Lezen

Remember Toots

Hoe fier ben ik, dat ik het je, haast twintig jaar geleden, zelf heb mogen en durven vertellen. Het verhaaltje van mijn schoongrootmoeder.    Jij was te gast op de stand van een luxemerk op het autosalon te Brussel. Toen ik met een vriend langs de andere kant van het afscheidingstouw voorbij wandelde, zagen en begroetten wij je.  Je was de eenvoud zelve en in plaats van op ons neer te kijken, zoals  vele andere grootheden zouden doen, groette je hartelijk terug en wenkte ons.  De securityman wist ook wie je was en liet ons tegen zijn zin op jouw wenken door.   Jouw warme handdruk, je eeuwige “smile”, het glas dat wij samen dronken – het is een herinnering om te  blijven koesteren.  En jouw muziek natuurlijk.    Toen vertelde ik je de “story” van mijn bejaarde “grand mother in law”.  Zij keek maar naar één TV kanaal maar telkens  ze je zag,  vond ze er maar niks aan.  Zo een oude man die op een speelgoedharmonica muziek maakte.   Je kon er hartelijk om lachen want je wist beter dan wie ook dat dit kleine instrument jou wereldberoemd had gemaakt.   Van dat beroemd zijn hield je niet en “you could not care less”, dat je geadeld werd lachtte je weg met  “je suis le Baron des Marolles”.  Of het de grootste muzikanten ter wereld waren of de ketjes uit jouw geliefde Brussel, het waren allemaal “copains” en “best friends”.   Vele bewonderaars zullen vandaag een traan wegpinken en denken aan een of andere attentie die ze van jou mochten ontvangen of simpelweg wegdromen bij de heerlijke muziek die je aan vele generaties hebt cadeau gedaan.   Merci, Toots, ge waart nen toffe pee en wij zaain gielegans geperturbeet en van os melk moar we zaage en hoerdege  a zuuu geire !   

Vic de Bourg
22 0

Stadsgezichten

’s Zomers spreidt de stad haar straten uit, ze buigt haar asfalt onder elke stap. Ze zingt: ‘Moi, je suis chanteuse.’ Ergens in de verte luidt een kerkklok en als ik vraag: ‘Is dat de maat?’, dan zingt zij: ‘Nee’.‘Dansez,’  zingt zij: ‘dansez.’   - ondertussen trekt de massa  als een vloedgolf van oost naar west, wij zingen; ‘Wij zijn vissen in het water, in het water zijn wij op ons best’-   Een toeriste draagt haar camera als een opzichtig sieraad om haar hals. Zij kijkt zoals mensen doen die zich verbazen, houdt dan plots halt,-‘Doe joe want toe take a picture plies?’- ze duwt het toestel in mijn  hand. ‘Smile.’ zeg ik. Dat doet ze al.   Als ze zich over haar foto buigt dan zeg ik: ‘Het is vreemd, je ziet jezelf altijd pas op het tweede zicht.’ Ze kijkt zoals mensen doen die iets niet begrijpen en ze knikt. Later worden wij weer wat we waren, wat we liever zijn: twee vreemden in een stad die ons niet kent.   -de massa schuimt en kolkt. Wij houden ons wanhopig staande aan elkaar- Je marche au pas, je marche.  Een man stapt  andersom, hij roept: ‘Mon Dieu, ik ben de weg aan het verliezen.’ Ik wijs naar het verlengde van mijn vingertop. Hij legt zijn handen op mijn schouders en we kijken samen in de richting die ik pas verzon.’   Boven onze hoofden zweeft een kind aan een ballon. We staren, plaatsen onze handen boven onze ogen, bouwen zo een afdak voor de zon. Onze monden vormen ‘o’s’ waaruit alleen maar geschrokken stilte komt. Ik zie een vrouw, ze groeit, maar naar de grond. Ze loopt zo krom dat ze haar voorhoofd schuurt als ze  naar mij toe komt.  Ze zegt: ‘Ik zag je kijken.’,  plooit haar mondhoeken in iets wat bijna op een glimlach lijkt, ze zegt: ‘Ik draag mijn leven op de rug, het drukt.’ -de massa breekt, ik schreeuw: ‘Nu sta ik als een paal boven water! Ben ik naakt?’- De stad verschrompelt onder mijn kabaal. Zij roept: ‘Silence.’ Maar als ik voorstel om naar huis te gaan dan zegt zij: ‘Nee’. ‘Restez,’ zegt zij, ‘restez’.                    

Ulrike Burki
42 1

Het Roze-Bril-Defect

Mijn foto prijkt op plaatsen op het wereldwijde web waar ik het vroeger nooit verwacht had. Ik heb ze er zelf gezet. Inclusief leeftijd, lengte en de antwoord op de vraag of ik wel een kinderwens heb.   Ben ik een roker? Gelovig? Zo ja, welk merk? Van geloof?   En andere vragen, onbeantwoord.   Wat verwacht ik van een relatie?Vul dit veld in. Maak uw profiel compleet. U bent er bijna! – Ja ja, ok.   Ik ben het zoveelste vakje tussen een zoo van vakjes die maar al te graag ten prooi willen vallen voor liefde. We hebben er allemaal gewillig voor gekozen en gaan – zo blijkt – verleidelijk lachend een happy ending-leven tegemoet. Dat hopen we toch.   Ik daarentegen, kijk op mijn twintigersleeftijd terug op welgeteld 2 kapotgesprongen relaties, waarvan 0 met volle enthousiasme – of verliefdheid – zijn aangegaan. 0 is de hoeveelheid gelukzalige momenten die ik met deze mensen heb beleefd.Ontelbaar de keren dat ik op de rand van bevrijding van hen stond en het alsnog uitstelde.   3 jaar ertussen, voorwaardelijk vrij.   De “liefde”, al zou ik het niet zo mogen noemen, ervoer ik als een benauwend cachot.   Ik begon te denken dat de voorraad Roze Brillen, waarvan iedereen (of zo leek het toch) één bij de geboorte was toegestopt, tot op de bodem was uitgekamd op het moment dat ik naar buiten kwam.   Of de mijne heeft maar één keer gemarcheerd, maar door het teveel aan energie hadden mijn batterijen het al opgegeven na één flikkering. En ben ik hem daarna verloren.   Het is misschien niet toevallig dat ik me nu na alweer 3 jaar me op het spelersveld der liefde begeef.   Met enig verschil dat eenzaamheid me nu zo vertrouwd is geworden dat ik er misschien wel niet meer van wil scheiden.   Taboe zijn degenen die de woorden “Forever Alone” grappend in de mond nemen en er de tranen niet van inzien.   Ik kan me niet behelpen om het meer en meer ook zo te voelen.   En toch, daar sta ik dan. In mijn vakje tussen duizenden andere hoopvolle vakjes, wachtend op een andere soort vrijheid die me nog altijd vreemd is.   Op mijn Roze Bril die ze dan toch nog hebben teruggevonden.     Bron: https://inkognitoweb.wordpress.com    

Nachtpieker
0 0

Alles werd anders

De jongen keek vanop een stoel op het houten terras naar het wuivende gras in de lange tuin. De opkomende zon stuurde haar warme stralen al van ’s morgens vroeg naar beneden en gaf de wereld een gelige gloed, waarin pluisjes en vlinders darteldansten en witte en rode bloemen lachend meewiegden. Onzichtbare vogels floten vol overmoedige bravoure hun opgewekte lied, terwijl de kerselaar spottend met zijn takken schudde. In de met gladde keien afgebakende vijver zwommen onverschillige vissen in elkaars water, dicht bij het oppervlak in afwachting van het ontbijt.  Hoog boven hen werden duizenden sterren aan het zicht van de kijkende jongen onttrokken door niks anders dan het warme licht van de schitterende ochtendzon. Heel in de verte weerklonk het geluid van een naderend vliegtuig.   De jongen op de stoel liet zijn stille gedachten als losgelaten blaadjes meedwarrelen op de strelende stromen van de warme wind en, wanneer ze waren weggevlogen tot buiten het bereik van zijn aandacht, begon weer van vooraf aan. De avond voordien had hij zijn vader tegen zijn moeder het lang verhoopte woord horen zeggen: morgen. Hij had meteen geraden waarover zijn vader het had gehad. Loerend en luisterend vanuit zijn bed had hij het antwoord van zijn moeder niet goed gehoord, maar wel de trots en de genegenheid die het hadden gekleurd. De jongen raakte zo opgewonden dat hij pas in slaap viel lang nadat zijn ouders waren gaan rusten en dan nog was hij de volgende ochtend als eerste wakker geworden en opgestaan. Sindsdien zat hij buiten op de stoel. Het vliegtuig was nu goed te zien, een dikke zwarte vlieg in een eindeloos blauwe hemel.   Het verhaal van de duizend zonnen was het belangrijkste in het leven van elk kind. Meer nog, het leven begon pas echt nadat je vader je het verhaal van de duizend zonnen de eerste keer had verteld. Daarna vertelde hij het nog twee keer en vanaf de vierde dag leerde hij je het te lezen. Nadat je de eerste drie hoofdstukken kon lezen of, wat waarschijnlijker was, uit het hoofd kon opzeggen, leerde je vader je schrijven. Na lezen en schrijven volgden nog rekenen en tot slot zelfverdediging. Tegen dan was je twaalf geworden en klaar om, gewapend met de kennis die je vader je had onderwezen, je verdere leven zelf in te kleuren. De jongen wist hoe het ging. Vanavond zou zijn vader hem het verhaal van de duizend zonnen de eerste keer vertellen. Het vliegtuig vloog nu boven de stad, het zag er best indrukwekkend groot uit.   Ook al had hij het nog nooit gehoord, de jongen hield van het verhaal van de duizend zonnen. Hij wist waarom het verhaal zo heette. Lezen, schrijven, rekenen en zelfverdediging waren de 4 Poorten tot de Ware en Oneindige Kennis. Wie deze vaardigheden meester was, zag licht waar de onwetenden in het duister tastten. De enige beperking was je eigen interesse. De jongen probeerde het zich voor te stellen, het licht van duizend zonnen. Hij wist niet hoe. Maar één ding wist hij heel goed: alles werd anders…viel daar nu iets uit dat vliegtuig? De jongen stond op uit zijn stoel en keek met half toegeknepen ogen naar de prachtig blauwe hemel, naar het grote, donkere vliegtuig dat alweer weg leek te vliegen en naar het zwarte stipje dat ogenschijnlijk langzaam in een rechte lijn naar beneden viel.   In de werkkamer op zijn vliegdekschip in de grote oceaan las de president vermoeid en zonder echt te kijken de telex in zijn zweterige handen. Missie volbracht. Om 8u15 plaatselijke tijd had het monsterlijke wapen alle stoutste verwachtingen ruimschoots overtroffen. De vijand ging zich zonder voorwaarden overgeven. De oorlog was eindelijk voorbij. Miljoenen levens waren gespaard. Van de jongen wist de president niks, zijn bestaan was om 8u15 door het zwarte stipje volledig uitgewist. Het verhaal van de duizend zonnen heeft de jongen nooit te horen gekregen. Lezen, schrijven, rekenen en zelfverdediging zou hij nooit meester worden. Maar één ding had hij wel geleerd. Toen de bom ontplofte, had de jongen vol oprechte bewondering gedacht: ik heb het gezien, ik heb het gezien! Straks vertel ik het aan pa: ik heb het gezien! Het licht van duizend zonnen.  

joris
0 0

voodoo

Guido Belcanto zong ooit iets over botsauto’s…het melodietje zoemt door mijn hoofd wanneer ik mijn persoonlijke verkeersagressie-climax bereikt heb. Wat zou ik soms wensen dat ik in een botsauto zat, en die dikke mercedes rammen die mij net voorbijscheurde tegen 90 per uur, net op het stuk waar de snelheidsbeperking overgaat van 70 naar 50. De bestuurder gooide mij in de vlucht een verwijtende blik toe, als was ik een crimineel die al het verkeer tegenhield. (Naar alle evidentie is het waanzin om hem echt te rammen met mijn 15 jaar oud mazda’tje dat ik elke dag op mijn knieën dank dat het mij nog naar mijn werk en terug wil brengen.) Als ik om de volgende bocht moet afremmen omdat het licht op rood staat en ik mr bigshot met zijn vette bak al aan het licht zie staan, laait mijn botsauto-goesting weer hevig op. Wat heeft hij nu meer bereikt dan zijn versnellingen naar de haaien te rijden, mogelijk bijna drie ongelukken te veroorzaken en ei-zo-na geflitst te worden? Nu staan we hier naast mekaar voor het rode licht te wachten. Time is money, maar hem heeft het tot hiertoe niet veel opgebracht. Mijn bloed kookt en op dit punt is de neiging heel groot om mijn agressie non-verbaal tot uiting te brengen, je weet wel, die geweldige middelvinger, het zou toch zo opluchten… Maar verstandig als ik ben, blijf ik braaf voor me uitkijken (god sta me bij, ik zou een moord begaan bij het zien van de zelfvoldane uitdrukking op zijn gezicht (‘Ik sta dan wel voor het rode licht, maar ik heb toch nog altijd een vette mercedes van drie miljoen hèhè….aaargh!’)). Het licht springt inmiddels op groen en het vergt elk greintje zelfbeheersing in mijn vezels om niet als een gek op te trekken en mijn autootje daarmee de das om te doen. Meneer slaat linksaf, en ik kan het niet nalaten om hem in de spiegel na te kijken met een venijnige blik in mijn ogen. Zie ik hem toch niet stoppen voor een voetganger zeker, een knappe kortgerokte jongedame, die wil oversteken op een plaats waar niet eens een zebrapad is, ze glimlacht uitgebreid naar de galante man in zijn vette mercedes. Oh my god. Door al dat spiegelkijken ben ik zelf niet met mijn ogen op de baan, en mis op een haar de spiegel van een slecht geparkeerde auto aan mijn rechterkant. Snel zwenk ik wat naar links, puur reflex. Oef. Vijf kilometer verder is er een politiecontrole. Een agent beduidt me dat ik opzij moet gaan staan. Ik heb niet gedronken, ik reed niet te snel, gewoon routinecontrole. Niks aan de hand. Een andere agent stapt op mijn auto toe en ik laat het raampje zakken. “Gordelcontrole mevrouw. Mijn collega heeft u net nog uw gordel zien vastmaken. U weet dat het verplicht is de gordel te dragen?” Uh, huh? Ik draag mijn gordel altijd, en vandaag was geen uitzondering. “Excuseer mijnheer, maar ik had mijn gordel wel degelijk aan…” probeer ik nog. “Mevrouw,… Mijn collega heeft gezien dat u uw gordel aandeed. Daarom heeft hij u laten stoppen. Ik zal u moeten beboeten.” Ik ben sprakeloos, mijn botswoede slaat nu om in een uitzinnige razernij, die helaas geen enkele uitlaat vindt, het is immers zijn woord tegen het mijne. En gelijk of niet, ik heb te maken met een agent, en iedereen weet dat agenten uitzinnig woedende mensen nog eens extra op de bon zwieren voor smaad. Dus ik zwijg. Lijkbleek geef ik de agent mijn papieren, we wisselen verder geen woord meer. Als ik later thuiskom, nog steeds in onbegrip en zinderend van woede, laat ik mijn frustratie de vrije loop op de zitting van de sofa. Ik beeld me in dat het kussen Mr Mercedes is, dan weer de agent, dan weer Mr Mercedes, enz… Ik sla zo hard ik kan en probeer op telepathische voodoowijze beide misbaksels op zijn minst een paar ferme blauwe plekken te bezorgen. Verkeersagressie is geen lachertje.

LL Rigby
0 0