Lezen

A van AMEDEE

(uit “verhalen van A tot Z”)   Buitenlandse broeders hadden wij bij de congregatie van “De Broeders van Liefde” nooit ontmoet. Wel wisten we dat er een Franse benaming bestond voor de Congregatie: “Lesongregatie: “Les Frères de Charité”.   Toen onze kennis van de tweede landstaal noch in haar kinderschoenen stond en later voor de grap, vertaalden wij dit als  “Les frères d’Amour”… liefde, dus.  Dat had hij, deze vreemde grote man, afkomstig uit Zeeuws Vlaanderen, …liefde…voor muziek, kunst, cultuur.   God en dat àndere Vlaanderen moeten hem op een of andere manier hebben «geroepen». Zodra ingewijd, kregen de Broeders een nieuwe naam; was het om de sporen van een vroeger mogelijk zondig leven te wissen ? Hij kreeg, of koos de naam Amedee (“de Godminnende”). Nimmer hebben wij de grond van deze keuze kunnen achterhalen, of was er een link naar Wolfie Amadeus Mozart ?      “Cultuurbarbaren, onmondige uitkramers van een onverstaanbaar brabbeltaaltje….” zo noemden hij ons, zestienjarige Vlaamse kerels.  Vroeg men in Nederland de weg aan een amper tienjarige dan kreeg men een antwoord in een onberispelijke, althans verstaanbare taal. Niet zo in Vlaanderen, dus!  Dat is nu wel anders in het inmiddels taal-verloederde Nederland.   Wij vonden dat Amedee beter naar de échte missies was vertrokken, maar die lagen allicht te ver van huis en van de grote Kunst die hem zo dierbaar was.  Het lag voor de hand: ook in dit stukje buitenland was er bekeringswerk aan de winkel. Moeizaam maar zeker zou hij er in slagen om de Vlaamse complexen te verjagen.   Amedee werd onze klastitularis en leraar Nederlands en Geschiedenis. Tijdens een van zijn lessen stoof hij naar achter in het leslokaal waar hij een voor die tijd revolutionaire platendraaier had geïnstalleerd met een stel fameuze luidsprekers. Oorverdovend luid (in andere leslokalen hield men, zo bleek later, de adem in…) overspoelde ons het vijfde klavierconcert van Ludwig van Beethoven.  Enkele medeleerlingen doken weg onder hun bank, anderen proestten het uit toen Amedee in wapperende zwarte pij uit volle borst met het orkest meezong, daarbij de armen molenwiekend als ware hij de dirigent zelve.   Het werkte, althans bij mij. Ik mocht zowaar het vinyl met Van Cliburn als solist uitlenen en draaide ze op mijn studeerkamertje grijs op een draagbare pick-up met ingebouwde luidspreker anno 1964. Binnen hetzelfde jaar nog gaf ik spreekbeurten over beschrijvende klassieke muziek (De Moldau van Smetana : van bergriviertje naar statige stroom) maar ook over negrospirituals: “oh Lord, what a mourning” : Mahalia Jackson die niet zong over de morgen (“morning”) maar over het lijden (“mourning”) van de negerslaven. Wat een stem, wat een revelatie….ook voor Amedee, die glunderend toegaf deze muziekvorm niet te kennen maar wel kon smaken.  Als het vuur van de cultuur maar oplaaide in duister Vlaanderen!   De Cultuur deed zijn intrede! Al in het tweede jaar na de komst van Amedee werd in het college een heuse Nederlandse Literatuurweek georganiseerd met lezingen door schrijvers met klinkende namen als Ward Ruyslinck, Ivo Michiels, Hubert Lampo.  Amedee zeulde ons mee naar de Antwerpse Opera waar van op de uil een deel van de klasgenoten de volledige opera “Iphigenia in Tauris” van Christoph Willibald von Gluck uitzaten terwijl de overigen gedurende heel de vertoning enthousiast naar het plafond met vergulde blote engeltjes keken.   Is het toeval dat ik decennia later bij bezoeken aan de Brusselse Muntschouwburg, het Brugse Concertgebouw, de Nieuwe Kerk in Den Haag, de Smetanazaal in Praag , The Coliseum in London en bij het luisteren en kijken naar ballet, opera, concert of recital steeds terugdenk aan Amedee, bij wie het allemaal begon?   De Amerikaanse Oscars, Franse Césars, Engelse Laurende Oliviers of de Gouden Bertjes en Bronzen Adhemars mogen er voor mijn part zilveren, houten, marmeren, stenen of glazen, grote of kleine Amedees bij krijgen als opsmuk voor inkomhalls, rotondes en pleintjes aan de ondertussen ontelbare Vlaamse culturele centra. Dank u, Broeder-met-de-liefde-voor-de-Kunst, het is u gelukt! Het “arme Vlaanderen” is rijk geworden!

Vic de Bourg
1 0

herschrijf de zinnen

Door naamwoordstijl en nominalisering te vermijden schrijf je leesbaarder. We nemen deel aan de raden van beheer van de Centra voor Basiseducatie en Centra voor Volwassenonderwijs om deze centra ertoe aan te zetten een speciefiek aanbod te doen naar kwetsbare groepen bij etnisch-culturele minderheden.   Het aandeel etnisch-culturele minderheden stijgt in elke gemeente. Bijna elke gemeente moet zijn beleid bijsturen en erin slagen om deze minderheden te informeren. Met volgende uitdagingen worden gemeenten geconfronteerd: Hoe de doelgroep bereiken? Wat zijn de beste manieren om inspraak van de minderheden te verhogen? Aanvullend moeten gemeenten de informatie over de dienstverlening aanpassen en personeel opleiden in diversiteitsmanagement.     Verwachten, houding, bekwaam, ingewikkeld, ontwerp, steeds, verschil, doeltreffend, vanzelfsprekend, geregeld, indruk, vernieuwen, in zijn geheel, bedoeling, afwijking, deelnemen, voorrang, gebied, beperking, soms, aanzienlijk, dringend, gelden   Het provinciaal integratiecentrum werkt mee aan het toekennen van gelijke kansen voor etnisch-culturele minderheden.   We nemen deel aan de raden van beheer van de Centra voor Basiseducatie en Centra voor Volwassenonderwijs om deze centra ertoe aan te zetten een speciefiek aanbod te doen naar kwetsbare groepen bij etnisch-culturele minderheden.   De kleuter werd aangereden door een dronken automobilist en werd hierbij gewond.   U kan een arrangement in het Hageland, zoals beschreven in de folder, boeken via bijgevoegd formulier.     Hoewel Michel een hekel heeft aan huiswerk maken, probeert hij elke dag een uurtje te werken. Michiel gaat nog niet lang naar een beroepsschool aan de andere kant van Leuven.   Het PRIC beleidsplan werd eind oktober voorgesteld aan een aantal lokale provinciale steunpunten. De presentatie vond plaats in het provinciegebouw te Leuven.   Dit is niet mijn eerste keuze. Momenteel voelt het bestuur er niets voor. ik ben de laatste die onze schuld zal ontkennen. Hij gaf toe dat hij de documenten had doorgespeeld aan de pers   Toestemming wordt enkel verleend indien de aanvraag tijdig, schriftelijk en volgens de richtlijnen gebeurt.   Contact met andere bevolkingsgroepen is niet genoeg om vooroordelen te herzien. De zorgverstrekker bepaalt wanneer zorgverstrekking onder ‘dringende medische hulp’ valt.     Vooraleer de begeleding kan worden stopgezet moeten er verbeteringen in de thuissituatie van de cliënt worden vastgesteld.       hten,

Barbara Govaert
0 0

Profielschets bedrijfsleiders/ energieverantwoordelijken

WETEN Elke lezer in mijn doelgroep is zich bewust dat de bedrijfsactiviteiten gepaard gaan met energieverbruik. Ik schat dat het bij de helft daarbij blijft en dat de andere helft in meer of mindere mate weet hoe het energieverbruik kan verminderd worden. In de groep zijn er lezers met heel veel invloed en andere met een stuk minder. De lezer is op hoofdlijnen vertrouwd met de context. De lezer weet niet veel over mijn vakgebied (hierop zijn er uitzonderingen). De lezer is enerzijds een medestander omdat het verlagen van de energiekost positief is, maar anderzijds een tegenstander omdat dit inspanningen en investeringen vergt. WILLEN Bij een eerste contact denk ik dat de lezer enkel de hoofdzaken wil weten. Hij wil voorbeelden (getuigenissen) van andere bedrijven lezen. Ik weet niet of hij mijn opinie wil weten. Aanspreken met “u” lijkt het veiligst voor mijn doelgroep. De lezer wil niet veel tijd besteden aan de lectuur (wervingsbrief). Ik ben niet zeker of hij wil overtuigd worden (in ieder geval is het mijn bedoeling om hem te overtuigen en tot handelen aan te zetten).   VINDEN De lezer staat onverschillig en neutraal tegenover het onderwerp. Misschien zelfs negatief omdat hij overstelpt wordt door vragen om de bedrijfsvoering aan te passen. De lezer heeft vooroordelen over het onderwerp en over stad Gent als organisatie (administratie, belasting, toezicht, naleven voorwaarden,...)   KUNNEN Grootste groep is ervaren lezer maar gezien de grote diversiteit in de groep best ingewikkelde structuur vermijden. De lezer kan abstractie aan maar om hem tot actie aan te zetten is het beter om concreet mee te delen wat we van hem verwachten. Ik denk dat de helft van mijn lezersgroep mijn vakjargon niet begrijpt.

Barbara Govaert
0 0

De sprinkhaan en de kameleon

1 Nadat hij op een bijzonder hete dag ter verstrooiing lange tijd met z’n hoofd in z’n nek in de hoogte had zitten staren - voorbij de varens en de mossen, voorbij de lobbige bromelia’s en de stekelige struiken, en zelfs voorbij de waaiers van de palmen en de takken van de kapokboom - sloot de sprinkhaan voldaan zijn ogen. Zie toch hoe mooi, dacht hij bij zichzelf en hij keek verheugd naar de feestelijke vlekjes die achter zijn oogleden dansten. Vlekjes zoals de middagzon ze maakt wanneer ze door het kroondak heen tot op de bosvloer priemt en heel het junglehart verwarmt. ‘Alles is zoals het hoort,’ sprak hij tevreden, maar terwijl hij zich uitrekte om het lange stilzitten uit zijn lijf te jagen, beving hem plots een vaag onbehagen. Want iets zat hem dwars en terwijl hij dacht aan wat hij net had gezien, zo de hoogte in starend, kwam hem een geschubde schaduw met een krulstaart en een roltong voor de geest. ‘Heremetijd,’ zuchtte hij en paniek kleurde het groen van zijn wangen vlammend rood.        2 Wat een hitte! Verveeld kleur ik erop los, van geel naar bruin en terug. Honger heb ik ook, erg veel honger. Maar in jagen heb ik geen zin. Het is warm, veel te warm. Zelfs de vliegen liggen er verlept bij. Was er maar iets lekkers in de buurt. Maar ik zie of hoor geen zucht, geen piep, geen kreun. Of toch? Zit daar iemand onder me? Iemand die zich krakend rekt? Ik rol mijn staart uit, hang mijn hoofd over de tak en … sapristi! Wat heerlijk! Een malse sprinkhaan zit in de zon, een fruitig hapje, groen en fris. Ik likkebaard en … Wat nou! Mijn tong is traag, stijf als een uitgedroogd zeem. Die dekselse hitte. Knabbelend op mijn wangen bespied ik mijn groene vriend. En zie, daar vloeit het speeksel al. Het stroomt, walst, danst door mijn mond. Groen, groener, groenst! Ik zet me schrap en smakkend schiet ze uit, mijn tong, mijn katapult, mijn wapen, mijn .... Stop! Halt! Gevaar! Mijn groene vriend is weg. Wat onder me zit is rood. Vlammend rood. Snel trek ik me terug, want rood, nee, dank je wel, dat eet ik niet. Ik wil nog lang niet dood.   Na die hete dag leefden de sprinkhaan en de kameleon nog lang en gelukkig.

Ines Nijs
1 0

K van KAPPELLEKE

(uit “ verhalen van A  tot Z”) De baan naar de Kapellekens Waar men ging langs Vlaamse wegen, oude hoeve, huis of tronk…. kwam men ze overal tegen : de Kapellekens.  De meesten waren gewijd aan O.L.V. van Vlaanderen. Eerder zeldzaam waren de gebedshuisjes die ook aan andere heiligen werden toegewezen.  Zo stond op het einde van onze Sint Antoniusstraat  een kapel waar naast Maria ook Antonius werd aanbeden. Er was een wegje rondom het gebouwtje dat als het ware ingepakt was in hoog struikgewas.  Hier ravotten en speelden de kinderen uit de buurt.  Soms werd de kapel een versterkte ridderburcht, soms een schitterend sprookjeskasteel, soms een hoge ronde toren die eindeloos beklommen werd.  ’s Avonds was het een rendez-vous plek voor menig jong koppeltje. Antonius kneep dan graag een oogje dicht voor die prille ontucht, hij had tenslotte al werk genoeg in het zoeken van verloren dingen. In katholieke middens werd (en wordt ?) Antonius inderdaad aanroepen  om kwijtgeraakte spullen terug te vinden.  Dit gebeurde bijvoorbeeld met de volgende woorden in versstijl : “Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik m’n ……vind” of“Heilige Antonius, lieve sint, zorg dat ik m’n ……vind” of nog“Sint Antonius, heilig man, maak dat ik mijn…….vinden kan” Als het verlorene werd teruggevonden was het uiterst belangrijk dat men de Heilige Antonius hiervoor bedankte, maar ondanks de uitleg van de plaatselijke curie, had niet iedereen  begrepen dat het over voorwerpen moest gaan. Er was veel begankenis op de baan naar het kapelletje, vooral in de zomeravonden en weekends. In het nabijgelegen dorpscentrum waren nogal wat etablissementen van bedenkelijk allooi. De vrouwen van lichte zeden kwamen zogenaamd uit “den vreemden” met namen als Blanche, Alwine en Mireille.  De meesten waren "transfers" uit de rosse buurten van Gent, Brussel, Kortijk, Antwerpen of Luik. Zo zagen wij de raarste creaturen voorbij onze woonst stappen.  Naar het schijnt gingen ze Antonius vragen om hun verloren liefdes terug te brengen en hier en daar durfde er eentje haar verloren eer terugvragen.  Er passeerden ook Franstalige dames die dan baden : “Saint Antoine, homme béni, je ne trouve plus mon chérie” of “Oh, Saint Antoine, quelle horreur,  j’ai perdu mon honneur”. Bij Helga en Gretchen uit Hamburg klonk het : "Ich habe ...... verloren und kann es nicht wiederfinden. Lieber heiliger Antonius, bitte hilf mir, es wiederzufinden" Het heiligenbeeld bleef steeds aimabel glimlachen, het hoofd een beetje schuin.  Maar hij dacht er het zijne over : voorwerpen tot daar aan toe, maar de 'sujets' gaan zoeken waar deze dames naar verwezen ?  Vergeet het !  Hij  liet vooral niets merken en luisterde geduldig naar de uitleg, waarvan hij soms rode wangen kreeg. In al hun extase, merkten de plots zo vrome meisjes dat gelukkig niet. De meimaand was de topmaand voor het kapelletje.  Dan kwam er de hele buurt samen om luidop de rozenkrans te  bidden.  Soms werd ook een, weliswaar verkorte, versie van  de litanie der heiligen afgedreund.  In de vroegere Latijnse versie  ging het dan als volgt : op zangerige toon zei de voorbidder  bijvoorbeeld :  "Sancta Appolonia” (heilige tegen tandpijn) en dan viel de kerk in ……met  de woorden “Ora pro nobis” (Bid voor ons). Aan het Kapelletje was onze nonkel Fons soms voorbidder en van zodra hij een heilige had vernoemd proclameerde de kwajongens en kwameisjes onder ons “Bid voor Fons” !  Dat kostte hen na de gebeden steevast enkele oorvegen.  Dat alles gebeurde onder het goedkeurend oog van Antonius, die daar allemaal niet zo zwaar aan tilde. Ergens in de tijd van Leuven Vlaams en de stichting van Louvain-la-Neuve werd het kapelletje afgebroken en werd er verderop een splinternieuw exemplaar gebouwd, waar  nog amper iemand naar toe trok.  De straatnaam werd  niet in 'la nouvelle rue Saint-Antoine' gewijzigd. Een ander kapelletje was dat van Koersel.  Dit was een heus bedevaartsoord met een echte bron en een grot zoals in Lourdes.  Net als in de meeste gerespecteerde pelgrimsoorden lag tegenover het heiligdom  een authentiek café.  Soms werd gefluisterd dat er bedevaarders waren die zich bij thuiskomst niets van het Koersel Kapelleke herinnerden maar wel van dat gezellig staminee in de Limburgse bossen. Is hier de Vlaamse uitdrukking ontstaan : “En recht naar huis, hé, geen kapellekes onderweg !” ? De voettochten over de baan die van ons dorp naar dit Kapelleke leidde waren legio.  In de hete zomers van toen was het afzien maar tezelfdertijd een hemel op aarde.  De overweldigende natuur, de botterhammen die plat werden in onze rugzakjes, onze 'gourdes', die leeg mochten want die konden bij aankomst gevuld worden met het heldere heilwater uit de bron. In sommige drinkbussen zat 'calichesap' (water met een stok zoethout of met drop), andere waren gevuld met koude koffie en de luxemodellen bevatten echte limonade. Gezongen werd er ook. Tijdens tochten met de jeugdbeweging waren dat  bekende stap- en kampvuurliedjes.  Als wij er met de school op uittrokken werd dit een heel ander repertoire.  Dan kwamen de straatliedjes van de bovengenoemde kwajongens aan bod en ging het van 'In de Sahara, in een grote bak met zand, lag…' (nvdr. het vervolg is niet voor publicatie vatbaar). Op school  werd bij aanvang van elke les  gebeden. Onze leraar Frans had het lumineuze idee het gebed steeds in de doeltaal te reciteren: “Je vous salue, Marie, etc...". Tijdens een schooluitstap naar Koersel  hoorden wij diezelfde leraar voor het eerst in het Nederlands voorbidden.  Toen merkten wij dat hij bij elk 'Weesgegroetje' telkens op hetzelfde moment bleef haperen.  Geproest en ellebogenwerk bij elke “Wees gegroet, Maria, vol van genade,……de de de de Heer is met u, enz…”.  Hij hield het warempel een heel rozenhoedje vol. Omdat onze moeders zo fier waren over hun vrome kroost die op pelgrimstocht trok, kregen wij  een centje om iets te kopen in het souvenirwinkeltje.  De aller-vroomsten kochten dan een OLV beeldje of een ander aandenken, maar de kliek van de straatliedjes trok steevast de herberg binnen om er een limonade te bestellen.  Het bronwater in onze gourdes was dan voor de nadorst op de veel te lange terugweg. Vandaag is het de bron der herinnering waaraan wij ons laven. Tegenwoordig kan men via Youtube de meest fabelachtige landschappen bezoeken in de meest afgelegen gebieden ter wereld. Op het geheugen van de harde schijf onder mijn hersenpan, staan andere vergezichten opgeslagen.  Die bestanden werden met geuren en kleuren  gedownload op de wegen naar de Kapellekens van mijn jeugd.    

Vic de Bourg
319 1

Lentegebroed (of het belang van communicatie)

Borelingen krijgen vliegles..een lentebelevenis ! Wij kennen de spreuk dat in mei elke vogel een ei legt. Eens het ei is uitgebroed volgen de eerste vlieglessen en daar kan het fout lopen, tenzij… Tenzij je als klein gebroed op straat belandt,  nog net niet vertrappeld of overreden bent en een goede ziel je opraapt om je aan een nader onderzoek te onderwerpen.Men zet je wat water en broodkruimels voor maar je weet amper hoe je moet eten of drinken.  Gezien de keuze van jouw landingsplaats zal ook het vliegen nog niet tot je vaardigheden behoren.  Of toch ? Eerst berust je in je lot en wil alleen maar slapen , dan leef je even op en vlieg je warempel tot in een boom waar je in het jonge groen onzichtbaar wordt. Enkele uren later heb je het lef het huis binnen te vliegen waar je enkele uren geleden je eerste zorgen kreeg toegediend.  Je kijkt hulpelozer dan ooit in de camera en verkiest  weer met het kopje tussen de veren te slapen. Tot de goede vinderziel het idee heeft met je terug te keren naar de dichtst mogelijke plek  met bomen nabij jouw vindplaats.  Je blijft warempel op de vinger zitten tot je de straat over bent. En dan geschiedt het wonder.  Er komt een eerste boodschap van je mama binnen.  Tot dan toe heb je je steeds muisstil  gehouden.  Maar nu leef je plots op en met wijd open oogjes reageer je met een overtuigend piepgeluid.  Tot driemaal toe beantwoord je de berichtjes van mama.  Je wordt onderaan een boom op een bankje geplaatst en het duurt amper enkele seconden alvorens je gezwind op eigen kracht de boom invliegt.  Nog  enkele seconden later komt uit een andere boom jouw mama toegesneld. Communiceren kan je leren en je kan er niet vroeg genoeg mee beginnen.

Vic de Bourg
26 2

UITGELOKT

Eigenlijk was het zijn eigen schuld. Dieter had het dier geprovoceerd door een krassend geluid na te bootsen. Hij had direct spijt. Zoals hij daar zat, met zijn vleugelpunten rustend op de stoep, had de kraai wel iets weg van de controller van zijn spelcomputer. Alleen, die had voor Dieter geen geheimen; hij kende elk knopje, elke trick en magic skill. De kraai daarentegen was onberekenbaar. Bij dieren, zeker bij vogels, wist je nooit wat ze dachten, wat ze gingen doen. De kraai keek hem na, terwijl Dieter huis-aan-huisbladen in de brievenbussen propte. Toen hij terugkeerde bij het begin van de straat zat de vogel er nog. ‘Opzouten!’ De kraai bleef zitten waar hij zat. Dieter deed nog twee stappen naar voren en liep er toen in een boogje omheen. Hij bloosde. Zijn laffe gedrag bleef vast en zeker niet onopgemerkt. In deze kleinburgerlijke straat zat altijd wel iemand naar buiten te kijken. Het leek goed te gaan, maar zodra hij weer een stap op het trottoir zette, kwam de vogel met trage sprongetjes achter hem aan. Dieter schoot een voortuin in. De Nee-Nee-sticker op de klep van de brievenbus bevestigde zijn kansloze actie: toen hij zich omdraaide had de kraai het paadje van gewassen grindtegels geblokkeerd. Dieter zat in de val. Haastig rolden zijn klamme handen een krant tot koker, maar nauwelijks op tijd. De kraai klapte met zijn vlerken en plotseling was zijn kop vlakbij, de snavel maximaal opengesperd. Kraa! Kraa!’ Dieter maaide in blinde paniek om zich heen en met een doffe klap belandde de kraai in de voortuin. Hij bleef roerloos liggen. ‘Klote beest!’ Dieter rilde, zijn T-shirt plakte aan zijn rug, en de hand waarmee hij de krant had omklemd vertoonde een perfecte afdruk van het voorpagina-artikel.   De week erna lag de kraai er nog steeds. Hij zag er wonderbaarlijk ongeschonden uit. Dieter keek verbaasd naar de verveloze voordeur, daarna naar het grote raam van de woonkamer waar vrouwentongen als zwaarden door de gesloten luxaflex staken. Waarom hadden die mensen dat beest niet even opgeruimd? Over een paar dagen zou de buik met een plof openbarsten in een misselijkmakende orgie van honderden krioelende maden.   Een week later verwachtte Dieter dat de zomeravondlucht zwanger zou zijn van een penetrante kadaverlucht, maar het rook net als anders: naar bloemkool. Tóch opgeruimd, dacht hij, maar tot zijn ontsteltenis lag de kraai nog steeds in de tuin, zijn klauwen in de lucht. Wat een gore lui had je toch. Dieter keek een tijdje naar de kraai en grijnsde. Hij zou die mensen een handje helpen. Hij vouwde een krant open en legde die als een dekentje over de vogel. Hij walgde van het gewicht, maar bovenal van de warmte. Behoedzaam droeg hij het pakketje naar de voordeur. En toen pulseerde er iets onder de krant. Hij deinsde achteruit, verwachtte een explosie van rottingsgassen, maar de uithaal van de puntige snavel die hem vol in zijn rechteroog trof, was het laatste wat hij zag aankomen.

Grand Foulard
0 0

De first one.

    De overwinnaar, de eerste, de beste, de gefortuneerde. Zonder lauwerenkrans, zonder trofee, zonder oorkonde. Wie zou ooit vermoeden dat ik had gemoord. Gemoord om te overleven. Gemoord had, om te leven. We waren met zovelen. Tweehonderdvijftigduizend, of zo. Waarom ik? Wat heb ik de wereld te bieden dat al die anderen het onderspit moesten delven? Ik kijk naar mezelf in de spiegel. Niet meer van de jongste, geen genie, geen fotomodel. Niet eens fotogeniek. Wat heb ik tot op heden gepresteerd dat zo belangrijk is? Buiten op deze aardkloot rond lopen. Ik keek naar een foto aan de muur van twee lachende jonge kinderen. Mijn, of beter, onze kinderen. Ik en mijn man hebben er ook moordenaars van gemaakt…   Herinneringen aan een leven hiervoor overspoelden me. In den beginnen. Ja toen. Vertrokken ze, soms met twee. Om ongezien te verdwijnen. In een stroom van bloed. Afgevoerd zoals het rioolwater. Wie zou de volgende zijn? Ik wisselde van gedachten met een lotgenoot.   ‘Wat denk je? Wie gaat de uitverkorene worden?’ ‘Geen idee. Eerlijk gezegd, ik zou het niet erg vinden.’ ‘Wat erg vinden? Te vertrekken of te verdwijnen?’ ‘Maakt me niet uit. Alles is beter dan zo opeengepakt te zitten. Ik wil eens iets anders zien, meemaken. Misschien win ik wel het groot lot?’ Ik lachte. ‘Een optimist! Zo hoor ik het graag.’ Een ander moeide zich in het gesprek: ‘Je hebt optimisten en doordouwers. Ik heb het meer voor de laatste soort. Doordouwers komen er uiteindelijk wel.’ Ik keek haar geringschattend aan. ‘Laat me gissen… jij bent er zo eentje.’ Ze knikte ernstig. Ik laat me door niets van mijn doel brengen. Wat er voor gedaan moet worden, zal gebeuren.’ Ik haalde mijn wenkbrauwen op. ‘Zelfs moord?’ ‘Als dat nodig is.’ antwoordde ze zelfzeker. ‘Jij niet?’ vroeg ze smalend. Ik dacht even na. ‘Ik ben er het type niet voor. Denk ik.’ zei ik onzeker. Er ontstond beroering onder de gelederen. Een golf van opwinding trok plots door de groep. ‘Het is zover!’ riep iemand. Er werd geduwd en getrokken om tot bij de opening te komen. Een groot zwart gat doemde voor me op. Ik werd plotseling opgeslokt door het duister en voortgestuwd tot in een soepele tunnel. Ik hield op met me voort te bewegen. De stilte en het totale duister werkten op mijn zenuwen. Werd ik paranoïde of was ik werkelijk niet alleen? Mijn zenuwen tot het uiterste gespannen, de oren gespitst als een hond, wachtte ik. Daar was het! Als een natte dweil op parket schoof het dichterbij. De nachtmerrie klampte me plots vast. Ik gilde en mijn belager begon te gieren van het lachen. ‘Coucou!’ ‘Ik kende die stem…de doordouwster!’ ‘De optimist!’ klonk het aan mijn zijde. Ze werd opgewonden. ‘We hebben bezoek.’, fluisterde ze. ‘Nu al?’ vroeg ik verbaasd. ‘Nu al.’, herhaalde ze blij. Met snelle bewegingen kwamen ze dichterbij, tot ze ons konden omringen, binnendringen. Ze verdeelden ons. Maakte ons tot rivalen van elkaar. Ze brachten ons naar de arena. We eisten, we smeekten, we vochten voor een eigen onderkomen in de grot van het leven. Ongenadig werden we aan elkaar geklonken in een hoekje van de kathedraal. Naarmate de tijd verstreek werd de kathedraal een kleine cel. Gelaten verdroeg ik de schimpscheuten, de nijdige porren en de hatelijke opmerkingen van de medegevangene. ‘Je wordt té vet!’ zei ze hatelijk. ‘Ik word niet vet. Ik ben voorbereid op de momenten van schaarste.’ Ze schaterde het uit. ‘Stomme trut! We zijn de belangrijkste spelers! Ze gaan ons écht niet verwaarlozen.’ Ze plaatste een voet in mijn maag die me de adem afsneed. Ik draaide haar verontwaardigd mijn rug toe. Ze had gelijk. Ik had moeite met bewegen. Het werd hoe langer hoe moeilijker om als eerste het voedsel te bemachtigen. Er volgde weer een ellenboogstoot. Ik voelde me stilaan als een bonte koe. Of erger nog, een levende boksbal. Vermoeid rolde ik me op en trachtte te slapen. Ze bleef schelden en stompen tot ze zelf te moe werd veronderstelde ik. Met een zucht viel ik in slaap. Ik droomde van een levende machine met armen als tentakels die me stilaan wurgde en voelde echte ademnood. Met een schok werd ik doodsbang wakker. De wurgende tentakels deden nog steeds hun werk. Ze had een lus rond mijn hals gedraaid en sleurde er als een gek aan. Sterren kon ik niet zien, toch ging het heel firmament aan mijn gesloten ogen voorbij. Ik worstelde. Gebruikte mijn vetmassa en mijn laatste kracht om aan de lus te ontsnappen. Ze moest me uiteindelijk lossen. Ik voelde aan mijn beurse keel. ‘Je bent gek.’, hijgde ik nog na. ‘IK?’ , krijste ze. ‘Ik weet wel wat je van plan bent!’ ‘Ik ben helemaal niets van plan, gek wijf. Wat bezielt jou?’ Ze kromp samen als een adder voor de aanval. ‘Je wilt me versmachten met je vet!’ Ik bleef mijn eerste reactie herhalen: ‘Je bent gek! Stapelgek!’ Razend ondernam ze een twee poging. Ze was vlug en glad als een aal. Ik, enkel sterk. Sterk en doodsbang! Vanuit de allereerste gevormde cel kwam het oerinstinct naar boven. Overleven! Met mijn vadsigheid duwde ik haar in een hoek en greep de lus vast met mijn mollige handen. Ik was te sterk, ze moest loslaten. Koelbloedig wond ik de lus rond haar hals en begon te trekken. Het was zij of mij…Kaïn en Abel, helemaal opnieuw. Ze keek me met grote bange ogen aan… tot ze braken. Mijn daad bleef niet onopgemerkt. Rumoer en felle lichten zetten mijn cel in lichterlaaie. Ruw werd ik uit de cel bevrijd die me al die tijd het leven schonk. Nog zwak van de strijd jammerde ik krachteloos tegen mijn beulen die me zo ruw behandelden. Mijn adem stokte en toch bleef de mishandeling voortduren. Ze ranselden me verder tot ik begon te krijsen. Ik kon terug ademen. IK had gewonnen! En toch voelde het aan als een enorm verlies. ‘Het spijt me.’, prevelde ik in gedachten. Het speet me echt! Ik had graag een zus gehad, maar geen psychopaat.   Mijn gedachten keerden terug naar het nu en glimlachte naar de foto aan de muur. Daar hing de reden van mijn bestaan. Misschien zijn mijn twee dochters net als Barnabas, goede moordenaars. Nature finds a way…

Fanny Vercammen
0 0

Je vakantie begint bij de heenreis

Op weg naar het zuiden moest ik mijn wagen dringend wat brandstof geven. Zelf had ik ook wel nood aan een koffietje, dus glipte ik even de shop binnen. Bij gebrek aan muntjes zette ik mij als derde in de wachtrij aan de kassa. Voor mij stond een imposante man.Hij vocht een duidelijk ongelijke strijd met zijn overgewicht. Hij droeg donkerblauwe slippers en de tenen die erin gewurmd zaten kende ik. Ze waren van mijn oude moeder. Zij ging vroeger niet naar de pedicure want dat zou een financiële aderlating geweest zijn, dus kweet mijn vader zich uitstekend van zijn job als voetverzorger en knipte met veel moeite en tandengeknars de dikke kalknagels van zijn echtgenote.   De kolos moest wel een truckchauffeur zijn. Hij had spierwitte vlekken op zowel zijn kuiten als onderarmen. Dit tekort aan pigment, deelde hij met mijn nichtje Ingrid. Bij hem viel dat extra op omdat vooral zijn linkerarm diepbruin gebrand was. Waarschijnlijk liet hij tijdens zijn trips in Zuid-Europese landen zijn portierraampje naar beneden glijden als hij in de file belandde. De maagdelijk witte vlekken vormden vreemde eilanden op zijn verschroeide huid.   Hij droeg een bermuda waaronder zijn brede knieën te voorschijn kwamen. Ze leken op de gewrichten van tante Melanie. Haar onderbenen waren nog relatief slank te noemen, maar vanaf haar knieën begon haar lichaam enorme proporties aan te nemen. Zo verging het ook de trucker.   Een slobberende vergeelde t-shirt omspande zijn omvangrijke buik. Hetzelfde beeld zie ik voor me als ik kijk naar de bijna op barsten staande bolle buik van achtmaand zwangere buurvrouw Nathalie. Binnen een maand zal haar “pakje” echter verdwenen zijn. De vracht van deze chauffeur zal hij zeker niet zo gauw verliezen.   Zijn hoofd leek wel vast gespietst op zijn eerder tengere schouders. Een nek had hij niet want de bovenste speklaag van zijn bolle rug, liet dat niet toe. Ook zijn keel, of hoe moet je die opstapeling van vetkwabben noemen, kon je moeilijk herkennen. Mijn grootoom Adelbert, die ooit als krachtpatser voor een circus had gewerkt, had flink met hem kunnen wedijveren.   En dan die tronie, zo weggelopen uit een of andere Fellini-film, had je moeten zien. Mijn grootvader langs vaderskant leek wel zijn evenbeeld: stekelige wenkbrauwen als straatborstels boven minuscuul kleine kraaloogjes, verstopt achter dikke brillenglazen. Hij had het reukorgaan van een bokser met rood geaderde neusvleugels en daaronder een dun grijs Poirot-snorretje. Zijn onverzorgde haardos, samengebonden in een ministaartje, hield hij samen met een elastiekje. Op zijn hoofd droeg hij een vaalwitte Adidaspet. Die had mijn grootvader niet.   Ik kende deze trucker van haar noch pluim. Maar toch kende ik hem van kop tot teen.

Marc M. Aerts
0 0

vrolijke vrienden

Met een luide knal wordt het boek dichtgeslagen Omgedraaid met een ruk, omgekeerd en opnieuw opengeslagen De dikke zwarte stift veegt het laatste punt weg en dendert dan over het laatste woord van de laatste zin, het voorlaatste woord, enz.  Tot het zijn taak verbazend snel heeft uitgevoerd, klinisch het hele leven van de man heeft vervaagd  Ook het leven van de vrouw naast hem wordt bestift tot er geen woord meer van bestaat, zelfs de geboorte niet. En Ook de zinnen van de veroorzaker krijgen dikke, gefrustreerde strepen over hen heen,  diep door het papier geduwd en ze vernietigen het verhaal op de volgende pagina. Ze zaaien verwarring  zoals enkel indringers dat kunnen. Nog voor zijn verhaal volledig verdwijnt, is het onherkenbaar, klaar voor de interpretatie van zij die het ooit vasthadden Alle boeken zonder woorden worden vervolgens op het eeuwige ondoofbare vuur gegooid, waarin een berg oude nasmeulende assen een alles versmeltende brij vormen die rood gloeit van haat, haar vingers aflikt en hongerig wacht op slachtoffers.  zoals een niet te controleren beest moet ze tevreden gesteld worden en ze weet dat, zelfvoldaan.  En rond het kampvuur wordt er met vingers gewezen en de schuldigen aangeduid; er worden programma's opgesteld en iedereen is solidair, verfoeit, nooit meer! Maar dat wat men krijgt is dat wat men geeft en een onderdrukte jonge broer reageert sluw op de kracht van de oudere, tot de moment waarop hij zelfzeker van onder de drukking kruipt, zich op de borst klopt en trots voor de eerste keer zijn eigen identiteit toont.  Laat ons 'vrolijke vrienden zingen' wordt er geroepen

Kuba Kenos
0 0

KOMEN ERGEREN

Vorige week kwam ik erachter dat het heel bedroevend gesteld is met doorsnee televisie kijkend Vlaanderen. Na het bekijken van het dagelijkse tv aanbod, glijden wij met zijn allen af naar het niveau van een open inrichting. Schaamteloos herhalen ze alle series van vorige eeuwen. Zonder blikken of blozen gooien ze de herhaling van de herhaling, compilatie van de compilatie op de beeldbuisprogrammering. De televisiemakers schamen er zich dan ook helemaal niet meer voor om allerlei randdebielenseries op ons los te laten. Wat ik niet snap is dat wij, de consument deze lariekoek klakkeloos binnenhappen. Hebt U ook de eerste twee afleveringen van “Patrouille Linkeroever” gezien? Mooie cast die zich zonder gewetensbezwaar in zijn hemd laat zetten in een, volgens de schrijvers, ongelofelijk komische televisieserie.  De echte politieagenten zullen zich ‘blauw’ geërgerd hebben toen ze zich, in deze parodie, als zwakzinnige nietsnutten op het televisiescherm zagen blunderen.  Heeft er iemand van jullie tijdens het beloofde uurtje grappig en kolderiek entertainment zijn mondhoeken ook maar eventjes naar boven weten gaan? Mijn kleinzoontje van 9 jaar had er hartelijk om moeten lachen. Daaraan kan je zien dat zulke televisieseries alleen gemaakt zijn op het niveau voor volwassen geestelijk gehandicapten! Kan iemand mij de opzet van dit slappe afgietsel van de film Police Academy eventjes uitleggen?  Is het de bedoeling dat de doorsnee Vlaming zich na het bekijken van zulke laagdrempelige series zich iets minder idioot gaat voelen. Ach het kan nog erger. Terwijl ons nationale net ons godgeklaagd met de tiende herhaling van de kampioenen blijft trakteren, kunnen wij ook nog steeds weg zappen naar één of ander kookprogramma. Waar is de tijd dat elke keukenpiet en -prinses alle zenders afschuimde om dat ene gerechtje te vinden, waar hij of zij op oudejaarsavond de vrienden van hun sokken zou blazen. Van ‘Dagelijkse kost Meus, over SOS Piet, namaakwimper Sofie links laten liggend, langs Jamie Oliver,  per Nigella’s comfort food en Rick Stein’s wereldwijde culinaire omzwervingen, via Njam-televisie naar Komen Eten. Kaften vol probeerreceptjes werden er afgedrukt. Waar is de tijd, dat Komen eten nog over koken ging? Het was een roerig showbizzweekje. Hebben jullie het vorige week ook gezien? Of durven jullie het niet bekennen, dat jullie ook behoren tot die zwakbegaafde kijkcijferidioten die, net zoals ik, op Komen Eten afstemmen?  Spijtig voor die ene deelnemer, de echte hobbykok, die bij zo’n drietal malloten aan zo’n losers tafeltje terecht komt. Vorige week, een zingend, kokend en dampend  kwartet dat zich zonder scrupules liet te kakken zetten. Vier hobbykoks die strijden om de eer..Welke eer? De trofee van de meest gegeerde uitlachtelevisie? Een jonge Italiaanse schone, die inderdaad aan gans Vlaanderen bewees, dat ze als 21 jarige al een flink potje kon koken. Een jolige arbeider die van zichzelf vond dat hij na Geubels, Cannaerts en Hoste, de leukste thuis was en die kon stroopsmeren als geen ander. Een half Marokkaanse- Vlaamse solo zanger, die waarschijnlijk op het dieptepunt van zijn carrière zat en al pottenroerend zijn zangimago wat wou oppoetsen en Marina Wally. Jullie weten wel, de dochter van. Volgens haar eigen zeggen en een traan wegpinkend, had haar vader, de cultfiguur Eddy Wally, aan zijn enige dochter de fakkel doorgegeven. Misschien wel de fakkel, maar van enig zangtalent was alsnog niet veel meer te merken. Eddy zou van op zijn wolk supporteren voor Marina’s kookkunst.  De seniorenversie Marina deed zo wanhopig haar best om als de nieuwe lichting Wallies, al kwelend met een Marilyn Monroe jurk rond te zwaaien, zodat heel Vlaanderen haar onderbroek kon bewonderen. Bij de veel jongere Komen Eten arbeider sloegen de vonken in de pan en zwierde het Marina-geslijm in het rond. Het Wally strooplikken werd aflevering na aflevering echt zielig. Na elk gerechtje dat La Wally aan haar medekandidaten voorzette sprak zij de gevleugelde woorden: “Met heel veel liefde gemaakt.” Elk gerecht werd door drie dolenthousiaste medekokers al zingend aan tafel gebracht. De Italiaanse toekomstige mama mia zat er wat verloren bij en je kon duidelijk zien dat al die geïmproviseerde liedjesteksten haar de strot uitkwamen (en niet alleen bij haar!) . Tussen de soep en de petatten vraagt dan zo’n programmamaker aan de hobbykoks of ze zich als complete ordinaire carnavaleske idioten willen ontpoppen. Deze zender maakt openlijk misbruik van imbecielen en het televisiekijkend gepeupel lust er wel pap van. Spijtig genoeg vreet het doorsnee volk zulke oerdomme programma’s! Komen eten werd komen knoeien, komen pochen met je borsten en komen zingen. Ik vraag me af of deelnemers aan zulke uitzendingen niet tegen zichzelf zouden moeten beschermd worden en eerst naar een spruitjespsychiater zouden moeten gaan. Die zou aan deze simpele zielen ongezouten moeten meedelen, dat als ze meededen aan Komen Eten, heel Vlaanderen geconfronteerd zou worden met hun meelijwekkend gezang. Ach het is allemaal een kwestie van smaak en over smaak kan men niet redetwisten. Ik vind het echter wel degelijk genant, voor die ‘would be’ zangers, dat de helft van België, getuige kon zijn dat je noch zingen, noch koken kon. Toen, na een in de soep gelopen veel te pikante tagine, de half Arabische medezanger zijn punten dan ook nog wat wou opschroeven, door iedereen plots klef, schatteke, lieveke, copain, snoezepoezeke en ons Marinaatje te gaan noemen, kon ik het van ergernis niet meer aanzien en zapte weg naar ons tweede openbaar net. Daar lieten ze juist een hoop joelende Afghaanse mannen en huilende Moslim vrouwen zien. Ik was mij er niet van bewust dat Komen Eten tevens in het Midden Oosten druk bekeken werd. Toen ik ’s anderdaags de soep, de bloemkolen met witte saus, aardappelen en worsten voor manlief neerzette en hem telkens verklaarde: “Met heel veel liefde gemaakt” kreeg ik van hem een dwaze blik. Het was diezelfde blik die de meeste studenten in hun ogen kregen, net voor ze de spot dreven met een optreden van een beginnende Eddy Wally en met eieren en tomaten gingen gooien.   Sim, met heel veel liefde geschreven                   Edegem, 11 april 2016  

Sim
28 0

Als je nog een jaar te leven had

Verslagen zit ik aan mijn stoel gekluisterd. De woorden van de dokter evaporeren zonder enige betekenis in de kille ruimte. Alleen die ene zin herhaalt zich in mijn hoofd. Je hebt nog hooguit een jaar te leven... Ik kijk van haar weg, mijn oog valt op de grote klok die achter haar aan de muur hangt. Tik tak nog een jaar, tik tak nog een jaar min een minuut. De klok tikt onverbiddelijk verder terwijl zij praat. Nu staat ze op uit haar stoel en komt met uitgestoken hand mijn richting uit, mijn kwartiertje spreekuur is voorbij. Tik tak. Een jaar min 15 minuten. Ik zit nog altijd als bevroren op mijn stoel, voel haar hand op mijn schouder.  ‘Je weet dat je mij altijd mag bellen of mailen als je vragen hebt Edina’, hoor ik haar zeggen. Ja ze noemt me bij mijn voornaam, we kennen elkaar al jaren en zo gaat dat tegenwoordig.  ‘Dank u Erica’, antwoord ik afgemeten. Mijn stem klinkt hol, als van een robot. Mijn ten dode opgeschreven lijf komt langzaam in beweging. Ik neem mijn jas en hoor de robot de dokter nog een prettige dag wensen. Wanneer ik op de straat sta, besef ik niet eens welke richting ik uitloop. Lange tijd zwerf ik door de mij zo bekende straten zonder te beseffen waar ik ben. Doch mijn instinct, of is het de geprogrammeerde robot, brengt me veilig thuis. De frisse wind heeft inmiddels de nevelen in mijn hoofd weggewaaid en ik doe een poging de juiste woorden te vinden om mijn wederhelft te vertellen dat hij het binnen een jaar zonder mij zal moeten stellen. ‘Dag liefje, hoe was het bij de dokter?’ vraagt hij als ik binnenkom. Ik kijk hem aan en glimlach zo waar. ‘Goed hoor, ze had de uitslag van de laatste bloedproeven, ik hoef mijn medicatie niet meer te verhogen.’ Die nacht slaap ik opvallend rustig, alsof mijn getormenteerde lichaam blij is dat de strijd bijna gestreden is. Misschien heeft de robot de controle overgenomen.    Tik tak een jaar min 2 dagen. De volgende ochtend staat er een stralende zon aan de hemel. Wanneer Stef vraagt of er boodschappen gedaan moeten worden zeg ik: ‘Het is zo een mooie dag. Ik heb zin in een strandwandeling. Laat ons naar Wissant rijden, dan gaan we een moules frites eten bij Hedwige en het strand onveilig maken.’ Hij kijkt me verrast aan. ‘Is dat niet te vermoeiend voor jou?’ ‘Neen hoor’, lieg ik, ‘ik heb er echt zin in.’ Zo gezegd, zo gedaan. Tegen de middag zitten we aan ons van ouds vertrouwde tafeltje bij Hedwige en bestellen een moules frites. Ze kent ons nog, we kwamen hier vroeger vaak en we slaan een gezellig babbeltje over het weer en andere wereldproblemen. Daarna gaan we warm ingeduffeld richting zee. Het strand is verlaten in deze tijd van het jaar en ondanks de stralende voorjaarszon is het nog erg fris. Dapper begin ik aan onze wandeling die na nog geen half uurtje inderdaad te vermoeiend blijkt. Met de moed der wanhoop vecht ik tegen de pijn, de strakke westenwind en de opkomende tranen. Tot Stef merkt dat er iets mis is.  ‘Wil je teruggaan liefje, ben je moe?’ vraagt hij bezorgd.  Opeens wordt het me allemaal te veel en verlies ik de controle over mezelf. Ik werp me in zijn armen en begin te huilen als een kind. ‘Ik ga dood, ik ga dood!’ krijs ik wanhopig.  Heb ik daar 24uur over moeten nadenken om het dan zo klakkeloos voor zijn voeten te werpen. Daar staan we dan, als twee verwaaide vogelverschrikkers, ineengestrengeld op dat verlaten strand. Alleen de wind is getuige van onze tranen, onze wanhoop. Stef haalt zijn zakdoek boven en doet een onhandige poging om mijn betraande gezicht af te vegen. Later in het kleine cafeetje vertel ik hem van mijn bezoek bij Erica, de bloeduitslagen en de onafwendbare afloop. Die avond zijn we beiden vreselijk moe en gaan we vroeg naar bed. Ik slaap heel onrustig, gekweld door de meest absurde nachtmerries. Ik zie mijn moeder die ik nooit heb gekend, ik zie papa die vorig jaar overleden is en mij met zijn liefste glimlach wenkt. Mijn grootmoeder en andere bekende en onbekende doden die blijkbaar al op me wachten. Drijfnat van het zweet word ik wakker.    Tik tak, een jaar min 3 dagen.  ’s Morgens aan de ontbijttafel is het opvallend stil. Ik kijk naar Stef die schijnbaar in een nacht 10 jaar ouder geworden is. Net zoals ik bij mezelf vaststelde toen ik deze morgen in de spiegel keek. Zijn lieve, vertrouwde gelaatstrekken zijn die van een getekend man. Hij schuifelt een beetje onrustig over en weer op zijn stoel en vraagt opeens: ‘ga je het ook aan Wout vertellen?’ Ik schud langzaam mijn hoofd. ‘Neen, nog niet.’ Mijn stem klinkt schor. De gedachte van je geliefde gescheiden te worden is verscheurend. Maar hoe neem je afscheid van je enige kind?  Maar er is meer. Veertig jaar zijn we nu getrouwd. Elke blik, ieder woord, het kleinste gebaar, we begrijpen elkaar zonder woorden, onze eigen gebarentaal. ‘Zullen we nu eens eindelijk die reis gaan maken?’ vraag ik. Hij schrikt van mijn vraag. ‘Er is altijd wel een dokter aan boord hoor.’ Ik probeer het luchtig te laten klinken. Stef heeft altijd een passie gehad voor schepen. Ik heb hem dan ook leren kennen in de maritieme wereld waar we beiden werkten. Als jongeman had hij nog wedstrijden gezeild en ook ik was een fervente fan van deze sport. Toen we jonger waren hadden we een boot, dat was onze hobby. Nu we iets ouder zijn beperkt deze hobby zich tot het maken van foto’s van alles wat zich op het water beweegt. Maar een cruise maken dat is onze grote droom.  Neen, niet van die overdreven toeristentoestanden op zo een Costa schip. Echt varen. Het leukste zou het zijn om mee te varen op een cargoschip. Dat kan als betalend passagier maar gezien mijn precaire gezondheidstoestand misschien niet zo voor de hand liggend. Opeens hebben we een doel! Uren lang schuimen we het internet af en boeken uiteindelijk onze droomcruise naar de Noorse Fjorden. We nemen een luxekajuit met een groot balkon. Eigenlijk wat buiten budget maar dit zal onze laatste reis samen worden.   Tik tak, een jaar min 4 dagen Wout belt. ‘Hallo mama, hoe gaat het met je?’  ‘Goed schat, we hebben een cruise geboekt naar de Noordse Fjorden!’ Gelukkig ziet hij mijn verschrikte gezicht niet en de tranen die in mijn ogen opwellen. ‘He tof zeg! Wanneer ga je?’ ‘Al vrij snel, in juni dan zijn de dagen het langst.’ Ik voel me rot, een verrader, een leugenaar, hoe lang kan ik dat volhouden?o ‘Is het goed als we het Pinksterweekend naar zee komen?’ ‘Ja leuk schat, die twee deugnieten van je komen toch ook mee’ ‘Natuurlijk mama, bij oma mogen ze altijd wat meer, dat is altijd feest!’ Met een ‘dikke knuffel’ nemen we afscheid. Ik leg mijn smartphone neer en beging hartstochtelijk te huilen. Gelukkig is Stef niet in de buurt, hij zou weer helemaal van streek zijn.     Tik tak een jaar min 5 dagen Ik heb vorige nacht een besluit genomen. Al sinds mijn tienerjaren droom ik ervan een beroemd schrijfster te worden. Ik ga een dagboek schrijven. Doorheen de moeilijke momenten die mij te wachten staan zal ik alle mooie herinneringen weven. Zodat iedereen waar ik afscheid van moet nemen, zal weten hoeveel ik van hen hield.  Dat zal mijn nalatenschap zijn.          

Nadia Lang
0 0