Lezen

Tot ziens, Marianne (deel 15)

Tegen de tijd dat Marianne thuiskomt, heb ik de fotoalbums weer netjes weggeborgen. Ik zit op de bank en veer overeind wanneer ze binnenkomt. Ik tracht niets te laten merken van het wantrouwen dat in me woekert. Ik weet niet hoe ik het aan boord moet leggen om haar met mijn ontdekking te confronteren. Dus stel ik het liever nog even uit. “Hey, lieverd! Hoe was je dag?” vraagt ze. Ze omhelst me alsof we elkaar een eeuwigheid niet hebben gezien. Met haar zweterige lijf plakt ze zich tegen me aan. Ik weet niet of ze vanmorgen parfum heeft aangebracht, maar zo ja, dan is het spul uitgewerkt. Er dringt zich een penetrante zweetgeur aan me op. Na wel een minuut maakt ze zich van me los en bekijkt me onderzoekend. “Heb je een leuke dag gehad?” vraagt ze. “Gaat wel,” zeg ik. Ik denk dat ik er prima in slaag mijn onrust te verbergen, maar ofwel schiet mijn acteertalent tekort, ofwel staan haar tentakels op scherp. Ze voelt dadelijk dat er wat schort. “Boris? Wat is er?” vraagt ze, me aankijkend zoals alleen zij dat kan, met priemende ogen die tot diep in mijn ziel lijken te boren. “Niks,” zeg ik. “Waarom staan je ogen dan zo raar?” Zonder er erg in te hebben, werp ik een blik in de spiegel die naast me aan de muur hangt. Ik zie mijn bleke kop zich inspannen om achteloosheid voor te wenden. Zodra ik dat merk, voel ik me ongemakkelijk worden en loop ik rood aan. Meteen sluipt er argwaan in haar blik. “Boris! Wat scheelt er?” dringt ze aan. “Ik heb liever dat je ’t rechtuit tegen me zegt als je ergens mee zit.” Ze blijft me aanstaren met die mooie blauwe ogen die me doorboren als laserstralen. Ik tracht verbazing voor te wenden, maar voel mijn wangen gloeien. Een goede acteur ben ik nooit geweest. Ook thuis viel ik altijd meteen door de mand. Als ik wat had mispeuterd en vader of moeder me het vuur aan de schenen legden, slaagde ik er nooit in mijn onschuld langer dan een halve minuut vol te houden. Ook nu voel ik mijn vastberadenheid dadelijk aan het wankelen gaan. “Kom op, vertel het me,” dringt ze aan. “Wat scheelt er?” Ze neemt me bij de arm en laat me niet meer los. “Heb jij ooit een vaste relatie gehad?” hoor ik mezelf vragen. Haar voorhoofdsspieren spannen zich op, waardoor tussen haar wenkbrauwen een diepe verticale rimpel wordt gevormd. “Waarom wil je dat weten?” vraagt ze. “Gewoon… ik vroeg het me af.” “Wat bedoel je precies met een vaste relatie? Of ik ooit verloofd ben geweest?” “Of gehuwd.” “Nou, daar kan ik dan duidelijk over zijn: geen van beiden. Maar als je me vraagt of ik de hele tijd single ben geweest… dat natuurlijk ook niet. Ik heb wel enkele mannen gekend, de ene al wat langer dan de andere. Maar tot een duurzame relatie is het nooit gekomen.” “Waarom niet?” vraag ik. “Kijk eens,” zegt ze, “om tot een duurzame relatie te komen moet je de ideale man vinden. En om de ideale man te vinden, moet je geluk hebben. Verdomd veel geluk. Nou, dat geluk heb ik nog niet gehad. Klaar.” Ze veegt denkbeeldige stofjes van de tafel. “Was Jan dan niet de juiste persoon?” vraag ik. Mijn ogen peilen naar haar reactie. Ik verwacht dat ze zal schrikken, of op z’n minst blijk zal geven van ongemakkelijkheid. Maar daar is niets van aan. Ze kijkt me aan met een guitige blik en vraagt: “Welke Jan? Jan de mosselman?” Haar antwoord wordt gevolgd door een oorverdovende lach, waarbij ze haar hoofd in haar nek gooit. Ik dek mijn oren af met mijn handen en verbijt mijn ergernis. Wanneer ze merkt dat ik niet gediend ben van haar grap, houdt ze abrupt op met lachen en kijkt me monsterend aan. Bezorgd, lijkt het wel. “Boris, wat is er nou met je?” vraagt ze. “Wat is er aan de hand?” “Waarom antwoord je niet op mijn vraag?” wil ik weten. “Welke vraag?” “Of Jan niet de juiste was.” “Maar welke Jan bedoel je dan?” “Jan Byttebier.” “Jan Bitterbier? Wie is dat?” “Byttebier!” verbeter ik haar kribbig. “Hè, doe nou toch niet zo vervelend. Wie is Jan Byttebier? Hoor ik die man te kennen?” “Ik dacht het wel.” “Hoe dan?” “Komaan, zeg, geef het toch gewoon toe!” “Maar wat wil je dan dat ik toegeef, Boris?” Ze gooit haar beide handen in de lucht. “Godallemachtig! Wat is dit? Waar stuur je nou op aan? Zeg het me! Hoe kan ik toegeven een man te kennen waarvan ik tot een minuut geleden het bestaan niet afwist?!” “Hoe verklaar je dan dat ik jullie samen op een foto heb gezien?” gooi ik eruit. Mijn woorden slaan in als een bom. De klanken die uit haar luchtpijp opborrelen, sterven op haar lippen, terwijl ze me verbijsterd aankijkt. Ik voel een zekere trots in me opwellen. In een dispuut delf ik meestal het onderspit, maar deze keer niet. Dat ik er in slaag haar in het nauw te drijven, maakt een gevoel van triomf in me los. Maar dat gevoel krijgt meteen een knauw wanneer ze streng, en met voor de borst gevouwen armen opmerkt: “Zo! Heb jij tussen mijn foto’s zitten neuzen?” Ik voel me betrapt en ben niet zo bijdehand als zij. Waar zij zich als een rat met één welgemikte sprong uit het nauw weet te bevrijden, ben ik eerder een wezel die in een hoekje kruipt. Ik zie geen andere mogelijkheid dan toe te geven dat ik heb zitten rondneuzen. “Nou, dan moet je me deze Bitterbier maar eens aanwijzen,” zegt ze op een manier die er geen twijfel over laat bestaan dat ze “not amused” is. “Wil jij de albums even halen? Ik neem aan dat je weet waar je ze kunt vinden.” Met haar sarcasme weet ze mijn laatste restje zelfvertrouwen feilloos aan flarden te hakken. Ze laat zich met een plof op de bank vallen en slaat haar armen en benen afwachten over elkaar. Ik slof naar de commode, als een tot de galg veroordeelde moordenaar die zelf zijn touw moet strikken, haal de albums tevoorschijn en leg de hele stapel voor haar op het lage salontafeltje. Ik zet me naast haar op de bank, maar laat een ruimte van wel dertig centimeter tussen ons. Een veiligheidsmarge. Ik vis het album waarin ik de bewuste foto heb aangetroffen uit de stapel en leg het op mijn schoot. Terwijl ik één na één de bladen omsla, kijkt Marianne zijdelings mee. Ze helt daarvoor lichtjes over in mijn richting, wat ik aanvoel als een dreiging. Zodra ik de bewuste foto aantref, draai ik het album naar haar toe en wijs Jan Byttebier aan. Ze buigt zich over het album en kijkt nauwlettend toe, alsof ze op een oude klasfoto een vergeten schoolvriendinnetje tracht te herkennen. “Who the hell is that?” hoor ik haar murmelen. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes om haar blik te verscherpen en richt zich dan plots op. “O, yeah! I remember that bloke!” zegt ze. Het klinkt zo ongecompliceerd dat het me in de war brengt. Ik had verwacht dat ze overdonderd zou zijn door het bewijs. Dat ze schoorvoetend zou dienen toe te geven dat ze Jan Byttebier kende. In plaats daarvan lijkt ze opgelucht te zijn. “Deze man ken ik inderdaad,” knikt ze overtuigend. “Met hem heb ik een eeuwigheid geleden een kortstondige relatie gehad. Nou, ja, een ‘relatie’… dat is wel een heel beladen woord voor een wat lang uitgevallen one night stand. Ik denk dat we een keer of twee de lakens hebben gedeeld. Hooguit drie. Ik had hem ontmoet op een huwelijksfeest. Ik voelde me die avond erg alleen. Al mijn vriendinnen hadden een vriendje. Eén was al gehuwd, een tweede trouwde die avond. Ik was de enige van het kransje vriendinnen die nog geen relatie had gehad. Ik voelde me een beetje down...” Ze kijkt naar de foto en wijst op Jan. “Maar toen zag ik hem plots komen binnenwandelen, rustig, als een cowboy in een saloon. Hij liet zijn blik rondgaan en kwam, zodra hij me had gespot, recht op me toegestapt. Ik zat hem gebiologeerd aan te kijken. Ik vond hem niet aantrekkelijk, maar hij had iets dat me intrigeerde. Misschien was het zijn outfit – hij was zowat de enige die geen pak aanhad – misschien zijn blik, ik weet het niet.” Ze kijkt dromerig voor zich uit, alsof ze het allemaal even terug beleeft. Ik wacht. Na een paar seconden gaat ze verder. “Hij kwam naast me zitten. ‘Hi’, zei hij. Ik dacht dat hij familie was van de bruid of de bruidegom. Wist ik veel. Dat leek me logisch. Maar hij fluisterde me toe dat hij niks met de zaak te maken had. Hij verklapte me dat hij geregeld op huwelijksfeesten binnenliep omdat daar gratis drank te krijgen was en er zelden iemand wantrouwig was, omdat iedereen er sowieso van uitgaat dat je bij de andere familie behoort. Dat vond ik hilarisch! Je moet maar op het idee komen! En het dan ook nog eens durven uit te voeren. Ik bewonderde zijn lef. Nou… om een lang verhaal kort te maken… wellicht meer omdat de drank en mijn hunker naar een vriendje me minder kieskeurig maakten, dan dat ik dacht dat hij de ware wel eens kon zijn… én omdat ik geen zin had om die nacht alweer alleen te slapen, vroeg ik hem na afloop van het feest of hij zin had om mee naar mijn flat te gaan. Het laat zich raden dat hij zich dat geen twee keer liet vragen. Welke man zou zo’n aanbod afslaan? Nou… we deelden die nacht de lakens. Ik voelde me er gewéldig bij. Eindelijk had ik ook een vriend en hoefde ik niet meer met rode wangen van jaloezie het gepoch van mijn vriendinnen te aanhoren. Dácht ik. Helaas… toen ik ’s anderendaags wakker werd en hem naast me in mijn bed zag liggen, werd mijn droom meteen aan flarden geslagen. Hij lag met open mond te kwijlen. Het hele hoofdkussen was doorweekt. Bovendien zweette hij als een rund en stonk hij uit zijn bek en al zijn poriën. Ik was vies van hem en hopte gauw het bed uit, voor hij zich misschien weer op mij wilde storten. Toen hij wat later wakker werd, had ik me al gedoucht en zat ik aangekleed op de bank. Ik trachtte me van hem af te maken, maar dat lukte niet. Het was zondag en blijkbaar had ik hem verteld dat ik van de hele dag niets te doen had. Hij bleef de hele dag op mijn flat. En alsof dat niet erg genoeg was, bleef hij de volgende nacht ook nog eens slapen. Hij wilde met me vrijen. Ik walgde van hem, maar liet hem begaan. Ik durfde niet te weigeren, maar voelde me zo vies… Pas de volgende dag kreeg ik hem de deur uit. Maar enkele dagen later stond hij hier opnieuw. Toen heb ik hem rechtuit gezegd dat onze relatie geen toekomst had. Hij leek het te begrijpen en droop af. Maar de volgende maanden bleef hij me stalken. Met brieven. En soms stond hij me beneden aan de deur op te wachten. Ik heb hem nooit meer binnengelaten. Na een tijdje is het gestopt, omdat hij naar Brisbane verhuisde. Niks te vroeg...” Plots kijkt ze me strak aan. “Maar wat heeft deze gozer met jouw Bitterbier te maken?” vraagt ze. “Dit IS Jan Byttebier,” zeg ik afgemeten. Ze kijkt me diep in de ogen, als om te peilen of ik ernstig ben, en barst dan in lachen uit. “Welnee, gekkerd!” hinnikt ze. “Dit is Davy! Davy Matthews.” Ik bekijk haar argwanend. “Wat? Geloof je me niet?” “Ik zeg je dat dit Jan Byttebier is,” herhaal ik. “Maar nee! Waar haal je dat nou? Dit is Davy Matthews! Ik heb zijn brieven nog ergens liggen. Ik kan ze je laten zien als je wilt.” Ze staat op en begeeft zich naar de commode. Even later komt ze aanzetten met een stapeltje handgeschreven brieven. Ze steekt ze me toe. Ik lees diagonaal enkele flarden van zinnen. Een hoop klagelijk gefleem dat ik niet in overeenstemming kan brengen met de attitude van de wereldse Jan Byttebier. Vreemd dat hij zich zo zou hebben laten gaan. Maar verliefdheid doet rare dingen met een mens, heb ik van horen zeggen. Ik kijk onderaan de brief en kan uit de handtekening duidelijk de naam Dave Matthews opmaken. Ze heeft dus niet gelogen. Maar de kans bestaat nog wel dat Jan zich van een pseudoniem heeft bediend. “Ben je overtuigd?” vraagt ze. “Wie zegt dat Davy Matthews zijn echte naam was?” werp ik op. Ze kijkt me even vol ongeloof aan en lacht dan haar huig bloot. “Lieve Boris, wat ben jij toch een vreemde jongen,” hinnikt ze. “Waarom zou Davy zich van een valse naam bedienen? Dat is toch al te gek!” Ze ziet dat ik mij niet laat overtuigen en komt vlak tegen me aanzitten. Ze plakt zich haast aan me. Ik vind het vervelend, want ze stinkt nog steeds naar zweet, maar durf niet op te schuiven. Wel merk ik dat ze plots heel lief is en stiller gaat praten. Als een psycholoog tegen een patiënt die een voorzichtige aanpak vereist. “Laat ons nou eens even alles op een rijtje zetten,” zegt ze, “zodat we dit misverstand kunnen uitklaren. Jij denkt dus dat de man op de foto Jan Bitterbier is?” “Byttebier!” verbeter ik haar kribbig. “Oké, Byttebier. Waarom denk je dat dat zo is? “Omdat...” “Ja?” “Omdat hij hetzelfde krulhaar heeft, dezelfde sik, dezelfde oogopslag…” “Oké,” zegt ze rustig. “Maar die Bitterbier… is hij een Belg?” “Tuurlijk.” “Dat weet je zeker? Sprak hij Engels met je of Nederlands?” “Nederlands.” “Vloeiend? Zonder accent?” Ik tracht me de stem van Jan voor de geest te halen. Sprak hij met een accent? Niet voor zover ik me kan herinneren. Hij leek me een native speaker te zijn. Had zelfs een Antwerpse tongval, naar ik meen. “Zonder accent.” zeg ik. “Nou… dan weet ik wel zeker dat je met een lookalike te maken moet hebben gehad,” verzekert ze me. “Davy Matthews is namelijk zo Australisch als een kangoeroe!” Ze lacht haar schaterende lach. Ik staar voor me uit, niet wetende wat ik moet denken. Ik weet niet meer wie ik moet geloven… mezelf of haar. “Lieve Boris,” zegt ze. Ze streelt me teder over mijn haren. Ik trek mijn hoofd weg, maar doe dit minder beslist dan normaal. De twijfel heeft me in zijn macht. Stel dat ze gelijk heeft. Dat er inderdaad een dubbelganger van Jan rondloopt in Sydney, dat ik al de hele tijd achter de verkeerde man loop aan te hollen! Het zou verklaren waarom hij telkens de benen neemt. Maar wie was dan de man die bij mijn vertrek in de luchthaven naar me stond te wuiven? Ik weet niet meer wat ik moet denken. Ben ik gek aan het worden? Was ik te dronken toen ik met Jan aan de bar zat? Of ben ik het slachtoffer van een sadistisch spel? Ik voel de ogen van Marianne op me branden en kijk haar aan. Wat schuilt er in haar blik? Oprechtheid of cynisme? Het ene moment geloof ik rotsvast in haar eerlijkheid, het volgende moment word ik lamgeslagen door wantrouwen. IK WEET HET NIET MEER! “Gaat het?” vraagt ze. Ik kijk haar star aan en antwoord niet. Ze neemt mijn hand tussen de hare en wrijft zachtjes over de rug. “Wil je wat meer over die Jan Bitterbier vertellen?” vraagt ze. “Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat hij érg belangrijk voor je is.” Ik kijk haar wantrouwig aan. Waarom vraagt ze dat? Welk belang heeft ze erbij dat ik over hem vertel? Schiet ze er iets mee op? Of ik? Ze merkt dat ik aarzel en vraagt: “Waar en wanneer heb je hem ontmoet?” Ik blijf me hullen in stilzwijgen, maar ze houdt niet af. Terwijl ze onophoudelijk over de rug van mijn hand streelt om me te bedaren, blijft ze me aanmoedigen om haar over Jan te vertellen. En plots borrelen de woorden in me op. “Ik heb hem ontmoet op mijn afscheidsborrel,” begin ik aarzelend. De eerste zin komt nog moeizaam, maar langzaam raak ik op gang. “De jongens die ik had uitgenodigd op mijn drink moesten allemaal elders zijn die avond,” ga ik verder. “Enkel mijn ouders daagden op, maar daar had ik geen zin in. Ze kwamen zich toch maar verkneukelen in mijn ellende. Toen ze weer weg waren, sprak hij me aan. Hij zat al een hele tijd aan de toog en had gemerkt dat ik me ellendig voelde. Ik vond hem eerst een beetje raar. Vreemd uiterlijk en zo. Maar hij was zo vriendelijk en begripvol dat het al na een paar minuten aanvoelde alsof ik hem al jaren kende. We hebben urenlang gepraat. Bleek dat hij al tientallen keren in Australië was geweest. Hij kon er heel wat over vertellen. Deed dat ook. En hij gaf me goede raad. Later op de avond - ’s nachts eigenlijk - toen het café zijn deuren sloot, zijn onze wegen gescheiden. Ik ben naar huis gegaan. Ik liep op wolkjes. Voor het eerst in mijn leven had ik het gevoel dat ik naar waarde werd geschat; dat ik een vriend had. Dat was nieuw voor me. Ik had nooit vriendjes. Zelfs op school slaagde ik er nooit in aansluiting te vinden bij andere jongens. Ik stond altijd alleen op de speelplaats, terwijl de andere jongens zich amuseerden. Soms was ik het mikpunt van hun spot.” Ik stok en staar met doffe blik in een ver verleden. “En met Jan dacht je een vriend te hebben gevonden?” hoor ik Marianne vragen. Ik kom langzaam weer tot mezelf en knik bevestigend. “Ja,” zeg ik. “Dat dacht ik, al voelde ik de volgende morgen al twijfel knagen. Ik vroeg me af of ik Jan ooit nog zou zien. We hadden nagelaten gegevens uit te wisselen. Ik wist niet waar ik hem kon vinden. En hij beschikte niet over mijn adres of telefoonnummer. Ik begon te vrezen dat het verloren was… tot ik hem in de luchthaven plots zag staan. Hij zwaaide met zijn hand en leek me iets te willen zeggen. Ik wilde niet dat moeder ons samen zag, omdat ze zich anders weer wat in het hoofd zou halen, en zei haar dat ik moest plassen. Ik stond op en liep naar hem toe. Maar vreemd genoeg was hij, voor ik ter plaatse kwam, plots weer verdwenen. Ik vond hem nergens meer. Hij leek in rook te zijn opgegaan. Pas toen ik een halfuur later de douane was gepasseerd, zag ik hem weer. Opnieuw zwaaide hij met zijn hand. Maar toen kon ik niet meer naar hem toe gaan. Ik kon niet meer terug. Wat later in het vliegtuig meende ik hem een derde keer te zien. Maar toen bleek het om een andere man te gaan. Nadien kreeg ik nog een paar sms-jes, waarvan ik vermoed dat ze van hem kwamen, maar waar ik niet uit kon opmaken wat de bedoeling ervan was. Daarna werd het stil. Tot ik hem dágen later terugzag, hier in Sydney. Niet één keer, maar verscheidene keren. Het vreemde was wel dat hij geen contact met me wilde. Iedere keer trachtte ik tot bij hem te komen, maar telkens was hij me te snel af. Hij liep weg en wist me elke keer te ontglippen…” Ik stok. Het voelt alsof er een prop in mijn keel zit. Ik krijg geen woord meer over mijn lippen. Marianne heeft ademloos zitten luisteren naar mijn verhaal en kijkt me op een bijzondere manier aan. Met een zekere tederheid, denk ik, maar net zo goed kan het medelijden zijn. Ze strijkt met haar hand over mijn haren. Ik laat haar begaan. Voor één keer trek ik mijn hoofd niet weg. “Kijk eens, Boris,” zegt ze met zachte stem, “ik zie dat je het moeilijk hebt. En dat begrijp ik. Iedereen draagt een stuk van zijn jeugd mee in zijn verdere leven. Bij de ene is dat een licht boodschappentasje, bij de andere een zware rugtas. Naar het zich laat aanzien, zit jij in de laatste categorie. Ik heb al de hele tijd de indruk dat je je bezwaard voelt door je jeugd. Je bent op zoek. Naar jezelf. Naar erkenning. Naar een plaats in deze wereld. Je bent erop gebrand je een plekje toe te eigenen. Dat plekje hoeft geen fysieke plaats te zijn. Daarmee bedoel ik dat je belangrijk wilt worden gevonden. Je wilt iemand zijn. Niet het kind van ouders die alle beslissingen voor jou nemen. Niet de snotaap die op de speelplaats zielig staat te wezen. Niet de jongen die in het café tevergeefs op zijn zogenaamde vrienden zit te wachten. Niet de jongeman die moederziel alleen op de trappen van het Opera House zit weg te kwijnen. Niet de kerel die in een overvolle slaapzaal als een grote onbekende tussen een hoop vlotte kerels met wijd open ogen ligt te piekeren. Je bent in volle gevecht om je een plek in de wereld te zoeken. En een eerste vorm van erkenning heb je bij Jan gevonden. Dat was goed. Maar Jan is er nu niet meer voor je. In tweede instantie heb je bij mij erkenning gevonden. Daarom ook dat je blijft komen, want eigenlijk ben ik te oud voor je, dat besef ik zelf ook wel, en ik weet dat het je parten speelt. Maar ik heb aandacht voor je. De juiste aandacht. Dat is belangrijk. Dat heb je nodig om jezelf te vinden. En ik weet dat je het waardeert. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat wat wij hebben je op termijn helpt om uit te groeien tot een zelfbewuste man.” “Ja… “ zucht ik. Ze kijkt me aan. “Gaat het nou al wet beter?’ vraagt ze. Ik schraap mijn keel. “Die Davy… woont die in Sydney?” vraag ik. Ze laat mijn hand los en slaakt een diepe zucht. “Kijk, Boris… het laatste wat ik van Davy Matthews heb vernomen, is dat hij naar Brisbane is verhuisd, alweer een jaar of vijftien geleden, en ik heb geen idee waar ie ondertussen uithangt.” “Zou het kunnen dat hij teruggekomen is naar Sydney?” “Geen idéé. En het kan me ook niet schelen. Ik vond het een akelige man.” Ze keert zich van me af en schikt haar rok, als een bruid die voor het altaar plaatsneemt en zich wil verzekeren dat haar jurk goed zit. Ik grijp terug naar het fotoalbum, dat opengeslagen op de salontafel ligt, en bekijk Davy Matthews. De gelijkenis met Jan is treffend… hoewel… dat ene oog… die wenkbrauw… ze wipt misschien net iets minder hoog op dan deze van Jan. En zijn sik is kleiner. Niet de grootte van een veldmuis, maar een plukje onderaan zijn lip. En zijn oorlellen staan minder ver uit. En hij draagt geen zilveren kruis in zijn borsthaar… ©photosuus     Ik wrijf met de muis van mijn hand over mijn voorhoofd als om mijn hersencellen te activeren. Marianne neemt intussen een ander album van de stapel en slaat het open. “Wat vind je eigenlijk van mijn ouders?” vraagt ze. Ze draait het album naar me toe en wijst op een foto waar ze beiden opstaan. “Op wie lijk ik het meest? Op mum of dad?” Ik haal mijn schouders op. “They were such fantastic people,” verzucht ze. Haar ogen gaan plots dromerig staan en ze slikt een krop weg. “Ik was graag eens een keer naar Nederland gegaan,” zegt ze. “Mum liep al een tijdje met de idee rond om de familie te bezoeken… maar toen is dat ongeluk gebeurd…” Ze slaat met haar vuist in haar handpalm. “Fucking klote-ongeluk! Dad had net een nieuwe auto gekocht. Nou ja, nieuw… een tweedehands. Deed ie altijd. Aan een nieuwe auto kon hij zijn geld niet geven, zei hij. Nou, dat had ie die keer beter wel gedaan. Tijdens hun eerste rit met die tweedehands brak de stuurkolom af, net toen ze een overweg overreden. Ze kwamen met een klap tot stilstand tegen een paal, óp de sporen. En natuurlijk gingen net op dat moment de slagbomen dicht. Ze hebben zich niet meer uit de auto kunnen bevrijden. De trein is met een rotvaart op hen ingereden...” Ze staat op en loopt een paar passen van me vandaan, alsof ze wil wegrennen van de herinnering aan de tijd van het ongeluk. Ik zit haar onwennig aan te staren. Ik weet niet wat te doen. Plots keert ze zich naar me om. “Pak me eens vast,” zegt ze. Ze steekt haar armen reikend naar me uit. Ik sta op en loop op haar toe. Ze komt tegen me aan staan. Ik voel me onwennig en weet niet waar ik met mijn armen moet blijven. Ik ben geen kei in troosten. “Boris, pak me vast,” zegt ze, naar me opkijkend. Er wemelt traanvocht in haar ogen. Ik sla mijn armen om haar heen. Ze drukt zich met kracht tegen me aan, waardoor ik mijn evenwicht verlies en me achter mijn rug aan de tafel staande dien te houden. Terwijl ik met kop en schouders boven haar uit steek, voel ik dat haar hele lichaam begint te schokken. Ik hef mijn hand en streel haar zachtjes over haar blonde haren. Ze richt haar hoofd op en kijkt me teder aan. De tranen lopen haar over de wangen. Het is hartverscheurend te zien hoe ze vergaat van verdriet, zoveel jaren na de dood van haar ouders. Ik tracht me voor te stellen hoe ik me zou voelen indien vader en moeder op een dag van me zouden worden weggerukt. In één seconde. Zoals het bij haar is gegaan. Ik kan mijn ouders vervelend vinden. Ik kan ze minachten, haten, zelfs dood wensen, maar het blijven mijn ouders. De mensen die me hebben verwekt, al dan niet met liefde. Ze zijn wie ze zijn: saaie, oninteressante, gefrustreerde, op zichzelf gerichte mensen. Ze gaan fout met me om, weten niet hoe ze me moeten behandelen. Maar ik ben zeker dat ze mij niet opzettelijk schade willen berokkenen. Dat kán toch niet hun bedoeling zijn. Iedereen wil toch het beste voor zijn kind. Terwijl ik die overweging sta te maken, voel ik plots ook tranen in me opwellen. Ik tracht ze te bedwingen, maar het lukt me niet. Als een etterbuil die openspat, zoeken mijn jarenlang opgekropte frustraties en verdriet zich een weg naar buiten. De tranen spuiten uit mijn ogen en het snot uit mijn neus. Huilend als een kind, klamp ik me aan Marianne vast. Onze tranen vermengen zich met elkaar en drijven ons nog dichter naar elkaar toe.

Lou Van Lier
0 0

Krijgt ge uw tijd kapot?

  Mijn moeder aan de telefoon. Met ineens, na wat koetjes en kalfjes, die vraag: ”Krijgt ge uw tijd kapot”. Ik moet lachen en schrikken tegelijk. Haar woorden klinken nogal ruw, de functie van figuurlijk taalgebruik is uitgeschakeld. De intentie achter die uitspraak is echter loepzuiver. Ergens in haar gammele hoofd weet ze dat de zomervakantie begonnen is. En dat dat niet mijn favoriete periode in het jaar is. Te lang. Te leeg. Te saai.   Een half jaar geleden heeft mijn moeder een val van een buitentrap overleefd. Ze heeft aan de poort van de dood gestaan, maar ze is teruggekomen. Misschien om mij op de een of andere manier duidelijk te maken dat ik wel tot haar ben doorgedrongen. Dat ze haar eigen vlees en bloed veel beter kent dan ik besef. Dat er vele manieren van luisteren bestaan. Dat laatste bedenk ik er nu bij. Het is niet omdat ik mijn verhaal niet verteld kreeg, dat ze het niet gehoord heeft.   Haar leven lang was mijn moeder een taalridder. Vlijmscherp met woorden. Dat lag aan haar liefde voor taal, maar ook aan haar karakter. Ze sneed alle fijngevoeligheid eraf. Wit is wit en juist is juist.   Ze is dus uit een diepe coma weergekeerd. Het onverstaanbare brabbelen is terug praten geworden. Al is het met een hoek af. Ze zegt cabaret, terwijl ze cafetaria bedoelt. Maar als ze mij out of the blue vraagt of ik mijn tijd kapot krijg, begrijp ik haar heel goed. Zou die coma haar minder moederlijke eigenschappen hebben achtergehouden?                

Johanna-Tara
0 0

contractbreuk

Contractbreuk.     Bij deze geef ik mijn opdracht terug. Nee, ik wil geen mens meer zijn, onmenselijk gewoon. Loop hier op aarde wat rond om de boel te verkloten. Kapot, alles moet kapot. Ik kan het niet meer aan om ‘s ochtends in de spiegel te kijken en te weten dat ik bij deze levensvorm hoor. Destructieve malloten. Ik kap ermee, het is genoeg geweest. Hier zijn mijn kleren, mijn huis, mijn kat, de hele zooi je mag het hebben. Contractbreuk zeg je? Steek dat maar waar de zon niet schijnt. Ah nee kan ik dat niet maken? Wat ga je doen dan? Ik heb helemaal niks te verliezen, ik kom wel terug als vlieg of zo, lekker wat rondzoemen en wat aan hondenkak snuffelen. Comfortabel ja dat is het zeker dat mens zijn lekker elkaar het leven zuur maken, macht verzamelen, consumeeeeeeren en als kers op de taart elkaar de kop afhakken. Oh noem je dat een hogere levensvorm? Laat me niet lachen man. Wij mensen zijn het slijk der aarde, de zuurstof niet waard die we verbruiken. We kweken als zotten een leger om de aarde, ons huis waar we mogen verblijven, zo rap mogelijk om zeep te helpen. Is dat wat je in gedachte had toen je ons bedacht? Ik zet daar een stel op twee benen neer met een grote kop waar veel brein in past en zij zullen het wel regelen daar beneden. Fout gedacht man, ja natuurlijk ben ook jij niet onfeilbaar, fouten maken is menselijk. Maar daar sta jij toch boven? Dat is een van de redenen dat alles hier naar de verdoemenis gaat. Kom naar beneden als je durft en aanschouw de ramp die je veroorzaakt hebt. Nee ik hoef geen dank voor bewezen diensten, laat me gewoon gaan.   (C) tekst/beeld hanneke van de kerkhof

Miss Blue Sky.
0 0

Stukken van mensen; hier is visser Fred.

Hier is visser Fred. Een man met nieuw vismateriaal en een raam om door te kijken. Hij ziet het water. Hij wordt lid van de visclub zodra het raam uit pvc aangekocht is.   De andere leden kijken op wanneer hij gedecideerd naar de visput komt gelopen. Ze zijn verbaasd; een handige helper monteert het raam in het gras, zet er een versleten visbak achter. De jongen controleert nog even, keurt het goed en Fred neemt plaats.  Hij houdt ervan naar buiten te kijken. Naar het water, de andere gezichten, de drijvende wolken in de verte. Hij zuigt zich vol met lucht. Zijn kastanjebruine haar tot op schouderlengte, het pokdalige gelaat ongeschoren.    Op de tweede zondag aan de visput heeft hij zijn helper weer mee. Die draagt een deur onder de arm. Opnieuw monteert hij dat ding in het gras. Vissers kijken vol ongeloof naar wat gebeurt.  Eerst een raam bij de vijver, dan een deur uit pvc. Wordt daar schaamteloos een opslagplaats opgetrokken? De andere leden begrijpen dat ze hem moeten stoppen. Wat zullen de vissen daarvan denken? Waterwezens worden niet graag begluurd door ramen en deuren, door de ogen van een visser met ondoorzichtige plannen? Belangrijk is om goed te weten wat de vissen willen eten.   De snoeken wilden geurende dode zeevis. Ze snakten naar een kikker om door te slikken. Daar droeg elk lid van de visclub een verpletterende verantwoordelijkheid. Met een plug in hun kieuwen zweefden de snoeken in een boog van onderwater door de lucht. Tijdens die vlucht kietelde hun buik tot ze bij de vissers aankwamen. Een ruwe hand nam hen beet en wierp hen weer de vijver in. En nog een hand, en nog één... Behalve de hand van Fred. Hij liet de vangst op het droge gras liggen of smeet ze zonder veel zorg in de visbak. Liet daar geen streepje licht meer binnen.   De derde zondag. Zonnig, 24 graden celsius en een gematigde wind. Ze verzamelden in het vergaderlokaal. Iedereen was het erover eens: hij kon niet blijven. Hij had het profiel van iemand die zich wilde isoleren en respecteerde de wet op terugzetting van snoeken niet. Hij moest eruit!  'Kende hij de wetgeving?' Jack bleef goedgelovig tot het tegendeel bewezen was.   Op de vierde zondag werd de nieuweling verrast. Hij zat weer bij het water en staarde door het raam naar zijn vislijn. Naast hem op de grond werd de hoeveelheid lege flesjes bier steeds groter. Omstreeks vier uur viel hij in een korte maar diepe slaap, de lijn slap in de hand. Van zijn gesnurk werden de vogels bang. Grassprieten maakten dat ze weg kwamen door hun eindjes aan mekaar te knopen en weg te duiken in de aarde. Daar was het heerlijk stil.  De snoeken werden zenuwachtig. Van stress wipten ze naar het oppervlak van het water. Steeds maar wippend naar het oppervlak en dan weer met de neuzen naar beneden. Dat duurde een heel kwartier, veel te lang voor vissen met een grote honger. Ze versterkten al doende wel hun spieren. Na een onuitstaanbaar half uur maakten ze gebruik van die fysieke kracht en sprongen vijandig naar het ergerlijke gesnor, met hun scherpste tanden richting het slapende lichaam. Ze zogen zich vast op zijn huid. Ze beten gretig stukken vlees uit hem tot ze er moe van werden.   Dan vormden ze een kring rond de bloedende man. Met ogen als helden in hun kassen. Met korte stootjes stem uit de keel gaven ze blijk van een geslaagde missie.   Jack stond nog bij het raam in het gras. Hij opende het en liet een lage, donkere wolksliert binnen.            

Ingrid Strobbe
0 0

Dit is waarom Sinterklaas geen Zwarte Pieten met een rood jasje nog in dienst wil nemen

Sinterklaas was er dit jaar vroeg aan begonnen. Waarmee? Met het voorbereiden van de jaarlijkse festiviteiten rondom zijn naamfeest natuurlijk. Enkele weken geleden zou het nog een halfjaartje duren eer de goedheiligman op zijn stoomboot weer het ruime sop zou kiezen en op die manier zou afreizen vanuit zijn Andalusische haciënda naar het verre Vlaanderen. Het te warme weer en de vervelende vliegen die de tropische temperaturen in het zuiden van Spanje aanbaden, waren er de schuld van dat ‘Slecht-Weer-Vandaag’, de schimmel van Sinterklaas, een speciaal zalfje had voorgeschreven gekregen, dat de Paardenpiet tussen de achterbenen van de hengst moest smeren. Het arme dier verlangde naar het aangename weer en de soelaas brengende regen uit het kleine Vlaamse land. De overige Pieten waren ook druk in de weer. Diegenen met het gele jasje stonden aan een heet geblakerde oven en bakten er Sinterklaasspeculaas. De hete dampen die uit de schoorsteen kwamen verschroeiden de Spaanse hemel en zij zorgden ervoor, tezamen met een lichte bries, dat de volgende avonden de wolken boven de Vlaamse horizon roze kleurden. Andere Pieten, zij met het blauwe kostuum, goten een dun laagje chocolade over een koekje met daarbovenop een licht gezoet eiwitschuimpje. Ziezo, ze hadden weer een grote lading negerzoenen klaar. Wel had Sinterklaas, die zich nog maar pas - bij de koffie - had tegoed gedaan aan een verse moorkop, laten weten dat ze dit woord “negerzoen” niet meer mochten gebruiken. Vanaf nu zou dit lekkers schuimzoen of chocozoen heten. Maar de Pieten wisten maar al te goed dat de Vlamingen dit koekje nog anders noemden en ze lachten eens goed in hun vuist. Naast de zoenenfabriek stond er een groot gebouw waar de Pieten met groene outfit aan het werk waren. Zij waren gespecialiseerd in het zure snoepgoed. Ze fabriceerden zuurstokken aan een hoog tempo en de dropveters kwamen kilometers lang over de band gerold. Maar in de grootste Sinterklaassnoepgoedenalleswatdaaroplijktfabriek smolten de Pieten met het paarse pak letters van chocolade en sloegen zij munten van datzelfde, lekkere bruine goedje. Elke dag kwam Sinterklaas inspecteren of alles goed verliep. Zo ook die dag toen hij het kleine gebouwtje binnenliep waar de Pieten met het rode jasje verondersteld werden te werken. Maar er werd niet gewerkt. De rode Pieten staakten. “Deze aardappeltjes van marsepein ruiken wel naar venijn” zei rode Piet Rudy vanuit de hoogte. “En wat gaan onze Vlaamse kindjes daarvan zeggen” vroeg Sinterklaas zich af. De rode Piet schudde zijn hoofd zodanig dat de pluim van zijn muts viel, zomaar pardoes in het blubberende marsepeinfestijn. “Dan moeten jullie maar aan de Costa del Sol in de horeca gaan werken” ergerde de Sint zich en hij dreef met een roe de rode garde naar buiten. Aan zijn Opperpiet Nicodemus liet hij weten dat de aardappeloogst dit jaar mislukt was en dat de kindjes wat extra suikerbeestjes zouden krijgen. En een extra goede tandenborstel. Die Sint toch ! Altijd klaar voor een grapje.

Marc M. Aerts
0 0

LOSLATEN EN AANVAARDEN

DE DOOD IS EEN UITDAGING DIE ONS VERTELT GEEN TIJD TE VERSPILLEN DIE ONS VERTELT NU METEEN TE ZEGGEN DAT WE VAN ELKAAR HOUDEN Leo F Buscaglia     HET BIJZONDERE TESTAMENT VAN EEN MEER DAN BIJZONDERE ZUS   Ik had een jongere zus, onze ouders hadden haar, bij haar geboren worden, de naam Ingeborg meegegeven. Een mooie naam die je toen, in onze contreien, zelden tegenkwam. We noemden haar Inge. Inge werd 5 jaar na mij geboren. Tijdens de eerste 3 eerste maanden van de zwangerschap was ons mama constant misselijk en ziek. Uiteindelijk werd ze met uitdrogingsverschijnselen voor korte tijd in het ziekenhuis opgenomen. Na negen maanden kwam het reeds in de baarmoeder op de proef gestelde wezentje ter wereld. Het “door het leven” op de proef gesteld worden zou een belangrijk onderdeel van haar opdracht hier op aarde worden. Aanvankelijk ging alles zijn gewone dagelijkse gangetje. Inge groeide op, leerde lopen, leerde praten en ging, net als ik een paar jaar eerder, naar de kleuterklas op de school van ons mama. In het eerste leerjaar werd vastgesteld dat Inge, meer dan de andere kinderen, moeite had met lezen, schrijven en rekenen. Mijn ouders schakelden een kennis, Luc, die onderwijzer was, in. De man kwam gedurende een bepaalde periode op geregelde tijdstippen bij ons thuis langs om samen met Inge de opgelopen schoolachterstand in te halen. Toch bleek dat niet voldoende en werd er voor gekozen dat Inge naar het in Wetteren pas opgerichte “bijzonder onderwijs” zou gaan. In de volksmond sprak men een beetje denigrerend van “den BLO”. Zelf heb ik het me toen nooit gerealiseerd, maar achteraf is gebleken dat Inge die uit een gezin kwam waar men “beschaafd” met elkaar omging en waar men AN sprak, in een omgeving terecht kwam van voornamelijk kinderen uit kansarme en gebroken gezinnen waar de omgangsvormen, om het zacht uit te drukken, minder veiligheid bieden aan een kind, zeker als dat kind zeer gevoelig en kwetsbaar is zoals ook mijn zus was. Inge heeft daar onder geleden. Ze zag dat haar oudere broer en zus en later de benjamin van het gezin een “normale” ontwikkeling doormaakten en naar een “gewone” school gingen terwijl zij “anders” was en niet kon spelen met kinderen met een min of meer zelfde achtergrond als zijzelf. Gelukkig was er ons moeder bij wie ze troost en steun vond en thuis beleefde ze wel gelukkige momenten. Ze haalde zelfs graag kattenkwaad uit en werd, om wie ze was, ook wel eens extra verwend en er werd al eens meer iets met de mantel der liefde bedekt als ze wat had uitgevreten wat niet koosjer was. Ik herinner me dat ze op vrij jonge leeftijd, ze was niet ouder dan 12, sigaretten begon te roken hangend uit het dakvenster van haar zolderslaapkamer. Ze genoot zichtbaar, dat kon je merken aan haar guitige blik, van het verboden experiment en deed er alles aan om niet gesnapt te worden maar grote broer had het gezien en vond het wel gedurfd en vermakelijk. Samen met de buurjongen Marco deed ze liefst alles wat niet mocht en ze was gewiekst genoeg om uit het vizier van ons vader te blijven. Daarbij had ze een grote aaibaarheidsfactor met haar van ondeugd fonkelende oosters aandoende oogjes die toen nog onschuldige, aanstekelijke levensvreugde uitstraalden. Buitenhuis echter ging het minder als vanzelfsprekend. Na haar jaren in het BO ging ze, alweer, naar de school van ons moeder in de Wegvoeringstraat, het Sint-Jozef-instituut, waar ze onder andere leerde naaien. Opnieuw kwam ze in een veilige omgeving in de buurt van mama terecht. Na de schooltijd begonnen voor haar de problemen pas echt. Ze zou nu ook werk moeten zoeken en voor haar eigen inkomen leren zorgen. Dat was voornamelijk de wens van vader die “vooruit” dacht en Inge er op wilde wijzen dat ze ooit haar eigen boontjes zou moeten doppen. Daar kon je maar beter vroeg genoeg mee beginnen. Zo heeft ze onder andere, terug via ons moeder in een naaigeriefwinkel en een naaiatelier gewerkt. In de winkel was ze graag en ze was er ook graag gezien. De uitbaters waren bekenden en namen haar liefdevol onder hun hoede. In het naaiatelier moest ze steeds doorwerken en productiecijfers halen. Bovendien was het een monotone afstompende bezigheid waar Inge helemaal niet voor in de wieg gelegd was. Ze was uiterst stressgevoelig en hoog-sensitief. Ze werd geleefd en werd er ongelukkig. Op een dag, na maanden rond te hebben gelopen met een pijnlijke knie, waarvan de pijn werd onderschat en de oorzaak niet ernstig werd onderzocht, werd bij Inge botkanker vastgesteld. Dat was in het jaar 1992, ze was  toen 26 jaar oud. Het verdict kwam als een donderslag bij heldere hemel. Onze zus had ”kanker” . Zoiets gebeurde toch alleen bij anderen. Sinds die diagnose is haar leven langzaam maar zeker beginnen te veranderen. Ze kreeg verschillende keren chemo toegediend en verbleef regelmatig periodes in het ziekenhuis. Inge werd zich bewust van de draagwijdte van wat haar overkwam en ging op zoek naar zingeving voor zichzelf. Ze ontdekte dat de vreselijke ziekte, o wonder, ook positieve kanten voor haar had. Ze hoefde, voorlopig althans, niet meer te werken. Ze kon op zoek gaan naar wat haar echt “bestaansredenen” gaf. Ze ging boeken lezen en haalde zo onder andere kracht uit het boek “je kan je leven helen “ van “Louise Hay”. Ze geraakte ondermeer geboeid door de Aboriginal-cultuur uit Australië waar ze zich in verdiepte. Ze luisterde naar, voor haar, inspirerende muziek zoals die van Tracy Chapman en Doe Maar. Ze schreef gedichten, maakte etsen en tekeningen, leerde weven op een klein weefgetouw en deed nog veel dingen meer. Maar bovenal ontdekte ze de, voor haar, “therapeutische” klei. Ze ging naar de academie en volgde er keramiek bij Evert voor wie ze al vlug een boontje had. Evert kwam soms bij ons aan huis en als hij er was kon je er op vertrouwen dat je enkel hoefde te luisteren naar de vleesgeworden spraakwaterval die hij was. Sommige mensen zoals ik vinden dat best ok omdat je, in mijn geval, dan zelf niet veel hoeft te zeggen wat ik toch meestal vermoeiend vind. Als Inge of ons moeder zelf het initiatief namen om een onderwerp aan te snijden werd hun poging na hooguit een drietal uitgesproken zinnen in de kiem gesmoord door Evert die plots een ingeving kreeg die hij absoluut eerst en vooral moest meedelen. Inge treurde er niet om, ze hing meteen opnieuw aan ‘s mans lippen en droomde haar “impossible rêve”. Ik begreep wel waarom mijn zus voor hem viel. Hij had charme en zijn onmiskenbare “aanwezigheid” en sappige manier van vertellen brachten geregeld animo in huis. Hij was kunstzinnig en fijngevoelig. Er was echter 1 hindernis. Evert was homo. Toch had ik het gevoel dat dat haar er niet van weerhield er van te blijven dromen dat zij en Evert  samen “iets” konden hebben al weet ik niet hoe ze dat concreet voor zichzelf invulde. Telkens ze over hem sprak stroomde ze over van bewondering en een diep gekoesterd, tot dan toe onbevredigd verlangen naar een beetje aandacht van haar leraar voor haar diepere zielenroerselen. Mijn lieve zus, ze heeft nooit een lief, in de echte betekenis van het woord, gehad, tenminste toch niet voor zover ik weet. Ze heeft het troostende en helende van lichamelijke liefde, als was het maar een tedere kus of een zachte streling over de huid nooit gekend. Nochtans was dat ongetwijfeld één van haar stoutste dromen. Wat ze uiteindelijk wel heeft gevonden is wie ze in wezen “was” en dat heeft ze naar buiten gebracht in honderden werkjes in klei, langgerekte smalle, op het eerste zicht op elkaar lijkende maar in essentie totaal verschillende beeldjes van een soort menselijke wezens. Je kan er meerdere terracotta-legers mee op de been brengen. Elk beeldje is uniek aangekleed, heeft een eigen gelaatsuitdrukking, heeft andere kleuren maar bovenal lijkt het alsof elk figuurtje een “verstild leven” is. Alsof het “echt” leeft maar even, zij het voor altijd, on hold is gezet. Ik kan, misschien is het inbeelding, het stilstaande leven, je kan het ook de ziel van het beeldje noemen, erin waarnemen, voelen, er bijna contact mee maken. Vaak stralen ze een zekere, bijna voelbare tristesse uit maar evenzeer volledige overgave aan wat “is”. Inge blijft “aanwezig” in haar fragiele schepseltjes en soms als ik voorbij het beeldje in onze woonkamer passeer valt het me plots op en word ik even stil om het in me op te nemen, om er even contact mee te maken en me weer bewust te worden van mijn eigen sterfelijkheid. Mijn zus heeft nog een tentoonstelling van haar werk meegemaakt  in de “Cultuurschuur “in Overbeke. Veel mensen waren oprecht ontroerd. Ik gebruik de term niet graag omdat hij vaak te pas en te onpas opduikt maar in het geval van mijn zus voel ik hierover geen gêne. Zij was een “kunstenares” in de ware betekenis van het woord geworden of beter, de kunstenares die altijd al verscholen in haar aanwezig was geweest was eindelijk op de voorgrond getreden en had zich aan de wereld kenbaar gemaakt. Inge is na te zijn hervallen van botkanker op 28 mei 2004 om 5 voor twaalf overleden. Daar wil ik later, in een volgend stukje, nog even op terug komen. Ze had ondertussen ook nog een beenamputatie doorstaan en nooit had ze geklaagd over haar lot. Ze voelde zich soms terneergeslagen maar gaf iedereen, mij incluis, moed en goede raad. Zo drong ze er steeds op aan dat ik iets creatiefs zou gaan doen want ze wist dat het met mij ook niet altijd even goed ging, dat ook ik voornamelijk werd geleefd vanuit de angst niet te voldoen. De vraag is echter: “voldoen aan wat?” Laat dit schrijven dan ter ere van haar zijn. Als dankbaarheid omdat ik haar stimulerende woorden nog steeds kan horen en er op dit moment, beter laat dan nooit, gehoor aan kan geven. Dit alles stond altijd al in de sterren geschreven zoals alles in de sterren staat geschreven, zoals elk haar op ons hoofd is geteld. Niets gebeurt “zomaar”. Het was vaak prettig in haar “langzame, zachte” aanwezigheid te vertoeven. Het leven werd voor mensen in haar omgeving plots klaarder en vrolijker als ze blij was en ze kon vol overgave lachen met anekdotes uit ons gezamenlijk verleden. Zo is er die keer dat ik samen met haar naar het zuiden van Frankrijk, meer bepaald ergens in de Ardèche, ben gereden. We zouden er met ons tweetjes kamperen en er een familie bezoeken, want ik was weer eens hopeloos verliefd geworden op een meisje dat ik had leren kennen tijdens een VDAB-cursus voor polyvalent bediende, die er op een camping verbleef. Dat bezoekje liep uit op een sisser. Het meisje en haar familie lieten uitschijnen dat we welkom waren maar hun lichaamstaal verraadde het tegenovergestelde. Het meisje had, toen ik voordien in België zei dat ik haar zou bezoeken, hoogstwaarschijnlijk niet geloofd dat dat in werkelijkheid ook zou gebeuren en ik had beter kunnen weten maar wou mijn “kansje” wagen want had verder niets te verliezen. Met een smoes, ik weet niet meer welke, zijn we toen zo vlug als we konden weer vertrokken. We zouden het niet aan ons hart laten komen en de bloemetjes eens vrolijk buiten zetten. Inge en ik zijn toen gaan dineren in een table d’hôtes. We zaten er tussen enkele al wat rijpere koppels en het gezelschap bestond uit in totaal zo’n achttal mensen. Het was avond en het weer was broeierig waardoor je gemakkelijker ontspant en zonder gedronken te hebben reeds in een lichte roes verkeert. Het eten was heerlijk en bestond uit verschillende gangen. De sfeer onder de aanwezigen, allemaal Fransen, was opperbest en uitgelaten. Nog heerlijker dan de maaltijd was de wijn en tot mijn  meer dan stomme verbazing liet mijn zus zich lachend en genietend steeds opnieuw, aangemoedigd door een vrolijke Fransman, van het goedje bijschenken. Ze dronk Godallemachtig alcohol! Dat had ik nog nooit van haar gezien. Het was even verrassend als toen ze als 10-jarige sigaretten “hing” te roken uit het Velux-zolderraam. Bovendien werd ze er behoorlijk vrolijk van en ging ze met de paar woordjes frans die ze kende afgewisseld met wat, naar de inspiratie van het moment naar het frans vervormde Vlaamse woorden, in conversatie met de Fransman die haar op tijd en stond van wijn voorzag. De man genoot van haar grappige gestes die steeds komischer werden naarmate de alcohol nauwkeuriger zijn werk deed en hij daagde haar een beetje uit, meer nog, hij begon haar op een speelse manier zachtjes te verleiden. En mijn zus…die vond het allemaal geweldig! Na het eetfestijn liepen we, na een korte autorit, over de stille camping, licht beneveld naar ons kleine twee-persoonstentje en ik moest haar in bedwang houden of ze schaterde, ondertussen allerlei leuke onzin uitkramend, de andere kampeerders wakker. Zo had ik haar nog nooit gezien en ik heb in mijn leven niet dikwijls zoveel binnenpret gehad. Het duurde, toen we in onze slaapzakken gekropen waren, nog ruim een half uur voor ze uitgebrabbeld en in een heerlijke roes verkerend in slaap viel. Nog een ander kampeerverhaal dateert uit het jaar toen we met mijn zus Veder, haar vriend Carlos en nog een paar mensen, ik weet niet meer wie er allemaal bij waren, eveneens in Zuid-Frankrijk, in de Provence, op reis waren. Weer sliep ik met Inge in een klein tentje toen, midden in de nacht, een meer dan hevig onweer losbrak. Er was paniek en geroep in vele tenten. Ik, die niet vlug onder de indruk ben van een onwedertje meer of minder, bleef rustig liggen en zei tegen Inge dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Het zou zo weer voorbij zijn en dan hadden al die flauwe bangeriken voor niets de moeite gedaan om uit hun warme bedje op te staan om angstvallig naar de buienzwangere en om de haverklap apocalyptisch verlichte hemel te staan staren. Zo gezegd zo gedaan. Mijn zus vertrouwde haar door de wol geverfde, niet van een kleintje vervaarde, grote stoere broer, tot we op een gegeven moment nattigheid begonnen te voelen, zij het letterlijk. In geen tijd stond er 10 centimeter water in onze tent en waren we opeens klaarwakker. Inge begon vrolijk te gillen en vluchtte de tent uit. Ik riep haar na dat ze naar de auto moest lopen, ik zou onmiddellijk achterkomen. Dat deed ik maar dan wel poedelnaakt. Daar heeft ze mij in haar verdere leven nog vele malen aan herinnerd en telkens bestierf ze het, evenals op het moment van de feiten, van de pret. Ze vond het grandioos en hilarisch en ik geniet weer na als ik er aan terug denk. Ja dat waren onvergetelijke momenten en ik veronderstel dat ze het verhaal ook aan derden heeft doorverteld. Die lieve, soms dolkomische zus. Ik wil haar terug zien om samen te lachen en onnozel te doen. Om het verhaal af te ronden kan ik er nog bij vertellen dat we de rest van het onweer in mijn kleine auto, rechtopzittend hebben geslapen, of het tenminste hebben geprobeerd. Na Inge’s dood zijn er nog honderden beeldjes en andere creatieve scheppingen van haar hand in kasten, waarvan ze de sleutels had verborgen, en in dozen door ons moeder teruggevonden. Een bijzonder testament en een heel emotionele gebeurtenis voor de vrouw die altijd bij haar is gebleven (Inge is thuis blijven wonen) en die steeds voor haar heeft gezorgd. Samen hebben ze ontelbare innige momenten met elkaar beleefd, musea bezocht, concerten bijgewoond, reisjes gemaakt en hun hart bij elkaar uitgestort. Inge toverde met haar ontwapenende opmerkingen fijne lachjes en twinkelende oogjes op het gezicht van onze dementerende vader die precies een jaar voor haar stierf. Ze heeft hem samen met ons moeder warme gelukzalige ogenblikken bezorgd bij zijn aftakeling. Wat een geschenk gaf ze die oude hulpeloze man daar “zo maar“, volledig belangeloos! Haar vader was niet de gemakkelijkste hindernis op haar weg geweest maar Inge had alles vergeven, Inge had alles wat haar vroeger ongelukkig maakte getransformeerd in haar levenswerk en in de liefde voor haar familie, ze was het aardse gedoe en geploeter ontstegen. Ze was opgeklommen naar een hogere orde. Ze was een voorbeeld voor zij die willen zien.

wimpel
0 0

U van” om U tegen te zeggen”.

(uit “verhalen van A tot Z”)   (Deze tekst verscheen in “Verzin” met commentaar van Vitalski. Dit is de aangepaste versie met dank aan de commentator)   Etiquette en waar het toe kan leiden   Ze was Franstalig maar bezat genoeg kennis van de Nederlandse taal (zij het met zware Antwerpse tongval) om in een privéschool  te mogen doceren.   Haar cursus heette “sociale relaties” .  Vermits er in de Nederlandse taal over protocollaire regels en voorkeuren geen boek bestond,  nam de docente het initiatief zelf een cursus samen te stellen.   Ook in haar schrijftaal was het Aantwaarps niet veraf  (manlief was afkomstig van een welgestelde Antwerpse familie).  Op de sympathie van haar studenten kon zij alvast rekenen.   Terecht werden de leerlingen er op gewezen dat weinigen het voorrecht kregen om tijdens de lesuren “manieren te leren”.   Tijdens de (soms hilarische) colleges  werden de gekste thema’s aangesneden.  Allen even voor de hand liggend maar wie kende de regels  en wie durfde het aan om ze aan jonge twintigers open en bloot voor te leggen ? Daarom verontschuldigde zij zich meermaals alvorens een delicaat onderwerp aan te boren .   Zo stond er letterlijk  (inclusief taalfouten)  :   Citaat:  “Wil U mij nu verontschuldigen voor het eerder delikate onderwerp dat ik thans ga aansnijden.  Wanneer de heren naar het toilet gaan, klappen zij de bril op.  Zij kontroleren hun handelingen om geen onprettige overstromingen te veroorzaken.  Zij knopen hun broek volledig dicht vooraleer het toilet te verlaten.  Niets is onaangenamer dan heren uit het toilet te zien komen terwijl zij nog hun hemd in hun broek steken of hun broek dichtknopen en naar U toe komen om U de hand te geven.  Het komt nochtans veel voor “ .   Of dit citaat : “ op internationaal vlak zult u verder geraken wanneer U niet de indruk geeft een onbehouden boer zonder fijnheid te zijn”   Iemand als wijlen JL Dehaene, die er allicht niet fier op was,  maar die het verder weinig kon schelen dat hij als een bullebak overkwam,   zou baat hebben gehad bij haar lessen.  De schade die dit aanbracht aan de politiek, de internationale uitstraling van het land en de dagelijkse omgangsvormen (als de premier zo is mag ik ook zo zijn…) was groot.  Men kan zich afvragen of  de vele verdiensten van de man die schade enigszins heeft beperkt.     Mevrouw,  uw naam zal hier uit discretie niet genoemd worden maar vele studiegenoten zullen u uit bovenstaand verhaal herkennen.  Of uw lessen nut hebben gehad ?  Wel, ruime tijd geleden was de schrijver van deze lijnen op een receptie.  Nadien kreeg hij via via te horen dat hij in alle modestie toch was opgevallen.  De organisatrice, een Franstalige dame,  beschreef uw vroegere student als iemand met “prestance”.  U heeft bij dit woord  geen verdere uitleg nodig.   De taal in uw cursus liet wat te wensen over  maar ook vele jaren later staan een aantal waarheden nog als een paal boven water.  Wees ervan overtuigd dat de basis van die prestance in uw lessen werd gelegd.     Destijds waren uw andere activiteiten  niet gekend, maar dat u daarvoor in de adelstand werd verheven heeft uw oud-leerling niet verbaasd maar wel juist zeer verheugd.  U werd een terechte barones, om U tegen te zeggen.    

Vic de Bourg
0 2

K K K (Keizers, keitjes en koffie)

...   toeristen toeristen rond de toren de kranige toren op het paleis waar een keizer ooit koppig plakken zwaaide waar hij zijn loodjes legdezijn allerlaatste   keizerin vier, ze hield het niet lang hij smeerde de halmet zijn ijskoude handenvol rood keizerinnenspijt na 4 dagen al   keizervrouw vijf zag hem niet komen ze lag languit in haar badkuip van knechten te dromen hij had ze zien fezelen, frutselen samen het spijt drupte luid luidrood, dus te laat   kronig als toen rijst de toren hoger gaten, stenen met kleine kieren laten ons spieken in zijn koppig kasteel * flits* flits*    maar keizeres zes nam wraak op de vorst zij was voor dat knielen net ietsje te trots ze rolde de zeiker zijn kop van de treden nam ringen,  stenen en daarna de benen   rond het grijze keikopkasteel wacht de slotgracht, vol onheilspellend water * kets *  kets *       jij kijkt naar het grauwe en wil nog bewijzenmaakt foto's met je spiegelreflex-apparaat  en ik kets de keitjes over de gracht pets korte echo's in de gaanderij ringen rimpelen van de kern tot de kade    de oever, waar nummer drie boven wiegde-de strop om de nek, mee met de wind   waar twee vocht en spartelde -vergeefs tranen liet*drup * drup*   waar één nooit geweest was-Ze was er nog nooit   die Eén was mooi, maar doodroekeloos ze keek recht in zijn kouwe keizerogen  al vóór hij de tweede keer -keihard- kon kijken sprong ze hoog diep in het ijle - los van de toren    de keizer zijn kop, sinds die middag kapot en Al wie erna kwam, was reeds vooraf gejost   wonden, barsten in glazen in lood ze maken me tegen mijn wil in getuigen jij flitst nog wat foto's tot de batterij leegpiept en mijn zakken vol keitjes weer wat lichter gaan wegen   dan toeristen we up-tempo verderheuptasjes richting een brusselse wafel en als we dan mijmeren op een terrasschrik ik bij t zien van de barst in mijn tas. onheilspellende koffieringen rimpelen  ik kets een klontje in het donkere zwart.                                                                      

Lies Vercammen
25 0