Lezen

Deugnietengrijns

In vergelijking met mijn vrienden die moeiteloos anekdotes, nieuwsfeiten en tekenfilms uit hun kindertijd oprakelen, herinner ik mij weinig van vroeger. Ik weet waarover ze spreken, maar ik zou er zelf nooit in detail over kunnen praten. Alsof ik die herinneringen in de kelder van mijn geheugen heb gelegd en wacht tot iemand anders er het stof van afblaast. Is het luiheid of denk ik te weinig terug aan wat is geweest? Een dagboek heb ik alleszins nooit bijgehouden.   De dag dat ik met u naar de Zoo ging, heb ik wél goed onthouden. We gingen te voet via de Voetgangerstunnel van Linkeroever naar ‘t Stad. In mijn herinnering duurde dat een eeuwigheid. Alsof we onder het Kanaal naar Engeland liepen en niet onder de Schelde. Ik voel ook nog de angst van toen voor de oneindig lange houten roltrap die een perfecte timing of acrobatie vereiste. In de Zoo zie ik ons bij uw geliefde apen en aan de ingang van het reptielenhuis staan. Ik zie enkele beelden, maar ik hoor geen woorden. Dat frustreert me soms.   Ik vraag me af wat er écht is gebeurd die dag. Misschien vertaalde mijn angst voor de roltrap zich in hysterie, en hebt ge zelfs een moment gedacht om terug te draaien. Ge hebt ongetwijfeld uitgebreid verteld over de apen en over de Gust: de bekendste gorilla van het land die alleen u in vertrouwen nam. Misschien leefde Gust toen nog en hadden jullie een moment van herkenning, gescheiden door een kil venster in het apengebouw. Dat moet een emotioneel moment geweest zijn. Tenslotte was hij als een tweede kind voor u. Ik vraag me ook af of ge toen oud-collega’s bent tegengekomen. U kennende hebt ge in dat geval gestoeft over mij, dat braaf manneke. En mogelijk hebt ge achteraf, met gedempte stem, tegen mij uw beklag gedaan over die collega’s. Ik zie zo uw beminnelijke deugnietengrijns voor mij.   Kon ik onze dag maar openslaan als een fotoboek, bompa.   Ik probeer 1 keer per jaar met de kinderen naar de Zoo te gaan. Ik vertel dan over u als we voorbij uw foto met de Gust wandelen. Ge zoudt trots zijn op die poster, want ge waart een fiere man. Ge waart dan ook de enige die, zonder uitzondering, een stropdas droeg onder zijn werktenue. Die genen heb ik niet van u geërfd, maar ik ben wel een braaf manneke gebleven. Ook daar zoudt ge fier op zijn.  

Antony Samson
2 0

EAU DE PROVENCE

Dit jaar gaan we met de voorjaarsvakantie niet met onze krent in het warme Zuid Franse zand zitten, maar opteren we voor een “slankmakende”(hmm hmm) wandelvariatie in de Vercors, de Drôme-Provençal en de Alpen. Overal in Europa viert men het einde van de tweede wereldoorlog en de bevrijdingdagen. Hier in Frankrijk viert men dit op 8 mei en dit levert samen met de feestdag van 1 mei, de Fransmannen nu voor de tweede keer een verlengd weekeinde. Bij zoveel vrije tijd krijgen de Fransmannen onmiddellijk een opstoot van groepsactiviteiten, teambuilding en het daarbij horende kuddegevoel. Terwijl wij van de Vercors richting de Provence rijden, bromt ons een groep van een 25tigtal ouderlingen op zware moto’s voorbij.  Op een bepaalde mijlpaal in hun leven moesten zij een indringende keuze maken: een minnares of een moto. Vermits de meeste van deze grijze koppen het seksuele geile hoogtepunt al ruim voorbij zijn, hijsen ze zich liever in een lederen pakje,  met doodshoofden op de rug en steken ze een Harley Davidson of een zware BMW tussen de benen. Alvorens het enige vervoer op hun oude dag, een rollator of een volautomatische scootmobiel wordt en ze de rest van hun dagen gepamperd tussen bejaardengezeur moeten slijten, willen ze nog eenmaal in groep de macho uithangen en van een zweempje voorbije jeugd genieten. Vanuit de tegenovergestelde richting komt er een kudde hoogrode fietsers met veelkleurige helmen de berg opgezwoegd. Een vijftiental mannen dragen blauwe, gele, rode, roze en bolletjestruien met op de rug  de naam van de sponsors, ‘Le Bonbon,  Le meilleur nougat de Montelimar en Carrefour’. Hoe ouder de fietsers, hoe meer de pedaaltrappers over de weg zwijmelen en hoe groter de afstand tot het vooruit sprintende peloton wordt. Dit is nog maar een oefenwedstrijdje, morgen gaan ze met zijn allen de Mont Ventoux op. We stallen onze caravan in Buis-le-Baronnies, een toeristisch Provençaals stadje in de schaduw van de Mont Ventoux en het Mekka van de bergbeklimmers. Overal zie je ze tegen de steile berghellingen aan de touwen hangen. Voor de lila- blauwe lavendelvelden is het nog te vroeg op het seizoen, maar de Provence zorgt voor een explosie van allerlei andere geuren. Het aroma komt je tegemoet..als je het deurtje van de caravan opendoet..het is de lente! We wandelen in een Van Gogh schilderij tussen eeuwenoude knoestige olijfbomen tussen grote velden blauwe irissen, bloedrode papavers en purperrode valeriaan. Heel het wandeldecor, met zicht op de Mont Ventoux geurt naar moerbeibloemen en naar bloesems van acacia- en seringenbomen. De blaadjes aan de lindebomen komen frisgroen kijken en de fruitbomen vormen na hun roze bloesemknoppen hun eerste kleine groen- rode vruchtjes. Bloeiende tijm, rozemarijn en grote struiken gele brem trillen van de zoemende bijtjes die op de honinggeur afkomen. Geen enkele grote ‘neus’ van de parfumstad Grasse kan zo’n prachtig delicaat geurenpallet samenstellen. Als we van de wandeling terugkomen, zijn er op de camping een aantal weekeindtoeristen in de bungalows getrokken en staan er overal minitentjes van de jonge klimmers.  Schuin over ons is een familie grootouders, ouders en kleinkinderen gearriveerd. De opa, pappie, is een schriele vent die met een fotocamera en een ADHD- ritme non stop van de ene naar de andere kant van de camping spurt. Hij draagt een veel te ruime geruite short met daarboven een kleurrijke t- shirt met bloemen en dolfijnen. In zijn open sandalen draagt hij witte sokken. De oma is van een gans ander kaliber. Eerst zie je twee tepels en vijf minuten later komt daar de rest van mammie, gekleed in een zilverglanzende jurk, achteraan. Hoe kunnen zo’n kleine voetjes, magere beentjes en dunne billen, een tegengewicht bieden voor zo’n bombastische voorkant. Hoe komt het dat mammie, met zo’n bos hout voor de deur, niet alle twee passen frontaal tegen de vlakte gaat? Dit is wat wij in Antwerpen “veel volk in de statie’ noemen. Veel volk? Een gans Centraal station van Antwerpen of Amsterdam volgepakt met een massa drammende reizigers, roltrappen vol, hun neuzen gedrukt tegen de glazen inkomdeuren. Er kan geen passagier meer bij. Ik veronderstel dat zij een Lola Ferrari beha- model met ingebouwde katrollen draagt. Manlief spiedt vol ongeloof en angst naar dit natuurfenomeen. Hij vergelijkt mijn, sinds de overgang al flink toegenomen beha- maat met de voorbij deinende tietenmassa.  “Hoe kan een man daar aan beginnen zonder te verdwalen op deze Mount Everest? Je hebt minstens een pikhouweel, koorden en de nodige musquetons nodig om deze vleesberg te beklimmen! Niet moeilijk dat pappie als een ‘vliegende Fransman’ over de camping raast!” De 30 jarige zoon werd  waarschijnlijk tijdens zijn jeugd erg met de omvang van zijn moeder gepest en heeft zich uit frustratie volledig laten vol tatoeëren. Hij draagt een zwart ‘marcelleke’ en het kruis van zijn jeansbroek hangt tussen zijn knieën. Hij is kaalgeschoren en alleen een klein sikje haar siert zijn kin. Op een gezapig tempo verslijt hij de onderkant van de uitgerafelde jeanspijpen.  De twee- en vierjarige kleinzoontjes zijn langs de zijkant kaalgeschoren en hebben nog alleen een kaketoekuif  boven op hun hoofdjes. Ze lijken zo uit een indianen- Sioux- film weggelopen. Mama is een kleine magere grijze muis. Ze past helemaal niet in dit driedaags familie-uitje, maar wie weet staat ze bol van speciale slaapkamerwensen. Onze televisie- modegoeroe, Jani zou bij het zien van deze hotemetoten een spontane hartverzakking krijgen. Na twee brugnachtjes is de rust op de camping teruggekeerd. De tentjes en campers zijn verdwenen, de chalets terug onbewoond en de kuddes zijn terug naar huis afgezakt. De Provence geurt weer uitsluitend voor ons beidjes!   Sim, 10 mei 2015  

Sim
0 0

ONAFHANKELIJKHEIDSDAG

Laat ik meteen met de deur in huis vallen in het bezit van de vraag ter waarde van € 1.000.000 : “Kan een kind ongewenst zijn ?”. Het antwoord is echter niet ver te zoeken. De “Van Dale” omschrijft ‘ongewenst’ immers als volgt : ‘1 Waarop men geen prijs stelt, niet welkom Een ….. kind’ Laat mij nu denken dat de schijterij ‘ongewenst’ is, wanneer je net het startschot hoort voor de marathon waaraan je deelneemt. Of een bezoek van je schoonmoeder, precies op het moment dat je op het punt staat haar dochter de beurt van haar leven te geven. Een been breken, de dag voor je op safari naar Zuid-Afrika vertrekt. Een kaasschotel bestellen voor 12 personen, net op die ene dag dat de winkel onverwacht een uurtje vroeger sluit wegens ‘persoonlijke omstandigheden’. Of 2 weken moeten wachten op dat bestelde boek waar je zo naar uitkijkt, om het precies 10 minuten later te dopen met je eerste biertje van die dag ! Maar een kind ? Ongewenst ? Ikzelf, fiere vader van een zoon en een dochter, vind dit een volledig overbodige vraag ! En toch…toch… Bijvoorbeeld mijn eigen moeder houdt er een volledig andere mening op na en heeft mij dat op redelijk vaak voorkomende tijdstippen laten weten…en voelen. Ach, misschien was het wel mijn eigen schuld, weet ik veel. Want haar planning lag ten slotte al vast : één kind…en dan nog liefst een zoon. En indien er (in alle onwaarschijnlijkheid) toch een tweede zou komen, dan moest het een meisje zijn. Dus laat ik niets meer betekenen dan een speling van het noodlot : mijn 3-jarige broer was al op de wereld los gelaten en ik had dan ook nog eens de pretentie om alweer met een piemel dit aardse leven binnen te stappen in plaats van als fiere bezitter van de verhoopte vagina. En jammer, maar helaas : dan weet je het wel ! Je broer profiteert van zijn selectie in het team en je vader – niet eens een slecht man – heeft het toch steeds zo druk met zijn werk…enige vrees voor de woede van zijn eigen vrouw is daar natuurlijk niet vreemd aan ! En dan kan je als een leeuw in een kooi nog zo hard draaien of brullen als je wilt…je eigen, kleine wereld is en blijft stokdoof voor jouw geweeklaag ! Na het – bijna – vlekkeloos doorlopen van mijn middelbare schooltijd, zat verder studeren er echter niet in : “Je broer heeft het ook niet gedaan en kijk eens waar hij staat !”. Het juiste woord was echter ‘zit’ : of als nachtwaker zonder enig doel, uitgezonderd het openen en sluiten van de plaatselijke slagboom, of in het café. Mijn pleidooi dat hij niet eens het middelbaar had afgemaakt, werd – zoals meestal – weggewuifd. Ik begon mijn ‘carrière’ in een taverne op de Groenplaats en  wachtte op de maanden dat ik het leger in moest…of beter : in mocht ! En eens afgezwaaid : vrijheid…blijheid ! Mijn tweede vrouw zou echter jaren later de plooitjes wel even glad strijken. Buiten mijn medeweten, nodigde ze mijn ouders en mijn broer, eveneens vergezeld van zijn tweede exemplaar, uit om Nieuwjaarsdag 1996 bij ons door te brengen. We hebben het dessert niet gehaald : na de hoofdmaaltijd (een reerug, waarvan ik nu spijt heb dat het dier hier had voor moeten sterven), nam ik de telefoon, bestelde een taxi en kieperde de vier – lang voor het arriveren van het betreffende voertuig – de koude nacht in ! En dat was het laatste wat ik nog ooit gezien heb van het olijke viertal. Gezien…niet gehoord : mijn broer heeft nog eenmaal woedend gebeld om te zeggen dat mijn zoon opa’s auto had geleend (voor alle duidelijkheid : het was mijn auto die ik hem gegeven had, nadat ik mijn eerste bedrijfswagen onder de kont geschoven kreeg), maar nooit had teruggebracht…Het scheen te kloppen : hij had hem verkocht aan een vriend van hem. Helaas haalde de stuiplach het van mijn eventuele boosheid, wat het gesprek niet ten goede kwam. En dat was het dan…dacht ik ! Niets of niemand kan mijn verbazing beschrijven, toen ik hem 2 weken geleden, na mijn dagelijkse boodschappen, op het terras van mijn stamkroeg zag zitten. 86 jaar, mager en nog steeds drager van de veel te grote uilenbril. De plaats zelf – Wenduine dus – was niet eens zo vreemd : tenslotte had ik hen tot mijn 16e jaar ‘mogen’ vergezellen op hun jaarlijkse vakantie naar dezelfde badplaats. 3 helse weken, no less ! De hel van vroeger is inmiddels wel mijn hemel op aarde geworden, waar ik in alle stilte en eenzaamheid mijn oude dag slijt. Eerlijkheidshalve moet ik het toegeven : de drang om hem voorbij te lopen en een plaats aan de toog te nemen was groot…heel groot. Helaas : mijn nog steeds smeulende woede haalde het met gemak. Met een blik die duidelijk deed blijken : ’t is van moetens, nam ik plaats tegenover de man die ik al 20 jaar niet meer had gezien…maar geen dag had gemist. Geen kus, geen handdruk, geen ‘Hey, dag pa !’. Een simpele ‘hallo’ leek me al meer dan wat van mij verwacht kon worden. ‘Dag jongen, ben blij je eindelijk nog eens te zien.’ ‘Het genoegen is volledig aan jouw kant en trouwens : lijkt me nogal een overbodige opmerking. Ik denk dat ik inmiddels wel rechtmatig eigenaar van het woord ‘man’ ben geworden.” Op mijn vraag, bracht Mady 2 biertjes en zette ze neer met een wat vreemde blik. Mady houdt niet van vreemdelingen in haar café. Nog vreemder was de stilte tussen ons. Zou er dan niks zijn, buiten de geweldige temperatuur van de maand oktober, waar we konden over spreken ? “Hoe is het met je vrouw?”, vroeg ik, elk woord flink gedoopt in het vat cynisme dat ik steeds bij me draag. Het was het beste wat ik uit mijn bek kreeg, ook al was ze iemand die gelukkigere mensen ‘moeder’ noemen. “Oh, die redt zich wel. Ze heeft veel hulp van de buurman.” “Fuck, die zak”, antwoordde  ik, hoewel ik vanzelfsprekend de kerel nog nooit ontmoet had. Het feit dat zij werd bijgestaan door die lul, was al ruim voldoende. “Ben je na al die jaren nog steeds zo rancuneus ? Moet dat nu echt ?” “Nee”, loog ik, “alleen is elk greintje van enige belangstelling volledig vergaan, samen met jou zo te zien.” Met dezelfde vreemde blik kwam Mady buiten en zette de biertjes neer. “Het spijt me, Paul.” Woorden waar ik jaren op had gewacht en die me nu, eenmaal uitgesproken, niets meer deden. “Wat precies, Jos ? Haar woede, haar stampen, de vernederingen, het gebrek aan enige liefde of geborgenheid ? Alles waar een kind nood aan heeft ?  Of het feit dat je er nooit was voor mij ? Dat ik jarenlang ben onderworpen aan haar haat en zogenaamde depressies ? Je moet wel iets specifieker zijn, vrees ik : er zijn te veel redenen om je spijt nu te betuigen !” Mijn vader liet zijn hoofd zakken alsof hij in slaap zou vallen. Prima…kon ik hem daar laten zitten. Hij was echter druk bezig zijn verdediging voor te bereiden. “Denk je dat ik het makkelijk had ?” “Ha, ik dacht al : waar blijft het belangrijkste woord van de familie-slagzin : IK ! En nee, dat zal wel niet, maar neem godverdomme je verantwoordelijk mee op voor mijn kutjeugd ! Alles wat jij hebt gedaan, is je gedragen als haar goed getrainde aapje : horen, zien maar – vooral – zwijgen. Trouwens, wie heeft jou uit de stront geholpen toen je een proces aan je broek had wegens het begluren van mensen met een verrekijker ? Goed dat ik een hoofdcommissaris als vriend had, vind je niet ? “Dat is niet eerlijk. Ik had mijn werk ook.” “Daar hebben we het weer : het excuus dat ik jarenlang heb moeten aanhoren om je eigen zwakheid te verbergen. Zal ik eens iets zeggen, man ? De laatste 20 jaar waren – wat jullie 3 betreft – de beste van mijn leven ! Ik heb me door de 2e scheiding gewerkt, heb de kinderen groot gebracht, 6 maanden in een inrichting verbleven en nog veel meer. Maar niet één keer gedacht : hoe zou het nu met hen zijn ?” “Maar kijk, jongen….” “Stop godverdomme met mij ‘jongen’ te noemen ! Ik ben noch een jongen, noch ‘jullie’ jongen.” Om mijn woorden kracht bij te zetten, sloeg ik op de terrastafel, waardoor mijn inmiddels bijna leeg glas omviel. Geen probleem…drinken we gewoon verder het zijne op (hij had het glas nog niet eens vastgenomen, wat daarvoor wel een vereiste was !). “Trouwens, hoe gaat het met je andere zoon ?” Het is vreemd en nog steeds vreet het aan me dat je na 20 jaar geen kwetsender woorden kan vinden, dan degene die je gebruikt. “Bof, niet slecht, denk ik. Je kent hem hé : werken en het vrouwtje.” De welgemeende schaterlach was er zelfs sneller dan ik dacht ! “Over zijn werk weet ik niks, behalve dat hij nog steeds slagbomen behandelt, zeker ? En zwijg me alsjeblieft over zijn ‘vrouwtje’. Hij is nooit geïnteresseerd geweest in een van zijn vrouwen ! Enkel zijn maîtresse was van tel…maar die komt nu eenmaal enkel in glazen van 33cl. !” “Kan ik je nog iets brengen, Paul ?”, vroeg Mady, mijn vader volledig negerend. “Graag schoonheid (wat ze trouwens is !). Breng er nog maar twee, alsjeblieft.” En weg was ze… “Maar ja, drank zit in de familie, hé man ? Alleen ben ik eruit geraakt. En hoe zit het met de geheimen van de familie ? Nog steeds zo belangrijk ?” “Ik weet niet waarover je…” “Oh, bijvoorbeeld die ‘inbraak’ bij ons thuis, waar plots alle juwelen van je vrouw waren verdwenen. En dat zonder enig teken van braak ! En nu ik er even over terug denk : heb in dat verband nooit politie bij ons thuis gezien ! Of, nu we het net zo leuk hebben : misschien kunnen we ook even praten over de 3 brandmerken die de heer Peter Stuyvesant me heeft bezorgd, weliswaar daarbij flink geholpen door een vrouwelijke hand ? Ha, nu schiet het me weer plots te binnen wat je toen zei : “Ach een ongelukje…dat geneest wel.” 3 fucking ongelukken, vent…en genezen doen ze wel, maar de littekens zijn nog steeds zichtbaar. Wil je even kijken, misschien ? Kreeg afgelopen zomer nog de vraag waar ik die had opgelopen…en jij was verdomme niet eens geïnteresseerd hoe ze daar waren gekomen, hoewel je dat goed genoeg wist, klote lafaard ! Te laf om je eigen zoon – nou ja, denk ik toch – te beschermen tegen zijn moeder, rotzak !” Het was natuurlijk niet te vermijden dat ik in al mijn woede de blikken van andere klanten en voorbijgangers trok. Mady wist wel beter : ze wist dat ik aan ‘Borderline’ leed en had mij – op mindere momenten – al meegemaakt in haar ‘place to be’. “En waarom niet, Jos ? Omdat jij goed genoeg wist dat ik soms diende als vervanger van een niet te vinden asbak voor dat wijf van jou. Maar optreden ? Ho maar ! Want wat er gebeurt in de familie, blijft in de familie…toch ? En eerlijk waar : knap gedaan ! Nog steeds geen hond die ervan weet heeft ! Wel, dat noem ik pas klasse ! Weet je wanneer mijn ‘Hel der ongewenste kinderen’ pas echt begon ? Toen jij het zo druk kreeg met je werk, dat je een secretaresse nodig had. Maar moest dat echt ‘Vrouwe Verpleegster’ zijn ? Zij, die haar job met alle liefde van de wereld deed ? Ik was verdomme 12 jaar, lul…en jij zette mij te kakken in haar klauwen vol frustratie. En het feit dat er ‘plotseling’ veel minder medicijnen in huis waren, deed haar ook al geen goed, hé ? Man, ik herinner me nog als gisteren dat ik – tegen al haar wetten in – op een dag een tweede douche nam. Ik kreeg er meteen een derde bij : een koude douche…en dat mag je gerust letterlijk nemen !” “Ach, dan was je zeker die dag erg proper.”, mompelde hij. “Gaan we ermee lachen, klootzak ? Ik was verdomme 14 of 15 jaar. Niet echt een leeftijd waarop je jezelf met plezier moet uitkleden voor je eigen moeder ! En maar staren… Maar ik heb nog een zak vol verhalen hoor. Waarover zullen we het nu eens hebben ? Een ‘ongelukje’ met gloeiende koffie ? Geld dat uit mijn spaarpot bleef verdwenen ? Oh, deze is ook wel leuk : iets over verplicht in je blote piemel de afwas moeten doen ? Of over de dode goudvis, verdwenen in het toilet ? Dat klopt : door mijzelf uitgescheten de volgende dag, godverdomme ! Goh, moet even denken…er is nog zo veel !” De biertjes werden bezorgden even – heel even – voelde ik de rechterhand van Mady op mijn linkerschouder. Ik voelde zelfs het korte, bemoedigende kneepje. “Kan je je trouwens nog herinneren hoeveel angst ik had van haar grote broer ? Ik vreesde altijd dat hij een lepel van hetzelfde had binnengekregen, maar niks hoor…hij heeft wel 6 kinderen gelukkig groot gebracht ! Eén van hen is enkele maanden geleden overleden…vreemd hé : die mis ik wel enorm ! En het is verwarmend als je ziet hoe heel die familie aan elkaar kleeft…Onze lijm is jaren geleden al verdroogd ! Ach man, weet je, laat me de rest meenemen in de wind die me ooit over de Noordzee zal verspreiden. Ik heb genoeg verteld. Laat me sommige zaken in onverwerkte schande in mijn hart en ziel dragen. De koster is gestorven : er is niemand meer aanwezig om de klok terug te draaien. Ik slijt mijn levensdagen in eenzaamheid omdat niemand mijn levensverhaal kan horen…wil horen. Hoe zou ik dat ook kunnen verlangen ? Ik kan het zelf amper aan. Ik draag het met me mee tot ‘The End’ op het scherm verschijnt. Ha, medelijden is niet wat ik zoek…een beetje begrip was mij veel meer waard geweest. Maar dat lijkt wel de grote afwezige in mijn leven ! Ik zal mensen nalaten die het nooit zullen begrijpen…uitjouwen en vervloeken misschien wel. Omdat ze de waarheid nooit zagen en het nu niet meer aan zouden kunnen…net zoals jij het niet wou zien, kerel ! Godverdomme, ik mis mijn overleden nichtje…Zijn begreep me wel !” Ik dronk mijn bier in één teug leeg en schoof zijn onaangeraakte glas opnieuw naar mij toe. “Da’s straf ! En mij mis je niet ? Je bent niet eens gekomen !” Voor de eerste keer sinds ons gesprek verhief hij zelf zijn stem. “Ha ha, sorry hoor, maar da’s echt wel een grap ! Misschien moet je je weduwe ook eens een bezoekje brengen als ze niet bij haar buurman zit en vragen hoe dat verdomme komt ! Heb niet eens zo’n klote-doodsbrief gekregen. Och ja, een kopij via de zoon van mijn broer. En de fucking bitch had er niet eens de namen van mijn kinderen op laten vermelden ! En toch is mijn zoon gegaan, tegen beter weten in…En warm verwelkomd dat hij werd…so not ! Oh ja, heb ook via-via  een doodsprentje gekregen. Was wel leuk wat erin stond : ‘I did it my way…’. Nee serieus, had dan niemand de ballen om de waarheid erop te schrijven : ‘I did it her way…’ ? “Vind je het nu zelf geen tijd om 2 jaar na mijn dood te vergeten en vergeven ? De pijn een plek te geven ?” “Welke pijn, Jos ? Van wie, in hemelsnaam ? Mijn pijn is voorbij en de jouwe nu blijkbaar ook. En om die van haar geef ik geen reet ! Als jij tevreden bent met de 83 jaar dat je geleefd hebt, prima toch ? Maar laat nu één ding duidelijk zijn : dit gesprek komt jaren te laat ! Toen was je een geest die het huis ronddwaalde… breng daar nu geen verandering in. En doe nu wat je je hele leven hebt gedaan : laat me met rust !” En terwijl hij zijn stoel achteruit schoof om daarna te verdwijnen in de menigte, kwam Mady net opnieuw buiten. “Hey Polleke, doe je het een beetje rustig aan met die biertjes ? Telkens 2 bestellen is niet zo geweldig, vind ik zelf” en schonk me één van haar prachtige glimlachjes. “Oké, zal ik doen, Mady. En sorry voor het lawaai”, wat meteen weggewuifd werd. “Kan je me er nog ééntje brengen, alsjeblieft ?” En alweer stond 5 minuten later het gevraagde voor me. Ik nam het glas vast, bleef er even naar staren en bracht het tot net iets boven mijn ogen. “Schol pa… Op Onafhankelijkheidsdag !”

Paul Smeyers
26 2

Na regen

Ik vond haar in de parkeergarage van mijn appartement: koude handen, blauwe lippen, kleren aan haar lijfje geplakt. Ik zei: ‘Je had me kunnen bellen om je op te halen, ’t is zo’n rommeltje buiten!’ Ze keek me aan, lachte scheefjes: ‘Regen is maar regen. En wat lucht deed me goed.’ Ik nam haar mee naar boven, gaf haar een handdoek. Terwijl ik thee zette, keek ik hoe ze haar lange blonde haren zorgvuldig afdroogde. ‘Moet je geen droge kleren?’ vroeg ik. ‘Een trui, een jogging. Ik ga het even halen.’ Bedrijvig liep ik door de ruimte, gooide wat spullen van de bank en knikte dat ze daar kon zitten. Ik zocht wat kleren in de augiasstal waar ik leefde en gaf die aan haar. ‘De badkamer is daarzo, als je wil.’ Ze keek me kleintjes aan, terwijl ze opstond en naar badkamer liep.   Het water kookte, maar daar merkte ik niks van. Ik staarde naar de badkamerdeur, waarachter een meisje zich omkleedde. Een meisje? Mijn meisje, geloofde ik. Ze was amper een jaar jonger dan ik, maar zo veel breekbaarder dan andere meisjes van haar leeftijd. Andere meisjes zou je haast ‘vrouwen’ noemen – maar zij? Zij was een meisje. Een verdomd knap en ijzersterk meisje, maar tegelijk zo gebroken en eenzaam. Wanneer je je zou afvragen waarom knappe, intelligente en creatieve meisjes soms zelfmoord plegen, dan was dit meisje het antwoord.   In een veel te grote outfit slenterde ze de badkamer uit. Haar donkerblauwe ogen waren troebel. Bijna als een robot liep ze naar de keuken, nam de waterkoker uit zijn standaard en deed het warme water in een theepot. Ze rommelde wat met theezakjes en suiker en kwam even later weer de woonkamer binnengewankeld met twee grote theetassen. Wanneer ze eindelijk neerzat en naar haar voeten staarde, trok ik haar tegen me aan. ‘Waarom ben je gekomen?’ vroeg ik bezorgd. Het was alweer een hele tijd geleden, dus het verbaasde me dat ze net tijdens een onweersbui hierheen gewandeld was. Had ze niet even kunnen wachten? Ze zweeg, terwijl ze haar armen om me heensloeg en dikke tranen uit haar dichtgeperste ogen stroomden. Ik dacht onwillekeurig aan de tranen die Alice liet toen ze enorm gegroeid was in Alice in Wonderland. De tranen hielpen haar voorbij het kleine deurtje en brachten haar naar Wonderland. Wonderland, dacht ik. ‘Wonder’land. Het was geen land vol wonderen, het was een land waar je je moest verwonderen. Verwonderen over de waarom van zaken. Zaken die in Wonderland doodnormaal leken, maar voor Alice totaal onbekend waren. Waarom verwonderen wij ons niet wat meer over de zaken?   Ik nam haar gezicht in mijn handen en keek in haar ogen. Haar diepe, donkerblauwe ogen. Ik glimlachte: ‘Ik kan mezelf zien in je ogen. Hoe kom jij toch aan zulke ogen? En die lange haren van je, hoe kunnen die soms zo krullen? Wist je dat ze in de zon wel goud lijken? En … hoe kom jij zo slim?’ Ze lachte door haar tranen heen: ‘Wat heb jij?’ ‘Waarom lijkt regen steeds te wachten tot het moment waarop we ongelukkig zijn?’ ‘Ben je ongelukkig?’ ‘Ik niet hoor. Jij wel?’ Ze schudde dapper haar knappe kopje: ‘Neen hoor, nooit geweest. Ik ben volkomen tevreden.’ Ik dacht na. Om mezelf wat tijd te geven, dronk ik een slokje thee. Hier zat een knap, intelligent en creatief meisje. Ze wandelde door de regen naar mijn appartement om daarna in mijn armen te liggen huilen, maar ze was niet ongelukkig? ‘Ben je een optimist?’ vroeg ik. Ze glimlachte: ‘Na regen komt zonneschijn, dat weet je toch?’ Ze zuchtte even en ging verder: ‘Maar spijtig genoeg ook andersom: na een lange, superhete periode heb je gegarandeerd onweer. Regen en zon wisselen elkaar nu eenmaal af, en daar moet je mee leren leven. Op sommige plaatsen heb je meer zon, op andere meer regen. En zo is het toch ook met het leven?’ Ik keek vragend in haar ondertussen enthousiast kijkende ogen. ‘Welja,’ beantwoordde ze mijn vragende blik. ‘Sommige mensen hebben nu eenmaal meer zon in hun leven dan anderen.’   De wolken scheurden open, de zon begon te schijnen. Haar kleren hing ik op mijn balkonnetje te drogen en ik schonk nog wat thee in. Wanneer ze helemaal opgewarmd was, nam ze haar droge kleren en kleedde zich terug aan. Mijn trui en jogging vouwde ze op en legde ze netjes op mijn bed. Ik zou er straks wel even aan ruiken, om ze daarna aan te doen en te genieten van haar geur om me heen. ‘En jouw leven, is dat dan zonnig?’ vroeg ik. Ze lachte even: ‘Dat wordt het.’ Daarna stond ze op en ging naar huis. Tevreden, met mijn handen in mijn zakken keek ik haar na door het raam. Haar schoudertjes hingen niet meer, haar ogen stonden niet meer zo ongelukkig.

MDB
0 0

Cupido en kamillethee

Ik word in mijn zij gepord. ‘Laat me slapen!’, schreeuw ik, en duw mijn belager met de kracht van mijn schreeuw weg. Net alsof ik tennis. Alexander trekt me recht. ‘Je zweet en huilt in slaap’, zegt hij. Ik kijk in zijn bezorgde ogen, in de schaduw van het nachtlampje. ‘Wat droomde je?’ Het zweet droogt op en ik begin te rillen. Ik ben blij dat ik alleen in mijn dromen word opgejaagd, want mijn adrenalinepeil heeft samen met mijn lichaamstemperatuur een dieptepunt bereikt. Rock bottom, nul graden Kelvin. ‘Ik … ik vluchtte weg van … Cupido.’ Alexander schudt zijn hoofd: ‘Lieverd, ik ga thee voor je zetten.’ Mijn lief vult geen ruimtes, maar nu ik hem de trap hoor aflopen, lijkt mijn zolderkamertje plots leeg. Hij laat me alleen, vrees ik. Ik sta op en open het raam. Er zijn sterren, dat besef ik, maar zien doe ik niet. Zonder bril is je blik net zo vaag als je dromen. Liep ik weg van Cupido? Wat niet veel mensen weten, is dat Cupido twee soorten pijlen heeft: gouden pijlen waarmee hij ons verliefd laat worden, en stompe pijlen waarmee hij ons elkaar laat verafschuwen. Dat vertel ik Alexander ook. ‘Ik vluchtte dus voor die laatste pijlen’, vertel ik. Ik kijk nog steeds naar buiten, want ik lieg niet wanneer ik zijn ogen kan zien. Ik hoop dat ik voor die laatste pijlen vluchtte. Cupido mag veel uitleggen … Thee werkt goed tegen verdriet: je gaat je er meteen een tasje beter door voelen. Kamillethee is mijn therapeut, mijn anestheticum. Ik val in slaap. Kamillevlinders zijn lelijke motten. Vlinders van het geslacht Cupido daarentegen, zijn prachtig. En toch is het Cupido waar ik voor vlucht, recht in de armen van mijn kamillethee. Je weet dat je bijna in slaap valt wanneer je jezelf betrapt op vage redeneringen. Net zo vaag als wanneer je zonder bril naar de sterren kijkt. Ik slaap.  Zachtjes open ik één oog. Ik slaap slecht wanneer Alexander in mijn bed ligt. Omdat hij zo veel plaats nodig heeft. Of ik? Ik ben een klein meisje, maar een tweepersoonsbed is nodig om comfortabel te slapen. Misschien heb ik een te egoïstische nachtrust. Ja, misschien – en ik sta op. Alexander de Grote slaapt nog diep. Dat mag ook, als je het hele Perzische rijk veroveren moet. Ik kus mijn veroveraar en sluip naar de keuken. Even thee zetten.

MDB
0 0

Sneeuw

‘De winters zijn niet meer wat ze geweest zijn’, zegt mijn overgrootvader, wanneer hij op januaridagen door de raampjes van zijn kleine, bruine huisje gluurt. ‘Maria’, fluistert hij, omdat hij duidelijk wil maken dat hij het tegen mij heeft, terwijl ik de enige in de kamer ben. Of omdat hij mijn overgrootmoeder nog even gedag kust? Moeizaam legt hij zijn bleke hand tegen het raam. Een wereldoorlog winnen is gemakkelijk, maar het leven is een oorlog die we allemaal verliezen. Grootva vindt het niet eens het vechten meer waard, hij laat het over zich heen waaien. En als hij morgen mee zou waaien, zou hij niet eens meer omkijken om afscheid te nemen. Hij verlangt naar de liefde van zijn leven, de vrouw die hem meer dan zestig jaar lang heeft doen geloven dat eenzaamheid niet bestaat. Maar toen grootmoe op een dag niet meer wilde opstaan, ontdekte hij dat hij een gehandicapte, moederloze baby was zonder zijn lief. Hij zou voor het eerst in zijn leven zelf moeten koken en wassen. De afspraken en pillen die hij steeds vergat, zouden zonder grootmoe’s ingebouwde klok in de eeuwigheid verdwijnen. ‘De pastoor zegt dat ik een liedje moet kiezen, maar daar heb ik toch geen gedacht van …’, murmelde hij. Zelfs dat kon hij niet. Zonder zijn Maria was hij een door zijn ouders in een berg hooi achtergelaten kinneke Jezus – niets meer. Het zijn de stormige januaridagen zoals vandaag, die me onwillekeurig doen denken aan de eenzaamheid van grootva. Wanneer ik naar de bruine bladeren kijk, die samen met dikke regendruppels op het schuine raam plenzen, dan bekruipt me het destructieve gevoel dat ik niet anders ben. Het besef van eenzaamheid komt als een bliksemschicht. Het is weg voor je het kan vatten, maar het blijft op je netvlies gebrand. En dat brandende gevoel is eens zo pijnlijk als het januari is, en de zachte sneeuw waar je zo op hoopte een herfststorm blijkt te zijn. De winters zijn niet meer wat ze geweest zijn.

MDB
1 0

De euh-dingen.

  Het geeft niet of het koud of warm is. Dag of nacht maakt ook geen verschil. Met een vingerknip krijg ik het gevraagde. Vijf bladen die op roeispanen lijken, zorgen ’s zomers voor een heerlijke bries zonder één raam te openen. Bij grote hitte draaien de wieken met de klok mee, waar decennia van windmolens enkel gevolg kunnen geven aan de windrichting, kan ik tijdens de winter door de draairichting te veranderen de warmte beter verdelen. Wordt de zon vervangen door de maan, trek ik simpelweg aan een messing koordje om verder te lezen. Vier gerichte lichtbundels die het verschil maken tussen dag en nacht. Onmisbaar om mijn schrijftalent tijdens de lange winteravonden aan te scherpen. Niets dan voordelen dacht ik. Was het niet dat moeder natuur er ook aanspraak op wou maken. Bij niet gebruik trok het blinkende koordje de aandacht van menig gevleugelde kleine wezens. Nu, ik heb niets tegen die vliegende schepsels, tenzij ze het onderwerp van hun aanbidding besmeuren met hun uitwerpselen. Hierdoor de koperen glans definitief fnuikend.Maar, dankzij het menselijk vernuft, stond ik niet weerloos tegenover deze hooligans. Een zowel effectieve als milieuvriendelijke oplossing waarvan onze grootouders dankbaar gebruik maakten. Toegegeven, het is niet altijd simpel de sierlijke krul te ontvouwen; zonder zelf het slachtoffer te worden van de kleverige substantie waarmee het is ingesmeerd. Het cilindervormige doosje wordt steeds vergezeld door een duimspijker die in dit geval geen enkel nut had. Er zat niets anders op dan het ophanglusje van de papieren kurkentrekker te verlengen met een koordje dat ik aan de messing trekker vastbond. Het was een succes. Al wat enigszins kon vliegen kwam op bezoek om aan hun einde te komen.Wel, veertig centimeter laag hangend pakkend en plakkend spul heeft, u raadt het al, nadelen.Elk moment van onoplettendheid wordt op dezelfde manier bestraft waarmee de tientallen vliegende boosdoeners aan hun einde komen. Stofdoeken, haren en reikende vingers blijven soms per ongeluk kleven in het kerkhof van lijm. Zeer vervelend en toch blijf ik hardnekkig volhouden tot de winter intreedt en me verlost van de kleine kwelduivels en hun stroperig graf.  

Fanny Vercammen
0 0

De Japanse draak

                                                                        Stella’s adem stokt terwijl ze dichterbij komt. De kelderruimte is ijzig koud en de kleine lamp aan het plafond zoemt en flikkert. De sterke geur van formaldehyde dringt langzaam haar neusgaten binnen. Bevend steekt ze haar hand uit naar de grote tafel in het midden en trekt voorzichtig het laken weg. Ze kijkt recht in de bruine amandelvormige ogen van een man. In zijn hals heeft hij een gapende steekwond. Stella wordt lijkbleek, de kamer begint te draaien en het zweet breekt haar uit, maar ze dwingt zichzelf te kijken. De tijd dringt. Ze kan elk moment betrapt worden. Zachtjes trekt ze het laken nog wat verder naar beneden tot aan zijn buik. Zijn borst is bedekt met een grote tatoeage van een bloeddorstige tijger in een veld van kersenbloesems. Op zijn rechterarm staat een vis afgebeeld, een rode koi en op zijn linkerarm spuwt een kronkelende draak vuur. Stella’s mond valt open van verbazing. Nog nooit heeft ze iemand met zoveel tatoeages gezien. Zijn huid is vaalbleek en hij heeft een verbeten blik, alsof hij zichzelf tot aan zijn laatste snik heeft verdedigd. Zijn handen zijn verkrampt en zijn vingernagels hangen vol zand. Wacht eens! Een, twee, drie, vier … slik … vier vingers? Hij heeft geen pink meer aan zijn linkerhand! Trillend op haar benen zet Stella een stap achteruit. ‘Doe niet flauw!’, zegt ze tegen zichzelf, terwijl ze zich probeert te vermannen. ‘Hij is dood.’   Een luide knal schrikt de kelderruimte op. Stella gooit zichzelf op de grond en duikt onder de tafel. Haar hart klopt in haar keel. Hij is dood, hij is dood, probeert ze zichzelf te overtuigen. Ze maakt zich klein en kijkt vanuit haar ooghoeken zenuwachtig heen en weer. Het magere straaltje zon dat door het kelderraam binnenschijnt, weerkaatst in de rijen bruine glazen flesjes met witte etiketten en werpt een schaduw op de witte betegelde muren. Behalve het tikken van de klok boven de kast is er geen beweging te bespeuren. Misschien heeft ze het zich gewoon ingebeeld.   Maar dan weerklinkt een tweede plof, deze keer minder hard. Stella kijkt op. Het is de metalen deur naar de koelkamer die klappert. Waarschijnlijk is iemand vergeten de deur achter zich dicht te trekken.   Opgelucht staat Stella op en stapt meteen naar het kleine tafeltje naast het lijk. Er liggen 2 hermetisch afgesloten plastic zakjes en een politieverslag. Ze begint te lezen: ‘Mitsuaki Kobayashi, man, 45 jaar oud, geboren in Kobe (Japan), vermoedelijke doodsoorzaak: steekwond in de halsslagader, vermoedelijk tijdstip van overlijden: vrijdag tussen 23.00 en 01.00 uur. Het slachtoffer werd zaterdag in de vroege ochtend opgegraven in het Schemerbos door de hond van een wandelaar. Enkele kilometers van de plaats waar hij begraven lag, werd een grijze Ford Fiesta aangetroffen met bloedsporen op de achterbank. De Ford Fiesta in kwestie is eigendom van Gustav Nilsson. De bloedsporen worden momenteel onderzocht door het labo.’   Stella bekijkt het eerste plastic zakje. Er zit een sleutel in van het Grand Hotel, kamer 14. In het andere plastic zakje zit een pak met bloemen versierde speelkaarten.   In de verte naderen voetstappen. Verdorie, geen tijd meer. Stella gooit haastig het laken over het lijk en frommelt het plastic zakje met de hotelsleutel in haar broekzak.   ‘Stella? Wat doe jij hier?’ Eva komt binnengewandeld in een groene operatiejas. Ze werpt een blik op het laken dat slordig over de tafel hangt en kijkt Stella vragend aan. Stella trekt haar schouders op en glimlacht onschuldig. ‘Ging jij niet naar het zwembad met je vrienden, Stella?’ vraagt Eva, terwijl ze een stel plastic handschoenen aantrekt. ‘Ja, maar iedereen heeft het erover dat meneer Nilsson iemand zou vermoord hebben en ik wilde weten… Is dit de man?’ De deur naar de koelkamer klappert, alsof het de aandacht wil afleiden van de dode man op de tafel. ‘Ja, dit is het slachtoffer, maar meer mag ik niet zeggen. De politie onderzoekt de zaak. Je mag hier trouwens niet komen, dat weet je.’ Eva stapt naar de klapperende deur en geeft er een stevige duw tegen. Stella draait zich om en volgt Eva met haar blik. ‘Ze verdenken meneer Nilsson toch niet? Dat kan toch niet!’ Stella kijkt Eva met haar grote donkere ogen aan, terwijl ze met haar hand op het kleine tafeltje tikt. ‘Ik weet het niet Stella, maar ik moet meneer ….’, Eva zoekt zijn naam in het politieverslag op de tafel, ‘…Kobayashi … nu echt onderzoeken. Maak je maar geen zorgen. De politie zal meneer Nilsson niet zonder reden beschuldigen.’ Stella kijkt bedenkelijk. Als er nu iets is wat ik wel doe, dan is het mij zorgen maken over meneer Nilsson, denkt ze in zichzelf. Eva legt haar arm over Stella’s schouder en geeft haar een kus in haar lange donkere haar. ‘Ik heb nog veel werk hier, Stella. Ga nu maar, je vrienden zullen zich afvragen waar je blijft.’ Stella knikt, loopt de trap op en rent naar buiten. Eva is de nieuwe vriendin van Stella’s papa. Hij heeft haar twee jaar na de scheiding van haar mama leren kennen. Ze is patholoog-anatoom en Stella wil later net hetzelfde worden. Dat of sportvrouw.   Stella springt haar gele fiets op en rijdt naar het zwembad over de hobbelige zandweg langs het meer. In de verte torenen besneeuwde bergtoppen hoog boven het dorp uit. De lucht voelt koud aan. De winter is op komst en dan blijft het hier in dit deel van de wereld de hele dag door donker. Luid krijsend cirkelt een groepje meeuwen hongerig boven het water op zoek naar vis. Onderweg blijft de moord door haar hoofd spoken. Wat een vreemde figuur, die Mitsuaki. Hij vindt het vast niet erg dat ik hem met zijn voornaam aanspreek, denkt Stella. Maar wat deed hij hier eigenlijk? Er komen niet veel buitenlanders in Styrre, het dorp waar Stella woont. Veel valt er ook niet te beleven. Er is één hotel en één kruidenierswinkel. De grootste gebeurtenis in jaren was de deelname van de bakker aan een zangwedstrijd op de nationale televisiezender. Hij eindigde voorlaatste. En waarom zou meneer Nilsson hem hebben vermoord? Stella volgt aikidoles bij hem. Hij doet geen vlieg kwaad. Maar wat deed hij zo laat in het bos met zijn auto? Vragen waarop ze een antwoord zal zoeken, neemt ze zich voor.   De volgende ochtend is Stella al vroeg op weg naar de atletiekles. Stella loopt de 100 m in 13,25 seconden. Ze is de snelste van haar groep. Ze traint dan ook elke  week en mist nooit een training. Halverwege gooit ze echter haar fietsstuur om en maakt rechtsomkeer naar het Grand Hotel. Er hangt een dikke mist als een sluier over het dorp. Gelukkig kent ze haar weg in het dorp met haar ogen dicht. Aan de achterkant van het hotel houdt ze halt. Ze legt haar fiets tegen het houten hek en wandelt door de tuin naar binnen. Het Grand Hotel werd gebouwd in 1965 en is sindsdien geen haar veranderd. Het is volledig uit hout opgetrokken en telt 30 kamers. In het salon zit een oude man zijn krant te lezen. Bloedige moord schrikt Styrre op, leest Stella op de voorpagina boven een onheilspellende foto. Cay zit aan de receptie. Cay is de zoon van de eigenaar. Hij zit bij Stella op school, een jaar hoger dan haar. Hij is groot en fors en alle kinderen zijn bang van hem, want tijdens de middagpauze steelt hij de boterhammen van de kleuters en regelmatig sluit hij iemand op in het toilet. Stella heeft zich voorgenomen Cay ooit lik op stuk te geven, ze weet alleen nog niet hoe. De telefoon rinkelt. Cay knikt, mompelt iets, staat op en loopt naar de keuken. Stella ziet haar kans schoon, sluipt ongemerkt voorbij de receptie en rent de trap op naar boven.   Kamer 14 ligt helemaal op het einde van de gang. Ze kijkt voorzichtig om de hoek. Er is niemand. Ze spurt tot aan de deur, verbreekt het politiezegel, haalt snel de sleutel uit haar zak en glipt naar binnen. Op de tippen van haar tenen glijdt Stella over het dikke rode afgebleekte tapijt. Hier en daar zijn oude kauwgomresten te zien. De gordijnen zijn vaalgroen met bruine brandvlekken en het raam geeft uit op het meer en de zalmkwekerij, als er geen mist hangt tenminste. Stella kijkt rond. Ze gaat op haar buik liggen en kijkt onder het bed. Haar neus kriebelt, ze hapt naar adem en knijpt haar neus dicht, maar moet dan toch niezen, waarbij ze met haar hoofd tegen het bed botst. Ze vloekt. Hier moet dringend eens gepoetst worden, denkt ze. Stella is allergisch aan huisstof. In het nachtkastje ligt alleen een bijbel. De vuilbak is leeggemaakt en in de kleerkast ligt een extra kussen en een deken. Veel meer dan stof is er niet te vinden in de kamer. Stella zucht, de politie is haar voor geweest en heeft alle bewijzen meegenomen.   Stella stommelt langzaam de trap af. Cay zit opnieuw aan de receptie. Hij kijkt op van achter zijn computerscherm. ‘Stella? Wat doe jij hier?’ Cay fronst zijn wenkbrauwen en staat dreigend recht. ‘Ik, euh, ik kwam op bezoek bij … ik zie dat hij er niet is.’ Cay kijkt Stella vol ongeloof aan. Stella doet alsof ze op haar horloge kijkt, maar ze heeft er geen aan. ‘Goh, al zo laat. Ik zou gezellig kunnen blijven staan kletsen, maar ik moet er vandoor. Atletiektraining.’   Stella rent naar buiten door de tuin. Cay kijkt haar grommend na.   Een oude man staat gebukt de bloemen in het bloembed te verzorgen.  ‘Dag, Mattis! Hoe gaat het met jou?’, roept Stella. Mattis kijkt op en glimlacht. Hij mist een paar tanden. ‘Dag Stella! Kijk nu eens. Vanmorgen is de politie langsgeweest om het hotel te doorzoeken. Een schande! Ze hebben alle bloemen vertrapt. Geen greintje respect voor de natuur.’ Hij wijst naar de bloemen. ‘Het hele hotel stond in rep en roer. Drie uur lang hebben ze alle klanten ondervraagd. En mijn arme zoon heeft de hele nacht op het politiekantoor doorgebracht. Die Japanner en zijn Amerikaans reisgezel hadden gisteravond een taxi bij hem besteld om naar De Kleine Draak te gaan. Nu is de ene dood en de andere vermist. Een vreselijke zaak.’ Hij barst in tranen uit. ‘Mijn zoon is toch geen moordenaar.’ Stella knikt meelevend en legt haar hand op zijn arm. Mattis snikt hevig. Stella haalt een zakdoek boven en kijkt op het horloge dat ze niet aanheeft. ‘Ik moet er nu eens vandoor. Atletiektraining’, zegt Stella, terwijl ze naar haar rode trainingspak en loopschoenen wijst. ‘Is uw zoon thuis of wordt hij nog steeds ondervraagd door de politie?’ ‘Ze hebben Axel moeten vrijlaten bij gebrek aan bewijzen. Hij is nu zijn moeder aan het helpen in haar winkel.’   Stella loopt naar het hek en springt op haar fiets. Ze hoort Mattis in de verte nog jammeren. Ze zwaait vriendelijk naar hem. De zoon van Mattis heeft Mitsuaki dus in levende lijve gezien. Dat is interessant, denkt ze. Misschien kan hij mij vertellen wat er gebeurd is. Stella besluit Axel te gaan opzoeken in de winkel van zijn moeder. Van het hotel naar ginder is het nog geen vijf minuten rijden. Als ze snel is, kan ze haar atletiekles misschien nog halen. De mist is ondertussen opgetrokken.   De deurbel gaat. Stella komt de winkel binnengewandeld. Ze groet Birgitta, de vrouw van Mattis. Birgitta zit in een rolstoel. Jaren geleden heeft ze een auto-ongeluk gehad. Sindsdien kan ze niet meer lopen. Birgitta zwaait uitnodigend met de snoepjesbokaal naar Stella. Stella gaat gretig in op de uitnodiging. ‘Dank je’, mompelt ze met haar mond halfvol. Ze kijkt rond. Axel staat tussen de rekken, hij sleurt af en aan met dozen. Stella loopt zijn richting uit en veinst een bijzondere interesse in het rek met hondenbrokken. Axel ziet haar staan en geeft haar een vriendelijke duw. Ze kent hem van in de aikidoles. Hij heeft een zwarte band. ‘Sinds wanneer hebben jullie een hond?’ Axel glimlacht zijn gele tanden bloot. ‘O euh, onze kat Rex heeft een identiteitscrisis.’ Er volgt een korte stilte. Axel fronst zijn wenkbrauwen voordat hij een van de dozen met blikken opensnijdt. Stella staart naar het litteken op zijn kin. Als kind is hij gevallen op een steen toen hij werd achterna gezeten door de politie, omdat hij geld had gestolen in het bejaardentehuis waar zijn oma woonde. Speciale kerel die Axel. Axel plaatst de blikken één voor één in het rek. Zijn ogen zijn bloeddoorlopen.    ‘Heb je het gehoord van die moord in het Schemerbos? Erg hé!’ Stella kijkt zo onschuldig mogelijk. ‘En een tweede persoon wordt nog vermist.’ Axel laat een blik vallen. Hij wordt vuurrood en het zweet parelt van zijn voorhoofd af. Hij bukt zich, raapt het blik op en verdwijnt dan in het magazijn zonder iets te zeggen. Stella grijpt een pak hondenbrokken en loopt naar de kassa. ‘Wel, nog een fijne dag, Axel’, roept ze hem na. Ze fronst haar wenkbrauwen. Waarom deed hij zo vreemd? Heeft hij iets te verbergen? Mevrouw Birgitta staat met de snoepjespot aan de kassa te zwaaien naar Stella. Stella neemt glimlachend een laatste snoepje, legt het geld op de toonbank en loopt de winkel uit. Ze bindt het pak hondenbrokken vast achter op haar fiets. De hond van de buren zal blij zijn.   Wanneer ze zich bukt om haar schoenveter vast te binden, ziet ze Axel staan aan de vuilbakken aan de achterkant van de winkel. Voor hem staat een ongure gespierde kerel in maatpak. Hij heeft Axel vast bij de arm. Het gesprek gaat er grimmig aan toe. Stella sluipt langzaam dichterbij en probeert te horen wat ze zeggen. ‘Je hebt tot volgende week om je schulden te betalen. Als je dat niet doet, dan weten we je te vinden.’ Axel trekt zenuwachtig aan zijn sigaret. Hij aarzelt en haalt iets uit zijn zak. Zijn handen trillen. Stella probeert dichter te kruipen om te zien wat het is. Een bundeltje geld. De man neemt het geld gretig aan, wijst dreigend met zijn vinger naar Axels gezicht en stapt dan in een zwarte Volvo en rijdt met gierende banden weg. Axel trekt nog eens diep aan zijn sigaret voor hij zijn peuk op de grond gooit en de winkel terug binnengaat.   Stella neemt haar fiets bij de hand en wandelt door de straat voorbij het politiekantoor. Het hele dorp is op de been, zondag is namelijk marktdag. Uit de hele streek komen mensen naar Styrre om zalm en schapenvlees te kopen. De schapen lopen hier vrij rond op de hellingen van de heuvels en hebben de zachtste smaak van de hele streek. Stella baant zich een weg door de mensenmassa. Ze is in gedachten verzonken en botst een aantal keer tegen marktgangers op, maar ze merkt hun boze blikken niet eens op. De zaak lijkt steeds ingewikkelder te worden. Een dode, een vermiste en een taxichauffeur die zaken verbergt, dat ontbrak er nog aan. Als ze meneer Nilssons onschuld wil bewijzen, dan moet ze iets doen. Maar wat? Ze besluit naar De Kleine Draak te gaan om uit te vissen of Mitsuaki daar vrijdagavond ooit is aangekomen. Dan maar geen atletiekles.   Onderweg rijdt ze langs de kleine veldweg die naar het huis van meneer Nilsson leidt. Hij woont in een alleenstaand huis aan het meer. Zijn vrouw is enkele jaren geleden gestorven en sindsdien staat het huis er vervallen bij, alsof het treurt om haar. Er staat een politiewagen voor de deur. Stella rijdt ernaartoe. Agent Westergard komt naar buiten met meneer Nilsson. Hij is geboeid en slaat zijn ogen neer. Westergard duwt hem hardhandig op de achterbank en gaat vooraan op de passagierszetel zitten. Inspecteur Lindberg zit achter het stuur. Hij opent zijn raampje en kijkt Stella onderzoekend aan. ‘Het gaat onweren, kind. Zorg maar dat je thuis bent voor het losbarst.’ Kind, kind, ik ben helemaal geen kind! Nog voor Stella haar mond kan opendoen om inspecteur Lindberg een vraag te stellen, stuift de wagen met loeiende sirenes weg, gevolgd door een grote stofwolk. Stella staat aan de grond genageld. Meneer Nilsson!   Ze maakt rechtsomkeer en slaat rechtsaf naar De Kleine Draak, het sushirestaurant net buiten het dorp. Er hangen dreigende wolken in de lucht en de wind wakkert aan. Er is onweer op komst, zoals inspecteur Lindberg had gezegd. Best eng, want Stella is bang van onweer. Ze zet een tandje bij en trapt uit alle macht de pedalen rond. Het grote houten gebouw met strooien doorzalend dak ligt in een grote tuin aan de rand van het bos. Op het dak ligt een rode draak. In zijn muil houdt hij een bordje vast: De Kleine Draak – Sushi. Stella gooit haar fiets neer bij de ingang en belt aan. Er doet niemand open. Ze besluit een kijkje te gaan nemen en wandelt over de met mos bedekte stapstenen rond het gebouw. Een klein mediterend boeddhabeeldje begroet haar. Hij kijkt uit over de hele tuin. Voor hem ligt een groepje zwerfstenen  heerlijk te verpozen op een fluwelen mostapijt onder een rode esdoorn. In de grote vijver zwemmen tientallen koikarpers, net zoals op Mitsuaki’s arm, en in het midden drijft een prachtige witte lotusbloem. Een kleine stenen lantaarn hangt elegant over het water zijn eigen weerspiegeling te bewonderen en aan de oever woekeren bosjes bamboe. Aan de overkant staat een statig theehuisje, omringd door dichte groene begroeiing. Het is enkel bereikbaar via het houten bruggetje over de vijver. Stella beklimt het gebogen bruggetje en staart naar de spartelende vissen. Van hieruit heeft ze zicht op de achterkant van het restaurant. Er brandt licht binnen. Het gesprek met Mattis in gedachten over platgetrapte bloemen navigeert ze voorzichtig tussen de planten door naar het raam. Binnen zit de gastvrouw, mevrouw Aiko Nakamura, op de grond. Plots draait Aiko zich om, alsof ze Stella’s aanwezigheid voelde. Schuifelend op haar houten geta stapt ze naar het raam en wuift ze Stella binnen. ‘Wil je thee?’ Haar stem is fluweelzacht, ze fluistert bijna. Ze heeft een prachtige kimono aan, rood met zwarte versiersels. ‘Graag, dank u.’ Stella doet haar schoenen uit en gaat naast haar op de rijstmat zitten. Heel geconcentreerd schenkt Aiko kokend water uit de metalen ketel over de thee in de kommetjes. Haar hand beeft een beetje wanneer ze Stella het kommetje aanreikt. Met een kwastje van bamboe klopt ze de thee op. Stella kijkt aandachtig naar het ritueel. Aiko maakt een kleine buiging en gaat dan in hurkzit op de mat zitten en drinkt langzaam van haar thee. Het is muisstil. Ze lijkt wel in trance. Stella is gefascineerd. Ze slurpt aan de hete groene thee. Aiko kijkt geërgerd op en verzinkt dan opnieuw in een meditatieve toestand. Stella probeert zich rustig te houden en sluit haar ogen. Ze probeert aan niets te denken, maar de moord op Mitsuaki blijft door haar hoofd spoken. Ze zit met zoveel vragen. Bovendien slaapt haar been. Stella probeert zo stil mogelijk haar been te strekken, maar elke beweging doet de rijstmat kraken. Aiko zucht en fronst haar wenkbrauwen. Stella zet haar theekopje op de grond en vraagt of ze Mitsuaki en zijn Amerikaanse reisgezel heeft gezien vrijdagavond. Aiko staart naar de metalen waterketel zonder iets te zeggen. Het lijkt wel een eeuwigheid te duren. ‘Vrijdagavond was het restaurant gesloten. Ik was ziek en heb de hele avond in bed gelegen. Hier is niemand geweest.’ Ze klinkt hard. Ze staat op,  loopt naar de deuropening en schuift het paneel achter zich dicht. Wat een hartelijke vrouw, denkt Stella ironisch. Mitsuaki is hier dus nooit geweest? Heeft Axel hem dan misschien vermoord voor zijn geld en naar het bos gesleept? En hoe zit het met die vermiste Amerikaan? Heeft hij die ook vermoord? En waarom werd Aiko boos toen ik erover begon? Sprak ze wel de waarheid?   Stella besluit nog eens langs te gaan bij Axel, maar keert eerst terug naar het Grand Hotel om de kamer te doorzoeken van die Amerikaanse man die volgens Mattis samen met Mitsuaki een taxi had genomen naar De Kleine Draak die avond. Cay zit nog steeds achter het computerscherm. Stella komt vrolijk neuriënd binnengewandeld. ‘Cay, ik denk dat iemand je banden heeft platgestoken.’ ‘Wat!’ Cay rent naar buiten. Ondertussen doorzoekt Stella vlug het  computersysteem op zoek naar het kamernummer van de vermiste Amerikaan. Vrijdag is op hetzelfde tijdstip als Mitsuaki een zekere John Rickman ingecheckt. John Rickman! Kamer 27. Ze grist de sleutel van achter de receptie, vliegt opnieuw de trap op en glipt de kamer binnen. Het decor is even troosteloos als in de kamer van Mitsuaki. De kamer van Rickman ligt er nog erger bij dan haar eigen kamer. De politie is hier dus nog niet geweest, besluit Stella. Overal hangen kleren. Hij houdt blijkbaar van hawaïhemden. Stella glimlacht. Smaken verschillen. Onder het bed ligt een verdwaalde vuile sok. Stella zoekt verder. Op het nachtkastje ligt een boek over vliegvissen, een vliegticket van Parijs naar Tokio en een kaartje van een sushirestaurant in Amsterdam. De man is precies verzot op sushi. Ze bladert door het boek. Halverwege steekt er iets tussen de bladzijden. Een speelkaart, versierd met bloemen. Hij ook al!   Plots gaat de deur open. Agent Lindberg staat in het deurgat. ‘Stella, wat ben jij hier aan het rondsnuffelen? Je vernietigt waardevol bewijsmateriaal. Kom, ga naar huis en houd je neus uit dit onderzoek. Dit is geen spelletje.’ Stella zucht. Moet dat nu echt, ik was hier nog niet klaar, denkt ze in zichzelf. ‘Ik wil gewoon bewijzen dat meneer Nilsson onschuldig is.’ Lindberg veegt enkele pluisjes van zijn jas. ‘Wij onderzoeken alle sporen. Als hij onschuldig is, zal dat blijken.’ Hij zwaait met zijn arm in de richting van de deur. Stella druipt teleurgesteld af. Ze kijkt naar Lindbergs schoenen, die blinken als een bowlingbal. Het zou me niet verbazen als hij in het leger heeft gezeten, denkt Stella. Voor ze uit het deurgat verdwijnt, mompelt ze nog vlug: ‘Misschien kan u nog iets van mij leren. U verdenkt de verkeerde.’ Lindberg glimlacht en trekt de deur achter haar dicht. Cay staat haar in de gang op te wachten met een brede glimlach en gekruiste armen. Stella steekt haar tong naar hem uit.   Buiten op de parking staat de taxi van Axel. Axel zelf is nergens te bespeuren. Stella kijkt om. Lindberg is haar niet gevolgd. Ze voelt aan het portier. De deur is niet op slot. Ze kijkt nog eens snel om zich heen en glipt in de taxi. Ze doorzoekt het handschoenkastje. Cd’s, zakdoekjes en een verzekeringsbewijs. Overal  liggen kruimels. Een echte vuilbak op wielen. Ze kruipt naar de achterbank en ziet iets liggen onder de bestuurderszetel … een speelkaartje. Het regent precies van die kaarten in het dorp, denkt Stella. Het portier gaat open. Stella krimpt weg op de achterbank. Het is Axel. Hij is aan het bellen en nestelt zich achter het stuur. Hij lijkt haar niet te zien.             ‘Ik heb geld nodig, veel geld. De Japanse maffia zit achter mij aan. Ik heb gokschulden.’ De persoon aan de andere kant van de lijn zegt iets wat Axel niet graag hoort, want hij haakt al gauw grommend in. Stella houdt haar adem in. Kijk niet om, kijk niet om! Axel klopt met zijn twee handen hevig op het stuur en vloekt. Hij kijkt in de achteruitkijkspiegel, legt zijn haar goed en stapt terug uit. Stella’s hart bonst in haar keel. Dit kan niet goed zijn voor mijn gezondheid, denkt ze. Ze wacht even, stapt dan uit en rent naar haar fiets.   Stella besluit naar huis te gaan. Ze installeert zich in de zetel met een bord spaghetti, restjes van gisteren, en de tablet van haar vader. Buiten barst het onweer los. De regen tikt hard op het raam en even later licht een bliksemschicht de kamer op. Stella krimpt in mekaar. Ze surft naar de website van de lokale krant en neemt het artikel door over de moord en de verdwijning. Niets wat ze nog niet wist. Maar dan denkt ze opeens aan het telefoongesprek van Axel en googelt ze ‘Japanse maffia’. Het eerste item dat verschijnt is een artikel op Wikipedia over ‘Yakuza’. Stella leest alles in één ruk door. ‘Mitsuaki is een Yakuza’, zegt ze luidop tegen zichzelf.   Ondertussen is het onweer opgeklaard. Alles ruikt heerlijk fris buiten. Stella trekt haar stoute schoenen aan en fietst naar het politiebureau. Ze is net te laat om een grote plas in het midden van de weg te ontwijken. Lap, haar broek is nat. Binnen vraagt ze aan de bediende aan het onthaal of ze meneer Nilsson mag spreken. ‘Ik vrees dat dat niet kan. Hij staat onder arrest op verdenking van moord.’ De agente is kordaat. ‘Maar ik kan misschien bewijzen dat hij het niet gedaan heeft. Toe, mag ik hem vijf minuten spreken?’ Stella haalt haar liefste glimlach boven. ‘Het spijt me. Het politiebureau is geen plaats voor kinderen’, zegt de vrouw nors voor ze terug achter haar stapel papieren verdwijnt. Stella wordt rood. Een kind, ik ben geen kind! Inspecteur Lindberg loopt door de gang. ‘Stella, wat doe jij hier nu weer? Ik had je toch gezegd je niet te moeien met het onderzoek.’ ‘Maar ik weet misschien wie het gedaan heeft. Meneer Nilsson is onschuldig. Ik wil hem gewoon even spreken, meer niet.’ Inspecteur Lindberg lacht. ‘Kijk, hij krijgt nu zijn eten. Jij mag het brengen. Maar ik verwacht je hier onmiddellijk terug. Goed?’ ‘Bedankt, inspecteur Lindberg.’ Stella vliegt hem om de hals, maar daar heeft ze al onmiddellijk spijt van.   Stella krijgt een bord in haar handen geduwd. Soep met brood. Het ruikt heerlijk. Vol concentratie probeert ze met haar tong uit haar mond het overvolle bord recht te houden en niet te morsen.             Meneer Nilsson bedankt haar wanneer ze het bord bij hem neerzet. Hij ziet er moe en oud uit.             ‘U bent onschuldig, ik weet het. Ik probeer u hier zo snel mogelijk uit te krijgen.’ Stella neemt zijn hand vast.             ‘Dat is heel lief, Stella, maar niets kan mij helpen.’ Stella balt haar vuisten. ‘U mag de moed niet opgeven!’             ‘Het lot schudt de kaarten en wij spelen, zei ooit een wijs filosoof. Ik heb gespeeld en verloren, Stella.’             ‘Maar … wat bedoelt u daarmee? Bedoelt u dat u die man hebt vermoord?’ Er volgt een lange stilte. Meneer Nilsson buigt zijn hoofd. Stella staart voor zich uit. ‘Kan ik iets voor u doen?’             ‘Nee … dank je.’ Meneer Nilsson slurpt kleine hapjes van de soep.             Heeft Axel het dan toch niet gedaan? Stella draait zich om en staat op het punt om weg te gaan. Ze heeft de tranen in de ogen. Heeft ze zich dan zo vergist in meneer Nilsson? ‘Weet u waar John Rickman is?’             ‘Stella...’ Meneer Nilsson aarzelt en de daaropvolgende stilte lijkt eindeloos te duren. ‘Bedankt voor de soep.’             Ze haalt haar schouders op en kijkt hem vragend aan. Zware voetstappen naderen. Het is inspecteur Lindberg. ‘Je tijd is om, Stella. Ga nu maar naar huis en laat het onderzoek aan ons over.’   et is inspecteur Stella is radeloos. Wat bedoelt meneer Nilsson nu? Heeft hij schuld bekend? Ze verlaat het politiekantoor en besluit een eindje te gaan rijden om alles op een rijtje te zetten. Misschien moet ze haar verontschuldigingen gaan aanbieden aan Aiko. Bovendien heeft ze dorst. Een kopje heerlijke groene thee zou haar wel smaken nu. Op naar De Kleine Draak! Stella rijdt de lange met naaldbomen omzoomde weg af. De Kleine Draak ligt er opnieuw verlaten bij. In de verte loopt Aiko door de tuin. Ze draagt nu een zwarte kimono en haar haar is opgestoken. Stella zwaait naar haar, maar Aiko ziet haar niet. Ze lijkt vastberaden en neemt grote passen met haar kleine voetjes. Ze heeft een theepot vast en loopt ermee door de tuin over het bruggetje naar het theehuis. Stella loopt Aiko achterna. Net voor het bruggetje struikelt Aiko over een boomwortel. De theepot valt uit haar handen en spat uiteen in duizenden stukjes. Aiko zelf valt neer in het natte zand. Haar kimono zit onder de modder en ze kermt. Even blijft ze liggen. Stella wil haar ter hulp snellen, maar Aiko staat al opnieuw recht en loopt verder naar het theehuisje, zonder theepot. Ze schreeuwt iets in het Japans. Ze klinkt boos.   Even later gaat Aiko het theehuisje binnen. Stella’s gevoel zegt haar dat Aiko niet gewoon gezellig thee gaat drinken daarbinnen. Stella sluipt dichterbij en gluurt door een spleet in het hout. Op de grond zit een man. Aiko schreeuwt hem iets toe in het Japans. Er zit een grote scheur in haar kimono, waarschijnlijk door haar val, en een stukje van haar arm is zichtbaar. Stella staat te trillen op haar benen. Aiko heeft een grote tatoeage op haar arm, een draak en een lotusbloem. Is zij dan ook van de maffia? Even later komt Aiko terug naar buiten en sluit de deur achter zich. Stella wacht even tot ze haar voetstappen hoort wegebben en loopt dan snel over de brug naar de deur van het theehuis, maar nog voor ze de kans krijgt de deur open te schuiven, staat Aiko achter haar en geeft ze haar een harde klap op haar hoofd met het boeddhabeeldje. Ze moet haar hebben zien aankomen. Stella valt voorover. Met een harde smak komt ze op de grond terecht. Ze kreunt. Haar hoofd bonst en ze voelt een stekende pijn in haar arm. Aiko sleurt Stella het theehuisje binnen en sluit haar op. Het is er halfdonker. Ze hoort iets aan haar rechterkant. ‘Wie is daar?’ roept Stella angstig. Ze voelt een hand op haar arm. ‘Niet bang zijn. Ik ben dokter. Je arm is gebroken’, zegt de stem. Hij heeft een vreemd accent. Stella rilt van de kou, het wordt zwart voor haar ogen en even later valt ze flauw. Wanneer Stella enkele uren later wakker wordt, zit haar arm stevig vastgesnoerd in een lap hawaïstof. Ze weet niet hoe lang ze buiten bewustzijn is geweest.  ‘Mijn naam is John. Aangenaam’ Stella schrikt op. John Rickman? Nog steeds een beetje groggy vraagt Stella wat hij hier doet. John vertelt hoe hij in Amsterdam gehoord had over een goktornooi in Styrre waar veel geld te verdienen valt, hoe hij op het vliegtuig een Japanner had ontmoet die ook op weg was naar Styrre en hoe hij vrijdagavond samen met de man een taxi had genomen naar De Kleine Draak om er te gaan gokken. Stella luistert met grote ogen. John zwijgt even en gaat dan verder. Hij vertelt hoe er een gevecht was ontstaan tussen Mitsuaki en Aiko waarbij hij werd neergeslagen. Van wat er daarna gebeurd is, herinnert hij zich niets. Hij weet alleen dat hij daarna wakker werd in het theehuisje en dat Aiko hem af en toe thee brengt.   Stella kijkt rond. Op verschillende tafeltjes liggen speelkaarten en dobbelstenen. Op een groot bord aan de muur staan allerlei namen en bedragen. Schulden, gokschulden. Onderaan staan ook de namen van meneer Nilsson en van Axel. Nilsson G – 350 €. Axel – 18 760 €. Meneer Nilsson gokt ook? Stella leest zijn naam opnieuw vol ongeloof. Meneer Nilsson!   Kort daarna schuift de deur open. Een imposante schaduw verschijnt in het deurgat. Het is Aiko. Haar ogen zijn onheilspellend donker. Ze haalt een mes tevoorschijn uit haar kimono. Het moordwapen, denkt Stella!             ‘Jij hebt Mitsuaki vermoord, jij, Aiko!’, roept Stella. Aiko wordt razend. Ze schreeuwt en werpt zich op Stella. Stella probeert zich los te wrikken, maar Aiko is sterk. Ze haalt uit met het mes en scheert rakelings langs Stella’s wang. John komt van achter de hoek aangelopen, springt op Aiko’s rug en bijt wild in haar schouder. Aiko kreunt en slaat razend om zich heen. Met een ongeziene kracht gooit ze John tegen de muur. Hij valt bewusteloos neer. Stella maakt gebruik van de verwarring en rent naar de deur. Aiko verbijt haar pijn, draait zich om en loopt achter haar aan. Stella spurt door de tuin naar het bos, de duisternis in. In de verte hoort ze Aiko’s houten schoenen door de bladeren. Aiko is snel. Maar Stella traint niet voor niets elke week in de atletiekclub. Ze rent zo hard ze kan. Na enkele minuten wordt het stil achter haar en stopt ze om om te kijken. Niets te zien. Stella gaat op de grond liggen. Ze duizelt en is misselijk.   Maar dan, uit het niets, hoort ze opnieuw voetstappen. Plots staat Aiko boven haar. Stella verbergt haar gezicht in het zand, in de hoop dat ze haar niet ziet, maar ze voelt hoe een hand haar stevig bij haar lange haar vastgrijpt. ‘Je had hier niet moeten komen. Dom kind!’ Stella sluit haar ogen en snikt zachtjes. ‘Op een dag, toen ik een klein meisje was en nog in Japan woonde, kwam ik thuis van school en zag ik hoe Mitsuaki mijn moeder vermoordde. Zijn clan en de clan van mijn vader zijn al eeuwen vijanden. Mijn vader was bang dat ze ook mij zouden vermoorden en heeft mij toen naar het buitenland gestuurd. Ik heb mijn vader daarna nooit meer gezien. Elke dag van mijn leven hoopte ik dat Mitsuaki zou komen, elke dag van mijn leven wilde ik mijn moeders dood wreken! Vrijdagavond stond hij hier om mij te vermoorden, maar hij vergat dat er Yakuza-bloed door mijn aderen stroomt. Ik heb hem afgemaakt zoals hij mijn moeder heeft afgemaakt. Gerechtigheid is geschied!’ Aiko schuimbekt van woede en steekt het mes in de lucht om haar woorden kracht bij te zetten. Stella huilt. Ze voelt hoe Aiko het koude mes tegen haar keel zet. Dit is het einde. Hier ga ik sterven, denkt Stella.   Plots wordt er een schot gelost. ‘Stop!’, wordt er geschreeuwd. Het is de stem van agent Westergard. Hij wordt gevolgd door nog drie agenten. Achter hen aan strompelt John. Hij heeft een grote hoofdwonde. ‘Leg dat mes neer, Aiko. Nu! Of ik schiet!’ Westergard houdt zijn wapen stevig voor zich uit. Aiko houdt het mes nog steviger tegen Stella’s keel. Stella snikt.     Net wanneer Aiko Stella de keel wil oversnijden, springt inspecteur Lindberg van achter een boom. Met een grote zwaai trapt hij het mes uit Aiko’s handen. Stella zakt door haar benen. Aiko springt op, trapt Lindberg in het gezicht en zet het op een lopen, dieper het bos in. Westergard en de drie agenten gaan achter haar aan. Lindberg ligt op de grond. Langzaam komt hij recht en voelt aan zijn kaak. Ze heeft hem goed pijn gedaan. Enkele minuten later wordt er in de verte een schot gelost. Aiko valt neer. Ze is geraakt in haar been. De agenten overmeesteren haar en slaan haar in de boeien. Ze stribbelt tegen en schreeuwt, maar Westergard houdt haar stevig in bedwang.             Stella ligt nog steeds op de grond. Ze is aan het einde van haar krachten. Ondertussen is John bij haar komen zitten. ‘Maak je geen zorgen. Het is allemaal voorbij.’    Agent Lindberg staat op en stapt naar Stella.             ‘Stella, we hadden je nog zo gezegd je niet te moeien. Je ziet wat er van komt. Gelukkig schaduwden we jou al een tijdje.’             Stella kijkt verbaasd op. Lindberg noteert iets in zijn boekje en maakt twee telefoontjes met zijn smartphone. Daarna draait hij zich opnieuw naar Stella. ‘Kom, we brengen jullie naar het ziekenhuis. Het is afgelopen.’   Onderweg naar het ziekenhuis blijft John naast haar zitten. Zijn hawaïhemd hangt nog steeds stevig rond haar arm.             ‘Hebt u kinderen?’, vraagt Stella.             ‘Ja, een dochtertje’, zegt John. ‘Hierna ga ik naar huis. Ik heb mijn familie al veel te lang moeten missen. Ik ben stom geweest.’             ‘Ik ben alleszins blij dat u in de buurt was’, glimlacht Stella.   In het ziekenhuis wordt Stella in een bed gehesen. De pijn wordt haar teveel. Ze valt flauw. De volgende ochtend wordt ze wakker. Haar arm zit stevig in het gips en ze heeft een stevige buil op haar hoofd. Een vieze ziekenhuisgeur hangt in de kamer. Eva en haar vader zitten liefdevol naast haar bed. Het was dan toch geen droom. Tegen de middag komt agent Lindberg langs. Hij heeft de krant bij en legt die naast haar op bed. ‘Je staat in de krant, Stella.’ Stella kijkt naar de krantenkop. Japans maffianetwerk opgerold in Styrre. Onderaan staat een foto van Stella. Stella Eirikson raakt gewond. Lindberg ijsbeert door de kamer. Hij wil iets zeggen, maar krijgt het niet over zijn lippen. Stella voelt de aarzeling. ‘Hoe moet het nu met meneer Nilsson?’ vraagt ze. ‘Die is ondertussen vrijgelaten. Hij heeft toegegeven dat hij die avond aanwezig was op het goktornooi in De Kleine Draak. Aiko had zijn auto gestolen om het slachtoffer naar het bos te vervoeren. Nilsson kon tijdens de verwarring ontsnappen, maar durfde niets te zeggen uit angst voor Aiko’s bedreigingen.’ Lindberg staart naar het gips om Stella’s arm. ‘En Axel?’ vraagt Stella. ‘Zijn moeder heeft haar winkel verkocht om zijn schulden af te betalen. Het is nu aan de procureur om te beslissen of Nilsson en Axel vervolgd worden voor illegaal gokken.’ Lindberg loopt naar de deur, blijft staan en draait zich dan om. ‘Bedankt voor je hulp, Stella. De politie kan knappe koppen zoals jou goed gebruiken. Maar laat dit de laatste keer zijn, ik wil niet nog meer doden. Laat het onderzoek volgende keer aan de politie over. Als je oud genoeg bent en je wilt bij de politie komen werken, geef me dan een seintje.’ Lindberg haalt zijn kaartje uit zijn jaszak en stopt het haar toe. Inspecteur Lindberg, leest Stella in grote letters. Hij geeft haar een zacht ongemakkelijk schouderklopje en vertrekt zonder iets te zeggen. Stella glimlacht. Hij heeft me bedankt. Ze neemt de krant vast en kijkt naar haar foto. Ze hadden wel een iets flatterendere foto kunnen kiezen, denkt ze. Het hoofd van de Japanse gokmaffia in Styrre werd gisteren aangehouden op beschuldiging van moord. Aiko Nakamura zou het lid van een rivaliserende bende om het leven hebben gebracht met een mes. Verschillende bewoners uit het dorp waren betrokken bij het gokschandaal. Stella Eirikson raakte gewond bij de arrestatie van de hoofdverdachte. Ze legt de krant neer en sluit haar ogen. Tijd voor een dutje.     (Illustratie: Roel Renmans) www.hikkies.be/hikkies/dejapansedraak

Ines
317 0

Max en het gouden kersje

In een land hier niet zo heel ver vandaan woonde een dappere jongen, Max was zijn naam.   Hij was aardig, vrolijk, soms stil en klein. Hij hield van voetbal, maar vooral bomen tekenen vond hij fijn.   Rood, geel, blauw, in alle kleuren en maten met sappige vruchten, prachtige bloemen en grote bladeren.   Dag in dag uit tekende Max bomen tot hij erbij in slaap viel vervuld van zoete dromen.   Geen huizen, katten, mensen of honden, maar bomen die wel duizend meter groeien konden.         Zo ook die ene avond in zijn bed had Max zich weer aan het tekenen gezet.   Een grote kersenboom met gouden kruin die groeide en groeide in zijn eigen tuin.   Moe en voldaan legde Max zijn tekening aan de kant en reisde hij naar dromenland.   Maar niet lang nadat hij was vertrokken werd hij wakker door het geblaf van de hond die was geschrokken.   Met slaperige oogjes stapte Max uit bed en ging beneden kijken, langs de trap, met zachte tred.   Hij kon zijn ogen niet geloven. Met open mond staarde hij naar boven.   In zijn tuin groeide een boom tot boven de wolken, helemaal in goud met honderden kersjes en een grote stam van hout.         Zonder aarzelen klom Max in de boom naar boven, langzaam, maar zonder schroom.   Onderweg plukte hij een gouden kersje en stak het in zijn pyjamavestje.   Helemaal boven keek hij rond naar de wereld beneden hem, ver op de grond.   Hij zag huizen en steden zover hij kon kijken. Overal lichtjes en de maan fier aan de hemel prijken.   Het was donker en Max zag niet zo goed. Hij gleed uit en viel bijna op zijn snoet.   Daar hing hij, gevaarlijk bengelend aan een grote tak. Niet lang meer voor hij naar beneden zou vallen met een smak.   Maar toen, door een grote windvlaag werd Max gegrepen en vloog hij door de lucht, met zijn ogen half dichtgeknepen.   Hij vloog over ruige zeeën en uitgestrekte woestijnen, hoge bergen en diepe ravijnen.       Zo reisde hij, in zijn pyjama, de halve wereld rond en viel met een smak neer op een plek waar geen enkele boom stond.   In één, twee, drie stond een groepje mensen rond hem. ‘Hallo, ik ben Max’, zei hij met verlegen stem.   Een klein meisje met rode botjes aan haar voeten nam Max bij de arm en zei: ‘Leuk je te ontmoeten!’   ‘Mijn naam is Anna, kom mee naar mijn huis. Mijn moeder heeft koekjes gebakken en er staat verse thee op het fornuis.’   Met grote passen liep Max achter haar aan tot bij een groot hek, waar ze stil bleven staan.   ‘Hier woon ik’, zei het meisje, ‘hier in het bos.’ Ze liepen verder en volgden een pad bedekt met mos.   Maar nergens zag Max bomen staan. Een bos zonder bomen, dat kon Max niet verstaan.   ‘Waar zijn alle bomen?’, vroeg Max verbaasd. Het meisje vertelde met haast:   ‘Ooit had iemand het idee opgevat om het hele bos om te kappen in de stad.   Om plaats te maken voor huizen, straten en pleinen en daarom moest al dat mooie groen verdwijnen.   Nu kunnen de kinderen geen kastanjes meer rapen, in de takken klimmen of in boomhutten slapen.’   En zo kwamen ze aan het eind van het pad bij een klein wit huis. Het meisje zei: ‘Hier woon ik, dit is mijn thuis.’   Max kreeg binnen een kopje thee en at een heerlijk koekje mee.         Maar het was al laat en tijd om naar huis te gaan. Hij kwam van ver en had nog een lange weg te gaan.   Hij nam afscheid van het meisje en ging op pad en tekende bomen, op de muren en de straten in de hele stad.   Zo was hij uren en uren druk in de weer. Rood, geel, blauw, prachtige bomen, tekende hij keer op keer.   Kersen, kastanjes en bessen. Dennen, sparren en essen.     Moe en tevreden ging Max een dutje doen in het gras. Hij wachtte en wachtte tot het bijna donker was.   Tot plots zijn bomen begonnen te groeien, hoger en hoger, en ook een gouden kersenboom begon te bloeien.   Alle kinderen kwamen op straat en keken naar boven. Ze konden hun ogen niet geloven.   Ook het meisje met de rode botjes kwam naar buiten en zag bomen groeien en hoorde vogeltjes fluiten.   Alle kinderen dansten rond de bomen in het veld en droegen Max op handen door de lucht, hij was hun held.         Maar Max had heimwee en wilde naar huis, dus klom hij in de kersenboom, ver boven het feestgedruis.   Hij wuifde naar alle kinderen en glimlachte nog snel. Het meisje riep heel luid: ‘Dank je wel!’   En toen, heel plots, door een grote windvlaag werd Max gegrepen en vloog hij door de lucht, met zijn ogen half dichtgeknepen.   Hij vloog over ruige zeeën en uitgestrekte woestijnen, hoge bergen en diepe ravijnen.   Zo reisde hij, in zijn pyjama, de halve wereld rond en kwam met een smak neer op de plek waar zijn bed stond.         Max viel meteen in slaap en had mooie dromen over een meisje met rode botjes en een bos zonder bomen.   Toen Max ’s morgens wakker werd, rende hij nieuwsgierig naar beneden met zijn ogen wijd opengesperd.   Hij haastte zich snel naar de tuin op de tippen van zijn tenen maar de kersenboom met gouden kruin was verdwenen.   Max stak zijn hand in de zak van zijn pyjamavestje en wat voelde hij daar: een gouden kersje.  

Ines
0 0

FAMILIEBIJEENKOMST MET KAFKAIAANSE TOESTANDEN

Vorig weekeinde trakteerde ik mijn neven en nichten bij mij thuis op een etentje. Toen de wijn al wat gevloeid had en de tongen wat losser werden, kwamen de meest uiteenlopende Kafka-verhalen los. Iedereen had sinds het computertijdperk al eens een aanvaring gehad  met de digitale televisie - en telefoon providers, met arrogante medewerkers van allerlei overheidsinstanties en het systeem paraplu. De beste ‘Kafka- verhalen’ wil ik jullie echt niet onthouden.   Mevrouw Kafka werkt bij de posterijen: Mijn neef, Guido had een tandartspraktijk met de naam G.Britolli BVBA. Guido stopte zijn activiteit en de firma werd, na een onoverzichtelijk kluwen van administratieve documenten, ontbonden. Na een paar maanden kreeg hij een briefje van de post in de brievenbus, waarop stond dat de BVBA G. Britolli een aangetekend schrijven moest afhalen. Guido ging naar het desbetreffende postkantoor. Vermits de firma niet meer bestond, nam hij de acte van stopzetting van de firma G.Britolli BVBA en zijn paspoort met zich mee. De postbediende bezag het briefje, keek naar de papieren en verklaarde: ”de G. Britolli BVBA is weliswaar op hetzelfde adres gevestigd, maar is volgens mij niet hetzelfde als de BVBA G. Britolli. U krijgt de aangetekende zending niet.” Toen Guido wat aandrong werd de postbediende  arrogant en zei ze met een zekere minachting: “Meneer wilt U alstublieft voor mijn loket weggaan. Ik blijf erbij G.Britolli BVBA is niet hetzelfde als BVBA G.Britolli!” Mijn neef probeerde met hand en tand uit te leggen dat de firma stopgezet was, maar dat hij de vroegere bestuurder was. Hij duwde zijn identiteitskaart onder de neus van de postbediende. Hij vroeg of ze hem dan eventueel kon vertellen wie de afzender van de brief was. Dit schrijven was vermoedelijk heel belangrijk anders had men dit niet aangetekend opgestuurd. Als hij de naam van de afzender wist, zou hij deze kunnen bellen om de juiste aanspreektitel te veranderen. De rood aangelopen, kortzichtige bediende weigerde de informatie te geven en zei alleen:“Meneer ik wens U niet verder te woord te staan. Ik blijf erbij G.Britolli BVBA is niet hetzelfde als BVBA G.Britolli, U houdt de achter U wachtende mensen op, verdwijn voor mijn loket!”  Gelukkig voor de postdame is Guido de zachtheid in persoon. Manlief had mevrouw Kafka waarschijnlijk door het doorgeefluikje van het loket naar buiten getrokken!   Kafka betaalt je rekeningen: Toen we na een maand vakantie terug thuis kwamen, lag er een onbetaalde rekening van Water-Link , de vroegere Waterwerken te wachten. Deze factuur werd binnen de week na factuurdatum gevolgd door een aanmaning met bijbehorende interesten en administratiekosten. Vermits wij regelmatig uithuizig zijn, laten wij alle doorlopende rekeningen met een domiciliëring bij de bank betalen. We contacteerden onmiddellijk Water-Link. De medewerkster verzekerde ons dat de bank de rekening geweigerd had. Zelf kon ze op de computer zien, dat onze domiciliëring al van 2003 dateerde en er voordien  nooit betalingsproblemen geweest waren. Zij was dan ook zo vriendelijk als we de rekening nog diezelfde dag betaalden, om de extra aangerekende kosten te annuleren. Wij namen contact op met de bank. De bankbediende hield vol dat Water-Link zelf de betalingsopdracht geannuleerd had, dat de bank nooit of te nimmer zelf een domiciliëring annuleerde. Een geïrriteerde bediende bij Water-link beweerde dan weer, dat zij ervan overtuigd was dat het hier om een fout van de bank ging. Om een lang verhaal wat korter te maken, na een maand gefrustreerd over en weer mailen en bellen met arrogante betweterige medewerkers, bleven zowel de bank als Water-link de bal naar elkaar doorspelen. Water-link bezorgde ons een status waarop men kon zien, dat bij hen de domiciliëring nog steeds lopende was. De bank mailde een computerfile waarop duidelijk de domiciliëring uitgevinkt was. Toen er na een maand weer een niet betaalde rekening in de bus viel, ontplofte manlief. Hij dreigde ermee van bank te veranderen als de boel niet binnen de 24 uur opgelost was. Wonder boven wonder ging er plots, ergens in het bankwezen, een licht branden. De volgende dag liet onze bankbediende weten dat op het hoofdhuis computer veranderingen doorgevoerd waren. Daar waren gedurende de vakantiemaanden ‘vermoedelijk’ verschillende fouten ingeslopen… Moraal van dit verhaal. Als je als klant niet op je strepen staat en van je afbijt, gaat het systeem ‘paraplu’ in werking en word je oeverloos van het kastje naar de muur gestuurd.     Kafka is Franstalig: Ook het voormalige Belgacom, nu Proximus ontsnapt niet aan de onafgebroken ergernis en frustratie van de doorsnee klant. Toen de moeder van nichtje Laurie overleed, bracht zij de acte van overlijden naar de klantendienst. Hier werd door een vriendelijke dame verteld, dat zij al het nodige zouden doen om het telefoon- en digitaal kijken- abonnement met onmiddellijke ingang te annuleren. De eerstvolgende factuur zou de allerlaatste zijn. Groot was de verwondering van Laurie, toen er nog zeker een viertal facturen in de brievenbus van het moederlijk huis bleven vallen. Alle rekeningen werden netjes teruggestuurd, maar steeds opnieuw kwamen ze als een boemerang terug naar het inmiddels verkochte appartement. Niet alleen moesten Laurie en haar man het rouwproces verwerken, het appartement leeghalen maar ook nog eens tegen een ‘Kafkaiaanse’ bureaucratie opboksen.  Dus wat doet een brave cliënt, hij of zij belt Belgacom/Proximus om uitleg : Indien U nieuwe klant wilt worden, druk 1:  om een verhuis te melden, druk 2:  om informatie over Uw facturen, druk 3 en zo voort”. Dus oké, 3 werd ingedrukt. “Al onze medewerkers zijn in gesprek, gelieve aan Uw toestel te blijven.” Nadat Laurie een volle tien minuten met een irriterend muziekje en de telefoon tegen het oor gedrukt wachtte, kwam de dame in kwestie nog eens zeggen:” Al onze medewerkers zijn nog steeds in gesprek, waarvoor onze excuses, gelieve aan Uw toestel te blijven”. Nog eens tien minuten verder, viel het muziekje weg en kreeg ons nichtje een bezettoon. Nadat Laurie op verschillende dagen en tijdstippen deze tijdrovende  handelingen steeds opnieuw zonder resultaat herhaalde, drukte zij op nummer 1. “Indien U een nieuwe klant wilt worden, druk 1”.  Binnen de 5 seconden had zij een medewerkster aan de lijn. Deze mevrouw was heel verwonderd maar nadat zij de gefrustreerde uitleg gehoord had, wilde zij onmiddellijk meewerken. “Ik zie hier, dat Uw moeder destijds het abonnement onderschreef in het Franstalige gedeelte van Brussel en zij verhuisde nadien naar Antwerpen, ja? Ik zal U doorverbinden met de desbetreffende klantendienst” Onmiddellijk kwam er een bediende aan de lijn. Madame Kafka verstond geen jota van de Nederlandstalige uitleg. Laurie, zelf half Franstalig opgevoed, legde het probleem in het Frans uit. “Ha, oui, je le comprend, ik begrijp het.  Je consulte l’ordinateur, ik zal eventjes in de computer kijken. Eh bien, bij het abonnement van Uw moeder ik zie staan een notation, maar je ne comprend pas le Néerlandais, ik versta keen Nederlangs.  Alors, voulez- vous, wilt U dit voor mij traduire, vertalen? Ik zal et miskien zeggen, mot par mot, ou bien vous le préférez  phonétiquement?”  De bediende hakkelt op zijn Di Rupo’s Nederlands “Ecoutez, er staat ‘on middel li jeke stop zet tinggg van l’abonnement oewegens over lijeiijden’.. et ça veut dire quoi???” ‘Onmiddellijke stopzetting van het abonnement wegens overlijden’, zo simple was het! “ Ha, comme ça!” De omgekeerde wereld, een medewerkster van een gigantisch bedrijf als Belgacom/Proximus die aan de klant een vertaling vraagt??! Geen haar op het hoofd van deze Belgische Franstalige medewerkster had eraan gedacht om ook maar iemand, uit haar omgeving, om een vertaling te vragen van de tekst die voor haar neus stond. “Oewat ikke niet verstaan, moet ik oek ni veroewerken, n’est-ce pas!” Bedankt Belgacom voor Uw competente medewerkers… Als kers op de taart, wil ik jullie zeker ‘The amazing story of the American Kafka’ niet onthouden. Mijn neef en nicht, Glendon en Marie-Louise kwamen samen met hun kinderen, na een vermoeiende vlucht, heel laat op de avond in Amerika aan. Het was elf uur ’s avonds. Het restaurant van het hotel was al gesloten en de room service niet meer voorhanden. Zij hadden nog geen huurauto en alle eetgelegenheden in de directe omgeving hadden hun rolluiken al geruime tijd neergelaten. Zelfs de fastfoodketen aan de overkant van de straat had alle lichten uitgedaan en zat niet meer te wachten op de legen magen van deze Belgische toeristen. Geen nood, de fastfoodketen bezat een drive in restaurant dat 24h/24h geopend was. Glendon en zijn zoon gingen te voet tussen de wachtende auto’s aanschuiven. Aan het kastje plaatsten ze hun order. So far so good! Toen ze aan het doorgeefluik van de drive in kwamen, hadden ze pech. Mister American Kafka was juist aan zijn nachttaak begonnen. “Sorry Sir, where is your car? Waar is jullie auto?” “We just arrived en wij hebben nog geen huurauto, what’is the problem?” “The problem is Sir, dat ik, volgens our insurance policy geen maels aan mensen zonder auto mag afleveren!”  Alle mogelijke argumenten van het naar eten snakkende duo werden van het menu gevaagd. Glendon babbelde zich blauw, maar de afhaalidioot was niet te vermurwen: “No car, no food!”. Met een gebaar van ‘please leave the area Sir’ zagen de twee Belgen, de voor hun ingepakte fastfood zak  in het hokje van de kassa verdwijnen. Ondertussen had er zich al een hele file auto’s gevormd met hongerige en op vettig eten verlekkerde mensen. De eerstvolgende wagen reed tot voor het loket. De bestuurder draaide de raampjes aan beide zijden van de auto open en riep mijn neef en zijn zoon terug. Zij moesten zich naast de auto, langs de kant van de medepassagier opstellen. Vervolgens vroeg de Amerikaan de bestelling van Glendon  aan de halfgare nachthulp. Deze schoof, zonder mopperen, het ingepakte nachtelijk diner door het raampje van de auto. De bestuurder gaf de zak aan zijn medepassagier, die vervolgens de waarschijnlijk ondertussen koud geworden hap aan Glendon en zijn zoon gaf. Op dezelfde manier werden de dollars ter betaling, door de beide autoraampjes, van Glendon opnieuw aan de medereiziger, vervolgens aan de bestuurder en dan aan de fastfood medewerker gegeven.  Het wisselgeld legde hetzelfde traject in omgekeerde richting af.  “Sorry Sir, rules are rules!”      .     “

Sim
21 0