Lezen

VUB is gecanceld.

Dalilla Hermans is gecanceld. Fleur Pierets is gecanceld. Naomie Pieter is gecanceld. Sabrine Ingabire is gecanceld. Rachael Moore is gecanceld. Yassine Boubout is gecanceld. Madonna is gecanceld. ABBA is gecanceld. J.K. Rowling is gecanceld. Jacques Tati is gecanceld. Lucky Luke is gecanceld. Martha Nussbaum is gecanceld. Nietzsche is gecanceld. Kant is gecanceld. Assita Kanko is gecanceld. Martin Luther King is gecanceld. Eva Rovers is gecanceld. Mia Doornaert is gecanceld. Joe Harris is gecanceld. Ernest Hemingway is gecanceld. Jean Fouquet is gecanceld. De Standaard is gecanceld. Knack is gecanceld. De Morgen is gecanceld. Zizo Magazine is gecanceld. Dante's Inferno is gecanceld. Little Britain is gecanceld. Are you being served is gecanceld. Instagram is gecanceld. Facebook is gecanceld. De opiniepagina is gecanceld. De lezersbrief is gecanceld. De VUB is gecanceld. De VUB sterft. De VUB is dood. Onze universiteiten conformeren. Brussel is gecanceld (just kidding). Solidariteit is gecanceld. Universalisme is gecanceld. Elegantie is gecanceld. Sensualiteit is gecanceld. Seksualiteit is gecanceld. Galanterie is gecanceld. Een vleugje parfum is gecanceld. De man is gecanceld. De vrouw is gecanceld. Links is gecanceld. Centrum links is gecanceld. Vrije meningsuiting is gecanceld. Ik ben gecanceld. Taal is gecanceld. Een compliment is een agressie. Een blik is een agressie. Een lief woord is een agressie. Een tekst van lang vervlogen tijden is een agressie. Een deur openhouden is een agressie. Een glas betalen is een agressie. Een aanspreking is een agressie. Muntpunt is gecanceld. De Krook is gecanceld. Cultuur is gecanceld. Literatuur is gecanceld. Vlaamse literatuur is gecanceld. Carnaval is gecanceld. Cabaret is gecanceld. Black Lives Matter heeft zelfmoord gepleegd. La Boum en L'Abîme plegen zelfmoord. Lockdownfeestjes zijn collectieve zelfmoorden. Kunstcollectieven zijn progressieve sektes van zelfvoldoening en egoïsme. Consumeren is een uitlaatklep. Consumeren is leven. Eindelijk weer leven! Eindelijk op adem komen! Eindelijk het opgespaarde geld opnieuw uitgeven! Zeuren is de nieuwe universele taal. Klaag- en zaagcultuur ten top. De les spellen is het nieuwe opvoeden. Ik zeg wat jij moet zeggen, ik zeg wat jij moet denken, ik zeg wat jij moet lezen. Bij alles en iedereen komt een gebruiksaanwijzing. Googel het maar! Klik en leer. Waarom checken en dubbelchecken, het staat er toch? Wit is een kleur. Blank is een huidskleur. Wanneer een blanke man of vrouw of (zelf in te vullen) wit is, is de dood al langsgekomen. Soms ook in andere tinten zoals vaalgeel. Als een perkament. Wit van schrik. Wit van angst. Gemengde kleuren zijn verdacht. Woke verdacht. Kleur bekennen. Kleur als identiteit. Kleur als fataliteit. Ja, het zal wel zijn. Maar zo bestrijden we racisme niet. Kunst is geen kunst meer. Kunst is beleven. Kunst is Disney. Handjes in de lucht. Joelen. Juichen. Queerness is verkracht en verrot door het neoliberalisme dat kunsten gepenetreerd heeft. Ook de muziek is gestorven. We zijn de harmonieën kwijt. We zijn de melodieën kwijt. We zijn de arrangementen kwijt. We zijn de ooh's en de aah's kwijt. Tchingelinge ling, tchingelinge lang... weg. We zijn de fun kwijt. We zijn het leven leven kwijt. Het leven kleurt niet meer. Het leven is eentonig, het leven is saai. Het leven is zonder inhoud. We zijn fluïde, we zijn neutraal. Het leven is verbonden aan de oplader van de smartphone. Het leven is een lange klaagzang geworden. Instant generatie. Instant camera. Instantkoffie. Instant leven. Een druk op de knop "ik wil het nu". Verwondering: kwijt. Berusting: kwijt. Het toeval: kwijt. Moeite doen: kwijt. Kritisch zijn: kwijt. Iets onderzoeken: kwijt. We zijn het geduld kwijt. Privileges: nooit gehad. Zeg maar eens aan een gezin dat het einde van de maand financieel niet haalt dat ze in hun wit zijn geprivilegieerd zijn. Zeg het hen. Het leven is geconsumeerd. Gedisneyficeerd. Het leven is saai en vervelend wanneer het schermpje niet meer wil. Het leven is een schermpje. En als je dat schermpje niet genoeg voedt, gaat de stekker uit het leven. Een boek lezen, iemand aanspreken, op café gaan, eens naar buiten kijken, geduldig wachten in de rij aan de kassa en naar de mensen kijken. Allemaal gecanceld. Alt Right groeit. Marine Le Pen groeit. Vlaams Belang groeit. NV-A groeit. Populisme groeit. Religie groeit. Lawaai groeit. Polarisatie groeit. Ik groeit. Iedereen heeft wel een mening. Iedereen heeft wel een opinie. Iedereen heeft wel een opmerking. Iedereen gaat het wel eens zeggen. “Ik weet niet of... maar...”, “Misschien dat ...” en “Ik ken het niet maar ...”. Ik doe iets. Ik zeg iets. Ik denk niet na. Ik word op de vingers getikt. Ik moet verantwoording afleggen want ik weet niet beter. Ik excuseer me. Ik excuseer me voor mijn daden. Ik excuseer me voor mijn woorden. Ik excuseer me voor mijn huidskleur. Ik excuseer me voor mijn comfortzone. Ik excuseer me voor mezelf. Ik excuseer me voor al wat ik ooit heb durven denken. Mijn kop op tv. Mijn mea culpa in de media. Ik ben woke woke woke! Driemaal woke! Woke woke hoera!! Kneut kneut kneut. Op sociale media zeggen we dingen over de ander. Maar we zeggen het eigenlijk om onszelf in de kijker te zetten. “Zie eens hoe mooi IK over jou spreek. Like me en klik op mij!” Het gaat niet om jouw verdriet, het gaat erover hoe IK over jouw verdriet spreek, over hoe IK empathie toon. Like me, click me. Jouw verdriet doet er hier niet toe. Het is privé, neem het niet al te persoonlijk op. Wees neutraal in je fluïditeit. Click on me click on ME! We doen het niet meer in het algemeen belang. We doen het in het eigen belang. We doen het in MIJN belang. Hoe meer followers hoe meer deugd en vreugd. Zijn mijn vingers ook genderneutraal? Zijn mijn bewegingen, mijn losse handjes, mijn korte stapjes, mijn gebogen hoofd, mijn boertigheid soms, mijn lompheid soms, genderneutraal? Is mijn bloed genderneutraal, mijn botten en beenderen, mijn nagels en mijn snot, mijn darmen en mijn ingewanden genderneutraal? Kan mijn kut mannelijk zijn en kan mijn lul vrouwelijk zijn? Wat is de code? Waar is de gebruiksaanwijzing? Zeg me hoe ik kan ophouden mezelf te zijn en te zijn zoals jij wil dat ik moet zijn. Wat moet ik doen? Wat bedoel je met “gewoon jezelf zijn” wanneer je zegt hoe ik moet zijn? Vertel het me. Vertel het me. Zeg het me. Desnoods schrijf het me. Schrijven is helen en we moeten allemaal helen. Heel me. Verveel me. Vervel me. Label me. Like me or swipe me. Je mag niet meer labelen maar je moet neutraal en fluïde labelen. Woke woke hoera! Maar ik ga slapen, niet in jouw wereld waarin ik niet welkom WIL zijn. Het is een saaie wereld, jouw wereld. Er staat niets, er gebeurt niets, er is geen revolutie. Jouw wereld waar alles en iedereen neutraal, fluïde, zonder, a- en -loos is. Waar alles negativiteit uitstraalt. Waar het stinkt van zelfvoldoening, waar een vleugje parfum op de huid van mijn nek jou in genderkrampen doet steigeren. Waar schoonheid en elegantie ver te zoeken is. Waar dogma en stigma heersen. Waar geen grote verhalen geschreven worden, waar de acteurs zich in zelfbeklag rollen en het IK ten koste van het WIJ opereert. Waar geen lucht is om te ademen, waar sterren in de ogen niet meer bestaan, waar jij doet alsof je alles hebt uitgevonden terwijl je de wereld niet eens kan bewonderen. Ik wil weg van jouw wereld waar ik mezelf MOET zijn. Maar ik wil mezelf niet zijn. Mijn jezelf zijn is hoe Jij wil dat ik ben. Jouw wereld vol schermpjes en waar niemand met elkaar meer spreekt. Iedereen chat, twittert, swipet, mailt en googelt. Spreken, een praatje doen, iets zeggen... het ligt achter de gesloten deuren van bruine kroegen waar jij niet durft komen. Want je kan niet meer spreken. Je hebt niets te zeggen. Je weet niet meer wat spreken, zeggen, praten, laat staan voelen is. Kneuten wel, dat kan je goed. Je wil de hemelpoort zijn maar je bent de weg naar de hel. Blijf van mij weg. Kleef niet aan mijn huid. Vraag me niet waarom iets is. Zoek het op. Be a woke! Maar blijf de fuck off van mijn lijf. Talk to hand, lalalalala. Ik heb een kaasstolp over mij. Ik zie je - wat al afschuwelijk lelijk is, het voelt aan als een agressie op mijn netvliezen, jouw kleding als wapperende derdehands gordijnen, jouw vale kleuren, jouw gescheurde stinkende sneakers en jouw oversized jassen die je lijkt te verwarren met badjassen, jouw jogging/legging/trekking outfits die je van ’s morgens tot ’s avonds draagt en waarmee je ook gaat slapen verdienen de award voor worst dressingroom ever in history - maar ik hoor je niet. Blablablablabla. Jouw fast fashion doodt de planeet. Ik wil niet leven met jouw gebruiksaanwijzing. Ik hoef jouw instructies voor een beter leven niet. Als ik jou niet mag, omdat je me niet inspireert, omdat je me niet verwondert, omdat je me verveelt, dan ben ik in jouw woorden een racist, een homofoob, een misogyn, dan ben ik niet woke. En zo is het, ja, ik ben niet woke.

Erwin Abbeloos
6 1

Paaspauze

Ik had mezelf een oversized wollen trui gekocht. Dat ontdekte ik pas toen ik hem thuis aandeed. In de winkel paste hij perfect. Onderweg rekte hij uit. Net als de schouderriem van de wollen handtas die ik ooit kocht. En die onder het gewicht van de inhoud ervan langer werd. De tas hing nog om de hoek in een zijstraat terwijl ik al lang thuis was. ‘Ik loop vaak op de dingen vooruit‘, bedacht ik me terwijl ik mezelf in de veel te grote trui aankeek in de spiegel. Ik zag duidelijk dat de trui te lang op de kapstok in het winkelrek had gehangen. Hij was zijn pasvorm kwijt. Net als ikzelf die na ruim een jaar verandering in mijn leven nog niet de passende maat vond. Altijd knelde er iets. Misschien kocht ik daardoor een veel te grote trui. Dan was ik er zeker van dat hij me de ruimte gaf die ik nodig had na me in mijn winterjas te hebben opgerold voor mijn winterslaap. In de spiegel zag ik dat hij tot aan mijn knieën kwam. De zwaartekracht hier in huis moest toch wel sterker zijn dan in de winkel. Dat verklaarde ook het afhangend hoofd van dochterlief die de paasvakantie gekruisigd aan de zetel doorbracht. Met haar benen over de rand en haar armen wijd opengespreid. Alle geloof verloren dat ze ooit nog een normaal schooljaar zou kennen. Zo nu en dan controleerde ik of ze zich dood verveelde. Gelukkig ademde ze nog steeds. Maar ik merkte verder geen teken van leven. Knielend ging ik naast haar zitten en smeekte haar toch iets te ondernemen. De dag niet te laten uitsterven zonder er iets in te hebben bereikt. Een beetje huiswerk maken of een tekening. Haar kamer opruimen of de was plooien. We konden samen de lenteschoonmaak doen want ik merkte dat mijn nestdrang groeide samen met dat van de koolmezen in het nestkastje. ‘Ga eens uit de weg. Ik ben druk bezig’, weerklonk haar stem plots. Ik verkeerde in extase. Sprong recht en merkte meteen dat mijn knieën in de veel te grote trui stonden. Ik had hem een derde keer gepast. Voor de zekerheid.Ik dacht dat ik ijlde. Of zij. Want zo druk zag ze er niet uit. ‘Ik kijk hoe de bij haar eitjes in onze muur metselt. Ze is er al twee dagen mee bezig.’ Ze toonde me het gaatje dat het kleine insect met piepkleine stukjes klei dichtmetselde. Nadat ze haar eitjes en de nodige voedselvoorraad erin had gelegd. De jongen zouden er pas volgend jaar uitvliegen. Ik hoopte dat dochterlief toch eerder uit de zetel zou herrijzen. Ik besloot mezelf ook in paaspauzestand te zetten. En me naast dochterlief in de zetel te nestelen. Daarvoor was die veel te grote trui ideaal. We konden er samen in. Ik was blij dat ik hem had gekocht.Vanuit ons nest keken we hoe bloesems bladeren werden. We wachtten tot de zon achter de wolken was verschenen. En lieten de thee de tijd om te trekken. Ik schreef een brief naar de andere kant van het land. En kleefde er een gewone postzegel op. Geen prior. Hij was dagen onderweg. Ik wachtte op het antwoord dat ook per post kwam. We zochten het getal 571 tussen duizendvierentwintig andere getallen in een ‘ Van punt tot punt tekenboek’. We vergaten de tijd waardoor de klok nog ruim twee weken op het winteruur stond. En toch kon ik de rust in dat nest niet vinden. Niet omdat de veel te grote trui eigenlijk te warm was. Maar omdat mijn hoofd steeds vooruit dacht. Naar wat we zouden eten. Ook al kookte ik al jaren wat het land op dat moment te bieden had. En namen we steeds de tijd om van een maaltijd te genieten. Slow food was het etiket dat ze erop plakten. Daarna lonkte de strijk. Terwijl de wasmand kleiner was dan vroeger want we kochten minder maar duurzamere kledij. Slow fashion. Of ik brak mijn hoofd over het huishouden dat ik in minder dagen zou moeten doen. Want ik had een dag voorzien om naar kunst te kijken. Er de tijd voor te nemen om het te zien en te voelen. Slow Art. Ik deed wel aan slow blogging. Want ik vond nooit de tijd om de juiste woorden neer te pennen. En aan slow reading. Twee boeken per jaar. Toch was Slow living nog niet aan mij besteed. Zolang ik niet aan de zetel werd genageld. Ik besloot nog één keer bewust stil te staan. Voor de spiegel. Om de veel te grote warme wollen trui een laatste keer te passen. Ik zou hem ruilen. Hij had me al teveel tijd gekost.

Sipping Tea
1 0

Stijlvol leeg

Wat zou ik graag nog eens onbelemmerd zijn. Naar de markt gaan, tussen de mensen lopen en luisteren naar de onzin uit de kramen en zelf onzin uitkramen, naar de kermis gaan met Schietbarack Obama en kogeltjesbijvuller Osama Bin Laden, op een terrasje gaan zitten met mijn vrouw en losjes commentaar geven op voorbijgangers... Want dat recht heb je. Vanop een terras mag je te allen tijde zonder enige schroom mensen aanstaren. Van kop tot teen. Ongegeneerd. Heb ik geleerd. Oorspronkelijk een vrouwelijk fenomeen, maar wij mannen hebben het terrasvoyeurisme de laatste decennia helemaal overgenomen. Je hebt keurig betaald voor je plekje en je consumpties. Bovendien kiezen voorbijgangers er vrijwillig voor om voorbij te komen stappen, slenteren of flaneren. Wel dan! Het oog wil ook wat. Kleding becommentariëren, een oordeel vellen over flaporen, obese mensen observeren, kapsels keuren, stoute kinderen gadeslaan, borsten en billen beoordelen, eventuele rariteiten recenseren… Moet kunnen, al komt er weinig moed en kunnen aan te pas. Iedereen kan het, iedereen doet het en iedereen mist het in horecaloze coronatijden als deze. Ik ook. Vooral nu, omdat ik me maar weer eens wandelend voortbeweeg en na twee en een halve kilometer keihard word geconfronteerd met drie desolate brasserieën. Druk woord nochtans in mijn brein, dat ‘brasserie’, omdat het allerlei associaties oproept en cerebraal kabaal veroorzaakt. Bombarie zegt men in Nederland, ambras in België. Stap gerust in voor een ritje in mijn achtbanige hersencarrousel. Of ongerust misschien. Het fenomeen brasserie maakt me sowieso al een beetje triest. Het doet me denken aan de teloorgang van het authentieke, ‘ouderwetse’ café, waar de toog centraal stond en de waard nog waarde had. Hij (of zij) tapte uiteraard pintjes en moppen, maar was ook een mensenkenner, een persoonlijkheid, een psycholoog met pottenpakkende praktijkervaring. Tooghangers waren voornamelijk mannen. Er werd geklaagd en gezaagd over liefde en seks, sport en overspel, politiek en onmacht, over het onder de sloef liggen of onder de plak zitten en het onbegrip over de vrouw in het algemeen of de andere helft van het trouwboekje in het bijzonder. Af en toe sneed de kroegbaas wat ham, kaas, of cervelaatworst in stukjes en deelde die gulhartig en zwierig uit. Vielen ze onderweg ergens op de grond, dan werden ze gewoon opgeraapt, teruggelegd en met evenveel smaak opgegeten. Wie daar een punt van maakte, werd beschuldigd van hoogdraverij en werd nog net niet aan de kapstok gehangen met zijn kapsones. Geheimen werden er verzwegen of doorverteld, levenswijsheden verkondigd, banden gesmeed of kapot gestoken. Aan de toog was men intens vrolijk (zo ontstond waarschijnlijk het woord ‘opgetogen’) of diep ongelukkig. Gevoelens die elkaar soms overlapten of afwisselden binnen een tijdspanne van twee biertjes. Er werd samen geleefd en beleefd, desnoods onbeleefd, geroepen, gescholden en weer uitgepraat. Het café was een mannenbastion. Brasserie is vrouwelijk voor ‘café’. Een protserige kathedraal waar volks verdwijnt en chic verschijnt, een tempel van emancipatie, opgebouwd uit gedenkstenen van echte mannen. Het is een complex bouwwerk dat in schril contrast staat met de eenvoud van het café van weleer. Als man bezoekt men het voornamelijk met de vrouw aan de hand en met de cardigan of de pullover netjes om de schouders gedrapeerd. Als koppel. De culinaire totaalervaring is belangrijk, de bediening is afstandelijk en onpersoonlijk. Het overdreven geacteerde kunstmatig vriendelijke maakt het wellicht nog weerzinwekkender. Stamgasten onvindbaar. Klanten kijken kritisch naar interieur, tafelsetting, bordschikking, wachttijden en cuisson. Als de kroketjes iets te laat op tafel komen wordt er gereclameerd en als de biefstuk tien seconden te lang in de pan heeft gelegen volgt er een retour naar afzender, een terugkeer naar kok. Wie een pils bestelt, wordt nog net niet verdacht van zwakzinnigheid of uitoefening van de agrarische professie ten tijde van Felix Timmermans. Elk in een hoekje en voldoende tussenruimte, want privacy is o zo belangrijk… De overgang van café naar brasserie weerspiegelt perfect de evolutie van onze maatschappij. Een brasserietje. In fantasiebeelden zie ik gesofisticeerde Sofietjes en mondaine mietjes gezamenlijk verfijnd genieten van een ranja met een rietje. In woordenboeken vind je zelfs het woord ‘zuigbuis’ als synoniem. Denk je dat een echte man ooit zal rondvertellen dat hij aan een zuigbuis heeft gelurkt? Geen zinnig mens weet overigens te vertellen waarom ik de voorbije tweeduizend stappen in ‘s hemelsnaam zo melancholisch en vrouwonvriendelijk loop te filosoferen. Ben ik dan zelf zo’n mannelijke man? Kijk ik neer op vrouwen? Heb ik vaak aan de toog gehangen toen er vroeger op elke straathoek nog een café stond te pronken? Ben ik eenzaam en verbitterd door heel het coronagebeuren? Het antwoord luidt telkens nee. Integendeel. Doordat anderen mijn brein als raadselachtig ervaren, heb ik mezelf al vaak getest of laten testen. Met resultaat. Mijn mentale leeftijd ligt ontegenzeggelijk lager dan wat er op mijn jaartellertje staat. Verder ben ik autistisch, bovengemiddeld intelligent en zijn mijn hersenkwabben mannelijk, maar ietwat vrouwelijk georiënteerd. Ik ben altijd een gewillig proefkonijn geweest, maar na mijn tussenkomsten in conversaties word ik desondanks weleens een schaap genoemd, al voel ik me meer een lammetje. Dartel rondhuppelend. Door de wol geverfd, maar nog steeds onvolwassen en onrijp. Bovendien behept met een speels brein dat makkelijk geprikkeld wordt en waar geen prikkeldraad tegen opgewassen is. Een lammetje dat misschien ooit of nooit een schaap wordt. Het voelt zich af en toe lamentabel en mak, dan weer eigenzinnig, uitgelaten en wild enthousiast. Oppermachtig, jongensachtig. Of toch neerslachtig? Soms zowaar tweeslachtig. Een ram die naar Rammstein luistert en die ooit denkt als een ooi. Waarom vertel ik dit? Wat wijk ik weer af en dwaal ik weer rond in mijn eigen wereld, terwijl ik trouw de vaste wandelroute volg in die van iedereen. Van tout le monde. Klinkt stijlvoller, al lijkt onderweg alles leeg.

Danny Vandenberk
9 0

WALKZ WITH ME

Avelgem, 1 maart We stappen - we trappen - we stappen, al bijna een jaar lang. Vandaag belandden we aan de oevers van de Schelde, waar het water sterren tovert en witte vogels ons verdoven in miezer en mist. We zijn op zoek naar overstromingsgebied, dat maakt het makkelijker naar een reddingsboei te grijpen. We vinden een speelplein met een kunstwerk dat naar oorlog verwijst maar me aan voetbal doet denken. Verder alleen lieflijke snoeten in het natte zand. Een moeder somt er dinosaurusnamen op, de wetenschappelijke én de bijnamen, terwijl mijn dochter de equivalenten begraaft in het zand. Er valt niets meer aan te wijzen, alleen nog te redden van de verstikkingsdood. Gelukkig is Vader Dino brandweerman. Er is water, maar niet daar waar je het verwacht. Er is mosterd, er is kaas. Even verderop, aan de achtergevel van het plaatselijke rusthuis, zitten drie denderende figuren in een strandstoel naar het landschap te kijken. Of we wisten dat dit het rusthuis is met het mooiste uitzicht van Vlaanderen? Ik vraag me of dit een feit of een verzinsel is. Dat Hij 1 vroeger langs de Schelde naar Gent fietste, naar Doornik, naar Dendermonde. Hij 2 vult aan dat hard trappen toch zo een deugd kan doen, wind en wolken in de haren. Zij heeft het meer voor stappen. Mijn dochter voor voetballen. We komen aan een achtertuin waarvan het huis zoek lijkt. Er is een kip en een vrouw aan een picknicktafel. Ze vertelt mijn dochter, breed allitererend, dat het een ‘knuffelkip’ is. Het imponeert niet. Ze verzint bergen om contrast te creëren en opent de sluizen. Wij duiken onder een brug waar de enige kleur die van afbladderende graffiti is. Mijn dochter houdt een ei met een embryonale dino erin in haar hand geklemd.    Dadizele, 20 maart Dat Jezus aan het kruis ging eindigen, had ze niet verwacht. Mijn dochter zoekt in alle kerken al bijna vier maanden lang naar de onschuld in de kribbe. Maar zelfs hier, in een basiliek, komt ze van een kale reis terug thuis. Negenhonderd glasramen bieden niet genoeg verlichting voor haar stille verdriet. Ik neem haar gebroken hart bij de hand. We stappen, we stoppen, we stappen. In het park dat de basiliek omgeeft: hyacinten, rozen in de knop, een lege fles cognac met mos erop. Alcohol blust de pijn, maar dat weet onze dochter nog niet. Zij speelt bloemenmeisje. We wandelen langs zandpaadjes en achtertuinen. Het schemert en Jezus is nog steeds niet thuis. Tegenover de basiliek staat een huis van meer dan een miljoen euro te koop. Mijn dochter komt tot rede: “Jezus slaapt aan dat kruis denk ik, mama”. Wandel met mij. Wandel met mij. Het is al wat rest.   Sommière, 1-4 april   de grote hond, de lege school, de kleine hond, de man op de dool de verlaten bushalte, de pony’s op ‘t pad de vrouw met de bezem, de boom zonder blad   de dagen geven we sterren, de nachten kleuren we rood we eten te prille aardbeien en bakken bijna zelf brood we ontdekken een slager met nog bloed aan zijn hand een kasteel met een berg en een bos en een strand   een vrouw neemt me mee naar een rivier in het bos ze bepaalt er het noorden door de groei van het mos ze redt daar een molen van verdrinking van dood en tovert er mouwloos een gevouwen boot   nee, we kunnen niet varen, we hebben geen tijd de stilte onder water, we staan in het krijt dochter dringt aan: waarom wel waarom niet stappen is fijner we zingen ons lied   de grote hond, de lege school, de kleine hond, wij op de dool

Lene Dos
0 0

Ilma

                                                                 ILMA   Elsene, oktober 2015                        De hemel ligt als een frisse deken over de stad. Na een week hitte-ellende is de temperatuur aangenaam. Een westenwind brengt verkoeling door ramen en kieren.                                        Op het dak van een grijs appartementsblok hangen kleren aan de waslijn. Een bal kaatst heen en weer tegen de muur. De trappendeur staat open. Brabbelend puft een peuter op een rood dekentje. Zijn rammelaar, fopspeen en pluchen knuffels liggen verspreid rond hem.                 Hij is gekleed in een kruippakje zonder mouwen. Muggenbeten op zijn mollige armpjes en beentjes. Langs zijn  mondhoek loopt er een straaltje speeksel. Het tekent donkere plekken op zijn slabber. Hij grijpt de knuffel en stopt het in zijn mond. Sabbelt erop. Bekijkt het.  Brabbelt en kwijlt. Hij wrijft met zijn vuistje aan zijn rechteroor. In een boog vliegt de knuffel door de lucht. De peuter jubelt luid. Zijn oogjes volgen de bal. Hij moedigt zijn grote zus aan in een eigen taaltje. Ilma gooit inspannend. Haar hoofd en hart liggen bij het ronde voorwerp. Ze telt in gedachten: de duur waarop de bal terugkaatst. Haar vorig record was een vijf.                        De wind streelt de kleertjes. Speelt door haar haren. Fluit de fopspeen een eindje verder.            De jongen kraait en houdt zijn handjes in de lucht. Hij kirt en gilt. Zwaait.   Ilma werpt de bal tegen de muur. Zij werpt en telt. Het jongetje schuift en vertelt.                      Zijn gebaren onderstrepen zijn woorden. Zijn billetjes schuiven van het rode kleed naar de kale vloerstenen. Zijn zus telt en gooit. Gooit. Telt. De bal raakt de grond eenmaal. Eenmaal de muur. Vier is haar gemiddelde. Haar streefdoel is één. De jongen schuift verder. Ilma zit aan drie. Ze kan beter. Op de speelplaats op school was het haar gelukt. Eenmaal. Die dag was haar gemiddelde een twee. Ze moet sneller. Ze kan het. Als ze lager werpt is de duur van de terugkaatsing korter. Haar broertje schuift naar de trap. Ze werpt. Telt. De volmaakte V. Blijven proberen. Haar broertje brabbelt op de achtergrond. Zij gooit en telt. Hij brabbelt en schuift. Ze kan het. Ze telt en gooit. Ze kan het. Haar broer schuift verder. Op de achtergrond klinken kreten. De bal veert heen en weer. De één is binnen handbereik. Het kan. Geen twijfel mogelijk. Een ijzige schreeuw onderbreekt haar spel. Ze ontwaakt. In de gil herkent ze de stem van haar moeder. Ze spitst haar oren. De bal stevig geklemd in de handen. De schreeuw strekt zich uit over het dak. Verdovend. Eng. Er lijkt geen eind aan te komen. Ilma staart in de verte. Een angstbal sluipt in haar buik. De kleren van haar broertje draaien rondjes aan de waslijn. Zachtblauw is de hemel met pluche wolken. Een zachte lammetjesvacht.Wit en klein is het kistje. Populierenhout. Een close-up van haar broer met gesloten ogen. Ilma herinnert zich de d ag van de foto. Ze logeerden bij hun grootouders aan zee.                                                            De mensen zitten in volgorde. Stilte. God luistert mee.                                                                  De priester leest voor uit een boek en roept de zoon aan. Ilma weet niet zeker welke zoon hij  bedoelt. De zoon in het kistje dat haar broertje is? Nu hij dood is wordt hij een sterretje aan de hemel zei oma. Ze moest maar goed kijken naar de sterrenhemel. Ze zou hem direct herkennen. Oma zit kaarsrecht naast haar. Er loopt een dunne lijn waar vroeger haar lippen dik en rood lachten. Tranen druppelen langs de zijkant van haar ogen en volgen de groeven naar beneden. Ze dept ze weg met een witte zakdoek. De geur is typisch oma en stelt haar gerust. Naast oma zit nonkel Nant. Hij klopt af en toe op haar knie.                                                          Ilma’s ouders zitten een stoel verder. Haar moeder is een propje verdriet. Een leeg gezicht met rode vlekken.  Zo nu en dan werpt haar vader korte blikken op zijn vrouw. Hij kucht dan een rookrochel weg. Bij het binnenkomen had Ilma zich losgetrokken uit oma’s hand en was naar haar moeder gerend. Zij had het hoofd gedraaid en haar pas versneld.                                        Haar oma mompelde wat in de oude taal en kwam Ilma achterna. Ze loodste haar naast zich, op de eerste rij. Er hangen grote schilderijen  van een man met halflang haar aan de muren. Kalksteen. Een hoog en gewelfd plafond. De man op het schilderij zit geknield en kijkt met een pijnlijk verwrongen gezicht op de mensen neer. Op een ander houdt hij zijn handen uitgestrekt en lacht naar een aantal kinderen. Op een ander hangt hij aan een houten kruis met zijn hoofd afgewend.                                                                                                                                        Ilma is er zeker van dat dat God is. Op de glazen ramen is het dezelfde man. Ze begrijpt niet hoe hij het voor elkaar krijgt om haar broertje in een ster te veranderen. Kaarsen branden in bundels bij elkaar vooraan bij het kistje.                                                                                          De priester maalt over God en zijn zoon. Hij noemt niet een keer de naam van haar broertje.      Zijn voorhoofd is hoog als zijn leeftijd. Gemakkelijk zal het niet zijn om daar alles te houden wat er in is gestopt. Achter hem speelt iemand rustig piano. Zachte klanken. Als Ilma haar ogen sluit en haar lippen op elkaar perst wordt het stil in haar hoofd.                                                    De man zwiert een ketting in het rond. Dezelfde stank als oma’s huis ontsnapt en omringt de mensen.                                                                                                                                          In stille rijen stappen ze achter elkaar. Mannen in zwarte pakken staan geflankeerd aan de houten poort. Ze kijken bedrukt. Haar vader ondersteunt haar moeder. Zijn korte vingers strelen de witblonde haren. Hij fluistert iets in haar oor. Haar moeder knikt en trekt haar schouders op. Het duurt een eeuwigheid voor Ilma de poort uit is. De mensen schudden de hand van haar vader, knuffelen haar moeder. Ze ziet haar ogen niet. Die gaan schuil achter de rand van haar hoed. Tussen de lage wolken schijnt een verlegen zonnetje. Het gras rondom de kerk is kortgeknipt en stralend groen. De straat is vochtig. Ilma zit weggedoken achteraan in de wagen.  Als ze haar ogen opslaat ziet ze een regenboog. Haar oma staart uit het raam. Het liefst van al wil Ilma naar huis. Zij wil haar kledingstukken verder inkleuren. Ze heeft nog een vest en een rok dat ze wil afwerken. Ze twijfelt over de juiste kleur blauw voor het vest. In de zaal staan de tafels in eilanden. Er is koffie, thee en chocolademelk. Er zijn sandwiches met vlees en kaas. Ilma heeft niet veel trek. De gemengde geuren maken haar misselijk. In een grote mand aan het einde van de tafel ontdekt ze de koffiekoeken. Gelukkig dat iemand daaraan heeft gedacht. Ze friemelt met een vingertje in een puddingbroodje. En likt haar vinger af. De pudding is zoet. Dik. Gele snot. Ze wriemelt haar vinger in het gemaakte gaatje.                Plots staat haar moeder naast haar. Ze sluit haar gelakte vingers rond haar vingertje en trekt haar weg van tafel.                                                                                                                            “Rotkind,” fluistert ze. Haar moeder houdt haar vinger vast en duwt met haar andere hand Ilma richting haar oma. “Houdt jij haar in het oog?” Er branden twee rode vlekjes op haar witte wangen. Ilma slaat haar ogen neer.                                                                                                  Oma’s hand is warm en veilig. Ilma kruipt op haar knieën de stoel op en vleit zich tegen de oude vrouw. Als ze thuiskomen verdwijnt Ilma in haar kamer. Ze doet haar broek en jas uit en trekt haar gemakkelijke kleren aan. De vest en rok uit haar kleurboek knipt ze uit. Voor de vest kiest ze zwart. De rok kleurt ze in donkerrood. De kleuren smelten samen. Ze vormen een geheel. Vanavond als iedereen naar bed ligt zal zij de hemel afspeuren. Zij weet nog niet hoe zij haar broertje zal herkennen maar volgens haar oma is er niets aan. Als oma het zegt dan is dat zo. Oma zegt dat zij door haar leeftijd alles weet. Een oude gans maken ze niets meer wijs. Ganshoren, Maart 2017                                                                                                                                                         “Ilma! Merr një bukë. Ka para në sirtar.’’                                                                                     Ilma slaat met tegenzin haar boek dicht. Haar moeder wurmt zich in haar peignoir en borstelt haar haren met haar vingers in een staart. Ze trekt kasten open en dicht. Gekletter vult de keuken. Ilma rommelt in de dressoirla en telt de munten bij elkaar. Ze trekt de kap over haar hoofd en stapt de straat op. De grauwheid slaat haar in het gezicht. De lucht is grijs, de straten donker en nat. Het regent al weken achtereen. Ze blijft dicht bij de huizen. Overal liggen vijvers donker water. Ze telt haar stappen tot tien. Begint opnieuw. Bij de bakker ruikt het naar gezonde buikpijn. Ze houdt halt bij het water. Neemt eerst een aanloop voor ze erover springt. Ze strompelt en trapt in een geut vuile smurrie. Ze voelt hoe haar sok nat wordt en het wriemelt in haar schoen. Ze loopt aan de kant van de stoep, ver genoeg van de huizen. Een regendruppel blijft hangen op haar wimpers. Ze probeert niet te knipperen. Ze telt hoelang het duurt voor ie op haar gezicht valt. Drie.                                                                                          Ze steekt haar tong uit en maakt een kuiltje waarin ze het regenwater opvangt. Slikt het in.        Het is fris en flets. Ze houdt het gesneden brood gedrukt onder haar elleboog. De laatste stappen voor haar deur hinkelstapt ze. Zeven. Ze belt aan. Kort ingedrukt. De spiegel is aangedampt. Ilma prikt met haar vinger in de schuimbubbels. Ze kijkt naar de wekker. Het blauwe washandje dobbert op het water. Flipper. Ze knijpt het over haar hoofd. Ze neemt een flinke hap lucht en duikt kopje onder. Ze zoekt naar de afvoerstop terwijl ze in gedachten de seconden telt. Hebbes. Ze trekt hard aan de ketting en het water golft weg. Ilma dobbert als een vis met haar benen in het slinkende sop. Het water spat op de vloer. Ze staat recht en wrijft haar haar droog. De douche-wekker geeft nog zeven minuten aan. Als ze de handdoek van haar hoofd haalt staat haar nonkel Nantje in de deuropening. ,,Ah, hier ben je monsterke.’’                                                                                                                                    ,,Ik ben klaar voor de wekker is afgegaan’’                                                                                      ,,Ah zo…En moet die wekker er ook voor zorgen dat je proper bent?”                                            Haar nonkel ruikt naar zatte praat.                                                                                                 ,, Nee Nantje, dat weet je.” Ilma lacht haar oprechte lach. Hij neemt plaats op de rand van de badkuip.                                                                                                                                            ,,Het is hier precies een zwembad.’’ Hij manoevreert zijn voeten op een droge plek. Doet gekscherend of hij verdrinkt: ,,Bleub, bleuh,….help!”                                                                        Ilma ligt dubbel. ,,Nantje  je bent grappig.’’ Ze droogt zich snel af. Doet haar pyama aan en borstelt haar haar.                                                                                                                            ,,Ik ga nooit mijn haar afknippen. Ik laat het altijd groeien.’’ Ze laat het los. Het is een lange donkere snoer. De druppels maken een uitgekauwde plek op haar trui.                                        ,,Is dat nog niet lang genoeg, monsterke? Het komt tot aan uw gat. Binnenkort veegt gij er de vloer mee. Dat is gemakkelijk voor uw moeder.’’ Hij ginnegapt. Ilma lacht mee.                            ,,Doe jij mijn haar in een staart? Ze reikt hem een haarrekker aan en stapt met haar blote voeten in een plas water.                                                                                                                 ,,Lap! Wat heb ik u gezegd? Een zwembad.’’ Ze stappen de trap af, ieder aan de kant. Ilma houdt de trapleunig als vastgelijmd. In haar hoofdje telt ze de treden. Veertien. Haar stiefvader zit in de zetel met zijn benen uitgestrekt voor zich. Hij tokkelt op zijn mobieltje. Haar moeder staat bij het aanrecht en tikt de as op een schaaltje. Ze ontkurkt een nieuwe fles.                                                                                            ,,Ben je daar eindelijk?, vraagt ze.                                                                                                   ,,Ik was klaar voor de wekker, antwoordt Ilma. Op tafel staan lege flessen.                                ",Dat kunt gij wel zeggen.’’ Haar moeder giet een scheut in haar glas en duwt haar peuk uit in de asbak.                                                                                                                                          ,,Ja hoor, ons monsterke was lang klaar voor de wekker, treedt haar nonkel haar bij. Hij neemt plaats op de fauteuil en knipoogt naar Ilma.                                                                                    ,,Wat zeg je nog?”vraagt haar moeder.                                                                                            Ilma sjokt naar haar stiefvader:,, Slaapwel papa” en geeft hem een kus op zijn wang. ,,Hmmm”, bromt hij en tokkelt verder. Ilma vervolgt haar weg naar haar moeder met dezelfde woorden. Ze vlijt zich tegen haar nonkel:,,Slaapwel Nantje.”                                                                         ,,Wat heb ik gezegd over dat woord?” kreet haar moeder.                                                            Lood verzwaart haar pantoffels. ,,Sorry.. Nonkel Nant,” , zegt ze gedwee.                         ,,Slaapwel monster,”. Zijn lippen vormen een stiekeme lach. Ze gluurt naar haar moeder die naar het plafond tuurt en kleine trekjes neemt. Zij vraagt:                                                            ,,Blijf je bij ons slapen, Na..euh.. Nonkel Nant?                                                                                ,,Als gij dat niet erg vindt monsterke. Vannacht is de zetel mijn camion!"                                      Het lood lost op. Ilma huppelt naar bed. Achter haar trippelt de huiskater haar na.Het duurt even voor haar ogen aan het donker wennen. Haar nonkel torent aan haar bed. Zijn ogen kan ze niet duidelijk zien. Hij draagt een t-shirt en een korte short. Hij haalt adem door zijn neus. Hikt. Ilma ruikt zijn zatte geur. Hij buigt zich over haar heen en blijft een tijdje op die manier staan. Hij stopt zijn hand in haar broek. Zijn dikke vingers frommelen tussen haar benen. Ilma ligt stil en wakker. Hij hikt en haalt zijn hand weg.                                                                      Hij maakt rechtsomkeer en sluit de deur. Een kort moment vraagt Ilma zich af of ze droomt. Maar de plek waar hij haar aanraakte voelt aan als niet van haar.                                                  Het huis is stil. Ze verstopt haar gezicht in haar eenogige-knuffel.   Ganshoren, September 2017   Ilma kleurt nauwkeurig binnen de lijntjes; een uitwaaierende rok met bovenstuk. Het puntje van haar tong piept uit haar mond. Ze zit gebogen aan haar bureau. De rok met bovenstuk wordt uitgeknipt en ze kleeft de zomen aan beide kanten op elkaar. Haar poppen liggen naakt op de hoek van het werkblad. Stofdeeltjes dansen in het zonlicht dat haar kamer voor de helft verlicht. Ze hoort gekrab aan de deur. ,,Ja Moush. Ik kom.’’                                                                                                                              Ze laat haar kater binnen en sluit de deur. Het dier stapt met de staart omhoog de kamer binnen. Strijkt langs haar benen. Ze sprint naar haar bed en vleit zich neer op het kussen. Ilma zoekt een ander outfit uit de catalogus. Ze moet vanavond doorwerken als ze het af wil hebben. Luide mannenstem klinken op uit het gelijksvloer. De stem van haar moeder krijst tussen brekend glas. De stemmen bereiken hun hoogtepunt. Ilma sluit haar ogen en telt. Haar lippen vormen de cijfers geluidloos. Bij vijf hoort ze de voordeur met een klap dichtslaan. Ze rent naar het raam. Haar nonkel Nant springt de vrachtwagen in. Hij steekt een sigaret op. Ze kan zijn ogen niet zien, de klep van zijn pet hangt in de weg. Hij blaast de rook door het open portier. In het invallend duister waaiert de wolk verder uit en lost langzaam op. Zij blijft voor het raam staan in de hoop dat hij opkijkt. Hij spuwt een fluim op straat en sluit het portier. De sigaret bengelt in zijn mondhoek terwijl hij de vrachtwagen start. De rook kringelt uit zijn neusgaten en vult de cabine. Hij verdwijnt in de mist. Haar nonkel Nant rijdt de straat uit en verdwijnt uit haar blik. Ilma blijft lang voor het raam staan. De watten in haar keel laten zich met moeite doorslikken.  

elmo
0 0

Racisme in de zorg.

Volgens Afromedica – een vereniging medische studenten van verschillende onderwijsinstellingen - vertrekt de gezondheidszorg te veel van wit perspectief omdat in onze gezondheidssector geen gegevens op basis van afkomst worden verzameld (DS 13 april 2021). Voor dat laatste is een reden. In het voorstellen van de vzw valt het woord ‘racisme’ al vrij snel maar racisme heeft hier niets mee te maken, zoals de voorzitter Bella Manirambona beweert. Ook over verhalen over discriminatie in de zorg blijven we op onze honger. Het is een staaltje pure identiteitspolitiek die de strijd tegen racisme verlamt, ons gezondheidssysteem besmeurt, mensen in gevaar brengt en discriminatie bewierookt. Nochtans, indien de vereniging én de universiteit hun huiswerk hadden gemaakt en lessen hadden weten te trekken uit de strijd tegen aids en hoe aids-activisten het hele Europese gezondheidssysteem sinds de jaren ’80 hebben weten te transformeren, zouden zij weten dat onze Belgische dokters – en bij uitbreiding ons gezondheidssysteem - niet blind zijn voor mensen met een andere huidskleur. Door het debat naar racisme toe te trekken en er een identiteitskwestie van te maken, schofferen de vzw en de universiteit al het werk dat activisten toen in gang gezet hebben en smoren zij elk zinvol debat rond hervormingen in de gezondheidszorg in de kiem. Zeggen dat ons gezondheidssysteem racistisch is, terwijl de voorzitter zelf geniet van dit systeem, verdient een korte verduidelijking en analyse om aan te tonen dat racisme hier totaal van de pot gerukt en historisch onjuist is. Ons gezondheidssysteem is holistisch, multidisciplinair en universeel. De voorzitter maakt meer heisa rond de representatie van mensen van kleur en zij doet dat vanuit haar geprivilegieerde situatie, eerder dan dat ze lessen leert uit het aidsactivisme in België en in Europa dat rechten toekent aan alle patiënten in ons universeel gezondheidssysteem. Volgens haar zijn er in haar lessen amper afbeeldingen van zwarte patiënten te zien met een huidaandoening. Nochtans worden de verschillende huidtypes in alle vormen en kleuren in deze lessen besproken. Het lijkt me interessanter onze aandacht meer te spitsen op de inhoud, niet op de vorm, nog minder op racisme of identiteit. De Franse socioloog Didier Fassin (In: L’indicible et l’impensé. La “question immigrée” dans les politiques du sida. Sciences sociales et santé – 1999) wijst op het gevaar bij hen die geen verschillen tussen verschillende groepen in analyses en statistieken maken en bij anderen die zich beroepen op het belang van de cultuur en de identiteit. Beide analyses omschrijft Hannah Arendt als politiek geweld: beide systemen streven naar politieke en economische macht. Om methodologische redenen worden mensen van andere afkomst in ons gezondheidssysteem niet gespecifieerd en de vraag is alleen maar welke woordenschat je gebruikt om mensen of groepen mensen te benoemen. Iemand van andere afkomst is gebonden aan een nationaliteit, een immigrant verwijst naar de plaats van herkomst, wat ook de nationaliteit van de persoon moge zijn. Maar mensen van kleur die geboren zijn in Westerse landen worden niet apart in statistieken opgenomen. Moeten we een apart systeem voorzien? Wat motiveert deze vraag? Fassin verwoordt hiermee de kern van het debat: langs de ene kant heb je een debat dat berust op statistieken en niet op emoties of geruchten (van discriminatie of racisme bijvoorbeeld); langs de andere kant moeten mensen van andere afkomst – dus niet in een Westers land geboren – zichtbaar zijn en worden ook zo de sociale leefomstandigheden en hun recht op gezondheidszorg bloot gelegd. Als derde punt wil de identiteitspolitiek ook mensen van kleur die hier geboren zijn in een apart, zeg maar meer zichtbare analyse en statistiek steken. Met andere woorden, wat primeert in ons gezondheidssysteem: nationaliteit, afkomst of identiteit? En hoe motiveer je dat? In identiteitspolitiek gaat het veelal om mensen van Afrikaanse origine. Deze bevolking opsluiten in een cultuurgebonden interpretatie van een ziekte, komt neer op hun recht op een universele aanpak van hun gezondheid te negeren en hen zo uit te sluiten van waarden, representaties en praktijken van de Westerse geneeskunde (Fassin in: “Sida, immigration et inégalité, 2002). Want over wie of voor wie spreekt de vereniging? Over geprivilegieerde mensen van kleur die op de universiteit zitten, of gaat het over alle mensen van kleur, ook diegenen die gemengd zijn? Een ander gevolg van de voorgestelde cultuurgebonden interpretatie is dat dat systeem een homogeniteit veronderstelt over wat Afrikaans is, of het nu gaat over geloof, gedrag of hoe men naar de realiteit kijkt. De woke-hysterie heeft hier geen plaats en het valt te betreuren dat Afromedica, en bij uitbreiding ook onze universiteiten, onder het misleidende en discriminerende mom van dekolonisatie, de essentie van de strijd tegen racisme uitholt, ons gezondheidssysteem onderschat en niet onderschrijft en de burgers in hokjes opsluit ten koste van hun eigen gezondheid.  

Erwin Abbeloos
5 0

Aan het bestuur van de faculteit Mythiek

Geacht faculteitsbestuur,  Per onmiddellijke ingang is de leerstoel Mythische Geschiedenis vacant. U leest het goed: ik neem ontslag.   De directe aanleiding is het aanbod van een leerstoel in Sunnydale gecombineerd met een functie als adviseur in de high-techindustrie, maar daarover meer aan het slot van deze brief.   De indirecte aanleiding is de achterstelling van Mythische Geschiedenis ten opzichte van Mythische Archeologie en Mythische Antropologie. De vakgroep Mythische Ethiek heeft reeds de valbijl der bezuiniging in de nek voelen snijden. Het is duidelijk dat mijn leerstoel volgt. Beeldvorming is belangrijker dan kwaliteit, dat blijkt maar weer. De maatschappelijke bijdrage van Mythische Archeologie is eenvoudig uit te leggen, dat begrijp ik: het tentoonstellen van een dik stenen wijf met hangborsten onder de vermelding van “vruchtbaarheidssymbool” is beeldender dan de tekstanalyse van een interview met Wodan of Loki. En het afstoffen van een vogelkop met daaronder een six pack en een lekker stel gladgeschoren jongensbenen in minirok levert betere televisie dan langdurige gesprekken met een bejaard echtpaar in het Akkadisch.   Het onderzoek bij Mythische Antropologie is goedkoop: je volgt televisiekerkdiensten op de zondagochtend, met de ene hand turfjes zettend op een notitieblok en de andere hand graaiend in de zak paprikachips, en hup: Klaar is Kees. Natuurlijk combineert het Sodom en Gomorra van een theologisch congres (Pipsterwijde 2011, het jong is vorige maand negen geworden als ik goed reken) prima met observatieonderzoek naar eigentijds mythisch bijgeloof.   Vergelijk dit met de methodologische randvoorwaarden die gecreëerd dienen te worden ter ondersteuning van surveys op mythisch geschiedkundige locaties, discussierend met ooggetuigen. De leerstoelafkalving begon reeds vóór het voltooien van deel vier van mijn standaardwerk “Geschiedenis der Engelen; Verhalen uit de eerste hand.” Prof. dr. Knekelvelde schoof mijn onderzoeksfondsen door naar vriendinnetje dr. ir. Van Meulengeeste. De beide fraudeurs hebben de faculteit oneervol moeten verlaten, maar deze bezuinigingen zijn niet teruggedraaid. Integendeel.   Het heeft mij gegriefd dat mijn historisch te noemen gesprekken met Ra (Een eervolle vermelding bij de Briemelprijs 2019!) op Sharm-el-Sheikh slechts voor de helft werden vergoed.    En zeker dat ik de interviews met Poseidon en Zeus tijdens mijn zomers verblijf op Kos vrijwel geheel uit eigen zak moest bekostigen. Zelfs de vier door Demeter weggeklokte flessen rode wijn schrapten uw bureaucratische secondanten uit de onkostenvergoeding.    De druppel was de teruggave van de benzinebonnetjes van de camperreis door Toscane, waar Jupiter, Juno en Minerva diverse anekdotes vertelden. Dat ik geen studentassistenten mocht inzetten voor het transcriberen, coderen en analyseren van deze interviews (21,5 uur aan opnames) deed de emmer overstromen. Ik twijfel dan ook geen miliseconde over de vraag of ik PR ondersteuning wil bieden aan vertegenwoordigers van de softwareindustrie en social mediabedrijven, als deskundige op het gebied van mythevorming. In het licht van de afgelopen en komende hoorzittingen op diverse continenten, is er werk aan de winkel.   Naast mijn adviseurschap, ben ik benoemd als buitengewoon hoogleraar Mythical Interview Methodology aan de University of Sunnydale. Met een ongelimiteerd reis- en verblijfsbudget én een studentassistente naar keuze. Het zal u niet verassen dat afspraken met Tonatiuh en andere Azteekse goden reeds zijn gemaakt in een resort in Cancun. P.S.1: Studenten “Contemporaine mythische vorming”, die in-depth-casestudy-research doen bij een van de door mij geadviseerde bedrijven, werk ik met kracht tegen.P.S.2: “Opstand der Engelen” (in press) blijft in uw universiteitsfonds, mijn jurist meldt dat ik dat niet kan tegenhouden. "Geschiedenis der Engelen" deel 5, met de focus op de Amerika's zal ergens anders worden ondergebracht. Laagachtend, Prof. dr. M.C. H

MCH
10 0

Zelfkennis is het fundament van gezonde relaties

Een persoonlijkheid bestaat uit verschillende delen. Zo is er bijvoorbeeld een deel van mij dat niets liever wil dan met rust gelaten worden en zich graag alleen terug trekt. Maar een ander deel van mij wordt enthousiast van het organiseren van evenementen. Het ene spreekt het andere tegen, maar ik probeer evenwichtig te handelen zodanig beide delen zich kunnen ontplooien. En ja, soms botst het wel eens. Dan kan het zijn dat ik overprikkeld ben omwille van de sociale activiteiten die ik op mijn programma heb gezet. Ik kies er bewust voor om elk deel van mij te accepteren. Ook al gaat het soms met vallen en opstaan, toch wil ik geen enkel deel van mezelf verwerpen, uitsluiten of zogezegd ‘afleren’. Het is trouwens onmogelijk om delen van mijn persoonlijkheid af te leren. Ik wil voor de weg van de minste weerstand kiezen. Uit ondervinding weet ik dat het onderdrukken van delen in ziekte of andere ellende resulteert. Alles dat je aandacht geeft groeit of ontwikkelt zich. En alles dat je onderdrukt ontploft op een gegeven moment in je gezicht. De relaties die we hebben met anderen, of die nu oppervlakkig, romantisch of vriendschappelijk zijn, weerspiegelen delen van onszelf. Zo is er bijvoorbeeld dat onzekere deel van mij dat zichzelf niet goed genoeg voelt. Dat deel zorgde ervoor dat ik een relatie aanging met een man die deze onzekerheid voedde. Ik liet mijn liefde vrijuit stromen, maar kreeg er weinig voor terug. Ik voelde me niet gekoesterd of gewaardeerd. Na enige tijd liet nog een ander deel van mij van zich horen: het deel dat wel vindt dat ik de moeite waard ben. Het kwam in opstand, vond dat ik beter verdiende. Dat zorgde voor conflicten. Ik bleef nog enige tijd aanmodderen, switchend tussen deze twee delen, om uiteindelijk de knoop door te hakken en de toxische relatie te beëindigen. Sommige delen zijn zelfdestructief. Er bewust van zijn dat ze er zijn, is voldoende. Ik probeer ze met mededogen bestaansrecht te geven, erop vertrouwend dat ik ze zal leren aanvaarden, doch zonder ernaar te handelen. Uiteraard ben ik wel eens kwaad op een deel van mezelf. Dan vervloek ik bijvoorbeeld mijn zachtheid die er soms voor zorgt dat ik mijn grenzen laat overschrijden. Het strenge deel van mezelf bestempelt dit als een zwakte. Van zodra ik hiervan bewust ben, probeer ik het met eigenliefde te compenseren. De gedachten waarmee ik mezelf neerhaal loslaten en mijn zachtheid accepteren is het beste dat ik voor mezelf kan doen. Het begint allemaal bij zelfobservatie. Bij het bewust worden van het zelfbeeld en hoe dit invloed uitoefent op specifieke keuzes en relaties. Leren zien hoe het zelfbeeld de realiteit kleurt. Ik was er mij ten tijde van die relatie niet geheel bewust van dat mijn aantrek tot deze man een bevestiging van mijn minderwaardigheidsgevoel betekende. In het samenzijn met hem weerspiegelde mijn zelfdestructieve kant. Gebukt gaand onder emoties leerde ik op korte tijd enorm veel over mezelf. De ervaring liet me inzien dat mijn gevoel van eigenwaarde nog een werkpunt was. Elke interactie met iemand anders, hoe kortstondig en banaal deze ook mag zijn, kan een inzicht betekenen. Door relaties aan te gaan, helpen we elkaar groeien. En dat hoeft helemaal geen pijnlijke zaak te zijn. In een gezonde relatie help je elkaar vooruit door de schoonheid van elkanders bestaan liefdevol te bevestigen. Oprechte liefde kenmerkt zich door een verruiming van het persoonlijke welzijn naar een gemeenschappelijk welzijn. Alles wat ik mezelf toewens, geef ik ook aan de ander en omgekeerd. Je kunt elkaar in alle veiligheid en vertrouwen spiegelen en helpen ontwikkelen. Ondanks de pijn en tranen ben ik dankbaar om die moeilijke relatie te hebben ervaren. Ik heb geleerd dat het belangrijk is om mezelf te eren en dat ik dit in mijn relatie weerspiegeld wil zien. Ik heb aan de levende lijve ervaren wat voor een relatie ik niet wil. Dit heeft het complementaire beeld van wat het wel moet zijn verscherpt. Haarscherp voor ogen zien wat ik wil, is uiterst belangrijk bij het bewust scheppen van mijn realiteit. Ik had er vertrouwen in dat ik ooit wel opnieuw iemand ongeremd zou liefhebben en deze keer hetzelfde zou terugkrijgen. Veel sneller dan verwacht is dit ook gebeurd. Mijn huidige partner geeft me de gelegenheid om door zijn ogen met een liefdevolle blik naar mezelf te kijken, wat mijn zelfbeeld ten goede komt. Als ik mezelf bekritiseer is hij de eerste om mijn hardheid te temperen. Er zijn geen delen van mij die in strijd zijn met elkaar omwille van deze relatie. Ik voel in mijn hele wezen dat dit gezond is en dat het mij rust brengt. Het is interessant om mij af te vragen welke delen van mezelf getriggerd worden bij bepaalde sociale interacties. Sommige mensen lijken het slechtste in mij naar boven te brengen terwijl anderen juist een heilzaam effect uitoefenen. Het hangt er allemaal van af welke delen zich aangesproken voelen en of ik daar al dan niet mee in het reine ben. En zo wil ik graag besluiten dat zelfkennis cruciaal is bij het aangaan van constructieve relaties.   https://www.karoliendeman.com/blog/2021/4/12/een-mens-bestaat-uit-delen

KarolienDeman
10 0