicht op de Antwerpse Dageraadplaats. Ik zie overal lachende gezichten, pretoogjes en frisse pintjes. Uitlaten als: "Gij meent da!" en "Ge hebt hem toch de waarheid verteld?" worden de verzadigde lucht in geschoten, maar ze lossen even snel op als de geblazen zeepbellen van de kinderen op het plein. Het is een luidruchtige mensenmassa op twee veertigers na. Alsof een glazen stolp hen, zittend aan een klein rond tafeltje, scheidt van de rest van het plein.   Hij draagt een gecentreerd wit hemd met hoge kraag, een marineblauwe vest en een klassieke zwarte Ray-Ban. Zijn grijzende haren zijn strak over zijn kalende kruin gekamd. De dikke gouden ring met diamant aan zijn rechterpink schittert door de laagstaande zon. Zij heeft zichzelf in een zwart maatpak gewrongen. Aan de stand van haar intimiderende borsten te zien, loert een nipplegate gevaarlijk om de hoek. Haar geblondeerde haren vallen op zoals een fluovestje dat doet en steken af tegen haar gebronzeerd, verrimpeld velletje.   Ik bestel mijn tweede bolleke Koninck.   Het valt mij op dat de ijdele man – ik noem hem in gedachten Ray - schichtig om zich heen kijkt en voortdurend zijn benen beweegt alsof hij een dubbele basdrum aan de praat houdt. Hij jongleert non-stop met zijn witte iPhone 6 en werpt zijn vlam regelmatig kusjes toe. Zij kijkt geamuseerd, giechelt en tracht ondertussen haar borsten in het gareel te houden. Ze stift haar lippen babyroze op het moment dat de ober met twee glaasjes bubbels komt aangewaaid. Ze klinken en nippen van hun glas.   Links van mij komt een mollige dame met knalrode kop aangestormd. Ze sleurt daarbij aan elk hand een jongen van een jaar of twaalf mee. Ik vermoed dat de twee fils à papa haar kinderen zijn. Ray heeft haar ook in de mot en hij veert recht. Nog voor hij een woord kan uitbrengen, zet de vrouw het op een brullen. “Kijk eens jongens, hier zit hij! Dat ziet er een belangrijke vergadering uit!” Ray sist: “Rustig Brigitte, moet heel het plein u horen of wat! En wat doen de jongens hier? Die moesten al lang in hun bed liggen!” Brigitte keelt verder: “Wat krijgen we nu? Gaat gij mij hier opvoedingsadvies geven of wat? Ge zijt nooit thuis, vuile leugenaar!”   De blonde bimbo zwijgt, kruist de armen en rolt met haar ogen. De twee jongens lopen ondertussen ook rood aan. Niet van woede, maar van schaamte. De ene broer huilt en schuilt achter de schouder van de andere.   Ray kijkt naar Brigitte en wijst naar zijn gebroken zonen. Hij snauwt: “Zijt ge nu content, Brigitte? Ge kon toch evengoed wachten tot ik thuis was in plaats van heel het plein op stelten te zetten. Mijn meeting met de bank was afgesprongen, oké? Er kwam een gaatje vrij en ik heb mijn collega Veronica uitgenodigd om nog een aantal dingen te bespreken voor de belangrijke meeting van morgen.” Veronica richt zich tot Brigitte en zegt triomfantelijk: “Aangenaam.” Brigitte brult verder: “Gij omhooggevallen stukske zeveraar! Ik ben uw excuses spuugzat, Ywein. Een gat in uw agenda … Haar gat zeker? Bedrieger!” Veronica giechelt.   Ik vind het jammer dat Ray eigenlijk Ywein heet. Ray past hem veel beter als midlife-macho.   Brigitte raast ondertussen verder: “Ik, wat zeg ik, wij, houden u al 10 minuten in de gaten en we weten genoeg! Ge zit verdorie met uw neus tussen haar borsten terwijl ge haar handje vastpakt. Ik zal u eens iets zeggen, meneertje de directeur. IK WIL DAT GE VANAVOND UW BOELTJE PAKT!”   Door de laagstaande zon zie ik hoe Brigittes woorden worden versterkt door een spervuur van speekseldeeltjes die het gezicht van Ywein bombarderen. Ondertussen is het plein stiller dan ooit. Alsof elke caféganger getuige is van een indrukwekkend stukje straattoneel. Een hipster aan het tafeltje naast mij denkt trouwens écht dat dit doorstoken kaart is. Hij zegt tegen zijn vriend dat dit ‘stuk’ waarschijnlijk een leuke verrassing is van één of ander theatergezelschap dat meedoet aan de Zomer van Antwerpen.   Luttele seconden na de zware woorden tracht Ywein zijn vrouw te bedaren. Dat ze het rustig thuis zullen bespreken en dat het een groot misverstand is. Dat hij het zal goedmaken en dat hij belooft vaker thuis te zijn. Dat hij de verloren tijd zal inhalen. Maar daar heeft Brigitte geen oren naar. Ze zwaait haar handtas tegen haar man zijn linkerwang. Als blijkt dat Yweins oor bloedt, lijkt de hipster al wat minder zeker van zijn ‘stuk’. Zijn wenkbrauwgefrons zegt genoeg. En Veronica, die is ondertussen met de noorderzon verdwenen.   Brigitte sleurt haar getraumatiseerde zonen letterlijk mee in haar verdriet. Weg van de flirtende boeman die verslagen zijn wonden likt op een plein dat terug ademhaalt.   Ik bestel mijn derde bolleke Koninck.  

Antony Samson
60 0