Amanda Bos

Gebruikersnaam Amanda Bos

Teksten

Stel je voor dat De Mens wat minder stom zou zijn!

Stel je voor dat De Mens wat minder stom zou zijn. Met De Mens bedoel ik dan U, ik en al onze diep gewaardeerde soortgenoten. Onze wereld zou zo hard veranderen dat we hem niet meer zullen herkennen. Daar zouden we dan staan, helemaal verloren en plots verplicht om ons gezond verstand te gebruiken! Shit! Waar is dat ook alweer gebleven, dat verstand? En er zouden nog een heleboel andere dingen verdwijnen… Gedaan met de man-Barbie die staat te vloeken dat ‘er weeral nen bruine in ’t straat is komen wonen’ om vervolgens doodleuk een uur onder de zonnebank te kruipen. Die gladjanus, die honderden euro’s spendeert aan een veel te dure loopuitrusting (het logootje heeft zo zijn prijs) maar wel de auto neemt om de diepe kloof van vijf hele kilometers naar zijn werk te overbruggen. We vieren het officiële einde van duizenden hectaren houtkap in het regenwoud ter ere van de feestelijke oprichting van de zestigste Mc Donalds op twintig vierkante kilometer. Hoezo?! Die indiaantjes moeten toch ook eten? Geen luchthavenbombardementen meer. Verboden met Kalasjnikovs in concertzalen te schieten! Religie zal geen wet meer zijn, en wet geen religie. Afscheid nemen van de idioot die zelfs op de grijste regendag weigert zijn zonnebril af te zetten omdat hij op een coole manier wil verbergen dat hij eigenlijk nog stommer is dan ik. God nee! Ik zou hem veel te hard missen. Met wie moet ik dan naar het voetbal kijken, de spelers adoreren en alles nabauwen wat de trainer o zo tactisch heeft beslist? Maar dan wel ’s anderendaags de ploeg uitlachen, de trainer een stom rund noemen. Je had toch niet gedacht dat we met zo’n rotploeg in de finale zouden geraken?! Nooit meer horen dat we vanavond niets zullen eten, lieve kindjes. Want papa heeft het laatste deeltje van de uitkering gebruikt om onze nieuwe I-phones af te betalen. Weg met de smombies! We zullen eindelijk trug lere om zonder fauten te schryve!

Amanda Bos
0 0

Een vriend in een bolletjestrui

Wij, mijn vrouw en ik, woonden nu anderhalf jaar in Neder-over-Hakendover. In dat anderhalf jaar hebben we geen enkele vriend gemaakt. Alleen onze rechtstreekse buren knikken ons beleefd maar afstandelijk goeiedag. ‘Hoe kun je nu al zo lang ergens wonen, en nog altijd niemand kennen?’ hoor ik u al vragen. Wel, dat zal ik eens uitleggen. In een klein dorpje als Neder-over-Hakendover is een nieuwkomer even zeldzaam als een driebultige kameel. Bovendien dragen wij de twijfelachtige titel van enige migrantenfamilie in het dorp. Van Marokkaanse afkomst dan nog wel, het soort dat onze buren alleen maar kent van de aanslagen op de televisie, in ‘het verre Brussel’. Nee, Neder-over-Hakendover zat niet op de familie El Echaraoui te wachten; dat hadden we ondertussen wel begrepen.   Enkele dagen geleden, op de eerste dag van de Tour de France om precies te zijn, besliste ik dat het tijd was om onze afzondering eindelijk te doorbreken. En waar kon ik dat beter doen dan in café ‘De Dolle Mol’, waar het hele dorp samen naar de Tour keek? Een beetje zenuwachtig opende ik de deur van het café en stapte door de pluizige anti-vliegenlinten het hart van de gemeenschap binnen. Een klingelend belletje kondigde mijn entree aan. ‘Hela, Mohamed!’ riep een dikke man in een veel te spannende bolletjestrui. ‘Wa komde gij doen? Das hier geen moskee, hé!’ ‘Dat weet ik,’ glimlachte ik hem toe, ‘in de moskee zetten ze de het sportkanaal nooit op!’ Een drietal mannen lachte. Gemakkelijkheidshalve had ik er maar niet bij gezegd dat ik eigenlijk niet Mohamed heette. ‘Juffrouw, mag ik een cola?’ riep ik naar de dame achter de toog, ‘en geef die mannen daar ook iets.’ Mijn aanbod werd op gejuich onthaald. ‘Gasten, we hebben hier met ne goeie te maken,’ riep de bolletjestrui tegen niemand in het bijzonder, ‘t is gene terrorist, da zie ik direct!’ Hij draaide zich naar mij toe. ‘Ik ben den Thierry,’ zei hij, ‘en wie zijt gij?’ ‘Ik heet Mohamed,’ antwoordde ik, om de dingen niet nodeloos ingewikkeld te maken. ‘Mohamed,’ zei Thierry plechtig, ‘Ik heet u welkom in ons dorp!’ Ik glimlachte. Zo gemakkelijk was het dus. ‘Tilleke,’ riep hij, ‘nog eens pintjes voor iedereen! Op de gezondheid van onze nieuwe bruine vriend hier, de Mohamed!’ Weerom gejuich. ‘Nu moet ge me toch eens zeggen waarom de Marokkanen niet meerijden in de Tour, hé Mohamed,’ vroeg hij me een aantal biertjes later. Hoe meer hij dronk, hoe leuker hij me scheen te vinden. ‘Tja, Thierry, wij hebben geen fietspaden in de woestijn. Hoe wilt ge dan dat wij trainen?’ Hij proestte het uit. Even vreesde ik dat zijn bolletjes zouden scheuren. Mijn kennismakingspoging werd in elk geval een fijne middag. Enkele uren later nam ik afscheid van mijn nieuwe vrienden en ging blij gemutst naar huis om mijn vrouw te vertellen wat er was gebeurd.   De dag erop gingen we samen naar de bakker. ‘He, Mohamed,’ hoorde ik plots van de overkant van de straat. Het was Thierry. ‘Ge komt straks toch ook naar de Tour kijken?’ ‘Wie is Mohamed?’ Mijn vrouw keek me vragend aan. Ik knipoogde. ‘En neem madam ook maar mee, hé man. Ge gaat zo’n schoon bieke toch niet voor u alleen houden!’ ‘Ja, hoor Thierry,’ riep ik terug, ‘wij komen!’ Hij stak twee duimen op en liep verder. Ik glimlachte. Onder een valse naam naar een sportwedstrijd kijken. Meer was er inderdaad niet voor nodig.  

Amanda Bos
0 0

Bijou

Eindelijk hoorde ik het geluid van de draaiende sleutel in de voordeur. Ik was al even wakker en lag geduldig te wachten tot ze er zou zijn. Ik kon natuurlijk ook nergens heen. ‘Youhou!’ zong Bijou, zoals alleen zij dat kon, toen ze de gang binnenstapte. ‘t’Es réveillée?’ ‘Natuurlijk!’ riep ik terug, ‘je kent me toch!’   Bijou was mijn beste vriendin, al zag zij dat anders. ‘Werk en privé moest je niet mengen,’ vond ze. Mijn ooit zo talrijke ‘privé’-vrienden hadden echter één voor één het hazenpad gekozen sinds ik aan mijn bed gekluisterd lag. Bijou daarentegen kwam elke dag op bezoek. Ze waste me, deed boodschappen en hield mijn appartementje proper. En het belangrijkste was dat ze me op de hoogte hield van wat er daarbuiten gebeurde. Hoewel ik haar voor deze dingen betaalde, vond ik wat wij hadden toch het dichtst in de buurt komen bij wat ik vriendschap noemde. Mijn enige pikzwarte vriendin, uit Togo. Mijn enige vriendin tout court eigenlijk.   ‘Wat voor weer is het vandaag?’ riep ik vanuit mijn bed naar de badkamer beneden. ‘Oh ma chérie, c’est une magnifique journée!’ hoorde ik haar zeggen terwijl ze het bad liet vollopen. Ik probeerde haar Nederlands te leren, maar het schoot niet echt op. Ze verstond me wel, maar kon na al die jaren nog steeds niet meer dan ‘Allo oeist?’ zeggen. Het was dus een prachtige dag. Dat had ik al gevoeld toen ik een uurtje geleden wakker was geworden. Voor een keer moest ik niet superdringend naar de wc en hoefde ik dus niet met een pijnlijk opgeblazen buik liggen wachten tot Bijou er was en me op het toilet kon zetten. Weldra zou ze de rolluiken van mijn kamer optrekken zodat ook ik het zonnetje zou kunnen zien. Bovendien was het bad-dag. Allemaal dingen om naar uit te kijken.   ‘Et voilà!’ zei Bijou enthousiast toen ze de rolluik omhoog trok. ‘Maar, het is niet…,’ De teleurstelling spatte van mijn gezicht toen ik zag dat de zon niet scheen. Grijze wolken versomberden de daken van de omliggende gebouwen en motregen bevuilde de ramen van mijn dakkamertje. ‘Bijou-hou,’ blèrde ik, ‘het is géén mooie dag!’ Bijou lachte haar parelwitte tanden bloot. ‘Mais si, ma chérie! On est là et on va bien!’ Daarmee gaf ze me genoeg stof tot nadenken om de rest van de dag door te komen.

Amanda Bos
0 0

'Trekt aa plan' oftewel les jeunes de Bruxelles

Elke dag kom ik hen tegen. Hun dag begint als ik ’s morgens Brussel kom binnengereden op mijn fiets. Bovendien eindigt de schooldag precies op het moment dat ik ook naar huis mag. Een vreemde versmelting van mijn eigen volwassen zelf, ondanks alles toch ook niet zo oud, met nieuwe kleine wereldburgertjes, voor wie ik wel antiek moet lijken. Tussen het ontwijken van de vele naar bus of tram lopende hordes door, heb ik toch eens de tijd genomen om hen wat oplettender te bekijken. En ik moet toegeven dat dit niet helemaal zonder afgunst is. Want de Brusselse jongere is cool! Het is natuurlijk onmogelijk om hen, met al hun unieke hoofdstedelijke verscheidenheid, te veralgemenen. Maar toch is er iets wat zij, en alleen zij, allen uitstralen: wereldwijsheid. Dat kan ook niet anders. De Brusselse jongere is het namelijk gewoon om zijn plan te trekken. ’s Morgens zie ik kinderen van misschien acht of negen jaar achteloos de tram opstappen, ervaren, gehard door de dagelijkse mallemolen. Ze zijn zo klein dat ze haast verdwijnen achter die grote vierkante boekentas die ze op hun rug meezeulen, maar toch ook zó zelfverzekerd. En zo alleen. Er lopen wel andere kinderen naast, maar nergens zie ik volwassenen die op hen letten, hen beschermen tegen de indrukwekkende veelheid van ervaringen. Zelf ben ik opgegroeid in een dorp waar er niet eens een tram wàs. Ik moet al een jaar of dertien geweest zijn toen ik er voor de eerste keer één heb gezien, laat staan dat ik wist hoe hem te gebruiken. De aanblik van die kleine mensjes, die routineus ‘grote-mensen-dingen doen, maakt me inderdaad een beetje jaloers. Als ze op die jonge leeftijd al zo zelfstandig zijn, hoe ver zullen ze het later dan wel niet schoppen?   Naast deze kleine plantrekkers wordt ‘la Capitale’ dagelijks om klokslag halfvier veroverd door iets oudere exemplaren van dezelfde soort. ‘Les jeunes’ verlaten in dichte drommen de talrijke schoolpoorten. Je hebt ze in alle maten en gewichten, in leeftijdsklassen van twaalf tot ongeveer tweeëntwintig, elk aards ras vertegenwoordigend en hier en daar loopt er zelfs een alien tussen, lijkt het wel. Ook zij stralen die wereldwijze coolheid uit, in nog veel hogere mate dan hun jongere opvolgers. Allen met hun peperdure smartphone aan hun hand vastgeplakt, staan ze in verschillende groepjes bij elkaar op pleinen, in parken en aan bus- en tramhaltes. Zonder uitzondering komt er uit die toestelletjes muziek van een genre dat ik niet eens kan benoemen, maar daarom niet minder waardeerbaar klinkt dan de liedjes die ik wél ken. Daarenboven zijn er hun kleren! Soms zien ze er zo chique uit dat ik me afvraag of hun ouders niet stiekem een bank hebben overvallen om ze te kunnen betalen. Op andere dagen lijkt het dan weer alsof ze hun hemden en broeken uit de zakken van de daklozen aan het zuidstation zijn gaan vissen. In elk geval, ze slagen er telkens weer in om me met de vreemdste combinaties aangenaam te verrassen. Bovendien zie ik hun vreemde vestimentaire combinaties later steevast opduiken bij de jeugd in mijn eigen dorpje. Weliswaar minstens een halfjaar nadat ik ze voor het eerst in Brussel heb gezien, natuurlijk. Ja, de Brusselse jongere is een haantje de voorste. Hij (of zij natuurlijk) heeft van niemand schrik en doet lekker zijn (haar) eigen ding. Ongenaakbaar is hij (zij), en “trekt aa plan” lijkt wel een levensmotto. Terwijl ik verder rijd, overvalt me toch een twijfel. Zouden ze echt zo wereldwijs en intouchable zijn als ze lijken? Ben ik er zeker van dat achter hun stoere blik geen onzekere ongerustheid schuilt? Zijn ze echt zorgeloos of maken ook zij zich zorgen over waar ze hun eigen plekje in die overweldigende drukte moeten vinden? Het laat me niet los. Iets in mij gelooft niet in die ondoordringbare muur die ze om zich heen optrekken.   Dankzij een gelukkige samenloop van ongelukkige omstandigheden, krijg ik een paar dagen later de kans om een blik te werpen in hun wereld. Mijn ongeruste voorgevoel werd (al dan niet gedeeltelijk) bevestigd. Jawel, Brusselse jongeren zijn inderdaad zeer zelfstandig en mobiel, maar tegelijkertijd kende iedereen die ik heb gesproken wel iemand wiens dure smartphone in de tram of bus was gestolen. Of erger, ze waren zelf slachtoffer. En jawel, ze lijken vrij en wereldwijs, nemen met zijn allen zonder verpinken bezit van alle pleinen en parken in de stad. Maar hangen ze daar rond omdat ze geen warme thuis hebben om heen te gaan? Is het enige dat er op hen wacht misschien de spreekwoordelijke sleutel onder de mat? Voelen ze zich dan wel geborgen in het park bij hun vrienden? Of klopt het wat sommigen zeggen: namelijk dat ze zulke plaatsen toch liever mijden omdat groepjes gelijkaardige plantrekkers het grondgebied reeds hebben opgeëist en geld of gsm afnemen van soortgenoten die er volgens hen niet thuishoren?   Mijn voorstelling van de feiten is waarschijnlijk nogal ongenuanceerd, daar ben ik mij ten volle van bewust. Ze dient dan ook gerelativeerd te worden. Maar wat ik wel heb vastgesteld is dat “les jeunes” een prijs betalen voor hun stoere ongenaakbaarheid en zogenaamde vrijheid. Hun franke gezichten verbergen wantrouwen en angst. Hun ondoordringbare muur is slechts een verdediging tegen gevaren waar ze zich heel wereldwijs van bewust zijn.  “Och Grrrr! Hangjongeren!” Het is menselijk om zo over hen te denken als je weer eens niet kan passeren omdat ze in grote groep tussen jou en de tramdeur staan. Toch durf ik vragen om dit negatieve begrip “hangjongere” een beetje te relativeren. Niet elk gebouw mag op zijn façade worden beoordeeld. En zeker niet in Brussel!

Amanda Bos
0 0

Pinball

Zijn moeder had hem Pinnacle genoemd, naar de top van de mooiste en hoogste berg in het bos. Vanaf zijn geboorte was hij haar trots, voorbestemd om boven hen allen uit te stijgen. En dat deed hij. Tot die ene noodlottige dag, waarop alles voorgoed veranderde.Pinnacle werd zich langzaam bewust van de wereld om hem heen. Beetje bij beetje hervond hij zijn gehoor. Hij ontwaarde doffe geluiden die hij niet kon thuisbrengen. De klanken leken ver weg, alsof hij zich onder water bevond en het lawaai van boven op het land kwam. Dat voelde vreemd aan want hij had een onfeilbaar gehoor. Altijd al gehad. Hierdoor was hij een uitstekend jager, misschien wel de beste van allemaal. Maar nu had hij zand in zijn oren. Dat zei moeder vaak tegen zijn broer, als die weer eens niet wilde luisteren. Maar Pinnacle hoorde altijd alles. De geluiden werden sterker, zijn denkbeeldige watercocon spatte uit elkaar. De aanvankelijk verre en zachte klanken werden oorverdovende knallen, vlakbij zijn kop. Hij probeerde zijn kop op te tillen om te kijken waar het lawaai vandaan kwam maar het lukte hem niet. Bij elke poging die hij ondernam, vlamde er een stekende pijn doorheen zijn hele lijf. Hij kon zijn kop niet bewegen. Bovendien droop er bloed uit zijn mondhoek. Hij dacht toch dat het bloed was. Het smaakte een beetje zoals kleine meelwormen, zoetig en dik. Dat wist hij, want hij had er pas nog een heleboel gegeten. Het was zijn vader die de wormen had gevonden. Pinnacle had erom moeten lachen, want meestal was hij zelf degene die met zo’n feestmaal naar huis kwam. Maar die keer was papa de beste jager. En hij was zo apetrots op zichzelf dat Pinnacle het had uitgeproest van plezier. Wist papa veel dat hij andere dingen aan zijn hoofd had, en dat de jacht hem die dag eigenlijk niet zo veel kon schelen. Waar was papa trouwens? En vooral: waar was híj?! Hij gleed weer weg in een donkere, diepe slaap.Hij opende een oogje, het linker. Hij wilde zien, zien waar hij was. Wat gebeurde er toch? Papa?Opnieuw deden oorverdovende knallen de arme Pinnacle opschrikken. Instinctief wilde hij zijn kop optillen, maar weerom lukte het niet zonder die onhoudbare pijn. Toen hij zijn tweede oog wilde openen, had hij bovendien vastgesteld dat dit niet lukte. Zijn rechteroog was volledig verbrijzeld en plakte aan de grond, net zoals de hele rechterkant van zijn kop. Hij rook de grond. Het was niet de aarde in het bos zoals hij die kende. Een zwarte, onnatuurlijke geur vulde langzaam zijn neusgaten. Was dit de geur van de grond waarop hij lag? Of rook hij zichzelf? Hij rook de dood. Hij hoopte vurig dat het de grond was. Diezelfde grond was steenhard. Erop liggen deed pijn. Hij dacht aan de zachte aarde rondom zijn nest. De bladeren waren aan het vallen, de derde fase van de cyclus was ingegaan. Dan werd de grond nog zachter dan hij al was. Maar hier leek alles wel van steen. Waar was hij toch?Het bloed in zijn mond was ondertussen opgedroogd. Wat had hij een dorst. Hij probeerde met zijn tong wat vocht op te nemen maar de grond was behalve hard ook nog eens kurkdroog. Pinnacle wilde naar huis. Toen pas besefte hij dat hij zijn pootjes niet kon voelen. Ze waren er wel, dat wist hij want hij kon snel lopen. Vier poten had hij, net zoals alle anderen. Enkel Pickery, zijn jongste broer, had er maar drie. En dat was ook alleen maar omdat een reusachtige vogel met een vlijmscherpe bek Pickery’s linker achterpoot er had afgebeten.En nu leek het alsof hijzelf geen pootjes meer had. Hij kon echter niet zien of dit wel echt zo was. Zijn kopje kleefde immers nog altijd aan de grond. Bovendien ging ook zijn linkeroog achteruit. Zo net nog had hij de grijze lucht boven hem kunnen zien. In de derde fase van de cyclus was de lucht wel vaker grijs. En het regende dan ook meer, wat goed was, want dan kwamen de wormen uit de grond.Daar dacht hij aan toen hij naar de grijze lucht keek. Tot er een gigantisch zwart beest over hem heen vloog. Het beest maakte een enorm kabaal en blies een dikke zwarte wolk uit zijn achterste. Dat waren dus de knallen die Pinnacle al de hele tijd hoorde. Het stinkende monster vloog pijlsnel voorbij. Vooraleer Pinnacle besefte wat er gebeurde, was het beest alweer weg. Maar het vreemde dier kwam niet alleen. Nog velen volgden, en ze vlogen allemaal over hem heen. Pinnacle kon hen steeds minder scherp ontwaren. De wereld werd nog grijzer dan hij al was: grijs en wazig en uiteindelijk alleen nog maar zwart. Zo zwart als de grond, en het luidruchtige beest. Toen begaf zijn laatste oogje het ook. Pijn! En plots drong de waarheid kristalhelder en bikkelhard tot hem door: hier zou hij sterven! Hier, op een plek die hij niet kende, ver weg van zijn ouders en zijn broer en zonder te weten waarom. Zo had hij het zich helemaal niet voorgesteld. Hij was jong en sterk, het kon gewoon niet! En toch ging hij dood.Ze wandelden hand in hand door de straat. Hún straat, lekker rustig en met een prachtig dennenbos recht tegenover hun mooie, nieuwe huis. Wat vonden het er énig. Zeker na al die jaren in hun belachelijk kleine en vooral belachelijk dure appartementje midden in de stad. Zíj verbaasde zich elke dag opnieuw over die schattige diertjes die er woonden; dieren die ze enkel kende van natuurprogramma’s op tv. Híj was vooral vertederd door het tomeloze enthousiasme waarmee ze hem telkens meesleurde: “Kom liefste, diertjes kijken in het bos”. En zo kwam het dat ze de weg naar het bos weer overstaken, al konden die beesten hem eigenlijk niet zo veel schelen. Hij stelde vast dat er toch wel wat auto’s voorbij reden, hoewel zijn makelaar hem had verzekerd dat het een rustige buurt was. De mensen die in de stad gingen werken, gebruikten hun straat als sluipweg! Een laat herfstzonnetje scheen in hun ogen. Het zorgde voor een aangename, warme gloed over hun gezicht. Ze werden er zowaar vrolijk van. Het regende immers al de hele week. Hij sloeg zijn arm om haar schouders. “Oh nee” gilde ze plots. “ Kijk daar nou!” Ze wees naar een vreemd, bruin hoopje wat verder op de weg. Het was een egeltje. Het beestje was aangereden door een auto. Zijn kopje plakte tegen het asfalt en zijn pootjes waren verbrijzeld. Zijn achterlijfje was zelfs helemaal opengereten. De darmen hingen eruit. Hij kreeg warempel wat medelijden met het kleine, dode beestje. Het was niet de eerste keer dat hij een aangereden dier in de straat had zien liggen. Dat was natuurlijk ook niet verwonderlijk met dat bos aan de overkant. Misschien moest hij toch maar eens een schrijven aan het gemeentebestuur richten. Als ze nu eens vluchtheuvels in de straat aanlegden. Ja, dat zou hij doen. Hij had het namelijk niet zo begrepen op dode dieren in de straat. Het duurde altijd even vooraleer de gemeentewerkers ze kwamen ophalen en hij meende dat de kadavers toch wel ratten zouden kunnen aantrekken. En het stonk! Zij dacht er niet zo ver over na. Ze vond het alleen maar verschrikkelijk vies. Ze had nooit tegen dierenleed gekund. Eigenlijk wilde ze zich wel wat meer voor dierenwelzijn inzetten. Ze moest misschien maar eens uitkijken naar vrijwilligerswerk. Men zegt dat je je beter in je vel voelt als je onbaatzuchtig dingen doet. Doen dus, maar niet te veel natuurlijk. Ze kneep in zijn arm en jammerde: “ Kijk dat arme beestje nou toch! Hoe ongelooflijk zielig is dat nou! Wat jammer, zulk een enige pinballetje”Pinnacle wist wat tweevoeters waren. Sommigen van hen kwamen wel eens in het bos, soms zelfs vlak bij zijn huis. Hij had altijd geleerd dat hij voor hen op zijn hoede moest zijn. Instinctief verstopte hij zich als hij hun vieze geur waarnam en zette hij al zijn stekels op. Hij hield niet van ze. Net voor hij stierf, had hij er twee gezien. Ze stonden vlak naast hem. Hij kon niet weglopen. Hij wist dat het niet meer uitmaakte, hij was immers aan het sterven. Desondanks spande zijn hele lijf zich op voor de vlucht. Tot hij het wijfje hoorde jammeren. Het was het laatste wat hij hoorde voordat zijn hersenen zijn gehoor stillegden. “Hollanders” dacht hij nog. Toen sliep hij voorgoed in.

Amanda Bos
0 0

Een onbevattelijke veelheid van Brusselse tegenstrijdigheden

   “ Mais je ne sais pas! Il n’est pas rentré!” zei een oudere dame tegen haar vriendin. Terwijl ik voorbijfietste, ving ik nog net een flard van het gesprek op. Genoeg echter om te zien dat de vrouw die deze woorden zei, zich danig aan het opwinden was. “ Non, non, le White Star était le premier club de Kompany.” Ik was alweer verder gereden en hoorde in de vlucht een prille puberjongen voetbalonderricht geven aan zijn kameraad. Terwijl ik al trappend een beetje nostalgisch mijmerde over mijn eigen lang vervlogen jeugd, klonk er een stevig “Eh mademoiselle, ça va?”, vergezeld van het sputterende brommen van een lijdend scootertje, in mijn linkeroor. Glimlachend antwoordde ik de gezette Marokkaan in zijn fluoblauw hemdje: “ Oui, et vous?” en fietste verder. Het arme brommertje, gebukt onder zijn zware last, kon me gelukkig niet bijhouden. Ik had geen zin in een langer gesprek. Bovendien moest ik mijn ogen op de weg gericht houden. Brussel is druk. Brussel…met al zijn kleurige inwoners. Je kan niet anders dan het innig liefhebben. Als ik naar al die mensen keek, elk met hun eigen visies, projecten, bekommernissen, hield ik van de samenhang. Ik voelde me heel verwant, met elkeen die ik tegenkwam. We proberen er allemaal iets van de maken, toch? Terwijl ik de ene na de andere kruiste, of eerder probeerde niet omver te rijden, vroeg ik me bij elkeen af waar hij of zij vandaan kwam. Ik wilde weten hoe hun dag eruit zag, wie hun vrienden waren. Hoe zouden ze leven? Het verwantschapsgevoel verwarmde mijn hart. Bulkend van gelukkige sympathie fietste ik verder. Tussen de prachtige gevels van huizen vol vergane glorie, recht naar de groene allée die me Brussel uit zou voeren. Deze groene allée is een kilometerslange, smalle strook waar zowel fietsers, voetgangers, lopers en spelende kinderen op te vinden zijn. Het hele pad is met hoge bomen omzoomd. Het lijkt wel of heel Brussel hier verkoeling en rust komt zoeken. Waardoor het geheel natuurlijk een warm broeinest van drukte wordt. Toch ademde ik opgelucht de smogloze lucht onder de frisse bomengalerij in. Ik was blij dat ik het ook vandaag weer tot hier had gebracht. Fietsen in onze hoofdstad is immers geen pretje. Er is niet alleen de drukkende stank van de uitlaatgassen die elke dag mijn longen pijnlijk prikkelt, er zijn ook nog eens nergens fietspaden. Bovendien is iedereen zo gehaast en met zichzelf bezig, dat men het omverrijden van een fietser om sneller op je bestemming te geraken, slechts een geringe prijs om te betalen vindt. Dus ja, het inademen van een flinke teug opluchting onder de bomen leek me een normale reactie na het doorstane leed. Net toen ik deze blije bedenking maakte, fietste ik bijna tegen een oudere loopster op. Niet alleen liep ze aan de verkeerde kant van de smalle wandel-, fiets- en speelstrook, bovendien schold ze me ook nog eens in het Frans de huid vol. “Ela mamy, on se calme hein!” riep ik terug. Terwijl ik mezelf en mijn fiets woest weer in gang trapte, probeerde ik haar nog even op mijn meest minachtende manier aan te kijken. Het was toch ook weer echt een typisch mens, bedacht ik me, met haar veel te strakke, fluoroze en vooral dure looppakje. Op die leeftijd zou ik me zó zeker niet meer kleden, nam ik me stellig voor. En dat wilde ik haar bij wijze van laatste natrap, dan ook even zeggen. Ze was gelukkig al lang verder gelopen. Direct nadien schaamde ik me voor mijn belachelijke reactie. Onmiddellijk herinnerde ik me weer waarom ik Brussel zo haatte. Veel te veel mensen op een al te kleine oppervlakte! Dat maakte hen egoïstisch en bracht vervelende personages zoals die fluoroze dame, voort. En zorgde er zelfs voor dat ik mijn eigen beschamendende reacties schuldig niet begreep. Het Brussel-effect! Ik was blij dat ik bijna aan het einde van de groene tunnel was gekomen. Weg uit die konkelende mierennest. Mijn lyrisch gevoel van verwantschap dat me zo-even nog volledig verwarmde, was nu helemaal afgekoeld. Toen ik thuis kwam, bedacht ik dat ik morgenvroeg, dus binnen een paar uurtjes eigenlijk, alweer terug op mijn fiets richting Brussel zou zitten. Ik wist dat de charme van de hoofdstad me onmiddellijk weer zou veroveren. Om dan om te slaan in haat als ik alweer eens nét niet onder de wielen van een van de veel te talrijke voertuigen beland. Haaa…Brussel!

Amanda Bos
2 0

Een spontaan moment van plots geluk

Geheel onvoorbereid overvallen worden door een spontaan moment van plots geluk. Het treft je bij verrassing, en soms heeft het even tijd nodig alvorens je beseft dat het jóu zonet is overkomen. Maar als het gebeurt, vergeet je nooit meer die tintelende zindering, die je van kop tot teen in zijn bezit neemt. Ook ik behoor tot het selecte clubje chansaards dat dit al heeft mogen meemaken. Het gebeurde op zo’n typisch Belgische drukkend hete zomeravond. Ik zat met een toenmalige heel goede vriendin op een dichtbevolkt maar gezellig terrasje, midden in een drukke, maar al even gezellige stad. We hadden allebei een frisse pint en genoten van een zeldzaam momentje waarop we even niet tegen elkaar praatten. Ik keek naar al die mensen om ons heen. Hoe ze net als wij genoten van hun drankje, hun vrienden, het moedige zuchtje wind dat tevergeefs de zwoele hitte trachtte te verjagen. En toen, onvermijdelijk, gebeurde het! Een golvend warm gevoel van onvoorwaardelijke liefde overspoelde mijn ganse lichaam. Liefde voor die overdaad aan mensen op het terras, in de stad, overal. Pure blijdschap, enkel en alleen omdat zij óók bestonden. Innige vriendschap voor mijn trouwe vriendin die de zoveelste goede doch tevergeefse raad probeerde te geven om mijn rommelige leven eindelijk op te ruimen. Stralend spatte dit overweldigende geluk vanuit mijn hart in het rond, om nadien overdadig neer te komen recht op mijn vriendin. Zo zaten we met zijn tweetjes verzadigd te blinken, op dat veel te drukke broeiend hete terras. Nu, vele jaren later, zijn die vriendin en ik elkaar in de drukte van het leven volledig verloren. Misleidende intenties en de onverenigbaarheid van ons bestaan hebben ons elk in een andere richting geduwd. Maar dat spontaan moment van plots geluk is altijd bij me gebleven, welke weg ik ook ga. Het is het enige dat mij nog linkt aan die verloren vriendin, van wie ik zeker weet dat ook zij dat kleine momentje voor altijd koestert in haar hart.

Amanda Bos
5 0

Publicaties

2018 - 1 gedicht in de laureatenbundel van de poëziewedstrijd Poemtata

2018 - 1 gedicht in de laureatenbundel van CC Boontje

2017 - 1 Kortverhaal in de bundel "Stel je voor dat" van Heel Nederland schrijft

2017 - 1 gedicht in de laureatenbundel van CC Boontje

2016 tem 2018 - stadsblogster voor Brussel op Brusselblogt

2016 - 1 gedicht in de laureatenbundel van CC Boontje

2016 - 1 Roman: 'Dood van een meiklokje' selfpublishing bij Yanga

Prijzen

2019 - Winnaar schrijfwedstrijd 'Mijn favoriet reddingsverhaal' van GAIA

1998 - 2de prijs vertaalwedstrijd Ilias van Homerus :-D