Lezen

Lijkrede voor William

William,  Hoe voelt dat nu eigenlijk, doodgaan? Voel je zoiets aankomen? Wat dacht je op dat ogenblik? Of is het daar nog voor je het goed en wel beseft, alsof je plotseling een donkere leegte wordt ingeduwd zonder de herinnering gevallen te zijn? Ze vroegen me of ik iets wilde voorlezen. Ik heb geen idee waarom ze nu net mij gevraagd hebben, William, want zowel jij als ik weten dat zowat iedereen op deze plaats bekwamer is dan ik in het geven van sociaal correcte toespraken over een fucking dooie. Ik kan niet liegen, dat weet je. Ik zal dan ook niet liegen over het feit dat ik mezelf wel wilde ophangen toen ik hoorde dat jij mijn broertje zou worden. We waren zeven en ik verhuisde samen met mijn moeder naar jouw huis, op den boerenbuiten in een dorp dat zo klein was dat geen enkele kaartenmaker het nodig vond het te vermelden. Man, ik kon jou niet uitstaan. Je was zo rond als een bowlingbal, had constant rode vlekken in je gezicht, stonk naar bedorven garnalen en dan maar te zwijgen over dat afgrijselijke West-Vlaamse accent van jou – had je een vod in je mond of wat? Tot overmaat van ramp moesten we ook nog dezelfde kamer delen en kwam ik erachter dat je zwijnengeluiden maakte in je slaap. Ik heb mijn moeder toen vaak vervloekt om haar slechte smaak als het op mannen aankwam. Ik zou al mijn jeugdjaren met jou opgescheept zitten. Het was de beste tijd van mijn leven. Eigenlijk waren we wel een goede combinatie. De Dikke en de Dunne. De speklap en de carpaccio. Ja, William, wij waren een geweldig team. Ondanks je uiterlijk van een sumoworstelaar, was jij bevriend met ieder meisje van onze school – zelfs de knappe – en kon ik er uiteindelijk mee gaan lopen. Ik weet niet of het kwam doordat je rond en bijgevolg aaibaar was of omdat je erin slaagde grappen te maken die smakelijk waren in al hun wansmakelijkheid, maar iedereen vond jou sympathiek – zelfs juf Teddy uit het vierde leerjaar. Ik daarentegen was de etter, het joch dat leren jacks droeg en iedereen uitmaakte voor weet ik veel wat. Ik geef het niet graag toe, speklap, maar eigenlijk wilde ik gewoon niets anders dan zoals jou zijn. Ja, ik was jaloers. Op jou. Op een kind dat al honderd kilo woog op zijn tiende. Dat gewicht van je was echt een probleem, William. Hoewel je er vaak grappen over maakte, zag ik dat het je echt in de weg zat. Zowel letterlijk als figuurlijk. Het werd er niet beter op toen je in het eerste en tweede middelbaar plots werd gepest. Op de basisschool was je zwaarlijvigheid nog schattig geweest, maar toen werd het plots een reden om je uit te lachen. Dat was jouw grootste zwakte en de mijne, dat was dat ik gewoon meedeed met de rest. Ik realiseer me nu dat ik me daar nooit voor heb geëxcuseerd. Sorry, man. Natuurlijk zag ik al die lege Weight Watchers-verpakkingen liggen op tafel en natuurlijk zag ik dat je je na iedere maaltijd in je kamer verborg om snel wat oefeningen te doen – dacht je dat die zweetplekken onder je oksels niet opvielen?- en natuurlijk zag ik hoe lamlendig jij terugkwam na een afspraak bij die zogenaamde dieetspecialist. Natuurlijk zag ik ook dat het uiteindelijk allemaal niets uithaalde. Nadat je door slechte resultaten op school je jaar opnieuw moest doen, besloot je naar de koksschool te gaan in de andere uithoek van het land. Je ging er op internaat en ik zag je nog enkel in de weekends, hoewel we die tijd sowieso niet veel met elkaar spraken; soms denk ik dat je enkel omwille van mij bent weggegaan, want o wat heb ik je destijds het leven zuur gemaakt en dat terwijl jij zo snakte naar zoetigheid. Het bleek daar goed te gaan met jou en er kwam een einde aan de pesterijen, want plots was jij niet meer de enige dikzak met hamsterwangen en rode vlekken overal op je huid. Niet alleen deelden ze je liefde voor eten, maar ook en misschien zelfs nog meer deelden ze je liefde voor koken – het eten was niet anders dan een noodzakelijk kwaad, want wie zou anders de voedselverspilling tegengaan? In de weekends klonk je West-Vlaamse gemompel nog eens tien keer erger toen je plots begon te spreken over flamberen, fileren, marineren en blancheren en weet ik veel wat voor onzinnige woorden nog allemaal. Het was vreselijk irritant, maar voor het eerst zag ik dat er passie zat in wat je deed. Zo gingen onze tienerjaren: jij kookte de pannen van het dak aan de andere kant van het land en ik... Ach, laat ook maar.   Een paar jaar later was je afgestudeerd en keerde je terug naar huis; de tijden waren veranderd en ergens ook weer helemaal niet. In jouw geval dan. Je opende meteen een eigen restaurant in ons godverlaten dorp en de zaken draaiden goed.   Ik heb er nog steeds spijt van dat ik er niet een keer gegeten heb. Ik weet nog steeds niet hoe je dat toen geflikt hebt, speklap. Plots kwamen mensen uit Limburg en ver daarbuiten naar hier. Plots stond ons dorp wel vermeld op de kaart. Plots had je een fucking Michelinster. In die tijd was ik zelf niet veel thuis - ik hoef zeker niet uit te leggen waarom – maar die verhalen over jou bereikten mij wel eens. Iedereen had het over jou. Jij met je restaurant, je veel te dure borden en je gerechten van onuitspreekbare ingrediënten; jij die kookte voor verwaande stinkerds met parelsnoeren om hun halzen en maatpakken rond hun verzadigde buiken. Jij die in een mum van tijd je bekakte Michelinsterren verdubbelde. Je was zo naïef, William. Plots stond er niets meer van recht. Het smeulende, zwartgeblakerde hout was het enige waaraan je kon zien dat er ooit een fucking sterrenrestaurant had gestaan. Ik heb het je altijd gezegd: sous-chefs zijn onbetrouwbare wezens. Je had het restaurant beter aan mij gegeven toen je van de dokter verplicht een kuur moest volgen. Mijn vissticks schijnen heerlijk te zijn, zegt men. Ach, kijk nu wat er van ons is geworden. Ik ben een ex-jeugddelinquent die het nooit afleert en jij zit straks in een kist onder de grond. Wie had dat ooit gedacht? Oké, misschien was mijn toekomst al van meet af aan duidelijk, maar de jouwe... Je had die mensen nooit mogen ontmoeten, speklap. Jij domme, domme speklap. Ik ga je missen. Hopelijk is de rijstpap daar lekker. Tim

Sarah Van den Borren
2 0

In het laatste stadium van verrotting

“Ge bent zo stil. Is er iets?”             Daar was die vraag weer. De woorden bleven nog voor een paar seconden in de ijle lucht kleven, gebonden aan een paar atomen stikstof hier en daar. Het maakte de lucht zwaarder, drukkender.             Ik schudde mijn hoofd.             “Ge moogt het zeggen als er iets is. Ge weet toch dat ik zal luisteren.”             Ik kauwde op mijn wangen om mijn frustratie te verbijten, perste er in de plaats daarvan een glimlachje uit alsof ik wilde zeggen ‘het is oké’ en keek vervolgens weer naar de grond. Waarom mag een mens niet gewoon stil zijn zonder zich te hoeven verantwoorden? Waarom moet er altijd iets schelen?             De grond onder mijn voeten was drassig en bedekt met bladeren die in het laatste stadium van verrotting waren beland, klaar om op te gaan in de vochtige aarde. In de verte ritselden enkele blaadjes. Een specht in de verte timmerde ononderbroken een gat in de boomschors: dat zag ik niet, maar dat hoorde ik wel.             “Mama zegt dat Olly er wel bovenop komt. Uit de scans blijkt dat er een verbetering zichtbaar is. Zijn lichaam is zich aan het herstellen.”             “Fijn,” zei ik.             “Godverdomme, Felix.”             “Wat?”             Micha trapte verwoed een boomtak onder haar voeten weg. Althans, dat was de bedoeling. De tak brak in tweeën en kletste terug tegen haar onderbeen, waardoor ze begon te vloeken. Ditmaal tegen de tak.             “Stomme tak,” zei ik.             Ze blies enkele onverstaanbare woorden uit. Vervolgens: “Ik meen het, Felix.”             Het bleef een tijdje stil. Ik voelde niet meer de behoefte om iets te zeggen, omdat ik wist wat de reactie zou zijn en omdat ik wist dat Micha zoals elke keer weer wilde benadrukken dat het belangrijk was om over je gevoelens te praten en dat soort pseudopsychologische adviezen uit vrouwenbladen. Dan kon ze zich weer even de grote, wijze zus wanen die haar broertje even ging vertellen hoe het leven in elkaar zat.             Tot mijn verbazing hield ze echter haar mond. Ze bleef naast me op de boomstronk zitten, haar handen in een kommetje op haar schoot. Haar vingers waren verkrampt en verkleumd. Ze blies een ademwolkje uit en keek naar een onbeduidend punt in de verte, maar vanuit mijn ooghoeken zag ik dat ze niet echt keek: er lag een waas voor haar ogen. De pupil was gericht op iets centraal voor zich, maar in werkelijkheid keek ze centraal naar binnen.             Misschien was ze eindelijk tot inzicht gekomen.             Zo bleven we daar een hele namiddag naast elkaar zitten. Niemand zei nog een woord. De stilte van het bos, de vochtige geur van de aarde en de geringe lichtinval maakten me voor het eerst sinds de laatste vrijdag van november weer rustig. Een kalmte daalde over me neer, en mijn ogen vielen dicht toen het begon te schemeren.             Toen ik wakker werd, was Olly dood.

Sarah Van den Borren
6 0

Muntenverzamelaar

Een muntenverzamelaar kan je mij bezwaarlijk noemen maar sinds jaren bewaar ik enkele oude munten en biljetten in een bokaal in een lade van mijn bureau. Meer dan twintig jaar na mijn reis naar Berlijn stond de muur nog overeind. Nu meer dan dertig jaar na de val van de muur doe ik een vondst. In mijn confituurpotje vind ik een muntje met het opschrift: ‘Deutsche Demokratische Republik’. Het maakte ooit deel uit van het blikken geld dat je aan checkpoint Charlie moest inruilen voor Westers geld. Bij een bezoek aan Oost Berlijn hoorde je inderdaad minimum vijf zulke Ostmarken aan te kopen met Westerse Duitse Marken of liever nog Amerikaanse dollars, die door het DDR-regime zeer gegeerd werden. Het volledige bedrag moest ter plaatse gespendeerd worden en het overschot moest bij terugkeer afgegeven worden. Onze groep bestond uit mannen en jongens van alle leeftijden, van achttien tot zestigjarigen. Bij de terugkeer naar West Berlijn hadden enkele ouderen het overgehouden geld weggeschonken, anderen hadden het zelfs in een vuilnisbak gedeponeerd. Wij, jongeren hadden in een herberg voor de lokale argwanende bevolking drank gekocht. Het overgebleven kleingeld hadden we in onze broekzak verstopt. Aan een zwaarbewapende Vopo (Volkspolizist) die amper onze leeftijd had, toonden we onze lege geldbeugels. Gelukkig liet hij ons ongemoeid, maar in onze broekzakken gloeiden de geldstukjes. Ze hadden nooit waarde en of ze die nu meer dan vijftig jaar later hebben, is zeer de vraag. Als souvenir is hun sentimentele betekenis daarentegen onbetaalbaar.

Vic de Bourg
3 0

Papa in "de Congo".

De bar van het woonzorgcentrum is weer open. Ik maak een afspraak om mijn vader te zien. “Niet in de kamer, maximum 1 uur, in de bar, het liefst buiten.” Ik respecteer het huis. Zoals de zon over onze oude huiden wreef, zo gewoon gelukkig zaten vader en zoon weer samen. We lachten en we praatten enkele biertjes weg. We wuifden naar de vrijwilligers. We bedankten het personeel. Zijn nieuwe vriendin Helena zat aan het tafeltje naast ons. Het deed iedereen deugd onze “oudjes” terug te mogen zien. “Erwin,” vroeg hij mij. “Kijk jij naar ‘Kinderen van de kolonie’ op Canvas?” Ik zei neen. Omdat er veel te luide stemmen zijn die mij dingen verwijten die ik niet ben, nooit ben geweest en nooit zal zijn. Ik ben niet geprivilegieerd. Ik ben niet wit. Ik weet wat discriminatie is en ik weet wat racisme is. En ik ken onze geschiedenis. Activisten moeten zich niet zo dwangmatig en neurotisch opstellen en hun veel te complexe woorden moeten van mijn lijf blijven. In serieuzere zaken is mijn vader een man van weinig woorden. Niet omdat hij verbitterd of getekend zou zijn door de strengheid van zijn generatie en de armoede van het Vlaamse platteland tijdens WO II. Zijn blik dwaalde af naar Congo. “Wat ik daar allemaal gezien heb... Wat ik daar allemaal heb moeten doen...”. Hij herbeleefde Congo, ik zag het in zijn lichaam kruipen. Meer dan het gekrijs van jonge activisten die racisme mengen met gender politics en kolonisatie met identiteitspolitiek, op TikTok en in de krant, lag in die enkele woorden van mijn vader het leed van zwarte mensen dat ook zijn leed is geworden. Meer dan jonge activisten was het voor mijn vader helemaal niet vermoeiend om het “weer eens te moeten uitleggen”. Hij sprak, hij vertelde het verhaal. Met emotie. “Die mensen uit Congo verdienen niet wat wij daar gedaan hebben.” Mijn vader is geen geprivilegieerde blanke man. Hij is dat nooit geweest en zal dat ook nooit zijn. Ik volg hem daarin. Mijn vader was in “de Congo” en zijn verhaal is ook mijn verhaal en het verhaal van alle Belgen. Nieuwe Belgen en minder nieuwe Belgen. Ik luister niet meer naar het geroep en het getier. Het is te vermoeiend. Het zegt niets. De toon van mijn vader daarentegen is rustgevend. Zijn herinnering leerrijk en van zo groot Belgisch en Congolees belang dat de verhalen van onze vaders ook gehoord worden. Ook door een blanke man die er was. Ik luister morgen verder, dan is het zijn verjaardag, en ik zal (uitgesteld) kijken maar alleen omdat mijn vader erover verteld heeft. De verhalen in de woonzorgcentra zijn voor mij de verhalen die tellen. Omdat ze echt zijn, omdat ze niet verwijten, omdat ze niet betuttelen, omdat ze niet arrogant zijn, omdat ze me niet willen opvoeden. Omdat vele verjaardagen later mijn vader er niet meer zal zijn maar Congo door hem en door mij Congo de plaats zal krijgen die het verdient. Gelukkige verjaardag, papa!

Erwin Abbeloos
7 0

over wikipedia, astronauten en Tanja Dexters

‘Heb je een pagina op Wikipedia?’, vroeg hij. ‘Nee? Dan ben je klaarblijkelijk niet belangrijk genoeg’. Ik kon niet uitmaken of hij een grap maakte. Het feest liep ten einde en de betere gesprekken lagen al ver achter ons. Op weg naar huis kon ik maar één ding denken: ik schrijf zélf mijn Wikipagina, om zijn ongelijk te bewijzen. Maar dat bleek niet zo simpel. Dat ik niet in aanmerking kom voor een Wikipagina, kan ik begrijpen, maar ook personen die er wel één verdienen, krijgen er geen. Maak kennis met Donna Strickland, een Canadese hoogleraar Natuurkunde, die tot voor kort geen Wikipagina had. Iemand diende in 2018 een bijdrage over haar in, maar deze werd door een vrijwillige redacteur geweigerd omdat Stickland ‘niet aan de noodzakelijke criteria voldeed’ om gepubliceerd te worden. Later dat jaar won Strickland de Nobelprijs voor de Natuurkunde voor haar onderzoek in de laserfysica. Ze kreeg uiteindelijk wel haar Wikipagina. Je moet als vrouw blijkbaar een Nobelprijs winnen om in aanmerking te komen voor een Wikipagina (Ja, Tanja Dexters, ook hier ben jij door de mazen van het net geglipt, met je Wikipagina en zonder Nobelprijs). De Vlaamse Angelique Van Ombergen is een academicus die in 2019 door Forbes opgenomen werd in de lijst ’30 under 30’. Haar Wikipagina beperkt zich tot het Forbes weetje. Dat kan beter, hoor ik u denken. Zoveel is zeker. Ze deed niet alleen baanbrekend onderzoek naar hoe de hersenen van astronauten zich aanpassen aan een verblijf in de ruimte, ze won verschillende internationale awards, schreef kinderboeken over ruimtevaart en organiseerde ruimtekampen voor kinderen. In 2020 zijn minder dan 20% van de Wiki biografieën van vrouwen. Onze geschiedenis leest als een mannelijk verhaal. Terwijl vrouwen wel degelijk geschiedenis maakten. Het is alleen nog niet neergeschreven. Wikipedia is in de markt gezet als één van de grootste online encyclopedieën. Het vormt voor velen een vertrekpunt in hun zoektocht naar informatie. Als vrouwen systematisch ontbreken, dan heeft dit grote gevolgen voor onze perceptie van de geschiedenis. Ik zocht het even op: Wikipedia is een samentrekking van Wiki en Encyclopedie. Wiki is Hawaïaans voor snel, vlug. Snel staat in veel gevallen niet gelijk aan nauwkeurig. Wikipedia is in snelheid gepakt. Het is dringend tijd om de informatie over vrouwen neer te schrijven, anders verdwijnen ze geruisloos of gaat waardevolle informatie verloren. Op de Wikipagina van Tanja Dexters word ik doorverwezen naar haar eerste hit ‘Out of my mind’. Ze zingt: ‘I can’t get you out of my mind’. Je hoeft geen Nobelprijs in huis te hebben om te weten dat dit over alle vrouwen gaat die een Wikipagina verdienen.   Moeder: En hoe heette die schrijver? Dochter: Dominique… En nog iets. Is dat eigenlijk een jongen of een meisje? Moeder: Ik weet het niet. Weet je hoe we daar snel kunnen achter komen? Eens checken of die een Wikipagina heeft.

Lore Dewulf
5 0

Het gevecht van de leeuw en het meerkoppig monster

Wij hebben dwangarbeid gekend in ruil voor lonen die veel te laag waren om voldoende te kunnen eten, ons waardig te kleden of te wonen of om onze kinderen als dierbaren te kunnen opvoeden. Wij hebben spot, beledigingen, slagen gekend die we ‘s ochtends, ‘s middags en ‘s avonds moesten ondergaan, omdat wij ‘negers’ waren. Wij zijn getuige geweest van het afschuwelijke lijden van degenen die veroordeeld waren voor hun politieke standpunten of godsdienstige overtuigingen: verbannen in hun eigen land was hun lot nog slechter dan de dood. Wij hebben gezien dat er in de steden prachtige huizen voor de blanken waren en bouwvallige barakken voor de zwarten. Wie zal ooit de slachtingen vergeten waarbij zo velen van onze broeders omkwamen, de cellen waarin degenen werden geworpen die weigerden zich aan een regime van onderdrukking en uitbuiting te onderwerpen. Wij, die in ons hart en met ons lijf geleden hebben onder de koloniale onderdrukking, wij zeggen nu luid en duidelijk: dat alles is voortaan gedaan! — Uittreksel uit de toespraak van Patrice Lumumba   De Afrikaanse hoop werd geboren brullend als een leeuw. En samen met hem de verandering. Luid en wild razend als een wervelwind door de Afrikaanse vlakten. Niets zou nog zijn zoals het was, zijn strijdlust was groot. Zijn idealen en dromen glinsterden aan de hemel als de diamanten die de grond rijk was. Hij liep met grote passen, rug recht, blik vooruit. Vooruit, daar waar hij beelden zag van zijn land als eenheid en later, het gehele continent als één paradijs voor allen met een donker glimmende huid. Glimmend van trots op wie ze waren. Nooit nog een gevoel van misschien, een sprankje onzekerheid. Niemand zou nog om hen heen kunnen, niemand zou hen nog durven ontkennen.   Hoe meer hij sprak over de onafhankelijkheid van zijn volk, hoe meer hij op handen gedragen werd. Waar de mensen niet durfden van dromen, gaf hij hun. Te lang hadden ze geleden onder overheersing, onder de leugens over hun minderwaardigheid tegenover een alles opslokkend meerhoofdig monster. Zo lang dat ze het gingen geloven. Ze hadden de brutaliteit nodig van één van hen om hun eigenwaarde terug te krijgen. De leeuw die tegen het monster opstond en het zou verslaan. Daar waar hij ging, trok de hemel open en scheen de zon stralend als om zijn grootse ideeën en daden in het daglicht te zetten. De wind blies als om alle leugens rondgestrooid door een paranoïde monster weg te vagen in de donkerste hoeken van het universum. Een monster bang om zijn macht, gestoeld op de angst van een bevolking, te verliezen. Een monster met hebzucht zo groot als de rijkdommen van het land. En als wraakzuchtige demonen brulde het en spuwde zijn vurige haat in het verhit aangezicht van de leeuw. Hij moest vernietigd worden zodat de bevolking weer zou trillen van angst bij het aanzien van de vele koppen van het monster. En vertwijfeld zou staren naar hun eigen beeltenis in het woelige water. Dus ontstond er een duister plan. Ook de bevolking kende hebzucht en zou mits de juiste prijs de leeuw in zichzelf vernietigen. Hij werd geslagen en vernederd. Zijn mooie manen werden geknipt, zijn fierheid in stukken gesneden. Alles werd opgelost. Begreep de bevolking dan echt niet hoe ze zichzelf mishandelden in opdracht van een monster dat op de achtergrond toekeek en in zijn vuistje lachte. Later zag ik een blanke man trots zittend in zijn zetel, vertellen hoe hij dit prachtige lichaam in stukken sneed om het dan op te lossen in een vat zwavelzuur zodat er geen spoor meer van over bleef. Men wou vermijden dat zijn graf een bedevaartsplaats werd. Een plaats van hoop voor de bevolking. Het verzet moest gebroken worden, de minderwaardigheid terug ingeprent. Zijn aandenken; de kogel in zijn hand. Een hooghartige glimlach om de lippen terwijl hij het door zijn vingers liet glijden. Voelen, tasten, genieten van de overwinning. Niemand zou hem iets kunnen maken. Hij was de afgezant van het monster, zijn slachtoffer de ontmaande leeuw. De tanden van deze ooit brullende koning, het enige overblijfsel van deze grootse man, pronkend in zijn vitrinekast. Het ultieme symbool van de overheersing van het monster! Victorie. Dacht hij. Maar de leeuw was de Afrikaanse hoop! Na zijn dood dompelde het land in de rouw. De zon stak zich weg achter de wolken die dikke tranen huilden. Alles werd schoongespoeld. En weer blies de wind alle leugens weg in de verste uithoeken van het land. En nog een tijdje later hoorde men een stem in de nevel “dipenda” fluisteren. De bevolking keek op en in hun ogen glinsterden diamanten.  In het water zagen ze het beeld van een groots onafhankelijk Afrika. In elke vezel en elke ader klopte en stroomde zijn droom, warm en dik.  Een trotse bevolking die zijn gelijken zag en herkende als één Afrikaans ras, tekende zich aan de horizon

annick
0 0

De Duitse hoge laarzen...

Meestal zitten ze naast elkaar, op de wereldwijd bekende Griekse, rieten stoelen. Verkoeling zoekend in de schaduw van een plataan of een druivenlaar die het terras overschaduwt. Ze zijn gehuld in zwarte kledij, soms een zwarte stofjas, met zwarte, lederen knielaarzen van Duitse makelij, die meer dan 80 jaar oud zijn en opnieuw en opnieuw en opnieuw werden voorzien van nieuwe zolen. Laarzen die op tijd en stond worden opgeboend met wolvet of olijfolie om het leder soepel te houden en de glans te bewaren. Dit kniehoog schoeisel zijn relicten uit een afschuwelijk oorlogsverleden, toebehorend aan jong Duits kanonnenvlees dat tijdens WOII per parachute neerdaalde op Kretenzische stranden, dorpen platbrandden, gezinnen uitmoordden en leefgemeenschappen en wegen voorgoed van de kaart veegden. De Kretenzische mannen, veelal boeren, wroetend in de aarde, verdedigden zich en rijgden menige Duitse soldaten aan hun riek. Diegenen die  het oorlogsgeweld overleefden, nu 95 plussers, zoeken elkaars gezelschap nog steeds op, dragen de Duitse knielaarzen trots en triomfantelijk als ereteken voor moed en overwinning. Deze Partizaners worden tot op de dag van vandaag met grootste respect behandeld door iedereen. En zo zitten zij daar dan samen, de oude rimpelige handen leunend op een olijfhouten stok, knoestig en verweerd. Hun ogen staren zonder echt te kijken. Roerloos zitten zij, als beeldhouwwerken. Levende monumenten die in stilte samen rouwen. Een tasje Griekse koffie of Raki staat binnen handbereik, maar er wordt niet aan genipt. Als je hen begroet lijken ze even uit hun dagdromen te ontwaken. Ze monsteren je dan van kop tot teen, zich wellicht afvragend of je DNA afstamt van het land waar hun laarzen werden vervaardigd, om opnieuw weg te zinken in hun bodemloze gedachten. Hun werkhanden blijven de stok omklemmen; handen die manden hebben gevlochten, aardappelen hebben gepoot, ijzer hebben gesmeed en een oorlog hebben gevochten. Handen die ontegensprekelijk hebben vermoord maar evenzeer geliefden hebben gered en levens hebben verdedigd. Hun diep gerimpelde gezichten vertellen verhalen; verhalen die ik kan rijmen met wat ik heb gelezen over de Duitse invasie, gecombineerd met voedselschaarste, hongersnood en doffe ellende. Hier kende het beroemde Kretenzische dieet ook zijn oorsprong: leven van zaden, noten, peulen, yoghurt, olijfolie en honing. Functioneel en nutritief ongeraffineerd voedsel, boordevol vitaminen, mineralen en anti-oxidanten. Geen tierlantijnen, geen culinaire hoogstandjes, noch design bestek of kristallen glazen. Boers en onelegant voor de ene, het summum voor de andere. Wat graag zou ik met hen kunnen praten en vragen wat zich afspeelde in de olijfgaard waar ik mijn vakantiehuis heb staan. Niemand praat met hen. Ze praten nog niet eens met elkaar. Alsof zij geen woorden meer nodig hebben en niets nog bevestigd willen zien. Zij hebben wellicht geen vragen meer, zij zijn immers het antwoord daarop. Als je ooit in Kreta bent en de eer hebt deze immer rouwende en uitstervende Partizaners te ontmoeten, maak dan nooit de fout die ik ooit maakte...  Uit diep respect, uit medeleven, uit erkenning ze allemaal een glaasje Raki aanbieden. Omwille van een grote taalbarrière lukte het mij niet om de ober op gepolijste wijze mijn intenties duidelijk te maken, wat resulteerde in het feit dat ik was rechtgesprongen, elke Partizaner met de vinger had aangewezen en luidkeels "raki! raki! raki! raki! raki!" had geroepen. Ik geef toe, deze aanpak moet ongetwijfeld nogal Duitserig zijn overgekomen en ik sluit niet uit dat ik heb geklonken als een mitraillette. Geen van de oude mannetjes heeft deze traktatie willen aanvaarden. Nu, na zoveel jaar vraag ik me nog steeds af... lag het aan mijn blauwe ogen? Of aan mijn hoge zwarte laarzen?

Malotira
0 0

Golf Twee

Lap zeg, waren we daar toch net iets te vroeg om de zorgverleners terug als stront te gaan behandelen, zeker? Het was maar een grapje, hoor. Maar het is officieel, COVID maakt een comeback en dat is een probleem. Vooral omdat ik eindelijk van die telkens terugkerende droom verlost was waarin ik met smaak een broodje vleermuis met Bicky-ajuin in m'n gezicht duw, waarna een Chinese versie van Maggie De Block verschijnt – en ik weet zeker dat ze Chinees is, niet doordat haar ogen spleetjes zijn, want tja... Maggie, maar omdat ze bladeren Chinese kool heeft als haar en er noedels uit haar oksels groeien. Oosterse Maggie vertelt me vervolgens met de nodige dramatiek dat er maar één manier is om de wereld te redden: asap alles wat los zit in m'n lichaam er asap uitpersen tot de bloedvaatjes in m'n ogen ervan springen. Aziatische Maggie is net als de gemiddelde marketing manager dol op het woordje asap. Ik volg haar wijze raad en elke keer, vlak nadat ik erin geslaagd ben de mensheid wat bonustijd op deze aardkloot te kopen, word ik wakker. Meestal van m'n wederhelft die kokhalzend de lakens van het bed aan het trekken is. Verder maak ik me niet teveel zorgen over die tweede golf. Oké ik doe dat wel, maar ik probeer mezelf ervan te overtuigen dat het in situaties als deze altijd de idioten zijn die als eerste gaan. En aan idioten hebben we, in tegenstelling tot FFP3-mondmaskers, een eenduidig beleid en vrije Collect&Go-afhaalmomenten, gelukkig nog lang geen gebrek hier. Zo zijn er de idioten die na twee maand nog steeds niet hebben uitgevogeld waarom er pijlen op de voetpaden van onze winkelstraat plakken. Nochtans zou je denken dat die pijlen opvallen als je een winkel buiten wandelt en je hoofd buigt om je mondmasker op de grond te gooien, hetgeen ik de meesten van deze idioten zie doen, in de schaarse momenten dat ze geen sigaret aan het rollen zijn of een blik goedkope namaak-Red Bull opentrekken voor hun achtjarig zoontje met nekmat. Eén keer zag ik er eentje twijfelen en rechtsomkeer maken om verder in de juiste richting te wandelen. Wat later werd duidelijk dat ze haar baby's uit de auto was vergeten te halen. Meervoud, dat las je correct, lieve lezer. Na deze idioten, zijn het ongetwijfeld de letterlijk-nemers-wanneer-het-hen-uitkomt die het de komende maanden weer gezellig druk zullen maken op de COVID-afdeling. De knappe koppen die als de café's om middernacht de deuren dichtdoen voor weken, om 23.52 uur nog uit volle borst Atje voor de Sfeer staan mee te brullen, terwijl hun keelvocht tikkertje speelt met de ventilator aan het plafond. Het wordt pas gevaarlijk vanaf dat de regel ingaat, toch? In deze categorie vind je ook die ongelofelijke konthoofden – je hebt ze zeker al gezien – die enkel het woord 'mond' in mondkapje horen, daardoor vinden dat hun neus er niet bij in moet en er bijgevolg met hun masker op half zeven zo verwaaid bij lopen dat het lijkt alsof ze hun begeleider kwijt zijn. Laten we dus vooral voor mijn gerust gemoed en het jouwe even vergeten dat mijn theorie niet opgaat omdat al deze idioten niet alleen zichzelf, maar ook ons in gevaar brengen met hun acties. Want morgen vertrekken we met het vliegtuig op die hij-had-echt-geen-dag-later-moeten-komen vakantie naar warmere oorden en al dat stressen over idioten zou ons all-in verblijf alleen maar vergallen. We zullen zorgeloos praatjes maken met de andere Belgen aan het zwembad, schouder aan schouder verbroederen met de Nederlanders aan het buffet, en als we terug zijn organiseren we een barbecue voor de godganse familie om hen de foto's van kleine Olivia in de kinderdisco te tonen. En pas dan zullen we ons weer druk maken in die idioten die ervoor zorgen dat de coronacijfers nog altijd de verkeerde richting uitgaan, terwijl wij er verdomme alles voor hebben opgeofferd.

Hans Verhaegen
18 2