Lezen

Drie keer spek kost je de nek

  Er was eens een arme boerenknecht. Door hard te werken en zuinig te leven had hij wat geld opzij kunnen leggen om een eigen boerderijtje te bouwen. Een rijke heer was bereid hem een stukje land te verkopen. Nat veen waar niemand wilde boeren omdat het vocht en de kou in je lijf kropen zodat je van de reuma al gauw geen schop meer kon vasthouden. Maar wie wil zijn hele leven knecht blijven?. En toen er eenmaal een boerderijtje stond met plek voor een koetje, een varkentje en wat kippetjes duurde het niet lang of er verscheen een pronte meid die bereid was haar leven met hem te delen. Want alles was beter dan je hele leven boerenmeid blijven.   Niet lang daarna klonken er nieuwe geluidjes in en om het boerderijtje. Het was een meisje en ze leek op haar moeder. Hoewel het sappelen was in het veen voelde de boer zich rijk als zijn vrouw met de kleine meid op haar arm naar hem zwaaide wanneer hij op het zompige land bezig was. Toen de kleine van de borst af was, werd ze ziekelijk. Aanvankelijk dachten de boer en zijn vrouw dat het de verandering van voeding was. Maar toen er na enige tijd geen verbetering optrad besloten ze om toch de dokter te raadplegen. Die kon niets vinden en adviseerde om het nog even aan te zien. De winter was bijna voorbij. Als het meiske straks lekker naar buiten kon, zou ze ongetwijfeld snel opknappen. Maar ze knapte niet op. Wat eerder als zuigeling nog Hollands glorie was, oogde nu als een bleek scharminkeltje dat met holle oogjes en knokige knietjes rondscharrelde en snel vermoeid raakte. Ze werd hangerig en begon lelijk te hoesten. De boer en zijn vrouw maakten zich grote zorgen. Er moest iets gebeuren. Maar wat? Voor het eerst was er nu soms ruzie in het boerderijtje. De boerin vond dat ze terug moesten naar de dokter. De boer had daar geen vertrouwen meer in. Hij zag meer in het kruidenvrouwtje dat aan de bosrand woonde. Maar uiteindelijk legde hij zich neer bij de keuze van zijn vrouw.   De druppels van de dokter haalden niets uit. Dus gingen ze alsnog naar het kruidenvrouwtje. Dat zat voor haar huisje op een bankje te dutten en schrok wakker toen de kleine meid een hoestbui kreeg. ‘Kom binnen,’ zei het oude vrouwtje, ‘dan zal ik zien wat ik voor jullie kan doen.’ Eenmaal binnen werden ze bijna bedwelmd door een melange van kruidengeuren. Op tafel glazen potten gevuld met stampsel van geneeskrachtige planten. Overal hingen en lagen stengels, bladeren en vruchtbeginselen te drogen. Aan de wand een tegel met de spreuk: Drie keer spek kost je de nek. De boer vroeg zich af wat dat te beteken had. Het oude mensje nam alle tijd om het meisje te bekloppen, te beluisteren en te besnuffelen. Ook stelde zij de boer en zijn vrouw allerlei vragen. Toen zei ze: ‘Ik denk dat ik het weet.’ De boer en zijn vrouw zaten op hete kolen. Vertel op, wat is er met ons kindje aan de hand, zag je ze denken. Het oude kruidenvrouwtje zei: ‘Waar halen jullie het drinkwater vandaan?’ ‘Uit de sloot,’ zei de boer, ‘waar anders?’ ‘Dat kan niet meer,’ zei het vrouwtje, ‘jullie meisje kan niet tegen het zure veenwater.’ ‘En dus?’ zei de boer. ‘Het beste is om op een goeie plek een put te graven,’ zei het vrouwtje. ‘Jullie kindje heeft water uit het zand nodig, niet uit het veen.’ Toen ze naar huis liepen zei de boerin: ‘Had je dat vrouwtje niet moeten vragen wat haar goede raad kostte?’ ‘Je hebt gelijk,’ zei de boer, dat was beter geweest. Om een of andere reden dacht hij aan de spreuk op het tegeltje.   Het was een hele toer om een goeie plek voor de put te vinden. Er lagen oude strandwallen onder het veen dat was bekend. Maar hoe vond je die? Dus groef de boer op goed geluk zo hier en daar een gat. Maar zand, ho maar. Opnieuw moest het kruidenvrouwtje er aan te pas komen. Met haar wichelroede van wilgenhout. Omdat ze slecht ter been was, werd ze al wichelend door de boer rondgereden in de kruiwagen. Na een middagje wichelen was het duidelijk waar de put moest komen. De boer en zijn vrouw bedankten het oude vrouwtje hartelijk en gaven haar een mooi stuk spek waar ze geen nee tegen zei ook al keek ze bedenkelijk. De boer ging direct aan de slag. Een waterput aanleggen was een hele klus en het andere werk ging gewoon door. Maar de smartelijke aanblik van zijn lijdende dochtertje gaf hem extra energie. Zij was aan het eind van haar krachten. Er was geen tijd te verliezen. Er kwam heerlijk koel, helder water uit de put. Een heel verschil met het bruinige drab uit de sloot. En jawel hoor, de gezondheid van de kleine meid verbeterde zienderogen. Er kwam weer een gezond kleurtje op haar wangetjes en de akelige blafhoest verdween. Het geluk keerde terug in het kleine boerderijtje in het veen. En toen duurde het niet zo lang meer voor zich een nieuwe wereldburger meldde. Een manneke, dit keer. Een opvolger! De boer dankte God op zijn knieën. Hij was de koning te rijk.   Maar toen het kereltje van de borst werd gehaald, ging het opnieuw mis. Erger nog, ook zijn zusje kreeg weer last van allerlei kwaaltjes. De boer mompelde: dit gaat boven mijn pet. Zijn vrouw zat de hele dag met de handen in het haar. Al snel was duidelijk dat er niets anders op zat. Ze moesten opnieuw naar het kruidenvrouwtje. Die bekeek, beluisterde en besnuffelde beide kindjes en zei: ‘Het is duidelijk.’ Zeg het alsjeblieft, zag je de boer denken. Wat moeten we doen, zag je zijn vrouw denken. ‘Hebben jullie vis in de put?’ vroeg het vrouwtje. Vis? De boer schudde van nee en dacht: vis in die kleine, diepe put? Waar zou die vandaan moeten komen? ‘Hoe zou er vis in de put kunnen komen?’ vroeg de boer. Het oude vrouwtje keek hem hoofdschuddend aan. Je moest die boeren van tegenwoordig ook alles leren. ‘Je moet die vis er zelf in doen,’ zei ze. ‘Waar is dat goed voor?’ zei de boer. ‘Die vis houdt het water schoon,’ zei het vrouwtje een beetje kortaf. ‘Jullie kinderen zijn nu eenmaal gevoelig voor vuil water.’ ‘Wat voor vis heb ik nodig?’ vroeg de boer. ‘Een blei,’ zei het vrouwtje. ‘Die zijn het beste en ze gaan lang mee.’ De boer bedankte het vrouwtje en gaf haar een mooi stuk spek. ‘Heb je niks anders?’ vroeg het vrouwtje. ‘Julie boeren met jullie eeuwige spek.’ ‘Hij is goed gerookt,’ zei de boer een beetje geschrokken. ‘Je kunt hem volgend jaar ook nog eten.’ ‘Vooruit dan maar,’ zei het oude vrouwtje en hing het stuk spek naast een heleboel andere stukken spek aan een balk boven de haard. Bij het weggaan wierp de boer nog schielijk een blik op het tegeltje.   De dagen daarna stond de boer vroeg op om een blei te verschalken. Omdat hij alleen karpers ving en zo nu en dan een zeelt, werd hij steeds onrustiger. Zijn kinderen raakten iedere dag een beetje meer achterop. Eindelijk, na vijf dagen, had hij een blei te pakken. Dat wil zeggen, daar leek het op. Maar volgens een buurman was het een misvormde graskarper, dat zag je aan de schubben. En een andere buurman hield het op een verdwaalde brasem. Goede raad was duur. Dus toch maar weer naar het kruidenvrouwtje. Met de blei in een emmer met water. Het kruidenvrouwtje had er duidelijk genoeg van. ‘Wat nu weer?’ snerpte ze toen ze de boer zag aankomen. ‘Toch niet weer een stuk spek?’ ‘Nee, nee,’ haastte de boer zich te zeggen, ‘ik heb nu heerlijke vis bij me.’ Hij dacht aan de spreuk op de tegel: Drie keer spek kost je nek. ‘Dat ziet er al een stuk beter uit,’ zei het kruidenvrouwtje terwijl ze in de emmer loerde. ‘Een mooie blei. Die zijn zeldzaam tegenwoordig.’ Ze pakte de emmer aan en op dat moment besefte de boer dat er iets helemaal verkeerd ging. Had hij eindelijk een blei, was ie hem gelijk weer kwijt. Het kruidenvrouwtje legde de vette vis in de keuken, gaf de kat die een feestmaal rook, een schop en bedankte de boer hartelijk. ‘Nee, u bedankt voor alles,’ mompelde de boer. Hij draaide zich om en sjokte terug naar huis. Onderweg probeerde hij zichzelf moed in te praten. Ik weet nu in ieder geval dat het een blei was, dacht de boer. Maar een stukje verderop dacht hij: maar wat heb ik daar aan?   Toen de boerin het verhaal hoorde, kon zij haar emoties niet langer bedwingen. Huilend van wanhoop en boosheid maakte zij haar man duidelijk dat hij een onnozele slapjanus was. Tussen haar snikken door kon je de blafhoest van de kleintjes duidelijk horen. ‘Ga terug naar het kruidenvrouwtje,’ beval ze haar man, ‘en kom terug met die blei. En haast je want die vis ligt misschien al in de pan te pruttelen. O, mijn God, waar heb ik zo’n man aan verdiend?’ Met het lood in zijn klompen keerde de boer terug naar de bosrand waar het kruidenvrouwtje woonde. Onderweg werd zijn aandacht getrokken door het angstige gemiauw van een kat. Al snel was duidelijk wat er aan de hand was. In het struikgewas zat de kat van het kruidenvrouwtje met de blei in zijn bek. Het beestje had zich verkeken op de omvang van de blei en op de scherpe vinnen die in zijn lip waren blijven steken. Aan de bewegingen van de staart te zien, was de blei nog niet dood. De boer greep de kat bij zijn nekvel, trok zijn bek wijd open en trok de vis voorzichtig naar buiten. In de verte hoorde hij het kruidenvrouwtje krijsen: ‘Waar zit dat ellendige beest. Ik zal hem. Met de bezem.’ Toen de boer de blei had bevrijd, rende hij weg. Onderweg dompelde hij het beest zo nu en dan even in een sloot om hem in leven te houden. De blei had een paar lelijke krassen over zijn kop. En toen de boer goed keek, zag hij dat de ontmoeting met de kat een oog had gekost. Het zag er allemaal niet best uit. ‘Volhouden,’ zei de boer zonder veel overtuiging tegen de blei. ‘Nog even, dan mag je in de put. Dan kun je weer een beetje op verhaal komen.’ En opnieuw hield hij de blei even onder water in een veenpoeltje. Het beest gaf een klap met zijn staart. Er zit nog heel wat leven in, dacht de boer en zette het weer op een rennen.   Buiten adem kwam hij terug bij het boerderijtje. De vis werd voorzichtig in een mandje naar beneden gelaten. Zou hij overleven? Zou het water schoner worden? Zouden de kinderen opknappen? Die nacht deden de boer en zijn vrouw geen oog dicht. Voor dag en dauw sprong de boer in zijn overall en haastte zich naar de put. Daar beneden het water, zwart en stil. Hij haalde opgelucht adem. Geen dode blei die met zijn buik omhoog rond dreef. Dat was een goed teken. Terwijl de zon langzaam opkwam bleef de boer roerloos bij de put staan. De vis moest toch een keer een teken van leven geven. Maar de blei liet zich niet zien. Er werd water uit de put gehaald, zoals altijd. En langzaam maar zeker knapten de kinderen op. De raad van het kruidenvrouwtje werkte. De blei deed zijn heilzame werk. En ’s avonds, voor het slapen gaan, vertelde de boer het verhaal van de onzichtbare blei met het ene oog. De kinderen konden er niet genoeg van krijgen. Ze vonden het wel een beetje zielig voor die ene blei. Altijd maar rondjes zwemmen in die donkere put. Altijd maar alleen. Maar volgens hun vader had een blei daar geen last van. De blei was volgens hem het enige dier dat ook als hij diep in de put zat altijd blei bleef. En daarom was de blei zo bijzonder. ‘En deze blei is helemaal bijzonder,’ voegde de boer er dan aan toe. En jullie zijn de enige kinderen in de wereld die dat weten.’ En dan klonk het uit twee mondjes tegelijk: ‘Omdat ie maar één oog heeft.’ ‘En dat is niet leuk,’ zei het meisje dan. ‘Maar wel handig, hè pap,’ zei haar broertje dan. ‘Heel handig,’ zei de boer dan. ‘En weet je ook waarom?’ Ja, dat wisten ze wel, hoewel ze er elke keer weer even over moesten nadenken. ‘Omdat ie dan maar één kant op hoeft te zwemmen,’ zei het jongetje. ‘Dat wist ik ook wel hoor,’ zei het meisje dan. ‘Heel goed,’ zei de boer. ‘De blei moet de wand van de put in de gaten houden, anders knalt ie er elke keer tegenaan. Dus zorgt ie dat zijn ene oog altijd aan de kant van de wand zit. En dus hoeft ie ook nooit na te denken welke kant ie op moet zwemmen.’   Toen de kinderen van de boer het verhaal van de eenogige blei later aan hun eigen kinderen gingen vertellen, werd dit bijzondere verhaal een echt sprookje. Want intussen waren er overal kranen waar schoon water uit kwam. Die kinderen hadden nog nooit een waterput gezien. En ook geen blei. En ook geen kruidenvrouwtje. Tja, dan kan een bijzonder verhaal zo maar een sprookje worden.

Gerard van de Schootbrugge
16 0

Waarom het feest niet doorging

ELLA Ze zou bij de ingang van de kerk moeten staan om de gasten te begroeten, zoals het haar is opgedragen. Maar Ella’s hoofd staat niet naar knikken en lachen. Ze dwaalt rond op het kerkhof, op zoek naar Jona V. Bij het laatste vers gedolven graf in de rij knielt ze neer, haar blik gericht op de zwarte letters die zijn uitgelopen op het witte kruis, als de tranen van een pierrot. Ze plant haar handen in de houtsnippers die het aarden graf bedekken, buigt zich voorover en probeert de naam te lezen. ‘Ben jij het?’ Ze fluistert om de rust niet te verstoren. De ruwe flinters hout schrapen kriebelig langs haar vingers, flirtend met de jeuk die onderhuids sluimert. Ze trekt haar handen terug en verdringt de gedachte aan krabben. Ze denkt aan het gezicht van Jona V, aan zijn voorhoofd dat bloedde. Het bloed kwam ergens onder zijn haren vandaan. Het liep in zijn ogen die haar wijd opengesperd aankeken door de voorruit van Otto’s wagen, met zo’n dwaze blik dat ze er bijna om had gelachen. Toen waren de ogen en het gezicht weg en bonsde het lichaam over het autodak, over het kofferdeksel, neersmakkend op het zwarte asfalt. ‘Stop! Stop dan toch, Otto!’ riep ze en ze rukte aan het stuur tot Otto haar een klap in haar gezicht gaf. Of ze graag de cel in ging, schreeuwde en hij duwde het gaspedaal stevig in. Ja! schreeuwde ze terug, want ze hadden iemand aangereden en waren niet gestopt! Of ze dan niet had gezien dat die jongen veel te hard reed, veel te wild, dat het wel leek of hij hen met opzet wilde raken, die onnozelaar, die gevaarlijke zot, verdomme, vloekte Otto . Ze moest toch snappen dat het zijn schuld niet was, voegde hij er op kalmere toon aan toe terwijl hij het zweet van zijn bovenlip wiste. Hij reed zo lang met haar rond, gijzelde haar zo lang dat ze wist dat het te laat was. Jona V. Zo stond het in de krant. Jona V was dood. Verongelukt met zijn brommer. Niemand wist hoe. Er waren geen getuigen. Ze kreunt bij de herinnering, vlecht haar vingers in een strakke knoop achter haar rug, vecht tegen de jeuk, tegen de aandrang, maar het is te laat. Haar handen graaien in de schors, graven diepe gaten, knijpen, wrijven, schuren begerig, steeds sneller, tot de jeuk oplost in pijn. De stipjes bloed die opbloeien uit haar gebarsten huid veegt ze af aan het gras naast het graf. ‘Het kan geen kwaad. Het geneest wel weer,’ troost ze zichzelf. Ze staart naar het barstje dat in het vlies tussen haar duim en wijsvinger zit, beweegt haar vingers, trekt het barstje open en knijpt het weer dicht. Open, dicht, open, dicht, als een vis die naar adem hapt. Dan schikt ze de houtsnippers netjes op hun aarden bed, plukt een paar stukjes schors van haar feestjurk en veegt de aarde van haar knieën. Er blijft wat achter in de kapotte huid tussen haar vingers. Ze snuit haar neus en draait alles op slot. Haar hoofd, haar mond, haar hart. Ze zet haar zonnebril op en verlaat de koele stilte van het kerkhof.   De huwelijksgasten troepen samen op het grasveld voor de kerk, dus gaat ze achterom, speurend naar de smalle rug van haar vader. Hij staat waar ze dacht dat hij zou staan, een eindje verwijderd van de rest van het gezelschap. Zwijgend gaat ze naast hem staan. ‘Waar was je, Ella?’ vraagt hij. ‘Op het kerkhof,’ antwoordt ze. ‘Ligt er iemand die we kennen?’ ‘Nee.’ Haar vader vraagt niet verder. Ze kijken in stilte voor zich uit, naar de witte limo die statig door het landschap glijdt, door het groen van de weilanden, langs het zwart van de pas ingezaaide akkers en voorbij een veld zilverige tarwearen, rimpelend in de wind als een kattenvacht na een aai. De zon blinkt op de ruiten en spiegelt zich in de glanzend gepoetste lak. Op een eenzelvige wolk na spant de hemel een strakblauwe boog boven de ochtend. ‘Je zus krijgt een mooie dag.’ Haar vader ademt diep in en heft zijn gezicht naar de zon. ‘Ze krijgt wat ze verdient,’ antwoordt Ella. Haar handen branden en ze wil wrijven, krabben, knijpen, maar houdt zich in wanneer ze ziet dat de limo aankomt bij het voorportaal van de kerk.   De gasten waaieren om de auto heen, uitkijkend naar het bruidspaar, naar de bruid, Ella’s zus Anaïs, en naar de bruidegom, Otto, haar aanstaande schoonbroer. De eerste die uit de limo stapt is Anaïs, een zijdezachte zwaan die ietwat beduusd neerstrijkt in een bonte zwerm feestvogels. Na haar volgt Ella’s moeder. In het witte mantelpakje met de hoog gesloten rode blouse lijkt ze wat op een feestkalkoen. Ze rent ook meteen klokkend in het rond, roepend, zoekend. Alsof ze een jong kwijt is, denkt Ella. ‘Otto is er niet,’ zegt haar vader op dat moment. Ze kijken verbaasd naar de chauffeur van de limo die het portier van zijn wagen sluit en weer achter het stuur plaatsneemt. ‘Otto zat niet in de limo, en hier is hij ook niet. Ella, kind, het gedonder gaat beginnen.’   Ella zit op een bankje onder een treurwilg en luistert verdoofd naar de opgewonden stemmen van de gasten. Gedachten aan Otto en het ongeval zoemen door haar hoofd, als vliegen onder een stolp. Moet ze zwijgen of moet ze spreken?   ‘Hoi daar, jij hebt je goed verstopt.’ Ella schrikt wanneer Mirthe, haar zeventienjarige, springerige nicht, naast haar neerploft op de bank. Ze kijkt naar Mirthes rode krullen en lange benen en ziet zichzelf, tien jaar jonger. ‘Ik wilde alleen zijn. Om na te denken,’ zegt ze. ‘Mij kun je er wel bij hebben, toch?’ Mirthes donkere ogen glanzen als opgepoetste kastanjes, alsof ze heeft gehuild. ‘Ik heb je raad nodig, Ella. Dringend,’ zegt ze. Ella schuurt haar handen over het hout van de bank tot de vochtblaasjes knappen. ‘Kan het een andere keer, Mirthe, alsjeblieft?’ Ze staat op, geeft een klopje op Mirthes hand en zonder naar haar om te kijken, gaat ze ervandoor. Op het grasveld voor het kerkje zit Anaïs als een scheefgezakte suikerfiguur tussen het romige wit van haar jurk, jammerend en vloekend. ‘Mijn Ottoman! Wat heb je het verkloot! De mooiste dag van mijn leven, om zeep! Daar zal je voor boeten!’ Ella loopt met een boogje om haar heen. Aan de achterkant van de kerk vindt ze haar vader, starend naar het lege landschap. ‘Pa,’ zegt ze en ze tikt op zijn schouder, ‘pa, ik moet je wat zeggen.’ ‘Ja?’ ‘Het feest zal niet doorgaan.’ Haar vader zucht diep. Zijn blik dwaalt in het rond. ‘Je kunt de gasten beter naar huis sturen, pa. Ik weet dat Otto niet meer komt.’ ‘Je moet erin blijven geloven, Ella.’ Ella blijft zwijgend naast haar vader staan. Tot zijn telefoon begint te trillen in zijn zak. Ella hoort haar moeders stem en wendt haar hoofd af. Ze bedwingt de neiging om als een klein meisje haar armen om haar vader heen te slaan. ‘Dag pa,’ mompelt ze. Hij ziet niet dat ze vertrekt.   MIRTHE Jona slaapt. Net als de vorige keren dat Mirthe bij hem zat. Een diepe, helende slaap noemt de dokter het. Ze zit op het bed, als een trouwe hond aan de voeten van het baasje, en kijkt naar de vlekken op zijn huid die geelgroen verkleuren. Ze streelt ze met zachte vingertoppen. ‘Slaap maar, lief,’ zegt ze. Ze duwt haar neus in het holletje tussen zijn hals en schouder en kust zijn zoute huid. ‘Bakvis in actie,’ zegt iemand achter haar en ze draait zich geschrokken om. Jokebed, de zus van Jona, staat in de deuropening. ‘Ik wil je intieme moment niet verstoren, Mirthe, maar ik heb mijn zonnebril nodig.’ Jokebed plukt de bril van het nachtkastje en schikt hem met een geroutineerd gebaar in haar haren. ‘En ik die meende dat het uit was tussen jullie.’ ‘Het komt weer goed.’ ‘Ik hoop het.’ Jokebed kijkt Mirthe aan. ‘Het zou beter zijn.’ Beter dan wat? Mirthe slikt haar vraag in, ze wil dat Jokebed weggaat. ‘Je hebt gelijk, het zijn mijn zaken niet,’ zegt Jokebed. ‘Doe maar gauw verder, want als hij wakker wordt, mag je niet meer.’ Ze lacht en trekt de deur achter zich dicht. Aarzelend streelt Mirthe Jona’s hand. Ze voelt geen weerstand, en ook geen ongeduld, maar het maakt haar niet langer blij. Ze schuift van het bed af en gaat op een stoel aan het raam zitten. Terwijl ze de juiste pagina zoekt in het boek dat ze aan het voorlezen was, merkt ze de onrust in Jona’s lichaam. Zijn oogleden trillen, zijn vingers knijpen in het laken en hij heeft een blos op zijn wangen. ‘Jona,’ fluistert ze. ‘Vos, hoor je me? Ben je wakker?’ Het boek valt met een bons op de grond. Op de gang klinken stemmen en het doffe geluid van wieltjes op het linoleum. Ze concentreert zich op de stilte in de kamer en houdt haar adem in. Jona hijgt en opent zijn ogen. Hij staart naar het plafond, knipperend, tranend. Ze schuift de stoel wat dichter naar het bed toe, vraagt weer of hij wakker is. Hij zegt iets, hees, onverstaanbaar. ‘Wat zeg je, Vos, ik versta je niet.’ ‘Het kwam door haar,’ zegt hij, ‘ze zat naast hem.’ Een hoestbui overvalt hem. Hij plooit dubbel en Mirthe grijpt naar de drukknop om de verpleging te roepen, bang dat hij erin blijft, maar dan is het moment voorbij en ligt hij weer neer, haar aanstarend met een heldere, maar afwijzende blik in zijn ogen. ‘Mirthe? Wat doe jij hier?’ vraagt hij. Het is de eerste keer dat hij haar naam uitspreekt sinds het ongeval en ze ziet en hoort dat er niets veranderd is. Hij moet haar niet meer en er is niets wat ze daaraan kan doen. Zijn blik wordt weer vaag en hij zakt langzaam terug in zijn droom. ‘Ze leek op jou,’ mompelt hij nog. ‘Wie, Jona?’ Zijn ogen vallen dicht. ‘Rode krullen en een groen hart om haar …’ Zijn stem stokt. ‘Over wie heb je het, Jona?’ Ze moet moeite doen om niet te roepen. ‘In de auto.’ Dan begrijpt ze dat Jona over het ongeval praat. Ze vraagt of hij zich de vrouw herinnert die hem aanreed. Maar hij slaapt. Een groen hart. ‘Net als Ella,’ zegt ze en ze schrikt. Ze denkt aan Ella die een jaden hart om haar hals draagt, die zich vreemd gedroeg op het feest, die zo maar verdween en sindsdien geen enkele oproep of sms heeft beantwoord. Ella die op haar lijkt. ‘Mirthe? Heb je geroepen, heb je iets nodig?’ De verpleegster die binnenkomt, kijkt bezorgd van Jona naar haar, ongerust. ‘Ja,’ zegt ze, ‘ik wilde net drukken.’ Met een bruusk gebaar toont ze de verpleegster de drukknop die ze al die tijd in haar hand had. ‘Jona werd wakker.’ ‘Heeft hij iets gezegd?’ wil de verpleegster weten. ‘De politie wil hem vandaag ondervragen over het ongeval.’‘Ik begreep niet wat hij zei,’ antwoordt ze en pas dan wordt ze gewaar hoe de tranen over haar wangen lopen. De verpleegster glimlacht. ‘Het is niets, meisje, het is de schok die doorwerkt. Alles komt goed,’ zegt ze. Een vluchtige gedachte krijgt vorm in Mirthes hoofd. Ze loopt de kamer uit, naar de grote hal beneden en zet haar gsm aan.   Vijf minuten nadat Mirthe haar een sms’je stuurde, belt Ella. ‘Wat betekent dat, Mirthe, dat bericht: Jona Vos groet Ella? Wie is Jona Vos?’ vraagt ze. Haar stem trilt. ‘Je kent hem. Je hebt hem ontmoet. De jongen met de brommer,’ zegt Mirthe, tussen elke zin naar adem happend. Ze drukt de telefoon zo hard tegen haar oor dat het pijn doet. ‘Ik denk het niet, Mirthe, nee, ik weet wel zeker van niet,’ klinkt het dunnetjes. ‘Toch wel, Ella, hij sprak over je.’ Het blijft stil aan de andere kant. ‘Hallo? Ben je daar nog? Zeg iets!’ eist Mirthe. Mensen draaien hun hoofd in haar richting. ‘Dat kan niet, Mirthe, wat je net zei. Dat is niet mogelijk. Die jongen is … het stond in de krant.’ ‘Foutje, Ella. We maken allemaal wel eens een foutje. Jona is niet dood!’ roept Mirthe. ‘En ik wil weten wat er is gebeurd!’ Weer blijft het lange tijd stil aan de andere kant. ‘Een mirakel,’ zucht Ella dan. ‘Er is een mirakel gebeurd. Ik heb om hulp gebeden en ik ben verhoord, Mirthe, mijn gebed heeft Jona geholpen.’ ‘Het enige wat Jona zal helpen is een bekentenis, een naam! De naam van degene die Jona bijna heeft vermoord!’ Mirthe ziet mensen naderen, mensen die hun armen naar haar uitstrekken, die zeggen dat ze moet kalmeren. Ze schreeuwt in haar telefoon, ze wil niet kalmeren, ze moet het weten. ‘Wie reed, Ella?’   Mirthe wacht tot de laatste bezoekers weg zijn voor ze Jona’s kamer binnengaat, een pluchen beer als een witte vlag voor zich uit dragend. ‘Had ik je niet gevraagd om hier weg te blijven?’ begroet Jona haar koel. ‘Ik moet je iets zeggen. Het is belangrijk.’ Jona blijft haar zwijgend aankijken. Er ligt een wrede trek om zijn mond. ‘Ik heb ontdekt wie je heeft aangereden en ik heb hem aangegeven bij de politie. Hij is gevlucht, maar ze sporen hem op.’ Ze zet de beer naast Jona op het bed. ‘Ik heb het voor jou gedaan,’ zegt ze. Jona kijkt haar met opgetrokken wenkbrauwen aan en lacht ongelovig. ‘Dat zal wel.’ Hij grijpt naar de afstandsbediening van de tv. Formule 1-wagens racen over het scherm, motorgeluiden vullen de kamer. ‘Hij heet Otto Heye.’ Ze moet luid praten om boven het lawaai uit te komen, maar valt stil wanneer Jona de tv uitzet. Ze blijft stil wanneer ze ziet hoe ongeloof, angst, woede over Jona’s bleke gezicht flitsen. Het onbehagen dat diep in haar verborgen ligt, al maandenlang, al sinds ze met Jona samen is, kruipt over haar huid en hoewel het warm is in de kamer, slaat ze haar vest dichter om zich heen. ‘Ik had nooit wat met je mogen beginnen,’ mompelt Jona. Zijn vingers krommen zich als klauwen in het lichaam van de beer. Nee, schudt Mirthe, zo hoort het niet te gaan. Hij moet dankbaar zijn, waarom is hij niet dankbaar? Jona gaat recht zitten. De beer valt op de grond. ‘Het was haar schuld!’ Hij praat te luid. ‘Zij zat daar plots, naast hem in de auto. Die vrouw. Ze leek op jou. Ik dacht dat jij het was!’ Mirthe raapt de beer op. Er zit spuug op zijn kop. Ze zet hem op de stoel naast het bed en kijkt naar Jona’s verwrongen gezicht. ‘Otto kon er niks aan doen. Ik reed hém aan, niet omgekeerd. Hij zou me nooit kwaad doen, hij niet, nee! Hij ziet wie ik ben. Mijn Ottoman.’ Jona wiegt zijn lichaam heen en weer. Mirthe staart naar hem en terwijl zijn woorden een weg zoeken in haar hoofd, daagt het haar. Daarom was hij zo kort, zo koel. Ze loopt naar de plek waar ze graag zat de afgelopen weken, haar plek aan Jona’s voeten. ‘Jij wilde toch weten hoe echte liefde voelt, Jona, vlinders in de buik, hoofd in de wolken?’ Ze slaat zo hard op het bleekroze deken dat het stof opvliegt: ‘Stop je kop dan maar in deze wolk en stik erin!’ Met geheven hoofd loopt ze de kamer uit en botst tegen een verpleegster die zich langs haar heen naar binnen haast. Een plastic bekertje vol pillen valt op de grond. Roze, blauwe, witte pillen. Pijnstillers.

Ines Nijs
0 0

Sparen voor later

‘Je vader is weer laat,’ moppert mijn moeder. ‘Alles staat te verpieteren. Ik zal jullie maar vast opscheppen.’ ‘Ik lus geen asjee,’ dreint mijn broertje. ‘Je eet wat de pot schaft,’ zegt mijn moeder kortaf. ‘Anders ga je maar zonder eten naar bed.’ Het dreigement maakt weinig indruk. We weten dat er altijd nog een bord griesmeelpap achter de hand is. Ook geen traktatie maar altijd beter dan een lege maag, die we alleen van horen zeggen kennen maar waar we toch beducht voor zijn. Veel arme kindjes in Afrika gaan volgens mijn moeder iedere dag met een lege maag naar bed. Het gekke is wel dat je daar blijkbaar een dikke buik van krijgt. De plaatjes in de Katholieke Illustratie, door mijn opa de veeverloskundige steevast met de KI aangeduid, laten het bijna wekelijks zien. Het duurt nog jaren voor ik begrijp waarom hij altijd even grinnikt als hij K I zegt. Zo lang, dat de KI intussen is verdwenen en ki gemeengoed is geworden. ‘Waarom is papa zo laat?’ wil ik weten. ‘Zeur niet. Eten,’ commandeert mijn moeder. Op dat moment horen we de achterdeur open gaan. ‘Papa,’ gilt mijn broertje. Na de knuffels die voor ons de harmonie herstellen, heeft mijn vader nog even wat uit te leggen. Het lijkt wel een goedkope goocheltruc. Maar daarom niet minder spannend. Er komen twee zakjes uit zijn portefeuille. Eerst een grote, daarna een kleintje. Beide worden met een weids gebaar voor mijn moeder op tafel gelegd. De grote is geel en ondoorzichtig. Door de kleine kan je heen kijken. Er zitten postzegels in. ‘Nee, hè. Was het weer zo ver?’ zegt mijn moeder een beetje sarrend. ‘Allemaal voor jullie,’ zegt mijn vader veelbelovend. ‘Wat dacht je hier van?’ zegt hij terwijl hij de grote enveloppe naar mijn moeder schuift. ‘Niet schrikken. Het vakantiegeld zit erbij.’ ‘En dit is voor jullie,’ zegt mijn vader tegen mijn broertje en mij, terwijl hij zijn hand op het kleine zakje legt. ‘Als het een beetje meezit kunnen jullie hier later van studeren. Wat wilde jij ook weer worden, Daan?’ ‘Astronoom,’ zeg ik zonder aarzeling. ‘Ik ook,’ zegt mijn kleine broertje. ‘Kijk, dat bedoel ik nou,’ zegt mijn vader tegen mijn moeder. ‘Twee astronomen. Wat denk je dat dat gaat kosten? Dat gaat alleen lukken als de verzameling straks veel geld waard is. En dat is ie alleen als ie compleet is.’ Mijn moeder laat haar boosheid varen. Er verschijnt een glimlach die de hele kamer verlicht. Voor mijn vader het moment om haar een stevige pakkerd te geven. ‘Wil assistent-hulpastronoom Daan even de pincet pakken? In het kastje onder de trap.’ ‘Nee,’ zegt mijn moeder, ‘we gaan nu eerst eten, anders kan ik zo alles in de kiepelton mikken. Die pincet komt straks.’ ‘Ik lus geen asjee,’ herinnert mijn broertje zich ineens weer. ‘Zonder asjee geen astronoom,’ zegt mijn vader. ‘Wat is een astronoom?’ wil mijn broertje weten. ‘Zeg jij het maar, Daan,’ zegt mijn vader. ‘Iemand die alles van de sterren weet,’ houd ik mijn broertje voor. Van die hachee was voor mij ook nieuw. Mijn vader stopt het kleine zakje voorzichtig tussen zijn portefeuille. De grote gele envelop verdwijnt in de schort van mijn moeder.    Zondag. De tafel ligt bezaaid met postzegeldingen. Postzegels, albums, supplementen, insteekboekjes voor de dubbelen, eerste-dag-enveloppen, de catalogus van Nederland en de Overzeese Gebiedsdelen, twee pincetten, een rechte en een die een beetje omgebogen is, en een vergrootglas. Ik zit naast mijn vader, klaar om de kruimels op te vangen die hij laat vallen. De kreupelen, de rafelgevallen, de gehandicapten. Omgevouwen hoekjes, ontbrekende tandjes, verwaterde kleurtjes, verknipte ansichtkaartslachtoffers, vreemdelingen die er niet bij horen, in mijn sigarendoosjes is plaats voor velen. Al mijn zegels krijgen na enige tijd een lichte restgeur van Willem II Senoritas. Mijn sigarenbandjes bewaar ik in een Elisabeth Bas kistje van opa. Zo kan ik nooit in de war raken. ‘Zo, Daan, daar gaan we dan,’ zegt mijn vader en hij begint het groene album waar Holland op staat voorzichtig open te schroeven. ‘Ik wil ook mee,’ roept mijn broertje, dat vaak aan een half woord genoeg heeft, en hij begint zich aan mijn vaders colbert op te trekken. ‘We gaan niet weg, Wim,’ zeg ik, ‘we gaan alleen het nieuwe supplement in papa’s album doen. Voor als we later astronoom worden, weet je wel.’ ‘Kom maar Wim,’ zegt mijn moeder, terwijl ze haar vuurrode afwashanden aan een theedoek afdroogt, ‘dan gaan wij even bij de geitjes kijken. Kunnen de grote jongens rustig spelen.’ ‘Je bent een schat,’ zegt mijn vader tegen mijn moeder en ik weet zeker dat hij het meent. ‘Ja, mam, je bent echt een schat,’ zeg ik uit solidariteit met mijn vader maar ook wel omdat ik het meen. ‘Denk in het vervolg wel even na voor je wat zegt. Begrijpt zo’n mannetje veel! Pak je laarsjes maar, Wim.’  Mijn vader verankert zijn nieuwe aanwinsten met plakkertjes op de supplementbladen. Ik krijg een blad van vorig jaar dat overbodig is geworden. Voor mijn vader het moment om mij in te wijden in de geheimen van het plakkertje zodat ik op het afgedankte albumblad kan oefenen. ‘Kijk,’ zegt mijn vader terwijl hij een plakkertje naar zijn mond brengt, ‘met je tong. Eerst de ene kant.’ Mijn vader steekt zijn tong uit, gek gezicht voor een politieagent, laat het puntje voor de grap even wapperen, en haalt zijn tong dan een paar keer langs zijn lippen. ‘Let op. Niet te veel en niet te weinig.’ Ik vraag me af wat hij daarmee bedoelt. Hij plakt het kleine, gehoekte stripje op een donkergroene zegel en belikt vervolgens het tweede stukje van de strip. Dan laat hij de zegel met plakker en al voorzichtig in het daarvoor aangegeven vakje op het supplementblad landen. ‘Zo, dat was de Jan van Riebeeck van 6 cent met 4 cent bijslag. Probeer maar. Hier heb je een paar plakkertjes. Maar let op: niet te veel en niet te weinig.’ Ik buig me over het blad waar mijn vader net zijn groene Jan van Riebeeck op heeft geplakt. Naast de grijze Jan van Riebeeck. Er zijn nog twee vakjes open. Boven de vakjes staat: JAN VAN RIEBEECK HERDENKING. ‘Waar gaat dit over, pap?’ wil ik weten. Mijn vader pakt zijn vergrootglas, waar ik soms stiekem het celluloid mee van zijn fietsstuur brand, maar dat weet ie niet, en leest: ‘1652 KAAPSTAD 1952. Ja, jongen, in 1952 was het driehonderd jaar geleden dat we in Zuid-Afrika aan land gingen. Jan van Riebeeck werd de baas. Een held. Zo’n postzegel is nodig om held te blijven; de mensen vergeten zo gauw. Ze praten daar nog steeds Hollands. Moet je nagaan. Dat krijg je allemaal nog op school. Maar dan weet je het vast. Je kunt van postzegels verdraaid veel leren. En nou plakken, jij. En niet al mijn plakkertjes verknoeien. Begin maar eens met drie.’ Mijn vader zingt: Rij maar an, ossewa, rij maar an. Een raar liedje als je het mij vraagt. Ik heb al twee keer om nieuwe plakkertjes gevraagd. Die rotzegels willen gewoon niet blijven zitten. En ik doe het toch precies zo als mijn vader. Op een gegeven moment zegt hij: ‘Zet de radio eens wat harder. Even horen wat Hiltermann te zeggen heeft over Korea. Als we ze niet tegenhouden staan ze hier straks op de stoep.’ ‘Wie staan er straks op de stoep, pap?’ vraag ik en ik voel dat het helemaal niet lekker zit met Korea. ‘De communisten, jongen. Het rooie gevaar. Als je hun postzegels hebt gezien weet je genoeg. Communisten lachen nooit. Gezellig toch?’   Onlangs, ruim een halve eeuw later dus, liep ik in Utrecht door de Zadelstraat richting Domplein, op weg naar de reünie van mijn oude studentenvereniging. Voor wie het precies wil weten: het was zaterdag 23 mei 2015, half elf. Het was zonnig maar fris en ik was wat aan de vroege kant. Zo kon het gebeuren dat ik vooraan in de Zadelstraat een winkeltje opmerkte dat bij eerdere gelegenheden aan mijn aandacht was ontsnapt. Een postzegelwinkeltje! Ik verkeerde al geruime tijd in de overtuiging dat dergelijke winkeltjes niet meer bestonden of in ieder geval uiterst zeldzaam waren geworden. Maar hier was er nog een, de deur stond open en ik had nog tijd genoeg. Toen ik over de drempel stapte, kreeg ik het gevoel dat ik ook had bij het binnengaan van Teyler’s Museum in Haarlem. Alsof ik in een time-warp terecht kwam. En dat gevoel werd nog aanzienlijk versterkt toen ik aan de praat raakte met de eigenaar, William van der Bijl, uitbundig bebaard en blijmoedig genesteld tussen zijn verzamelwaar. En alsof dat nog niet genoeg was, vetrouwde William mij, nadat we in een vrijmoedig gesprek verzeild waren geraakt over de waarde van mijn vaders verzameling, plotseling toe dat hij al vele jaren postzegelzaken met Noord-Korea deed, er regelmatig heen ging, en er nog niet zo lang geleden een tijdje had vastgezeten op verdenking van spionage omdat de Grote Leider toch wat begon te twijfelen aan zijn eerzame, filatelistische bedoelingen. Eenmaal weer buiten bedacht ik dat er in een halve eeuw een hoop kan veranderen, zoals de waarde van mijn vaders verzameling die al weer vele jaren bij mij op zolder lag, maar gelukkig niet alles. De Domtoren was er nog. En William van der Bijl. Hoe zou het met mijn oude studentenvriendjes en -vriendinnetjes zijn?

Gerard van de Schootbrugge
3 0

Gezegend zijt Gij

                                                                         24 december 1978. Mijn grootmoeder is in haar nopjes. Straks komen haar elf kinderen, acht schoonkinderen en een tiental kleinkinderen kerstavond vieren. De voorbereidingen starten. Met hoge stem strooit ze instructies in het rond. Enkele tantes sleuren met tafels en stoelen, geleend van het café op de hoek. Vol overgave schrobben ze biergeur en schunnigheid ervan weg. In de keuken tellen de kleinkinderen steeds opnieuw de borden, de vorken, messen en lepels. De oudsten mogen de glazen opblinken. Het is een drukte van jewelste, er wordt gelachen, gezongen, gegrapt en geroddeld. Mijn grootvader zit, weggedoken in een hoekje van de kamer, zijn sigaret te rollen. De overbodige tabak valt op de gekuiste vloer. Doof voor alle verwijten rolt hij rustig verder, knipoogt naar de kleintjes en knijpt dan hard in mijn grootmoeders kont, die gehurkt voor hem de tabak opruimt. Middernacht. ‘Stille nacht, Heilige Nacht’ klinkt uit de radioboxen. De stoelendans begint. De mannen blijven zitten, de vrouwen lopen rond, wensen iedereen een zalige Kerst. De kinderen friemelen zich ertussen. Dan gaat de deur van de woonkamer open. Mijn grootmoeder slaakt een lichte zucht, het is zover. Verkleed als priester komt mijn vader binnen. Haar mooiste tafelkleed is nu een kazuifel. Zonder schroom knipte mijn vader een gat, de grootte van zijn hoofd, in haar witste damast. Een touw in zijn midden, de WC borstel in zijn rechterhand, een kom water in de andere. Onschuldig als een pasgeboren kind, gaat hij voor mijn oma staan. ‘Wens gij te biechten madam?’ vraagt hij plechtig. Ze gaat staan, buigt lichtjes haar hoofd en zegt: ‘Ja’k, meneer pastoor’. De ogen van onze provisoire geestelijke blinken. Met uitgestreken gezicht sopt hij de borstel in het water, met veel zwier zwaait hij het kletsnatte WC attribuut in het rond. ‘In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti’, een klets water beland op het kapsel van mijn grootmoeder. Dan stapt hij plechtig de tafel rond, zegent plichtsbewust met veel overtuiging de aanwezigen. Tantes schuilen onder hun servet, nonkels moedigen hem aan. Iedereen is gezegend, het feest kan beginnen.

Chantal Pauwels
2 0

Zelfstudie

p16 De voorwaarden voor de verzekering die je krijgt als je niet kan werken.  De commissie voor de bestrijding van armoede.  De dienst bij de gemeente die het systeem voor het reinigen van de vuilkarren begeleidt.  Neem je geldig paspoort mee, dat is verplicht / anders kom je het land niet in.    p17 Overheden hebben het moeilijk om diversiteit een plaats te geven in hun beleid. Hoe bereik je minderheden? Wat met een aangepaste dienstverlening, inspraak en participatie? Een echte uitdaging dus.    Naamwoordstijl en nominalisering vermijden draagt bij tot leesbaarder schrijven.    p18 Op vraag van bewoners, plaatste het stadsbestuur verkeersborden om te grote vrachtwagens te weren. Als er nu schade wordt aangebracht, worden de kosten op de bestuurders verhaalt.    U voerde op 1/10 werken uit aan het fietspad in de Abdijlaan. Ze voldoen niet aan de voorwaarden in het contract.    p19 Pas deze tips om te scoren bij je lezer nu maar eens toe.    p27 Iedereen weet dat fruit eten gezond is, het geeft je de nodige vitamines en vezels. Uit recent onderzoek blijkt nu dat er niet genoeg fruit wordt gegeten. Om dit te promoten, wordt er door de overheid een campagne opgestart met de slagzin 'Snoep verstandig. Eet een appel.'   p28 In de eerste plaats zou ik voor iets anders kiezen. Het bestuur voelt er nu niets voor.  We doen er alles aan om het niet meer te laten gebeuren. De inhoud van de reclameboodschappen is echter niet onze verantwoordelijkheid. 

eLs
1 0

Aan alle zondagsrijders op de trein: het begint bij de tegel en eindigt bij de roltrap…

Een ochtend als een andere. Vlot aangekomen aan het treinstation. Ook vandaag dienen dezelfde ochtendrituelen zich aan. Zal het vandaag lukken? Ik besef: strategie is belangrijk. Daar is hij “mijn tegel”. En ik heb geluk, vandaag is hij vrij. Mijn gelukstegel op perron 10. De tegel waar de trein netjes met dubbele deur stopt. Ik zet me in positie. Rug recht. Boekentas in de ene hand, kranten in de andere. Gsm in aanslag. De trein rolt raspend binnen. Nog enkele meters en ik zie dat ook vandaag mijn tegel geluk brengt. Een warm gevoel maakt zich meester van me. Yes. De deuren openen zich pal voor mij. Die eerste kleine overwinning is belangrijk. Ok, maar niet te snel euforisch worden.   Op naar de volgende stap. Rustig denk ik. Rustig. Laat eerst de mensen afstappen. Hallo !!!!???? Een paar gehaaste vogels wringen zich naar binnen zodra de deuren zich openen. Kennen jullie de ongeschreven regel niet? Mensen springen, botsen, glijden van de trein het drukke perron op in een trappelende mensenzee van ongeduld. Yes. Ook deze fase is voorbij en al bij al vlot verlopen. Vink.   Ik neem energiek twee treden en sta in mijn favoriete dubbeldekker meteen voor een nieuwe tweesprong. Deur naar boven of deur naar beneden? Als ik een arendsoog had kon ik instant inschatten waar de beste plaatsen zich bevinden. Bovenaan of onderaan. Maar het arendsoog ontbreekt. Met mijn korte lijfje, aangedampte bril en te veel bagage moet ik op goed geluk een gokje wagen. Boven? onder? In een milliseconde kies ik want ervaring leert dat ik anders de zware boekentassen, plooifietsen of andere zaken in de rug geduwd krijg. En ja, ook deze beslissing blijkt vandaag de goede te zijn. Ik zie in het midden van de wagon enkele lege plekjes. Perfect. Wie zit er? Toch even goed observeren welke vogels ik in de kuip heb? Lawaaierige muziekluisteraars? Krantenlezers, snurkers, zuurtjes (lees: mensen die ruiken naar het zweet) ... Ook hier opnieuw een keuze die snel moet gemaakt worden want ondertussen stromen in het gangpad andere strategische reizigers toe.    Plof. Ik ga zitten. Boekentas op schoot. Handtas er netjes bovenop. Als ervaren treinreiziger is nu het moment aangebroken om jezelf een klein schouderklopje te geven. Even op adem te komen. Vooraleer de volgende hectische fase aanbreekt, kan ik kiezen uit een aantal fijne alternatieven: krantje lezen, muziek beluisteren of wegdromen en misschien wel indommelen.   De tijd gaat snel. De trein iets minder. Met een schok ontwaak ik uit mijn dagdroom. Actie, giert het door mijn hoofd. Want opnieuw heb ik er alle belang bij om de handelingen correct en secuur af te handelen. Wie vlot wil treinreizen weet dit als geen ander.   Even wroeten bij het afstappen. En dan, het laatste huzarenstukje overleven. De trechter, die de voorhoede vormt van de roltrap, zuigt de mensenmassa aan. Een laatste ergernis maakt zich meester van me. Ook op de roltrap bestaat er een wegcode. Keep right! Ik verlang naar de discipline van de metroreizigers in Londen. Ach, voor ik het weet sta ik met beide voeten op de grond.   Missie geslaagd.   Als “ervaren observerende treinuil” heb ik een boodschap aan alle zondagsrijders: hou je aan de ongeschreven regels maar volg ook je eigen strategie. Want het begint bij de tegel en eindigt bij de roltrap…      

Katrien De Weirdt
6 0

CcBe een cultuurcentrum enkel voor de Blanke Vlaming? Zever, gezever!

Berchem is een diverse wijk waar verschillende culturen, origines en generaties zich thuisvoelen. Het is een plek waar diverse gemeenschappen samen een charmant dorp vormen vol kleuren en geuren. Cultuurcentrum Berchem wil de plek zijn waar jij, ik en iedereen ongeacht kleur en afkomst thuiskomt. Een grote familie die samen naar het theater gaat, een concert of een film meepikt waarover nadien gezellig in de foyer wordt gekeuveld.   Elk huisje heeft echter zijn kruisje en helaas is ons publiek geen weerspiegeling van de buurt. Onze deur staat voor iedereen open maar het zijn vaak de blanke middenklassers die de weg vinden naar ons huis. Terwijl de “Welkom” op onze deurmat niet enkel voor hen daar staat gedrukt. Voor onze gekleurde buren is de weg naar ons cultuurcentrum vaak een zoektocht met drempels en hindernissen. De innerlijke GPS van de blanke Vlaming vindt blijkbaar beter de weg naar ons aanbod. We zien dit graag anders, extra inspanningen dringen zich op.   In eerste instantie zorgen we voor een kwalitatief aanbod, een afspiegeling van de culturele diversiteit die Berchem rijk is, zowel op het podium als in de wijken. Aangepaste communicatie is een must als we alle lagen van de bevolking willen bereiken, veel beelden en begrijpbare taal. Het haalt niets uit om onze deuren wagenwijd te openen als de mensen die we willen bereiken ze niet vinden. Het is een weg met putten en valkuilen maar plaveien zullen we hem! Onze vingers jeuken om deze uitdaging aan te gaan want ’t stad is van A en ccBe is van iedereen. “Salam aleikum” en tot op één van onze voorstellingen!

Kim Rombauts
1 0

persbericht: sluiting asielcentrum

Vzw Belle Vue PERSBERICHT   Besparingsmaatregelen bij FEDASIL noodzaken VZW Belle Vue om opvangplaatsen voor asielzoekers af te bouwen. Barvaux, 8 januari 2015 - Asielcentrum Belle Vue kreeg eind december 2014 bericht van Fedasil dat het aantal opvangplaatsen sterk dient te worden afgebouwd. Deze afbouw heeft ook impact op de personeelsbezetting van het centrum. Vandaag werd het personeel van het centrum hierover geïnformeerd door de directie.   In opdracht van de federale regering dient Fedasil budgettaire maatregelen te treffen. Fedasil kreeg de opdracht van de federale regering om budgettaire maatregelen te treffen en over te gaan tot de afbouw van het aantal opvangplaatsen voor asielzoekers in België.   Sterke afbouw van het aantal opvangplaatsen Voor vzw Belle Vue heeft dit als gevolg dat 80 opvangplaatsen worden stopgezet op 31 januari 2015. Van de 127 opvangplaatsen blijven 47 opvangplaatsen behouden.   Impact op personeelsbezetting De afbouw van opvangplaatsen heeft ook impact op de huidige personeelsbezetting. Van de 21 tewerkstellingsplaatsen blijven er waarschijnlijk 10 behouden.   Sociaal plan en begeleiding De directie heeft vandaag haar werknemers ingelicht en benadrukt dat zij alles in het werk zal stellen om een optimale begeleiding en sociaal plan te voorzien.   Contacteer voor meer informatie: xxxxxx xxxxxx Gedelegeerd bestuurder Belle Vue       Over VZW Belle Vue - asielcentrum VZW Belle Vue, biedt sinds 2008 plaats aan 127 asielzoekers en is gelokaliseerd op 2 sites met name in Erezée en Barvaux.   Over Fedasil Fedasil, het federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers, is een instelling van openbaar nut die werd opgericht door de programmawet van 19 juli 2001 en operationeel is sinds mei 2002. Sinds oktober 2014 staat Fedasil onder het toezicht van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Theo Francken.                                                                                                                                                    

Katrien De Weirdt
1 0