Lezen

De bijsmaak van de zeep

  De taxidermist bracht mij door nevelige lanen naar de plek waar ik moest zijn, of dacht. Moeder was niet opgezet, de hondenbrokken die ze meegegeven had, helaas, ze bleken niet te lijmen. Zeer verscheurd, zoals zoveel, een volkje, wat gezinnen hier en daar, een overreden ooievaar. Ik liet hem maar, tussen die glazen ogen, ijzerdraad die het verleden recht probeert te houden.Te voet terug, waar ze nog altijd zat, vergroeid haast, met die grasgroene fauteuil en toen ze weerom hoorde van die kinderen in Syrië, heeft ze Gertje opgebeld, of hij nog Samsonkoekjes had, snoepjes. Mayadebijsmaak, honingzoet. Ze prevelde nog in mijn dichtgroeiende oren dat ik helpen moest, de wereld zat te wachten op een nodig brood, Messias die het tij nog keren kon, of ik geen kerel kende met een walvishart.Ik zweeg en ik verzweeg, streelde een handpalm, probeerde rust en zacht bedaren uit te stralen, wat mij zelden lukt, sprak niet van vier ruiters en het eindig pad, roerde suiker, beetje hoop ook door de zondagpap. Haar ogen stil, er kroop een spin over de muur, kocht geen ticketje voor een ritje op de slinger van de klok, spon een web rondom de tijd, trok nog wat de dag.Toen niemand keek, liet ik de witte duiven, grijsblauwe parkieten los. Terwijl een presentator vrij hard lachte op tv -vraag met niet waarom- viel het decor dan toch in duigen, sprong een kerstlampje kapot, stal Minou de poes dat kindje uit die kribbe, was de ganse boel om zeep.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
0 0

BOOM

                                                                      B                                                                       O                                                                       O                                                                       M                                                                    Het                                                                  zetten                                                             van de boom                                                          elk jaar opnieuw                                                     een emotioneel gedoe                                         en daar dan een boompje over opzetten                               met een slinger onbegrip en glinsterende traantjes                                                       ja     zo'n boom                                                      brengt echt wel                                                     v e r l i c h t i n g

Linda De Bie
3 1

Witte neuzen valse leuzen

  Op de naamdag van Silvester zullen we hen niet gaan tellen, hen die stierven, hen die blij geboren werden, de mensen en de beesten in het oude jaar. Verontschuldigt U mij want ik ken ze niet. Sommigen van horen, van een liedje, eer toevallig, maar echt kennen, neen dat niet.   Mijn aquarium, het is best treurig, uitgekuist, de piranha koos het vrije sop. Onder een boom liggen de cadeautjes, zo onnozel ben ik dan. Een boete uit de ruimte voor mijn laks gedrag, een doosje pleisters voor een nieuwe kruistocht. Een gammel Russisch spel, quartet met vaantjes, wrede prentjes van gemolesteerde steden, een gestorven vliegtuig, Afrika verkracht.   Te dwaas, het bonnetje voor zonnestralen, straks in februari, zit in deze evenloppe. Dat ze mogen schijnen op het veldje vlak hiernaast. Gemanipuleerde zonnebloemen blijven heerlijk groen. Gele vlinders slapen in het doosje leopoldsigaren. De laatste heb ik opgerookt, de dag dat Fabiola en haar kapsel vredig stierven.   In een mandje glimmen vrijgevochten appelen die nu al minder vrezen dat er straks een wezen kruisjes in ze kerft, iemand achteloos hun klokhuis rotten laat, ergens in een vuilbak naast een muf kapelletje. Negen maanden na de storm, de aprilvis laat ik liggen in de vriezer, trek de straat op, zoek een sukkelaar, een ongeschoren baard.   Ik vind hem niet, hij ligt er niet onder de brug en trek dan naar de noodopvang, waar hij verlegen zit, aan een stenen tafeltje met harde rand. Ik zet me, groet de man die niet van smurfen houdt. Dat het niet erg is, kerel. Albert II, Mitterand, buitenechtelijke kinderen, beste Abraham, het is echt heel gewoon. En toch. Ismaël en Isaak, is het toen al fout gegaan?   Hij zwijgt en ik zal hem niet vragen wat hij van ons vindt, hoe wel het onze planeet tot heden is vergaan. “2015 meldt zich, laat ons weer gewoon vaagweg het beste wensen”, zou een dwaze uitspraak zijn. Bij de kerstverlichting staan de dozen met de zwarte vaandels voor de witte leuzen, valse neuzen voor een vrolijk feest.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Vegetragisch

Meestal neem ik geen blad voor de mond.Behalve dan wanneer ik eet.Dan neem ik dingen die met een blad geboren zijn.Groenten dus. En fruit. En ook granen enzo.Kortom, plantaardig voedsel.Of dat van mij dan zo plant-aardig is, kan je wel weer gaan betwisten.Je zal zien dat ik er flink mee tekeer ga. Hakken, kappen, villen, vierendelen, spiezen, pureren, stomen, levend koken, bakken, poffen. Noem maar op. Ik doe het allemaal.Ik lust ze rauw. Ook wel heel lekker trouwens! Rauw.Met een sausje erover. Nootjes erbij.Een beetje amateurkok met gevoel voor esthetiek noemt dat een “salade”. Ik eet al een aantal jaren geen vlees meer.Dat komt omdat ik plots wel heel erg ging beseffen dat we zo lijken op datzelfde vlees.Je snapt me wel… Ogen, oren, verlangens, angsten en andere leuke attributen.Dat we in die lekkere bolognaisesaus een gemalen kindje van een koe hadden zitten, dat was me plots teveel.Vlees verloor z’n anonimiteit. Maar dat is mijn gevoel.Op zich heb ik geen problemen met de kringloop van het leven.Een leeuw zal zich vast ook niet afvragen of die sappige antilope een ziel heeft en pijn voelt voor hij genadeloos toeslaat. Het is eten en gegeten worden.Alleen hebben mensen het wel zo voor elkaar dat ze de dans ontspringen wat dat laatste betreft. We hebben de balans heel erg naar onze kant laten overhellen en eten veel meer vlees dan nodig is. Dat wil zeggen dat die balans voor de natuur veel minder goed uitpakt. Dat wil ook zeggen dat we geen respect hebben voor waar we uit voortkomen…Zonder al te veel te willen uitweiden over de criminele omstandigheden waarin dieren massaal aan hun einde komen. Of de enorme belasting die de elementen lucht en water voortdurend moeten slikken.Jaja… Daar wou ik dus niet meer aan deelnemen. Dan maar vrijwillige excommunicatie. Dat ik dat besluit nam, was niet echt een verrassing.Ik was nooit wat je noemt een “die hard carnivoor”.Hield altijd al van de rijke variaties die je met groenten, fruit en granen op je bord kan toveren. Lekker zachte en harde brokjes, reepjes en bolletjes in allerlei smaken en kleuren in je mond. Feestelijk toch!Toch blijkt vegetarisme nog steeds iets “speciaal”, “complex” zo je wil, te zijn.Zo bots ik regelmatig op nieuwsgierige vragen en opgetrokken neuzen. Met m’n alienvoedsel. Hah! Tofu, stel je voor! “Straks wordt ze nog een hippie ofzo” lees ik op hun gezichten. Laatst had ik weer zo’n etentje waar ik de enige vegetariër was. Eén van mijn tafelgenoten zei langs de opgetrokken neus weg dat ik ooit toch wel weer overstag zou gaan.Dat het vlees zwak is. Grapjas.Zoals ik al zei neem ik geen blad voor de mond.Dus zei ik heel bijdehand “Ik vind vlees inderdaad zwak en ik ben tot de tanden gewapend met groenten” Rotzak.“Euh ja dat zie ik”, zei hij “je hebt er wat groens tussen zitten”. Toen werd ik rood als een tomaat. Vegetarisch van kleur. Helemaal ik.

Jasmine Tomballe
6 0

Hulpmiddelen

Hulpmiddelen                                                                                                                   Toen men in 1989 de diagnose van Multiple Sclerose bij me stelde, was mijn hele omgeving in shock. Niemand besefte dat je leven zo snel kon wijzigen en dat je dus daadwerkelijk echt niets in handen of onder controle hebt. Het gekke van die periode is, dat ik er zelf erg rustig onder bleef. Net of de waanzin rondom mij draaide en ik bewust bleef in een rustige zone; het oog van de storm.   Zo herinner ik me de reactie van mijn zus, enkele weken nadat ze mijn diagnose te horen had gekregen: “Je moet niet wanhopen zusje, ik zie je toekomstbeeld en zie mijn zoon (toen nog een peuter) jou in je rolstoel voortduwen. “ Gelukkig verliep mijn leven helemaal anders en waren mijn ouders er zich ook terdege van bewust dat ik in de allereerste plaats mijn onafhankelijkheid moest bewaren. De diagnose verliep vrij gunstig en ik leerde met de ongemakken omgaan. Mijn zus vertrok naar Canada en begon daar een nieuw hoofdstuk in haar leven en mijn neef werd inderdaad een stoere mooi gebouwde kerel, waar ik nooit een (h)echte band mee kreeg. Het leven loopt zoals het leven loopt, het laat zich niet indijken.   In de beginjaren van de diagnose, ging ik naar een cursus voor lotgenoten in het prille stadium van de ziekte. Het waren een tiental lessen, met elk een eigen thema, waar ik héél veel over MS leerde en hoe er mee om te gaan. Op één van de bijeenkomsten ontmoette ik een vrouw van middelbare leeftijd die vrolijk binnenkwam gerold in een blitse rolstoel met roodgekleurde velgen. Ze sprak ons toe met een optimisme en een vurige levenskracht die me tot vandaag is bijgebleven. “Hulpmiddelen moet je gebruiken als je ze nodig hebt. Denk er niet te veel of te diep over na… gebruik ze en als je ze niet meer nodig hebt zet je ze terug weg, tot ze je weer van pas komen.” Ze vertelde dat ze zelf te lang had getreuzeld met het gebruik van een rolstoel, omdat ze het zo zielig vond en dacht dat het een vorm van ‘opgeven’ was. Tijdens de wandelingen met haar gezin ging ze dus altijd ergens op een bank zitten met de boodschap: “Gaan jullie maar, ik wacht hier wel.” Op een dag vertelde haar dochter dat ze dat eigenlijk helemaal niet leuk vond. Ze wees haar moeder erop dat de rest van het gezin onmogelijk kon genieten van de wandeling terwijl ze wisten dat ze ergens in de kou op een bankje op hen zat te wachten. In feite belastte deze vrouw haar gezin met haar opoffering! Niemand won bij deze situatie. De positief ingestelde, dappere vrouw besloot daarom toch een rolstoel in te schakelen en wandelde de volgende keren mee. Het gezin genoot terug van de uitstappen. Hulpmiddelen zijn er om gebruikt te worden. “Wacht niet te lang om er gebruik van te maken, durf te leven!” De boodschap van deze vrouw zit gebeiteld in mijn hart, ik ben er haar oneindig dankbaar voor.   In mijn - al heel lang geleden - verbroken relatie is er één dag die ik nog steeds beschouw als één van de mooiste dagen uit mijn leven. Het was de dag dat ik mijn ex vriend Rolf naar het autosalon vergezelde, een uitje waar hij zich al heel lang op verheugd had. Bij onze aankomst werd het me al snel duidelijk dat ik heel dit evenement zwaar had onderschat. De mensenmassa, de bewegende podia, het lawaai… het was allemaal véél te veel voor mijn gehavende zintuigen en ik trok bleekjes weg terwijl mijn benen het stilletjes begaven. “Dit is te zwaar voor jou, we gaan naar huis” verkondigde Rolf edelmoedig, en ik zag de diepe teleurstelling in zijn ogen. Ik nam hem bij de arm en wees hem naar de Rode Kruis post een eindje verderop. “Onzin, we gaan gewoon een rolstoel huren en ik wil hier geen discussie over.” Mijn vastberadenheid trok hem over de streep en het werd een dag die ik koester als een parel in een doosje, want die dag kon ik mijn eigen ego even in de kast zetten, een hulpmiddel gebruiken waar het voor diende en een ander mens gelukkig maken in zijn zorg voor mij. De rolstoel heb ik daarna niet meer nodig gehad en de wandelstok die ik nu gebruik, hanteer ik met een elegante vanzelfsprekendheid die de hele situatie na enkele minuten onzichtbaar maakt. Mensen die met me mee lopen merken het niet eens meer dat ik hem bij heb. Het leven is vaak wat je er van wil van maken, de kunst is oog te hebben voor alle mogelijkheden en telkens proberen het tij te doen keren met het juiste hulpmiddel. Inspiratie hiervoor vind je in de wereld rondom je heen àls je durft te kijken en je blik hiervoor openstelt. Verwen jezelf, maak het beste van elke situatie en bedenk dat tijd om ongelukkig te zijn, verloren tijd is. Blijf geen slachtoffer.

Bosfee
0 0

Aarslicht

  In mijn nieuwjaarsbrief, ergens begin maart, als ook Chinezen weer beseffen dat kalenders en de dagen van papier gebleven zijn, als nergens nog een bubbel ijdelvocht, een druppeltje komediesnot te likken valt, maak ik het officieel bekend : ik ben een zot, die liefst onder gespaarde sparren slaapt. Bij Heidenrijk.com weet men er alles van : een boom, die onderhoud je best. Laat hem staan, daar in zijn bos, leg ze in de watten, op de zolder, zalf ze wat die glitterballen, klinkt niet eens zo gek.   Bestel nog snel een doos met grappen, grollen, brolcadeautjes van een ziek plastiek desnoods. Mij deert het niet. Want straks, dan speel ik. Kerstnar, naakte clown met blinkerklootjes, steek een slinger diep tot in mijn endeldarm. Het kuist de aars veel beter dan je denkt. Wildsteak, oesterschimmel, kaas, doe mij wat tamme praatkroketten en die cavia’s, mijn schatjelief, ze mogen op de barbecue, ik vil ze wel.   Voor de rest, schenk mij oranje legoblokken of een pakje eetbare condooms. Je kunt dan lekker kauwen, bellen blazen, schat. Vergeet heel even dat gezuig, terwijl ik desalniettemin toch even aan je sapjes nip, fruities, barbapapamilkshake, in de oven zwelt een nagerecht. Mystieke frisco’s lust ik ook, liefst ver weg en in de mist loopt er een schim voorbij die voor zijn leven vecht, als ik opnieuw een schaduw steel, een afgewreten kwartelbotje naar hem werp. Ik hoor hem al, ’t is Geert. Hij lacht als ik het toon hoe je een goudvis piercet, een kerstbal aan zijn staartje hangt.   Azijngeur, antigel is zoveel beter dan goedkope wijn en in de lucht hangt er een rare waas, tijdverdrijf is aan mijn glas geplakt. Ik martel hem alvast een beetje. Kurksmaak, Christus in zijn kribbe. Zodat hij alvast weet wat leven is. Gespoten wordt er niet die dag. Graffiti op een taart, een bontwinkel, wordt zelden gewaardeerd. Sneeuw en glinstertjes dat willen ze de wezentjes die alle wereldquatsch, verhalen over opwarming, die duizend hongerdoden op een halve dag voorgoed vergeten zijn, me dunkt. Ochot, we laten het gebeuren dezer dagen, want alle obers, restauranten vol rosbief, romantici, de vetsmelters en butlers in het beterdom, ze weten, zelfs met kaarslicht gaat de nacht voorbij.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt' 

Bernd Vanderbilt
20 0

Op z'n hondjes

Omdat ik ook maar een mens van mijn tijd ben – eenzaam, mistroostig en op zoek naar een parkeerplaats voor mijn idealen – schreef ik me recent in op een datingsite. Een zegen, want wie denkt hier alleen zwartgeblakerde mensen, ternauwernood gered van het vagevuur van de liefde, te ontmoeten, is eraan voor de moeite. Het is hier integendeel een opwindend circus van hitsige jongens en meisjes, een beschermd biotoop van hoop, een plek waar de liefde herleid wordt tot zijn ware proporties: alles. Het leukste van de site zijn natuurlijk de profielen: de zelfomschrijvingen en die van de ideale partner. “Het verleden ligt achter me en is een afgesloten hoofdstuk” is altijd een leuke opener – de placenta van de wedergeboorte, geoffreerd als potgrond voor nieuw geluk. Dan zijn er de vrouwen voor wie het leven “een ontdekkingsreis” is, “een pad waarop je samen kan groeien”, de liefde een met lucht gevulde steunzool die je overal en nergens brengt. Er zijn de meer materialistische types. In datingtaal: “Ik geloof dat ambitie en veeleisendheid goede eigenschappen zijn voor een man.” Je hebt de natuurliefhebbers, de cultuurtempelhabitués, de jonge notenkrakende moeders (“een kindvriendelijke activiteit met een lach op je gezicht”) en dames die op zoek zijn naar een klusjesman (“een beetje handig”). De liefde kent dus vele gezichten. De dertigsters wiens hoogste goed de festivalweide is, de veertigsters die eindelijk verlost zijn van hun wederhelft, de vijftigsters die het graag simpel houden maar ook “poly-amorie a priori niet uitsluiten”, de twintigsters die zich sociaal, levenslustig en sportief door de dag boksen om dan ’s avonds hun wegwerphart aan elkaar te lijmen. Er is kortom voor ieder wat wils. Behalve misschien voor het gild der duivenmelkers: 21ste-eeuwse vrouwen gaan graag op reis. Reizen zijn een voorwaarde voor huiselijk geluk. Cynisme is een afknapper. Eens contact gelegd, is de paringsdans begonnen. Op zijn hondjes. Eerst snuffelen, dan knuffelen.

Guy Bourgeois
138 0

Ik was al onderweg

  Wat zand, ik loop een storm voorbij, een glas. Achter het stuur, het mocht van nonkel Bob, zolang ik zijn woestijn maar niet verliet. Adieu terras, café daar aan het Noordzeestrand. Er hing een wezen aan de toog met rond zijn nek een zelfgeknoopte das. Hij sprak me aan, zoals dat gaat. Een netwerkzot, die overal zijn dogma’s predikt over onbenul en het sociaal geluk. Die lifestylesul, luchtverkoper. Dat mijn blaas volliep, dat het bij doodtij veilig plassen is daarginds, dat het dringend is en weg was ik.   Bijna koekenbak naast het gelag, wat verder vandaag verse bloedworstjes en Pol in zijn frituur steekt weer bouletten op een spies. Daar waar ik ooit een gocart heb gehuurd, verkoopt men nu een brommer met twee vijzen los. Ik heb geen tijd, expresweg op.   Er liggen kuipen op de linker rijstrook. Ergens bij een kilometerpaal. Van een metser, dat verzwijgt de fm-stem. Specie voor het zetten van een duivelkot, schuilplaats, afdak voor de natte dromen van een volk of twee. Ze wacht op mij, nogal geluk, de overzet in Breskens vaart niet meer. Mijn eikel wist het niet. De koningin had er een grijze foto, zachte kuthaartjes, vermoed ik, ook een mooie adelkrul.   Vergane boelwerfbootjes, vleeskrokettennostalgie. Die 23 letters schrijf ik later in een hangmat. Tussen ja, een baobab, een knuffelboom voor mij alleen. Nu niet, ze is er al, bij Borssele, daar waar ik uit die tunnel rijd, de wereldlucht mij weer bevangt. Aan de afslag, in haar pas gewassen Lotus. Ze kent me amper. De liefde heeft de foutjes in de lak nog snel verhuld. God en alles voelt, er werd gewacht. Vijftig miljoen zevenhonderddrieënvijftigduizend achtenzeventig. Sterren. Omgekeerd, op haar rekenmachine. De rechter zetel fluistert niet. Sorry schat, ik was al onderweg. Bijna zoiets. Gemist, van dag, een bocht.       uit de reeks  'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
1 0

I love Belgium

Voordat er flauwe Belgengrappen gemaakt gaan worden naar aanleiding van deze titel, wil ik uitleggen waarom ik graag met Belgen samenwerk. Ik schets hiervoor tweemaal een vrijwel identieke situatie. De ene keer in Nederland. De tweede keer in België. Het verschil zal duidelijk worden. De wekker gaat. Het is vroeg. En koud. Eerst nog even snoozen. Nee, Juul. Opstaan. Nu! Je hebt nog een lange reis voor de boeg. Het ochtendritueel voltrekt zich hetzelfde als elke andere doordeweekse dag, met ingrediënten als: restauratiewerkzaamheden aan hoofd (ik dank Chanel elke dag op mijn blote knietjes voor het ontwikkelen van de perfecte make-up), veel cafeïne, een kind dat volstrekt géén haast heeft en een kat die besluit om eens een goede haarbal neer te kwakken. Terwijl ik een half uur later dan gepland de deur uitga – wegens kind dat geen haast had en haarbal van kat – loop ik in mijn hoofd het lijstje na met spullen die ik mee moest nemen: manuscripten, boeken, visitekaartjes, map met aantekeningen, laptop, navigatiesysteem… en uiteraard moet ik nog een keer terug. Drie trappen op, bepakt met tas, koffer en sporttas, breekt het zweet me uit. Ik had al ruimschoots op de A1 willen rijden, de eerste file voor willen zijn en tijd hebben gehad om een koffie te halen bij het tankstation. Helaas. Ik ben de oplader voor het navigatiesysteem vergeten. Vertrouwen op mijn richtinggevoel heb ik al eens eerder geprobeerd en dat werkte niet. Twee files, uitgebreide wegwerkzaamheden, een plaspauze en drie uur later rij ik Mechelen binnen. Ik kijk op mijn horloge. Elf uur. Mijn afspraak was om half elf. Ik ben te laat. Ik vervloek mezelf, schaam me alvast kapot en neem me heilig voor, zoals elke keer, om de volgende keer een uur eerder te vertrekken. Ook in het centrum van Mechelen vinden wegwerkzaamheden plaats. Het navigatiesysteem kan hiermee niet uit de voeten en dirigeert me dwars door het natte asfalt heen. Ruim een uur te laat ren ik de uitgeverij binnen. Eerst een kort bezoekje aan het toilet, om wat poeder op mijn zweterige voorhoofd te kwasten en mezelf een deo-douche te geven. Ik pluk mijn rokje recht en loop op de uitgever en mijn collega’s af, die klaar zitten voor het overleg. En dit is het moment waarop het verschil tussen samenwerken met Nederlanders en samenwerken met Vlamingen duidelijk wordt. Alle collega’s en de uitgever staan op, geven me een hand en een dikke, vriendschappelijke zoen. De een haalt koffie: ‘U had met melk, toch?’ De uitgever schuift een van zijn kastjes open en haalt er verschillende pakken koekjes uit. Met chocolade, met nootjes, ‘natuur’ en met caramel. Terwijl hij op zijn buik klopt zegt hij: ‘Eet u ze alstublieft op, ik mag deze koeken niet meer van mijn vrouw.’ Daarna pakt hij uit zijn bureaulade een pak gezonde koeken voor zichzelf en lacht. ‘Ik mag alleen nog maar deze.’ ‘Ik weet dat ik te laat ben,’ begin ik het overleg. ‘Normaal ben ik fashionably late, maar een uur te laat is niet fashionable, dat is asociaal.’ Mijn Belgische collega’s schudden hun hoofd, merken op blij te zijn dat ik er ben, vragen hoe mijn reis verlopen is, spreken hun waardering uit dat ik de moeite genomen heb ‘helemaal uit Holland’ te komen om erbij te zijn, informeren naar mijn zoontje en gaan over tot de orde van de dag. De knoop in mijn buik verdwijnt als sneeuw voor de zon. Tegen lunchtijd krijg ik de keuze: broodjes bestellen of buiten de deur een hapje doen. Ik kies ervoor op de uitgeverij te eten. Het was al mijn schuld dat we later begonnen zijn. Als we dan ook nog naar het centrum moeten rijden en we aan het eind van de middag niet klaar zijn dan is mijn schuldgevoel compleet. Er wordt de tijd genomen. We kletsen uitgebreid bij onder het genot van pistoletjes met hesp en chocoladecroissants. Een glaasje cava hoort erbij. Dan nog een. Na de lunch, die twee uur duurde, ronden we binnen een uur de laatste puntjes van de agenda af. Mijn collega’s lopen mee naar de auto, wensen we een goede terugreis, stoppen me hapjes en drankjes toe voor onderweg en geven me een knuffel. Nog voor de spits rijd ik naar huis. Welnu, dezelfde situatie, andere locatie. Ochtendritueel: identiek. Een file, een plaspauze en twee uur later rijd ik een voorstadje van Den Bosch binnen. Ik kijk op mijn horloge. Kwart over een. Mijn afspraak was om een uur. Ik ben een kwartier te laat. Ik vervloek mezelf, schaam me alvast kapot en neem me heilig voor, zoals elke keer, om de volgende keer een uur eerder te vertrekken. Mijn navigatiesysteem heeft moeite met het vinden van het adres. Op mijn richtinggevoel hoef ik niet te vertrouwen. Alle gebouwen op het industrieterrein lijken op elkaar. Het regent snoeihard. Amper twintig minuten te laat ren ik de uitgeverij binnen. Een kort bezoekje aan het toilet zit er niet in. De uitgever kijkt op zijn horloge en gaat verder met de zin die hij door mijn binnenkomst afbreken moest. Ik pluk mijn rokje recht en loop naar een lege plek aan de vergadertafel. Mijn collega’s zijn al begonnen en maken druk aantekeningen. Ik snak naar een kop koffie. Of een glaasje water, op zijn minst. Ik heb nog een kauwgompje in mijn mond. Waar laat ik die zo gauw? Straks moet ik reageren op punt drie van de agenda en zit ik hier als een herkauwende koe. Ik voel me al ongemakkelijk genoeg. Onopvallend probeer ik mijn tas op mijn schoot te trekken, op zoek naar een zakdoekje of papiertje om stiekem mijn kauwgompje in te stoppen. Juist als ik een geschikt papiertje voel, helemaal onderin, kijkt de collega recht tegenover me geïrriteerd aan. Ik vermoed dat ze probeert duidelijk te maken: ‘Ssst! Ik kan niet horen wat meneer de uitgever voor belangrijks te zeggen heeft. Door jou.’ Zal ik het kauwgompje anders doorslikken? Zal ik het doen? Ik voel een lichte tinteling in mijn buik. Nee, dat durf ik niet. Ik heb weleens gehoord dat dat heel slecht is. Dat iemand een blinde darmontsteking kreeg na het doorslikken van kauwgom. Ik weet me geen raad met de kauwgom en veel tijd om er over na te denken heb ik niet meer. ‘Juliëtte, wat vind jij daarvan?’ De uitgever kijkt me indringend aan over zijn leesbril heen. Ook de ogen van mijn collega’s zijn op mij gericht. Ik heb geen idee waar het over gaat, ik was immers druk bezig met oplossingen bedenken voor mijn kauwgompje en met me voor lul voelen staan omdat ik te laat was. ‘Juliëtte?’ Hup. Van schrik slik ik mijn kauwgom door. ‘Sorry, wat was precies de vraag?’ Een herhaling krijg ik niet. De vraag wordt doorgespeeld naar de dame rechts van me. Het braafste kind van de klas. Nederlanders zijn er heel goed in afspraken te plannen voor of na etenstijden. Ik weet niet of dat uit krenterigheid is of dat het uit de tijd stamt dat men geacht werd ‘tussen de middag thuis warm te eten’, maar het is in ieder geval erg praktisch. Vooral voor de organisator van de afspraak. Het enige wat hij of zij hoeft te regelen is een kleine koffiepauze. Dat er een of geen koekje bij de koffie geserveerd komt, behoeft geen enkele uitleg. Aangezien ik al te laat was en de vergadering door mij dus later gestart is – ze hadden tien minuten gewacht, toen was ik er nóg niet, dus waren ze maar vast begonnen – wordt de koffiepauze overgeslagen. In plaats daarvan wordt de secretaresse gevraagd koffie te brengen. Ik krijg een Haags bakje. Op mijn schoteltje ligt geen cupje melk. Om melk vragen durf ik niet. Honger maakt rauwe bonen zoet. Ik drink de lauwe koffie in een paar slokken op. We sluiten het werkoverleg ruim na zessen. Ik geloof niet dat dat kwam door tien minuten later beginnen, wel door de continue ruimte voor discussie en het uiten van meningen. Met knorrende maag, uitgedroogde keel en bonkende koppijn sluit ik achteraan in de file. Ik bel naar het thuisfront dat ik laat ben. Mijn huisgenoot zet alvast een groot glas wijn klaar.

Juliëtte Rosenkamp
19 0