Lezen

De ultieme eenzaamheid van toen

                                                                         De zomermaanden zijn héél vaak mijn klusjesmaanden en toen ik onlangs rommelde in mijn garage wist ik meteen dat goedkoop meestal dure koop is. Ik verschoof mijn boekenkasten enkele centimeters, de pootjes braken af en alles donderde met een geraas rakelings langs me heen. Wat ik aanschouwde was een puinhoop van zorgvuldig bewaarde schriften, boeken en documenten die ik in een kwart eeuw bijeen gehamsterd had, overgoten met mijn hedendaagse kop koffie die onder de druk van een gebroken plank sneuvelde: een lekker glibberige troep.   Het optimisme om de boel op ter ruimen en niet te beginnen huilen haalde na enkele verbijsterende minuten gelukkig de bovenhand en bij de vondst van onderstaande tekst in een oud dagboek, ging ik relax op een hoopje rommel zitten lezen. Een warme glimlach verscheen op mijn vermoeide snoet, want deze vondst was zowel verrassend als uitermate waardevol. Het is in feite een intieme, hoogst persoonlijke tekst, niet eens geschikt en absoluut niet geschreven om gelezen te worden door andere ogen dan de mijne. Maar wat twintig jaar geleden zo pijnlijk gold, is nu geen realiteit meer, hoewel het thema meer dan ooit doorweegt bij velen onder ons. Ik laat jullie dus even mee kijken in de wereld van de jonge dertiger die ik toen was, met al mijn verlangens en mijn dromen.   Geschreven op twee december 1994 Soms vraag ik me wel eens af : zal ik ooit vervuld worden door het volle gevoel van de niet-eenzaamheid? Zijn wij gedoemd om levenslang te dwalen? Alleen geboren, alleen onderweg en alleen sterven. Wat doet ons zo hunkeren naar dat warme gevoel van samenzijn, verbondenheid, herkenning, begrip? Een gevoel dat we af en toe eens mogen proeven, als een drug die je euforisch maakt. Is het een illusie of een realiteit die ik nog mag ontdekken? Ik weet het niet. Als ik rond me zie, dan merk ik op dat zovelen niet alleen zijn. Ze hebben een partner die voor hen kiest, ze hebben een gezin, ze denken zich onmisbaar op hun werk, en toch…. Terwijl ik dit hier neerpen wéét ik eigenlijk dat dàt allemaal illusies zijn. Fantasieën opgebouwd om dat schrijnend gevoel van eenzaamheid, dat ik dagelijks onderga, niet te moeten erkennen. Sommigen denken dat ze het perfect kunnen scheiden -lichaam en geest bedoel ik-. Ik heb dat ook geprobeerd, want het is een eenvoudige weg om te gaan, maar voor mij was het als Russische Roulette spelen en ik kreeg de kogel meermaals recht in mijn ziel geschoten. Je kan jezelf niet dwingen in vakjes te leven. Elke aanraking vloeit automatisch over in een geestelijke ervaring, een verrijking, soms een genot, en dan vooral –als het een genot is- ga je dromen en verder hopen met je mooie idealen. En in die eenzaamheid, die me als een cocon omsluit, stoot ik steeds meer mensen af, teleurgesteld door hun gedragscode die niet met de mijne strookt. Ik voel dat, als ik niet vlug een wending stuur in dit gedrag, ik een kluizenaar word in dit mooie bos van me, met als enig duldbaar gezelschap mijn hond, mijn kat en mijn voedsel. Schrijven is voor me, hoe individueel ook, een ultieme communicatie met mezelf en vooral ook met de wereld. Het opent kanalen en laat de Liefde stromen. Schrijven bevrijdt me van de negatieve gedachten en doet de pijn wegvloeien. Ik verlang naar een wisselwerking zo sterk, dat die niet voorbij is als je uitademt. Bang dwaal ik rond in een chaos van totaal afgeschermd op zoek te gaan naar een vertrouwensband in een wereld waar ik niemand echt vertrouw. Hij zal me niet herkennen, mijn prins, in mijn harnas van vetlagen en mijn blik als een dode vogel : dof en onverschillig.   Twintig jaar later lees ik deze tekst opnieuw met medelijden in m’n hart voor die eenzame jonge vrouw van toen en ik zucht diep. Een gevoel van opluchting overspoelt me en ik voel me intens gelukkig en bevrijd, want ik wéét dat ik dat vervullend, rijk gevoel van niet-eenzaam-zijn gevonden heb. Niet in de vorm van een droomprins of één of ander rimpelloos bestaan, maar eenvoudigweg door het leven zelf dat me steeds weer terugwerpt in mijn eigen krachtveld. De MS-diagnose, en alles wat dat met zich meebracht, heeft me gedwongen telkens opnieuw de moed te vinden om terug op te staan en te zorgen voor mezelf. De vervulling van mooie wisselwerkingen fixeer ik al lang niet meer op één persoon maar zoek ik in en rondom mij, en vaak zijn de meest troostende componenten niet eens echt tastbaar noch menselijk. Het hartverwarmende onthaal van je viervoeter bij je thuiskomst, een twinkelende glimlach van een voorbijganger, de ontroerende schoonheid van de natuur,… het zijn maar enkele voorbeelden van de vele, vele mooie dingen die je kunnen vervullen met dat verrijkende volle gevoel van pure warmte en geluk. De eenzaamheid wordt dan ver weg geband, zoals de duisternis verdwijnt bij het verschijnen van een helder licht. Menselijke wezens kunnen zeer zeker je wereld verrijken, maar er is nog een véél grotere rijkdom héél dichtbij je: ontsteek het licht in jezelf en strààl .  

Bosfee
0 0

De begraven trofee

In zijn burcht aan de rivier liep de graaf druk gebarend door de grote zaal, met in zijn kielzog een minder fraai geklede man. ‘En dit is de mooiste trofee aan mijn muur. Prachtig, niet? De laatste eenhoorn. Afgemaakt met een schot in het hart. Gevaarlijke beesten, hoor! Ik hield me op in het struikgewas, en besloop het rustig, maar plots, alsof het een kwelgeest had gezien, stevende het op me af. Maar zoals u ziet, heb ik gelukkig de nodige ervaring om een dergelijk gevaar met efficiëntie af te handelen.’ De graaf likte zijn lippen. De man aan wie deze jachttrofee getoond werd, zei: ‘Meneer de graaf is een ervaren schutter, en het ontgaat me dan ook waarom hij de hulp inroept van een jager als ik?’ ‘Heer jager, een man van mijn statuut kent vele verzoeken. Ik vraag u niet een dier te schieten, maar eerder doe ik beroep op uw diensten van… hoe u dat ook noemt, magiebehoud?’ ‘Bedoelt u dat we de magische krachten van een natuurgebied onderhouden?’ ‘Exact! Er is maar één bos in mijn graafschap waar de zeer zeldzame en waardevolle Pixivium Magillus -of in de volksmond Levensbes- kan groeien. Die bes is u welbekend neem ik aan?’ ‘De Levensbes.’ prevelde de jager vol ontzag, ‘Die ken ik enkel uit een kindervers: Eet Levensbes bij volle mane, dat uw leven trager tane. Lijck de mannekes van bos en aarde, met dyzend jare lange baarde. Maar opgepast, zijt hen geen last, of…’ De graaf onderbrak hem. ‘Een kindervers, maar naburige baronnen en hertogen zijn in een wedloop om de bes in grote getale te kweken, want allen willen zij net als ik, hun leven verlengen. Maar de geschikte grond is schaars, en zoals zowel de naam van de bes als het vers ons vertelt, wordt die grond meestal bewoond door wezens die sommigen kabouters noemen maar eigenlijk regelrechte kwelgeesten zijn. Er wordt gezegd dat zij hun toverkracht geven aan de grond zodat de Levensbes kan groeien, maar tegelijkertijd bouwen zij die vruchtbare grond vol en is er geen ruimte meer voor bessenstruiken… dus… Heer jager, ik wil de zeldzame Levensbes laten bloeien in onze streek en verzoek daarom dat u het bos van Kyrie ontruimt van kwelgeesten.’ De jager sperde zijn ogen in ongeloof. ‘Meneer de graaf, het bos van Kyrie bevat de oudst gekende nederzettingen van het kaboutervolk. Zonder dat bos…’ ‘Uw bezwaren zijn eervol, maar acht u het welzijn van uw familie niet even belangrijk? Het hele bos vol bessen, meer dan een graaf kan wensen. Ik zou delen met de mensen die me hielpen, heer jager.’ ‘Maar de magie in de grond… zal de magie niet verdwijnen zonder kabouters?’ ‘Als dat het geval is vinden we dan wel weer een oplossing. Wat we weten van de kwelgeesten die u kabouters noemt, is dat één, ze toverkracht bezitten, en twee, ze zich onzichtbaar kunnen maken voor mensen, en dan vooral voor mensen die met minder goede bedoelingen hun grond betreden. Daarom dat ik een man met een goed hart vraag de klus te klaren.’ De graaf nam de jager mee naar een andere kamer, en toen ze voorbij een grote lege muur liepen zei hij: ‘Aan die muur wil ik zo snel mogelijk een grimbeer hebben hangen.’ Hij grinnikte. ‘Toen ik diezelfde zin zei tegen de gravin dacht ze dat ik een schilderij wilde kopen.’ De graaf haalde uit een verborgen kast een loden kist, en toen hij die opendeed werd de hele kamer gehuld in een gouden sprankelgloed. ‘Dit, heer jager, is waar het om gaat, de zaden van de Levensbes.’ De jager mocht de kist even in zijn handen nemen en werd bevangen door de magische gloed. De graaf nam de kist meteen terug en klapte het deksel dicht. ‘Wat… wilt u dan doen, meneer de graaf?’ De graaf stapte naar een raam en keek naar de rivier die langs de burcht liep. ‘Mijn vriend de baron van Westland kwam tot een akkoord met de kwelgeesten van zijn land. De bessen zouden over de nederzettingen groeien en zouden ook verzorgd en geplukt worden door de plaatselijke kwelgeesten… maar de eerste volle maan brak aan, en de baron wilde zijn oogst, maar de kwelgeesten hielden alles voor zich en werden sterker en sterker met het eten van de bessen. Het kostte de baron uiteindelijk het leven van honderden ridders en soldaten voordat hij uiteindelijk het hele bos liet platbranden en omwoelen. Maar dat omwoelen kost tijd, en rendement.’ De jager schuifelde ongemakkelijk. ‘Meneer de graaf, als u me het toelaat te zeggen, mijn vrouw kent, net als vele andere dorpelingen, kabouters uit dat bos. Ze helpen ons, en doen ons nooit kwaad.’ ‘En met een bos vol Levensbessen in dit graafschap zullen de dorpelingen langer leven, nooit meer honger lijden en gelukkiger zijn. En bent u ooit al een kwelgeest tegengekomen die niets vroeg in ruil voor zijn dienst? Wel, de Levensbes groeit en blijft groeien, het hele jaar lang, in dienst van de mens.’ De jager dacht aan de kinderen die hij had zien teloorgaan aan de honger, en aan zijn zwangere vrouw, en met pijn in het hart, bood hij zijn diensten aan. Hij zou eerst vallen moeten zetten, om de vluchtende kwelgeesten te grijpen. Ze moesten allemaal dood, want het waren beesten die altijd weer hun weg naar hun eerste huis terug zochten, ook al werden ze aan de andere kant van de wereld gezet. Dan het bos in gaan, en de truffelzwijnen loslaten op de paddestoelenpest, want voor zwijnen waren de kwelgeesten niet onzichtbaar. En alles wat zichtbaar uit de huisjes kwam: afschieten, maar niet in het hoofd, want de pinnemutsen moest de jager bijhouden. Trofee en speelgoed voor de dochter van de graaf. Zwaar beladen met een gruwelijke opdracht ging de jager naar huis. En zijn gemoed woog zo door dat geen enkele rimpel in zijn gezicht nog kon lachen. Met verstomde blik kwam hij het huis binnen. Meteen vroeg zijn vrouw hem wat er mis was, en wenend biechtte hij alles op. En ze smeekte hem, om de opdracht niet uit te voeren. ‘Mannetje,’ zei ze met zijn koosnaam, ‘schiet niet op alles wat beweegt. Wat hebben die kabouters jou kwaad gedaan?’ ‘Als zij weg zijn, zullen wij en onze kinderen gezond zijn.’ ‘Er gaat niets veranderen, mannetje, doe de graaf een plezier en hij vraagt er geld voor. Ziekte en dood kunnen niet worden overwonnen met een magische bes. Ellende en wreedheid komen dra in de plaats.’ De dag daarop ging de vrouw naar het bos van Kyrie om de kabouters te waarschuwen zodat zij een verdediging konden bouwen. Zij bedankten haar vurig en gingen meteen aan het werk. Een week later werd de jager terug ontboden bij de graaf. Hij werd ontvangen in dezelfde zaal waar hij de eerste keer werd onthaald, en werd meteen geleid naar de nieuwste aanwinst van de graaf: het hoofd van een zeldzaam dier dat nu een muur als lichaam had. ‘Vertel me, jager, is het bos ontdaan van de paddestoelenpest?’ ‘Geen stip meer te bekennen, meneer de graaf,’ zei de jager zenuwachtig. De graaf kwam wat dichter tegen de jager staan en onderzocht diens gezicht. ‘Er is iets met jou, jager, ik weet niet juist wat, maar soms denk ik dat ik je niet kan vertrouwen.’ Plots draaide de graaf zich om en riep met een bulderende stem: ‘Zadel mijn paard!’ En wendde zich dan tot de jager: ‘Ik ga het bos controleren, en jij komt mee.’ De graaf en de jager kwamen aan het bos van Kyrie, en gingen te voet verder door de dichte begroeiing. Na een tijdje merkte de graaf tevreden op dat er nog geen zicht was van kwelgeesten of hun nederzettingen. Ze waren nu diep in het bos toen plots de jager wees naar een grote bruine gestalte in de verte. ‘Meneer de graaf, ginds, een grimbeer!’ De graaf zei opgewonden maar ingehouden stil: ‘Is het er een? Die heb ik nog nooit geschoten! En ik die dacht dat mijn vriend de baron de laatste had! Wees stil, jager. We sluipen dichterbij, want hij staat nog zo ver dat ik hem niet goed zie.’ De beide mannen kropen voorzichtig door het struikgewas en beslopen de grimbeer. En terwijl de graaf zijn zinnen zette op het hoofd van een nieuwe prooi, beslopen wel duizenden kwelgeesten gevoelloos zijn lijf. De graaf siste nog, ‘Ik zie hem niet meer, ben je zeker dat het geen boom is?’ Maar zijn graat van rug tot nek krioelde al van de naderende dood en duizenden prikken later, lag de graaf met open ogen stil op zijn buik in het bos van Kyrie, en daar zou de grond hem ook verteren. Met hoofd en al, want de trofeeën van een kwelgeest hangen niet pronkend aan een muur. Zij rotten in de grond en vergaan in het niets.                

Han Hartmoed
0 0

Sinds Birte

Sinds Birte gestorven is, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat er iets niet klopt. Erger nog, dat er iets helemaal verkeerd is. Natuurlijk is het verkeerd dat Birte er niet meer is. Het duurt altijd een paar tellen eer dat besef tot mij doordringt. Maar het is nog iets anders. De dag begint op een manier waarop hij niet zou moeten beginnen. Ik word wakker in een smal bed in een ruime kamer. Iemand trekt de gordijnen open en zegt goeiemorgen. Op het veel te kleine schrijftafeltje staat een blad met een saai ontbijt: een kop lauwe koffie, drie sneetjes witbrood, een kuipje aardbeienconfituur en een rechthoekje boter.             Daar begint het al. De koffie zou heet en sterk moeten zijn en vooral, door mij gezet. In de keuken. Waarom heb ik geen keuken meer?                         Na het ontbijt komt een meisje vragen of ik hulp nodig heb bij het wassen en aankleden. Ik schud mijn hoofd. Ze trekt de deur meteen weer dicht. Ze kent het antwoord, maar ze moet het vragen. Ik ben nog altijd in staat om een broek en een hemd aan te trekken, en mijn kleren zou ik liever zelf wassen. Ik zou niet zo’n rare plooi in mijn broek strijken, ik zou de kraag van mijn hemd wat rechter zetten. En ook geen vouwen in de mouwen alstublieft.               ‘Niet moeilijk doen, liefste,’ zou Birte zeggen. ‘We hebben hier alles wat we nodig hebben.’ En dat was ook zo. Zolang Birte zorg en vooral veel aandacht nodig had, was het handig om niet te moeten koken, poetsen, strijken. Lezen of naar de tv kijken ging ook niet, maar dat vond ik niet erg. Dat zou later wel weer komen. Want er zou een later komen, zonder haar en zonder de kabbelende gesprekjes tussen ons.             Die mis ik nog het meest. Birte was graag aan het woord. Over de ergernis die ik daarbij soms voelde, heb ik nu spijt. Maar spijt en woede –woede, omdat ze weg is- daar koop ik niets mee. Dus leg ik spijt en woede opzij en probeer ik de dag door te komen. Meer lukt me voorlopig niet. Al moet er iets gebeuren. Morgen misschien, of volgende week.             Om tien uur liggen de kranten in het salon. Er eentje van de tafel grissen en meenemen naar je kamer wordt niet op prijs gesteld. Nee, het is de bedoeling dat we samen de koppen doornemen, om aan te tonen dat we nog bij ons verstand zijn. We zijn met niet velen die dat nog kunnen. De animatrice test elke dag onze kennis van aardrijkskunde, geschiedenis en politiek. Het is een knap meisje. Ze heeft kort zwart haar, wat langer in haar nek, en ze heeft een blinkend steentje in haar neusvleugel. Ik kan het niet laten om haar na te kijken als ze door de gang loopt. Ze heeft brede schouders –zou ze zwemmen?- en een jongensachtige tred. Ik denk dat ze is zoals wij, maar ik durf het haar niet te vragen. Zou ze het weten van mij? Ze kan er toch moeilijk naast kijken? Maar ze heeft geen oog voor mij. Ze spreekt me beleefd aan met mevrouw zoals ze dat hier met iedereen doen. Mevrouw, mijnheer. Als er nieuw personeel is, want het wisselt nogal, is er al eens eentje bij die zich vergist en mij met mijnheer aanspreekt. Ik verbeter ze niet, ik ben het gewoon. Na een dag of twee zien ze hun vergissing in.               Mevrouw Simons is ook weer bij het krantenuurtje. Haar man heeft ze in hun kamer gelaten. Ze luistert gespannen naar de vragen, de ogen half gesloten, de handpalmen op de tafel, en ze probeert als eerste te antwoorden. Uitsloofster. Als het krantenuurtje voorbij is, mogen we de krant van vandaag in het salon lezen. Die van gisteren mogen we mee naar de kamer nemen. Met oud nieuws onder de arm slof ik naar mijn hol. Ik moet het samenzijn in een ruimte met anderen doseren. Langer dan een uur kan ik nog niet aan.               In het restaurant blijkt mevrouw Bernards mijn plaats te hebben ingenomen. Ik overweeg om haar rolstoel achteruit te trekken, een stoel bij te schuiven en te gaan zitten, maar uit goed fatsoen blijf ik staan bij de tafel waar ik tot voor kort nog met Birte zat. De zaalverantwoordelijke neemt me bij de arm en leidt me een paar tafels verder.             ‘We dachten dat u hier beter zou zitten,’ zegt ze. Ze schuift een stoel achteruit en nodigt me uit om te gaan zitten. Bij Simons en haar man, en nog een kale man die ik wel al gezien heb, maar verder niet ken. De mannen zitten in een rolstoel en alsof ze behalve hun benen ook hun handen niet kunnen gebruiken, begint Simons water in hun glazen te gieten. Ik leg mijn hand op mijn glas en zeg bijna onhoorbaar ‘Nee, dank u’.             ‘Drinkt u wijn?’ vraagt Simons, ’Gezellig, dan ben ik niet alleen.’               Er komt een karafje met een halve liter rosé op tafel. Ik giet haar glas voor driekwart vol, dan het mijne en ik zet het karafje langs mijn kant. Zo zal ik het vanavond en morgen ook doen. De nieuwe situatie meteen goed beheren. Ik hoor het klaterende lachje van Birte.                    ‘Zo ken ik je weer’, zou ze zeggen. Dat er zowel bij de lunch als bij het diner wijn bij het eten werd geserveerd was het doorslaggevend argument om voor dit etablissement te kiezen. Ik vond het anders wel erg duur, maar Birte vond dat we onszelf niets tekort mochten doen. Voor haar lagen de zaken anders dan voor mij, daar stonden we toen niet bij stil.               Mijnheer Simons kijkt verongelijkt naar de karaf wijn.             ‘Hij heeft suikerziekte,’ verduidelijkt mevrouw. ‘Nee, man’, zegt ze, ‘het mag niet van de dokter.’             ‘Man’, zegt ze tegen hem. Heeft hij geen naam? Zij heet Emma, ben ik intussen te weten gekomen. Als hij tegen haar praat is het Emma voor en Emma na. Behalve suikerziekte heeft hij een rothumeur en een aanleg tot zeuren. De man naast hem kijkt in zijn bord en in zijn glas water en doet of hij er geen last van heeft. Ik volg zijn voorbeeld en doe of ik niet zie hoe Emma Simons naar mij kijkt en hoopt op een aangenaam tafelgesprek.             Na het dessert maak ik dat ik wegkom, dankbaar dat ik niet in een rolstoel zit en moet wachten op iemand die mij naar mijn kamer brengt.               Mijn siësta bestaat uit drie kwartier naar het plafond kijken en me afvragen of ik naar het salon zal gaan of in mijn kamer blijven. Het wordt in de kamer blijven. Ik heb geen zin in mandala’s kleuren. Als er op de deur geklopt wordt, ben ik er zeker van dat het Emma Simons is. Het personeel klopt niet. Ze komen gewoon binnen, of ik in mijn onderbroek sta of niet, ze zien niet eens het verschil.               ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze.             ‘Nee’, zeg ik en ik probeer de deur weer dicht te duwen. Maar ze heeft al een voet binnen en kijkt nieuwsgierig de kamer in.             ‘Mag ik Cécile zeggen? Ik ben Emma.’             ‘Het is Sil’, zeg ik, norser dan bedoeld.             ‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze dan. Ik doe een stap achteruit.               Ze komt binnen en blijft bij de schrijftafel staan. Ze kijkt een paar seconden naar de foto van Birte alsof ze bij een graf staat. Ze is een vrouw van de wereld, er is iets sjieks aan haar en voor het eerst voel ik wat van mijn afkeer wegzakken. Ik heb geen afkeer van haar, maar van iedereen die hier nog levend rondloopt, bedenk ik plots. Ik voel een snik opkomen, maar ik verman me. Ik wijs haar een stoel en ga zelf in de fauteuil zitten. Ik strijk over mijn knieën en probeer de vouw in mijn broek wat minder scherp te krijgen.               Als ik opkijk, zie ik haar vriendelijke gezicht. Vriendelijk, ik moet het toegeven. En mooi. Haar zilvergrijze haar is recht afgeknipt op kinhoogte. Ze heeft wat lipstick op, maar verder is ze niet opgemaakt.             Ze vraagt hoe het nu met mij is. Ik haal mijn schouders op.             ‘Waren jullie ... was zij je vriendin? Ik bedoel ...’             Ik voel mijn stekeligheid weer opkomen. Heeft ze dan geen ogen in haar kop? Ik toon haar mijn ring.             ‘We waren getrouwd,’ zeg ik.             Ze knikt en kijkt dan rond in de kamer op zoek naar een nieuwe vraag. Dan staat ze op.             ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze weer. Ik schud mijn hoofd.             ‘Ik kan je niet in mijn kamer uitnodigen’, zegt ze dan, ‘mijn man ...’             ‘Ik begrijp het,’ zeg ik en ik denk: gelukkig maar.               Sinds Emma in mijn kamer is geweest doe ik aan tafel iets meer moeite om hoffelijk te zijn. Tegen Emma tenminste. De mannen negeer ik. Ook tijdens het krantenuurtje doe ik mijn best. Het krantenmeisje is zichtbaar opgetogen met mijn toegenomen ijver. Ze snijdt spannende onderwerpen aan en vraagt op een dag in welke landen het homohuwelijk is toegestaan. Emma kan ze bijna allemaal opnoemen. Het krantenmeisje kijkt in mijn richting en knipoogt. Ik krijg het warm en ik zet een extra knoopje van mijn hemd open. Bloost ze? Of beeld ik me dat in?               Tijdens de siësta vertel ik Birte over Chris, het krantenmeisje.             ‘Je bent nu vrij,’ zegt Birte, ‘Maar is ze niet wat jong voor jou?’             Natuurlijk, veel te jong, hoe dwaas van mij.               Emma Simons staat weer aan de deur. Ze vraagt of ze binnen mag komen. En of ik zin heb om met haar een dagje naar zee te gaan.             ‘Naar zee? Hoe dan? Met de trein? Met begeleiding?’             ‘Maar neen, Silly, we gaan toch gewoon met de auto?’             Ik kijk verbaasd daar de sleutel in haar uitgestoken handpalm.             ‘Hij staat hier op de parking,’ zegt ze, ‘voor als we op stap willen gaan. Maar met die rolstoel is het zo’n gedoe.’                 Het lijkt lang geleden dat ik nog in een auto zat en nog langer geleden dat ik zelf aan het stuur was. Birte en ik namen de laatste jaren het openbaar vervoer. Emma merkt dat ik me aan de stoel vasthoud en dat ik mee rem.             ‘Ik kan het nog, hoor’, zegt ze, ‘maar als je wil, mag jij straks rijden.’               Op een rustige weg in de polders wisselen we van plaats. Het is even wennen, maar dan is het als fietsen. Ik leg mijn elleboog door het open raam en stuur losjes met een hand. Emma laat zich ontspannen achteruit zakken in de passagiersstoel. Ze stift haar lippen wat bij en zet een zonnebril op. Ik concentreer me op de weg.               Aan de kust is het rustig. Op de dijk niets dan oude mensen.             ‘Wij zijn ook oud,’ zegt Emma, ‘maar hier, hier kan je nog wandelen.’ Ze steekt haar arm door de mijne.             We eten zeetong en drinken er een glas chablis bij. Daarna een ijsje op een bank. Even met de blote voeten in het zand. Voor we weer in de auto stappen, wijst Emma naar de appartementen op de dijk.             ‘Er staat hier veel te koop,’ zegt ze.   ***               Mijnheer Simons heeft een andere tafel geëist en gekregen. Hij zegt dat ik niet normaal ben en dat ik een slechte invloed heb op zijn vrouw. Ze zitten nu bij het raam met een ander echtpaar. Ik zie Emma haar best doen om een gesprek op gang te krijgen, maar noch de man, noch de vrouw zijn gewillig. Mijnheer Simons houdt zijn mes rechtop in zijn vuist, alsof hij wil laten zien wie de baas is.               Aan mijn tafel werden de Simonsen vervangen door de laatste twee alleenstaande mannen die er nog zijn. Blijkbaar denken ze dat ik een gevaar voor het vrouwvolk ben. Ik heb gevraagd of ik in mijn kamer mag eten, maar dat mag alleen als je ziek bent.   ***               Emma komt mij bezoeken met een tros druiven en een paar sinaasappels die ze van de dessertkar genomen heeft. Ze vraagt wat ik heb. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik schouderophalend, ‘ze vinden niets. De dokter zegt dat het op onze leeftijd niet ongewoon is om wat minder goede dagen te hebben. Ik moet een paar dagen rust nemen.’               ‘Rust!’ Ze lijkt ontdaan. Ik heb plots in de gaten dat ze ongerust is, dat we niet meer op stap kunnen gaan.             ‘Het gaat al beter, hoor,’ zeg ik vlug. ‘Over een paar dagen ben ik weer de oude. Of de jongere,’ grap ik.               ‘Ik hoop het,’ zegt ze , ‘want het is geen leven meer met hem. Ik was beter thuis gebleven. Ik ben nog veel te fit om hier te zijn.’ Tegen wie zegt ze het.               ‘Maar, als jij niet met hem meegekomen was, hadden we elkaar niet leren kennen.’ Ik schrik zelf een beetje van wat ik zeg. Meen ik dat?               Ze glimlacht als een meisje en staat recht. Ik stotter dat ze best nog wat mag blijven.               ‘Je moet rusten’, zegt ze plagerig.   ***               Mijnheer Simons is echt ziek. Zijn bloeddruk gaat onrustbarend de hoogte in, telkens als Emma en ik een uitstapje hebben gemaakt. Emma vindt dat hij uitstekend verzorgd wordt en dat zij daar niet altijd bij nodig is.             ‘Eigenlijk’ zegt ze, ‘kan ik niet veel voor hem doen. Hij is misschien wel beter af zonder mij.’             We gaan nog elke dag naar het krantenuurtje en daarna nemen we samen de immobiliën-bijlage door.   ***   Sinds Emma en ik aan zee wonen, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat ik droom. Het duurt een paar tellen eer ik besef dat het echt is, dat zij naast mij ligt, haar grijze haar uitgewaaierd op het witte kussen. Dan glip ik stilletjes uit bed. Ze doet of ze slaapt. Ik zie het aan haar mondhoek die ze in de plooi probeert te houden. Ik haal croissants en broodjes bij de bakker op de dijk en daarna zet ik sterke, hete koffie.   De foto van Birte heb ik in de keuken gezet. Ze kijkt goedkeurend toe terwijl ik een eitje kook. Ik knipoog naar haar. We praten niet meer zoveel met elkaar, maar het is goed zo.              

Christine Van den Hove
14 0

De Koenemansprong

‘Zo lag ik in mijn bed over hem te denken, en ik trachtte mij zijn intieme leven, zijn kamerbestaan, dat wij niet kenden, zijn zwerftochten, die wij niet meemaakten, voor ogen te stellen. En onderwijl was ik eigenlijk helemaal vergeten, dat hij dicht bij mij was.’ 'Twee proeven genomen op Jos van der Haerden' (F. Bordewijk) Zeker! Wij, mak tot bed veroordeelde fenomenen, ondergingen lijdzaam 't avondlijk Bezoek en het ermee gepaard gaande ritueel van de Sprong. Doch, waren we anders beter af geweest? Zonder de Sprong was er in dat duffe slaaphol van ons toch maar doorgeslapen als voorheen. Op 't moment dat deze dan had kunnen plaatsvinden, zouden we slechts voor de zoveelste keer der lopende dag snurkerig de lijven gewenteld hebben onder de dekens. Het moe zijn van het moe zijn. De lamme slaap van 't overdag, 't zonlicht geweerd door zware donkere gordijnen, overgaand in die van de avond en de nacht … Louter voor de vorm tiktakten de wekkertjes op onze nachtkastjes dol door, want onze levensdagen waren absoluut leeg. Er lag niks in 't verschiet. Niks stond er ons te wachten of gebeuren. We lagen in onze beddenbakken naast elkaar maar wat onfris achterover te liggen … Ja, een end weg te suffen lagen we, draaiend en kerend van de ene zij op de andere en weer terug en zo moesten we af en toe wel 'n paar tellen uitkijken op het lege, willoze, nietszeggende gelaat van de Ander. De slaap van de nacht diende slechts die van de dag te vervangen. Uitzichtloos. Doodlopend. Donker. En in die donkerte vonden vingers tevree hunne weg heen neuzen, navels, aarzen, oksels en zoetzuur – zweterige tenen – een non-stopfestijn van groezelig krabben, peuteren en pulken. Tussen de maaltijden van acht uur 's ochtends, twaalf uur 's middags en zes uur 's avonds was ons beider bestaan vacuüm getrokken. We hadden niks zinnigs te zeggen en er was niks, nog op de gehele aardbol niet, dat ons tot iets kon bewegen. Plat lagen wij, gewoonweg ongelooflijk geweldig weergaloos fenomenaal plat. Horizontaal geparkeerd. De vreugdeloos doods verstrijkende minuten aaneenrijgend tot uren, tot die uren dagen werden en die dagen weken en die weken maanden en die maanden jaren. Morbide klagerig, somber en sloom trad onze Bezoeker binnen. Met zijn deurhoge, magere lijf en z'n asgrauwe gelaat leek hij wel een vampier uit een film. Het “Goedenavond samen!” dat 'm roestig diep uit de keel scheurde, klonk bovendien alsof ergens moeizaam een zerk werd verschoven. Eerst werd ik benaderd; wellevend werd er over mijn bed heen gebogen en een hand gereikt die als een vreemd, zacht, warm weekdier in en uit de mijne gleed. Vervolgens, af van deze beleefdheidsplichtpleging, werd er naar de andere stee gezwalkt. Dat andere hoopje ellende scheen 'm namelijk nét iets meer te boeien – wat de reden ervoor ook ware. Echter, daar zo tegenaan stond hij er eerst wat ongemakkelijk gelijk een boom geplant … Het Moment van de Sprong naderde, daar mocht geen twijfel over bestaan. Doch hoeveel Sprongen er de voorafgaande dagen, avonden, wel niet uitgevoerd waren, de Sprong zelf scheen over de merkwaardige eigenschap te beschikken zich oneindig te kunnen hernieuwen. Telkens presenteerde deze zich als een uitdaging, een nakende duik in het duistere Onbekende; zolang ons Bezoek, ergens diep vanbinnen, de juiste stemming niet had weergevonden, zat hij vast. Gevangen in een beschamend naakte tijdsval, die hij trachtte te veraangenamen door met dat bedlegerig object te dialogeren. Zulks leidde tot een bizar kinderachtig rollenspelletje Bezoeker/Zieke, van a tot z door de Bezoekende Partij gedirigeerd – 'n klucht die zweemde naar leedvermaak. Maar al te gaarne, al te gretig, zag hij ons als uitzichtlozer gevallen dan zichzelf, tot in den treure te bed gevoederd. Die sfeer van ongeneeslijkheid beviel 'm, daar trok hij zich aan op, elke avond weer. Alles toch kits? Die twee feestneuzen lagen daar toch immer nog lam achterover gekieperd? En dat alles liep feitelijk aan de Sprong parallel; hij moest wel in onze kamer opdagen, om met het ene gegeven het andere in stand te houden. Wanneer hij tegen 't bed stilletjes over en weer begon te schommelen, bood de trance van de Sprong zich aan; 't hoofd verzonk, diep tussen de frêle schouderbladen, en aan weerszijden der gestalte begonnen twee ellenlange armen als vleugels traag op te klapperen. De logge vlerken ener intriest groot vogelbeest, misschien een ontheemde reiger of een verdwaalde gier … De Koeneman-Sprong! … De Koeneman-Sprong! … De Koeneman-Sprong! … De Koeneman- Sprong!, huilde de wind net voor het opstijgen, als een wederkerende wanhoopsdaad waaraan niet mocht verzaakt.

Davy Van der Auwera
68 1

Zonnige dagen

De jongeman, in de trein gezeten, kijkt naar buiten en ziet het landschap voorbijtrekken. Alles ziet er triest uit. Het is al stof wat de klok slaat. Niet zozeer is het zelf te zien, als wel het effect ervan op het daglicht, een donkere filter over alles. Daglicht dat niet meer stralend is, zonlicht dat niet meer verblindend is. Het schijnsel van de fletse, oranje cirkel, met roze vegen, kan de dingen op afstand enkel nog in hun globale vorm laten zien. Het is alsof iemand naar Ikea is geweest, een bolvormige papieren lampenkap heeft gekocht, waarna hij of zij deze heeft platgetrapt, met inbegrip van de lamp, uit wroeging dan wat pastelkleuren erop heeft aangebracht en het ding op het firmament geplakt. Die roze vegen, wie weet nog welke kleuren we zien met al dat stof, zijn de afkoelende gebieden, de nog enigszins pruttelende mega-oceanen. Ooit zal het stof zo aangewassen zijn dat overal pluisjes dwarrelen, een eindeloze regen van pollen. Tegen die tijd zal al het leven op deze planeet meer dan waarschijnlijk weggevaagd zijn. In deze tijd, op dit moment, is er ook maar weinig leven in het passerende landschap. O zo verlaten, alleen hier en daar een beest. Een beest dat de jongeman trouwens nooit zal consumeren omdat het telkens weer het stof in, maar niet uitademt. Na bepaalde tijd vormt zich een brij in de longen. Een stroperige pap die het hele lijf van het beest vervuilt én reageert met de andere giftige resten, die via bijvoorbeeld grazen in het lijf zijn gekomen. Een beest kan, zijn toxische limiet bereikt, onverwacht de lucht in vliegen. Vee krijgt een steekkaart mee die de vermoedelijk resterende tijd tot explosie vermeldt: zoveel procent vlees, zoveel procent hormonen, zoveel procent lichaamsvreemde stoffen, licht gevaar op ontploffen binnen... BOEF! BOEF! Eén voor één gaan de koeien de lucht in, het landschap nog leger achterlatend dan het al is. Ook planten, bloemen en bomen zijn vergiftigd. Fris groen bestaat allang niet meer, alles mat donkergroen en vaal grijs-blauw. Wie hiervan eet, proeft niets sappig, maar kauwt eindeloos op taaie, vettige dingen. Daaruit lopen giftige sappen met de gekende gevolgen. BAF! Dat schaap is er geweest. Voor mensen zal het eender zijn. Alleen zullen zij in staat zijn om kunstmatig eten te maken, wat zij uiteraard voor zichzelf houden. De dieren worden aan hun lot overgelaten. Langzaamaan sterven ze uit. PAF! BOEF! BOEF! De explosie van hun gemeenschappelijke pikker wordt twee ossen fataal. PLOF! Een vroege vogel, aan het wandelen met zijn ex-hond. Het was een aardig dier, helaas. Niet te veel tranen verspillen, een nieuwe steekkaart uitzoeken en deze keer met langere houdbaarheidsdatum. Zouden er met 'niet goed geld terug'-garantie bestaan? Het afval van de ontplofte beesten wordt niet opgeruimd. Het valt niet op in het gesluierd zicht. De jongeman kijkt rond in de coupé. Mensen zien er slecht uit, asgrauw, de ene al wat meer dan de andere, afhankelijk van het aantal geblakerde punten op de huid. Oneindig veel partikels stof die als ontelbare lenzen werken en de weinige resterende energie uit het licht bundelen in hun kleine maar gemene brandpuntjes. Iedereen doorloopt er zo onnoemelijk veel per dag. De jongeman bekijkt zijn blote onderarm. Ook hij heeft er al van. De mensen hun ogen hebben een troebele kleur. Er is geen helder wit, geen gedetailleerde pupil. De giftige stoffen hebben zich ook daar in ingevreten. Wenen is het druppelen van toxisch water. Opgepast voor de blote lichaamsdelen én kleren! Mensen moeten dagelijks druppels in hun ogen doen om te neutraliseren. De jongeman sluit de zijne, hij is moe. Moe zijn is een moderne ziekte. Altijd maar moe, moe, moe. Omdat altijd maar moet, moet, moet. Geen tijd meer om stil te staan bij de waarde van iets. Gewoon aanvangen en als het kan afwerken. Het resultaat? Als het zover is zien we wel of het het gewenste is. De jongeman kijkt weer even op. Hij ziet de andere passagiers praten. De bewegingen der monden zijn hetzelfde gebleven maar de luidheid klopt niet, alles klinkt gedempt, zoals een feest bij de buren. De hogere frequenties worden nog amper gehoord. Alweer dat stof? De jongeman werpt een blik op de blote benen van het meisje dat tegenover hem zit. Dan kijkt hij op naar haar gezicht. Zij draagt een bruine zonnebril. Net als hij, al is de zijne een groene. De jongeman maakt zich klaar om tegen het meisje te beginnen praten want ze ziet er cool uit, en daarom neemt hij ook zijn oordopjes uit.

johan saenen
0 0
Tip

Opening Night (fragment)

 Zowat twee uur geleden stond hij aan mijn deur. Petrus, de jongen die boven me woont. Hij is knap, hij is een cool kid, het soort jongen met wie je over straat wil lopen, omdat je weet dat iedereen hem zal nakijken. Hij heeft een vriendin, al even knap, al even cool kid. Ik heb haar slechts één keer gezien. Ze knikte koeltjes en keurde me af in één vingerknip. Dat zag ik aan de manier waarop ze naar me keek. Hoewel we in hetzelfde huis wonen, kennen Petrus en ik elkaar nauwelijks. Hij is de zogenaamde conciërge, maar dat alleen maar omdat zijn vader de eigenaar is. Petrus doet niets van wat je doorgaans van een conciërge verwacht. Ik bedoel maar: hij helpt je nooit rechtstreeks. Als je een of ander probleem hebt in het huis, dan spreek je Petrus aan of bel je hem. Die belt dan op zijn beurt zijn vader die dan weer iemand anders belt. Die belt dan nog iemand anders of komt het probleem zelf oplossen. Zo gaat het hier. Je moet geduld hebben, dat wel.   of ik een jurk had het liefst een zwarte ja en hoge hakken en make-up wat mascara en lippenstift je weet wel rood rode lippenstift en je haar doe iets met je haar nee ik leg het je zo meteen wel uit in de auto ik kom binnen tien minuten terug zorg ervoor dat je klaarstaat tegen dan   Hij reed snel, heel snel. Ik hield de handgreep van het portier vast en mijn voeten remden mee.   dat ze hem had laten zitten verdomme dat hij niet van plan was om alleen te gaan kutwijf de eerste keer dat hij exposeerde wat dacht ze wel bovendien hield ze hem van zijn werk af uit eten gaan met haar snobvriendjes en belachelijk dure cocktails drinken in duffe bars of debiele romcoms kijken met zijn tweeën op de bank dekentje erbij flesje rode wijn fuck wat dacht ze wel hij had wel iets beters te doen en wanneer hij niet schilderde wou hij op café gaan met zijn vrienden voetbal kijken bier drinken vrouwen versieren ja want ze was echt niet de enige dacht ze dat misschien hij wou zuipen godverdomme hij zou zuipen vanavond zou hij zuipen verdomme   En nu staat hij rustig aan de bar te wachten. Ik vraag me af of het hem al spijt dat hij mij meegenomen heeft. Hij moet wel erg wanhopig geweest zijn plots. Terwijl ik hem en zijn gedragingen bestudeer, bestudeert iemand anders mij. Een man die onophoudelijk omringd wordt door mensen. Hij draagt een zwart pak met een wit hemd zonder das. Ik draai krullen in mijn haar en hou mijn adem in, want mijn jurk voelt nog krapper dan daarnet. Hij blijft kijken, zelfs wanneer hij met iemand praat. Ik wil ergens anders gaan staan, maar de orders van Petrus waren strikt. ‘Blijf hier. Ga niet weg. We staan vlakbij een potentieel grote koper.’ Hij moet netwerken vanavond, heeft hij me verteld, en verkopen, dat vooral. Het is zijn eerste tentoonstelling. Groep, niet solo. Daarvoor is het nog te vroeg. Beneden is de receptie. Boven hangen de werken. En ik ben er om de gaten op te vullen. Hij stelt me al de hele avond voor als zijn assistente. De lul. Ik heb zijn werken nog nooit gezien.   Net wanneer ik de trap op wil, voel ik een stomp in mijn zij. Petrus duwt me een glas witte wijn in de hand. ‘Drink,’ zegt hij,’ en blijf.’ Ik breng het glas naar mijn lippen, maar spuw de wijn meteen weer uit. ‘Ugghhh, veel te zoet.’ Ik zet het glas neer op een receptietafeltje. Het valt om. De wijn vloeit over het hele tafelblad en drupt ten slotte van de rand af. Petrus vloekt. ‘Waarom heb ik je eigenlijk meegebracht?’ vraagt hij. De man in het pak kijkt nog steeds naar me. Hij knikt. Ik draai me om. ‘Je was radeloos,’ zeg ik, ‘en kwaad. Je was uit op wraak.’ ‘Ja, juist.’ Petrus lacht. Een beetje groen. ‘Is er ook bier?’ Ik wil naar de bar gaan, maar hij houdt me tegen. De man in het pak knikt weer. Lacht. Heft het glas. ‘Ik ga wel,’ zegt Petrus.   Veertig schat ik hem. Nu Petrus weer weg is, ziet hij zijn kans. Maar om tot bij mij te komen moet hij zich tussen de andere aanwezigen heen werken en dat duurt even. Bovendien willen nogal wat mensen hem gedag zeggen. Hij is hier dus iemand. Eén groepje krijgt hij niet meteen van zich afgeschud en dat maakt dat ik onopgemerkt naar boven kan. Op de overloop zie ik nog net hoe Petrus op weg is naar onze uitkijkpost, vier flesjes bier in de handen. Ik loop zijn expositieruimte in en sms hem. Hij is niet van plan om me te volgen. Kom terug, antwoordt hij. Nee, tik ik. Je moet, zegt hij, trut. Ik ga op de bank zitten die in het midden van de kamer staat en kijk om me heen. Het valt me moeilijk om de werken van Petrus te rijmen met wat ik weet over hem. Zijn werk is donker, duister, onheilspellend. En hij is zo licht, hij lijkt zo licht. Mijn handtas trilt. Bitch, kom terug. NU. Verdomme. En dan even later: Asjeblieft? Ik lach. Te luid, blijkbaar. Enkele toegewijde kunstminnaars die Petrus’ werk aan het bewonderen zijn, kijken me geërgerd aan. Mijn excuses. Terug op de overloop zie ik dat Petrus aan de bar hangt met de potentiële koper en met twee knappe meisjes. Het lijken exacte kopieën van zijn vriendin. Mooi zo. Dat hij daar zijn wraak haalt, nu heeft hij twee assistentes. Ik ga naar huis. Ik wil hier niet zijn. De man in het pak valt nergens meer te bekennen.   Net wanneer ik naar buiten wil, staat hij er ineens. ‘Ik ga met u mee.’ ‘O,’ zeg ik. Hij opent de deur voor me, maar ik stap niet naar buiten. Ik bedenk alles wat ik zeggen kan, maar er is niets dat in me opkomt. Ik knoop mijn jas dicht, dat geeft me wat tijd, maar beperk me uiteindelijk tot een twijfelde ‘ik’ en een lange stilte. ‘Of u blijft hier. Dat kan ook.’ Ik blijf staan in de deuropening. ‘Komt u terug naar binnen? Ik kan de deur toch niet blijven openhouden?’ zegt hij. Er zitten rimpeltjes rond zijn ogen. Hij is een stuk ouder dan ik hem geschat had. Hij zegt ‘u’. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die ‘u’ tegen me zegt. ‘Ik heb nog nooit iemand ontmoet die u tegen me zegt,’ zeg ik. ‘Ik heb nog nooit iemand ontmoet zoals u,’ zegt hij, ‘ik kan mijn ogen niet van u afhouden.’ De blonde krullen die op zijn voorhoofd vallen verstoppen een wijkende haargrens. Ik sta nog steeds in de deuropening. ‘Het zijn uw borsten, denk ik,’ zegt hij, ‘ik zie ze door de stof van uw jurkje heen. Ik wil ze voelen. Ik moet ze voelen.’ Ik kruis als vanzelf mijn armen voor mijn borsten. Hij lacht.   Dan hoor ik mijn naam, gevolgd door gevloek. Petrus is not amused. En behoorlijk dronken. Heeft de potentiële koper afgehaakt? Het lijkt er sterk op dat hij me zo meteen zal uitschelden in het bijzijn van een tweehonderdtal bewonderaars en sympathisanten en dat terwijl een vreemde man me net toevertrouwd heeft dat hij mijn borsten wil aanraken. Wat is het ergste? En wie mag eerst? ‘Petrus, jongen, ik was op zoek naar jou. Ik vroeg net aan je vriendin…’ Knipoogt hij naar me of verbeeld ik me dat? Ze kennen elkaar. Natuurlijk kennen ze elkaar. Op een vernissage kent iedereen elkaar. ‘Louiza is mijn assistente,’ zegt Petrus. Hij knippert met zijn ogen, alsof hij me niet goed ziet, en duwt me een flesje bier in de handen. ‘Ook dat niet,’ mompel ik, maar dat hoort geen van beiden en wat geeft het. Zowel mijn eer als mijn borsten zijn voorlopig gered. Ik zet het flesje bier aan mijn mond en drink gulzig. (wordt vervolgd)

Adeline
0 0

Orde van belang

‘Had ik niet geweten dat ik al dood was, ik zou het verlies van mijn leven hebben betreurd’ (Ota Dokan, 1486)   ’t Kan enkel het monster der stierlijke verveling geweest zijn dat me naar zijn voordeur leidde, of beter, waar ooit zijn voordeur was, want na al die jaren kon hij wel verhuisd zijn, of wat dan ook … In ieder geval, het eerste wat me opviel was dat de voetmat bij de inkom nog dezelfde was, en het wachten voor de deur maakte dat ik er mijn voeten wat vreemd mechanisch tegenaan begon te vegen. Mijn ogen volgden die bewegingen met zekere afstandelijkheid, alsof dat niet mijn eigen voeten waren daar beneden, maar die van een ander … In de verwilderd ogende, dik bebaarde man die dan de deur opende, herkende ik eerst mijn oude vriend niet – tenslotte, wij waren nog kinderen geweest toen we elkaar voor de laatste keer gezien hadden. Maar hij begroette me alsof hij me verwacht had, en gidste me doorheen het inkomhalletje naar het woonvertrek, waar op de livingtafel twee grote kartonnen dozen stonden. Eens mijn ogen gewend waren aan het aldaar heersende halfduister – gecreëerd door de aan beide zijden van het vertrek zowat driekwart neergelaten rolluiken – kon ik beter rondkijken en dingen onderscheiden. Overal, in alle hoeken, bleken vele dozen te staan opgestapeld. Op de vloer lagen een aantal leeg gevreten conservenblikken, en op het zeer smalle aanrecht bij het raam achterin, wist een grote koffiemok met een lepel in zijn zwaartepunt handig op de millimeter af te handhaven. Wat verder, in het keukentje, waar het lichter was, stond een koffiezetmachine hoog als een trots breedgeschouderde generaal, te midden een strijdvaardig leger van nog vele blikken conserven – de open geplooide metalen bovenzijden vervaarlijk als wapens gekarteld. Het geurde er zoals het geurt op plaatsen waar veel wordt gezweet en weinig verlucht. Het binnenkoertje, dat grensde aan het raam achterin, kon ik door het grotendeels neergelaten rolluik niet zien, maar ik stelde ‘t mij voor zoals ik het van zeer lang geleden kende. De zalig warme zomerdagen! Zo onder een wolkeloos blauwe hemel, samen met hem, spelend met autootjes en soldaatjes op een uitgespreide, zachte, dubbeldikke deken, terwijl zijn moeder ons verwende met limonade en heerlijk zoete zelfgebakken koekjes. In zijn verduisterde leefomgeving liep de bewoner op en af en heen en weer, waanzinnig druk voor zich uit pratend. De ene keer leek zijn uitleg tot mij gericht, dan weer scheen mijn aanwezigheid in het vertrek hem totaal te ontgaan. Voorts bediende hij zich om de haverklap van een absurd leraarachtig klinkend ‘zozeer jawel’. Een aparte, autoaffirmatieve, verbale tic die een onbedoeld komisch effect ressorteerde; ’t was de ongewone combinatie van onnozelheid en strengheid erin die het ‘m deed … Hij ging ten onder, dat was mij duidelijk. Ik was getuige van een krankzinnige hellevaart – die alzo toch een vreemdsoortig speels, guitig, komiek randje meekreeg. Soms stopte hij met praten, om in een wandspiegeltje te kijken en er zenuwachtig in zijn baard te plukken. Hierbij hoorde ik hem vreemde, grommende keelklanken produceren. En dan was ’t weer almaar de kamer op en af en heen en weer, en doordrammen geblazen! Dat mocht wel met een weide bocht om de tafel heen zijn, waarbij dan regelmatig zo’n gesneuveld blik een schop te verduren kreeg, zodat ze op den duur met z’n allen over de vloer konden rollen als in een door storm geteisterde kapiteinskajuit … Zijn nerveus ijsberende lichaam sprak mij de taal van een onzalige, die meende de gruwelijke last te moeten torsen van het besef van Alles, alle mogelijke dingen tegelijk, alle mogelijke wereldse geschiedenissen en toekomsten. Het was als een Te Veel, dat tezelfdertijd een Te Weinig was: dwaas, ledig en richtingloos zag ik hem ronddolen in een eng, zelfgeschapen universum.   Overvallen door een merkwaardig moment van luciditeit, walste hij het keukentje in om voor ons beiden koffie te zetten. Ik kwam ertoe me neer te zetten op een van de twee stoelen die hoorden bij de Tafel met de Dozen … Tussen die dozen, die het grootste deel van het tafelblad in beslag namen, zag ik op het vrije deel van het blad verscheidene donkerbruine cirkelrandjes van opgedroogde koffie, die onderling overlapten gelijk lukraak door mekaar gegooide ringen op een olympische vlag. Wat de inhoud van de dozen betrof, kon ik een alles-door-mekaar onderscheiden van reclamebladen en brieven en folders en streekkranten en zo meer. Het viel me ook op dat van alle kleine en grote enveloppen die ik kon zien, geen enkele was geopend. Zoals zij in de brievenbus hadden gezeten, door de afzender dichtgeplakt, zo waren zij in de dozen beland. Ik dacht nog: ‘De chaos in dit huis representeert de chaos in het hoofd van zijn bewoner – dus eigenlijk, ben ik niet in zijn huis maar in zijn hoofd terechtgekomen.’ Ik drukte mijn stoel wat lui achterover om, vanuit de hoek waar ik zat, een beter zicht te hebben op wat er in het keukentje gebeurde. Hij was in de weer met potten en liet water lopen en, wanneer hij lichtjes voorovergebogen voor de gootsteen stond, moest ik weer even denken aan zijn moedertje. Ik wist niet beter of het gehele leven van dat brave mensje had zich daar afgespeeld. DAAR. Bij die lavabo. Er Tegen. Er net Naast. Er – op zoek naar flesjes en potjes in de wat aftandse lage keukenkasten – krom gebukt Onder. Al wassend, plassend, kokend, soppend en schrobbend, had zij haar leven lang aan die plek gekluisterd gezeten. Was zij uiteindelijk gelukkig geweest – al was ’t maar een klein beetje? Het arme mens had zich altijd voor anderen weggecijferd, zoveel was zeker. Zo er een hemel bestond, dan had ze haar ticket erheen wel verdiend. Wanneer we samen om de tafel zaten met onze koffie, maakte ik er tijdens het drinken een spelletje van om de onderkant van mijn tas steeds exact te laten neerkomen op een der reeds ingedroogde kringetjes. Mijn confrater had andere dingen aan zijn hoofd. “Nu zal ik je vertellen waarom ik je heb laten komen”, zei hij. Ik wou eerst nog tegenwerpen dat daar niets van aan was, dat ik toch uit eigen beweging had aangebeld. Maar ik slikte deze woorden in voor ik ze kon uitspreken, daar ik begreep dat het niks zou opleveren van te twisten met een man die – dat was me toch al vrij duidelijk geworden – ontstegen was aan alle mogelijke realiteitszin. “Nu zal ik je vertellen waarom ik je heb laten komen”, herhaalde hij – als om mij de mogelijkheid te bieden het gewicht en de ernst van de uitlating ten volle in te zien. Haar lettergreep per lettergreep te kunnen herkauwen. “NU ZAL IK JE VERTELLEN WAAROM IK JE HEB LATEN KOMEN – zie je die twee dozen hier op tafel?” Hoe kon ik ze niet zien? Zij bepaalden de atmosfeer van de kamer. Als strenge scherprechters torenden zij boven ons uit – boven alles uit. Aan hun naargeestige zeggenschap, hun macht, kon men in zulk een van de buitenwereld afgeschermde tombe niet ontkomen … Hij ging voort. “Het gaat hem allemaal om de belangrijkheid van de Orde van Belang! In de linkse doos stapel ik de op het eerste zicht vrij onbelangrijk toekomende post en …” “… IN DE RECHTSE DOOS, DE OP HET EERSTE ZICHT VRIJ BELANGRIJK TOEKOMENDE POST!?” completeerde ik zijn zin. Als het ware om mezelf te overtuigen van het Belang, de relevantie, mijner aanwezigheid aldaar. Gelijk een klok wou ik mijn stem even horen weergalmen – maar aan wat voor realiteit werd zij getoetst? “ZOZEER JAWEL!” riep hij weder leraarachtig. Meer zelfs: gelijk hij daarbij euforisch recht veerde van zijn stoel, zette hij zijn betoog vanaf dat moment voort met het algehele voorkomen van een leraar. Een leermeester. De knokkels der handen, wijd aan weerszijden van het middel tegen het tafelblad witgedrukt, terwijl dan dat bovenlijf in een imposante boog over ‘t meubel heen, de Leerling zo dicht mogelijk poogt te benaderen. “Dus: de belangrijkheid van de Orde van Belang! Zozeer jawel. Wat staat er op de linkse doos geschreven!? Lees maar HARDOP en LUID!” beval hij - en natuurlijk, ik had kunnen weigeren. Met alle gemak van de wereld had ik op dat moment kunnen opstappen. Maar dat deed ik niet. Iets weerhield me … Welnu, nobel kan ik dit niet motiveren, net zoals er niks nobels ten grondslag had gelegen aan de reden van mijn visite; gelijk ik na vele jaren Zomaar eens aanbelde, uit verveling, zo bleef ik zitten en luisteren zonder daarom bewogen, of medelevend, te zijn. Het zou kunnen – en het is niet mooi van dit te moeten zeggen – maar het zou kunnen, dat het zicht op zijn gekwelde bestaan voor mij een leuk tijdverdrijf was. Iets dat de dag brak tussen een ochtend en een namiddag die zich al veel te lamlendig, slepend lang hadden ontvouwd en een vooravond, een avond, die ongetwijfeld eenzelfde lot ging beschoren zijn … Ik zat middenin HET gebeuren van mijn lopende dag, en dat hij er blijkbaar nog slechter aan toe was dan ikzelf, was voor mij een vorm van ontspanning. Dus ik las. Hardop, en luid. “ONBELANGRIJKE POST!” “Zozeer jawel! En wat staat er op de rechtse doos geschreven?” “BELANGRIJKE POST!” “Zozeer jawel!” Hij zette zich neer om, god mag weten waarom, dadelijk met de snelheid van een zwiepende katapult weer recht te veren. Pal boven onze hoofden brak de hemel woest in stukken, en het begon hard te regenen; als duizenden felle zweepslagjes geselden de regendruppels het rolluik aan de straatkant. Ik merkte hoe dit tempeest totaal aan hem voorbijging; zijn eigen verhaal scheen hem dermate te vervoeren, dat alles daarbuiten hem ontging. Ik keek van op mijn stoel nog eens het keukentje in, en zag zo moedertje lief daar weer gebogen over de afwas staan. Een dromerig rustpunt voor mijn ogen … “Zozeer jawel! Op de rechtse doos is geschreven: belangrijke post. Nu zit het hem zo, dat ik je heb laten komen om je te vragen mij te helpen bij een grootse, zelfs zeer grootse taak. Het dagdagelijks klasseren van allerhande papieren neemt veel tijd in beslag, zelfs zeer, zeer veel tijd. En je zou me dus moeten helpen, want VANAF MORGEN GA IK VAN START MET DE ULTIEME KLASSERING!” “Waaruit bestaat die dan wel?” vroeg ik eigenaardig voor de vorm, net of ik niet bij machte was me alsnog te onttrekken aan mijn deel van een lang vooraf vastgelegde dialoog … Ik lurkte nog eens van mijn koffie; het was een laatste, al wat lauwe slok, die ik even liet golven tussen tong en gehemelte alvorens door te slikken. “De ultieme klassering bestaat hieruit dat … Zie je al die dozen aan de kant? Om nog maar te zwijgen van die op tafel! Zozeer jawel! Maar natuurlijk, dat spreekt toch vanzelf, naar belangrijkheid en onbelangrijkheid zijn alle dozen in orde – echter: het probleem dat zich nu stelt, is van tweeërlei aard. Ten eerste, liggen in de dozen alle stukken wel goed, dat wil zeggen, min of meer belangrijk bij min of meer belangrijk, én min of meer onbelangrijk bij min of meer onbelangrijk – MAAR ’T HELE ZAAKJE ZIT HEM NU JUIST IN DAT ‘MIN OF MEER’!” Zijn enthousiasme begon te pieken, ‘t was fenomenaal! Ik zag hem al schuimbekkend tegen de grond gaan om daar stuipen te trekken in de cadans van de boven ons rollende donder. Te sterven, met een waanzinnig verwrongen lach op het gelaat en zo verdacht ik mezelf er heel even van dat alles, die gehele visite, die ganse vertoning, slechts te dromen. “… Nu dringt zich dus, per doos, een te maken klassement op van dien aard, dat in alle dozen waarop vermeld staat ‘BELANGRIJKE POST’, de allerbelangrijkste stukken helemaal bovenaan dienen te komen liggen, dan afnemend in belangrijkheid naar beneden, zodat op de bodem van elke doos die stukken komen te liggen die, naar orde van belangrijkheid, kunnen beschouwd worden als van alle in mindere of meerdere mate belangrijke stukken de minst belangrijke. Zozeer jawel! Eenzelfde logica wordt, gewis en zeker, gehanteerd wat betreft de dozen met de vermelding ‘ONBELANGRIJKE POST’: per doos, van alle in mindere of meerdere mate onbelangrijke poststukken, de toch nog belangrijkste bovenaan, zo dalend, met helemaal vanonder ’t papierwerk dat, naar orde van belangrijkheid, van alle min of meer onbelangrijke stukken, binnen die orde van belang, gezien mag worden als van alle min of meer onbelangrijke stukken het meest onbelangrijk.” Hij zweeg even, en een paar tellen lang wankelde hij op zijn benen als een bij de meet compleet uitgeputte marathonloper; dan herpakte hij zich, en vervolgde zijn relaas. Verder kon ik me niet van de wrange indruk ontdoen dat mijn aanwezigheid – hoe dwingend en dringend van aard ook – tegelijkertijd volledig betekenisloos was. “Bovendien”, vervolgde hij, “bovendien mag bij deze op te starten ultieme klassering niet uit het oog worden verloren, dat er elke ochtend opnieuw ook weer nieuwe poststukken zich zullen aandienen in het hiertoe in de voordeur aangebrachte brievenluik; nieuwe poststukken die – zozeer jawel! – op hun beurt de weg dienen te vinden in de richting ener juiste doos … Een arbeid, die het ganse plan der ultieme klassering komt te verstoren, bemoeilijken, daar de ultieme klassering er in wezen uit bestaat zich een weg te wroeten doorheen de reeds verzamelde voorraden. Een al uiterst moeilijke, zware taak op zich, die zich dan nog eens gekruist weet door een taak van een toch enigszins andere orde …” Alle hoeken en kanten bij elkaar gerekend, stonden er tientallen dozen. Hoe ging hij zich daar ooit doorheen werken? Voor zo’n man als hij, grenzeloos vertwijfeld, zou een compleet etmaal nog niet reiken om zelfs maar twee folders of omslagen onderling te rangorden in de geest van de bepalingen van ‘t door hemzelf uitgedokterde systeem. Hij was onderworpen aan een hels gekkenwerk, waar hij nog bij lengte van levensdagen niet onderuit kon komen – en hij wou mij er bij betrekken. Wat later was ik weer de straat op. Het had opgehouden met stormen en de horizont liet zich uitgeklaard bewonderen, terwijl een rozerode sluier het langzame vallen van de avond aankondigde. Tijdens ‘t naar huis toe stappen zette ik al mijn zintuigen aan het werk om te kunnen genieten van het wonder van zulk een herstelde, verfriste natuur. Maar dat scheen niet te willen lukken. Het was alsof ik langs alle straten, steegjes en pleinen achtervolgd werd door een donkere, huizenhoge gedaante die mij neerdrukte. Ik kwam thuis, plofte languit achterover in de zetel met mijn schoenen nog aan, greep naar de remote van de televisie en begon, bij het almaar verzwakkende daglicht, te zappen van kanaal naar kanaal. Kon ik maar op een uitzending stoten die me werkelijk boeide – kwestie van mijn zwaarmoedigheid wat te verlichten. Maar helaas! Een uur of wat later lag ik daar nog steeds lamgeslagen achterover met de schoenen aan. Zelfs maar me recht zetten om de veters los te maken was er te veel aan geweest … In de duisternis bleef die televisie, dat onecht lichtbaken, zijn dertig beelden per seconde flitsen, en buiten sloeg de torenklok van de kerk een eenzaam onbepaald aantal slagen, metalig nazinderend, die stonden voor een eenzaam onbepaald aantal uren. Het ware een zinloze daad geweest deze uren samen te voegen, op te tellen van slag naar slag, daar eender welke verkregen som – of dat nu acht of negen of tien of elf of twaalf was – me toch nooit iets meer duidelijk had kunnen maken over het wezen van het Eenzaam Onbepaald. Dat schuilde onvatbaar, onbenoembaar, ondenkbaar, onbestemd, in alle eenzaam onbepaalde delen afzonderlijk, en ging zich dus nooit laten Begrijpen in de vorm van een door optelling verkregen geheel getal. De verdere nacht bleef ik – als verstard, zonder echt te slapen – in de zetel liggen. Toch moeten er momenten geweest zijn dat ik half in slaap sukkelde, want enkele keren dacht ik van me recht te zetten, voorover te bukken om mijn voeten van die schoenen en sokken te verlossen, me vervolgens de trap op te begeven, zo richting slaapkamer en bed om er eindelijk deftig te kunnen rusten – om dan, met de ogen wijd open, vast te stellen dat ik nog steeds beneden in de zetel lag. Roerloos. Niet in staat dat proces van handelingen, waar de sluimer me toe had bewogen, uit te voeren in de wereld van het werkelijke. Een nieuwe dag, een nieuwe ochtend, diende zich aan. Ik slofte naar de voordeur, opende mijn brievenbus en haalde er een brief uit. De enveloppe draaide ik enkele minuten om en weer om – ijzig besluiteloos. Dan smeet ik hem in de huiskamer op tafel, ongeopend, en ik weet nog dat mijn lichaam zich vervolgens in de richting van de trap manoeuvreerde. Een trap, jawel, die ik finaal onweerlegbaar Echt zou opstappen, om me al even onweerlegbaar Echt te slapen te leggen in een bed dat ’s nachts slechts in oppervlakkige dromen had bestaan … Dit alles echter niet, zonder dat lichaam nog een laatste maal te laten terugkeren naar die tafel met die brief erop, er radeloos op starend, nog ongeveer een onmeetbare tijd lang.

Davy Van der Auwera
37 0

Koek en ei

Ook op de dag dat Lieven met zijn hoofd te pletter sloeg op de kasseien van het grootste plein van de stad, at hij een koek en een ei als ontbijt. Een kopje thee werd hem zoals elke ochtend aangereikt door Ellen, net op het moment dat hij het laatste stukje koek in zijn mond stak. Na de thee ongestoord te hebben opgedronken stond hij op van tafel en nam zijn rugzak die klaarstond in de hoek van de opgeruimde studentenkamer. Hij kuste Ellen, die opgewekt de afwas deed, hard op haar mond en verliet hun appartement. Hier sta ik nu, zegt hij tegen zichzelf. Dit is het moment, nu moet het gebeuren. Alles was volgens plan verlopen. Hij had de bus van 8.47 uur genomen en was uitgestapt in het centrum van de stad. Hij had 3 minuten gelopen naar café Spek en Eieren in de Kerkhofstraat. Daar had hij zich aan het afgesproken tafeltje gezet van waar hij zijn kameraden van het actiecomité een voor een zag binnenkomen. Eens voltallig liepen ze in peloton naar het plein. Lieven had eigenlijk nooit precies geweten waarom hij precies was aangeduid voor de opdracht. Maar zijn fierheid won het van zijn nieuwsgierigheid. Hij wou zijn kameraden niet teleurstellen. Met een zetje van twee kameraden klom hij vlot op het voetstuk van het standbeeld dat centraal op het plein stond. Vandaar klom hij solo verder tot op de gekruiste armen van het beeld waar hij plaats had om zijn rugzak neer te zetten. ‘Komaan Lieven, haast je. Straks staan die klootzakken hier.’ Lieven voelde zijn armen na de inspanning hevig beven terwijl hij de pot rode verf en de verfborstel uit zijn rugzak nam. Hij zocht naar een stabiele houding op het standbeeld en dat was een hele opdracht met zijn knikkende knieën en de hevige wind die zo hoog boven de begane grond vrij spel had. Hoogtevrees sloop zijn lichaam binnen als een onklopbaar virus. Hij zag een beeld van zichzelf als kleuter op een klimrek. Eerst triomfantelijk met beide handen in de lucht op de top. En dan die duw van dat gemene klasgenootje. Loeiende sirenes haalden hem uit zijn gedachten. Hij stak de verfborstel in de pot en deed waarvoor hij gekomen was. Hij begon het hoofd van het beeld met wilde halen te bekladden met verf. Tijdens het schilderen had hij een perfect uitzicht over het plein. De kerk in de steigers, de hoge appartementsgebouwen, de waaiende bomen, het gekrioel van winkelende mensjes. En plots zag hij haar. In de hoek van het plein, aan café De Post. Haar groene bloemetjesjurk zou hij uit de duizend herkennen. Ze had haar handen verstrengeld in vreemde handen. En haar mond bewoog akelig dicht bij een vreemde mond. Het zweet brak hem uit en hij moest moeite doen om zijn anders altijd regelmatige ademhaling te kalmeren. Lieven zag zijn hele toekomst in mekaar storten, als een slecht gebouwd kaartenhuisje. En de opdracht die kon hem nu gestolen worden. Ondertussen was het een drukte van jewelste geworden aan het standbeeld. Hij zag een brandweerwagen en een ladder die alsmaar verder uitschoof, in zijn richting. Blauwe en rode zwaailichten als discospots. Sirenes als de melodie van een bonkende technoschijf. Flitsen van fototoestellen als de onvermijdelijke stroboscoop. Lieven stond plots op het hoofd van het beeld. Hij was blijkbaar nog hoger geklommen, net zoals die ene dag op de kleuterschool. Een koor van mensen riep hem toe. Hij zag politie, brandweer en zijn kameraden. En Ellen die blijkbaar was toegesneld. Er zat paniek in haar ogen die hij nooit eerder had gezien. Hij zag haar opengesperde mond woorden uitschreeuwen maar hoe meer hij probeerde te luisteren, hoe minder hij ervan begreep. Hij hoorde enkel nog een vreemd soort geruis, een testbeeld tussen zijn oren. Er zat nog maar één gedachte in zijn hoofd. Neerstorten ga ik toch, dan kan ik het maar beter zo elegant mogelijk doen. Hij nam voor de laatste keer de borstel en schreef blindelings op de achterkant van het hoofd van het beeld. Dan gooide hij borstel, verfpot en rugzak naar beneden, gevolgd door zichzelf. Een vlucht van enkele seconden. Een harde landing. Het was een brandweerman die als eerste zijn laatste boodschap las op het beeld. Woorden die nu op toiletdeuren worden gekrast en op t-shirts worden geprint. Woorden die opduiken in folders van politieke partijen. “Alles koek en ei? Yeah right.“

igordaems
0 0

Uitbreker

Aloys woont alleen en heeft familie noch vrienden. Wanneer mensen hem vragen hoe dat komt, dan antwoordt Aloys steeds dat hij niet alleen is want dat hij een kat heeft. Hij is een veertigjarige man met zwarte krullen, een scheve neus en een beginnend buikje. Zijn poes Jeff is een rosse kater en minstens even weldoorvoed. Ze wonen in een rijtjeshuis in een buitenwijk van de stad. Naast hen woont een koppel van Marokkaanse afkomst met drie kinderen (twee jongens en een meisje), zij hebben ook een poes, Mike, een naamloos konijn en een aquarium vol vissen. De buren zijn enkele dagen geleden met vakantie vertrokken. Ondanks zijn herhaalde vraag om voor de dieren te mogen zorgen, hebben zijn buren Achmed ingeschakeld om elke dag langs te komen om de etensbakjes bij te vullen. Achmed is de broer van de vrouw en blijkbaar geen grote dierenvriend want de eerste dagen na het vertrek komt hij niet opdagen. Dat weet Aloys omdat Mike nu al enkele dagen ’s ochtends op zijn terras staat te miauwen. Nog voor hij goed en wel aangekleed is, laat Aloys hem binnen, geeft de kater eten en aait hem veelvuldig over zijn grijze vacht. Mike kan hij uit de nood helpen maar het konijn en de vissen niet. Als hij op de tippen van zijn tenen staat, kan Aloys van op zijn terras net over het muurtje kijken en het konijnenhok en het aquarium met vissen zien. Aloys ziet de honger in de ogen van de dieren met de seconde toenemen. Op de vijfde avond na het vertrek van de buren is er nog steeds geen spoor van Achmed. Aloys kan het niet langer aanzien en beslist dan maar zelf actie te ondernemen. Hij kruipt met behulp van een ladder over de muur, met in de zak van zijn trainingsvest een plastic zakje met konijnenvoer. Hij springt de tuin van de buren in, stapt naar het konijnenhok, opent het poortje en strooit de inhoud van het zakje in het etenskommetje van het konijn. Dan kijkt hij het huis in, naar de lichtgevende visbak. Hij ziet de vissen om de beurt naar het wateroppervlak zwemmen, op zoek naar eten dat er niet is. Hij weet dat de deur naar de keuken op slot is maar duwt toch de klink naar beneden. Tot zijn grote verbazing gaat de deur open en voor hij het goed en wel beseft, bevindt hij zich in de keuken van zijn buren. De potjes met vissenvoer staan op de tafel, hij neemt er eentje vast en leest het etiket. Op het moment dat hij het potje opendraait, hoort hij voetstappen, het geluid van iemand die de trap afloopt. Eerst denkt hij dat de voetstappen van bij de buren komen, tot hij zich herinnert dat hij zelf de buur is en dat er bij hem niemand is, behalve Jeff. Dan gaat de deur van de woonkamer open. Aloys duikt vliegensvlug onder de keukentafel en blijft zo stil mogelijk zitten, het geopende potje vissenvoer nog steeds in zijn hand. Hij ziet een paar zwarte schoenen en een donkere, geklede broek de tafel voorbij lopen, in de richting van de tuin. Dat moet Achmed zijn. Hij hoort hoe Achmed de etensbakjes van Mike en het konijn vult. Dan komt Achmed weer binnen, hij draait de deur op slot, loopt met grote passen door de keuken en de woonkamer naar de voordeur en stapt het huis uit. Op het moment dat Aloys hoort hoe de voordeur op slot wordt gedraaid, zit zijn hele neus vol met die weeë geur van vissenvoer en weet hij dat hij opgesloten is. Twee uur later zit Aloys achterovergeleund in de zetel. Hij staart naar een schilderij van een boeket rode rozen dat ingekaderd aan de muur van de woonkamer hangt. Hij heeft, ijsberend door het ganse huis, alle mogelijkheden overlopen om weg te geraken. De deuren zijn op slot en de ramen, zowel achteraan als vooraan als boven, zijn van die nieuwe ramen met een slot en hij vindt nergens sleutels die erop passen. Een slot forceren is hem te drastisch, hij wil geen schade toebrengen aan andermans eigendom. Zo zit hij niet in mekaar. Hij zou het ook nooit uitgelegd krijgen. Hij kan niemand bellen want hij zijn gsm ligt nog thuis en in dit huis is geen vaste telefoon. Hij vindt ook geen laptop of tablet, die zijn wellicht mee op vakantie. Er is maar één mogelijkheid: de volgende keer als Achmed langskomt, moet hij ongemerkt zien te ontsnappen. Met die gedachte in het hoofd valt hij in slaap in de zetel, onder een fleece tv-dekentje. Zoals verwacht duurt het enkele dagen voor Achmed opnieuw langskomt. Hij vult zijn dagen door aan de keukentafel naar de vissen te kijken en hen rijkelijk eten te geven. Hij verzint er spelletjes bij: hij gokt welke vis als eerste bij de vlokjes is die hij afwisselend voor- en achteraan in het aquarium laat vallen. Joske, de goudvis, is zijn favoriet en hij lacht luidop als blijkt dat die de wedstrijd telkens wint. Het lachen duurt niet lang want al snel denkt hij aan Jeff, die nu al drie volle dagen zonder eten en aandacht moet zien te overleven. Hij voelt zich een bedrieger en beseft dat overspel zo moet aanvoelen: plezier maken met andermans vissen terwijl je eigen poes thuis op je zit te wachten. Aloys leert ondertussen alle hoekjes en kantjes van het huis kennen: die ene tegel in de keuken met een barst in, de geelbruine vochtplek in de vorm van een krokodil op het plafond van de slaapkamer van het meisje, de cd’s van Celine Dion bij de stereo-installatie. Bij alles wat hij doet in het huis, zorgt hij ervoor dat hij zijn sporen uitwist. Als hij een douche neemt dan wast hij zijn haar met een minihoeveelheid shampoo zodat het straks hopelijk niet opvalt dat ervan gebruikt is. Hij neemt steeds dezelfde handdoek om zich te drogen en hij eet enkel couscous omdat die reusachtige bokaal in de keuken zoveel couscous bevat dat het niet opvalt dat er ondertussen al negen porties uit verdwenen zijn. Het rolluik vooraan opent hij niet, uit schrik dat hij gezien wordt door de postbode of door voorbijgangers. Hij blijft op de zetel slapen zodat de bedden boven proper opgemaakt blijven. Hij zit altijd met zijn rug naar de tuin want ook Mike moet het nu zonder eten stellen en hij kan het niet aan om hem recht in de groene ogen te kijken. Tot hij, de vierde dag van zijn opsluiting, zonder nadenken toch een blik naar buiten werpt en Mike languit op de vensterbank ziet liggen terwijl die op een gelukzalige manier zijn pootjes droog likt. Een van de andere buren uit de wijk heeft hem eten gegeven, dat kan haast niet anders. Aloys gaat met zijn gezicht aan het raam staan, met zijn neus vlakbij de bek van Mike. Hij weet dat het niet kan maar toch ruikt hij gerookte zalm. Het water komt hem in de mond. Alles zou hij ervoor geven om ook wat zalm te kunnen eten, zelfs al is het van die zalm die uit een blik Whiskas komt. De twee volgende keren dat Achmed langskomt verstopt Aloys zich met een bonkend hart achter een houten plaat in de kelder. Hij registreert minutieus de bewegingen van Achmed boven hem en ontdekt dat die steeds als volgt te werk gaat: hij komt het huis binnen, loopt naar de keuken, doet de deur naar de tuin open, roept op Mike, gaat terug naar binnen, sluit de deur, geeft de vissen eten, loopt naar boven, gaat naar het toilet, komt terug naar beneden, loopt de tuin in, geeft Mike en het konijn eten en vertrekt. Bij het volgende bezoek van Achmed, ondertussen de negende dag van zijn opsluiting en de negende dag dat Jeff het zonder eten moet stellen, is Aloys klaar om te ontsnappen. Hij staat in de garage en weet dat hij enkel hoeft te wachten tot Achmed de trap opgaat. Dan moet hij zo geruisloos mogelijk naar de keuken stappen, de deur naar de tuin openen en over het muurtje klauteren. Daar heeft hij vierennegentig zorgvuldig getimede seconden voor. Zweetdruppels verschijnen op zijn voorhoofd als het moment dichterbij komt. Maar als het moment suprême bijna daar is, hoort hij hoe een Arabische deuntje zijn plannen dwarsboomt. Achmed neemt zijn telefoon op en blijft tijdens het gesprek in de gang rondhangen zodat Aloys geen kans heeft om ongemerkt te ontsnappen. “Ha, ge komt morgen tegen de avond thuis? Ja, alles goed hier. Ok, geen probleem, ik kom morgenvroeg nog een laatste keer. Ge weet, ik ben zot van die beesten, ze komen niets tekort.” Het is nog geen zes uur ’s ochtends wanneer Aloys een laatste douche in de badkamer van zijn buren neemt. Vandaag is zijn laatste kans. Eerst wat couscous eten en dan gaat hij de hele dag doorbrengen op zijn plekje in de garage. Als alles goed verloopt dan is hij straks terug bij Jeff. Hij neemt zich voor om zeker vier pakken gerookte zalm te kopen in de supermarkt en die samen met Jeff aan de keukentafel op te smullen. Hij droogt zich af en net als hij voorover leunt om zijn tenen droog te wrijven, hoort hij het geluid van een sleutel in een slot. De voordeur gaat open en twee kinderen stormen het huis in. Hij hoort een vrouwenstem: “Nee, Achmed, ge moet niet meer komen, we hebben de hele nacht doorgereden, de kinderen wilden zo graag naar huis om de dieren terug te zien.” Terwijl hij het gesprek, nog steeds voorover leunend, verder afluistert, ziet Aloys niet hoe de twaalfjarige dochter in de deuropening van de badkamer met wijd opengesperde ogen naar zijn naakte lichaam staart. Ook vandaag zal Aloys geen vrienden maken.

igordaems
0 0

Indian Summer

Indian Summer aan het Zeetje   Eenentwintig september. Bij m’n dagelijkse wandeling in de duinen verraden de scherpe wind en de dwarrelende bladeren dat de mooie nazomer van 2014 definitief voorbij is. Ondanks alle wetenschappelijke verklaringen in verband met de opwarming van de aarde vind ik dat de herfst stipt op afspraak is dit jaar. In de bewolkte lucht trekt een V-vormige groep ganzen voorbij… aankomende wintergasten of vertrekkende broedvogels? Ik vermoed dat het vogels zijn uit het hogere Noorden die de naderende winter ontvluchten en verder zuidwaarts gaan trekken. Waarschijnlijk houden ze hier nog even halt, want het voedselaanbod aan het zeetje is overvloedig & divers.   Drie weken geleden onthaalden de mooie Warande duinen hier in Middelkerke me nog met een zomerweelde die me overweldigde. Toen ik in augustus half grappend mijn FB-maatjes troostte en hen een héél bijzondere Indian Summer voorspelde, wist ik zélf niet hoe accuraat mijn voorvoelen zou zijn. Na een vrij sombere, natte augustmaand herleefde de natuur met een overvloedige nazomerse zonneschijn en piekte de dieren en plantenwereld in een ongeziene boost van groei en bloei. September is een prachtige maand om naar de kust te komen. De grote hitte en het massatoerisme zijn verdwenen en het weer kan verrassend aangenaam zijn. De natuur glijdt van een uitbundige zomer geruisloos over in een aankomende herfst en geeft hierbij een kleuren en geurenpallet vrij dat je in geen enkel andere periode terugvindt. De duinen hier in het natuurgebied zijn bijzonder geëvolueerd. In de beginjaren van onze vakanties in Middelkerke waren zij kaal en onherbergzaam, en hoewel ik niet altijd zo’n regelrechte fan ben van beheerwerken, heb ik het landschap langzaam zien transformeren van een braakliggend woest land tot mooie begroeide duinen met een schat aan fauna en flora. De werken hier lijken me voortreffelijk georganiseerd. Waarschijnlijk wordt er niet al te vaak gemaaid want de rijkheid en diversiteit treffen me, en hoewel ik het vaste voornemen heb om deze weken écht vakantie te houden en dus enkel te ‘beleven’, kan ik het toch niet laten enkele opvallende soorten te gaan opzoeken in mijn ’ Gids voor Planten en Dieren van de kust’ die hier (in het studio-appartement) zijn vast plaatsje heeft. Verschillende bloemen en planten langs de bermen van het duinpad komen niet in mijn kleine Zee-gids voor, maar dat verbaast me ook niet helemaal. De bermen worden ontzettend verrijkt met de mest van de vele hondjes in de vakantiemaanden en zijn aldus niet zo typerend voor een slikken-, schorre- of duingebied. Achter de kastanje-hekken omheining zal ik meer streekgebonden flora kunnen aanschouwen, want daar is er geen verstoring, maar héél veel zaken kan ik niet thuisbrengen en spijtig genoeg zijn de gidstochten hier in de Warande duinen voor het grote publiek enkel in de zomermaanden juli en augustus. De orchideeëntijd is ook voornamelijk voorbij maar ik zie hier en daar toch wel enkele relicten. De duinen hier staan bekend voor hun mooie orchideeën. Vrolijk fladderende koolwitjes verraden nog een laatste vlindergeneratie voor de komende winterperiode en ook twee dartelende zandoogjes doen zoiets vermoeden. Op een bord van Natuurpunt lees ik dat de heidevlinder en het bruine blauwtje hier ook foerageren! Ooit zag ik hier een bolklimop vol atalanta-vlinders, maar dat was enkele jaren geleden en een tikkeltje later op het seizoen. Ik vermoed dat deze trekvlinders zich hier nog lekker te goed doen en dan, met hun buikje goed vol aan hun trektocht naar het Zuiden beginnen. Wonderlijk hé, dat deze tere schepsels een tocht van honderden kilometers ondernemen op hun tere vleugeltjes en ik hier met blaren op mijn hielen rondslof van wat rond te wandelen in de omgeving. De struiken met de bessen zijn de grootste blikvangers en de duindoorn, een bekende verschijning in dit landschap, is echt voedselrijk en een waardevolle bron van vitamine C. Ook de donkere sappige bessen van de rijsbes ( familie van de heideplantjes) lijken me smakelijk aan te kijken, evenals de mooie rode bessen van de eénstijlige meidoorn en de bolronde rozebottels van de rimpelroos. Later lees ik op een bord dat deze duinen kalkrijk zijn, wat een niet te onderschatten oorzaak kan zijn voor de verscheidenheid aan planten in dit natuurlijk juweeltje. Het kleurenpallet is in elk geval meer dan prachtig en de witgroene bladeren van de talrijke witte abelen maken het plaatje compleet. Qua fauna kan ik buiten de talrijke eksters en een occasionele kraai niet zo veel ontwaren, maar dat heeft waarschijnlijk héél wat te maken met mijn eigen luie vakantieritme. Meestal neigt het al naar de late voormiddag als m’n hondje en ikzelf onze eerste wandeling maken en ‘s avonds is het nog lang niet aan het schemeren als we ons snuffelrondje in de duinen afronden. Voor de waarschijnlijk aanwezige tapuit zijn we veel te laat en voor de mooi zingende nachtegaal veel te vroeg! De fazanten die ik op andere vakanties wél meer opmerk laten zich deze periode ook niet al te vaak zien en zelfs de konijnen houden hun siësta op de momenten dat wij aanwezig zijn. Bij zonsondergang vind je ons vaak op het strand, waar de onverschrokken krijsende meeuwen een beetje stug de weg vrij maken, op deze momenten is het strand immers van hen. De laatste wandeling is meestal rond middernacht, en dan laat ik me lokken door de golven en ren ik, door de duisternis beschermd, onder een prachtige sterrenhemel naar de witte kraag van de kabbelende golfjes met m’n onwennig stadshondje dat dit steeds leuker gaat vinden. De zee geeft altijd spektakel. Diep inademend geniet ik van de kleine lichtjes van de vissersboten aan de horizon en laat ik me meedrijven met het rustgevende lichtritme dat de vuurtoren in Nieuwpoort me aanbiedt. We hebben het hier naar onze zin… m’n maatje en ikzelf.                  

Bosfee
0 0