Lezen

VOICEMAIL

Ik geraak stilaan verward van al die berichten over het geloof. Ik lees in kranten  en zie en hoor via de televisie allerlei idioterieën. Ik weet dat ik met mijn kruistochtverhaaltjes tegen de religies, kleine successen boek bij atheïsten en agnosten, maar ook dat ik tegen de schenen stamp van de meeste gelovige mensen. Toch ben ik er van overtuigd, dat de wereld door het geloof  volledig over de rooie gaat en dat de mensheid afstevent op totale vernietiging. Ik begrijp nu al lang niet meer hoe intelligente mensen achter zo’n Roomse lange jurkenmaffia blijven aanlopen. Hoe sommigen zich op korte tijd kunnen laten indoctrineren door religieuze fanatici, die in het bezit zijn van een lidkaart van het IS- tuig en de Taliban fanclub. Wat gaat er in de mensen hun geest om, om op bedevaart te gaan naar grotten en kathedralen en daar devoot neer te knielen en te bidden voor plaasteren en houten beelden. Het is onbegrijpelijk hoe miljoenen Joden nog steeds hun ganse leven in functie van het hiernamaals verkwanselen, voor een God, die zogezegd samen met hen geleden heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog in de concentratie- en vernietigingskampen maar hen destijds toch schromelijk verlaten heeft. Hoe groot moet een geloof zijn, om arme mensen ertoe te brengen hun laatste geld uit te geven aan wierrook en bladgoud om op de Boeddhabeelden te kleven. Hoe sterk is een religie om mensen ervan te overtuigen dat ze minstens één keer in hun leven, zich rond een steen in trance te moeten cirkelen. Hoe diep geworteld moeten die sprookjes zijn, om ondanks al je religieuze pogingen en gebeden , nooit enig resultaat te zien en gewoon te blijven geloven? Denkt U niet, dat als ik nu, de dag van vandaag, met een verhaal op de proppen zou komen, dat ik zonder seks zwanger geraakte, dat ik na de bevalling nog steeds maagd gebleven was, dat mijn zoon over water kan lopen, dat hij brood vermenigvuldigt, water in wijn kan veranderen en de zieken en kreupelen kan genezen door handoplegging en een gebed, dat men mij dan onverwijld zou afvoeren naar één of andere psychiatrische kliniek? Of dat mijn zoon een podiumplaats zou krijgen tussen alle andere Nobelprijswinnaars?   Zo las ik in de krant, dat drie Marokkaanse jongens in Marrakech op het Djemaa el Fna plein aangehouden werden omdat ze tijdens de ramadan, met temperaturen boven de 40 graden in de schaduw, elk een glas vers geperst sinaasappelsap gedronken hadden. De tien kraampjes met het geperste sap staan er tijdens de ramadan klaarblijkelijk alleen maar voor de verkoop aan de ongelovige toeristen. In plaats van de Islamietjes te wijzen op het verbod,( zoiets zoals bij ons; onder de 18 jaar schenken wij geen alcohol)  had de sinaasappelsapverkoper eerst aan de ramadammers drie glazen sap verkocht, ze die laten uitdrinken en vervolgens de politie opgebeld.  Leuke laffe achterbakse daad. De drie moslims riskeren nu een gevangenisstraf van 3 maanden! Vroeger had men bij de Rooms katholieken ook een vastenmaand. Op vrijdag mocht er geen vlees, alleen vis gegeten worden. Ongedoopte baby’s die stierven gingen zonder pardon naar het voorgeborchte en geraakten nooit bij onze “Lieve” Heer die hen vroegtijdig tot zich geroepen had. De pastoor predikte, nacht en ontij van op de kansel als er gezondigd werd. Jaren heeft men de mensen met al deze onzin onderdrukt. Is de kerk of de mensheid dan geëvolueerd? En cours de route werden ineens een aantal christelijke zekerheden afgeschaft. Vasten was ineens niet meer nodig en we mogen nu alle dagen vlees of vis eten. Plots is dit geen zonde meer?? Voor elke gedoopte baby kreeg en krijgt nu nog, de katholieke kerk subsidie. Het was en is in hun eigen belang dat de kindjes allemaal, zo vlug mogelijk een drens doopwater over zich kregen en de namen in de gelovige analen werden opgeschreven, alvorens ze ongesubsidieerd  het tijdelijke voor het eeuwige verwisselden. Dus om de ouders wat aan te sporen om zo snel mogelijk te dopen,creëerde men het babyvoorgeborchte.  Vermits er minder kindersterfte was en de moderne mens problemen had met het idee dat die kleine schatten eeuwig voor de hemelpoort zouden moeten rondzwalpen, heeft men onder druk, het voorgeborchte maar ineens afgeschaft. Hoe kan dat dan? Als je ziet hoe hypocriet dat katholicisme was en is. Als je rijk was, kon je de zonden afkopen met aflaten. Hopen kaarsen worden gebrand, heel der bergen en markten worden op de knieën op- over- en afgekropen om er zeker van te zijn dat die ene heel grote zonde toch maar vergeven wordt, alvorens je jezelf aan de hemelpoort aanbiedt. Nu mag je overspel plegen, fraude plegen, liegen, corrupt zijn, moorden, de ene zonde op de andere opstapelen en vloeken à volonté, als je maar regelmatig gaat biechten. Tien minuten in de biechtstoel bij mijnheer pastoor, en na het stamelen van drie ‘weesgegroetjes’ en vijf ‘onze vaders, die in de hemelen zijt’, is je religieus curriculum vitae weer stralend Dash wit! Je volledige zondige gedrag wordt door God vergeven en je kan er weer opnieuw tegenaan. Geloven die religiepredikers, nadat ze alle miserie in de wereld zien, nog zelf in hun verhaaltjes, of blijven ze dit gewoon stug volhouden alleen voor de macht? Kunnen zo’n katholieke pausen, die al deze veranderingen en tegemoetkomingen, in het geloof doorgevoerd hebben, dan niet eens gaan onderhandelen met andere godsdienstpredikers? De Roomse Paus heeft echter andere prioriteiten. Op de televisie zag ik dat hij in Zuid Amerika als een rockster binnengehaald werd. Mensen sparen daar het eten uit hun mond om toch maar genoeg centen bij elkaar te krijgen om de tocht naar het geloofsfestival te kunnen maken. Dagen kamperen zij in kleine gammele tentjes en slapen in of zonder een slaapzak onder de blote hemel om vooral niets van die religieuze poppenkast te moeten missen. Zij luisteren ademloos naar die, met goudbrokaat opgedirkte jurkenman, die toevallig in het rijkste staatje van de wereld resideert. Hij oreert, dat alhoewel zij arm zijn, zij troost moeten blijven vinden in hun geloof, dat ze vooral moeten blijven bidden tot de Heer. Hij spelt hun het sprookje van de zoon Jezus op de mouw, die naar de aarde gestuurd werd om al de menselijke zonden af te kopen. Dat de zoon ook arm was, maar toch met een simpele truc de hongerige van brood voorzag en de dorstige wijn aanbood. Als de gelovigen zich dan, later op de avond als schapen vol geloofsadrenaline maar met lege geldbeugels en knorrende magen, biddend terug naar de sloppenwijk begeven, hopen zij alleen maar dat de goudgetooide herder gelijk heeft en dat God zijn zoon ook eens bij hen zal laten langskomen. Maar ik begrijp het niet helemaal!  Krijgt God soms katarakt en ziet hij sommige delen van de wereld niet meer duidelijk? Merkt hij niet dat in India en Bangladesh, mensen onder kartonnen dozen wonen en onder plastiek zakken sterven? Of moet Ganesha en Shiva daar maar hun plan mee trekken?  Wordt God doof en moet hij misschien langs Audionova om zich een hoorapparaat aan te schaffen. Hoort hij al die biddende en van honger creperende Afrikanen niet? Is dit werelddeel voor hem één zwart gat? Waarom stuurt hij zijn zoon niet eens die richting uit om wat brood te vermenigvuldigen en wat vervuild rioolwater tot een Saint Petrus of een Chateauneuf du Paapje om te toveren? Misschien dat een vrouw het beter zou aangepakt hebben, dan zo’n halfgare predikkende hippie, die zich constant door zo’n twaalfkoppige nichtgenbrigade liet omringen. Zo’n gigantische problemen los je niet op met een vrouw als Maria in een grot aan een verhongerde, menstruerende puber te laten verschijnen. Misschien heeft God nog ergens een dochter rondzweven, die eventjes orde op zaken kan komen stellen. Een vrouw die de broek draagt, een vrouw met ballen, die van wanten weet.  Die onmiddellijk de regen op aarde eerlijk verdeelt, die de rijst- en de graanoogsten laat lukken, die het water drinkbaar maakt en het eventueel wijzigt in melk. Een dochter, die en passant de kindersterfte, het kastenverschil en de vrouwenbesnijdenis uitroeit. Dat zou maar eerst het juiste gebaar van God zijn! Wat ik ook niet helemaal kan bevatten, is waarom de Goden, hier op aarde, zich allemaal door zo’n carnavaleske randdebielen moeten laten vertegenwoordigen. Kunnen zij zich, in het digitale tijdperk niet via Facebook manifesteren of ons allemaal gewoon hun rechtstreeks telefoonnummer doormailen. Poepsimpel, je toetst 7 (van de zevende hemel) en vervolgens 001. Tuut, tuut..   U spreekt met de voice mail van de goddelijke familie.  Indien U Joods bent en het is toevallig sabbat, dan bent U nu al in de fout door op deze knoppen te drukken Indien U meer informatie wenst over godsdiensten - druk 1 Om op de hoogte te blijven over eventuele Maria verschijningen – druk 2 Wenst U informatie over creationisme of evolutieleer – druk 3 Had U een vraag over besnijdenissen, vrouwenverminking, files en spoorstakingen - druk 4 Wilt U een mirakel meemaken- druk 5 Wenst U informatie over de vastenperiode, de ramadan en laffe sinaasappelsapverkopers – druk 6 Wilt U aan eender welke kerk, moskee, tempel of synagoge een donatie doen, of Uw zonden financieel afkopen, houdt Uw bankkaart klaar - druk 7 Wilt U weten hoe en in welke hemel U opgevangen wordt na Uw zelfdoding, Uw zelfmoordterroristische aanslag of als martelaar- druk 8 Wenst U informatie over condoomgebruik, abortus of euthanasie, gelieve U tot een andere dienst te wenden. Hebt U last van klokkengelui, Allah geroep, bedelmonniken, wierookstank, het krijsen van schapen voor het offerfeest, getuigen van Jehova en Scientology-bekeerlingen - druk 87 Had U graag een digitaal kaarsje gebrand in een kerk naar keuze, houdt Uw creditkaart bij de hand en - druk 88 Wordt U graag geïnformeerd over door de Goden geplande rampen, vulkaanuitbarstingen, overstromingen, tsunami’s of aardbevingen – druk 89 Indien U meer dan 80 jaar oud bent en in het bezit van een slapjanus en U wilt weten wat U nu nog met die 70 maagden in de hemel kan aanvangen – druk 90 Als U informatie wenst over doop, communie, Bar Mitswa, Jom Kippoer, Pasen, Ons Heer Hemelvaart,  Loy Krathong, Kerstmis, het Suikerfeest of allerlei heilige feestdagen- druk 91 Wenst U klacht neer te leggen over homofiele en pedofiele geloofsvertegenwoordigers – druk 92 Hebt U last van flatulentie tijdens de gebedsdienst en wenst U dat een andere houding bespreekbaar wordt – druk 93 Wilt U meer informatie over de voortgang van Uw wensbriefjes, die U in de Klaagmuur stopte – druk 94 Denkt U dat U per toeval één van Uw voorouders, die als insect op de wereld teruggekeerd was, hebt ingeslikt of doodgemept – druk 95 Wenst U op de hoogte gehouden worden van de nieuwe modekleuren voor kazuifels, nonnenoutfits, pastoorskostuums, priesterboorden, bisschopkleden, djellaba’s, burka’s, hoofddoeken, tulbanden, pruiken en keppels - druk 96 Hebt U opmerkingen over de onverstaanbare teksten in de Bijbel, de Koran of de Thora en wenst U ons hiervan op de hoogte stellen – druk 97 Wilt U informatie over bevruchting door de Heilige Geest, seks voor het huwelijk of na het huwelijk, verkrachting of pedofilie – druk 98 Hebt U vragen over de hemel, de hel, het vagevuur, genocide, terreurindoctrinatie, of geloofsfanatisme – druk 99 Indien voor U geen enkele vraag in onze bovenstaande lijst van toepassing is en U één van de Goden persoonlijk wilt spreken – druk 100     Tok, tok tok…1OO  klik   Al onze lijnen zijn bezet, gelieve aan Uw toestel te blijven. Muziekje ; Halelulia, halelulia halelulia haleluuuu uuu lia…Al onze lijnen zijn bezet, gelieve aan Uw toestel te blijven. Muziekje; wie heb ik aan de lijn, halo, halo… Al onze lijnen zijn nog steeds bezet, gelieve aan Uw toestel te blijven. Arabische muziek weerklinkt. Er zijn nog 75 miljoen wachtende voor U en de wachttijd kan oplopen tot 9 jaar, 5 maanden, drie weken, twee dagen en 7 uren.. Indische sitarmuziek jengelt door de hoorn.  Probeert U het later nog eens. Al onze lijnen zijn bezet… Wij danken U alvast voor het vertrouwen dat U, ondanks alles, in het geloof blijft hebben…piep, piep, piep bezettoon….

Sim
3 0

DE REUZEKENS VAN BORGERHOUT

Ik weet zeker dat jullie dit al eens allemaal meegemaakt hebben. Je staat in je potten te roeren of je wast de auto en je neuriet mee met de radio en dan is er plots dat liedje, dat niet meer uit je hoofd weg te branden is. Eerst heb je het nog niet volledig door maar als je ’s avonds naar bed gaat, dreunt het nog steeds door je hersenpan. Zo liep ik vorige week, ganse dagen van; “Wie heb ik aan de lijn, halo, halo”, te zingen. Niet dat ik zo’n fan van K3 ben, maar het pinnetje van de platendraaier in mijn bovenkamer bleef constant op de Télé Romeo hangen. Gek werd ik van dat gekweel in mijn hoofd! Net toen ik dacht dat ik overnacht het deuntje kwijtgeraakt was, hoorde ik het ’s morgens opnieuw op de radio en wat dachten jullie…De oorworm had zich in mijn hersenen gedraaid. Het K3 trio fietste met me mee naar de markt en zelfs winkelen ging op het tempo van een geneuriede of luidop zingende: “ Halo, halo!” Soms keken de mensen mij een beetje vragend aan, met zo’n blik van: “Wie is die vrouw die mij goedendag zegt, ik ken haar helemaal niet!” Een enkeling zei wat aarzelend een halo terug, een beetje beschaamd, dat hij mijn naam vergeten was en mijn gezicht bij hem totaal geen herkenning opriep. Als ik het wandeltempo op polonaise niveau bracht, keek manlief me soms een beetje geërgerd aan.  Ik deed nog juist niet de ingestudeerde showdanspasjes na. Tik, tik met de wandelstokken op “Halo, halo, mijn télé Romeo…” Ach, ik zat zelf een beetje verveeld met mijn repertoire. Ik probeerde allerlei andere liedjes te fluiten of hardop te zingen in de hoop de meidengroep voor eens en voor altijd uit te drijven. Zelfs “The show must go on” en de “Power of Love” twee van mijn lievelingsnummers, die normaal toch echt als een paardenmiddel zouden moeten werken, kregen het kindergezang van de Rosse, Blonde en de Zwarte niet uit mijn kop. K3 bleef maar in mijn schedel ronddreunen. Zodra ik ’s morgens de ogen opende, waren ze daar en lieten mij op een uptempo van: “Wie heb ik aan de lijn…” de traptreden naar beneden huppelen. Ze waren onuitroeibaar. Het was natuurlijk een ongelijke strijd, drie tegen één. …” Ze overleefden nu al bijna een ganse week in mijn schedeldak. Ik had een onvernietigbare muzikale kronkel in mijn hersens gekweekt. En dan, op het moment dat je denkt dat je kierewiet wordt en overweegt om hulp te zoeken of toe te treden tot de zelfhulpgroep “Hoe krijg ik dat lied eruit” verdwijnt het deuntje in je persoonlijke dampkring.  De vrijgekomen stilte in mijn hoofd was oorverdovend en plots waren daar weer alle geluiden van de dag. Wat mij het meeste opviel was opnieuw het zoemen van manlief. Als een vrolijke dikke hommel loopt hij zoemend naast mij. Toen ik dit fenomeen enkele jaren geleden voor het eerst waarnam, wist ik niet goed wat ik hoorde. Het begon op momenten van stress en onzekerheid. Als het klusje boven zijn pet groeide, zoemde hij een oplossing bij elkaar. Maar nu zoemt manlief op alle mogelijke onverwachte momenten vrolijk door het leven..Toen wij elkaar pas kenden zong hij nog uit volle borst, minstens één keer in de week zijn echte lijflied. Op de fanfaretonen van ‘Stars and Stripes forever’ zong hij: “Wij gaan naar het land van Hawaai. Naar het land van de wiegende wijven. Daar lopen ze bloot in de wei. En van a 1 en van a 2, ze kunnen me krijgen!” Met het ouder worden, verdwenen de zwoele buikdanseressen met de strooien rokjes uit zijn hoofd en kwamen er vier dikke reuzen voor in de plaats; De Reuzekes van Borgerhout. Op stressmomenten steekt de reus zijn kop boven water. Nu zingt manlief niet, hij neuriet niet, hij fluit niet, mijn echtgenoot zoemt het liedje. Ik weet het, jullie worden best jaloers want een knoopjesafdraaiende en gonzende partner, dat heeft niet iedereen. Ik wilde dus wel eens weten waar dit zoemverschijnsel plots vandaan kwam. Volgens manlief zat het al jaren in de familiestamboom rond te gonzen en had zijn grootvader dit zoemgedrag ook. Dus zonder meer met de genen meegekregen. Het spijtige van de zaak is dat manlief zijn zoemrepertoire nu al jaren uit één enkel liedje bestaat: “De reuzekes van Borgerhout”. Al wie daar zegt, de reus die komt, de reus die komt, ze liegen daarom, kere weer om, reuzeke, reuzeke, kereweerom reuzegom…”Maar dan  woordeloos,  alleen een neuzelig gezoem. Al meer dan 300 jaar, telkens in september worden de Reuzen van Borgerhout weer van stal gehaald en stappen en draaien ze in een optocht door de straten. Mijn grootouders, langs vaders kant woonden hun hele leven in Borgerhout. Dus kan ik mij nog levendig voorstellen hoe ik als klein kind met ma, pa, bompa en bomma naar deze optocht ging kijken. Borgerhout had een hele brede winkelstraat die vanuit de volkse levendige gemeente helemaal tot in het centrum van Antwerpen doorliep. Borgerhout had een eigen bioscoopzaal, een heel bekend ijssalon en er waren diverse stijlvolle tapijt- meubel- schoenen- en kledingwinkels. In de jaren zeventig verdwenen al deze chique handelszaken één voor één. Ze werden vervangen door pita/shoarma- restaurantjes, thee/drugshuizen, waterpijpcafés en multiculturele kasbahwinkeltjes. Ik zou niet weten waarom, maar Borgerhout werd vanaf toen in de Antwerpse volksmond Borgerocco genoemd. Ik heb me zelfs laten wijsmaken dat in één van de laatste optochten grote Fatima reuze poppen mee opstapten. Maar dit terzijde. Van zo lang wij samen zijn, gingen manlief en ik nog nooit samen naar deze Reuzenstoet kijken en behoort dit optochtmelodietje niet tot de klassiekers in onze CD verzameling . Ik vermoed dus dat dit Reuzenliedje nog een overblijfsel van een onverwerkt jeugdtrauma moet zijn dat ergens in de krochten van zijn brein gestockeerd bleef. Enfin, ik kan mij levendig voorstellen hoe tegemoet komende wandelaars, ons vorige week over straat zagen lopen: Zoem zoem, kere weer om reuzeke, reuzeke, halo, halo mijn télé Romeo, reuzeke, reuzeke…zoem zoem.. We waren met onze kleinzoon een weekje aan zee toen die plots aan manlief vroeg: “Bompa waarom doe je dat?” “Wat Matteo?” “Awel bompa, zo zoemen!” Manlief  lachte en keek mij eerst bestraffend aan omdat hij dacht dat ik kleinzoontje een hint gegeven had. Niet dus.”Heu, dat is zingen hé.” De kleine opdonder keek echter met een vragend engelengezichtje naar bompa op:  “Bompa, dat is toch niet zingen hé, het is net of Maya de Bij rond mijn hoofd zoemt! En bompa waarom brom jij steeds hetzelfde liedje? Altijd datzelfde melodietje is keivervelend hoor!” Ja, de waarheid komt uit een kindermond! Sindsdien probeert manlief van zijn reuzenlied af te kicken en komt er soms wel al eens een ander melodietje uitgezoemd maar van enige grote vooruitgang in het zoemrepertoire is tot op heden alsnog geen sprake. Vanmorgen zette ik de radio luid terwijl ik met stofvod en swiffer rondliep. Ramsey Shaffy zong vanuit het hiernamaals: “Laat me, laat me mijn eigen gang maar gaan..” En ik kweelde mee! Ik zong het de ganse dag. Bij het uitruimen van de afwasmachine, bij het tafeldekken, onder de douche en op weg naar bed. Misschien geeft Ramsey het al na één dag op maar ik vrees ervoor. Dus als straks de vrienden komen barbecueën, moeten ze niet schrikken als ik, bij het ronddelen van de sla, het vlees en het dessert luidop zing van “Laat me, laat me mijn eigen gang maar gaan.. laa aat me, laaaat me, ik heb het altijd zo gedaan!”  Dat betekent dan niet dat ik alle hulp weiger hoor, maar gewoon dat Ramsey, K3 eruit gewipt heeft en hij zich nu in mijn bovenkamer gesetteld heeft.   Sim,   laat me, laat me….

Sim
468 0

Een knikje en een glimlach.

Een knikje en een glimlach. Dat kreeg ik van haar op een ochtend enkele maanden geleden toen we elkaar kruisten op de weg naar school. Ze duwde een kinderwagen voort met erin een kind van enkele maanden oud. Ik pijnigde mijn hersens maar kon haar niet plaatsen in mijn brede kennissenkring. Moest ik deze jongedame kennen ? Ik zette mijn twee spruiten van negen en zes jaar af aan de schoolpoort en wandelde in gedachten verzonken terug huiswaarts. Weer kruisten we elkaar maar ditmaal was haar kinderwagen leeg. Een knikje en een glimlach en ik beantwoordde haar gebaar. En zo gaat het elke keer als ik haar tegenkom.  Als ik na de grote schoolvakantie van de schoolpoort terug naar huis wandel fietst ze me voorbij met het kleine kind achterop in een kinderstoeltje. Ze stopt bij het huis van de onthaalmoeder en zet het kindje op de stoep. Het verwondert me dat op twee maanden tijd het ukje rechtop kan zitten en aan de hand van de moeder zelfs kan stappen maar zo gaat dat met jong leven. En weer is daar die vriendelijke knik met glimlach. Ik ben ondertussen tot de conclusie gekomen dat ik haar van haar noch pluim ken en vraag me af waarom ze steeds vriendelijk is tegen me. Voor mijn uiterlijk zal het zeker niet zijn, ik was in mijn jonge jaren al geen adonis en de tijd heeft niet voor verbetering gezorgd, integendeel. Trouwens met mijn één en vijftig jaar ben ik oud genoeg om haar vader te kunnen zijn. Misschien is het dat wel, valt ze op oudere mannen, op zoek naar een vaderfiguur die ze zelf nooit heeft gehad. Deze  gedachte geeft me een oncomfortabel gevoel en telkens ik haar tegenkom ben ik alerter dan anders , speurend naar iets dat mijn vermoeden bevestigd. Maar met de beste wil van de wereld kan ik nooit iets bemerken dat in die richting wijst. Elke keer weer dat knikje en die glimlach, meer niet. Op een helder moment schiet er plots iets in mijn hoofd, iets dat het schaamrood tot achter mijn oren doet lopen. Hoe heb ik zulke lelijke dingen kunnen denken over haar! Ze is gewoon zo, welopgevoed, vriendelijk en positief van nature. Niet zoals vele van haar leeftijdgenoten die zich meer zorgen maken over wat er op hun smartphone gebeurd dan wie die mens is die ze juist zijn gepasseerd. Of die zich liever afvragen of hun handtas wel bij hun schoenen past dan iemand vriendelijk te begroeten. Maar zij niet, zij loopt rechtop en in het rond kijkend is ze vriendelijk tegen iedereen op straat. Mijn besluit staat vast, volgende keer ik ze tegenkom beperk ik me niet tot een lichte beweging van mijn hoofd en een grimas rond mijn lippen maar zeg ik goeie morgen, of beter nog, een goeie dag. Want dat wens ik haar, een goeie dag, met een knikje en een glimlach.

Hans Roofthooft
34 0

Oesters op het menu van de huisvrouw?

Napoleon, Marie-Antoinette, Shakespeare en Charles Dickens zijn maar enkele van de vele beroemdheden met een voorliefde voor oesters, de truffels van de zee. Oesters eten is zoals de zee inslikken. En dat is ook zo. De smaak van de oester hangt samen met het water waarin hij groeit. Hoe hoger het zoutgehalte van het water, des te hartiger de smaak. Ook het plaatselijke plankton en opgeloste mineralen beïnvloeden deze. Tenslotte bepaalt ook de oestersoort een deel van de smaak. Zo hebben de platte Europese oesters (Ostrea edulis) een milde en licht metalige smaak. Japanse holle oesters (Crassostrea gigas) proeven zacht naar meloen en komkommer, en de Amerikaanse holle oesters (Crassostrea virginica) naar groene blaadjes. Er zijn vandaag wel meer dan 25 variëteiten die culinair interessant zijn.[i] Oesters kennen een lange traditie in de keuken, maar lagen ze ook in het bereik van de gewone huisvrouw? Vis was lange tijd heel beperkt aanwezig in de maaltijd. Dit veranderde onder invloed van religie. De katholieken aten eeuwenlang op vrijdagen en in de vasten op vrijdag én woensdag geen vlees. Vis en eieren vervingen deze op het menu. Het is dan ook niet verwonderlijk dat mede dankzij deze traditie vis een vaste waarde kreeg in de maaltijd. Maar gold dit ook voor de oesters?   Koken voor alledag Reeds in de 17de eeuw, en daarvoor, werden oesters in onze contreien gesmaakt. Tijdens het twaalfjarig bestand keerde in de Zuidelijke Nederlanden de rust terug en was er weer tijd om handel te drijven én uitgebreid te tafelen voor de rijkere klasse. In 1612 verscheen te Leuven het eerste Nederlandstalige kookboek in druk. Dit was het Koocboec oft familieren keukenboec van Antonius Magirus, een man die kon stoelen op 24 jaar kookervaring. Magirus betekent kok in het Grieks en was wellicht een pseudoniem van iemand uit het universitaire milieu. Hij richtte zijn kookboek tot een conservatief publiek: vooral dames van lagere adel en de gegoede burgerij. Met zijn recepten wilde hij hen op een zuinige manier lekkere gerechten laten bereiden voor hun gasten, maar in de eerste plaats voor hun echtgenoot. Zijn inspiratie haalde hij uit Opera van Bartolomeo Scappi (1570), de persoonlijke kok van paus Pius V, en beschouwd als het belangrijkste kookboek uit de Italiaanse renaissance. Deze Italiaanse invloed keerde duidelijk terug in zijn recepten. Magirus begon zijn kookboek met wat er in huis voorradig moest zijn. Hij raadde hierbij aan om vooruitziend te zijn en ook voedingsmiddelen in voorraad te hebben voor wanneer een onverwachte gast zou langskomen die men alle eer wou aandoen. Wat er dan volgens hem zeker niet mocht ontbreken waren onder meer: gerookte Westfaalse beenham, worsten en pensen, gezouten of gedroogde zalm, maar ook op diverse manieren ingelegde oesters. In een apart hoofdstukje haalde hij aan hoe men oesters moest koken. Alvorens dit toe te lichten, gaf hij het recept van zijn voorkeur: De oesters woren in veelderhande manieren toegherecht: vele ende ick onder andere, etese liever rouw opengedaen, ende schoongemaeckt, gelijc dat behoort, met sout, peper, ende sap van limoenen, oft in plaetse, oragnen. Zoals oesters waren ook citrusvruchten in die tijd een gegeerd product. Beiden stonden symbool voor hartstocht en lust. In deze eeuw ontwikkelde men trouwens in heel Europa een passie voor de kweek van citrusbomen. Ze verschenen op vele grote domeinen samen met de eerste volwaardige oranjeries. Het gebruik van citrusvruchten in gerechten duidde dan ook op welstand. Naast gekookte oesters, gaf Magirius ook de bereiding van in hun schelpen gestoofde oesters met wat wijn, boter, peper en zout, en erna wat sinaasappelsap erover heen. Hij haalde verder aan dat nog vele andere bereidingen wijd verspreid waren in ons land en daarom niet de moeite waard om nogmaals op te nemen. Hij benadrukte dat hij hier enkel de aller gezondste recepten beschreef, omdat oude mensen hier meer rekening mee moesten houden. Hij eindigde met het volgende: Naerdatse schoongemaeckt syn, wenteltse in bloeme, ende fruytse dan in de panne in olie, is seer goet. Helemaal op het einde haalde hij oesters nogmaals aan als één van de voedingsmiddelen die de man apprecieerde en dus zeker op tafel dienden te komen.[ii] De Franse keuken was toonaangevend voor Europa. Eén van de belangrijkste en bekendste koks in Frankrijk was François Pierre La Varenne (1615–1678). In zijn kookboek Le Cuisinier François, uitgegeven in 1651, beschreef hij een tiental recepten met oesters. Naast geroosterde oesters, verwerkte hij ook oesters in beignets, ragout, bouillons en soep. In zijn kookboek lichtte hij toe hoe je oesters kon bewaren. De oesters werden uit de schelp gehaald, geblancheerd en op smaak gebracht door middel van zout, peper gemalen, kruidnagel en enkele laurierbladen. In een gesloten vat bleven ze enige tijd goed bewaard. Wanneer men zin had in een oester, volstond het om het zout er af te spoelen met lauw water en meteen te nuttigen of indien gewenst eerst op één van de diverse wijzen te bereiden .   Karre-oesters Aangezien er geen wilde oesterbanken aan de Vlaamse kust voorkwamen, dienden ze te worden ingevoerd. Grote ladingen Franse, Engelse en Zeeuwse oesters vonden gemakkelijk hun weg naar onze keuken. Zo waren circa 1640-1650 in Parijs wel duizenden oesterhandelaars actief. De Fransen vervoerden hele ladingen oesters, in hun schelpen, in vaten gevuld met zout en zeewater met karren over land. Ze hadden de reputatie om verser te zijn dan die oesters die met de boot werden getransporteerd. Om het transport te vergemakkelijken voerden ze ze ook zonder schaal in gevlochten manden aan. Deze laatsten beschouwden ze evenwel als minder smaakvol en dienden vooral om te stoven. [iii] Ze waren ook veel goedkoper. Zo betaalde men in de 18de eeuw slechts 10 tot 20 stuivers voor honderd oesters, terwijl hetzelfde aantal met schelp circa 3 pond waard waren. Door het weinige vlees per schelp, werden oesters in grote aantallen verorberd. De Franse schrijver Saint Evermond (1610-1703) at op zijn gezegende leeftijd van 88 jaar elke ochtend oesters. Ze zouden de eetlust opwekken en waren daarom aan te raden bij de oudere bevolking.[iv] De steden Brussel en Antwerpen, belangrijke doorgangs- en handelsplaatsen, bestonden uit een mengelmoes van autochtonen, inwijkelingen en buitenlanders. De hoge concentratie aan vermogende families vormde een ideale afzetmarkt. Er was een voortdurende toevoer van voedingsmiddelen uit de omliggende dorpen, maar ook van veel verder. Gegeerde producten vonden hier snel hun weg naar de consument. De oesters vormden geen uitzondering. Via het waternetwerk kwamen ook ladingen verse zeevis in verschillende steden toe waar ze meteen werden verkocht op de vlakbij gelegen vismarkt. Voor het binnenland waren vis en oesters luxeproducten omwille van het moeilijke transport en het bewaarprobleem. Toen bestonden er namelijk nog geen koelinstallaties om vis langer te bewaren. Op het platteland werden door diegenen die het zich konden veroorloven de goedkopere gezouten, gedroogde en gerookte vis gegeten op de vleesloze vrijdagen en vaste dagen.[v] Vlees ontbrak trouwens vaak op het menu. Door een te lange transportduur kwam de versheid van oesters meermaals in het gedrang. Een Franse ordonnantie van 1779 stipuleerde daarom dat het transport niet langer dan vijf dagen mocht duren.[vi] De Nederlandse oesters deden er gemiddeld zes dagen over om tot bij ons te geraken. Beide landen en ook Groot-Brittannië hadden schijnbaar onuitputtelijke wilde oesterbanken. Door hun grote aantallen bleef de prijs laag en waren oesters ook bij ons betaalbaar.[vii] De oesters werden vaak verwerkt in pasteien en gebruikt voor vleesvullingen.[viii] De oesters bleven een aanvulling op het menu. Hoe rijker, hoe ingewikkelder de bereidingen en hoe hoger de aantallen die verorberd werden. De minst bedeelden konden zich nauwelijks vis of vlees veroorloven. Hun menu was eentonig waarbij aardappelen het hoofdbestanddeel uitmaakten. Aan de kust verzamelden de armen mosselen bij laagtij als aanvulling op het menu.   De glorie van de Ostendaise De Zuidelijke Nederlanden voerden enorm veel oesters in. Tussen 1763 en 1765 ging het over jaarlijks wel meer dan 7 miljoen! De handelaars zagen dan ook het enorme winstpotentieel van een inlandse oesterkweek. Het duurde niet lang alvorens in Oostende in 1765 het eerste bedrijfje van start ging. In 1767 volgde onder Oostenrijks bewind een invoerverbod op buitenlandse consumptieklare oesters waardoor de Ostendaise oester vrij spel had. Dankzij de goede uitbouw van het transportnetwerk te water en te land, bereikten de oesters al binnen de drie dagen de belangrijkste afzetmarkten in Brussel, Leuven, Antwerpen en Mechelen. Verser hadden de stedelingen ze nog niet gegeten. De Oostendse oester was vlezig, blank en sappig. Ze vielen in de smaak en kregen al snel faam in binnen- en buitenland. De industriële revolutie bracht heel wat teweeg. De eerste en rechtstreekse spoorlijn met Oostende in 1840 garandeerde een constante en snelle aanvoer van verse zeevis en dus ook van de Oostendse oesters naar Brussel. Het stadsbestuur van Brugge keek lijdzaam toe hoe “de beste visch word verzonden per ijzerweg ten allen kante, waer de zelve meer weerde heeft dan te Brugge”.[ix] De sterke uitbouw van het sporennet zorgde al snel voor dat verse vis in alle steden van België te verkrijgen was. Dankzij de directe spoorverbinding in 1847 was Brussel daarenboven ook snel bereikbaar vanuit Parijs.[x] Het aantal oesters per maaltijd was gigantisch. Zo at de Franse koning Lodewijk XVIII, die naar Gent was gevlucht in 1814, wel 100 oesters ter afsluiting van zijn maaltijd. Rauwe oesters at men niet zonder gevaar. Indien de versheid te wensen liet, kon men enorm ziek van worden. De geneesheer Blankaart raadde in zijn publicatie De borgelijke tafel, om lang gesond sonder ziekten te leven (1866) aan om de oester slechts in matige hoeveelheden te eten en gaf de voorkeur voor gebraden oesters in plaats van rauw. Ook de lijfarts van Lodewijk XIV schreef ongeveer een eeuw eerder dat deze schelpdieren niet rauw mochten worden gegeten, maar wel gekookt, geroosterd of gebakken.[xi] Niet alleen in Oostende, maar ook in Oostduinkerk en Blankenberge verschenen tijdens de tweede helft van de 19de eeuw steeds meer oesterfirma’s. De gekweekte oesters werden allen verhandeld onder de naam Ostendaise. Ze transporteerden jaarlijks miljoenen oesters naar binnen- en buitenland. In 1822 betaalde men voor 600 oesters dezelfde prijs als die van één gevulde kalkoen.[xii] Hierbij dienen we wel een kanttekening te maken dat in die periode gevogelte prijzig was en niet of nauwelijks op tafel kwam bij de gewone bevolking. In Oostende opende het hotel-restaurant Pavillon du Rhin in 1857 haar deuren. Uniek was de beleving die centraal stond. De klanten konden tijdens het eten vanop het terras de werkzaamheden in de oester- en kreeftenput volgen.[xiii] Omdat vis en schaaldieren maar een zeer beperkte bewaartijd hadden, zorgde de uitvinding van industrieel vervaardigd ijs een doorbraak in de visserij en bij de oesterkwekers. Vanaf 1874 gebruikten de eerste vissersboten ijs om hun vers gevangen vis te bewaren en in 1884 verscheen de eerste ijsfabriek te Oostende om aan de stijgende vraag te kunnen voldoen. Een nog ruimere verspreiding was het gevolg . Verse vis bleef evenwel voor velen een luxe die ze zich niet konden veroorloven.[xiv] Door de toegenomen populariteit geraakten de Europese oesterbanken in de tweede helft van de 19de eeuw uitgeput. In Zeeland werden bijvoorbeeld in 1861 nog drie miljoen oesters verwerkt. Drie jaar later kwamen nog slechts 50000 dieren op de markt.[xv] Dit spiegelde zich in de markt door stijgende prijzen. De Oostendse oester had deze problemen niet en was wel nog voorradig. Philippe Cauderlier, voordien traiteur en kok te Gent, schreef negen kookboeken tussen 1861 en 1882. Zijn kookboeken waren toonaangevend en beïnvloedden zeker tot begin jaren 1930 de keuken van de burgerij. Cauderlier stond synoniem voor eenvoud en spaarzaamheid. Hij gaf in zijn eerste kookboek verschillende streekgebonden gerechten weer. In zijn werken mochten uiteraard ook de oesters niet ontbreken. Hij combineerde ze met tarbot en tongfilet, beide dure vissen, of verwerkte ze in schelpen als gerecht. Zijn oestersaus bevatte 30 oesters. De zeer grote oesters die afkomstig waren van de warme zeeën raadde hij aan om te bakken indien ze rauw niet appetijtelijk waren. In zijn kookboek Les 52 menus du gourmet (1877) gaf hij onder meer een recept van Brussels kieken, met oester. Het luxueuze gerecht bevatte naast een mesthoen ook 12 hanenkammen, 24 nieren en drie dozijn oesters die pas op het laatst werden toegevoegd alvorens het geheel op te dienen.[xvi] De Franse literair Alexandre Dumas, beroemd voor zijn alom gekende roman De drie musketiers (1844), schreef op het einde van zijn leven het kookboek Grand Dictionnaire de Cuisine, postuum gepubliceerd in 1873. Zijn encyclopedie vatte hij op als een verhalend kookboek. Ook aan de oester besteedde hij grote aandacht. Naast een geschiedkundige schets gaf hij acht verschillende bereidingen zoals gevulde oesters en oesters met Parmezaanse kaas. De gemakkelijkste manier was volgens hem om de oester rauw, besprenkeld met enkele druppels citroen, te eten of ze eerst in een saus van azijn, peper en sjalotten te dompelen alvorens in te slikken.[xvii] Alexandre Dumas vertoefde vaak in Brussel en spendeerde hier heel wat geld aan drinken, eten en feesten. De Brusselse restaurants richtten zich naar de Franse keuken, die de norm bepaalde van een uitstekende keuken.[xviii] Tijdens één van zijn restaurantbezoeken bestelde hij onder meer 24 dozijn Oostendse oesters met een fles Johannisberg voor twee personen. Hij betaalde voor de oesters 30 franken en 24 voor de fles wijn. Ter vergelijking, tijdens diezelfde maaltijd betaalde hij voor biefstuk met aardappelen 2 franken, voor asperges 15 en voor de fazant met truffels 40 Franse francs.[xix] De geserveerde oesters in de Brusselse restaurants kwamen steeds vaker uit Oostende. Het Belgische hof speelde een belangrijke rol in de verdere ontwikkeling van de Belgische keuken. Zo opende het diner van 27 november 1888 met soep, potage julienne- creme d'orge à la royale, gevolgd door oesters. In het menu werd niet gespecifieerd waar ze vandaan kwamen. Vervolgens kwam nog een heel scala aan gerechten aan bod. Bij de geserveerde eetwaren ging het steeds om eetwaren die met rijkdom werden geassocieerd. Zo ook de oester.[xx] Mosselen, de oesters van de armen Circa 1900 betaalde men voor 50 stuks ruim drie frank, wat overeenkwam met het dagloon van een arbeider. Mosselen daarentegen waren wel typisch volksvoedsel en de mensen nuttigden ze zelfs rauw op straat bij mosselkramen.[xxi] De Oostendse oester maakte een moeilijke periode door omwille van een onterechte beschuldiging als veroorzaker van buiktyfus in 1906. De oesterconsumptie daalde mede hierdoor drastisch, maar herleefde tot voor de Eerste Wereldoorlog om vervolgens teloor te gaan.[xxii] De oorlog maakte de oestervangst, net als andere zeevisserij, quasi onmogelijk. De oester die in de vorige eeuwen zo populair was bij de adel en rijke burgerij verloor zijn vaste plaats bovenaan het menu na de Eerste Wereldoorlog. Na 1919 kwamen oesters slechts nog sporadisch voor op de spijskaarten. Ze maakten plaats voor iets nieuws: de koude voorgerechten, hors-d'oeuvres. Die werden steeds populairder.[xxiii] Dit betekende niet dat de oester niet meer werd gegeten. Een diner in het Brusselse stadhuis ter gelegenheid van een bezoek van de Parijse gemeenteraad in 1935 bood bijvoorbeeld als voorafje Huître de Zélande aan.[xxiv] In het begin van de 20ste eeuw verschenen talloze kookboekjes gericht naar de huisvrouwen. Hier was geen spoor van de befaamde schaaldieren terug te vinden. Bereidingen met garnalen en mosselen kwamen daarentegen wel voor. Het was wachten tot de tweede helft van de 20ste eeuw wanneer de koopkracht toenam en de bevolking zich meer en luxueuzer voedsel kon veroorloven alvorens de oester schoorvoetend verscheen. Eten diende niet alleen meer om de maag te vullen, maar ook om te genieten. Zo is er de Brusselse familie Goris die op vrijdag soms wel oesters serveerden aan uitgenodigde zakenmensen.[xxv] Toch zal het tot 1965 duren alvorens het eerste populaire kookboek, Het kookboek Rijk der vrouw, de bereiding van oesters vermeld. Oesters werden hier verwerkt in deeggebakjes, gebakken, gespiesd of gegratineerd. Naar analogie van de garnalencocktail verscheen nu ook de oestercocktail. In een klein cocktail- of Madeira glas legde men enkele zeer verse oesters. Die werden vervolgens besprenkeld met 2 à 3 druppels tabasco, 1 eetlepel tomatenketchup of Worcestersaus en een scheutje citroensap alvorens zeer koud op te dienen. In het opmerkelijke recept haalde men aan dat de genoemde sausen kant en klaar te koop waren.[xxvi] Oesters kwamen voornamelijk enkel bij feestelijke gelegenheden op tafel. Ze werden voor de soep opgediend. Men rekende circa 6 oesters per persoon, een groot verschil met de voorgaande eeuwen. In 1965 ging de voorkeur uit naar rauwe oesters geserveerd op een open schaal met gestampt ijs, vers gemalen peper, partjes citroen en zeer dunne sneetjes bruin brood. Andere variaties waren oesters met fijngehakte sjalotjes of een pikante saus. In combinatie met een champagne brut, een witte Bourgogne, witte Bordeaux of een droge Elzasser wijn zorgden de gastheer en –vrouw dat het geheel nog feestelijker was. De etiquette bleef belangrijk: het oestervorkje lag in de holte van de soeplepel, met de steel schuin overliggend en de vingerkommen plaatste men links boven het bord. Deze werden voor de helft gevuld met water waarop een schijfje citroen dreef.[xxvii] Ons kookboek van de Boerinnenbond en het kookboek Koken voor elke dag van de Katholieke Arbeid Vereniging vermeldden de oesters pas voor het eerst in de jaren 1980. Naast rauwe oesters stond ook het recept van gegratineerde oesters vermeld. Het waren weinig creatieve gerechten. Oesters bleven standaard op het menu van de Belgische restaurants staan. Vaker werden ze op restaurant of tijdens banketten genuttigd dan thuis klaargemaakt, mede omwille van de moeilijkheid van het openen van de oesters.[xxviii] Vandaag liggen oesters in het bereik van een heel groot deel van de bevolking, maar nog steeds worden ze vooral bij feestelijke gelegenheden of op restaurant in beperkte aantallen geconsumeerd. Terzelfdertijd wordt dat andere schelpdier, de mossel, nog steeds in grote hoeveelheden verorberd.   [i] H. McGee, Over eten en koken, Wetenschap en cultuur in de keuken, Amsterdam, 2006, p. 450. [ii] A. Magirus, Koocboec oft familieren keukenboec, Leuven, 1612, p.134-135. http://www.kookhistorie.nl/index.htm [iii] Larousse Gastronomique, Antwerpen, 2006, p. 1563 en p. 359. [iv] L. Moulin, Europa aan tafel, een cultuurgeschiedenis van eten en drinken, Antwerpen, 2002, p. 359. [v] H. Sels en J. Schildermans, De verstandige kok: de Zuidnederlandse kookboeken van 1500-1800 : een cultuurhistorische benadering, ASG, 6, 2, april 1988, p.66. en Boek 359! [vi] L. Moulin, Europa aan tafel, een cultuurgeschiedenis van eten en drinken, Antwerpen, 2002. [vii] E. Cocks-Indestege en L. Depauw, Europa aan tafel in de Zuidelijke Nederlanden (15de eeuw – ca. 1650): catalogus van handschriften, gedrukte werken en prenten, in: Europa aan tafel. Een verkenning van onze eet-en tafelcultuur, Antwerpen, 1993, p. 186. [viii] H. Sels en J. Schildermans, De verstandige kok: de Zuidnederlandse kookboeken van 1500-1800 : een cultuurhistorische benadering, ASG, 6, 2, april 1988, p.23. [ix] Segers, Y., 'Oysters and Rye Bread: Polarising Living Standards in Flanders, 1800-1860', in: European Review of Economic History, 3, 2001, 301-336 (p.315), (p. 16-17 België kookt, de eeuw van Cauderlier) [x] P. Scholliers ,’Brusselse restaurants in de 19de en 20ste eeuw’, in: Buitenhuis eten in de Lage Landen sinds 1800, Brussel, 2002, p. 60. [xi] Larousse Gastronomique, Antwerpen, 2006, p. 1563. [xii] R. Pirlet, ‘Historiek van de ‘Ostendaise’, een parel onder de oesters, in: De grote rede, VLIZ, 2012, 34, p. 6. [xiii] R. Pirlet, ‘Historiek van de ‘Ostendaise’, een parel onder de oesters, in: De grote rede, VLIZ, 2012, 34, p. 5. [xiv][xiv] Niesten, E., Raymaekers, J., Segers, Y. en Woestenborghs, B., België kookt! De eeuw van Cauderlier, 1830-1930. Leuven, 2004, p. 16-17. [xv] M. Kurlansky, Oesters van New York, een stadsgeschiedenis, Amsterdam, 2006, p. 200. [xvi] Niesten, E., Raymaekers, J., Segers, Y. en Woestenborghs, B., België kookt! De eeuw van Cauderlier, 1830-1930. Leuven, 2004, p. 16-17. [xvii] http://www.dumaspere.com/pages/bibliotheque/chapitrecuisine.php?lid=c1&cid=459 [xviii] P. Scholliers ,’Brusselse restaurants in de 19de en 20ste eeuw’, in: Buitenhuis eten in de Lage Landen sinds 1800, Brussel, 2002, p. 60 en 66. [xix] http://www.dumaspere.com/pages/bibliotheque/chapitrecuisine.php?lid=c1&cid=1 [xx] P. Scholliers Arm en rijk aan Tafel, tweehonderd jaar eetcultuur in België, Berchem, 1993, p. 77. [xxi] Niesten, E., Raymaekers, J., Segers, Y. en Woestenborghs, B.,België kookt! De eeuw van Cauderlier, 1830-1930. Leuven, 2004, p. 16-17. [xxii] R. Pirlet, ‘Historiek van de ‘Ostendaise’, een parel onder de oesters, in: De grote rede, VLIZ, 2012, 34, p. 6 [xxiii] D. De Keyzer, De Keuken van Meesters en Meiden, Klassenverschillen aan tafel, Leuven, 2009, p. [xxiv] P. Scholliers ,’Brusselse restaurants in de 19de en 20ste eeuw’, in: Buitenhuis eten in de Lage Landen sinds 1800, Brussel, 2002, p.70. [xxv]D. De Keyzer, De Keuken van Meesters en Meiden, Klassenverschillen aan tafel, Leuven, 2009, p. 308-311. [xxvi] Het Kookboek van het Rijk der Vrouw. Deel 2. Vis, schaaldieren, schelpdieren, eieren, kaasgerechten, 1965, p. 99. [xxvii] Gazette van Aelst, 24 december 1965, p. 6/8. [xxviii] P. Scholliers Arm en rijk aan Tafel, tweehonderd jaar eetcultuur in België, Berchem, 1993, p. 242.

Sarah Luyten
0 0

Carpe Noctem

“Ik hou echt zo van deze avonden” zegt mijn moeder opgewekt terwijl we na een laat avondmaal nog even staan op te ruimen in de keuken.Op de achtergrond klinkt vanuit een ver verleden het zachtjes huilende trompetgeluid van Miles Davis op ‘Nuit Sur Les Champs-Elysées’.Ze bedoelt het soort avonden dat sinds september weer als een doek over een bühne vol speelse zomerdagen valt. Traag en geruisloos in nachtblauw fluweel. Avonden die je inpakken en in slaap fluisteren. Liefdevol en dwingend. Anders dan de avonden die je mee op sleeptouw namen en uitdaagden toen ze nog warm en lichthartig waren.“Ja, gezellig, he” zeg ik op mijn beurt terwijl ik een paar kletterende borden in de afwasmachine laad. Tegen de buitenkant van een klein raampje dat op de tuin uitgeeft, botsen per ongeluk een aantal nachtvlinders. Telkens opnieuw. Ze vatten het glazen gegeven niet zo. Dom.Als kleine fladderende schaduwen tekenen ze zich af tegen het steeds dieper wordende blauw. Tot alles straks zwart is en zij onzichtbaar in een verborgen wereld verder vlinderen.Meer nog dan van de avond ben ik een aanbidster van de nacht. Van hoe hij ontsluiert waar we eigenlijk al die tijd al waren. In een stille, donkere, eindeloos grote ruimte. Waar ik vrij spel heb in een groter gedaante. En ik niet langer verblind ben door fracties van de fraaie komedie die de dag aan het licht brengt. Daar kan eenzaamheid zich in eenheid verenigen. En zo een geheim bondgenootschap smeden. Ik had er altijd van gehouden.‘s Nachts studeren bracht diepere focus, ‘s nachts muziek schrijven meer poëzie. ‘s Nachts huilen bood snellere troost, ‘s nachts kussen meer liefde. In maanlicht baden meer wijsheid, sterren tellen meer hoop. Meer dan eens werd ik een nachtraaf genoemd door mijn moeder, zelf een notoir voorbeeld van laatslaperij. Ik wens haar een goede nacht, die ze pas later tegemoet zal gaan, en loop de gang in. Het licht laat ik uit.Tanend donkerblauw schijnsel leidt me de trap op naar boven, naar mijn oude kamer waar ik weer even logeer. Ik hou de gordijnen open om vanuit bed een blik te kunnen werpen op het heelalletje. Dat dromerige duister was waar ik ook altijd naar zocht in mensen, bedenk ik me op de grens tussen leven en slaap. Bij wie enkel rozengeur en zonneschijn te rapen viel, voelde ik me al gauw onvoldaan. Zo ook in de liefde had ik wel eens het gevoel gehad dat ik geen hoogte kon krijgen van iemands diepte. Niet in diens oneindigheid kon gaan dwalen. Dat ik hongerig op een openbaring bleef wachten. En enkel kreeg wat ik zag. Het moet een onverwachte verklaring zijn geweest voor de lieve jongen die ik ooit ontsloeg na zijn vlekkeloze stage als Trainee Love Assistant bij mijn levensbedrijf. “Ik vind je nacht niet” was al wat ik kon zeggen toen hij vroeg wat er dan mis was gegaan. Het bleef bij een one-night stand en duizend-en-één vraagtekens. Hij moest zijn eerste lessen nog leren over vrouwen met obscure harten.  

Jasmine Tomballe
0 0

We moeten praten

Half acht ‘s ochtends. Ik heb haast, want ik ben traag. En híj doet ook nog eens lastig. Stribbelt tegen. Hhhh. Ik pak ‘m beet en snauw “Serieus? Ga je me echt nú kloten?!”. Ik kwak ‘m net niet tegen de keukenmuur. Hij zegt niks terug. Onverstoorbaar als ie is. Dan maar de schaar erin. Koffiepakken zijn ook geen praters. Dat komt op zijn minst omdat ze niet leven. Ik praat eigenlijk gewoon tegen alles. Dead or alive. Stoot ik me aan een stoel is het van “Fckk, ga uit de weg!”. Een vuilniszak die niet uit de vuilnisbak wil wegens te dik: “Move, rotzak”. Pun niet eens intended. Fiets die niet wil balanceren op een hellend vlak : “Doe normaal, FIETS!”. Alsof het een belediging is. Dat wordt eender welk neutraal woord als je maar briest. Ik doe ook wel lieve dingen zeggen. Dan sta ik te roeren in de pan en zeg “Joepieee” tegen de quinoa want die pruttelt zo vrolijk. Quinoa geeft er geen reet om. Stoïcijns voedsel ook. Tegen de ventilator zei ik laatst bemoedigend “Yes, you’ll do the job”. Want ventilatoren verstaan natuurlijk alleen Engels ofzo. Hij blies gestaag verder onder mechanisch nee-geschud. De koffie is gezet. De stilte keert weer. Ik drink mijn kopje op het balkon om mijn zen te bewaren ondanks het genadeloos tikken van de tijd. De Toscaanse jasmijn die mijn kleine oase heeft overwoekerd, staat in volle bloei. En een slak die zich duidelijk niet bewust is van tijd, likt wat aan een bloem. “Halloooo, kleine slijmerd, is het lekker?” zeg ik met een hoog piepstemmetje. Dat doe ik tegen alle dieren wanneer ik ze begroet. Vinden ze leuk. Ik krijg althans geen klachten. Katten richten gewoonlijk eerst hun oren en kijken dan matig geïnteresseerd mijn richting uit. Daarna gaan ze resoluut voor oostindisch doof. Ze doen ook zo graag hard to cat. Tegen alle hondjes in da club zeg ik inspirerend “Hey, Woefie!”. Dan gaan ze met hun tong uit hun bek een beetje ter plaatste trappelen. En kijken me aan met een onwetendheid die aandoenlijk is. Iedereen verdient een vriendelijk woordje. Dat vind ik. En als ik later groot ben, word ik Franciscus Van Assisi. Een portie dagelijks brood later, zit ik op de fiets. Tegen de wind in kom ik nauwelijks vooruit en ik roep in het ijle “Hou hier maar mee op, ja!”. Een tiental meter voor me zie ik plots een bekende rug. Het is mijn collega Emma. Aardig meisje. Ik doe echter geen moeite om vaart te maken en probeer de afstand te bewaren. We hebben het soort contact dat alleen maar werkt binnen de bekende context. Als een sluipende schaduw blijf ik achter haar dralen. Wanneer ze de fietsenstalling inrijdt, heeft ze nog steeds niks in de gaten. Ik blijf nog een minuut langer buiten om helemaal niks op mijn telefoon te checken. Emma zal nu wel binnen zijn, gok ik. De kust is veilig. Ik stal mijn fiets en onderdruk een “Tot straks”. Na al dat gezwoeg vind ik dat ik een ritje met de lift wel heb verdiend. Die ontspanning gunde Emma zichzelf ook, zo blijkt wanneer ik haar bij de lift tref. Ik kom met een spontane “Heeey goeiemorgen, jij hier ook haha” voor de dag, maar daar stopt het dan. Ik weet niet wat te zeggen. Emma ook niet. Er valt een ongemakkelijke stilte. Tevergeefs probeer ik het nog met een slecht geconstrueerde mededeling over het weer, maar ik word inmiddels knalrood van mijn eigen onhandigheid. De lift is er. Nog vier etages gênant gezwijg. Boven zonder ik me af in de toiletten. “Goeie zet, weirdo” zeg ik tegen mezelf. “Ja, thanks…”.    

Jasmine Tomballe
0 0

Unie(k)

Ik zie mijn jas lopen. Ze kwam net uit een zijstraatje en slentert nu voor me.Er zit een meisje in. Ze draagt ook zwarte skinnyjeans en een paar achteloos coole Nike’s. Lang haar, zonnebril. Net als ik. Het is een uniform. Een soort code. Ik zag al eerder variaties van dit meisje. Ik ben er zelf één. Of zij één van mij. Het is maar hoe je het bekijkt. “Spiegel im spiegel” speelt in m’n hoofd. Ik wil weten wat wij betekenen. Zou dit meisje dezelfde dingen eten als ik, naar dezelfde muziek luisteren en bij dezelfde toffe hangouts hangen?Zou ze denken over de dingen zoals ik denk over de dingen?Houden van de dingen zoals ik houd van de dingen?Weet ze dat de meeste van haar waarheden alleen gelden in de dimensie van de mensen? Dat het hondje dat voorbij huppelt niet in sociale klassen gelooft, maar wel in hoe iemand stinkt. En dat de reiger die overvliegt zich niet afvraagt of hij wel mooi genoeg is voor de wereld plus schijt heeft aan landsgrenzen. Waardeert ze die waarheden ook?Hoe vaak werd haar hart al gestolen? En hoe vaak werd het al gebroken? Houdt ze überhaupt de tel bij of kiest ze inmiddels voor selectief geheugenverlies? Wat een boeven lopen er ook rond, hè meid…Maar daar komen we weer overheen. Dat zeggen ze allemaal.Ook de gekke man die net ons pad kruist. Die brult dat Jezus ons zal redden alsof zijn leven er van afhangt. Een andere man roept terug “Ik heb geen zus, ik zal mezelf wel redden dan”.Daar moeten we beiden om lachen kan ik zien terwijl het meisje opzij kijkt.Misschien hebben we hetzelfde soort humor. Lacht ze zich ook dood om haar eigen slechte grapjes. Misschien kent ze wel soortgelijke situaties als ik ken, soortgelijke mensen die ze vrienden noemt, soortgelijke mensen die ze niet meer wil kennen, vergelijkbare highs en lows.Ziet ze elke ochtend dezelfde zon en elke nacht dezelfde sterren.Daar wordt ze dan vast ook lyrisch of wel eens weemoedig van.Misschien heeft ze er soms geen woorden voor. Wie weet huilt ze dan stilletjes omdat het zo’n onbevattelijk gevoel is dat ze zo belachelijk klein is, maar tegelijkertijd zo groot als het hele bestaan. Zich afvragend waar ze mee bezig is terwijl ze dag in dag uit maar een beetje van hier naar daar loopt. Momenteel door een winkelstraat in Amsterdam met een onbekende in haar kielzog. Verbonden door een outfit, maar dat weet ze niet. Misschien door veel meer, maar dat weet ik niet.Wat als ze zich zo meteen omdraait en mij in haar jas ziet? Zou ze dan bang zijn dat ze niet uniek is of juist gelukkig omdat ze niet alleen is? Dat moment komt er niet. Ze loopt naar een bekende die haar naam roept.Ze heet Jasmijn, mijn jas.  

Jasmine Tomballe
0 1

Dit is het dan

“Zie je wat het is?” hoor ik A. in de luwte van mijn benevelde dagdroom vragen.We liggen versuft door de zon in het park. Omgeven door bakjes smeer-, dip- en grijpbaar voedsel en een halflege fles cava.“Hm?” vraag ik. “Wat die wolk is?” verduidelijkt A.Ik hou mijn hand als een klepje boven mijn ogen. Het is me meteen duidelijk.“Het is een nogal dikke hagedis met een lange neus en hij staat in aanvalspositie. Een soort Pokémon ofzo. Hij ziet er niet uit, maar je lacht je dood en dat is zijn tactiek”.“Ik zag iets totaal anders” zegt ze lachend. “Voor mij was het een kromme opa met een pet op”. Nog eens kijken hoe ze dat erin zag. Er blijft niets over van wat zij of ik dachten te zien. De wolk is weer wat anders.Is het een vogel? Is het een vliegtuig?Ik zoek tevergeefs naar een beeld of een concept om te labelen, maar slaag er niet in om er meer van te maken dan “Nu is het een wolk”.“Wil je nog een aardbei?” vraagt A. Ja, ik lust wel iets concreets.Ik vraag haar hoe die ene date met die leuke kerel nog was verlopen.“Jahhh…” zegt ze terwijl ze haar wenkbrauwen hoog optrekt.Met zo’n intro kan het nog alle kanten uit.Ze vertelt me wat een ontzettend leuke avond het was geweest. Dat hij het zo gezellig had aangepakt en dat ze het meteen goed met elkaar konden vinden. Geen rare stiltes. Grapjes maken. Hij een gentleman. Zij haar eeuwige vlotte zelf. Zonsondergang erbij.Ik merk dat ik meeleef zoals met eender welke romcom. Mijn ademhaling zit hoog en ik heb een glimlach van oor tot oor.Zo keek ik als kind ook naar Disneyfilms. Die shiny prinsessen leerden me hoe ik en de liefde er moesten uitzien.Ik vraag net niet smachtend wanneer ze hem weer terug zal zien en in mijn hoofd klinkt “Dit is het dan” (link) uit Assepoester.“Hij laat niet meer van zich horen.”“Wat?!” Ik sproei een halve aardbei door mijn tanden heen en Assepoester is ook toedeledokie.“Ja…plots ging hij heel lang wachten met terugsturen en op mijn laatste bericht heeft ie zelfs niet meer geantwoord. Ik snap er niets van want het was echt heel leuk. Ik vraag me al heel de tijd af of ik iets verkeerd heb gedaan of dat er wat mis met me is ofzo. Of misschien is het toch gewoon een botte eikel?” Arme A. Zulke twijfels voor zo’n leuk meisje.Ik zeg:”Nee schat, je zag een droomprins. Nu wil je een botte eikel zien. Maar hij was altijd al gewoon een wolk. Laat hem en je idee over wie hij is dus varen, want panta rhei.”“Panda wat?” probeert A. nog. Snoever ben ik ook.“Alles stroomt.” Alsof ik het zelf heb verzonnen. “Ook cava trouwens. Wil je nog?”Ja, ze lust wel iets concreets.

Jasmine Tomballe
3 0

Mijn Liedje

Ik fiets door een eindeloos lange straat.De wind waait scherp langs mijn jukbeenderen en ik hou mijn ogen strak toegeknepen.Alsof ik gepolijst word tot een aerodynamische pijl.Ik ga ook pijlsnel. Om me heen verandert het decor voortdurend. De huizen, stoepranden en dwarsstraten worden herleid tot lijnen en vlakken die in vijftig tinten grijs aan me voorbij trekken.Een grafisch perspectief waarin alles leidt naar dat ene punt.De horizon die ik steeds verleg.Nu en dan fiets ik onder een boom door en high five ik met laaghangende takken.Ik ben graag in contact met de natuur. En zij met mij.Dat bewijst ook de zwerm zwarte vogels die als confetti in de lucht uitwaaiert om mijn naderende thuiskomst te vieren.Precies op het moment dat de strijkers in het nummer waar ik naar luister alles opentrekken.De dynamiek zakt weer in tot een donkere baslijn met af en toe een rauw klikkend geluid dat perfect past bij het schichtige oogcontact dat ik maak met mijn tegenliggers.Ze zijn figuranten in mijn mentale videoclip.En ze weten verdraaid goed hoe ze zich moeten verhouden tot de beat en de structuur van mijn muziekje. Hun choreo is er geen van de willekeur.Bijna zou ik denken dat iedereen en alles mee in dit muzikaal complot zit.Tot ik mijn oortjes even uitdoe om de supermarkt binnen te gaan.De jongen die daarnet nog een lichtend aura om zich heen had door het zonlicht op zijn blonde haren, staat nu zijn mooie hoofd te breken over stamppot met worst of kip teriyaki met eiernoedels.Weet hij veel dat hij een tijdelijke god was in mijn muzikaal epos.En dat hij daar voor veel uitdagendere keuzes kwam te staan.In deze banale sfeer verdenk ik hem vooral van chillend in zijn boxershort na Kip Teriyaki te kiezen tussen Like of Nope op Tinder.Ach ja, dat heet ook liefde, toch?Niemand lijkt zich overigens te haasten op dit drukke uur en veel mensen slaan bananen, mango’s en ander rielekst paradijsvoer in.Zou het komen omdat Jack Johnson de soundtrack voor deze supermarktscène verzorgt?‘If music be the food of love, play on’ zei die ouwe Shakespeare.Dat moet het meisje van de kassa zich nu toch ook bedenken.Ze kijkt me namelijk betekenisvol aan, dus ik geloof haast van wel.Dan vraagt ze of ik de bon wil. Die wil ik niet. Ik wil terug naar mijn solotrip.Weer buiten op de stoep zoek ik nog even naar fijn geluid voor de laatste meters.Ik scroll voorbij een aantal nummers die ik niet wil opzetten.Niet omdat ze niet mooi zijn. Juist omdat ze mooi zijn.Omdat ze een persoon zijn.‘Ik wil je nu niet horen’ fluister ik hem in gedachten toe.Dat mijn telepatische gaven nihil zijn en hij het nooit zal horen, is bijzaak.Hij weet toch ook al niet dat hij zich schuilhoudt in een playlist waar ik vrij over beschik.Ik vroeg ‘m nooit “Wil je mijn liedje zijn?”Daar was geen wederzijdse toestemming voor nodig.Hij vroeg het ook nooit aan mij. Niemand eigenlijk.Misschien ben ik ook wel een latente traan in iemands playlist.Of juist een brede lach. Je weet het nooit.Ik druk op play en word getroost door een stem en zacht gitaargetokkel bij de ondergaande zon.Kwestie van de juiste snaar te raken.    

Jasmine Tomballe
0 1