Lezen

Nancy's A cup

het is in geen enkel opzicht te vatten hoe Urbanus, die ook luistert naar de naam Van Anus, het in de kleurrijke jaren 70 al wist. De wereld is om zeep. In de seventies ging je toch gewoon werken, reed je weer naar huis in een auto waarin je verdorie zelf het raampje naar beneden moest draaien, kwam je thuis in je niet geïsoleerde huis met enkele beglazing, draaide je de chauffage op stand 5 (het kostte toch niets) en spendeerde je vervolgens de rest van de avond aan het staren naar een lava lamp? Welke lapzwans durfde in dat decennium dan met dit soort aparte sinistere gedachten rondlopen? Want wees nu eerlijk, op een klepper van een oliecrisis, wat Palestijnen die dachten aanspraak te maken op 5 vliegtuigen, een uit de hand gelopen akkefietje op de Olympische spelen te München en een select groepje Republikeinen die hun grote droom om eens Democraten af te luisteren in vervulling zagen gaan na, was dit toch een vrolijke periode, waarin men al-joint-doorgevend door de aardbeienvelden huppelde?   Neen, beminde gewervelden, de heer Van Anus sloeg hier de nagel op de kop.   Ik weet dat ik veel van jullie vraag, maar ik zou het toch fijn vinden als jullie even meedoen. Sta recht want we springen zomaar even een 40- tal jaren verder. Wees tijdens de sprong voorzichtig in de buurt van de jaren ’80, geen hond die daar wil blijven plakken. Als alles goed is gegaan zetten we nu voet in het jaar 2014. We kijken even rond en we pikken enkele nieuwsberichten mee. Het ziet ernaar uit dat de mensen hier hun eigen problemen hebben. In ons kleine België zitten we met een relatief tot zeer rechtse regering, als we even de Noordzee doorzwemmen en richting Schotland navigeren moeten we goed opletten om niet tegen een separatist te botsen, in Rusland heeft onze kapoen Poetin tussen het berenrijden, mensenrechten schenden en stoer poseren met een zonnebril op door toch nog de tijd gevonden om een schiereilandje tot zich te nemen, en je raadt het nooit: conflict in het midden-Oosten. Het aantal monden die door dit laatste nieuwsbericht openvielen is volgens mij bescheiden. De wereld is ook vandaag nog een beetje als rondwandelen op een kermis om 3 uur ’s nachts: naar welke kant je ook kijkt, het enige dat je ziet is vuil. Komt het ons niet stilaan de oren uit?   Weet je wat ook onze oren zou kunnen uitkomen? Bloed. Omdat originaliteit me nooit prijzen heeft opgeleverd wil ook ik het even over deze epidemie hebben. In tegenstelling tot wat je zou kunnen vermoeden als je de naam “Ebola” uitspreekt, is deze ziekte op het eerste zicht niet zo fijn. Het zal misschien aan mij liggen, maar veel ambitie om met een Kleenex zakdoek het bloed uit m’n oren te peuteren koester ik niet. Kunnen we misschien eens proberen om ervoor te zorgen dat niemand dit ooit nog hoeft te doen? In plaats van onze capaciteiten te gebruiken om golftornooien op de maan te spelen, mensen vanuit de ruimte te laten parachutespringen of zorgen dat Nancy niet langer met haar beschamende cup A rond haar paal moet draaien, kunnen we misschien eerst proberen om mensen daadwerkelijk te helpen?   En dat brengt me terug bij het begin. De wereld is om zeep. Armoede, honger, oorlog, ziekte,… het is even oud als de mens zelf. De ironie van heel de affaire is nu net dat veel problemen op te lossen vallen. Ziektes kunnen genezen worden, honger kan vermeden worden, armoede kan verholpen worden. Er is genoeg geld op de wereld, maar het ligt in verkeerde handen. Zij die geld hebben spenderen het liever aan Nancy’s boezem of om hun tanden te witten om ze vervolgens met ridicuul prijzige sigaren weer naar de kloten te doen. Slaat nergens op toch? We zien dat de stront er ligt, we weten het en wij hebben wc papier. Toch gebruiken we het niet. Zolang we de stront zelf niet ruiken, stoort het niet. Pas wanneer het te laat is, en de metaforische ontlasting zich langzaam maar zeker naar het westen verspreidt, dan gebruiken we ons wc papier. Helaas rijkelijk te laat.

Milan Vandermeulen
0 1

Strabismus

Bruin brood mocht dan wel gezond zijn, maar dat had Valère genoeg moeten eten in de oorlog, tussen het schuilen voor de bommen door.   Nu waren hij en Mariette al lang op pensioen en woonden ze op de vierde verdieping van een chique appartementsblok, waar het leek alsof ze elke dag aan zee waren. Zo was haast alles op een kilometer afstand en vlogen er zelfs meeuwen. Maar zonder de dagtoeristen, dure zeetongen of gezonde jodium. En geen zee, natuurlijk.   De ligging van hun hoekappartement gaf hun veel bekijks. Er waren de mensen van het café, de steenweg met interessant verkeer, de stoet van schoolgaande kinderen, en het plein waar elke maand een groot evenement plaatsvond.   Terwijl Mariette de restanten van een zonsopgang aanschouwde, omhelsde Valère haar. In de hoekramen zag hij twee oude mensen staan. Veel ouder dan hij zich voelde. Hij nam haar handen vast. Ouderdomsvlekken. Streelde haar zachte oude vel. Rimpels. Lang kon hij haar niet vastnemen. Dat deed pijn.   ‘Daar,’ zei Mariette, ‘kan je het zien? Ons oude huis.’   Een jaar geleden hadden ze nog in een villa gewoond. Met een tuin. Maar Valères slechter wordende gezondheid had hen gedwongen doen verhuizen naar wat hij als hun laatste halte beschouwde. Althans de zijne. Was dit het dan?   De kerk konden ze niet zien vanuit hun appartement, maar hij begon er meer en meer aan te denken. Hij maakte zich ongerust dat niet alles in orde zou zijn op zijn begrafenis. Dat er mensen te laat zouden zijn, dat…   ‘Kom, Valère, het is tijd om te winkelen.’ Mariette nam haar zakdoek, dipte die op haar tong, en veegde zijn mondhoeken proper. ‘Je hebt daar nog wat soldatenkoek hangen,’ zei ze vastberaden. Die gewoonte van haar was begonnen in de tijd dat ze nog jonge kinderen hadden. Nadat die hadden leren eten had ze haar opvoeding verder gezet op Valère. En nu deed ze het vele keren per dag, want het dik speeksel dat zich ophoopte in zijn mondhoeken vond ze wansmakelijk.     Eenmaal in de wagen, reden ze de parking uit zonder blikschade, wat Valère normaal optimistisch stemde. Maar niet vandaag, want dat onbehaaglijk gevoel van de laatste tijd bekroop hem weer.   Zijn vrouw reed niet meer met de auto sinds ze dertig jaar geleden eens gebotst was. Zou ze het ondertussen verleerd zijn?   ‘We moeten voortmaken,’ zei zij, ‘want straks komt de oudste van ons Pascale de computer maken.’   Dat maakte Valère nog zenuwachtiger. ‘Hoeveel tijd hebben we dan om te winkelen?’   ‘Een uur.’   ‘Maar, bel hem dan dat we nog maar net vertrokken zijn naar de winkel. Een uur… Mariette, dat is te kort.’ Hij hapte naar adem.   ‘Doe dan voort,’ zuchtte ze.   Iets later kwamen ze aan bij de winkel die eigenlijk erg dichtbij was, maar toch te ver om de boodschappen te voet naar huis te dragen.   Bij het uitstappen stootte Valère weeral zijn hoofd. Hij vloekte, en voelde aan de bult die al jaren was overgroeid door een grote gebarsten korst.   Tot enkele weken geleden spraken ze nog af met een bevriend koppel aan de winkel om een koffie te drinken in het café ernaast. Maar de man was nu dood. Voor diens begrafenis had de weduwe, Irma, gevraagd kleurrijk gekleed te komen. Dat had Valère geweigerd uit principe, maar Mariette had hem ertoe verplicht.   Mariette leek zijn gedachten te lezen. Plots zei ze: ‘We zouden nog eens moeten afspreken met Irma. Ze zit veel alleen de laatste tijd.’   Valère gromde. Hij had met Irma doen, maar het zat hem nog altijd dwars. Een onnozelaar in een kanariegeel kostuum. Op een begrafenis! Hij had verdomme zijn been stijf moeten houden!   Er was slecht weer op komst. Voorzichtig stapten ze naar de schuifdeuren. Vorig jaar was hier nog een vriendin van hen gevallen. De heupoperatie had haar op slag tien jaar ouder gemaakt.   De manier waarop Mariette een winkel binnenkwam deed Valère altijd denken aan de kippenren van zijn vader zaliger. Kop naar voor en achter. Loshangend nekvel. En kakelen.   Nadat ze nog eens met haar zakdoek langs zijn mond had geveegd, ging ze naar de beenhouwer. Dat betekende dat Valère een kar moest nemen om dan bij haar te gaan wachten. Als een onnozelaar.   Al jaar en dag kwam hij in deze winkel, maar de jeugdige bediende aan het rek met karren had hij nog nooit gezien. Die zei: ‘Meneer, kan ik u helpen?’   Valère knikte eens nors terug, wilde een kar nemen, maar die blokkeerde even.   De bediende kwam dichterbij en riep nu in zijn oor. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Valère was geïrriteerd, maar wist niet wat zeggen. Hij vond het steeds moeilijker om te praten tegen nieuwe mensen.   De bediende kwam nog wat dichter en legde begripvol een hand op Valères schouder. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Maar Valère voelde zich getutoyeerd. Hij schudde kwaad zijn hoofd en zijn oude schoolmeesterstem haalde de bovenhand: ‘Het lukt, dank u!’ Hij rukte de kar los en duwde die rakelings voorbij de bediende.   Hij voelde zich opgejaagd. Zijn hart klopte luid en onregelmatig in zijn borst. Hij sloeg in paniek en begon te trillen. En plots… zag hij alles wazig.   Wankelend, steunend op zijn kar, schuifelde hij naar de beenhouwer. ‘Mariette,…’ lispelde hij.   Maar die was druk aan het kakelen.   ‘Heb je het gehoord van Gilbert?’   ‘Ja. In zijn slaap.’   ‘Dat is nog een schone dood.’   ‘Mariette!’   Toen die zich eindelijk omdraaide, slaakte ze een gil. ‘Valère!’   Ze hadden nog nooit zo snel gewinkeld. En de hele tijd had hij niet mogen opkijken van zijn vrouw. Zij had de kar gereden. Zij had betaald. En toen ze bij de auto waren gearriveerd, had zij ook alle boodschappen ingeladen. Allemaal erg ongewoon, maar de ernst begon hem pas te dagen toen zij haar hand had uitgestoken. ‘Sleutels.’   ‘Je hebt al dertig jaar niet meer gereden,’ kreunde hij.   ‘Jaja, sleutels.’   Hij was niet graag passagier. ‘Wat scheelt er met me, Mariette? Ik ben echt niet goed.’   Ze fronste bezorgd.   Eenmaal op het appartement had hij niet de typische ziekenverzorging gekregen. Geen thee, geen pijnstiller, geen lieve woorden.   Mariette stapte uit de slaapkamer met haar maquillagespiegel. Ze aarzelde even, maar hield die dan toch voor Valères gezicht.   En toen zag dat hij scheel keek. Als een otter. Twee keer.   Mariette nam de telefoon.   ‘Wacht!’ zei Valère, ‘wat ga je doen?’   ‘De dokter bellen, tiens. Je kijkt scheel als een onnozelaar. Dat is toch niet normaal?’   Hij zei koppig: ‘Ik ga niet in die wachtzaal zitten.’ Maar Mariette was al aan het bellen.   Ze legde af en zei: ‘Vanavond hebben we een afspraak.’   ‘Maar…’   En ze gaf hem een zonnebril.   ‘Voor straks?’   Ze lachte krampachtig. ‘Zet hem nu ook al maar op. Werkelijk, het is geen zicht.’     Hoe ouder je wordt, hoe meer je naar de dokter zou moeten gaan. Maar elke keer dat je gaat, kan die nog minder doen dan de vorige keer. Daarom at Valère elke dag een appel om gezond te blijven. En een soldatenkoek.   Hij wist dat hij een ondraaglijk humeur had vertoond de laatste weken. Iedereen had ervan moeten lusten. Zijn vrouw, kinderen, kleinkinderen, schoonfamilie, … Zelfs zijn vrienden wilden niet meer met hem kaarten.   ‘Ogen open!’ zei Mariette streng. Een nieuwe dag en weer druppels in zijn ogen, zodat hij niet dubbel zou zien.   Mariette fronste, pakte haar zakdoek en wreef zijn mondhoeken schoon.   ‘Nee!’ zei hij plots en hij sloeg haar hand weg.   ‘Valère!’ riep Mariette geschrokken.   ‘Ik ben geen gehandicapte! Stop met me zo te behandelen!’   ‘Kalm, Valère, …of-’   ‘Of wat? Of ik ga nog scheler kijken? Veel scheler dan dit kan het nochtans niet. Verdomme.’   Hij stapte naar de hoek van het appartement tussen de twee vensters en keek naar het begin van een miezerige ochtend. Hij hoorde Mariette naar de keuken stappen en met gerief beginnen rommelen.   Zijn vrouw had auto gereden, klussen gedaan, … Alles wat zijn pensioen nog betekenis had gegeven de voorbije jaren was uit zijn handen ontnomen.   En hij was dingen gaan vermijden uit schaamte. Zo was hij al weken niet meer mee gaan winkelen.   Mariette kwam uit de keuken en haalde diep adem. ‘We moeten naar de winkel,’ zei ze gerepeteerd.   Het woord viel als een bom.   Even wachtte ze nog, maar zuchtte dan, en nam de autosleutels al van de haak. Ze leek zo kwetsbaar.   ‘Wacht…, Mariette…’ zie Valère, en hij stapte naar haar toe, wreef over haar zachte handen, en nam de sleutels. ‘Laat mij gaan. De dokter zegt dat ik het kan.’   Haar gezicht klaarde op. ‘Hier is het lijstje.’   Hij winkelde niet graag alleen, maar deze keer stond er veel op het spel.     Moe van de autorit, maar tevreden van de overwinning, was de winkel donker met zijn zonnebril. Hij nam een kar en negeerde de jonge bediende die in de buurt stond.   Ze hadden de laatste weken blijkbaar de opstelling van de rayons en de producten gewijzigd. Verdomme, dacht hij, niet nu.   Iets later zat hij nog maar in de helft van zijn lijst en was hij al uitgeput. Hij zocht naar de soldatenkoeken, maar die leken wel verstopt tussen een massa andere merken. Overdaad. In mijn tijd waren soldatenkoeken nog genoeg.   Hij deed zijn ogen dicht om de gonzende hoofdpijn te sussen, en probeerde de juiste koeken te vinden door de verpakking te betasten. Gebukt en gehurkt. Zijn hele lichaam deed nu pijn.   ‘Meneer?’ vroeg plots een fijn stemmetje. ‘Kan ik u helpen?’   Hij deed zijn ogen open en zag een lief meisje van zo’n tien jaar. Voor de eerste keer in weken deed hij zijn zonnebril af.   Dat deed het meisje vrolijk hardop lachen. En ze stopte niet.   Eerst voelde hij zich beschaamd. Maar haar lach was zo aanstekelijk dat al snel de tranen uit zijn ogen stroomden. De pijn ebde weg.   ‘Ik zoek soldatenkoeken,’ zei Valère na een tijdje.   Prompt pakte het meisje een doos koeken uit het rek en gaf die aan hem. ‘Ziezo!’ En ze dartelde weg.   ‘Bedankt,’ fluisterde hij na.   En thuis zou hij merken dat het geen soldatenkoeken waren, maar zachtere koeken met een zoete smaak, en een kinderachtig beertje op de verpakking. Maar hij zou die opeten met smaak.   En erna zou Mariette zijn mondhoeken mogen afvegen.      

Han Hartmoed
0 0

Positief reisadvies voor India

Positief reisadvies voor India:  DE TIEN GEBODEN 1. Gij zult niet opvallen   Neem (liefst onbewust) een aantal van de plaatselijke gewoonten over, kwestie van te integreren, dus camoufleren, dus minder op te vallen. In India betekent dat ondermeer:  - met je hoofd bijna nee schudden (alsof je zou tonen "allez dan, tis goe voor ene keer") wanneer je eigenlijk gewoon 'ja' bedoelt. - bij het drinken van een fles water giet je het water in je mond zonder de opening van de fles met je lippen aan te raken. - je voedsel zo vaak mogelijk met je handen opeten (NVDR: Joachim bedoelt eigenlijk één hand en alsjeblieft je rechter) 2. Loof de Heer (maakt niet uit welke) Vraagt iemand naar je religie? Kies er gewoon 1 uit: Christen, Moslim of desnoods Jehova, maar begin niet te lullen over atheïsme. Het is alsof je het Belgisch federaal systeem zou proberen uitleggen aan een Chinees in het Duits.  3. Vermijd overbodige ongemakken Ga je voor een lange busrit? Laat dan op je GSM een herinnering, genaamd 'rugzak', 15 minuten voor de geplande aankomsttijd afgaan om het bewuste voorwerp zeker niet te vergeten. Gaat de man in de zetel voor je even weg voor een plaspauze, draai dan ongemerkt zijn zetel wat naar voren, kwestie van wat meer beenruimte te scheppen voor jezelf. 4. Verwacht steeds het onverwachte Zelfs als je denkt in alle rust op het strand te liggen kan je wakker worden met een aap op je gezicht, een schijtende (doch nog steeds heilige) koe naast je, en mogelijk passeren er een paar zatte locals die lachend (!) een zeil versleuren met daarop open en bloot de lijken van 2 pas verdronken Indiërs. Dat er 5 minuten later een andere zatlap trots een 2de duim aan zijn rechterhand komt tonen, maakt de onvoorspelbaarheid alleen maar groter. 5. Gij zult nooit onder je bed kijken   Zoek nooit naar ongewenste levensvormen in je kamer. Wat niet weet, niet deert. 6. Wees nooit bevreesd   Voel je niet te snel bedreigd! Zelfs niet als je alleen in een afgelegen automaat geld afhaalt en er 15 Indiers binnenglippen om je hand te schudden, mee te kijken naar het computerscherm en vooral te profiteren van de gratis airco.   7. Wees geeeeeeeeedddddddddduuuuuuuuullllllllllllllllllllllllllddddddddddddiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiggggggggg en adem door je mond   Met een beetje pech sta je met je zweetsleffers en bagage 4 uur aan een stuk recht in een belachelijk volle trein. Met een beetje extra pech word je verdrukt richting een 170cm lage doorgang en sta je het langste uur van je leven in de deuropening van de wereldwijd gerenommeerde, door Unesco beschermde Indische treintoiletten. Nadat je beseft dat een uur je adem inhouden net iets te lang is, word je spontaan jaloers op de 2 zwarte, geurwerende tenten naast je en de moslima's die zich eronder verschuilen. Allah Akbar! Hun man gunde hen zelfs geen oogluikje! Ik kook vanbinnen, maar zie het oogluikend aan (komaan, deze woordspeling schreef zichzelf).    8. Wees mild ten opzichte van schrijffouten De lieve Indiers bedoelen het immers beter dan het klinkt: - French Fried (nee, ze willen echt geen Fransman frituren) - Chess omelet ( de Gary Kasparov onder de eieren) - T-shirt van Iran Maiden (de bekende Perzische Heavy Metalband) - Jackem Stood (rechtstreeks overgeschreven van mijn paspoort en geef toe: het klinkt beter dan het origineel) 9. Gij zult ten allen tijden flexibel zijn   Het moet gezegd: India is hemel en hel, slow motion en fast forward EN dit volgens mij meest diverse land ter wereld (qua cultuur, religie, hiërarchie en natuur) is tevens zowel middeleeuws als hypermodern                               kreupele naast straatkind naast mangoboer naast IT-specialist                     krot naast shopping center                                                                                                                                                                        Gladiator naast The Matrix                                                                                                  en ik ertussen als kameleon. Als je denkt tegen meer dan de helft van bovenstaande geboden te zullen zondigen... 10. Blijf hier weg en geniet ten volle van Belgie

Joachim Stoop
0 0

Witte Jassen

Goed nieuws, op het journaal zag ik, dat er een film is gemaakt over de situaties van de geïnterneerden in België. Mensonwaardige toestanden, een beschaving onwaardig.Het was alsof een archief tot leven kwam. In een flits kwam het allemaal terug. Het moet ergens in de jaren 80 geweest zijn. Bijna 35 jaar geleden.Op werkbezoek bij een geïnterneerde in de gevangenis van Merksplas, de gesloten afdeling nog wel. Door een doolhof van gangen en poorten leek het meer op een afdaling naar de catacomben.Voorbij mensen waar het leven uit weggevloeid lijkt, zij die sterven groeten U.Kleding en meubilair leken afkomstig uit het museum Ghuislain.Eén sociaal assistent, en een half time psychiater voor de “behandeling” van enkele honderden mensen met psychisch lijden.“Ik had liever een veroordeling gehad, dan wist ik wanneer ik buiten kwam, nu zit ik in de vergeetput van Merksplas. Gelukkig zit ik niet In Doornik, daar is het naar schijnt erger”. Waarvan akte, al kon ik me dat echt niet voorstellen.In het jaar des Heren 2014 leken de beelden wel heel  erg hard op deze die in 1980 op mijn netvlies zijn gebrand.Ik had al menige tijd doorgebracht in diverse gevangenissen, dus ik had al wel wat gezien en gehoord. De wc potten, het geluid van rammelende sleutels, van sloten die dicht vielen. Tot twee opstanden toe.En toch was er één opmerkelijk verschil, daar op de afdeling van de geïnterneerden, de cipiers, nu penitentiair beambten, hadden allen een witte jas aan.Zo kon er geen misverstand zijn, hier zijn zieken opgesloten, hier wordt verpleegd.Ik vraag me af, zou dat vandaag nog zo zijn?Kwestie van een verschil te maken.

dirk adijns
0 0

versmeltende chemie

Er waren eens 2 cellen, Cella en Menno, die opbotsten tegen mekaar. Chemie van op het eerste moment. Menno vraagt aan Cella: ' Zullen we de uitdaging aangaan? ' waarop ze antwoordt: ' Het is afhankelijk van waar je de uitdaging legt.' Toch de fysieke aantrekking was zo sterk dat beiden verblind werden door de chemie. De membramen van Cella en Menno raakten mekaar en pats ... de versmelting der cellen was een feit. Cella:  Aantrekking is als een magneet. Maar wat trekt ons zo aan aan mekaar? We kennen mekaar niet eens. 'Het zal jouw schoonheid zijn' , zegt Menno. Cella: Maar dan is de vraag hoelang ik jouw uitdaging blijf? Als wij als 2 cellen uitgroeien tot een luchtbel, spat ie vroeg of laat uiteen. Menno: Zo ver zal het nooit komen.  Cella: Of wat als je vroeg of laat, wanneer je een niveautje hoger gaat, de uitdaging dreigt te verliezen? Als er dan iemand van ons 2 niet ontwaakt, is voordat je het weet, de tegenpartij 'gone with the wind' .... opgezogen door een andere voorbijzoevende magneet. Menno: Dan zal ik jouw duwen tot in de uiterste holle zijde van jouw cel, zodat er een lichtje gaat branden. Als je er dan voor open staat, is er een mogelijkheid samen uit te groeien tot een verrijkende parel. Een parel zo verrijkt, dat hij ondanks de aantrekkingskrachten van de voorbijzoevende magneten, toch niet gaat zweven en met de voetjes op de grond blijft. Want onthou: perfect zal het nooit zijn. Dat is een utopie. Een evenwicht vinden is al een kunst op zichzelf. Het feit dat je voortdurend in beweging bent, zal er nooit een constant evenwicht zijn.

melissa
0 1

Concha's kinderen

Heeft de trein naar Prades vertraging of heeft ze hem gemist vandaag? Concha kijkt eerst naar de stationsklok, dan naar het elektronisch bord en besluit dan dat hij te laat is. In ieder geval later dan gewoonlijk. Op het perron staat niemand aan wie ze het kan vragen, behalve de twee jongetjes die net als zij elke woensdag de trein nemen en bij de tweede halte, in Saint-Feliu-d’Avall, al uitstappen. Het lijkt niet erg praktisch om aan hen te vragen of ze soms weten of de trein vertraging heeft, maar ze gaat toch dichterbij staan. Ze willen immers op dezelfde trein en er is duidelijk iets niet in orde.   Nu verschijnen er rode cijfers naast het vertrekuur op het elektronisch bord. ‘Hij heeft acht minuten vertraging,’ zegt de oudste jongen half tegen zichzelf, half tegen haar. Ze knikt. Er is iets vreemds aan de jongen. Iets dat haar nieuwsgierigheid wekt en haar tegelijk op afstand houdt. Het zijn de flipflops, denkt ze eerst. Het zijn slippers met goudkleurige bandjes, een maat te groot. Misschien zijn ze van zijn moeder, denkt Concha en in gedachten ziet ze een vrouw die haar kind goudkleurige slippers doet aantrekken omdat hij de trein moet halen en hij zijn sandalen niet vindt. Het zijn die kleren ook, dat gebloemde hemd op een geruite short. En dat gezicht van die jongen. Het zijn de tanden. Nu ziet ze het. Hij heeft erg grote tanden.   De jongen glimlacht naar haar. Aan zijn gestalte schat ze hem een jaar of tien. Maar dat gezicht, die oplettende ogen, hij lijkt ouder. Het broertje -zou het zijn broertje wel zijn?- ziet er heel anders uit. Een bleek gezichtje, grote donkere ogen, lange wimpers. Een kind dat nog een kind is. Hij komt naast haar staan en pakt haar hand. Het handje plakt. Ze wil het van zich afschudden maar doet het niet.    ‘Oma,’ zegt het kind. Ze schrikt. Zie ik er zo oud uit? Ze probeert het handje los te laten, maar het houdt stevig vast. Het broertje komt ertussen.  ‘Laat los, Audric! Dat is oma niet. Oma is dood.’ Hij kijkt haar verontschuldigend aan. De trein dendert het station binnen. Acht minuten geleden waren ze nog vreemden voor elkaar. Nu stappen ze op, met hun drietjes. De oudste voorop, dan Concha met Audric aan haar hand.   ***   Voor de kinderen maakt de richting niet uit. Concha zit graag met de rug naar Perpignan en het gezicht naar Prades. Weg van haar werk in het rusthuis waar ze al vierentwintig jaar de vloeren dweilt en de badkamers poetst. Op weg naar haar appartement in Prades, met het gezellige terrasje achteraan en de smalle keuken waar ze vanavond fideuà zal koken voor haar zoon Enrique.             Ze kan nu niet denken aan Enrique en aan wat ze nog moet kopen voor het avondeten -zure room niet vergeten- want de kleinste klimt op haar knieën. Hij knijpt in haar been tijdens het klimmen en het doet pijn, maar nu ze weet dat hun oma dood is, kan ze het niet over haar hart krijgen om hem meteen van haar schoot te tillen. Audric zoekt een plekje dat lijkt op het plekje van oma, ergens in het midden van haar dijen, zodat hij stevig zit en zijn hoofd tegen haar schouder kan leggen zonder om te vallen. Concha’s handen willen hem helpen, hem tegen haar lichaam trekken, maar ze laat haar handen op de zitbank rusten.   Ze vraagt aan de oudste jongen hoe hij heet. De trein zoeft en de wagon rammelt, daarom komt hij naast haar staan.  ‘Fabien,’ zegt hij in haar oor. Fabien en Audric. Ze vragen haar niet hoe ze heet. Voor Audric is ze ‘oma’.   ‘Ben jij een oma?’ vraagt Fabien. Ze schudt haar hoofd. Ze liegt. Ze weet meteen dat ze liegt, ze was het niet vergeten, maar het is te laat, ze heeft haar hoofd geschud. ‘We moeten eruit in Saint-Féliu,’ zegt Fabien. ‘Wonen jullie daar?’ vraagt ze, om iets te vragen, om iets te zeggen, om niet meer te moeten liegen.  ‘Mama woont daar,’ zegt Fabien, ‘en papa woont in Perpignan’. ‘En wij wonen in de trein.’ Hij lacht zijn grote tanden bloot om zijn eigen grapje. Hij blijft naast haar staan in het gangpad, de voeten gespreid om zijn evenwicht te bewaren. Als de trein schommelt, houdt hij zich even vast aan de rugleuning van de bank waarop ze zit. Maar als hij in evenwicht is, houdt hij de handen in zijn zijde. Nog iets wat hem ouder doet lijken, alsof hij gehaast is om bij de grote mensen te horen.   Concha voelt zich ingepalmd, overmeesterd. Ze is te verbaasd om te denken en nog vragen te stellen. Fabien vertelt, de handen op de heupen, over mama’s huis met een tuin en een notelaar, waar ze straks noten zullen rapen -de afgelopen dagen zullen er weer veel gevallen zijn- en waar ze zullen wachten op mama, in de tuin of bij de buurvrouw soms. Audric ligt nog steeds tegen haar schouder. Een handje -niet het kleverige- dwaalt rond haar hoofd, voelt aan haar oorbel en aan de clip in haar haar. De kam komt wat los. Straks, als ze uitgestapt zijn, zal ze haar kapsel wel weer in orde maken   ***   In Saint-Féliu staan ze te zwaaien. Ze blijven zwaaien tot de trein zuchtend optrekt. Concha zwaait tot ze kramp in haar arm krijgt, tot ze uit het zicht zijn.   Waar was ze gebleven? Bij Enrique die vanavond komt eten en de fideuà die ze voor hem zal koken. De inktvis ligt al in de koelkast, vermicelli heeft ze altijd in huis. Witte wijn en zure room moet ze nog halen. Enrique zal haar ophalen en ze zullen samen boodschappen doen. Ze zal zich weer ergeren aan zijn sloomheid. Van wie heeft hij dat? Ze kan zich nauwelijks zijn vader herinneren. Hij was al weg voor zijn zoon geboren werd. Als Enrique nu eens een vrouw vond, een fijne jonge vrouw, een schoondochter. Ze zouden nog kinderen kunnen krijgen. Enrique en de schoondochter die ze in gedachten heeft, ze probeert het zich voor te stellen, maar het werkt niet. Enrique en een vrouw. Het zou een wonder zijn. En dus onmogelijk.   Bijna even onmogelijk als zelf nog kinderen krijgen. Er komen geen kinderen meer. Ook al liegt ze dat ze geen oma is, ze heeft er de leeftijd voor. Ook al ziet ze er jong uit, draagt ze jeans en sneakers, verft ze haar haar donkerrood en draagt ze grote zilveren ringen in haar oren. Ze is oma.   Ciri kent haar oma niet. Ze weet misschien niet eens van haar bestaan. En Concha weet alleen dat ze Ciri heet -aan de naam is ze gewoon geraakt- en dat ze nu negen is. Zou ze vragen stellen aan Blanca, haar mama?   ‘Heb jij een mama? Heb ik dan een oma? Waar is ze dan?’ Ze legt haar moeder op de rooster tot Blanca zwicht en zelfs inziet dat het gedaan moet zijn met die onzin. Dat zij, Blanca en Ciri, samen oma Concha zullen opzoeken. Ze woont nog steeds in dat kleine flatje in Prades. Ze zal niet verhuizen, want ze hoopt dat Blanca op een dag aan de deur zal staan. Ze zullen elkaar om de hals vallen en om vergeving vragen. Wie moet wie vergeven? Ze weten het al niet meer. Ze zullen lachen en huilen, zoals je dat soms op de televisie ziet.   Concha kijkt niet meer naar dat soort programma’s. Ze kent haar dochter. Haar koppigheid. Ze weet niet meer hoe het begonnen was, maar wel nog de woorden. Hoe gewond ze zich had gevoeld. Hoe waar het was dat ze Blanca teveel alleen had gelaten. Dat ze niet had nagedacht over wat met een meisje kan gebeuren, een kind nog. Dat ze soms bij een minnaar was gebleven in de hoop dat hij bij haar en haar zwijgzame zoon en opstandige dochter zou komen wonen. Was ze daarom slecht? Verdiende ze dat woord? Dat woord dat ze zelf nooit zou gebruiken?   De trein vertraagt en maakt een bocht. Tussen Vinça en Marquixanes komt de Canigou in zicht. Hij is grijsbruin en zwart aan de top, het is nog te vroeg voor de eerste kraag sneeuw. Ze houdt van de Canigou, van zijn massieve aanwezigheid, zoals iedereen die hier woont ervan houdt. Hij is troost en belofte voor al wie dat soms nodig heeft. Soms kijkt ze minutenlang naar de bergen vanop haar terrasje en denkt aan het land dat daarachter ligt. Ze is nooit meer de grens overgestoken. Spanje is te groot, waar moest ze beginnen zoeken?   ***   Enrique staat bij het hekje waar hij al die jaren elke woensdag staat. Nadat Blanca vertrokken was, werd het snel een gewoonte. In het begin hadden ze het nog dikwijls over Blanca gehad. Waarom toch? Waarom zo plots? Waarom was ze zo kwaad? Wat had ze misdaan? Waarom zonder adres, zonder telefoonnummer achter te laten? Enrique had geen antwoorden. Hij luisterde en knikte of schudde zijn hoofd. Hij klaagde niet. Hij zei nooit : ik ben er ook nog, mama. Hij zei dat niemand in de streek zo‘n lekkere zarzuela kon maken als zij. Ze deed haar best. Ze wou dat hij bleef komen.   Hij blijft komen. Het is een gewoonte. Nee, het is meer dan een gewoonte, het is trouw. Trouw, dat is het woord dat bij Enrique past. Sloom, maar trouw. En dan hoopt ze weer heel even dat hij iemand vindt die van hem houdt. Een vrouw, of toch iemand.   Zoals hij daar staat, de handen in de zakken. De rust, de kalmte die hij meebrengt als hij in haar richting komt en haar op beide wangen kust. Ze slaat haar armen om zijn nek.  ‘Hijo mío,’ fluistert ze. Hij maakt zich glimlachend los uit haar omhelzing en zegt dat ze laat is.    ‘De trein had al vertraging in Perpignan,’ zegt ze, ‘dat is nog nooit gebeurd. Deze niet.’   Ze ziet weer de rode cijfers op het bord, ze denkt aan de warme adem van Fabien in haar oor, ze voelt nog wat plakkerigheid in haar hand. En ze weet zelf niet zo goed wat haar zo blij maakt.  

Christine Van den Hove
7 0

desertie

Zo ziet een deserteur er dus uit in vredestijd. Een twintiger waar het leven uit lijkt weggevloeid. Verpakking die klaar staat om bij het groot huisvuil te worden gezet. Bijna niet meer te recycleren. Hugo is een milicien, die langer dan acht dagen zonder permissie weggebleven is uit zijn eenheid. Huidige status: deserteur. Voorbestemd voor een enkele reis naar de ‘begijnenstraat’. ‘Waarom kom je naar de brandweer, als het huis al afgebrand is’ vroeg ik hem, toen ik de obligate fiche invulde. ‘Die ene dag was er teveel aan’, stamelde hij nauwelijks hoorbaar. Hersens op aan, harde schijf overlopen, file psychologie voor gevorderden aanklikken. Gelukkig was J.R.M.Maas er nog, houvast in bange dagen: ‘Hoe krankzinnig het gedrag ook lijkt, het moet betekenis hebben. Het is zinvol en niet in gebruikelijke zin slecht of afwijkend’. Met verwondering naar de mens kijken. Het is alle dagen nationaal geofrafic, daar heb je geen televisie of iPad voor nodig. Wat doet dat met een mens, 300 dagen met een bezem de binnenkoer van de kazerne vegen? Alles voor het vaderland, verstand op nul en vegen maar. Een gevoel kan voor een dijkbreuk zorgen. Rede smelt weg, als sneeuw voor de zon. In het diepste van uw ziel de vloer aangeveegd worden. Het zal je maar overkomen. Verzet door de bezem aan de kant te zetten. Zinloosheid krijgt terug zin. Leegte terug inhoud. In naam van zelfmoordpreventie is , zoals Secret Army destijds, een ontsnappingsroute gezocht via het militair hospitaal. Het is een ziekenhuisbed geworden in plaats van een brits in de cel. Hugo is om medische redenen ongeschikt verklaard voor verdere dienst. Later werd met veel misbaar, de ontsnappingsroute opgedoekt door het krijgsauditoriaat. Tijd om ander werk te zoeken. Om een ander verhaal te vertellen. Met of zonder bezem.

dirk adijns
0 0

Op naar tante Emma

Het moest er toch eindelijk eens van komen.  En zo gebeurde op Pinksterzondag 27 mei 2007. Wij - mijn 3 zussen, ikzelf (haar petekind) en mijn echtgenote - hadden met Johny (haar zoon) afgesproken die dag een bezoek te brengen aan onze tante die we sinds de dood van ons vader in 1982 niet meer hadden gezien.  Contacten, telefonisch of via verjaardags- en nieuwjaarskaarten, hielden na haar verhuis naar de hoofdstad begin jaren vijftig niet lang stand.  Op bezoek gaan : "Liefst eerst verwittigen want ik ben dikwijls niet thuis", m.a.w. ik heb liever geen bezoek.  Van een soort eenrichtingsverkeer gesproken.  Ook bij de begrafenis van ons moeder (niet haar geliefde schoonzuster) in 1989 liet ze verstek gaan... Verkouden zeker ? Naar Brussel dus, naar Johny - ook al 18 jaar niet meer gezien - die we nauwelijks nog herkenden.  Zijn vrouw (haar naam (?),  vergeten zowaar) sprak geen woord Nederlands laat staan Vlaams, was de strijk aan het doen.  Dus geen tijd voor een koffie of iets fris.  Dan maar niet getreuzeld en 'op naar tante Emma' die enkele kilometers verder verbleef in "Seniorie Chopin".  We bezochten haar  kamer en trokken, zoals meestal gebruikelijk is, ons terug in de cafetaria en trakteerden haar (ze was 2 dagen eerder 85 geworden) en onszelf op een eerder die namiddag gemiste koffie en gebak. Foto's werden getoond en anekdotes aangehaald maar hier liet haar geheugen haar grotendeels in de steek.  Spijtig voor ons die eropuit waren om nog meer over onbekende of onvolledige familiegebeurtenissen te weten te komen.  Later arriveerden ook haar dochter met echtgenoot om die (ver)vreemde familie uit het verre Limburg nog eens te zien. Op 15 mei 2011, tien dagen voor haar 89ste verjaardag is ze overleden en zoonlief (?) heeft haar (terwijl zijn zus op vakantie was) vlug en zonder de familie erbij te betrekken laten cremeren. Familie, vriendschap, liefde, ..... een mensenleven lang. ILYA  

Ilya
0 0

Ontmoeting met een Ree ( tekst uit mijn eindwerk natuurgids 2008)

-          Ontmoeting met een Ree (Capreolus capreolus):  Een ontmoeting met een ree is een onvergetelijke gebeurtenis. Ze kunnen je verwonderd aanstaren wanneer je ze verrast. Meestal echter vluchten ze weg bij de minste verstoring. Zij zijn de grootste zoogdieren die hier voorkomen en houden zich liefst op in bosranden. De ree weegt ongeveer 15-35 kg. In de herfst wordt de vacht langer en verkleurt tot grijsbruin en in het voorjaar wordt de vacht vervangen door de kortere oranjebruine vacht. De neus is zwart, de ogen zijn zwart en de kin is wit. De poten zijn slank en hebben hoeven. De keel is iets lichter van kleur en het achterwerk is witgeel, wat in de winter het duidelijkst zichtbaar is. Deze vlek wordt spiegel genoemd. Het staartstompje valt binnen de spiegel en is daardoor vrijwel onzichtbaar. In de zomer is de spiegel licht geelachtig van kleur, ’s winters is hij spierwit en duidelijk groter. De spiegel is van belang voor het bij elkaar houden van de roedel, op de vlucht oriënteert iedere ree zich op de spiegel van de voorganger. Dit speelt vooral ’s winters een rol als de reeën in grotere groep leven. Beide geslachten hebben het grootste deel van het jaar een territorium. Meestal overlapt het territorium van een mannetje met dat van één of meerdere vrouwtjes. De territoria van mannetjes overlappen niet met elkaar. Reeën leven over het algemeen solitair. Soms leven ze in kleine groepjes van een vrouwtje, haar kalveren en soms een bok. Eénjarige reeën kunnen ook in groepjes leven, soms in het gezelschap van oudere bokken zonder een eigen territorium. In de winter zijn reeën minder territoriaal, mogelijk omdat de dieren energie moeten besparen en voedselgebieden moeten delen. Ze kunnen zich dan samenvoegen in kudden van tot wel dertig dieren, met een duidelijke hiërarchie tussen de bokken. De ree is een “knabbelaar”: hij eet bramen, bessen, twijgen, scheuten, knoppen en loten van struiken en bomen. Ook paddenstoelen en landbouwgewassen staan op zijn menu. ’s Zomers voedt hij zich ook met jonge blaadjes, en in de herfst lust hij heel graag de eikels, terwijl knoppen en twijgen ’s winters meer worden gegeten. Hij is vrij selectief en eet enkel de meest voedzame delen van een plant. Tussen eten en herkauwen zit meestal zo’n één (in de zomer) tot twee uur (in de winter). De ree is voornamelijk in de schemering actief. Van september tot april is hij voornamelijk ’s nachts actief. Van mei tot augustus is hij ook meer overdag actief, en in gebieden waar hij niet wordt verstoord laat hij zich meer overdag zien. Volwassen mannetjes hebben een gewei, met maximaal drie vertakkingen. Het gewei is maximaal 25 centimeter lang, groeit in de winter en de basthuid wordt afgeschuurd tussen maart en juni. je ziet dan soms een boom met een beschadigde schors, dan is dan een veegboom. Gek is dat herten steeds dezelfde boom kiezen, tot die dood gaat, en dan kiezen ze een andere, het is dus geen willekeur.  Aan de basis van het gewei zitten een aantal zweet- en talgklieren die een geurstof afscheiden die de reebok in de voortplantingstijd gebruikt. Het gewei doet alleen dienst tijdens de bronsttijd (juli en augustus)al ‘statussymbool’ en toernooiwapen. Na het einde van de bronstijd neemt de hoeveelheid van het mannelijk geslachtshormoon, testosteron af in het lichaam van de reebok, en dit vormt ook de aanzet tot het afwerpen van het gewei. Dit gebeurt tussen oktober en januari . -          Voortplanting : Na de lente hebben de bokken in juli-augustus een tweede activiteitsperiode wegens de bronstijd. Vooral bij zwoel en onweerachtig weer neemt de agressiviteit van de bokken, die op zoek zijn naar een gezellin, toe. Bij het voorspel van de paring achtervolgt de reebok de reegeit met grote snelheid totdat zij zich door hem laat inhalen en tot de paring bereid is. Reegeiten van het vorige jaar zijn eerder vruchtbaar dan oudere geiten. De ontwikkeling van de bevruchte eicel in de baarmoeder stopt in een zeer vroeg stadium en groeit pas eind december tot een embryo uit. De ree is het enige dier met een gewei waarvan een verlengde draagtijd bekend is. Vrouwtjes die in de zomer niet drachtig zijn geraakt, worden in oktober een tweede keer bronstig. Deze dieren hebben geen verlengde draagtijd. In het voorjaar, eind mei, begin juni, worden de kalveren geboren. Een reegeit krijgt meestal een tweeling, maar ook eenlingen en drielingen komen voor. Het kalf heeft tot het zes maanden oud is witte vlekken op zijn vacht. Het kalf ligt op een verdekte plaats op de grond, ze blijven de eerste dagen stil verborgen liggen, de moeder zoekt ze alleen op om ze te zogen .Het kalf is die eerste kwetsbare periode reukloos, daardoor kan het voorkomen dat zelfs een jachthond ze op 2-3 meter kan passeren zonder ze op te merken. Als men bij toeval gevonden reekalfjes aanraakt of optilt dan krijgt het de geur van de mens en veel moederreeën worden dan bang van hun eigen jong en laten het niet meer drinken. Men moet daarom altijd alleen liggende reekalfjes laten liggen, want ze zijn zelden in de steek gelaten en hun moeder is vast in de buurt op zoek naar voedsel. Jonge kalveren worden zo'n zes tot tien keer per dag gezoogd voor enkele minuten, oudere kalveren slechts twee tot drie keer per dag. De rest van de tijd zijn de kalveren alleen. Tweelingen worden meestal apart van elkaar gezoogd, zo'n twintig meter uit elkaar. Na twee maanden eet een kalf ook gras en na 6-10 weken is de zoogtijd voorbij. Het kalf blijft bij de moeder tot ze het volgend jaar weer kalveren werpt, waarna het wordt weggejaagd. Het kalf zelf is na veertien maanden geslachtsrijp. De ree wordt maximaal twintig jaar oud, maar de meeste dieren worden in het wild slechts zeven of acht jaar oud. Vrouwtjes worden iets ouder dan mannetjes. -          Verspreiding en leefgebied , De ree in België:  In Europa Na de tweede Wereldoorlog was de ree relatief zeldzaam in Vlaanderen. Pas na het invoeren van een strengere jachtwetgeving in 1971-1972, is de populatie beginnen toenemen in plaats van afnemen en sindsdien zijn de aantallen sterk gestegen. De ree is in Europa de meest voorkomende hertensoort, hij komt voor in bijna geheel Europa , met uitzondering van Ierland, delen van Engeland, Portugal en Griekenland, Noord-Scandinavië en IJsland. Ook komt hij voor in Noord-Turkije en de Kaukasus. Hij komt voor tot bij het zeeniveau en tot boven de boomgrens. Hij weet zich zelfs te handhaven in verstedelijkte gebieden en komt zelfs voor in grote stadparken en groenstroken langs autosnelwegen! In veel streken is hij een echte cultuurvolger geworden, hij eet graag van de door de mens geplante gewassen. Omdat de ree vrij rond loopt, is het verkeer één van de grootste doodsoorzaken. Ook de ballonvaart doet hieraan geen goed: te laag overvliegende ballonen doen het wild opschrikken dat dan vaak de weg opschiet. Ze worden ook nogal eens opgeschrikt door loslopende honden en dan bekopen ze dat wel eens met hun leven, als ze tijdens hun vlucht een drukke straatweg oversteken. Toch is de populatie van de ree hierdoor niet in gevaar want hun aantal groeit nog steeds. De jagers moeten de populatie zelfs in bepaalde streken binnen de perken houden, rekening houdend met de grootte van hun biotoop. In België is het nu zo dat de jager na de tellingen bij de WBE (wildbeheerseenheid) moet aangeven hoeveel reewild er zich in zijn jachtrevier bevindt. Zo krijgen ze een toegelaten afschot. Om te zorgen dat me zich hieraan houdt worden er reebanden uitgereikt die na het afschot van de ree rond de hals bevestigd moeten worden en dien één keer vast ,ook niet meer los gemaakt kunnen worden. -          Persoonlijk besluit : Aangezien het reebestand niet echt in gevaar is, voornamelijk omdat zijn natuurlijke vijanden zoals de Euraziatische lynx, de wolf en de Bruine beer in deze habitat (voorlopig) totaal ontbreken, ga ik mijn hondenwandelingen zonder gewetensbezwaar blijven voortzetten, maar met mijn nieuwe kennis, hou ik me toch aan enkele strikte regels: Ik vermijd te gaan wandelen bij schemering, aangezien de reeën dan het meest actief zijn. Ik kom niet op terreinen die verboden zijn voor de hond, op de Kalmthoutse heide is dit zéér duidelijk aangegeven. Het zijn meestal gebieden waar de schapen grazen op de Heide. Deze gebieden zijn afgerasterd, maar reeën storen zich weinig aan de rasters, ze springen over de draden. Er is ook steeds voor gezorgd dat ze tussen de afgerasterde plekken door kunnen. Ik begeef me met de hond niet in stukken bos waar er veel wild zit (zoals de Nolse Duinen) en hou me aan de paden die veelvuldig gebruikt worden, omdat daar het risico op verstoring daar, door de grote drukte van andere wandelaars, zeer beperkt is.                                  

Bosfee
223 0

Ismet Kaplan

1“Hoe is je naam?” vroeg de oude man.“Ik heet Kaplan meneer. Ismet Kaplan.”De grijsaard speelde zijn rol goed in café Klein-Azië.“Waar ben je geboren?” ging hij verder.“Ik ben hier in Gent geboren meneer en hier in de Sleepstraat opgegroeid maar mijn ouders zijn allebei afkomstig van Demre in Turkije?”“Haha en waar ligt dat?”“Niet ver van Kemer, meneer, vele Belgen kennen dat van hun zomervakantie” zei Ismet.“Dat klopt jongen. Ik ken dat ook. Zing nu het liedje maar, je weet wel, dat van Moriaantje”De jonge kerel begon te kwelen: “Moriaantje, zo zwart als roet, ging eens wandelen zonder hoed. En het zonneke scheen op z’n bolleke en hij droeg geen parasolleke”.“Goed zo, ik heb jouw adres, ik laat je nog iets weten.”“Merci meneer”. En weg was Ismet. De oude man met zijn witte baard begon tijdig aan zijn voorbereidingen. De scholen waren gesloten en het grote verlof nog maar pas aangebroken. Al sinds half twee die middag was de ene na de andere jonge Turk bij hem langs geweest om te solliciteren voor de job van Zwarte Piet. Nochtans had de aankondiging, geschreven op een schamel a-viertje, slechts enkele dagen aan het raam gehangen. Maar ja, het was een succes en pas na vijven ging de laatste Zwarte-Piet-in-spe naar buiten. “Zeg Jules” zei de ouwe, “dat koppel van de stoffenwinkel hier tegenover, zouden die voor een prijsje ook geen jutezakken voor mij kunnen stikken? Want ik ga er veel nodig hebben dit jaar.”“Ik zal het ons Irma eens laten vragen’ zei de waard, “ze moet morgen toch langs gaan want ze heeft twee nieuwe gordijnen laten maken”.“Zeg, en nog iets, kent gij een goedkope invoerder van appelsienen en mandarijntjes? Het fruit is toch zo duur in de Colruyt tegenwoordig. Het contract voor de chocolade letters en het jongensspeelgoed is gelukkig al in orde. Maar elk jaar opnieuw is er misère met dat speelgoed voor de meisjes. Ik weet niet hoe dat komt, maar het is zo.”Jules stak zijn tengere schouders even omhoog en mompelde wat.De oude met zijn tabbaard deed zijn met gouddraad doorstikte kazuifel aan en sloeg een donkerrode cape om. Dan zette hij zijn roodwitte mijter op.“Jules, vraagt ge eens aan Irma of ze even op het café wil letten, dan kan jij me helpen met het bestijgen van mijn paard Slecht Weer Vandaag.”“Het is inderdaad slecht weer vandaag” moest de kastelein toegeven. Hij hielp de oude maar kwieke man op zijn witte schimmel. De ganse dag was het drukkend heet geweest en nu volgde het onvermijdelijke onweer. Er was geen mens op straat te bespeuren. Jules stak hem nog vlug zijn lange staf toe. Dan vertrok het paard in galop. Even dacht Jules dat hij iemand hoorde neuriën “Zie de maan schijnt door de bomen…” 2Ismet was een hele goede Piet. De beste Piet. De Opperpiet. Zoals hij op de muren en daken kon klimmen. Niemand deed hem dat na.“Beste jongen, beste Ismet, vanaf nu noem ik je Nicodemus, mijn Opperpiet. Vind je dat goed?” zei de oude met zijn witte baard.“Natuurlijk, meneer, dank u wel.”“Om het te vieren gaan we naar Fréke Patéke, hier om de hoek. Hij maakt de beste moorkoppen van West-Europa.”“Wat zijn moorkoppen, meneer?”“Weet je dat niet jongen? Een moorkop is een ronde soes gevuld met slagroom. Bovenop is het geglazuurd met chocolade. Fréke doet er altijd een extra toef slagroom op en een partje mandarijn of een stukje ananas. Loopt het water al niet uit je mond? Trouwens, je moet me ook niet meer meneren, zeg maar gewoon Sinterklaas. Zoals iedereen.”Twee moorkoppen en een grote kop koffie met een scheutje jenever gingen er lekker In bij Sinterklaas. Ismet hield het bij warme chocolademelk. Die moorkoppen zag hij niet zitten. Ze deden hem te zeer denken aan zijn jonger, nogal mollig, broertje.“We gaan seffens naar de stoffenwinkel tegenover Klein-Azië om je een echt Pietenpak aan te meten. Weet je wel hoe zo’n pak eruit ziet, Nicodemus?”Het deed de oude goed om zijn nieuwe helper Nicodemus te noemen. Hij had er al vele gehad. Allemaal opperbeste Opperpieten. Maar ja, hij, de enige echte Sinterklaas had het eeuwige leven, maar de pieten niet. Daarom moest hij regelmatig nieuwe zwarte Pieten ronselen, zoals hij dat afgelopen zomer in de buurt van de Gentse Sleepstraat gedaan had. Ondertussen waren we al november. Gisteren had het voor de eerste keer gesneeuwd en het naamfeest van Sinterklaas kwam al erg dichtbij.“Ik zal je eens vertellen hoe een echt Opperpietenpak eruit ziet maar we gaan dat doen bij Jules in het café. Ik in de fauteuil en jij op een stoel aan de andere kant van de houtkachel. Er is niks zo gezellig als een knetterend vuur met een goeie trappist in de ene hand en een havanasigaar in de andere. Ik heb vorig jaar die sigaren voor mijn Sinterklaas gehad van mijn pieten. Tof hè, dat ze zo aan je denken. Gij rookt geen sigaren zeker, Nicodemus? Eerder een waterpijp of zo?”“Ik rook helemaal niet, Sinterklaas. Ze zeggen dat dat slecht is voor uw gezondheid. Maar dat zal u wel weten,hè?”Die ‘u’ stond de oude man wel aan. Ismet was zo beleefd en vriendelijk. Jaja, hij verdiende het om vanaf nu als Nicodemus door het leven te gaan. Zijn vroegere Opperpiet had Sinterklaas in Spanje achtergelaten. Hij was te oud geworden, te stram en te grijs. Hij woonde nu op de bovenverdieping van de Andalusische haciënda die Sinterklaas meer dan vijfhonderd jaar geleden had laten metselen door enkele ‚moorkoppen’, die ook het Alhambra gebouwd hadden. Als Sinterklaas zou terugkeren uit de Lage Landen, dan zou hij wel voor de oude man zorgen.“Ha Jules, voor mij een donkere Westmalle en voor Nicodemus, jaja, je hoort het goed, voor mijn nieuwe Nicodemus, een muntthee met extra veel suiker.”“Goed Sinterklaas en een sigaartje zeker?”. Jules was blij dat zijn vriend weer in het land was. Het was van juli geleden dat hij hem nog gezien had.“Deze nacht gaan we oefenen, hè Nicodemus, op de besneeuwde daken. Schol, we klinken op een goede afloop, niet een goede afgang hè.” De oude man schaterde het uit. Hij had er wel zin in.Drie trappisten en evenveel munttheetjes later gingen ze op weg in de donkerte van de nacht: Sinterklaas hoog gezeten op Slecht Weer Vandaag en Nicodemus met een juten zak over zijn rechterschouder.Irma en Jules gingen slapen. Ze hadden maar twee klanten gehad die avond. Hun andere stamgasten hadden het allemaal laten afweten omwille van het gure weer. Bar koud was het en het sneeuwde zoals aan de Noordpool in putje winter.Een uur en een sneeuwvacht van tien centimeter later hoorde je Sinterklaas roepen: “Allez Nicodemus, gaat het niet?”“Jawel, Sinterklaas, het gaat wel maar het valt soms ook, als u begrijpt wat ik bedoel? De daken zijn wel erg glad en de zak is ook zeer zwaar, maar voor de rest hoort u mij niet klagen hoor.”“U, u” herhaalde Sinterklaas goedkeurend en binnensmonds. Zijn Opperpiet bleef zelfs supervriendelijk in deze moeilijke omstandigheden.Plotseling werd Ismet opgeschrikt door een brandweerwagen en een politiecombi. De goedheiligman was met zijn schimmel al enkele dagen verder. Een agent riep:“Kom onmiddellijk naar onder of wij komen naar boven.”Ismet, behendig als hij was, was op een wip beneden.“Wat deed je daarboven op die daken met die gekke kleren aan je lijf? Zeg me eerst eens: hoe is je naam.”“Nicodemus, meneer de agent.”“Jaja manneke en dan ben ik Sinterklaas zeker” proestte de politieman het uit.“Nee, Sinterklaas is gindsboven. Ik kon hem niet volgen. Hij heeft tenslotte een paard en het is Slecht Weer Vandaag.”“Ja, dat het vandaag slecht weer is, dat moet ge mij niet zeggen hè Nico.”De twee tuurden naar boven en zagen niets. Nicodemus dacht nochtans dat hij in de hoge verte paardenhoeven hoorde kletteren.“Kom jij maar eens mee naar het politiebureau, dan mag je het daar nog eens gaan uitleggen.”Ismet voelde zich even geen Nicodemus meer.Hij werd uit voorzorg die nacht opgesloten in een cel. Ismet kon er niet mee lachen en beukten met zijn beide handen op de deur.“Daar wordt aan de deur geklopt, hard geklopt, zacht geklopt …” 3De kindjes in de Kongostraat vanaf huisnummer 15 keken zeer beteuterd de volgende morgen. Het suikerklontje en de wortel die ze de avond ervoor voorzichtig in hun schoentjes hadden gedeponeerd lagen er nog steeds onaangeroerd. Waren ze dan stout geweest? Of werd Sinterklaas wat vergeetachtig?“Waar is Nicodemus toch?” vroeg Sinterklaas zich af. Waar kon hij terecht zo vroeg op de morgen? De politie misschien. Ja, de arm der wet, die zou hem wel kunnen helpen. Hij parkeerde zijn witte schimmel aan de Antonius Triestlaan waar het algemeen politiecentrum gevestigd was. Hij voelde zich ook een beetje triest, want hij was halverwege de nacht zijn Opperpiet kwijtgespeeld. Hoe dat was kunnen gebeuren begreep hij nog altijd niet.Toen hij binnenging werd niet dadelijk aandacht aan hem besteed. Ze waren hier in Gent al straffere zaken tegengekomen. Uiteindelijk sprak een vriendelijke dame hem aan.“U zoekt iets of iemand, meneer?”“Ja juffrouw, ik zoek mijn helper Nicodemus. Ik ben hem namelijk vannacht kwijtgeraakt”.“En heeft hij ook een achternaam, die vriend van u?” vroeg de agente ietwat ongelovig.“Tja, zijn vroegere naam was Kaplan, Ismet Kaplan. Een goeie jongen hoor. Ik heb zelden zo’n goede Opperpiet gehad als hij.” Sinterklaas keek een beetje vertederd toen hij dat zei.“Ah, nu begrijp ik het” zei de agente, “had hij een hemelsblauw kostuum aan, met een pofbroek en zwarte kousen?”“Ja en hij droeg op zijn hoofd een blauwe pet met een pauwenveer” voegde de oude man met de witte baard eraan toe. ‚Dat moet Ismet zijn, mijn nieuwe Nicodemus. Wat een geluk dat u hem gevonden heeft. Is alles goed met hem? Hij is toch niet van het dak gevallen daar in de Kongostraat? Het was er zeer glad. Hij heeft zich toch niet bezeerd? Waar is hij?” informeerde een bezorgde Sinterklaas.“Alles is goed met hem, meneer. Maar we hadden hem uit voorzorg opgesloten omdat we niet goed wisten of hij wel de waarheid sprak. Zingt hij altijd Sinterklaasliedjes?”“Jaja, dat kan hij als de beste. Ik heb ze hem allemaal aangeleerd uit mijn grote Sinterklaasliedjestekstenenmuzieknotenboek”.“Ik zou uw vriend kunnen vrijlaten, meneer, maar vermits wij hem vannacht hebben moeten verbaliseren omwille van straatlawaai en een buurtbewoner ons daarop heeft gewezen, dien ik wel een borg te vragen van 110 euro.”“Dat is geen probleem, juffrouw” zei Sinterklaas rustig. Hij nam zijn juten zak en haalde er een buidel uit. “Hier heb je een zak gevuld met gouden dukaten, misschien zit er ook nog een apennootje tussen of wat marsepein. En zie, hier is ook nog een chocoladen zwarte piet voor alle moeite die je gedaan hebt. Lijkt hij niet wat op Nicodemus? Gaat u hem nu vlug halen want het begint slecht weer te worden. Hoor, de wind waait door de bomen.” 4Ismet verscheen in de deuropening.“Ha Nicodemus, kom eens hier bij Sinterklaas, kapoentje dat je bent.” Hij klopte Ismet vriendelijk op de schouder. “Je hebt me even doen schrikken. Ik kan je echt niet meer missen. Sinterklaas wordt echt wel oud, weet je. Vorig jaar was ik nog maar duizendzevenhonderdtweeëndertig, maar nu is daar weer een heel jaar bijgekomen.”Hij richtte zich even terug tot de agente: “Heb je misschien ook kinderen en hebben ze hun schoen gezet gisterenavond?’“Ja, ik heb twee kinderen, een jongetje van vijf, Dimitri, en een meisje van drie, Jinte. Ze waren erg teleurgesteld vanmorgen toen ze geen snoepjes vonden. Ik vond het ook wel erg voor hen. Bent u de echte Sinterklaas?”“Hoezo, zijn er dan ook andere? Onechte? Trouwens, waar wonen jullie dan wel?” vroeg de oude man zich af.“In de Kongostraat nummer 21, Sinterklaas”.“Ben je even daarvoor gevallen Nicodemus?”“Ja, ik ben door de politie naar beneden geroepen op het dak van nummer 13” zei Ismet.“Dan begrijp ik het” zei de Sint, “daarom hebben Dimi en Jinte geen cadeautjes gekregen.”Hij greep alweer in zijn juten zak en haalde er een brandweerauto uit en een barbiepop met een politieuniform.“Dat zal hen wel blij maken, hoop ik” zei Sinterklaas.“Daar ben ik zeker van” lachte de agente, “ik zal hen veel te vertellen hebben.”Sinterklaas en Nicodemus namen afscheid. Ismet mocht achter de oude man op de schimmel zitten en ze gingen op een drafje richting haven. Ondertussen moest Sinterklaas iets bekennen aan Ismet: “Weet je Nicodemus” zei hij, “Ik ben duizendzevenhonderddrieëndertig jaar geleden geboren in Myra, en weet je hoe die stad nu heet: Demre, de stad waar je ouders vandaan komen. Is dat geen toeval? Ik zou zo bijna je betbetbetbetbetbetbetbetbetbetbetovergrootvader kunnen zijn. Maar eigenlijk ook niet hè, want tenslotte ben ik bisschop.”Toen ze toekwamen in Portus Ganda sloeg Sinterklaas zijn arm om zijn helper en zei:“Het grote werk gaat nu beginnen Nicodemus”.Ze zagen in de verte een rookpluim en de oude man zong vrolijk:“Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan”.

Marc M. Aerts
0 0