Lezen

De verdachte spaarpot is plagiaat!

Stiekem hebben de eeneiige tweelingzussen Emma en Ruth een speciale spaarpot aan de muur hangen op zolder. De spaarpot ziet er hetzelfde uit als het kunstwerk van Aglaia Conrad dat aan het provinciehuis hangt in Leuven.  Stiekem hebben zij dat nagemaakt, omdat niemand dat zou herkennen als een spaarpot en denken dat het een geliefd kunstwerk van hun is dat ze hebben nagemaakt, omdat het originele onbetaalbaar is.  Een slot heeft de spaarpot ook maar zij houden die altijd verborgen.  Niemand mag weten dat zij sparen om een fotografieopleiding te volgen en zeker hun grootouders Arthur en Angèle niet, waar zij van kleins af bij wonen.  Zij zitten nog in hun oude tijd en willen absoluut dat vrouwen aan de haard blijven of als verpleegster en/ of kinderoppas werken. Wat vinden zij een opleiding nutteloos, maar de tweeling niet!  Om aan de kost te komen gaan zij tegen hun goesting het beroep van verpleegster beoefenen.  Veel verdient het niet, want zij doen al enkele jaren veel moeite om te sparen.  Die soort job verdien je weinig, ondanks dat het lastig is.  Ook moet de tweeling een stuk van het geld afstaan aan hun grootouders voor huur en voedsel, en er is weinig over voor vrije tijd.  Op dit moment zijn Angèle’s en Arthurs gezondheid snel achteruit aan het gaan en daarom moeten zij naar het ziekenhuis.  Waarschijnlijk zullen zij daar sterven.  Dus maakt de tweeling een plan om naar Hasselt te gaan verhuizen voor een opleiding van fotografie te volgen.  Zij denken aan een deeltijdse opleiding aan de academie voor fotografie, want genoeg geld voor die richting aan de hogeschool te studeren hebben ze niet.  Dan maar een deeltijdse, en er zijn tenminste geen voorselecties om toegelaten te worden als student.  Nu dat de grootouders in het hospitaal liggen, verhuist de tweeling stiekem naar Hasselt.  De laatste dag voordat ze officieel in Hasselt trekken, steelt een dief rond middernacht de speciale spaarpot.  Eigenlijk is hij op zoek naar waardevolle spullen en trekt hij dat namaakkunstwerk aan en daarom besluit hij dat om mee te nemen, maar hij weet niet dat er geld in zit.  Zonder dat de tweeling het weet, is hij verzot op het kunstwerk van Aglaia Conrad en wil hij het zelf hebben.  Eigenlijk denkt hij dat het namaakversie het echte is, want de tweeling heeft het nagemaakt door een foto van dat kunstwerk op internet te zien.  Zoals gewoonlijk draagt de dief een bivakmuts en zwarte kleren.  Ook heeft hij een revolver mee.  Vooraleer Emma de spaarpot tegen haar zin afgeeft aan de bandiet, drukt hij met de revolver tegen Ruth.  Hij is van plan om haar dood te schieten.  Gelukkig gebeurt dat toch niet.  En verwittigt zij vlug de politie.  Ondertussen onderzoekt de dief nog heel de zolder.  Hij vindt nog gsm’s en de laptop van de tweeling.  Die neemt hij ook mee en steekt hij op zijn gevoel in zijn rugzak.  Op het moment dat hij alles inpakt, is het licht uit.  Ook doet hij dat voorzichtig in stilte.  Terwijl Ruth de misdaad uitlegt aan de telefoon, probeert Emma de dief weg te jagen.  Zij probeert dat door het geweer uit zijn arm te rukken.  En dat is gelukt.  Om de dief te laten verschieten, schiet zij zelf in de muur en ondertussen staat de dief achter haar.  Emma schiet zelf niet op de dief, omdat ze weet dat het moord is en daarvoor gestraft kunt voor worden.  Ook is dat voor zelfverdediging.  Hij verschiet zich een bult en springt door het venster naar buiten.  Ondertussen zijn er twee politieagenten aangekomen.  Op tijd hebben zij de dief kunnen opvangen met hun handen en heeft hij zijn val overleefd.  Snel lopen kan hij niet meer en is het voor de politie gemakkelijk om hem handboeien te doen en met hem naar de gevangenis te gaan, maar eigenlijk gaat hij vooraleer hij naar de gevangenis gaat, eerst naar de kliniek voor een grondig onderzoek.  Natuurlijk moet de tweeling mee naar het politiebureau voor hun angstwekkend verhaal te vertellen.  Zelfs de buit van de dief is mee voor onderzoek.  Op het bureau verteld de dief één maand na zijn herstelling zijn avontuurlijk en vreemd verhaal, maar natuurlijk in zijn versie en eigen woorden.  Eén maand daarvoor heeft de tweeling dat ook gedaan.  Het is verwonderlijk dat de dief nog leeft en zo vlug is hersteld.  Normaal lig je daarvoor enkele maanden als een plant te leven en alles opnieuw vanaf nul leren zoals een baby.  Maar uiteindelijk worden zowel de dief als de tweeling gearresteerd.  Natuurlijk is de reden voor de dief de diefstal, maar de tweeling is beschuldigd op het namaken van Aglaia’s kunstwerk.  Daarvan is het gevolg dat de tweeling schulden moet betalen aan Aglaia.  Het bedrag voor de schadevergoeding is 100 000 euro, maar het ergste is wel dat zij daarvoor heel hun spaarboekje van op de bank volledig leeg moeten maken, want er staat daar 100 000 euro op.  Ondanks dat de tweeling tegen zijn zin betaalt, doen zij het toch!  Anders krijgen zij dan straf levenslang in de gevangenis.  Gelukkig is er geen sprake van de doodstraf!  In België mag dat niet uitgevoerd worden, omdat het onmenselijk is!  In de staat Texas, V.S. is dat nog vanzelfsprekend!  Nadat de tweeling betaald heeft, krijgen zij vijf jaar gevangenisstraf.  De dief krijgt maar amper drie jaar.  Dat vindt de tweeling niet eerlijk!  Als gedacht in hun hoofd hebben zij een verwachting dat zoiets bij vrouwen normaal is, omdat zij zich moeten gehoorzamen en agressief gedrag minder vanzelfsprekend is dan voor mannen.  Dus worden vrouwen volgens hen strenger gestraft!  Als de dief ontslagen is uit de kliniek, begint het onderzoek definitief.  Meteen na de diefstal wordt ontdekt dat de spaarpot pure namaak is, maar verder is er geen onderzoek.  Dat gebeurt pas als de dief vanaf de eerste werkdag in de gevangenis zit.  De politie weet dat omdat het echte kunstwerk nog steeds aan het provinciehuis van Leuven hangt.  Ten tweede valt er geen spoortje schade te bespeuren.  Daarom besluit men na het onderzoek van de spaarpot hem te vernietigen in duizenden kleine stukjes en dat gebeurt met een machine, want zo blijft er niets van over.  Trouwens is dat ook een goede reden om het verleden uit te wissen  Voor dat het vernietigt wordt, ontdekken de onderzoekers geld in de spaarpot, omdat zij er per ongeluk daaraan is geschud.  Dus breken zij de spaarpot open en vinden zij het geld.  Omdat zij het unieke verhaal van buiten tot in de details kennen, kunnen zij direct de eigenaar identificeren.  Men weet gewoon dat het de tweelingzusjes Emma en Ruth zijn.  Uiteindelijk krijgen de tweeling toch hun som centen terug.  Het wordt eerlijk verdeeld, want Emma en Ruth hebben beiden de helft van hun bedrag teruggekregen.  Hun geld wordt op elk zijn spaarrekening gestort.  Door goed gedrag in de gevangenis komt de tweeling vrij.  Alleen de pers merkt daar iets van, omdat hun grootouders ondertussen zijn gestorven na ziekte van enkele maanden waardoor zij verbleven in het ziekenhuis.  Daar weet de tweeling niets van, want post krijgen in de gevangenis mocht niet.  De papierversnipperaar op het secretariaat van de gevangenis vernietigt ontvangen brieven voor gevangenen direct.  Dus is er weinig vrijheid, want je mag buiten geen post ontvangen, amper 2 uur per dag buiten en soms zelf bij slecht weer, werken voor een hongerloon, …  Ondertussen pleegde de dief zelfmoord na één jaar in de gevangenis te zitten.  Hij werd er zo depressief en agressief van de kleine ruimte in zijn cel en de vrijheid en burgerrechten die men zo heeft afgepakt.  De tweeling had dat gevoel ook, maar toch vochten ze door tot de vrijheid in de buitenwereld waar alles mag!  Ze zijn trots dat ze het gehaald en overleefd hebben.  Als de tweeling terug worden vrijgelaten, ontvangt uitsluitend de pers hun aankomst.  Trouwens zijn de grootouders van de tweeling een half jaar na de feiten van hen aan een ziekte overleden, en verder hebben ze geen familie en vrienden waarmee ze close zijn.  Dat nieuws halen alle voorpagina’s van de kranten in Vlaanderen.  Ook bij de diefstal was dat zo.  Dat bericht maken mensen blij.  Dus biedt de gemeente waar de tweeling voor de feiten woonden, aan hen een sociale woning.  Zij nemen die aanbieding meteen aan, want veel keuze is er niet en ten tweede is het spotgoedkoop.  Met een inkomensvervanging van het OCMW moeten ze ermee leven en dat is 500 euro per maand.  Dat is niet veel en dus kunnen zij nog altijd hun fotografieopleiding niet betalen.  Daarom besluiten de buren hun volledig te sponsoren en maken zij hun droom waar.  Zij zijn ermee gelukkig en ook blijken ze talent te hebben, want bij hun allereerste fotowedstrijd winnen zij de eerste prijs.  Voor de rest hebben zij genoeg om mee te leven en voelen zij zich verder goed.  Maar een betaalde job vinden, blijft een probleem, omdat zij gevangen zijn geweest en dat hebben werknemers niet graag.  Om hun tijd toch maar zinvol in te vullen doen zij vrijwilligerswerk voor ex-gevangenen te helpen, want die wereld kennen zij grondig.  Voor de rest gaat het gewone leven van de tweeling voort en zetten zij zich in voor de ex-gevangenen waardoor zij meer in de schijnwerpers staan.  Door hun inzet worden zij beloond door de gemeente en daardoor voelen zij zich steeds beter en beter, terwijl hun leven gewoon verder blijft doorlopen tot de dood.               

Amina
4 0

Opgesloten!

De tweeling Pablo en Angelo zijn elk 1,20m lang op het moment dat zij volwassen zijn.  Daardoor ondervinden zij dagelijks problemen die voor de gewone man vanzelfsprekend zijn zoals bijvoorbeeld hoge winkelrekken.  Op een warme zomeravond gaan zij met de trein naar Hasselt voor een grote fuif op het Kolonel Dusartplein.  Daarvoor hebben zij zich opgedirkt in een jeansbroek, een wit hemd met lange mouwen en geklede zwarte schoenen.  Hun moeder heeft die speciaal voor deze gelegenheid gemaakt.  Daar zijn zij dankbaar voor, want bij de kindermaten vinden zij niets wat hun aanstaat.  Bij aankomst in Hasselt tellen zij nog vlug hun geld of dat zij voldoende hebben voor een plezierige avond.  Beiden hebben amper 15 euro op zak.  Dus naar de bank reppen.  Ook al is het 8 uur ’s avonds en zijn ze dan gesloten.  Pech, he!  Dan moeten zij naar het loket met uitsluitend machines. Zij gaan daar binnen door kaart te laten checken door een verborgen chip achter de deur.  Probleemloos raken zij binnen.  Angelo merkt dat de automaten verdomd hoog staan.  Hij vloekt op een luide toon: ”Verdomme! Hoe moeten wij dat oplossen.”  Ook vraagt Pablo dat zich ernstig af.  Volgens hem moet je wachten tot dat iemand komt met een normale lengte.  Dat idee houdt hij ongemerkt één uur aan.  Tijdens die tijd is er een discussie ontstaan voor een oplossing door middel van kibbelen.  Na een tijd wordt het te veel voor Pablo.  Hij wil naar de politie telefoneren met de GSM.  Hij begint eraan, maar ondertussen heeft Angelo een ongeloofwaardig idee.  Pablo zet zijn toestel vliegensvlug uit en luistert aandachtig naar Angelo.  “Is het goed dat wij om beurten op elkaar rug klimmen.  Zo kunnen wij tenminste aan de knoppen, want samen maken wij ons langer.”  Pablo vertelt op een enthousiaste manier aan hem dat hij het wil uitproberen.  Angelo start ermee door op zijn knieën te zitten.  Op zijn schouders duwt Pablo zichzelf op.  Het lukt, maar Angelo doet meteen een poging om recht te komen.  Ondertussen zucht hij van de zware proef.  Als hij volledig recht staat, blijkt de lengte te veel.  Dan maar bukken.  Plof!  Hij valt en is buiten adem!  Tijd voor rust! Angelo valt in slaap.  Pablo kijkt naar buiten.  Hij ziet mensen op de gratis bus instappen naar de fuif, want een groot deel is extravagant gekleed.  Rokken die alleen de billen bedekken, T-shirts met blote buik voor zowel mannen als vrouwen.  Als hij dat beeld ziet, doet het pijn.  In plaats van te feesten is hij opgesloten. Niemand van de voorbijgangers bekommert hem en Angelo.  Er is trouwens in die tijd ook niemand in de bank geweest.  Hij mijmert ondertussen waarom niemand hem komt helpen.  Daarbij begint hij ook te huilen.  Pablo’s huilbij is nog niet over.  In gedacht wil hij kloppen en tieren op de ramen.  Toch helpt die mogelijkheid er volgens hem niet, want de sterke en grote deur isoleert het geluid. Hij besluit zonder medeweten van Angelo om een methode voor hulp, want steeds slaapt hij nog.  Voor het raam klopt hij met zijn handen, stampt daarbij op de grond met zijn voeten.  Ook schreeuwt hij met zijn mond. Ondertussen wordt Angelo bruut wakker.  “Wat ben je aan het doen, Pablo?” vraagt hij op een mompelende manier aan hem.  “Ik moet methoden vinden om hulp te vinden, maar mijn lawaai helpt blijkbaar niet.  Tegenover daarstraks loeit de muziek in heel de stad.”  Angelo kijkt ondertussen naar zijn horloge.  “Is het al half 11?”verschiet hij zich als een bult. Angelo stemt daarmee in en is ermee akkoord.  Ze proberen iets nieuws.  Op het moment voelt hij zich onzeker voor een goed resultaat van de proef.  Pablo zit in kruipstand zoals een baby.  Om te beginnen met die proef, doet Angelo zijn schoenen uit.  Dat is om Pablo geen pijn te bezorgen, als hij op zijn rug staat.  Ten tweede voelt dat wat zachter aan.  Hij gaat er voorzichtig opstaan.  Dit met de steun door de rand van de automaat te vastgrijpen. Zo creëert hij een goed evenwicht.  Hij geeft ondertussen dat evenwichtsoefening zijn beste kant niet is.  Het resultaat blijkt dat hij er gemakkelijk aan kan.  In zijn broekzak zit zijn portefeuille en op het gevoel zoekt hij met één hand zijn bankkaart.  Dat verloopt vlot.  Ook met één hand bedient hij de automaat.  De andere hand blijft hij steeds aanhouden op de muur, want goed in evenwichtsoefeningen is hij niet.  Maar uiteindelijk lukt het onverwachts toch.  “Opdracht volbracht!” roept hij op een trotse, vrolijke toon.  Het lijkt al precies zingend.  En een proficiat voor hem komt enthousiast terug van Pablo.  Daarna wordt de proef op het omgekeerde manier gedaan.  Pablo probeert dezelfde methode als Angelo.  Ook met succes. Dan volgt het verlaten van het gebouw.  “Geen gemakkelijke klus!” denkt Pablo.  Dat denkt Angelo ook, want via een reportage over mensen van dwerggroei, heeft hij eens een vrouw gezien die ook eens opgesloten zat in de bank, omdat de sensor van de deur haar niet zag.  Zonder iets te zeggen, voelen zij elkaar de spanning aan.  Beiden bibberen hevig van de angst.  Zijn wij eindelijk verlost of moeten wij wachten op iemand?  De deur heeft een lange, stalen klink aan de zijkant.  Daaraan houden Angelo en Pablo hun handen vast en trekken gedurende enkele minuten eraan.  Maar de deur gaat niet open!  “Het zou aan de sensor liggen van de deur.”zegt Angelo.  En Pablo vraagt aan hem wat dat wil zeggen.  Angelo legt op een schoolachtige manier uit aan hem dat de computergestuurd machine is die leest dat mensen het gebouw verlaten.  Op die manier gaat de deur normaal automatisch open.  Voor Pablo is zijn uitleg duidelijk.  Ook begrijpt hij dat. Het is al middernacht en nog steeds niemand binnengekomen.  Waarschijnlijk moeten zij die fuif maar vergeten, want hij duurt tot 3u ’s nachts.  Aan hun lot denken zij al aan.  Tijdens het wachten op hulp rollen bij beide personen hun tranen.  Daarbij geven zij hun hand aan elkaar vast voor troost en teken op hoop.  Ondertussen rusten hun hoofden op de knieën en kijken toch naar buiten.  Om halféén komt een stadswachter toevallig in de bank, want hij heeft de tweeling gezien.  Hij is een grote man met een zwarte broek en een paarse jas aan. Vriendelijk begroet hij de tweeling en bevrijdt hij eindelijk.  Even zijn Pablo en Angelo spraakloos en bedanken hem vriendelijk.  Ook vertellen zij hun verhaal en hij heeft er begrip voor.  Als beloning daarvan, gaan zij samen reizen met de pendelbus naar de fuif.  Ook geeft hij aan hen de tip om alleen tijdens de openingsuren naar de bank te gaan, omdat de kans op hulp groot is. Meteen vindt de tweeling dat een goede tip die zij blijven onthouden en in het vervolg op die manier ook daadwerkelijk gaan uitvoeren.  Aan de stadswachter beloven zij dat en geven aan elkaar een stevige handdruk bij het afscheid.      

Amina
7 0

Foute verliefdheid is toch maar fake

Ik hoor gefluit in de verte.  Ik draai me om. Voor me zit een jongen te staren.  Ook ik staar er naar.  “Wat heeft hij met me te zoeken?” denk ik.  Hij draagt een jeansbroek met brede pijpen, een zwarte leren jas, zwarte schoenen en een zwarte muts met witte strepen.  Hij vraagt aan me wat mijn naam is.  Ik antwoord op een vriendelijke manier aan hem: “Chiara.” Hij verwondert zich, omdat hij het een  hele mooie naam vindt. “Dat past bij zo’n mooi en lief meisje met lang blond haar.”denkt hij.  Ook de lange bruine rok met de rode jas die zij draagt, staat haar beeldig. “Ik heet Amadeo.” stelt hij zich spontaan voor aan haar.  Hij neemt haar hand vast en trekt haar naar zich toe.  In haar oor fluistert hij dat ze een oogje op haar heeft.  Ik geloof hem toch niet echt.  Je kunt toch niet plotseling verliefd worden op iemand die je niet kent.  Ik heb het vroeger al eens vaak meegemaakt dat gewone jongens met me een babbeltje willen slaan. Ze lijken op het eerste moment leuk.  Dan nemen de jongens plots vast en doen ze ongewenste intimiteiten met me.  Ook zij beloven van alles aan en uiteindelijk komt er niets van terecht.  Zoals allerlei cadeaus kopen, telefoneren naar me, …  Het zijn gewoon macho’s.  Zij zijn enkel uit op de seks. En onmiddellijk! Niet op liefde!  Ik wens die dingen absoluut niet.  Er kunnen daarvan erge dingen ontstaan zoals geslachtsziekten en ongewenste zwangerschap, maar waar ik nog altijd het meest voor bang ben, is afgewezen worden.  Ik weet niet waarom jongens me vaak uitpikken om zomaar iets met me te beginnen.  Is het mijn uitstraling?  Sinds dat me die dingen vaak zijn voorgevallen, laat ik altijd mijn schaarse, sexy kledij van uit mijn tienertijd thuis.  Zelfs kleed ik me iets ouder dan mijn leeftijdgenoten. Om tenminste niet als een jong onschuldig meisje behandeld te worden. Amadeo heeft zijn hand laten glijden tot mijn billen.  Hij wrijft er zeer zachtjes aan.  Ik merk het zelf niet eens op. Ondertussen pakt Amedeo met zijn andere hand een briket en een sigaret uit zijn broekzak.  Hij steekt zijn sigaret in zijn mond en laat het branden.  “Wil je een vuurtje.”  Ik knik: “Ja.”  Ik ben nieuwsgierig naar de smaak.  Hij laat de sigaret in haar mond stoppen en neemt daarbij een trekje.  De smaak is vies.  Zij spuugt de sigaret en valt meteen op de grond.  Meteen kucht zij vaak enkele keren.  “Gaat het?”  Ik antwoord van wel.  Amadeo’s hand zit nog altijd bij Chiara’s billen.  Nu glijdt die hand naar haar kittelaar.  Ik voel een opwelling van warmte.  “Zou dat een leuke zijn of niet?”  Ik twijfel.  Even laat ik hem doen tot dat hij me een poging wil wagen om te tongzoenen.  Ik trek met mijn hand zijn hand uit mijn rok.  “Zeg, wat is dat?! Moet je me niet meer hebben?!”  Ik vertel aan hem dat ik van hem hou, maar dat ik dringend de bus moet nemen om naar een vergadering te gaan.  “Tot ziens!  Mag ik nog even je telefoonnummer hebben?”  Hij haalt zijn GSM uit zijn broekzak en toetst die nummer vliegensvlug erin.  Ondertussen wuif ik hem uit en ga ik naar de bushalte.  Even later staat Amadeo bij me aan de bushalte.  “Wil je met me iets drinken?”vraagt hij kordaat en vriendelijk.  “Nee, ik moet naar een vergadering.  Ik heb niet veel tijd.” zeg ik luid en kordaat terug.  “Kan je die niet voor één keer missen?”  “Nee!”schreeuw ik het uit en ik geef hem een stevige duw.  Ook kijk ik weg van hem.  In mijn binnenste heb ik een smoes verzonnen om bestwil, om van die jongen af te zijn.  Op die manier lukt het altijd op iemand weg te jagen.  Dan word ik tenminste met rust gelaten.  Nu is het niet mijn doel, om naar een vergadering te gaan, maar naar huis te gaan.  Ik verzon die vergadering als excuus, omdat mensen dit als reden zien, om niet verder op je gesprek in te gaan.  Een vergadering voor hun, is een excuus dat ze kunnen inzien dat ze geen tijd hebben.  En naar huis gaan niet.   Amedeo verschiet hard.  Hij loopt weg en trekt een vies gezicht maar me, maar ik zie het gelukkig niet.  Daarna zie ik hem niet terug.  Ik stap met een gerust gevoel op de bus naar huis.  Ik ga Amadeo gauw vergeten, want die typische jongensmanieren staan me niet aan.  Een hoop op een man die uit is op liefde en serieus met me wil optrekken is nog steeds niet uitgestorven.  Ik zoek er niet express naar, want vaak komt dat fake over.  Ik wacht wel tot het zover is.

Amina
0 0

Droom

Ik zit in een kamp vol met para's. Eén en al getrainde mannen die elkaar al ongeveer 4 jaar kennen. Ze hebben samen voor de zotste opdrachten gestaan, hebben muren beklommen, met kanonnen geschoten, in Afghanistan gezeten en onlangs nog de straten van Antwerpen bezet. Hoe ik op de moto ben geraakt met die groenmuts weet ik niet meer. Toch zit ik achterop, zonder helm, wanneer we het kamp binnenvliegen. We schuiven uit. Ik rol door de modder en bij mijn eerste rechtstaan herken ik het gezicht van mijn beste maat. Hij, helemaal gekleed in kaki-uniform, met de dolk en zilveren vleugels aan de arm genaaid. FNC in aanslag. "Wat doe jij hier?" "Ik..." "Sssscht, STIL!" Door zijn STIL wordt godverdomme heel het kamp wakker. Een sergeant: "De eerste oefening is simpel. We schieten op alle bewegende levende wezens." (weliswaar met losse flodders) Enkele mannen richten hun geweren op mij. Het voelt nog steeds vreemd aan om in de loop van een geweer te kijken. Zeker in drie tegelijk. (met twee ogen) De sergeant gaat verder: "Om te beginnen op 38° Breedte en 55' naar het Oosten. Die perimeter kennen jullie al." Ik zit bij hen als een vod, als een indringer, niet op zijn plaats, toch geïntrigeerd door de broederschap van het hele peleton. De mannen laten hun FNC's knallen. Ik verschiet, sluit mijn ogen en onderga het geluid. Wanneer ik mijn ogen open, zie ik mijn vriend me aanstaren. Rechtstreeks. Uit het bos komt een vrouw met een hond gewandeld. De hond is een labrador. Of een scheper. Zij omarmt de sergeant langs achteren. Hij pronkt. Hij geniet van de tong van zijn vrouw en knipoogt mijn richting uit: "Nu begint het pas!" zegt-ie. Ik bons.

Sébastien
21 0

Normaal zit ik nooit boven

Normaal zit ik nooit boven. Beneden, daar hoor ik thuis. Zonder contact, zonder ogen, enkel mijn pen om het hartzeer te dogen. Hoog en droog, zo zou ik deze zetels noemen. De troon van het verhevene. Mario staat op het hoogste blokje terwijl de rest onder water verdwijnt, wegkwijnt. Toch moet-ie ooit eens verder. Ie-moet op zoek naar zijn broodje met ananas en gebraden kip, getopt met peterseliedressing. Anders zakt-ie in elkaar, is-ie kwaad op de wereld en weet-ie dat ie nooit vooruitgeraakt. Toch kan halt houden eens leuk zijn. Zelfs genotswekkend. Tijd sijpelt weg en de indruk om iets te moeten doen is aloverheersend. Alle levels zijn op tijd. 300 seconden om het einde te bereiken. En dan liefst nog met een ster. Allemaal stukjes verviegende tijd en opsommende delen die samen de tikkende tik-tik-tak vormen van je hart. Kloppen zal-ie altijd blijven doen. Tot je erbij neervalt. Dan is er geen ruimte meer voor Dire Straits of Mozart. Dan is het een leven lang zonder koptelefoon. En wat ge je dan zeggen tegen het crapuul? Ja jongens, doe maar? Neem mijn genot maar af, mijn manier te dromen en te zien. Laat jullie maar meeslepen in de laagste riolen van de stad, geen enkel drinkwater geraakt er mee besmet, enkel de ratten zullen het geweten hebben. Niet alleen de onderwereld zal jullie gekend hebben. Ook fracties van de onzen zijn aan jullie blootgelegd, weliswaar veel te weinig. Wie weet zijn het er wel genoeg geweest zodat we niet verderfelijk moesten meeproeven van jullie slechtgemendge icetea met Aldi-wodka en Martini met appelsap dat goed is om nog te hydrateren en om maagzuur te kotsen tegen grafittimuren die vol staan met kunstzinnige uitspattingen van verloren honden die niet weten waar ze moeten pissen in de goot, in de wijk of in de straten van het toverbos. Laat ons allen bidden voor de onheiligen en de verlorenen, laat ze de paden terugvinden naar de harmonie en naar de velden van vertier. Hetgeen wel menselijk en zalig is. En laat de klagers maar klagen en roepen aan de zijlijn. Er is niets makkelijker dan klagen over de nietsvermoedende mens, maar het is nog erger om hem zelf te zijn. Ik zou me niet willen voorstellen wat het moet zijn om te bijn vastzitten in het oneindige. Enkel met haar misschien, met de bruinharige prinses wiens levenkrullen uren aandacht kosten te analyseren. Een oneindig groot kapsel. Of ik: oneindig klein er middenin verdwaald. Dan kan ik leven tussen het struikgewas van haar oppervlak. Dan kan ik schuilen in haar holtes. Dan kan ik me voeden van haar zwart en zweet. Honger naar meer -

Sébastien
0 0

Oneindig Zielloos

Ik hoor de trompet in mijn oren. Het voelt zo vertrouwd aan. Waarom weet ik niet. Betoverend, feeëriek en ravissant. Dat zijn de drie beste woorden die ik hiervoor kan beschrijven. Het voelt alsof ik de hele wereld aankan. Het geeft mij een vrij gevoel. Ik wil dit nooit meer kwijt. Het moet voor eeuwig blijven zitten waar het zit. Voor eeuwig.   Ik zit op een bank in het park. Ik denk aan de stilte, de rust, de vogeltjes die fluiten. Ik adem diep in, en diep uit. Ik voel dat ik leef. Ik heb een slechte tijd doorgemaakt, maar daar wil ik nu niet meer aan denken. Ik wil buitenkomen voor wie ik ben. Ik wil vrij zijn. Dat vind ik hier, nu. In deze rust en stilte. Ik voel me gelukkig. Dat heb ik in maanden niet meer gevoeld. Ik wil dit nooit meer opnieuw meemaken. Daarom wil ik ervan genieten. In mijn eentje. Ik kan het alleen. Daar heb ik niemand voor nodig. Want ik voel me sterk, helemaal alleen. Ik kan gewoon worden aan dit. Ik wil dat dit hier eindeloos blijft duren. Ik wil vliegen, vrij zijn. Dat is op dit moment het belangrijkste in mijn leven.   Ik sla mijn vleugels uit en vlieg. Vlieg weg. Naar weet ik veel waar. Als ik maar weg ben van hier. Misschien ga ik wel met de vogels mee naar het zuiden. Door de wouden, door de bomen. Door de bomen, door de schroeiende zon, die op mijn huid schijnt. Ik zit vol van liefde. Liefde voor de wereld. Voor de buitenlucht. Voor de zuurstof die ik inadem. Als ik niet vlug mijn eigen weg inga. Ga ik eraan kapot. Ik kan hier niet blijven zitten. Ik moet iets doen met mijn leven. Wat dan ook. Maar ik ga het hier niet vergooien met in een kamer te zitten tussen vier muren. Alles wat ik wil, is terug gelukkig zijn. Voor even.   Mijn ouders zijn gescheiden. Die periode, stierf ik diep vanbinnen. Ik ging kapot. Mijn hart brak in een miljoen stukjes, die ik daarna probeerde aan elkaar te plakken. Het is me deels gelukt. Er ontbreken er wat. Die stukjes wil ik nu gaan zoeken in de vrijheid. Ik hoop dat ik ze daar zal vinden.     Ik was een heel ander mens, toen mijn ouders gingen scheiden. Een deel van me was nog altijd ikzelf, een ander deel was iemand vreemd. Die vreemde persoon wil ik zijn. Mijn oude ‘ik’ helemaal vergeten. Weggooien in de vuilbak. Dat is moeilijker dan je denkt, hadden ze tegen me gezegd. Ik moet en zal het kunnen, verdedigde ik mezelf. Waarom doen andere mensen moeilijk over mijn problemen? Ik moest het alleen verwerken. Dat wilde ik tenminste bereiken in mijn leven. Mijn ouders vonden dat ik mezelf niet meer was. Logisch, want ik wou mezelf niet meer zijn. Ik wilde iemand ‘nieuw’ zijn. Schone lei. Dat gaat zomaar niet, hadden ze me gewaarschuwd. Gewaarschuwd voor wat? Het kwaad dat ik zou tegenkomen op mijn tocht? Als dat dan gebeurt, zal ik dat kwaad zelf wel bestrijden. Ik wil alles in mijn eentje kunnen. Daar heb ik geen reden voor. Gewoon mijn gang laten gaan.   De trompet is terug. Ik heb hem even moeten missen, maar ik voelde aan mijn hart dat hij terug ging komen. Voor even dan toch. Ik voelde ook dat hij, zodra ik er weer aan gewend was, weer zou vertrekken. Dat wil ik niet, daarom klamp ik me vast aan het gevoel dat hij nu voor eeuwig blijft. Mijn broer is enkele jaren geleden gestorven, aan iets dat ik niet kan uitspreken. Het was alsof ik toen alles kwijt was. Mijn hele leven lag overhoop. Voordat ik dat zou verwerken, zou er wel een wonder moeten gebeuren. Het wonder is geschied. Ik hervind de rust. Ik word eindelijk met rust gelaten. Ik ben klaar om het te verwerken. Alles eens op een rijtje zetten. Ik voel dat dat moet lukken.   De trompet. Nu met saxofoon erbij. Raar hoe dat die melodieën ineen vloeien. Het is mooi. Zeer mooi. Ze horen bij elkaar, zoals de zee en het strand, de zon en alle planeten. Ik voel dat dit voor altijd zo moet blijven. Anders is het niet meer hetzelfde.   Thuis was ook niets meer hetzelfde. Ik moest kiezen. Kiezen tussen twee werelden, waar ik allebei in wou leven. Ze stelde mij voor een moeilijke keuze. Ik wou die keuze niet maken. Ik zou nooit een keuze maken tussen mijn ouders. Nooit.   De meeste hebben dromen. Materiële dromen. Ik heb ook een droom. Alleen is die wat aangepast aan de gewone, andere, dagdagelijkse dromen. Mijn droom is vrij zijn. Mezelf terugvinden in de rust. De rust die ik ga opzoeken. Andere verklaren me zot, dat ik rust en stilte wil. Rust wil ik niet altijd. Ik wil ook wel eens muziek. Of het lawaai op straat, waar andere mensen krankjorum van worden. Mooi woord krankjorum. Dat is speciaal, anders dan anders. Ik zeg het niet graag, maar ik ben graag anders. Abnormaal, ongewoon. Dat is speciaal. Iedereen wilt normaal zijn. Ik kan je al een ding zeggen. Ik niet. Dat vinden ze raar.   Nog een droom van me. Mijn eigen weg gaan. Dan kan niemand me inhalen of voorsteken. Mijn eigen perfecte weg, tocht, mars, trip. In die tocht wil ik de wereld ontmoeten. De verschillende soorten landen. Ik wil de wereld ontdekken.   Ik word wakker, en kan bijna niks zien. Ik denk dat het maar voor even is, omdat ik net wakker ben, maar bij het ontbijt is het nog niet beter. Ik vind het maar angstaanjagend, luguber en huiveringwekkend tegelijk.       De trompet en de saxofoon zijn terug. Ik kan goed horen hoe ze van laag naar hoog gaan. Hoe ze stil en luid afwisselen. Hoe ze samen kunnen spelen, maar ook een prachtige solo kunnen opvoeren. Een wonder, een wonder dat dit zo mooi en vermakelijk klinkt. Dat zoiets bestaat! Ik hou ervan. Ik hou ervan met heel mijn hart. Uit het diepste der diep. Ze stellen me gerust. Het is alsof ze van mij houden. De enigste twee zielen die van mij houden. Daar ben ik blij om. Er is iets ergs met me aan de hand. Ik voel het. Er is iets incorrect aan mijn ogen. Ik kan niets meer zien. Ik voel me vreemd, om zo niets te zien. Ik ben bang. Heel erg bang. Ik besluit om naar de dokter te gaan. Hij zegt – na veel onderzoeken en gekijk en gestaar naar mijn ogen – dat ik een operatie zal moeten ondergaan. Ze gaan mijn ogen bestralen. Hopelijk komt dan alles goed. Begeleid door mijn moeder loop ik de deur uit. Ik heb al direct een afspraak met het ziekenhuis.   Als er een moment is, wanneer ik denk dat het niet meer gaat, helpt de rust en de muziek mij wel een handje. Mensen verwachten van me dat ik van hier naar daar spring voor hen. Het maakt niet uit waar ik ben. Het zal nooit gebeuren. Ik denk vanaf nu alleen nog maar aan mezelf.   Begeleid door piano hoor ik alleen de saxofoon spelen. Superbe hoe zijn geluid klinkt. Het lijkt alsof hij alle macht, die hij tegenkomt, voor zich grijpt.

Juliette Bell
14 0