Lezen

Dierenvrienden

Met het staartje tussen mijn duim en wijsvinger bungelt Chokotoff, zo dood als een perkamenten pier voor mijn ogen. Ik had hem zojuist helemaal uitgedroogd vanonder zijn loopradje getrokken. Mijn hart bloedt. Hoe had ik, vier dagen geleden toen we naar Amsterdam vertrokken, in godsnaam het idee opgevat dat hij met zijn kooitje beter af was voor het raam. Dan zag hij nog een beetje licht en kon hij de vogels zien voorbij vliegen! Dat zal wel. Vier dagen lang had de zon meedogenloos haar snikhete stralen op Chokotoff botgevierd. Van pure miserie was het beestje onder het rad gekropen, zodat het toch de afkoeling van een paar schaduwstrepen op zijn chocoladebruine velletje kon voelen. Het is niet de eerste keer dat we een onschuldig dier onbewust de dood injagen.   Jaren geleden besloten mijn ouders om alleen op reis te gaan en lieten, mits vele bedenkingen, de vier kinderen thuis. We zworen op onze kinderzieltjes dat we braaf zouden zijn en dat alles goed zou verlopen. Trouwens onze buren hadden de opdracht gekregen om ons doen en laten met argusogen te volgen. We moesten alleen zorgen voor Pietje, de kanarievogel en de zwarte merel buiten in de kooi. Mijn moeder had hem ooit gevonden met een gebroken pootje. Hij kon niet meer vliegen. Elke morgen voor ik naar mijn vakantiewerk ging, maakte ik nog een wandelingetje door de tuin. Het waren prachtige zomerdagen met een stralende zon. Het was ook het enige tijdstip van de dag dat ik ervan kon genieten. Op een morgen zag ik met afgrijzen de zwarte vogel met zijn pootjes omhoog. Ik slaakte een kreet en stormde het huis in, de trappen op naar de slaapkamer waar mijn oudste zus nog in droomland lag. Ik schudde haar wakker en kon met moeite uitbrengen “De merel, de merel!”.  We stommelden de trappen naar beneden en stonden zwijgend voor de kooi. Er was geen water meer in het drinkbakje! Mijn zus greep een emmer, vulde hem en plofte het water in de kooi. De arme merel bleef kletsnat liggen. Het stomme dier had dan ook de gewoonte, telkens als hij een vers bakje water kreeg, zich eerst uitgebreid te wassen. De zon had de rest gedaan. De volgende dagen bewaakten we Pietje, met z’n vieren en kreeg het elke dag vers eten en drinken. Gelukkig is hij niet aan een indigestie bezweken.   Dit jaar vieren mijn man en ik onze dertigste huwelijksverjaardag. Hoe konden we uitgerekend op 4 oktober, Werelddierendag, huwen? Gelukkig weet Michel Vandenbossche nergens van. Anders zou de ene aanhanger van Gaia in merelkostuum en de andere in hamstertenue ons feestje verbrodden en hebben we de flikken en de media aan ons been.          

ZZW
4 0

Een bedrijf wil zekerheden en dat biedt CM

Een bedrijf wil zekerheden en dat biedt CM   Wat iedereen al een tijdje zag aankomen is ondertussen een feit. CM regio Mechelen-Turnhout heeft voor het eerst afgeklokt met een positief mutatieresultaat.   Wervingsgesprekken bij mensen thuis of aan de telefoon zijn al enkele jaren een beproefde en vaak gebruikte strategie. Dat er op onze dienst werving een tweetal jaar gelden ook een luik B2B werd toegevoegd is minder gekend. Welke rol B2B in het wervingsverhaal speelt legt Stijn Zwarts graag uit.   Lont: B2B wat moet ik me daarbij voorstellen? Stijn: B2B is een samenwerking tussen CM en bedrijven die mensen uit het buitenland te werk stellen. Mensen die voor de eerste keer in België beginnen te werken moeten ingeschreven worden bij een mutualiteit. Om die inschrijving vlotter te laten lopen én te zorgen dat die mensen in orde zijn met hun mutualiteit gaan wij samenwerken met die bedrijven.   Lont: Hoe gaat dit in zijn werk? Stijn: Wij krijgen lijsten van de landsbond met bedrijven op waar veel mensen uit het buitenland zouden werken. Dat kan bijvoorbeeld over dienstenchequebedrijven gaan. Ik bel die bedrijven op en vraag in de eerste plaat of ze effectief mensen uit het buitenland te werk stellen. Is dat zo, dan probeer ik een afspraak te maken en ga ik langs. Maar eigenlijk zouden deze afspraken of potentiele afspraken best door de consulenten gemaakt worden. Dat gebeurt nu nog te weinig.   Lont: Dat begrijp ik niet. Als je lijsten krijgt van de landsbond, waarom moeten de consulenten dan die afspraken maken? Stijn: Stel dat een buitenlander aan het loket komt om zich in te schrijven, dan is hij dikwijls niet alleen. Hij brengt zijn werkgever of een collega mee die Nederlands spreekt. Op dat moment zou er bij de consulent een belletje moeten gaan rinkelen. Heel waarschijnlijk heeft dat bedrijf nog mensen uit het buitenland in dienst of gaat het er nog in dienst nemen. Als de consulent dan de gegevens van dat bedrijf noteert en aan mij doorgeeft, kan ik contact opnemen met dat bedrijf, CM voorstellen en in het beste geval alle werknemers uit het buitenland tegelijk inschrijven. Op die manier kunnen we dus de consulenten in de toekomst een beetje ontlasten.   Lont: Tegelijk inschrijven? Stijn: Inderdaad. Vanuit de landsbond is het hele B2B-verhaal uitgewerkt. De landsbond heeft een programma, Modex (online-tool ontwikkeld) voorzien. Dit is een soort script waar elk bedrijf met zijn eigen gegevens kan inloggen. In Modex zijn er een aantal vaste zaken die moeten ingevuld worden, zoals naam, adres, bankrekeningnummer. Met Modex kunnen dan de aansluitingsdocumenten, bewijs van tewerkstelling, afgedrukt worden. Dan kunnen die gehandtekend en ingescand terug aan mij bezorgd worden. Dan regel ik samen met onze dienst ledenbeheer de hele inschrijving verder. Naar bedrijven toe is het trouwens een prima service dat ze met al hun vragen bij één contactpersoon terecht kunnen. Ze hoeven niet te bellen naar het contactcenter waar ze allicht steeds iemand anders aan de lijn krijgen. Nu bellen ze mij op, ik weet waarover het gaat en ik maak alles in orde voor hen.   Lont: Jij belt bedrijven op, gaat langs. Maar hoe verkoop jij CM? Stijn: Op zich is dat niet zo moeilijk. Binnen die grote groep van bedrijven zijn er heel wat bedrijfsleiders of personeelsdiensten die het belang van die werknemers willen verdedigen. Omdat ze willen dat die mensen dezelfde rechten krijgen. Zo’n bedrijf wil zekerheden en dat kunnen wij hen bieden als CM. Door de ziekenfondszaken rechtstreeks met ons te regelen bieden ze een extra service aan hun werknemers. Maar bovenop deze service is er een extra stimulans onder de vorm van een financiële vergoeding per inschrijving waar bedrijven voor kunnen kiezen. Kunnen, want dit hoeft niet. Sommige bedrijven kiezen ervoor om dat niet aan te nemen. Ze willen niet aan een bepaalde zuil gelinkt worden op die manier.         Lont: Een financiële stimulans? Wat moet ik me hier dan bij voorstellen? Stijn: we willen bedrijven die hun werknemers bij CM inschrijven een kleine financiële compensatie geven. Dat gaat niet over grote bedragen. Vijftig euro voor de eerste tien inschrijvingen per jaar en vanaf de elfde geeft CM een vergoeding van vijfenzeventig euro. Deze regeling geldt trouwens voor alle CM-ziekenfondsen in het kader van de B2B-werking. Ze is er onder meer gekomen omdat concurrerende ziekenfondsen ook incentives geven aan bedrijven   Ik ervaar weinig concurrentie al hoor ik van mijn Antwerpse collega wel andere verhalen. De bedragen die andere mutualiteiten hanteren liggen dikwijls hoger. Daarom spelen wij onze service uit. Wij zijn het enige ziekenfonds met een online inschrijftool. Vroeger mocht je als CM-ziekenfonds zelf bepalen wie je wat gaf en of je de vergoeding ter sprake bracht. Dat is ondertussen via de landsbond allemaal gelijk gesteld, wat ook het beste is. Vroeg of laat komen zo’n zaken uit en dan maak je geen al te beste indruk.   Lont: En dat werkt? Stijn: Dat werkt! Er zijn maar heel weinig bedrijven die niet instappen. Dikwijls gaat dat dan over bedrijven die per jaar een of twee inschrijvingen doen. Ze vinden het dan niet de moeite.   Lont: Hoe is het hele B2B verhaal ontstaan? Stijn: CM is enkele jaren geleden gestart met twee pilootprojecten. Een in Limburg en een in Antwerpen. Ikzelf ben zo’n twee jaar geleden gestart als werver B2B. Jelle Vanderpoorten had wel al de eerste stappen gezet om te bekijken of er voor ons verbond potentieel was. En dat bleek zeker zo te zijn. Momenteel zijn alle verbonden hiermee bezig en worden we aangestuurd vanuit de landsbond. Om de zes weken ongeveer komen we samen en bekijken we de mogelijkheden, overleggen we hoe we bepaalde zaken gaan aanpakken. Dan geven wij bijvoorbeeld door aan de landsbond welke bedrijven we willen aanpakken. De landsbond zorgt dan voor lijsten waarmee wij aan de slag kunnen. Er is dus wel wat sturing vanuit de landsbond, al ligt de praktische invulling wel bij ons.   Lont: Bij bedrijven die werken met buitenlanders denk ik vooral aan bouwbedrijven en dienstenchequebedrijven. Klopt dit? Stijn: Dat hangt er eigenlijk sterk van af. Er zijn heel wat internationale bedrijven. Het is wel zo dat het merendeel inderdaad dienstenchequebedrijven zijn. De bouw is dan weer een heel ander verhaal net als de transportsector. De mensen die hier in de bouw komen werken zijn dikwijls geen werknemers maar zelfstandigen uit Polen. Het zal dus een uitdaging blijven om mensen te vinden die hier op de payroll staan en dus bij een Belgisch ziekenfonds moeten ingeschreven worden. Mensen die hier werken maar door een buitenlands bedrijf betaald worden, betalen hier geen sociale zekerheid en kunnen dus niet bij een ziekenfonds ingeschreven worden. Het mooiste voorbeeld hiervan waren Polen in die in de transportsector werkten. Ze staan op de payroll van een Portugese firma maar rijden wel voor een Belgische firma. Hierdoor zijn deze mensen onderworpen aan de Portugese wet. Het is heel moeilijk om bedrijven duidelijk te maken dat het niet over deze mensen gaat. Dat wij daar niets mee kunnen.   Lont: Moeten mensen een bepaalde tijd aan het werk zijn in België? Stijn: Neen, als het een vast contract is kan dit al vanaf dag een. Natuurlijk zijn er mensen die het hier na een week al niet meer zien zitten. Soms lukt het niet voor de werkgever. Dan kunnen we die inschrijving natuurlijk ook direct terug stopzetten. Er is wel een verschil met seizoensarbeid, deze mensen moeten altijd via CM Limburg ingeschreven worden.   Lont: Waarom moeten mensen die seizoensarbeid verrichten ingeschreven worden bij CM Limburg? Stijn: er is een overeenkomst tussen CM en de Boerenbond om alle seizoensarbeiders via CM Limburg in te schrijven. Seizoensarbeiders hebben een erg specifiek statuut met een complexe wetgeving. CM-Limburg is hét aanspreekpunt voor deze doelgroep.   Lont: Welke rol speelt B2B in het hele wervingsverhaal? Stijn: Sowieso gaan we, als we een overeenkomst hebben met een bedrijf, heel wat nieuwe leden in een keer kunnen inschrijven. Zo hebben we een overeenkomst met een Nederlands bedrijf, waar we ongeveer 250 nieuwe inschrijvingen per jaar uithalen wat maakt dat we een vaste instroom van nieuwe leden hebben. Ga ik een mutatie maken, dan heb ik één, in het beste geval twee handtekeningen. Linken we onszelf aan een bedrijf, dan heb je in een klap tien, twintig nieuwe leden, waarvoor ik maar een keer moet langsgaan. Er zit trouwens ook een mutatietool in Modex. Dus, als een bedrijf al een aantal buitenlandse werknemers bij een andere mutualiteit heeft ingeschreven en dan met ons een samenwerking aangaat, kunnen die ineens muteren. Als die mensen dat willen natuurlijk. Op jaarbasis schrijven we zo’n driehonderdvijftig nieuwe leden in via de B2B-werking   Lont: Hoe zie jij de toekomst? Stijn: Waar ik in de toekomst vooral aan ga werken zijn de collega’s, de consulenten voornamelijk en ledenbeheer. Ik ga hen er op blijven wijzen dat ik effectief werk bij hen kan wegnemen. Het is belangrijk dat als er een buitenlandse werknemer aan het loket komt ze standaard aan mij denken, zodat ik ook met dat bedrijf contact kan opnemen. Dus ja, ik hoop een grotere toevoer van de consulenten.   Lont: Bedankt voor de verhelderende babbel!    

Helga Van Aken
15 0

4. Huisnummer 4 - Oude Man

Mieke Moes zaliger in gedachten kanaliseert mijn opkomende depressie zich naar een niveau waar verleden, heden en toekomst op de één of andere manier lijken samen te komen. Meesmuilend slenter ik verder door de straat en staar links en rechts de huizen binnen. Ze zijn hetzelfde als jaren geleden, hetzelfde als jaren vooruit. Een historische constante. De regendruppels vallen nog steeds met zijn miljoenen uit de lucht. Op nummer vier staat een oude man me recht in de ogen te turen. Lijkbleek, graatmager, sigaretje in de mond. Bij elke trek van de sigaret lijkt hij enkele jaren te verouderen. En ik denk wat hij denkt.   Een mozaïek, meer ben ik niet. Maar geen samenhangende. Elke afzonderlijke kleur staat los van zijn aanliggende componenten. Ik ben niet gebroken maar ook niet meer samen te stellen. En elk component beslaat een deel van mijn zijn.  Dit onsamenhangend geheel maakt dat ik geen mens ben. Noch man, noch muis. Een gedefragmenteerd muilwezen.   Hoe graag ik hem ook uit zijn lijden zou verlossen, het is onmogelijk. Ik ben hem, hij is mij, wij zijn elkaar. Waarop mijn hoofd me dwingt de blik af te wenden van zijn met een onmenselijke pijn vervulde ogen.   Op straat katapulteert een jongen een autoruit aan diggelen. Goed schot! Nu de andere kant. Hij grijpt nog een steen en legt hem in de elastiek, spant het wapentuig hard aan en focust zich. Zo moet het. Goed concentreren, niet te overhaast te werk gaan. Neem je tijd, man. Hij telt op naar vijf, ik tel af van vijf. Hij is mij, ik ben hem, wij zijn elkaar. Vuur!   Net op het moment dat de jongen de katapult loslaat, grijpt de oude man naar zijn linkerschouder. Hij wordt dubbel zo bleek als hij al was. Voor het neervallen verschijnt een doodsblik in zijn ogen, een blik met een sinistere vorm van gelukzaligheid. Morbide met hoop. En vanaf dat moment is er door het raam enkel een muur te zien. Het lijkt nu al alsof er nooit iemand heeft gewoond, hoewel de resident slechts seconden op de grond ligt.   De ambulance wordt gebeld en een tiental minuten later loeien de sirenes de straat in, flikkerlichten aan. Lawaai, licht. Lawaai af, licht blijft aan. De medische dienstverleners hollen naar binnen met een lege brancard en slenteren naar buiten met een volle. Daarop een zwarte hoes met een, naar ik vermoed, lijk in. De brancard wordt zorgvuldig in het achterste compartiment geschoven, de ziekenbroeders nemen voorin plaats. All on board! Licht dan ook maar uit, het dramatische moment is nu wel gepasseerd. Met het wegrijden van de ambulance druipen de verzamelde toeschouwers net zo snel af als het water naar de riolering.   Ik heb altijd gedacht dat een overledene moest gecollecteerd worden door een erkend begrafenisondernemer. Iemand die perfect weet wat de verstijvingsgraad per minuut bedraagt. Iemand die kennis heeft van de hellingsgraad waarop het lijk in lijkzak of kist dient geschoven te worden. Niet dus, of het is niet volgens het juiste protocol verlopen. Het zal met een zorg wezen. Liever geen doden in mijn straat dan wél doden in mijn straat.   Verleden heeft toekomst vermoord, maar nu is heden. De jongen springt op een skateboard en zet koers richting einde straat. Ik ga terug naar binnen wegens buiten te somber. Het raam is hersteld, de werkmannen vertrokken. Factuur op tafel. Stilte.

Bluyke
0 0

Het ooit zo mooie Antwerpen

30 juni 2016. Antwerpen was niet meer wat het was. Al lang niet meer, maar het werd erger en erger. Stakingen liepen uit de hand, net als manifestaties. De media werden subjectiever en de propaganda was aan het streven naar een hoogtepunt. Op straat werd ik nog dagelijks aangesproken door alle soorten mensen die me bestoken met alle soorten vragen. Het voelde niet juist. Er klopte iets niet. De vragen waren dan ook allemaal dezelfde. “Mevrouw, waar vind ik het centraal station?” in alle mogelijke talen. Nog nooit had ik deze vraag zo vaak moeten aanhoren. Het was alsof iedereen weg wou van Antwerpen. Het ooit zo mooie Antwerpen. “Sorry,” een dunne man met een dik accent stootte me uit mijn gedachten, letterlijk. Hij zag er bang uit. Bang en slordig. Zijn ogen schreeuwden om hulp maar voor ik het hier besef van had was hij alweer verdwenen tussen de Chinezen en Italianen. Vreemd.   Mijn weg zette ik voort richting de Keyserlei, net als de jonge man. Het zag er zwart van het volk en de militairen stonden rustig te praten en lachen, om enkele momenten later terug naar hun post te gaan. Het voelde allemaal aan als een hoofdstad met een geheim. De overheid die iets weet wat wij, gewone burgers, niet mochten weten. Was dat wel een goed idee? Dat wij niets weten? Waarschijnlijk wel. Maar toch knaagde er iets aan me. Er klopte iets niet met de militairen. Ze zagen er jong en talrijk uit. Normaal zou ik me veiliger gevoelt hebben, maar met deze hoeveelheden zou ik vooral willen weten waarom. Al denkend ging ik op de eerste de beste bank zitten waar nog plaats was. M’n gsm had ik al snel in de hand, om mijn gedachten eens positief te verzetten. Aangezien ik niet zo trotse eigenaar was van heel wat applicaties van kranten van over de hele wereld, om deze dan te kunnen vergelijken, ontvang ik al wel eens meldingen over ‘belangrijke’ dingen die er gebeuren. Deze keer was het echt belangrijk. Iets waarvan ik dacht dat het hier niet meer ging gebeuren.   “BREAKING: 12 doden, 203 gewonden aanslag Rock Werchter”   De melding vulde m’n scherm in alle talen. Ik wist niet wat te denken. Wat te voelen. Wat te doen. Toen het echt doordrong tikte ik één van de meldingen aan. Het ergste was wat ik verder las.   “Wat we al hebben opgevangen is dat de aanslag, die omstreeks 14:30 gepleegd werd, te vroeg was. Het zou de bedoeling zijn geweest een boodschap aan alle Belgen te brengen, op verschillende plaatsen tegelijk.”   M’n hart ging steeds sneller. Was Antwerpen wel veilig? Er waren zeer veel mensen. Zouden de militairen al iets geweten hebben? Wat moest er gebeuren?   “Er zou nog een verdachte in Antwerpen rondlop-“   Een knal. Gegil. Stilte. Het zijn de drie dingen die elkaar opvolgden en niets aan de verbeelding overlieten. De militairen waren al bij de het station, maar te laat. Het centraal station. Een plek waar Antwerpenaren, Belgen trots op zijn. Een station van schoonheid en rust. Verwoest. Ik kon niet bewegen. Alles was een waas. Mensen liepen voorbij me, weg van de horror. Anderen liepen ernaartoe. Het moment dat ik terug controle had over mezelf twijfelde ik niet om er zelf ook naartoe te lopen. Nog nooit was ik zo snel. Tranen stroomden langs mijn wangen en maakten alles wazig. Maar ik bleef doorlopen. Ik zou iets doen. Ik zal deze mensen niet alleen laten.   Toen ik er was, waren er al heel wat mensen aan het helpen. Militairen, agenten, ambulanciers,… Maar een iemand leek niemand te zien. Doorheen alle rook zag ik een meisje. Ze was helemaal alleen en keek van de ene kant naar de andere. Haar blik zei alles. Ze had gewonden gezien, ze was écht alleen, ze had kunnen ontsnappen van de dood. Ik deed er alles aan om mijn tranen weg te vegen, niet te trillen en mijn ogen vrolijk te houden toen ik op het meisje afstapte. Het moment dat ik voor haar stond, keek ze naar boven. Haar ogen waren leeg. Behalve haar ellendige blik was het een prachtig kind. Ze had lang licht blond haar met dunne krullen. Natuurlijke krullen. Het kleedje die ze droeg gaven weg dat ze naar de zee zou gaan. Er stond een lachende zeehond op die een zeester een high five gaf. Onder haar kleedje kon je dan weer de bandjes van haar bikinitopje zien. Er zaten zelfs nog vegen zonnebrandcrème op haar arm. Ze moest zo’n zes jaar geweest zijn. Om haar niet nog angstiger te maken, hurkte ik. “Dag,” is alles wat ik kon zeggen met een klein oprecht lachje. Een teken van erkenning tegen het meisje. “Mama…” het was alles dat uit het prachtige meisje kwam, ‘mama’ en tranen. Veel tranen. Ik wist genoeg. “Mag ik je naam weten? Ik ben Isleen,” mijn enige doel was het meisje op haar gemak stellen. Door me zo op haar te concentreren was ik even vergeten wat er rondom ons gebeurde. Wat ze wel niet zag. “Ekaterini,” het klonk als een zucht en was amper hoorbaar. “Ekaterini? Wat een mooie naam!” haar ogen keken me onzeker aan. Na een kort moment van, waarschijnlijk, vele gedachten van Ekaterini kreeg ik een kleine glimlach. Een kleine oprechte glimlach.

Lotte
0 0

Jade

Inleiding: Volwassen worden doe je door te groeien. Niet enkel met je lichaam, ook je geest moet mee. Maar hoe makkelijk is dat groeien wanneer liefde je totaal heeft verblind? Is het kiezen van je eigen weg dan nog een evidentie? Jade heeft alles op het moment dat ze Justin ontmoet. Ze kiest voor hem en het leven dat daarop volgt. Groeien is vanaf dat moment onmogelijk. Na een aantal verschrikkelijke gebeurtenissen, begint Jade te twijfelen aan de weg die ze is ingeslagen. Moet ze kiezen voor het bekende afgeknotte leven of moet ze in het onbekende groeien? ‘Jade’ is een hedendaagse bewerking van het alom bekende ‘Medea’-verhaal. Waar Medea in haar tijdsgeest weinig keuzes had, liggen voor Jade in onze moderne tijd alle opties open. Maar hoeveel opties hebt je wanneer niet enkel rede maar ook emotie meespeelt? Synopsis: Jade is een zondagskind. Als knappe dochter van wereldberoemde rockzanger Mick, ligt de wereld aan haar voeten. Ze bouwt een carrière uit als topmodel en is ongelooflijk succesvol. Op relationeel vlak is Jade een beetje een laatbloeier. Ze is al begin de 30 wanneer ze op het verjaardagsfeestje van Madonna de veel jongere Justin tegenkomt. Hij is een aantrekkelijk jeugdidool die net zijn zangcarière heeft gestart. Jade valt voor hem als een blok. Het duurt dan ook niet lang of ze vormen een veel besproken celebrity koppel. Na een jaartje gelukkig samen zijn, trouwen ze en volgt de geboorte van hun tweeling. Jade leeft op een roze wolk. Dan gebeurt er iets wat niemand had kunnen voorspellen: niet veel nadat ze getrouwd zijn, begint Justin langzaam maar zeker Jade’s leven de te domineren. Ze mag niets meer. Justin dwingt haar te stoppen als topmodel en haar sociaal leven legt hij drastisch aan banden. Financieel maakt hij zijn vrouw totaal afhankelijk van hem. Psychologisch boort hij haar helemaal de grond in en ook een mep hier en daar schuuwt hij niet. Jade laat zich doen, nog steeds verblind door liefde. Het gaat van kwaad naar erger. Justin laat Jade’s vader Mick tegen wil en dank opnemen in een luxe resort voor oudjes. Daarna zorgt hij ervoor dat de arme maar ietwat excentrieke man ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard. Jade is als enig kind beheerder van zijn fortuin, maar aangezien ze met Justin in gemeenschap van goederen is getrouwd, is alles wat zij bezit ook van hem. Micks fans zorgen er echter voor de Jade en Justin niet van hun luxe leven in LA kunnen genieten. Al snel volgt er dus een verhuis. Het koppel trekt naar New York. Justin heeft daar zijn zinnen gezet op de post van CEO van een grote platenmaatschappij. Via een list zorgt hij ervoor dat de baas van die maatschappij, Jay-Q, van fraude wordt beschuldigd. Jay-Q wordt daarop door de raad van bestuur aan de kant geschoven, waarna Justin zichzelf al snel een weg naar de top van het bedrijf baant. Justins imperium is nu groot en veel bevallige dames werpen zich aan zijn voeten. Jade die al haar zelfvertrouwen is verloren, ziet het oogluikend aan. Ze vlucht in jet-set feestjes, drank en drugs. Op een dag komt Justin Tiger-Lily tegen. Zij is de veel jongeren vrouw van Jay-Q. Deze laatste is ondertussen door alle vernedering in een depressive gesukkeld. Jay-Q verwaarloost daardoor zijn bevallige vrouw. Tiger-Lily is een jong opkomend top model. Ze is fris, knap en ongelooflijk sexy. Dat ontgaat ook Justin niet. Al snel zet hij zijn zinnen op Tiger-Lily en zoals altijd krijgt hij wat hij wil. Jade komt er achter de affaire van Justin. Eerst verdringt ze het gegeven en blijft ze naïef geloven dat het wel goedkomt. Ze verliest zich in het afschuimen van feestjes en geraakt zichzelf steeds meer kwijt. Wanneer Justin op een bepaald moment de kinderen meeneemt op een weekendje naar Florida met zijn nieuwe vlam, is dat de spreekwoordelijke druppel voor Jade. Ze stelt Justin voor de keuze: zij en de kinderen of Tiger-Lily. Wanneer Justin voor Tiger-Lily kiest, slaan bij Jade de stoppen door. Ze stuurt haar twee kinderen naar een kostschool in Europa en zegt tegen Justin dat ze gestorven zijn in een verkeersongeluk. Jade staat nu op een keerpunt. Ze moet kiezen: alles proberen te vergeten en blijven doorfeesten of volwassen worden, de juiste beslissingen maken en haar leven weer opbouwen.    Scène01 regie/scenografie: Het stuk start op het moment dat Jade op een keerpunt staat: blijven feesten of volwassen worden. Deze monoloog is de openingsscène van het stuk. Ze wordt gespeeld door Jade’s geweten: engel en duivel. Ze zitten beiden op een soort schommel die helemaal links en rechts van het podium hangen. De ene is versierd met frisse bloemen en veren in lichte kleuren, de andere met pakjes sigaretten, flessen drank en zwart leer / plastic. Beide personages geven hun visie op de situatie aan Jade. De engel en de duivel zijn geslachtsloos, maar hebben wel uitgesproken kostuums aan. Jade zit ook op scène, pal in het midden op een stoel. Ze staart enkel voor zich uit en reageert niet.   Engel: (licht schommelend) Ik zie u daar nog zo staan. Mooie Jade. Het gebeurde op die zwoele zomeravond. Weet ge nog, het verjaardagsfeest van Madonna? Heaven must have been missing an angel. Ge paste er niet. (schuddend met hoofd) Een parel voor de zwijnen. Ge waard…(korte pauze)… anders. Waard ge daar maar nooit heen gegaan. Ik had u nog zo gezegd weg te blijven uit The Valley. Maar ge ging toch, the Hills naar beneden, like a Rolling Stone.   Ik ben u altijd en overal gevolgd. Ook die bewuste avond bij Madonna, toen ge Justin leerde kennen. Hij zong de sterren van de hemel. Ja ja, hij was ook een soort van ster, jong en knap. Misschien wel té jong en knap. Maar ja, liefde overwint alles zeggen ze, Ook een te groot leeftijdsverschil. Ik ben er nooit gerust in geweest. Die jongen was slecht nieuws. Een wolf in schaapsvacht. Hij wist wat hij wilde: he saw a red door and he wanted to paint it black   Duivel: (zegt alles nogal spottend) De tragedie begon bij die arme drommel, uw vader Mick. Die stopte Justin tegen wil en dank – hopsa- (maakt sprongetje van schommel en loopt richting Jade) in een luxe resort voor rockers op retour. Highway to hell, je weet wel. (lacht kort duivels) De oude excentrieke sok was er kapot van en vele van zijn fans met hem. Niet veel daarna volgde jullie eerste verhuis. Van LA naar The Big Apple. You made a brand new start of it, New York, New York. (grotesk gezegd) Echt Crazy in Love waarde gelle. Haha…(lacht hard, gaat naast haar staan en spreekt nu recht naar Jade) Ge waard zo naïef Jade, trouwen in gemeenschap van goederen. In deze tijd? Komaan zeg, hoe onnozel kunt ge zijn? En ja, al snel waren ook die twee kleine mormels van kinderen er. Toen kon ge al helemaal niet meer weg hé. (heel uitdagend, gaat ook dicht bij haar staan) Wat ging er eigenlijk door u heen toen ge die eerste mep kreeg? Vond ge dat ge ze verdiende? Of vond ge dat misschien plezant? Jade? Wond het u op? Genoot ge van de vernedering? Komaan Jade, geef het toe. (staat nu met zijn mond bijna naast het oor van Jade verheft zijn stem)Of vond ge het gewoon makkelijker om slachtoffer te zijn dan om voor uzelf op te komen? Zwakke geit. (zegt dit vol afschuw en rochelt erna op de grond vlak naast haar)   (Engel komt van zijn schommel en jaagt Duivel weg, deze laatste gaat terug naar zijn schommel) Engel: Het is niet uw fout lieve Jade. Het is niet uw fout. Ge waard gewoon verliefd. Goedgelovig, naïef misschien… Het was schoon hoe ge hem altijd zijt blijven steunen. Samen met hem zijn dromen achterna. Justin zag het groots daar in die nieuwe stad Hij zou zich opwerken van new kid on the block naar de new king of pop Dat heeft die goedzak van een Jay-Q geweten. Hij knipperde met zijn ogen en voor hij het wist runde Justin zijn bedrijf.   En gij Jade, gij onschuldig schaap. Ge liet u doen. Ge aanvaarde elke klap. Letterlijk en figuurlijk. Terwijl Justin zich verloor aan roem en vrouwen, verloor gij u in de nacht. (gaat naast Jade staan en neemt haar arm vast, Jade blijft voor zich uit staren) Jade, Mijn charmante, sprankelende, ambitieuze Jade. Wat is er toch met u gebeurd? Kijk in de spiegel, Uw ogen stralen niet meer. Waar zijn uw gedachten?(Blijft heel even staan in de hoop op reactie, laat arm los als deze niet komt en gaat weer op schommel zitten) Duivel: (zittend op schommel, zeer neerbuigend gespeeld) Ooit waard ge de ultieme top van de Californische jetset Nu zit ge daar under the bridge. Uit de zevende hemel naar beneden gevallen Pats. (spring tegelijk van schommel en gooit fles tegen de grond en gaat weer naast Jade staan)tegen de grond gesmakt.   Ge hebt het zelf gezocht. Ge moest hem per se hebben. En hij? Wat deed hij nadat gij alles voor hem had gelaten? Hij liet u vallen. Hij liet u vallen voor die jonge poes. Als een groot stuk vuil. Aan de kant geschoven als de eerste de beste oude jas. Begrijpelijk, ziet u daar nu zitten, als een soort opgezette mens. Geen greintje zelfrespect meer over.   Hij nam u alles af Jade. Alles. Uw geld, uw vrienden, uw leven. Wat ga ge nu doen? Waar gaat ge nu heen? En wat met die kleine mormels van u die ge ver weg op kostschool hebt gedumpt? Die kunnen daar toch niet voor eeuwig blijven? Word toch eens volwassen mens. Ge zijt al 34. Leer nu toch eens instaan voor uw eigen beslissingen. Ge moet kiezen Jade. (Engel komt langs de andere kant van Jade staan) Engel: Ge moet kiezen Jade. Pakt uw leven terug in handen. Ge kunt het. Ik weet het. Ge kunt het. Ge waard efkens verloren, heel efkens van uw pad af. Maar diep in u zit het nog, dat vuur, die passie die goesting in het leven. Kies toch voor de vrijheid. Kies voor één keer voor uzelf. Neem uw leven terug in handen, Jade.   Engel en Duivel gaan beiden op hun schommel zitten. Engel en duivel samen: Ge moet beslissen Jade, het moet nu echt. Het licht op de engel en de duivel gaat uit. Er is enkel nog licht op Jade. Jade ontdooit. Jade: (vertelt tegen het publiek) Ik zie mij daar nog zo staan. Het gebeurde op een zwoele zomeravond, Ik weet het nog. Het was op het verjaardagsfeestje van Madonna.   Licht dooft. Scène twee.

Ans DB
0 0

Soep

Ze zitten bij Alicia aan tafel en eten er soep. De courgettes waren in de aanbieding, zo'n beetje voor de helft van de prijs. Tussen het slurpen door wordt gepraat. Waarover is niet na te vertellen, denkt Alicia. Niet dat het geheim is, of onder de pet gehouden moet worden, het gaat domweg van de hak op de tak, maar is de moeite van het meedoen waard. Kletsen. Lansink zit weer eens naast Van Veldhoven en hebben het over de begrafenis waar Lansink morgen naartoe moet. De broer van zijn zwager is dood. Waaraan die stierf weet Lansink niet. Het heeft hem wel aangegrepen, hij is moe van alle treurigheid.   De twee broers zouden ter sprake zijn gekomen als zij niet bij deze soepsessie aan tafel zaten. Een plan zou dan aan de hand moeten worden gedaan om de mannen bij het jonge vee weg te lokken en ze niet te laten vergeten tripes mee te nemen. Goddank zitten ze aan tafel, op Alicia's emotionele reactie hadden ze niet gerekend. De tripes komt na de soep.   Lansink is er voor uit Chongqing teruggekomen. Hij heeft het naar zijn zin in die miljoenenstad, constant in aanbouw en ontvelde hondenkoppen op een wollen kleed voor de deur. Voor soep, vertelde Chi, zijn buurvrouw, en na het slurpen zijn minnares. 'Kijk,' liet ze hem zien, 'dit zijn vast chiwawa's geweest, dat is genoeg voor ons twee.' Er over schrijven in brieven met aanhef: 'dierbare vrienden', doet hij niet; foto's, daarmee moeten ze het hier doen, en erover praten zoals nu bij Alicia aan de courgettesoep.   Tussen het eten en praten door oefent iedereen alvast op de aanstaande langjarige afwezigheid van Lansink en de broers. Hoe dat zal uitpakken. Houden de broers de kop weer omlaag, alsof ze jong vee rondom de benen zien krioelen? Gaat Lansink op natuurkundigewijze de formule van het vliegen opnieuw uitrekenen? Alicia gooit een hand dobbelstenen tussen de borden, drie enen, een vijf, een twee en een vier: een combinatie die ze niet eerder heeft gegooid.  

PP de Noorderman
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 12)

Ik sta in het portaal van het appartementsgebouw tegenover de flat van Marianne en staar naar haar raam. Ik vraag me af of ze thuis is. Ik heb enkele uren in mijn eentje door de stad lopen dwalen - omdat Xavier plots dringend weg moest - en heb de hele tijd lopen piekeren. Ik was vanochtend woedend op Marianne en nam me voor haar nooit meer te zien… maar ik heb geen zin om vannacht onder de blote hemel te slapen. Ik denk dat ik mijn trots maar even opzij zet en haar ga vragen of ik nog één keer bij haar mag overnachten.   Rond de klok van zes hoor ik voetstappen klinken. Hakkende hakken die het geraas van het autoverkeer moeiteloos overstijgen. Ik kijk de straat in en zie haar naderen. Ze loopt met haar typische eendenpas, waarbij haar bovenlichaam bij iedere stap die ze zet over en weer wiegt, en haar kont lichtjes achteruitsteekt. Hoe dichter ze me nadert, hoe meer ik me met mijn rug tegen de glazen deur druk zodat ze me niet kan zien. Ik wil niet dat ze denkt dat ik haar bespied. Toegegeven… ik ben ook een beetje bang voor haar reactie. Bang dat ze me zal wegjagen als een straathond, na wat vanochtend is gebeurd.   Vanuit mijn schuilplaats hou ik haar in het oog. Ze loopt tot bij de voordeur en diept haar sleutelbos op. Ze staat nu met haar rug naar mij toegekeerd, maar net voor ze wil binnengaan, draait ze zich plots om en kijkt om zich heen. Het is alsof ze voelt dat ze wordt begluurd. Ik krimp in elkaar, maar het is te laat. Ze heeft me gezien en houdt haar blik strak op me gericht. Ze lijkt te overwegen wat te doen. Maar dan steekt ze plots resoluut de straat over. Haast zonder te kijken. Met gevaar voor eigen leven! Het eerste wat in me opkomt is: vluchten. Alles lijkt erop te wijzen dat ze me een uitbrander zal geven. Of erger! Maar mijn onderste ledematen weigeren dienst. Alsof ik verlamd ben, blijf ik staan. Wanneer ze zich bij mij voegt, bekijk ik haar schaapachtig, maar ze glimlacht.   “Hey, Boris! Sta je me hier op te wachten?” vraagt ze. Haar stem klinkt zacht. Ze lijkt helemaal niet boos op me te zijn. Integendeel. Ze is extreem vriendelijk.   “Nou, kom dan maar gauw mee binnen, hoor!” zegt ze. Ze neemt me bij de arm en leidt me door het drukke verkeer naar de overkant. Het lijkt wel of ze denkt dat ik een kind ben. Of een blinde.   Eens op de flat gaat ze zich meteen omkleden. De strakke jurk gaat uit. In plaats daarvan komt een kleedje dat bepaald los om haar lijf zit - een soort van tent - waarvan het decolleté zo diep is uitgesneden dat haar borsten ieder moment tevoorschijn dreigen te floepen!   “Zo. Dat zit een stuk lekkerder,” zegt ze. Ze komt naast me op de bank zitten. Ik gluur stiekem in haar decolleté. Ik steek er mijn hand voor in het vuur dat ze geen BH draagt. Wat is haar bedoeling? Wil ze me weer eens verleiden? Ze vraagt me hoe mijn dag is geweest. Ik vertel haar dat we het schip hebben bezocht waar we morgen mee afvaren.   “Wie is “we”?” wil ze weten. Ik heb de indruk dat ze me argwanend bekijkt.   “De hele crew,” verzin ik. Het waren Xavier en ik alleen, maar dat kan ik haar niet zeggen. Mijn vriendschap met Xavier is onbespreekbaar voor haar. Maar goed, mijn leugen lijkt aan te slaan.   “Oké,” zegt ze. “En wanneer varen jullie precies af?” Als ik zeg: “om acht uur” zwijgt ze even en kijkt starend voor zich uit. Ze geeft de indruk iets te willen zeggen, maar doet het niet. Dan staat ze plots op.   “Wat denk je? Zin in een aperitiefje?” Nog voor ik heb kunnen antwoorden is ze in de keuken verdwenen en komt aanzetten met de onvermijdelijke bubbels. Deze keer draagt ze de fles echter niet achteloos bij de hals. Voor één keer staat ze op een dienblad, geflankeerd door twee slanke glazen. Ze zet het dienblad voor me neer op de salontafel en lijkt me iets duidelijk te willen maken met haar ogen. In de driehoek, die wordt gevormd door de fles en de twee glazen, ontdek ik een pakje ter grootte van een zeepdoos, in mooi cadeaupapier.   “Wat is dat?” vraag ik.   “Een cadeautje,” zegt ze. “Van mij, voor jou.” Ze heeft een geheimzinnig lachje om haar mond. Ze neemt het pakje op en stopt het me toe. Ik neem het aan en scheur het inpakpapier los. Tot mijn verbazing tref ik een gloednieuw mobieltje aan.   “Wat… wat is dat?” vraag ik hakkelend.   “Nou, als jij op zee zit, moeten we toch contact met elkaar kunnen blijven houden,” zegt ze luchtig. Ik weet niet wat te antwoorden. Enerzijds ben ik blij met een nieuwe telefoon, maar anderzijds wil ik hem liever niet hebben omdat het me aan haar bindt en dat wil ik niet. Ik wil vrij zijn. En ik wil bovenal een ander lief! Na een korte overweging besluit ik hem toch aan te nemen. De nadelen wegen niet op tegen de voordelen. Marianne ontkurkt de fles en giet de glazen vol, waarvan ze er één in mijn hand duwt.   “Op je nieuwe mobieltje,” zegt ze. “En op je nieuwe baan!” Ze tikt haar glas onbehouwen tegen het mijne aan, waardoor ze een deel van de inhoud op mijn broek morst.   “Oeps! Sorry!” Ze buigt zich over me heen en tracht de wijn van mijn broek te wrijven voor de druppels in de stof dringen. Ik kijk gebiologeerd naar haar borsten, die als druiventrossen in haar decolleté hangen te bengelen. Ze merkt mijn blik op en zegt: “Haal je niets in het hoofd, Boris. Tonight I’m a teaser, not a pleaser! Ik ben ongesteld, remember?” Ze lacht haar uitzinnige lach en neemt weer plaats naast me.   “Nou, ben je blij met je telefoon?” Ik knik en steek op haar vraag de bijgeleverde simkaart in het toestel. Het volgende halfuur houden we ons onledig met het mobieltje in te stellen: berichttoon, beltoon...   Wanneer ze een tijd later een blik op de klok van het display werpt, veert ze plots op.   “Kom, drink je glas leeg,” zegt ze. “Ik heb een tafeltje gereserveerd in een restaurant in de buurt.” Ze neemt mijn glas op, duwt het tegen mijn mond en forceert me te drinken. Ik slobber als een eend.   Het restaurant waar ze een tafel heeft gereserveerd is geen klein bistrootje, maar een chique zaak die heel wat klanten trekt. De ober, die ons onze tafel toewijst op het ruime terras, blijkt geen onbekende voor haar te zijn. Hij geeft haar een kus op de wang. En mij een slap handje. Ik voel me als een hondje dat even over de bol wordt geaaid om het baasje te plezieren. We nemen plaats aan onze tafel en slaan de menukaart open die klaarligt.   “Wat denk je? Zullen we voor het zevengangenmenu gaan?” vraagt Marianne. Zeven gangen?! Ik voel mijn kin tot op het tafelblad zakken. Ze barst in lachen uit.   “Lieve Boris,” hinnikt ze, “ik heb nooit eerder iemand zo charmant overdonderd weten zijn als jou. De verbijstering druipt gewoon uit je ogen!” Ze maakt me duidelijk dat men in Australië met ‘a seven-course meal’ schertsend ‘a meat pie and a six-pack of beer’ bedoelt. Of vleespastei met zes flesjes bier. Het is dus een grapje. Ik voel me dom en begin te blozen. Marianne schikt haar decolleté, alsof ze bevreesd is dat de lachbui haar vleeswaren heeft onthuld.   “Maar ernstig, heb je enig idee waar je zin in hebt?” vraagt ze. Ik informeer of die ‘meat pie’ op de kaart staat, maar ze raadt me aan die een keertje als lunch te nemen. Ze duwt de menukaart, die ik als een boek voor me houd, naar beneden, leest ondersteboven mee en legt haar vinger op de naam van een gerecht.   “Dit is erg lekker!” zegt ze. Ik lees ‘Kangaroo lasagne’.   “Is het echt kangoeroe?” vraag ik.   “Jazeker! En een echte aanrader!” Ik ga akkoord. Ik wil dat huppeldier wel eens proeven. Ze wenkt de ober en bestelt tweemaal de lasagne en een fles wijn. In afwachting van ons eten wil ze een zoethoudertje. Ik laat me het aperitief van het huis aansmeren. Geen idee wat er in zit, maar het heeft een lichte perzikkleur en smaakt extreem zoet.     “Zo. Hier zitten we dan,” zegt ze. Het lijkt alsof ze voor het eerst naar woorden moet zoeken. Ook ik voel me onwennig en wentel mijn drankje om en om in mijn glas.   “Boris, vertel me nou es wat meer over je ouders,” zegt ze plots. Ze kijkt me indringend aan. “Wat voor mensen zijn het precies? Heb je een goede band met hen? Leuke jeugd gehad? Vertel eens wat over jezelf.” Ik peil in haar ogen wat haar bedoeling is. Ik heb geen zin om mijn ziel bloot te leggen. Maar toch zie ik onbewust een stoet aan herinneringen aan me voorbijtrekken. Beelden uit mijn jeugd. En dan is het plots alsof een motor aanslaat. Alsof een emmer, die tot aan de rand was gevuld, plots over begint te lopen. Het lijkt wel alsof ik geen controle meer heb over mijn spraakvermogen en de woorden uit mijn mond opborrelen als lava uit een vulkaan. Ik vertel haar over moeder, die thuis de touwtjes stevig in handen heeft. Over vader, die door haar wordt opgevoerd als een eenmansgevechtslinie. Over hun onbegrip tegenover mij, hun onpersoonlijke opvoeding, hun onvermogen om met emoties om te gaan, de druk die ze op me uitoefenen om te studeren… Al mijn frustraties gooi ik op tafel. Tussen ons in. Ze zoekt het zelf maar uit of ze er wat aan heeft. Ze heeft er tenslotte om gevraagd.   Marianne luistert geïnteresseerd. Als een psycholoog. Af en toe knikt ze of slaakt een instemmend gegrom. Meteen wanneer ik ben uitgeraasd, neemt ze over.   “Luister es, Boris,” zegt ze. “Ik begrijp je frustraties, maar het blijven je ouders. Je hoort hen lief te hebben, wie ze ook mogen zijn. Ze hebben ongetwijfeld fouten gemaakt. En misschien doen ze dat nog, maar die mag je hen niet te zeer aanrekenen. Mensen maken nu eenmaal fouten. Daar zijn we mensen voor! Mijn ouders waren ook niet onfeilbaar, hoor. Ook zij hebben me wel eens teleurgesteld. Maar dat betekent niet dat ik ze geen warm hart toedraag. En ik zeg het je nog: je weet pas wat je aan je ouders hebt als ze er niet meer zijn. Wees dus niet te streng voor hen, Boris. Ze bedoelen het vast niet slecht…” Ik voel me lastig. Het laatste waar ik nood aan had, was een levensles. En nog minder aan een pleidooi in het voordeel van mijn ouders. Gelukkig wordt het eten opgebracht. Perfecte timing om de lont uit het kruitvat te halen. De lasagne ziet er overigens héérlijk uit. En de geur doet het water uit mijn mond lopen. Marianne scheurt een homp brood af en doopt deze in de saus. Ik imiteer haar. Meteen kan ik proefondervindelijk vaststellen dat ze niet heeft gelogen. De kangoeroelasagne is héérlijk!   “You like it?” vraagt Marianne. Ik knik bevestigend. Mijn oog valt op een kwakje saus dat aan haar kin kleeft en ik maak er haar op attent. Ze neemt haar servet van haar schoot en wil het afvegen, maar bedenkt zich.   “Come and lick it off,” zegt ze met een uitdagende blik in haar ogen. Ik kijk haar verbijsterd aan. “Wat?”   “Ik wil dat je het aflikt,” gebiedt ze. Ik slik mijn hap door en kijk gegeneerd om me heen.   “Hè, doe nou niet zo flauw,” zegt ze. “Geen mens schenkt aandacht aan ons. Doe nou gewoon wat ik je vraag.” Ze blijft me zo dwingend aanstaren dat ik na een tijd als vanzelf mijn stoel achteruit schuif en opsta. Ik stap op haar toe, waarna ze me haar kin aanbiedt. Ik werp nog even een blik vol gêne op de naburige tafels, buig me dan voorover en lik de druppel saus af. Wanneer ik me weer wil oprichten, neemt ze me bij de kraag en trekt me naar zich toe.   “Let me taste it!” zegt ze met zwoele stem. “It’s mine!” Ze drukt haar lippen op de mijne en zuigt mijn tong met zo’n geweld in haar mond dat ik even vrees dat de wortel zal afscheuren. Ik tracht me los te maken, maar ze zet haar tanden in mijn tong. Ik staak geschrokken mijn verzet. Enkele seconden kijkt ze me van dichtbij in de ogen. Dreigend. Maar dan - als een kat die haar interesse in een prooi verliest zodra deze ophoudt te bewegen - laat ze mijn tong los en duwt me van zich af. Als een stripteaseuse die een handtastelijke toeschouwer terechtwijst. Ze lacht geheimzinnig. Ik ga terug op mijn plaats zitten en werp een beschaamde blik op de naburige tafels. Maar ofwel zijn Australiërs heel wat gewend, ofwel zijn ze stekeblind. Geen mens schenkt aandacht aan ons.   Na de maaltijd vraagt Marianne me hoe lang ik denk onderweg te zijn naar Gold Coast en terug. Het lijkt een onschuldige vraag, maar ze noemt de naam van het schip “Soren Larsen”. Omdat ik me niet kan herinneren die naam ooit vermeld te hebben, bekijk ik haar argwanend. Hoe komt ze daaraan? Heeft ze achter mijn rug om inlichtingen zitten inwinnen? Terwijl ik me suf pieker, schenkt ze zichzelf nog een glas wijn in en ‘vergeet’ het mijne bij te vullen.   “Zal ik je eens een hint geven?” vraagt ze. “Als jullie op zee voor anker gaan, moet je een duik nemen. De zeeschildpadden hier zijn gigantisch! En als je wat geluk hebt, zie je misschien een ‘Elvis’!   “Een wat?” Ze maakt me duidelijk dat een ‘Elvis’ een enorme blauwe vis is, die een gigantische harem rond zich heeft hangen, wat meteen zijn bijnaam verklaart. Als ik opwerp dat het gevaarlijk is om in de zomer te duiken, lacht ze dit weg.   “De straat oversteken is ook gevaarlijk en dat doe je elke dag,” zegt ze. “Je moet af en toe wat risico’s durven nemen…” Ze drinkt haar glas leeg en vult het met de rest van de fles.   “Oeps… had jij ook nog wat gewild?” vraagt ze. “Zal ik nog een tweede fles bestellen? Of nee. Weet je wat? We nemen meteen een toetje.” Ze wenkt de ober, die twee menukaarten laat aanrukken. Ik wil kijken wat ze in de aanbieding hebben, maar mijn blik wordt getrokken door een kerel die met een zekere flair over straat loopt. Zodra ik zie wie het betreft, slaat de paniek me om het hart. Het is Xavier De Labuissière die onze richting uitkomt. Shit! In een impuls duik ik met mijn kop onder tafel, als een soldaat die dekking zoekt in een loopgraaf. Terwijl ik onhandig voorovergebogen op mijn stoel hang, hoor ik Marianne vragen: “Heb je al gekozen?” Omdat ze zelf achter haar menukaart schuilt, merkt ze niet dat ik onder de tafel hang.   “Ik zou je het typische Australisch dessert ‘pavlova’ willen aanbevelen,” gaat ze verder. “Lust je schuimgebak? … … Boris?” Ze laat haar menukaart zakken en kijkt me verbaasd aan. “Boris?” Ze buigt zich zijdelings voorover en kijkt onder het tafelblad. “Wat doe je daar?” vraagt ze verwonderd.   “Ik heb kramp,” verzin ik. Ik masseer mijn kuitspier om mijn leugen geloofwaardiger te maken.   “Hoe kom je daaraan?”   “Geen idee. Ineens was het er.”   “Heb je dat wel eens vaker? Wat vreemd. Weet je… misschien drink je te veel. Een exuberant gebruik van alcohol kan jicht veroorzaken, dat wéét je toch.” Dat moet zij zeggen, flitst het door mijn hoofd! Als dat zo was, liep zij al met een looprekje!   Naast me zie ik een paar voeten opduiken die in nette zwarte schoenen zijn gestoken.   “You’ve got a problem, son?” klinkt het.   Ik richt me bliksemsnel op. Het is de ober. Hij staat me met een opgetrokken wenkbrauw aan te kijken. Maar mijn aandacht gaat eerst uit naar Xavier. Ik kijk in de richting waar ik mijn Franse vriend net nog zag, maar er is geen spoor meer van hem. Het lijkt wel alsof hij in rook is opgegaan.   “Boris. Jack vraagt of je een probleem hebt,” vertaalt Marianne.   “Wat? Nee. Ik had kramp, maar het is over,” zeg ik.   “Zeker?” Ik knik bevestigend.   “He’s okay,” vertrouwt ze de ober toe. Ze maakt van de gelegenheid gebruik om het dessert te bestellen. Ze smeert me de pavlova aan omdat ik zelf geen beslissing kan nemen. Terwijl de ober koers zet naar de keuken, kijk ik nogmaals rond om zeker te zijn dat Xavier niet terug opdaagt.   “Weet je waar de naam pavlova vandaan komt?” hoor ik Marianne vragen. Haar woorden dringen niet tot me door.   “Boris! Wat zit je nou de hele tijd rond te kijken?” wordt ze ongeduldig. “Blijf met je aandacht even hier, wil je. Het is erg onbeleefd om zo om je heen zitten te kijken in het bijzijn van een vrouw. Het wekt de indruk dat je geen interesse hebt in haar. Hallo!” Ze wuift met haar hand voor mijn ogen om mijn blik te vangen. Ik fixeer me op haar.   “Heb je gehoord wat ik vroeg?” vraagt ze. “Ik vroeg of je weet waar de naam pavlova vandaan komt. Toch een vreemde naam voor een typisch Australisch dessert, vind je niet?”   Ze legt me uit dat het dessert is genoemd naar een Russische balletdanseres uit de jaren twintig van de vorige eeuw, een zekere Anna Pavlova, die op dat moment een tournee deed door Australië en Nieuw Zeeland. Ik luister maar met een half oor. Wat kan mij die danseres schelen. Ik voel me niet op mijn gemak. Ik voel me alsof ik de hele tijd word bespied. Indien niet door Xavier, dan door Jan Byttebier. Of misschien wel door Jason. Of nog een andere. Er klopt hier iets niet. Iedereen blijft maar opdagen en plots weer verdwijnen. De ene keer lijken ze me te herkennen of lokken ze me naar zich toe, de andere keer lopen ze me straal voorbij. Wat is er aan de hand?   “O, kijk! Daar is ons toetje!” roept Marianne uit. Ze klapt zich in de handen als een kind. We krijgen elk een bordje voorgezet met daarop een schuimgebak dat gegarneerd is met een overvloed aan fruit. Marianne pakt het bijgeleverde vorkje op en duwt meteen een flink stuk van het gebak in haar mond.   “Hmm…” doet ze, draaiend met haar ogen.   Bij het afrekenen wordt ons nog een digestief aangeboden. Geen idee wat het drankje is. Het is helder als pompwater, maar brandt in de keel als methanol. Marianne drinkt het alsof het melk is. Het verbaast me telkens weer hoe zeer ze bestand is tegen het innemen van grote hoeveelheden alcohol. Ook deze keer geeft ze na afloop van het diner geen blijk van dronkenschap, tenzij je het sneller praten en vaker lachen in aanmerking neemt.   Op weg naar haar appartement houdt Marianne me plots staan.   “Boris, heb jij zin om nou al naar huis te gaan?” vraagt ze. Ze blokkeert met haar omvangrijke lijf het hele voetpad om zeker te zijn dat ik haar niet voorbijloop. “Vind je ook niet dat we onze laatste avond op een spetterende manier moeten afsluiten?” Ik reageer aarzelend, maar ze maakt snel duidelijk dat ze “nee” niet als een antwoord neemt.   “Hè, doe nou niet zo flauw, Boris!” zegt ze. “Komaan!” Ze neemt me bij de hand en vraagt of ik van dansen houd. Ik kijk haar ontzet aan. Dansen?! Ik?!? Ik ben een houten klaas! Ik kan een beetje op mezelf staan rondhuppelen, als een marionet aan een touwtje, maar of je dat dansen kunt noemen…     “O, come on!” roept ze uit. “Nobody cares if you’re a Travolta or not!” Ik laat me overtuigen.   Marianne is zo enthousiast dat ze voor één keer niet aan mijn arm hangt te slingeren. Als een kind dat een ritje op de draaimolen is beloofd, holt ze de hele tijd een beenlengte voor me uit. Af en toe gooit ze een blik over haar schouder om zeker te zijn dat ik volg. Enkele straten verder houdt ze me plots opnieuw staande. Met neergeslagen blik komt ze vlak voor me staan, als een kind dat een kleine diefstal komt opbiechten.   “Boris… sorry als ik je misschien op sommige vlakken heb teleurgesteld,” zegt ze. Ze buigt deemoedig het hoofd, waardoor ze me een blik op haar kruin gunt. Tot mijn verbazing meen ik een uitgroei waar te nemen. Het heeft er alle schijn van dat ze niet echt blond is. Vreemd, aangezien haar oksel- en schaamhaar ook licht van kleur zijn. Zou ze die eveneens kleuren, vraag ik me af?   “Boris, wees eens eerlijk,” boort haar stem zich door mijn gedachten. “Vind jij ook dat ik een bitch ben?” Het gebruik van het woordje ‘ook’ laat er geen twijfel over bestaan dat ze al eerder dit weinig flatterende label opgeplakt heeft gekregen. Ze richt haar blik op mij en kijkt me doordringend aan. Ik voel dat ik moet oppassen wat ik zeg. De geringe ervaring die ik heb, leert me dat een vrouw een man wel eens durft aan te zetten om te beamen wat ze liever ontkend wil zien.   “Wees eerlijk, Boris!” moedigt ze me aan. “Ik kan de waarheid hebben.” Ik wik mijn woorden. Het valt niet te ontkennen dat ze een aantal minder aangename trekjes heeft, maar om nu te stellen dat ze een bitch is…   “Je vindt me ook een bitch, hé?” interpreteert ze mijn aarzeling als een bevestiging.   “Je hebt ook goede kanten,” antwoord ik.   “Maar ook slechte?”   “Iedereen heeft toch goede en minder goede kanten,” antwoord ik gevat. Ze kijkt me een tijdlang indringend aan. Ze lijkt te hangen tussen beamen en ontkennen. Uiteindelijk knikt ze.   “Je hebt gelijk,” zegt ze. “Nobody’s perfect!” Ze is meteen weer haar vrolijke zelf en gaat als vanouds aan mijn arm hangen.   Enkele straten verder houden we halt voor een kroeg waar de muziek uit de voegen sijpelt. Marianne opent de deur, wat het geluid op slag exponentieel doet toenemen. We gaan binnen. Ik laat mijn blik nieuwsgierig ronddwalen. Het interieur van het café is op z’n minst opmerkelijk te noemen. In de wanden zijn aangezichten in reliëf aangebracht. Witte gezichten met gesloten oogleden, als doodsmaskers. Aan de bar zitten een vijftal kerels met wijd gespreide benen op een kruk hun enorm machogehalte te demonstreren. Ze roepen en lachen om ter luidst. Zonder uitzondering hebben ze een flesje bier in de hand dat achteloos tussen hun opengesperde benen bengelt. Het lijkt wel een fallussymbool. Achter de bar staan twee kerels die niet onder stoelen of banken steken dat ze de Griekse beginselen zijn toegedaan. De ene heeft een blonde kuif als een kaketoe. De andere heeft zijn pikzwarte haren met wetlookgel achteruit gekamd en heeft getrimde bakkebaarden. Verticaal over zijn kin loopt een smal streepje baard. Net een rups. Tegenover de bar, aan een rij kleine tafeltjes met rond marmeren blad, zitten een paar prille stellen de binnenkant van elkaars mond te verkennen, op één stel na dat duidelijk nog geen weg weet met zijn gevoelens voor elkaar. Zij frunniken wat onwennig aan elkaar en lachen schaapachtig. Aan één tafeltje zit een slanke blondine in een boek te lezen. Hoe ze er in slaagt om zich in dit lawaai op de tekst te concentreren, is me een raadsel.   Marianne schenkt geen aandacht aan al deze mensen en stoomt door tot helemaal achteraan in de kroeg, als een tank die zich een weg baant door een mijnenveld. Ik volg haar, maar houd plots halt wanneer mijn aandacht wordt getrokken door één der verliefde stellen, waarvan het meisje zich na een eindeloze tongzoen opricht. Het gevoel, dat me overvalt als ik het roodharige meisje uit het hostel herken, valt niet te beschrijven. Het is alsof de hemel op mijn hoofd valt en mijn darmen zich binnenstebuiten keren in mijn buik. Wanneer het meisje merkt dat ik haar sta aan te staren, kijkt ze verbaasd naar me op. Ze lijkt zich af te vragen waarvan ze me kent. Ik voel de behoefte opkomen om haar aan te spreken, maar zodra haar vriendje me een vernietigende blik toewerpt en haar voor de zekerheid naar zich toetrekt, maak ik me uit de voeten.    Achter in de kroeg heerst een ongeziene ambiance. Op een metalen vloerplaat van amper vier bij vier staan enkele kortgerokte dames met netkousen en kerels met nauw aansluitende pantalons om elkaar heen te kronkelen. Marianne staat aan de rand van de dansvloer. Ze geeft de indruk zich in het gewoel te willen storten, maar wellicht is haar drang naar alcohol nog net iéts groter. Wanneer ik me bij haar voeg wurmt ze haar mond haast in mijn oor en vraagt: “Wat drink je?” Ik schreeuw haar toe dat ik wel een biertje lust. Een paar tellen later krijg ik een Budweiser in mijn handen geduwd. Marianne zet haar flesje meteen aan haar lippen en drinkt gulzig. Ze lijkt wel een kameel die zijn vochtreserve dient aan te vullen. Even nog weet ze haar lijf in bedwang te houden, maar bij aanvang van het volgende nummer stort ze zich op de dansvloer en kronkelt haar forse lijf in duizend bochten, terwijl ze één voor één de dansende mannen in de ogen blikt. Ze lijkt wel een wulpse bosnimf op zoek naar een wellustige sater. Ik sta toe te kijken als een asceet die getuige is van een bacchanaal: met een aan afkeuring grenzende verwondering. Ik prijs me gelukkig dat ze me niet mee op de dansvloer heeft gesleurd. Helaas… bij het volgende nummer heb ik prijs. Op de eerste tonen van het nieuwe liedje komt ze voor mij staan kontwiegen en tracht me met tien wriemelende vingers naar zich toe te lokken. Ik schud het hoofd, maar daar neemt ze geen genoegen mee. Ze slaat haar beide handen om mijn polsen en trekt me - achteruitlopend - met zich mee. Als om me aan te zwengelen, wiegt ze vervolgens mijn beide handen een aantal keren wild over en weer, waarna ze ze loslaat en zich met een luide, hoge “Woew!” van me afkeert. Terwijl zij als een bezetene over de dansvloer host, ga ik me te buiten aan een houterig huppelpasje. Ik voel me als een giraf die met zijn lange poten door een troep gedrogeerde pinguïns waadt.   Ook tijdens het volgende nummer staat ze me niet toe de luwte naast de dansvloer op te zoeken. Ze huppelt om me heen als een Indiaan om een totempaal. Pas wanneer ze opnieuw door dorst wordt overmand, staakt ze het dansen en begeven we ons samen naar de bar.   Nadat ze van haar biertje heeft gedronken, vraagt ze om de smartphone die ze me heeft gegeven. Ze hijgt me met haar zinderende adem in het gezicht, terwijl ik het mobieltje uit mijn broekzak vis.   “Maak eens een paar selfies van ons,” zegt ze. “Als herinnering. For old times sake!” Ze drukt zich stevig tegen me aan en blikt breed lachend in de lens, terwijl ik met het toestel de juiste hoek tracht te bepalen. Ik druk een aantal keren af, maar geen van de foto’s die ik heb gemaakt, vindt ze goed genoeg. Ze grist het apparaat uit mijn handen en neemt zelf een reeks kiekjes. De ene keer trekt ze een gekke snuit, dan weer likt ze met haar tong langs mijn wang of zet haar tanden in mijn oorlel. De fotoshoot eindigt abrupt wanneer ze de eerste tonen van het nummer ‘Super freak’ uit de boxen hoort knallen. Meteen duwt ze de smartphone terug in mijn handen en werpt zich op de dansvloer. Alsof ze door een horzel in de kont is geprikt, gaat ze zich de volgende minuten te buiten aan een onwaarschijnlijke choreografie. Ze trekt lelijke smoelen en host over de dansvloer als een kreupele waadvogel, alsof ze de ‘Super freak’ in persoon is. Het volgende nummer is een slow. Marianne komt me halen. Weigeren is geen optie. Ze klampt zich aan me vast als een bang kind aan het dijbeen van zijn vader. Nog enkele uren gaan we zo door, drinkend en dansend, tot de kroeg op sluiten staat.   Het is half vier in de ochtend als we aankomen bij de flat van Marianne. Om zeven uur moet ik er alweer uit en toch wil ze eerst nog een nummertje doen. Van maandstonden is plots geen sprake meer. Het wordt een uitputtingsslag.

Lou Van Lier
0 0

Het  Lonkerke –

(naar een Beeldexpress foto maar er waren meer dan 16 lijntjes....dank zij Guido Gezelle)   O Krinklende winklende waterding gij hebt geen kabotseken aan, wat zien ik toch geren uw kopke flink met dotje in ‘t waterke gaan! Gij leeft maar gij roert en beweegt niet snel, al zie ‘k u toch arrem toch been; gij wendt en gij weet uwen weg zo wel, al zie ‘k u twee ooge, geen één. Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn? Verklaar het en zeg het mij, toe! Wat zijt gij toch, blinkende dotje fijn, dat nimmer van lonken zijt moe? Gij kijkt over ’t spegelend water klaar, en ‘t water nog meer en verroert dan of het een gladdige windtje waar, dat stille over ‘t waterke voert. O  lonkerke, lonkerke zegt mij dan, net twintig of zijt gij al meer, en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: wat lonkt en wat kijkt gij zo zeer? Gij kijkt, en ‘t en staat in het water niet, gij lonkt, en ‘t is uit en ‘t is weg; niemand en weet er wat dat bediedt: och, lonkerke, zeg het mij, zeg! Zijn ‘t visselkes daar ge naar kijken moet? Zijn ‘t plantjes daar ge naar kijkt? Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet, of ‘t water, waarin dat gij zijt? Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep, of is ‘et het blauwe gewelf, dat onder en boven u blinkt, zoo diep, of is het u, lonkerke zelf? En t krinklende winklende waterding, met ’t zwarte dotje in ‘t haar, het stelde en het rechtte zijne oorkes flink, en ‘t bleef nog een stondeke maar: Ik kijk," zoo sprak het, “al krinklen af het gene mijn Meester, weleer, mij makend en leerend, te lezen gaf, één lesse, niet min nochte meer; ik kijk, en kunt gij die lesse toch niet lezen, en zijt gij zo bot? Ik kijk , herkijk en lonk er nog, naar Guido Gezelle, mijn God!"

Vic de Bourg
10 1

HOBELILAND (*)

Ode aan de Nollander    “HOBELILAND” (Holland Belgie land) – Karnavalschlager in spé   Refrein: (gezongen bij aanvang en telkens tussen elke strofe)   Ochottekestoch tisniewaarzeker waarzemmemeebezig, waarzemmemeebezig ? Ochottekestoch tisniewaarzeker waarzemmemeebezig? Hou toch op !   Een hoge piet uit Belgenland, die zei eens met een zucht Zijn naam is welbekend, hij rijmt ook op berucht Vond dat ie wat moest doen, aan ‘t Oranje blazoen Hij noemde hem een stijve hark, neen dat was geen fatsoen Dat mocht hij echt niet doeoeoen !   Ochott…   Naar Brussel uit den Haag, komen zij op bezoek Wat krenterig, maar graag, met muisjes of een koek Dan vinden zij het fijn, om bij den Belg te zijn Pintjes bier, zakskes friet, cervela zonder vel Dat  lusten zij echt wèèèèèl !   Ochott…   Het liefst voor niet veel geld, maken zij hier plezier Zeer spaarzaam steeds geweest, twee rietjes en één bier Het Zilvermeer in Mol, wordt de Costa del Sol Lawaaierig, Poep op de stoep, het antwoord op de vraag ? Wij zien hen echt heel gràààààg !   Ochott…   Hartstikke is hun woord, met leuk er bovenop De Moerdijk is niet hoog, ze klimmen tot de top Kroketje uit de muur, dat is beslist niet duur Goedkope grond, belastingsvrij, wat wil je nu nog meer ? Zij komen telkens wééééér !   Ochott…   Elk liedje heeft een end, dat zal nooit anders zijn Zing daarom al te gaar nog éénmaal ons refrein : Oooooooooooochotekestoch, enz…..     (*) Op toon van ongeveer Lilly the Pink    

Vic de Bourg
6 0

Melancholia

Wachten op een barst. Breken voor de schade opgemeten.Een celdeling.Bevrijd en in angstzweet bevroren.Fantoompijn. Agorafobie.L'union fait la force. Bloedarmoede. Leeg en belegen.Een uitgewerkte pil. Waar is de calcium.Waar is de nooduitgang.Slapen in jouw afdruk.Melancholia kijken met een glas, dan de hele fles wijn,en 's nachts hetzelfde dromen over Mars,die opgedoken van achter de zon ons met een kopstootreduceert tot de eindeloze slierten van irrelevantiedie we al lang in vaste vorm waren.De vaas breekt, valt in exact dezelfde scherven uiteen als de vorige keer.En de lijm is op.En de winkel is gesloten, nee verhuisd, nee opgedoekt, nee failliet.Elke ochtend een langere rij bij de voedselbedeling.Kansloze kinderen.Kansloze kleinkinderen.Kansloze achterkleinkinderen.Een credo: Wij zijn niet kapot te krijgen.Toch niet van buiten uit.Er kruipen termieten over onze geslachtsdelen.Wij weven twijfels in het zonlicht. Vakmanschap.Kijk ons roepen.Hoor ons denken.Niets is nog van porselein. Gehard als alles is in het vallen.Wij verkopen ons koninkrijk voor een paard.Een taxi die met gierende banden een remspoor achterlaat.Wij zijn elkaars slijmspoor. Wij kotsen replica's van de ander.Wij hebben ons de huid te hard aangespannen.Fluit eens op mijn wang.Onze tongen zijn larven op hun rug geworpen.Gal lekt waar het niet spuiten kan.Dikke zwarte druppels. Als pek.Een aderlating. Een nieuwe mens. Wij zijn veel van elkaar maar spreken af:geen voetnoten, geen biddende valken boven speeltuinen,geen alligators op golfterreinen.We zijn geen wonden, hoogstens gehalveerde hagedissen.We zijn het spartelen verleerd. Ook dat hoort erbij.Het is nu voluit inhaleren,verdampte boodschappen uitblazen in het gezicht.Rooksignalen. Schouderklopjes. Een pillamp in de ogen. Ontkurk de fles. Blaas de illusies eruit.Hier wordt geleefd.Hier scheiden wegen.Hier borrelt iets.

Gert Vanlerberghe
18 1