Lezen

De buitenlander

Tijdens de treinrit besefte Mont dat dit wel eens de laatste keer kon zijn. Met vrouw en tienerdochters naar de zoo. Dergelijke voorstellen zouden voortaan stoten op puberale pruilsessies achter gebarricadeerde deuren. Van hun dochters, uiteraard. In de treinzetels achter hem en zijn vrouw blaften twee mannenpubers hun vroegtijdig seksuele ervaringen heen en weer. Vermoedelijk waren ze opgevoed door ouders die elk product van hun nageslacht inkaderen, en hadden ze als kind nooit eens een goede tik gehad. Hij kon hun ongestrafte puisten haast proeven in de weeë lucht van deze zaterdagochtendtrein. Terwijl zijn dochters gedachteloos de tekst van een vrouwonterend lied meelipten, las zijn vrouw een boek dat hijzelf als seksistisch zou bestempelen. Eventjes raakte ze zachtjes zijn been aan. Dat kalmeerde hem. Plots voelde de dromerige zon erg aangenaam op zijn koude huid. Hopelijk, als hij maar een goede vader speelde, kwam alles gewoon goed. ______________ Zelfs de wc van de zoo rook naar dierenmest. Met de tickets in zijn vers opgetrokken achterzak stapte hij naar buiten, maar zijn gezin was nergens te bespeuren. Een grijzige angst begon onder zijn sternum te knellen. Zijn familie kwijt, net als twintig jaar geleden, toen hij werd getroffen door kleurenblindheid. Toen hij Polly leerde kennen. Ongerust liep de kale man, begin veertig, ooit blond-rossig, tussen de andere bezoekers waarvan iedereen een gezond grijze haardos had. Primaten… geef haar een park vol dieren en ze kiest diegenen uit die het meest op onze soort lijken. ‘Daar ben je,’ lachte Polly. ‘Ona en Shau zijn bij de reptielen, in de Dahakatuin.’ Mont lachte flauw terug. ‘Had je nu echt niet op me kunnen wachten, ik heb-’ Polly praatte over zijn zin heen. Zoals vele mensen in dit land. Alsof hij niet bestond. ‘De meisjes konden niet wachten om de zwammen te bezichtigen, seizoen van de Marasmius Oreades, weet je nog? En bovendien- denk je dat die aapjes in hun kooi daar wachten op elke aapje dat achterblijft?’ zei ze minachtend. Mont had geleerd zijn repliek te laten wegsijpelen. Enkele chimpansees kwamen naar het venster toe en keken nieuwsgierig naar het veertigjarige koppel. Mont wees: ‘Je bedoelt die copulerende primaten daar?’ Ze tuitte haar lippen en raakte zacht Monts arm aan. Hij voelde zich plots uitgelaten. Polly legde even het bandje in haar haren terug goed. ‘Je blijft ze primaten noemen. Alsof je dat erg belangrijk vindt.’ ‘Als er één soort is naar wie ik juist wil verwijzen, is het wel die waar wij het dichtst bij staan als mens.’ ‘Wij?’ vroeg Polly ironisch en ze stapte dicht tegen Mont aan en ademende warm in zijn oor. ‘Zeg dan eens, hoe lijken “wij” dan op die aapjes?’ Ze was zo dichtbij dat hij maar één soort voorbeeld kon geven. ‘Wel, om ruzies op te lossen gebruiken ze seks…’ ‘Net zoals wij, schat.’ Ze duwde haar heupen hard tegen hem aan. Plots galmden de stemmen van hun dochters. ‘Kijk, ze vechten!’ Het copulerende koppel was opgebroken door een andere belanghebbende die nu zijn rechten liet gelden met ontblote tanden en bruut geweld. Dit zou volk trekken. Mensen houden van brood en spelen. Maar de andere bezoekers liepen nauwelijks geïnteresseerd door. Wel kwam er een opzichter met een geweer, die zonder aarzelen met loden munitie de primaat doodschoot die zonet nog aan het copuleren was geweest. Het vrouwtje krijste en was duidelijk overstuur. Polly knikte en zei belerend tegen haar kinderen. ‘Dit is wat er gebeurt als een aapje niet meer in de groep past. De andere aapjes bijten hem dood. Maar soms kunnen de aapjes het zelf niet oplossen, en voert iemand anders de straf uit.’ Shau zag er bleekjes uit en was aan het wenen. ‘Maar het zijn primaten, net als wij! Wat die opzichter deed was toch niet menselijk, papa?’ Meteen beet Ona: ‘Het zijn maar beesten, toch?’ Mont troostte Shau in zijn armen en kreeg daarop een nijpende blik van zijn vrouw. Het deed haar, heel eventjes, ouder lijken dan twintig jaar geleden. _________________________ De week erop broeiden de spanningen thuis in een nest van hete angels. De tirades van zijn tienerfeeksen waren onaangenaam, maar verbleekten bij de doodgezwegen wonde die etterde in het hart van het gezin. Ze waren gestopt met praten en negeerden elkaars gezicht. Polly mijdde elke aanraking, en elke avond ging ze het huis uit, stilzwijgend, naar mannen of vrouwen die hij misschien kende, zoals wel vaker gebeurde. Maar deze week merkte hij een geur op als ze thuiskwam. De geur van andere mannen. Het was intussen een week na het bezoek aan de zoo. Shau en Ona waren gaan paardrijden. Polly nam haar jas al om het huis te ontvluchten, maar deze keer hield Mont haar tegen. ‘Polly, we moeten praten. Heb- heb jij seks met iemand anders?’ ‘Ja,’ zei ze droog. ‘Natuurlijk.’ Mont voelde een drukgolf, plat in zijn gezicht. Hij moest gaan zitten. ‘Zeg dat dit niet waar is.’ ‘Natuurlijk is dit waar.’ ‘Maar je bent mijn vrouw… een fysieke affaire?!’ ‘Mont, mijn aapje, je ontbloot je tanden weer.’ Zijn handen tot witte vuisten gebald. ‘Hoe lang?’ ‘Al altijd. Maar de laatste week, meer,’ zei ze dit keer fronsend. ‘Mont, ik weet niet wat ik moet zeggen, je had nooit zo lang mogen blijven. Ik dacht dat je je zou kunnen aanpassen aan onze cultuur. Heb jij me dan nooit fysiek bedrogen, Mont? Zelfs niet één keer?’ Ze zei het haast smekend. Mont zat er geslagen bij. Polly schudde haar hoofd. ‘Je zal je moeten aanpassen, Mont. Ik wil niet langer met een aapje getrouwd zijn.’ ___________________________________________ Met dichtgenepen billen en in zijn hand de losse leiband van zijn trouwe hond die verderop in het veld zijn gevoeg deed, keek Mont omhoog naar de sterren op deze donkere avond. Toen hij ze vroeger met zijn grootvader had bestudeerd, stonden die sterren nog anders. Het was erg lang geleden dat hij zijn familie nog had gezien en de herinneringen aan hen waren meestal vaag. Langs het wegje in dit veld was het zwart door het gebrek aan licht, waardoor de warme schijnsels van de vreemd gebouwde huizen rondom het veld nog aantrekkelijker leken. Volgens Polly speelde ook in die huizen iedereen het spel mee. Wees elkaar trouw met anderen. Ze had het hem nu voor het eerst duidelijk uitgelegd. En Polly had gelijk. Toen ze hem het huwelijkscontract had laten nalezen eerder die avond, had ze gewezen op de kleine lettertjes ergens onderaan.                   *Echtgenoten zijn uitsluitend trouw aan elkaar door fysiek verbonden te zijn met anderen. Al die warme lichten brandden blijkbaar niet alleen voor de bewoners, maar ook voor mogelijke bezoekers. En of er nog zo’n mensen als hij waren, was hij zo stom geweest te vragen. Er waren er zeker, had ze gezegd, maar de meesten bleven niet in onze cultuur. Het leek haast waarschuwend, hoe ze had gefluisterd: “Sommigen gedroegen zich als aapjes en gingen snel weg. Anderen… wilden niet weg, maar moesten toch weg”. Het was één van die cryptische omschrijvingen waar hij stilaan aan gewend geraakt was sinds hij naar Polly’s streek was verhuisd. Maar gemakkelijk was het nog steeds niet. Hij wandelde naar de straat toe en riep zijn hond, wiens natte vacht vettig aanvoelde als hij erover wreef. Enkele voorbijgangers keken nieuwsgierig naar het beestje. Hier had niemand een hond, en het was de trouw van het beestje wat hij erg gemist had in het begin, na de verhuis naar dit land. Hij glimlachte bij de herinnering, toen Polly hem had meegenomen toen ze was gaan paardrijden in het bos. Mont had hem een naam willen geven, maar volgens Polly had het al één: Hont. Niemand op straat, in deze natte streek die rook naar bos en paarden, waar de huizen hun licht uitnodigend naar buiten toe brandden. Hont stopte bij de volgende voortuin om de zoveelste druppel uit zijn lijf te persen. En beetje bij beetje, ontspande Mont zijn nijpende billen. _____________________________________________________ Terwijl de taxushagen hem giftig leken toe te wuiven op de oprit, snokte Mont aan de leiband om duidelijk te maken dat het wandelen gedaan was. De trouw van Hont gaf hem een machtig gevoel. Het was de soort relatie die hij gemakkelijk kon vatten. Zijn huis baadde in het warme licht. Uitnodigend, maar blijkbaar niet alleen voor hem. Hij deed de deur open en stootte tegen Polly. ‘Je bent niet weg?’ mompelde hij verrast. Hij duwde zich langs zijn vrouw, maakte de hond los, en vulde een bakje met water. Hij schonk zichzelf ook iets in. ‘Waar zijn Shau en Ona?’ ‘Nog aan de stallen.’ Ze kwam naar hem toe en raakte hem aan. De eerste keer in een week. Hij voelde zich plots opgelucht. ‘Mont… ik kan er toch ook niet aan doen dat je niet op de hoogte was… ik dacht dat je in jouw land geleerd had over de Mab en haar wetten.’ ‘Hoe kunnen mensen een andere cultuur leren als er zoveel zaken van die cultuur verzwegen worden? Geografie hebben we geleerd, en taal. Maar dit? Dit… overspel? Nee.’ ‘Al twintig jaar ben je hier, en niemand heeft je ooit signalen gegeven om te…?’ vroeg Polly. Mont zei beschaamd: ‘Ja, dat wel, maar ik heb nooit… seks gehad met hen. Jij bent de enige… Ik weet het niet meer. Zeg het me dan, Polly, wat kan ik doen?’ ‘Wil je bij je gezin blijven?’ vroeg ze en ze aaide zijn nek. Hij knikte. Plots greep ze zijn kruis hard vast en zei verbeten: ‘Doe dan wat er in je huwelijkscontract staat.’ __________________________________________________________________________ Elf maanden later hadden Monts pogingen om zijn huwelijk na te leven hem in de rechtzaal doen belanden. Die was niet zo pompeus en met goud belegd als hij zich had voorgesteld. De plantentekeningen in het behang op de muren, grijze tongen met grijze vogels, grijze paarden met grijsgehaarde ruiters, toverden de macht van de zaal eerder in een mistig bos. Hij keek naar achteren en zag hoe de zaal uit haar voegen barstte van de toeschouwers. Als een aapje in de zoo, onder hun vizier. Polly zat er ook. Hij wuifde flauwtjes naar haar, maar kreeg enkel een opgetrokken mondhoek terug. De middenste van de elf rechters droeg een grijze pruik met oude oren door. Zijn neus was paarsgeaderd. ‘Beklaagde, u mag rechtstaan.’ Hij keek met gespitste ogen over zijn bril heen. ‘Schuldig aan actieve weigering van deelname in taken van een getrouwd gemeenschapslid. Pleit?’ Monts advocaat sprak geconditioneerd: ‘Schuldig met inbegrip van jarenlange onwetendheid inzake impliciete wetgeving van deelname aan overspel. De verdediging vraagt behoud huwelijk.’ De rechter keek naar zijn vrouwelijke collega links van hem. Zij sprak met kenmerkend schrille stem: ‘Er is een tweede klacht. Openbare aanklager pleit schuldig aan fraude. Voor illegale poging tot schijnoverspel, vragen wij, als voorbeeld voor de maatschappij, levenslang!’ Mont fluisterde gespannen: ‘Meester, wat is dit? Zie je wel dat ik niet had mogen bekennen! Ik wil niet naar de gevangenis!’ De meester bedaarde Mont, rechtte zijn rug en sprak: ‘Omdat de beklaagde geen eerdere feiten heeft gepleegd, vragen wij een alternatieve straf, meneer de rechter.’ De ijzige vrouw brak in schelden uit en richtte zich naar de rechters. ‘U ziet het toch? De schande aan de Mab is te groot. Als levenslang niet kan, is verbanning het enige mogelijke alternatief.’ Maar enkele rechters mompelden dat dit inderdaad de beklaagde zijn eerste feit was. De rechter met de paarsgeaderde neus wendde zich tot Mont: ‘Illegale activiteiten, meneer… dat is niet niks. Wat deed u dan in die zaak van slechte reputatie?’ Mont zuchtte. ‘Ik wilde mijn huwelijk redden.’ De schrille stem daverde door de zaal: ‘Uw huwelijk redden, meneer, doet u door te doen wat in de Mab staat geschreven op zo’n impliciete manier dat wij dit niet letterlijk kunnen citeren, en wat niemand in deze zaal met ook maar de minste citering mag uitdragen, op straffe van verbanning! Maar neen, meneer deed dat niet! Neen, meneer ging naar een zaak van slechte reputatie!’ Mont porde zijn meester in de zij en die verdedigde: ‘M-mijn client, waarde rechter, heeft wel pogingen ondernomen om zich aan te passen aan de in zijn ogen vreemde impliciete regels van onze cultuur. Ik citeer mijn client als ik zeg dat er voor hem plots een nieuwe deur openging.’ Goedkeurend knikje van Mont. ‘Mevrouw de aanklager, mijn client heeft voor hem tegennatuurlijke pogingen ondernomen, in overleg met zijn vrouw, om het huwelijkscontract na te leven.’ De mannelijke rechter las goedkeurend voor: ‘Pogingen met buurvrouwen, klanten, vriendinnen en familie van vrouw, collega’s,… Dat lijkt er al meer op. Meneer, over hoeveel vrouwen gaat het hier?’ Schoorvoetend zei Mont: ‘Net geen elf, maar ik kon nooit fysiek… begrijpt u dan echt niet…? Mijn vrouw is… is mijn ware liefde! En zij zal ook altijd mijn enige fysieke liefde zijn.’ De meester trok zijn schouders op en siste. ‘Mont, wat had ik gezegd, geen liefdesverklaringen!’ Geroep en geschreeuw in de zaal. Rumoer. De banken kletsten hun hout op de stenen vloeren. De deuren zwaaiden dicht. De rechter sloeg meermaals met zijn hamer tot orde. De schande was te veel geworden voor sommigen in de zaal en zij hadden de zoo verlaten. De rechter wuifde flauwtjes met zijn hamer. ‘Mag ik u vragen, meneer, dergelijke ziekmakende verklaringen niet meer te herhalen of ik kan uw veiligheid niet garanderen.’ De openbare aanklager kwam tussen. ‘Wat de beklaagde durft te zeggen, gaat in tegen het hart van onze maatschappij. Als mensen hun liefde niet meer delen, als bijen slechts één bloem bestuiven, dan wordt fauna én flora ziek.’ Mont keek smachtend naar de zaal. Waar zijn vrouw eerder zat, was nu een leegte. Ook voor haar moet de publieke verklaring te veel geweest zijn. Mont besefte nu dat hij zijn laatste kans had verspeeld. Weer die schrille stem. ‘Meneer! Kijk me aan als ik tegen u spreek. Waarom ging u naar die illegale zaak? Antwoord!’ Mont zuchtte. ‘Omdat ik nooit overspel zal kunnen plegen, mevrouw. En het enige dat me kon helpen waren de diensten van die onderneming. Ik kocht…’ Voorzichtig keek hij in de zaal achter zich. Dit zou stof doen oplaaien. ‘Ik kocht geruchten van overspel zonder het echt te plegen.’ Hout op steen. Hamer in het rond. Dichtgegooide deuren. Een advocaat die driest nee schudde. En uiteindelijk, een vonnis door grijze pruiken. ‘Verbannen! Met ingang van morgen, bent u verplicht onze wereld te verlaten binnen de termijn van zeven zonsondergangen. U gaat in culturele quarantaine totdat het eerste schip vertrekt.’ Een zachte knik van een geslagen man. ‘Ik hoop u hier nooit meer terug te zien. Tot nooit, meneer.’ De hamer dreunde neer als de slag van een geweer. __________________________________________________________________________________ Nadat hij de praktische zaken met de balie had geregeld, was hij onder toezicht van een wethouder van de Mab naar huis gekeerd om kort afscheid te nemen van zijn gezin en om Hont op te halen. Zijn vrouw had hem kil begroet met zijn twee dochters in haar armen. Ona had hem niet sneller dag kunnen zeggen, alsof hij een zieke primaat was die geliquideerd moest worden. Maar Shau wou met hem meegaan. Een lichtpunt. Zijn hele leven en gezin achterlaten, het leek te moeilijk. En toen Polly meteen had toegestemd met Shaus vertrek, besefte Mont dat zij haar spullen al had gepakt. Nog nooit had hij zo snel afscheid genomen in zijn eigen huis. Daarop had de wethouder Mont en Shau naar de haven begeleid, waar ze in culturele quarantaine zouden verblijven tot het eerste schip. Twee maanden zou de zeereis duren, doorheen golven en verpletterende afstand. De eerste dagen waren moeilijk geweest. Hij had zijn vrouw en Ona enorm gemist, maar was dankbaar dat Shau mee was gekomen, ook al weende ze veel in het begin. Hij voelde zich dan ook schuldig, omdat hij haar had geamputeerd van het netwerk waarin zij zich met haar ziel geweven voelde als een paddestoel in het bos. Maar hoe langer hij wegvaarde van het eiland, hoe moeilijker hij het had, niet met het gemis, maar met het herinneren waarom, en zelfs wat, hij miste. Het leek alsof hij jaren onder een donkere wolk had geleefd en dat hij nu pas kon nadenken dankzij de vloed aan frisse zeelucht. Over zijn scheepsgenoten had hij zich aanvankelijk zorgen gemaakt: gevangenen, gehandicapten, zwervers, rasechte criminelen, waaghalzen, extremisten van allerlei, … Maar vreemd genoeg, en dit kwam misschien doordat hij een nieuwe uitweg zocht voor zijn hart vol doelloze liefde, leek het wel alsof hij deze mensen beter begreep. Ze waren allemaal gevangenen hier. Lotgenoten. Verbannen. Het was een groot schip, en toen hij op een keer met Hont over het dek liep, werd hij aangesproken door enkele mensen uit zijn vaderland die al jaren geen hond meer hadden gezien. Eindelijk kon hij zijn taal terug spreken, met de vertrouwde gebaren uit zijn moedercultuur. Met een week vertraging kwamen ze uiteindelijk aan op de bestemming waarover in Polly’s cultuur werd gesproken met rillingen in stem en rug. Een plaats waar een samenleving was ontstaan zonder het wakend oog van rechters met pruiken en wetboeken van de Mab. Maar lang zouden ze er niet blijven. Na enkele weken reisde hij door naar zijn geboorteland, samen met de mensen van zijn moedercultuur die hij had leren kennen op het schip. _________________________________________________________________________________________________________________ Een jaar later bevond Mont zich terug in zijn geboorteland en had hij er zo’n succesvolle winkel gestart dat verschillende families in het dorp hem nu huwelijksvoorstellen deden. Zo zat Mont enkele maanden later in het raadshuis. Vandaag zou hij trouwen volgens de regels van zijn cultuur. Zoals het hoort. Normaal. Maar voor hij het huwelijkscontract tekende, las hij deze keer aandachtig de kleine letters.                   *De man zal trouw zijn aan zijn partner, door trouw te zijn aan zeven vrouwen, waarvan hij slechts met één fysiek verbonden is. Tevreden gaf Mont de pen door, aan zijn zeven nieuwe vrouwen.              

Han Hartmoed
0 0

Een onbestaande gebeurtenis

Mijn handen grijpen, knijpen in het stuur, strelen het rubber, nog niet geheel omgeschakeld naar sociaal wenselijk gedrag. Ik druk mijn voet in de pedaal. Zintuigen op scherp, blik op de weg onder de wielen en het panorama van de straat. Het is al lang dag, maar hier op de fiets zindert de nacht nog na. Er is slechts geur en tactiele ervaring. Ik ruik nog naar een ander. En ik koester de stank als een grote persoonlijke verworvenheid. De geur is een extra laag gewaarwordingen, nog heel even over heel mijn lijf verspreid, die ik bij elke diepe inademing doelbewust opneem. Het zweet, klam door de koude ochtendlijke buitenlucht, loopt in slierten over mijn rug. De adrenaline doet me bewegen aan een razend tempo. Weer adem ik hem in. Het duurt maar even. Weldra neem ik door middel van een douche, een dagtaak en een ingewikkelde verzameling sociale conventies afstand van de fysieke uitwerking van een warm lijf. Ik zal thuis aankomen en de knopen uit haar mijn borstelen, lijfelijke herinnering aan twee handen en een eerder ruwe muur. Ik zal mij wassen en met veel tegenzin de sporen verwijderen, alsof mijn lichaam de plaats is waar een moord heeft plaatsgevonden. Ik zal met zachte hand over mijn gezicht gaan en kijken naar de subtiele verkleuringen op mijn wangen en in mijn nek en vloeken op mijn overgevoelige huid, het open doek van mijn gevoelens en gevoeligheden. Dat is later. Er rest mij nog enige afstand, een ruw kruis op een zacht zadel. Mentale activiteit bundelt zich in flarden tot verwarrende gedachten. Het is een poging tot reconstructie van alles wat vooraf ging. Variaties op een klassiek scenario. Ik kijk naar links, niet naar rechts, steek over. Alle elementen zijn aanwezig. Er is de alcohol. Er is veel alcohol. Sine qua non van de later betreurde gebeurtenissen. Er is de subtiele afzondering van de groep, de eerste aftastende aanraking. Dan de subtiele verwijdering van de groep en, in een vlaag algehele zinsverbijstering, een eerste grensoverschrijdende aanraking, die de gebruikelijke afstand tussen twee individuen volledig vernielt. We verkennen elkaars gedachten op de tast, lezen slechts irrationaliteit en slaan vervolgens genadeloos toe. Alles wat voorheen aan bezwaren bestond, wordt in die ene seconde achterwege gelaten. Wat volgt is een waas van aanrakingen gehuld in een tot voordien onderdrukt en net daardoor zeer hevig verlangen. Altijd hetzelfde stramien. Nog twee straten na het park. Ik gun mijzelf het idee van secundaire verantwoordelijkheid. Het idee slechts in te staan voor mijn eigen daden en niet die van een ander. Ik was niet, heb niet bestaan en ruil de waarheid van mijn herinnering in voor hun intacte idylle. Met elke trap verwijder ik mezelf van hem die ik amper gekend heb, alweer bijna volledig klaar de dingen te hervatten. Er is ook niet de druk van een verbintenis. Niet de zwaarte van een stapel te retourneren boeken en niet de lichtheid van een relativerende koffie in de ochtend achteraf. En er is één zekerheid, de wetenschap nooit of te nimmer vermeld te zullen worden. Niet te bestaan in het narratief van de geslaagde relatie. Ik ben de anomalie in het verhaal dat hij aan haar en de buitenwereld vertelt. Ik weiger toe te geven aan het schuldgevoel, dat het zijne zou moeten zijn. Stap af, open twee deuren en laat het warme water lopen. Ik wil de goesting zijn, maar niet het geweten.

Käthe Denkt
14 0

Allesverterend

Tussen mijn halfgesloten oogleden door keek ik naar hen. In de tuin was mijn schoonvader druk in de weer met zijn geliefde barbecue, houtskool en aanmaakblokjes, een glas wijn binnen handbereik. Mijn schoonmoeder riep hem vanuit haar hangmat goedbedoelde aanmoedigingen toe, maar hij werd er alleen maar zenuwachtig en prikkelbaar van. Het gebruikelijke tafereel. Straks kwam het gevloek, misschien heel even ruzie. Maar de uitkomst stond vast: mijn schoonvader die met geheven glas de retorische vraag stelde of er iets heerlijker was dan een gegrilde kotelet onder de Franse avondzon. Mijn vrouw Valerie trok er zich niets van aan. Zij lag op de stoel naast me, verzonken in een Aspe, haar derde van de week. Op mij lette niemand. Ze dachten dat ik sliep, en dat vond ik uitstekend zo. Ik lette erop dat ik zo min mogelijk met mijn hoofd bewoog. Mijn ogen zaten verscholen achter mijn zonnebril-met-spiegelglazen. In mijn schoot lag Kundera's 'Onsterfelijkheid', opengeslagen met de rug naar boven, zodat ik ook daar niet verraden kon worden. En intussen keek ik. Of beter: ik gluurde. Ik gluurde en genoot.Ik kwam al jaren mee met de familie naar hun zomerhuisje in de Luberon. Tien dagen in de eerste helft van augustus, elk jaar opnieuw. Een goedmoedige routine, waar we telkens tegen op zagen ('Volgend jaar moeten we toch echt een keer ergens anders naar toe, gewoon met ons twee') maar ook weer heimelijk van genoten.Vorige zomer nam ook Charlotte voor het eerst een vriendje mee. Lander was zes jaar ouder dan zij, en dus maar nipt vijf jaar jonger dan ikzelf. En vanaf was Charlotte ineens niet mijn kleine, onschuldige schoonzusje meer, en werd alles anders.De manier waarop Charlotte zich in, om en langs het zwembad bewoog was haast niet te vatten in woorden. Het water golfde nauwelijks terwijl ze baantjes trok – haar duiksprong was van een volmaakte elegantie. Ook op het droge verloor ze niets van haar gratie. Zoals ze daar op haar strandstoel lag, een been gestrekt en een lichtjes opgetrokken, leek ze zo weggeplukt van de cover van Sports Illustrated. Een vrouw van net 20, met een lijf met – alle objectiviteit in acht genomen – de welhaast perfecte verhoudingen.Charlotte was het type vrouw dat zich haast ergerlijk bewust was van haar schoonheid. Ze gebruikte die ongegeneerd om van alles van anderen - mannen - gedaan te krijgen. Lander was de eerste die haar langer dan enkele weken de zijne mocht noemen, maar hij was dan ook niet de eerste de beste; hij had het afgetrainde lichaam van een atleet, en op de koop toe ook een flink stel hersens. In enkele jaren tijd had hij zich aan de Antwerpse balie opgeworpen als dé strafpleiter van de volgende generatie. Geen wonder dat Charlotte wel perspectieven in hem zag.Eigenlijk was alles als vanzelf gegaan. Ik had het niet opgezocht, of toch niet echt. Goed, ik was – inderdaad niet geheel toevallig – de badkamer binnengegaan, net toen de douche stopte met lopen. Maar dat was een instinctieve reactie geweest, een ingeving van het moment. Ik beschouwde het als niet meer dan een duwtje in de rug van het lot, een trigger die iets versneld in gang had gezet dat ook anders even goed onvermijdelijk was geweest. Nadien was elke sturing overbodig geweest.Die enkele minuten in de badkamer betekenden voor mij een omwenteling, een Gestaltswitch. Ik had in de tekening waarin ik al die jaren een eend zag plots een konijn ontwaard, en kon me ineens ook niet meer voorstellen dat ik er ooit nog een eend in zou zien. Het werd een vakantie van gestolen momenten, van angst om betrapt te worden en van euforie om niet te betrapt te zijn, van verwarring en tegelijkertijd onmiskenbare helderheid. Alles was anders, en ik wilde nooit meer terug.Weer thuis gingen we gewoon verder, namen lange lunchpauzes waarin niet gegeten werd, brachten elkaar bezoekjes als we wisten dat onze wederhelften niet in de buurt waren. Tijdens het kerstfeest dat we traditioneel met de hele familie in het ouderlijke huis vierden, verdwenen we tussen kalkoen en dessert naar Charlottes tienerkamer. Jarenlang werd ik er, als vriendje van grote zus, angstvallig geweerd. Niets dat er toen op wees dat daar, tussen de posters van boysbands en de pluchen beren, die warme gulzige lippen me naar een schitterende kleine dood zouden leiden, terwijl beneden mijn vrouw geduldig de sterke verhalen van haar nonkels en de klaagzangen van haar tantes doorstond.'Is er iets beter dan een gegrilde kotelet onder de Franse avondzon?'.  Zichtbaar voldaan zat mijn schoonvader onderuit gezakt aan de feestdis die hij, de pater familias, de jager voor zijn nageslacht bereid had. Een laatste avondmaal voor deze vakantie, straks vertrokken hij en zijn vrouw weer naar België, 's nachts om de file te vermijden. Een mens zou van minder emotioneel worden. Vader stond op en bracht, met licht trillende stem, een toost uit op zijn grote geluk. Zijn dochters grinnikten om hun vader – je merkte toch dat de man een dagje ouder werd – en gaven hem een knuffel.Picture perfect. Maar niet voor mij. Voor mij stond er te veel volk op het plaatje. Over de tafel heen zocht ik naar de enige ogen die er voor mij nog toe deden. Ik kreeg een schalkse blik terug, maar dat volstond niet. Niet meer. Voor mij was het geen spelletje meer. Ik wilde ervoor gaan, in alle openheid en eerlijkheid. Maar ik wist dat het niet vanzelf zou gaan. Het lot had opnieuw een duwtje nodig, een heel kleintje maar, en daar ging ik voor zorgen. Morgen was het game over.We wuifden pa en ma uit. Eens de Toyota Carina uit het zicht verdwenen was, werden alle remmen losgegooid. Het volume van de muziek ging de hoogte in, in snel tempo werden enkele flessen wijn soldaat gemaakt. Ik zorgde dat de glazen gevuld bleven maar zelf dronk ik hooguit twee glazen. De meisjes wilden dansen. Valerie trok Lander recht; Charlotte drukte zich tegen mij aan, vol overgave en zonder een greintje gêne. Haar been schuurde tegen mijn kruis, ik voelde haar tepels door haar topje heen in mijn borstkas prikken. Bijna raakten onze gezichten elkaar. Ik keek haar recht in de ogen. Zonder knipperen keek ze terug. Zij leidde. Nu nog. Morgen zou het anders zijn, maar daar had ze geen idee van.Middernacht. Tijd voor stap 1.'Lander, wat denk je? Toertje met de mountainbike morgenochtend? Acht uur vertrekken?'Charlotte keek me smalend aan.'Wat is 't, broerke? Moet je je mannelijkheid bewijzen? Wel nog wat vroeg voor een midlife crisis hoor.'Ik negeerde haar, bleef naar haar vriendje kijken: 'Wel? Je ziet het toch wel zitten?'.'Allez, zoet, 't is vakantie, doe niet zo ongezellig, we slapen gewoon uit morgen'.Dat was Valerie. Ze legde sussend een hand op mijn arm. Met een ruk trok ik hem weg.Lander twijfelde. Zomaar weigeren zou hij nooit doen, dat wist ik zeker, hij wilde zich niet laten kennen.'Ja tuurlijk. Maar iets later dan misschien, zo vroeg vertrekken is toch nergens voor nodig?''Halfnegen dan. Anders begint de zon te fel te branden voor we goed en wel vertrokken zijn.''Deal.'In zijn ogen die kwajongensblik.'Ik neem je zo hard te grazen morgen, kerel.'Hufter... we zouden het nog wel eens zien, wie wie te grazen nam.Slapen lukte niet echt, maar daar maakte ik me niet druk om. Geduldig wachtte ik tot de ochtend aanbrak. Om klokslag acht uur schoof ik uit bed. Ik keek naar Valerie. Het was niet meteen een flatterend zicht: ze snurkte, mond halfopen, een sliertje kwijl liep naar haar kussen. Ze was verzonken in een diepe, van alcohol doordrenkte, haast comateuze slaap. De eerste uren kreeg zelfs een aardbeving haar nog niet wakker, daar was ik van overtuigd. Ik boog me naar haar toe en drukte een kus op haar voorhoofd.Ik ging naar de keuken en begon spek met eieren te bakken. Intussen bladerde ik door L'Equipe van eergisteren. Weerom was de trui van Nibali niet in gevaar gekomen.Lander was om halfnegen stipt beneden. Geen seconde te vroeg, ook niet te laat. Ik had niet anders verwacht. Hij werkte in enkele happen zijn omelet naar binnen. Het beest.'Zeg, die meiden zijn nog ver heen hoor. We kunnen net zo goed hier, op ons gemak...'Ik onderbrak hem. Nee, dat konden we niet. Niet vandaag. Not part of the plan.'Eerst fietsen maatje. Laat maar eens zien wat je kan.'Het eerste uur was afzien. Gezien Landers alcoholverbruik van de dag voordien had ik verwacht dat een fikse kater hem parten zou spelen en ik hem makkelijk de baas zou kunnen. Maar hij bewees opnieuw het ongelooflijke recuperatievermogen eigen aan de jeugd en ging als een wildeman tekeer. Zeker toen de weg begon de stijgen zag ik sterretjes. Het was een stevig bergje, niet heel lang maar behoorlijke steil. Ik hield mijn blik strak gericht op Landers benen, die gestaag, soepel en tegen een verschroeiend tempo omwentelingen bleven maken. Zelf reed ik op een veel grotere versnelling, en ik moest uit alle macht op de pedalen stampen om Lander bij te houden. Ik voelde de verzuring toeslaan, mijn kuiten stonden op barsten. De top van het colletje kwam niets te vroeg. Lander hield de benen stil en keek over zijn schouder. Hij stak zijn duim omhoog en nam zijn drinkbus uit zijn houder. Voor mij was dat het sein om al mijn krachten bijeen te rapen. Ik ging op de pedalen staan en met enkele flinke lendenrukken reed ik Lander voorbij. Ik probeerde mijn ademhaling zo goed en zo kwaad als het kon onder controle te houden en terwijl ik passeerde, riep hem toe: 'Je dacht toch niet dat je me kwijt was?'. Dat was het kantelpunt. Vanaf hier nam ik de overhand. Lander mocht dan wel jonger, atletischer en krachtiger zijn dan ik, als het aankwam op stuurvaardigheid was ik zijn meerdere. En vanaf hier kwam het aan op stuurvaardigheid, durf en stuurvaardigheid. Die wetenschap joeg de adrenaline door mijn aderen, en ik sneed vol risico de eerste bochten aan. In de rechte stukken trapte ik nog bij, om de snelheid zo hoog als mogelijk op te drijven. Op geen enkel moment keek ik achterom. Dat was ook niet nodig; Lander was een competitiebeest, een echte winnaar, en ik wist dat hij tot het uiterste zou gaan om me te volgen, net als ik tijdens de beklimming. Ik concentreerde me volledig op de weg, elke inschattingsfout kon hier fatale gevolgen hebben. Een tegenligger trouwens ook, maar hier was haast geen verkeer, en daar rekende ik dan maar op. Toen we bijna weer in de vallei waren, hield ik voor de eerste keer in. Toen ik onder mijn oksel doorkeek, zag ik dat Lander enkele tientallen meters achterop lag. Ik wachtte tot hij nét dicht genoeg kwam om me te horen en riep hem toen toe: 'Bij de volgende bocht gaan wij rechtdoor!'. Rechtdoor, dat was een smal pad dat steil naar beneden het bos in liep.Zonder een antwoord af te wachten stortte ik me naar beneden. 'What the fuck??', hoorde ik Lander roepen, maar onmiddellijk daarna hoorde ik de takjes onder zijn wielen kraken. Hoe verder we het bos in gingen, hoe stiller het achter me werd. Ik wist echter dat hij niet zou opgeven en keek niet meer om tot ik beneden kwam, aan een meertje. Dit was perfect. Hier kwam geen mens, niemand zou ons storen, hier kon je een moord plegen met enkel merels, lijsters en een zeldzame wielewaal als getuige. Ik plantte mijn fiets tegen een boom, en wachtte, de armen gekruist tot Lander ook beneden kwam. Het duurde vijf volle minuten, heel even was daar de twijfel – was hij misschien gevallen, of had hij er dan toch de brui aan gegeven en was hij teruggekeerd?Maar eindelijk was hij daar. Uitgeput liet hij zich vallen. Daar lag hij dan, op zijn rug in het gras naast zijn fiets, ongecontroleerd hijgend, hyperventilerend haast, een vogel voor de kat. Een gevallen Apollo, even goddelijk als hulpeloos. Ik boog me over hem heen. Zijn ribbenkast ging vervaarlijk te keer, hij leek niet meer bij volle bewustzijn. Ik scheurde zijn shirt open om hem lucht te geven. Ik drukte mijn lippen op de zijne en streelde zijn gladde, gepolijste borstkas. Ik trok zijn broek naar beneden, haalde dat zeemvel van tussen zijn kruis, masseerde zijn geteisterde ballen. Hij kreunde. Langzaam kwam hij weer tot leven, mijn atleet, mijn Eros, mijn alles. Weldra zouden we voor altijd samen zijn, zonder verdere bemoeienissen.Ergens rinkelde een gsm. Tegen deze tijd hadden L'Equipe en het fornuis wellicht hun krachten verenigd en de rest van het werk gedaan. Allesverterend.

Lennaert Leo
0 0

Kort verhaal

“Hou het kort”, klinkt het tussen zijn tanden. Ze herkent die toon, heeft ’m al vaker gehoord dan haar lief is. Hij moet intussen weten wat dat timbre met haar doet. Hij moet het al gezien hebben, aan haar handen, die steevast beginnen te trillen bij de aanzet van zijn harde k. Hij moet het al gevoeld hebben, aan de sfeer, die na zijn gebod niet meer te snijden is maar botweg inslaat op al wat nog gezegd en verzwegen wordt. “Hou het kort.” Alsof ze niet weet wat haar te doen staat. Alsof ze een lege doos is, niets meer en misschien wel minder, tot zijn bevel haar inhoud geeft. Zo vol van zichzelf, zoals hij daar zit, met zijn voeten in de lucht en de ellebogen ver uit elkaar, leunend op de steunen van haar beste lederen stoel. Hoe belangrijk waant hij zich wel, dat hij zo tot haar spreekt zonder zich tot haar te richten. Alsof ze niet beseft dat hij allang niet meer komt voor haar en haar schone ogen. Hij kon de zijne nochtans niet van haar afhouden, destijds. Ze herinnert het zich nog goed, die allereerste keer: de deur zwaaide open en ze was verloren. Donder, bliksem en hagelstenen sloegen tegelijk in, voor zover dat kan, langs beide kanten, met een kracht die niet te vatten viel. Ze waren allebei op slag stekeblind, misschien niet van liefde maar op zijn minst van laveloze adoratie. Hoewel ze tijdens hun ontmoetingen nooit echt alleen waren geweest – altijd schuifelde er wel een of ander sujet voorbij – zodra het zwart van hun pupillen versmolt, verschoven de wereld en al wat er los en vast aan zat naar de achtergrond. Keer op keer had hij haar handen verwelkomd op zijn gezicht, als een wees op zoek naar warmte. En elke keer weer zag zij hoe week hij werd, als boenwas tussen haar vingers. Hoe zij ook uithaalde, hij liet het zich welgevallen, doordrongen van het verlangen om het afscheid zo lang mogelijk uit te stellen. Niets kon hem wekken uit zijn hypnotische staat van zijn, alleen de ritmische tikjes van haar vingertoppen op zijn gezicht brachten hem min of meer tot de orde van de dag. Zo was het lange tijd gegaan en hij had van elke minuut genoten. Zij ook, zonder meer. Tot die ene dag, toen ze hem in een moment van onoplettendheid kwetste. Zo diep, dat ze een onuitwisbare indruk achterliet op zijn ziel. Bloed. Zweet. Nog net geen tranen. Toen ging het licht aan en was het uit met de pret. Blinde adoratie werd overbelichte ontreddering en hij trok zich terug, in zichzelf, in paniek, met de vinger op de wonde. Sindsdien heeft ze hem nooit meer gezien, of toch niet echt. Hij is nog wel aanwezig, zit nog wel eens in haar beste lederen stoel, maar hij verwelkomt haar handen niet meer. Nooit voelt hij nog als boenwas tussen haar vingers, hoogstens als een homp klei met een versteende binnenkant. “Hou het kort.” Hij zegt het zonder haar aan te kijken. Is hij bang om andermaal te verdrinken in het zwart van haar ogen? Als de dood om nog dieper gekwetst te worden? Sluit hij zich daarom af voor het voelen en het leven? Het kan haar eerlijk gezegd geen zak schelen. Zonder verpinken zet ze hem het mes op de keel. Hij schrikt en slikt en voelt het vlijmscherpe lemmet meedeinen op zijn adamsappel. De spanning hakt erin en zij begint eraan, vakkundig, met halen van hooguit enkele centimeters. Ze houdt het mes in een hoek van maximaal 30 graden en haalt nog een paar keer uit, op strategische plaatsen, volledig volgens plan. Met verbeten gezicht maar verbazend losse pols doet ze wat moet, voor haar gemoed en zijn geweten. Er komen geen woorden aan te pas, geen blikken en geen blozen, amper een straaltje bloed. En dan is het voorbij. De wereld lost niet langer op in de hitte van hun verlangen, zoals toen, maar kijkt ijskoud toe en draait gewoon door, als een echte aardkloot. Ze neemt een koude handdoek en aluin om het bloed te stelpen. Hij kermt, maar de aftershave maakt veel goed. “Kort genoeg?” klinkt het tussen haar tanden. Hij wrijft met beide handen over zijn gladgeschoren kin en knikt naar zijn spiegelbeeld terwijl hij haar ogen vermijdt: “Net op tijd.”

a little bit of soap
54 1

De wachtende

Al wat de moeite waard is vraagt geduld. Omdat ik ervan overtuigd ben dat jij meer dan de moeite waard bent leer ik voor het eerst in mijn leven om te tijd te laten verstrijken zonder elke van passie en liefde doorspekte actie te ondernemen.      Eerlijk, het valt me zwaar. Omdat ik in se impulsief ben voer ik een wreed innerlijk gevecht waarbij mijn verlangen om mijn uitgekiemde plan om jou niet geheel toevallig tegen het lijf te lopen en je te overdonderen met mijn charmes altijd beestachtig vermoord wordt door mijn gezond verstand.      (Ik zit een beetje geirriteerd naar “gezond verstand” te kijken, waarvan ik de g sierlijk heb geschreven, gaandeweg duidelijk de ambitie om mooi te schrijven verloor, en eindig met een praktisch onleesbare d. Ja, het is een d, dat korte stokje met een gigantische buik, daar op het einde. Tijdens het schrijven van “gezond verstand” begon het me te dagen dat ik die term haat. Wat is er gezond aan het verstand dat me op dit moment ziekelijk zwak maakt?)           Hoe dat plan eruit ziet? Ik zie het je vragen, met je bovenlip ietwat opgetrokken op het einde van je vraag. Die bovenlip die je kan uitlachen en aanbidden tegelijk door zich lichtjes naar de hemel te richten. Het plan verloopt als volgt: ik loop twee kilometer verder vanwaar ik nu verblijf door het bos richting het kiezelpad dat leidt naar het water. Ik doe dit in de vroege namiddag, het moment waarop jij en Graul zeker thuis zijn omdat jullie graag wat rusten na het middageten. Ik weet dat je vanuit jullie stek een uitstekend uitzicht hebben op het pad: je kan niet er eigenlijk niet naast kijken – uiteraard weet ik dat: ik heb er gewoond. Jij kijkt voor je uit en ziet in de verte mijn silhouet. Je kan twee dingen doen: je loopt naar me toe of je blijft zitten. Maar Graul kan ook twee dingen doen: naar me toe lopen of blijven zitten. Jullie zullen misschien elk iets anders willen doen maar jullie zijn zo intens aan het denken dat jullie elkaar lijken te horen. Jullie gedachten die oorverdovend tussen elkaars hoofden opbotsen verhinderen je te doen wat je hart je in eerste instantie aangaf. En daarom zijn er veel meer dan twee mogelijkheden.      Ik doe het niet omdat er zoveel mogelijke reacties kunnen zijn en ik niet weet of ik op allen even gepast zal kunnen reageren. Ik doe het ook niet omdat ik je bij voorkeur alleen wil aantreffen, Graul zou ik liever niet onder ogen komen, maar jullie wijken niet van elkaars zijde. Ik doe het niet omdat je bij onze laatste ontmoeting had gezegd dat je tijd nodig had. Ik geef je tijd, omdat je dat van me vroeg. Maar besef, lieve Gloria, je had me alles kunnen vragen. Maar geduld, daar ben ik het slechtste in. Of is het net daarom dat je dit van me vroeg? Omdat je weet hoe ongedurig ik kan zijn? Is dit jouw manier om mij te testen?          En wat doorslaggevend is om mijn plan niet uit te voeren: wat als jullie beiden blijven zitten?      Vrije tijd is op dit moment mijn grootste vijand. Vrije tijd doet me nadenken en mijn plan verder uitwerken tot een heetgebakerde drang om je te zien zich meester van me maakt. En dan komt dat zieke verstand aantreden. En ook al heb ik hem eerder ontmoet, zijn aankomst doet altijd pijn. Ik verricht niet veel dezer dagen: ik zoek voedsel, ik eet, ik slaap en ik maak wandelingen. Die wandelingen zijn in feite ook nefast voor mijn humeur omdat ik wel eens de neiging heb om naar het bos te stappen. Dan sta ik voor die massa bomen, wetende dat jij aan de andere kant bent en dan vraag ik me af of jij daar soms ook aan het bos staat aan mij te denken.           Ik schrijf dit alles neer om hiermee mijn vrije tijd op te vullen, zodat ik minder tijd heb om aan jou te denken en ik minder kans maak om compleet gek te worden. Tegelijk kan ik over niets anders schrijven dan over jou dus misschien zal ook dit mijn geestestoestand geen deugd doen. Alhoewel ik geloof dat dit helend kan werken. Als ik alles neerschrijf wat er gebeurd is kan ik het een plaats geven. En misschien, wanneer ik alles neergeschreven en verwerkt heb, kan ik verder met mijn leven.           (Al betwijfel ik dat ten zeerste.)

Linkervoet
0 0