Lezen

Flitsverhaal over jou

Ze bewoog heen en weer als een strohalm in de wind. Ze leek wel te vliegen op een hemelse melodie. Het deed me denken aan een vogel, vrij in de hoge lucht. De felle pasteltinten in haar kledij in combinatie met haar mooie en ergens ook zuivere lach, herinnerden me aan een eenhoorn die ik als kind zag. Ze was één met de tijd, gaf antwoorden op vragen die het leven vergat te stellen, terwijl ik samen kon smelten met haar en haar passen. Ze danste zo prachtig dat ik bijna stopte met ademen en nog beter, ik zag dat zij reeds bij me hoorde, dat wij al een koppel waren. Ik keek en zag het publiek. Ook zij stonden verbijsterd. Ik kan me niet voorstellen dat ik me op dat moment afvroeg of iemand wenste om met haar naar huis te gaan. Ongetwijfeld en heel waarschijnlijk koesterden velen een droom over een vrouw als zij. Ik weet dat ik uitverkoren ben, alleen al voor vandaag en alle dagen dat ik bij haar ben en zij naast me loopt. Wanneer ze zo in de spotlights glundert, vergeet ook ik alles. Het is magisch wanneer zij danst. Klokken stoppen met tikken, hongerigen worden gespijsd en daklozen staan in de duurste kostuums te kijken wanneer zij ons op het podium ontroert. Er is geen moment, en het einde is altijd te vroeg terwijl ze meningen vervoert en ons gedachteloos aanschouwen verroert. Haar bewegingen zouden berekend zijn, maar noch ingewikkelde, noch gemakkelijke formules zijn de uitkomst. Het enige antwoord dat steek houdt, zou liefde zijn. Echter weet een onbekende dat niet. Ze vertelt wel eens over de sterkste kracht. Je kan het vinden in de donkerste zwaarte van het bestaan. Het is het stralende licht, wanneer je ontdekt dat niets is wat het lijkt, wanneer het tegenovergestelde klopt en alles is wat het was. Je kijkt naar haar en vraagt je af wat ze bedoelt. Haar heldere ogen kijken je aan en je weet dat ze gelijk heeft, je kan het voelen in je hart. Net dan legt ze haar hand op je borstkas en ze zegt zacht: “daar merk je dat”. Het is als thuiskomen na een ernstige ziekte. Het is als terug kunnen gaan naar je land waar oorlog woedde. Het is misschien als opstaan uit de dood of als herboren worden. Het is weten hoeveel geluk je hebt haar te kennen en de grote droefheid wanneer je beseft dat niet iedereen haar kent zoals jij. Het is je handen vouwen en dankbaar bidden in ongeloof. Het is ontvankelijk geven op het ritme van het leven dat niet bestond. Het is je verliezen in een eenvoudige aanraking met haar ziel. Het is onbeschrijflijk mooi. Het is iedereen en niemand, maar bovenal is het gewoon jij.     Céline M.

Céline M.
5 0

De reunie

De foto waar J. nu al enkele minuten onafgebroken naar staart, is genomen in de herfst van 2015, ondertussen tien lange jaren geleden.   De foto beslaat twee pagina’s. Aan de rechterzijde staat een boom met kersenbloesems, Sakura in het Japans, het symbool van een nieuw begin en de vergankelijkheid van het leven. Het symbool dat de laatste tien jaar omvat. De kersenbloesems zijn klaar om het werk en hun leven neer te leggen. Hun tijd is gekomen. Aan de andere zijde, links op de foto, zit een koppel innig verstrengeld op een bank. Ze kijken uit op het grootste en mooiste meer van China, gelegen in Hangzhou, vlakbij Shanghai. Het meer is, zoals gewoonlijk deze tijd van het jaar, verzwolgen in de mist. Op de achtergrond zijn nog net de zwartgeblakerde rotsen, verduurd door erosie, te zien aan de overzijde van het meer.  Mijmerend en vol melancholie denkt hij terug aan deze tijd en aan zijn beste vriend, die deze foto nam. Enkele minuten voor J. zijn toenmalige vriendin E. ten huwelijk zou vragen, moest deze foto dienen als een aandenken, een herinnering van de start van de rest van hun leven samen, als drie musketiers. Een eindpunt en een nieuw begin, een overgangsritueel naar de rest van hun leven. Ze zijn altijd samen geweest en zouden altijd samen blijven. Het leven is makkelijker te dragen met drie.  J. ontwaakt uit zijn dagdroom door zijn ringtone en merkt de eerste zonnestralen op die zijn kamer binnendringen. Tijd om in actie te schieten. Hij zucht. Het wordt nog een lange dag.       - E. geniet van haar ochtendkoffie terwijl ze in de verte staart. Terugdenken aan dat mooie jaar in China, nu reeds tien jaar geleden. Ze zit in haar knusse hoek, zoals ze dit noemt; enkele kussens in haar binnenshuis balkon van haar appartement op de tweede verdieping in hartje Brussel. Ze staart naar de hemel, verdronken in gedachten. Het begin van de dag zo lang mogelijk proberen uit te stellen.  Vandaag is het zeven jaar geleden dat M., de beste vriend van J. en haar, overleed. Het is ook exact tien jaar geleden dat J. haar ten huwelijk vroeg. Toeval bestaat niet. Eens het ongeluk binnensluipt, kom je er nooit meer vanaf. De kat sluipt nonchalant voorbij, op zoek naar een aaibeurt. De hond ligt te snoezen aan haar voeten.  Ik wist dat vandaag een moeilijke dag ging zijn, denkt ze bij zichzelf. Tien jaar geleden. Ach, wat vliegt de tijd.   Ze kijkt op haar horloge, nipt nog eens van haar koffie, zet haar tas neer, geeft de hond nog een aai over haar bol (de kat heeft haar poging opgegeven en lijkt niet meer geïnteresseerd). Gelukkig heb ik jou nog, zegt ze zacht. Ze kijkt nog eens op haar horloge en staat dan recht. Tijd om zich klaar te maken. Tijd om de dag te beginnen. De herdenkingsdienst is binnen een uur. Binnen een uur staat J. hier. - Tien minuten voor negen staat J. een sigaret te roken net om de hoek van de straat waar het appartement van E. is gelegen. Hij kijkt op zijn telefoon. Zijn vriendin wenst hem veel sterkte en stuurt een liefdevolle emoji mee. Hij glimlacht en stuurt terug dat hij van haar houdt. Hij steekt zijn telefoon terug in zijn broekzak, sluit even zijn ogen en probeert te genieten van de eerste zonnestralen in een verder grauw, grijze en winderige herfstdag.  Waarom had hij in godsnaam ja gezegd? Soms moet men het verleden toch laten rusten. Nog even alle moed verzamelen. Hij trekt nog eens van zijn sigaret, blaast de rook uit, gooit de sigaret op het asfalt en duwt hem uit met de teen van zijn schoen. Hij steekt een kauwgom in zijn mond.  Ach, nu plots elkaar weer terug zien, denk hij bij zichzelf. Na al die jaren. Had ze toen maar ja gezegd.  Hij kucht en zucht nog eens. Laat deze dag maar snel voorbij zijn.       - E. staat voor de spiegel . De jaren zijn te lezen op haar gezicht, maar zullen snel verborgen worden onder een laag zorgvuldig aangebrachte make-up. Een traan rolt over haar wang. Wat bezielde me toen toch?   Had ik maar ja gezegd.   De bel gaat. Verdorie, zegt ze tegen zichzelf, waarom moet hij altijd zo vroeg zijn? Altijd zo punctueel. Ze checkt nog eens haar mascara, doet wat parfum op en wandelt naar de deur. Met de klink al in haar hand blijft ze enkele tellen roerloos staan. Even op adem komen. Of toch proberen. 3.2.1. Ze opent de deur.  ‘Hey! Welkom!’  Ze zet haar beste glimlach op, hoewel haar hart weer in duizend stukken breekt bij de eerste aanblik. ‘Hey E., lang geleden.’  Hij heeft onmiddellijk spijt.  Hij twijfelt tussen een kus of een knuffel, schuifelt even heen en weer en besluit dan maar voor een handdruk. Het kan niet meer intiem zijn.   E. schudt zijn hand en zegt:  ‘Kom binnen, kom binnen.’ Ze opent de deur volledig, zet een stap opzij en strekt haar hand uit om J. naar binnen te begeleiden.  ‘Goed hier geraakt?’  

Wout
4 0

De kans

Het raam staat op een kier. Buiten schuren trams over de sporen, met bellen en kabaal. Auto’s stoppen en trekken weer op voor de verkeerslichten. De airco draait overuren en galmt in mijn oren. Een vrouw schreeuwt tegen een man. Het is de heetste dag van het jaar. Binnen praat een vrouw tegen haar psychiater. ‘K bedoel, het is zeg maar den eerste keer dat ik echt het gevoel heb dat ik voor iets leef, een doel heb ofzo, snapt ge? Hiervoor was m’n leven echt naar de kleurpotloden.U zegt? Elke dinsdagmiddag om 14u heeft ze een sessie bij me. Altijd net na mijn lunchpauze - een broodje tonijn pikant. Al weken komt ze langs en toch staan we nog nergens. Dit is de eerste keer dat ze echt zichzelf openstelt.  Awel ja, kleurpotloden. Ze lacht om mijn verbaasde blik. Ons ma dierf nogal weleens vloeken in huis, da was eigenlijk echt een gemeen mens, maar wilde da nooit doen voor onze neus, dus zei ze opt laatste moment altijd just iets anders. Ik vond da wel grappig, dus ben ik het ook gaan doen.Aha, kleurpotloden dus. Maar, wat is er nu dan anders?  Awel ja, het kindeke in mijne buik eh.  * Er staat een stoel langs elke kant van de tafel. Het is mijn eerste gesprek met mijn advocaat nadat ik de brief in de bus kreeg dat ik was opgeroepen als getuige in deze zaak. Twee koppen koffie en een thermos staan aan de zijkant van de eiken tafel. Zijn gsm ligt klaar om het hele gesprek op te nemen, standaardprocedure. Dit kan weleens een lange dag worden. Ik weet zelfs niet of ik het me allemaal nog herinner. Ik heb moeite om me te concentreren, mijn hoofd bonkt nog na van de muziek van gister, te hard gegaan in de Carré. Goed Jef. We weten allebei waarom je hier zit. Het enige dat ik van je vraag is om eerlijk te zijn tegen mij. Enkel dan kan ik je juist vertegenwoordigen. Niets achterhouden. Je weet dat ik zwijgplicht heb. Meester Pauwels is een oude familievriend, opgegroeid met mijn vader. Hij bereidt me voor, zodat ik de waarheid en niets dan de waarheid zeg. Ach, misschien een klein beetje verbloemd, maar dat deert allemaal niet. Dit komt allemaal in orde. Begin maar bij het begin, Jef. Ik had net mijn eigen prestigieuze praktijk geopend op de hoek van de Kerklaan en de Lippensdreef. Na een jarenlange stage bij mijn mentor - tevens mijn dooppeter Karel Verschueren, je kent hem wel - was het tijd om mijn vleugels uit te slaan. In alle eerlijkheid was zij mijn eerste cliënte. Haar naam was Vanessa.  Ze zat in de bruine leren fauteuil van Chesterfield die ik speciaal gekocht had om mijn werkruimte te bekleden - comfortabel doch elitair en een beetje waardigheid uitstralen. Mensen kwamen uiteindelijk toch naar hier om hun zwartgalligheid uit te spuwen op het nieuw gelegde parket, dan maar beter in een uitstekende zetel. Als ik dan toch moest luisteren naar de mensen hun miserie, dan maar beter met wat comfort. Sorry, maar waarom ben je eigenlijk psychiater geworden? Je praat erover alsof het je allemaal niet interesseert. Goh, het betaalt goed. En het enige dat ik moet doen is luisteren en pillen voorschrijven. Het was de makkelijke oplossing, in de voetstappen van onze pa treden. Ik voel mijn handen tintelen, de hoofdpijn gaat niet over. Ik hunker naar mijn bed. Pauwels blijft me stoïcijns aanstaren. Oké, ga maar verder. Ik had de muren geel laten schilderen. Ergens had ik gelezen dat de kleur van de zon liefde en verdraagzaamheid uitstraalt. Aan de muur hing een schilderij van een niet nader genoemde kust waar ik opgroeide. Ik zie zijn wenkbrauw omhoog gaan. Hij duwt zijn bril rechter op zijn neus. Oké, vertel me nu maar over jullie sessie.Ik zucht en ga verder. Ze droeg een zwarte jurk boven een wit T-shirt. In haar rechteroor hingen enkele opzichtige piercings, haar haar viel constant in haar gezicht, alsof ze het wilde verbergen. Ze had een ring in haar neus. Dat haar was trouwens zwart geverfd. Dat viel me direct op, haar natuurlijke kleur begon er alweer door te schijnen. Ik vond dat ze er beter zou uitzien met blond haar, maar bon. Ze droeg ook zwarte nagellak en van die geile bordeaux laarzen tot haar knieën.   Ze was niet ongewoon dik of dun, lang of kort. Een doodgewoon meisje uit de straat, al had ze wel een spin getatoeëerd op haar rechterarm.. Vast een gevolg van een turbulente puberteit en afzetting tegen de ouders, klassiek. In ieder geval, geen mens zou naar haar omkijken, dat was al snel duidelijk. Wat ik maar wil zeggen, Pauwels, geen mens keek naar haar om. Ze voelde zich alleen op deze wereld.   * Je bent zwanger? Mijn gedachten dwalen al af naar de afspraak van vanavond. Wat zal ik aantrekken? Misschien die ene polo die ik kocht in Londen, lekker strak, mijn spieren accentueren. Nee, ik kan beter met mijn hoofd hier nog even blijven. Nog even geld verdienen voor ik kan ontspannen.  Ja, ik zen zwanger. En ik wil het houwen ook.Al doen ik het alleen. Dees kind wordt het beste wat ik ooit heb meegemaakt in mijn leven. Ik zen zo enthousiast hierover, snapt ge? Wat is er schoonder dan een kind? Dees schatje gaat alles oplossen. Ze wrijft met haar hand over haar buik terwijl ze het vertelt en glimlacht alsof ze gelukkig is. Ik maak een notitie in mijn schrift en kruis mijn rechterbeen over mijn linker, adem uit door mijn neus.  Proficiat. Ze verwacht dat ik dit zeg, zelfs als ik het niet meen. En is de vader even gelukkig?  Ja merci merci. Goh ja, mijne vriend nie echt eigenlijk. Als ik eerlijk moet zen, de meeste mensen reageren nie zo positief. Maar dat kan me allemaal nie schelen, ik hou het en daarmee basta. Ik kan dees en ik wil dees.  * Een paar weken later sla ik de krant open en nip van mijn tas koffie, een latte macchiato uit mijn peperduur koffiemachine. De date van gisteren zit nog vers in mijn hoofd, de persoon in kwestie nog rustend in mijn bed. Ik glimlach. Op pagina drie van de krant staat een krantenkop die mijn aandacht trekt. Ik heb haar al weken niet meer gezien, maar weet meteen dat het om haar gaat. En ik begrijp meteen waarom ze niet kwam opdagen op onze laatste sessie.  Niet iedereen heeft het talent om te leven, terwijl iedereen het talent heeft om te sterven, denk ik bij mezelf. Ik sip nog eens van mijn koffie, verslik me niet, sta recht en keer terug naar het bed waar zij nog ligt te snoezen. Het zal een heerlijke zondag worden. De krant ligt nog opengeslagen op pagina 3. De krantenkop luidt:  Vrouw (26) springt van brug met pasgeboren kind in haar armen.       —  

Wout
0 0

Het besluit

Gebaseerd op feiten Toen Iris tien jaar geleden de telefoon kreeg dat haar vader was gestorven, wist ze nog niet dat haar leven schijnbaar voorgoed tot stilstand zou komen. Ze zei tegen haar huisgenoten dat ze onverwachts terug naar huis moest, stopte het hoogstnoodzakelijke in een tas en ging op weg. Ze zou nooit meer terugkeren. Ze liet dit leven achter om voor haar moeder te zorgen. Ze besloot om bij haar moeder in te gaan wonen en vond een job als nachtzuster op de dienst oncologie in het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Op die manier, zo redeneerde ze, had ze overdag ruimte genoeg voor haar moeder. Tijd voor buitenwerkse activiteiten was er amper; tussen zorgen voor haar ouder wordende moeder en de emotioneel zwaar beladen job in het ziekenhuis was er enkel tijd voor slaap - en zelfs dat kwam ze te kort. Nu is ze 38 jaar, ongehuwd en zonder enig noemenswaardig sociaal leven wanneer ze Thomas elke nacht aan het ziektebed van zijn vrouw ziet zitten.  * Verdriet is eenzaam. Iedereen ervaart het op zijn eigen manier, terwijl geluk samen wordt beleefd. Het is verdriet dat bepaalt wie je echt bent, wie je maakt tot wie je bent.  Blijven is opgeven; mijn dromen, mijn idealen, mijn wil irrelevant.  Hier heb ik niet voor getekend, dit wil ik niet. Een mens moet zichzelf op de eerste plaats zetten om te overleven. Ten koste van alles.  De zachte tik op de deur ontwaakt me uit mijn gedachtenstroom. Ik kijk op en zie ze treuzelend voor de deur staan. Ze houdt lege ampullen vast, straks zullen ze gevuld zijn met bloed. ‘Hey Iris.’ ‘Hey, sorry, het is tijd voor een nieuwe bloedafname. Heb ik je wakker gemaakt?’ ‘Nee hoor, slapen hoort al even niet meer tot de mogelijkheden.’ Ik probeer een glimlach te forceren om mijn lippen. Het mislukt.  * Een blik kan je hart breken.  Het is al laat in de avond die donderdag  wanneer het telefoontje komt. Enkele uren voordien waren ze nog maar op consultatie geweest, om te kijken wat er mis was. Slecht nieuws komt altijd laat op de avond. Steeds een regenachtige dag, in de koude en de kilte. De zon heeft geen rol in zo'n verhaal, ook hier niet. De vooruitziendheid van het lot.   Hij ziet het onmiddellijk in haar ogen: dit is geen goed nieuws.   De dokter belt namelijk terug. Ooit, nog niet zo lang geleden, was zij een spring-in-het-veld. Een prachtige vrouw, vol met passie en vuur. Dat vuur lijkt nu te zijn gedoofd.Een verklaring is er nog niet, maar die zou er snel zijn. Haar ogen staan dof, haar gelaat grauwgrijs, de vermoeidheid spreekt uit alle gelederen van haar lijf. De dokter zegt dat ze de volgende dag naar het UZ Leuven moeten, er is iets ernstigs mis.  Gasthuisberg dus. De fabriek zoals zij het nu noemen.  Zo groots, vol met machines en werkers om de mens weer gezond te maken. Het wordt hun nieuwe thuis voor het komende jaar. De plek waar ze meer tijd spenderen dan in het huis waar ze al hun hebben en houden hadden ingestoken. En ook geluk. Wat waren ze gelukkig geweest. Dat geluk leek te smelten voor hun ogen: aan het ziekenhuisbed van de vrouw waarvan hij ooit dacht zijn hele leven mee te delen. In goede en kwade dagen. De kwaadheid krijgt een naam. Het monster huist in haar. Het verdriet is kanker.   Kanker stinkt. Het rot het lichaam van binnen uit. De chemo verbrandt alles tot in het diepste van de ziel. Zoals de mens op een bepaald moment doorhad dat brandlandbouw later de grond opnieuw kan cultiveren, zo brandt chemo alles weg in het lijf, zodat de mens later weer gecultiveerd wordt, zonder het beest in haar.   Hij beseft dat hij van haar moet houden, zelfs als ze daar ligt, amper overlevend, maar hij kan het niet. Niet meer. Dit is niet meer de persoon waarvan hij ooit gehouden had. Wie is er om hem te helpen? Hij zoekt naar troost in de donkerte. Weet met zichzelf geen blijf. Soms loopt het leven zo. Het is niet eerlijk. Niemand kiest voor kanker, niemand kiest voor lijden. Iedereen wil  kiezen voor geluk, voor liefde. Daar wil hij naar rennen. Die gedachte sust hem. Hij valt in slaap en droomt over lang vervlogen tijden.  * Hij was bloednerveus voor hun eerste date. Hij rookte vijf sigaretten na elkaar, mondspray en parfum telkens bij de hand zodat ze het niet merken zou. Hij was - zoals gewoonlijk - veel te vroeg. Een uur van tevoren stond hij al ijsberend  aan de ingang van het museum. Beter te vroeg dan te laat, dacht hij bij zichzelf. Het was haar idee om de nieuwe tentoonstelling in Bozar te bezoeken. Hij had hier nog nooit een voet binnen gezet, maar durfde geen nee te zeggen; alles voor een goede eerste indruk. Ze kwam aanlopen in al haar kleurenpracht. Een wollen sjaal van paars en rood, een gele lange winterjas en blauwe sneakers met oranje veters. Haar haren waren in een messy bun, haar stem krachtig en zinderend. ‘Hey, Thomas? Hoihoi, sorry dat ik wat te laat ben, ik moest nog naar de markt mijn nieuwe kindjes ophalen en dan Sarah thuis water geven, de tijd uit het oog verloren!’De blik in Thomas zijn ogen zou Line nog jaren later doen huilen van het lachen als ze eraan terugdacht.‘Sorry, ik kan soms chaotisch zijn, uhm, ik noem mijn planten mijn kindjes. Ik kan namelijk zelf geen kinderen krijgen en dan is dit the next best thing. Oei, sorry, ik kan ook een flapuit zijn, misschien geen eerste date-materiaal. Bon dat weet je dan, hoi, ik ben Ella! Hoe gaat het met jou, sta je hier al lang?’Thomas stond perplex, verwonderd, bewonderend naar haar te kijken. Lines wervelende zijn had hem helemaal omgewaaid. Hij was reeds verloren. Wanneer hij dit verhaal later aan zijn vrienden vertelt, zal hij soms beweren dat hij op dat moment verliefd op haar wordt. Op andere dagen, andere momenten, in andere verhalen, zal dat moment later vallen. * Het leven van een nachtzuster kan saai zijn. Eenzaam. De meeste mensen blijven namelijk niet ‘s nachts bij de zieke. Het leven gaat verder, de wereld daarbuiten draait door. Werk, de kinderen, de hond die nog moet worden uitgelaten, de planten moeten nog water krijgen. Thomas niet.Elke avond blijft hij bij het bed van Line. Elke nacht ziet Iris hem staan bij het koffieapparaat. Het bakje troost tegen het onmenselijke verdriet. Iets om de nacht door te komen. Ze ziet de wallen onder zijn ogen elke nacht een beetje groeien, de ogen roder, de baard langer, het haar vettiger en het gelaat grijzer. Toch merkt ze  steeds een krul in zijn lippen als hij haar ziet.   ‘Hoe gaat het met je moeder?’ Hij drukt de knop in van het espressomachine, neemt routineus al twee tassen uit de kast. ‘Ach, ze wordt vergeetachtig, begint achter mijn vader te vragen.’ De regen klettert tegen de ruit. Ritme van de eenzaamheid. De wind waait hard. Op de achtergrond draait de radio de nieuwste van Bazart, Denk maar niet aan Morgen. ‘Sorry om te horen.’ Hij neemt twee suikers en een melk uit de lade en geeft ze aan haar. ‘Wanneer is de laatste keer dat je nog eens iets voor jezelf hebt gedaan? Uit geweest, voor het plezier?’Een grijns verschijnt om haar lippen, twee rimpels op haar voorhoofd. Ze ontwijkt niet subtiel de vraag. ‘Heb je de match gezien gisteren?’ Haar ogen staren door het raam. De grijze blokken kijken terug. Hierbinnen is het al volop tristesse, denkt ze bij zichzelf, waarom maken we het buiten dan niet wat gezelliger? ‘Neen, niet gezien.’ Haast achteloos ademt hij diep in. ‘Line had een onderzoek. Hier je koffie, ik moet terug.’ Hij zegt het alsof hij zich betrapt voelt. Wat sta ik hier bij een andere vrouw te kletsen? Ik moet bij Line zijn. Altijd bij Line zijn. * Soms staat egoïsme duurzaamheid in de weg. Hij denkt dat verdriet alleen wordt gedragen, vecht lang tegen het idee dat wat hij doet - bij zijn vrouw blijven - het juiste is. Tot hij Iris tegenkomt, die elke nacht de kamer binnenwandelt om het infuus te laten bijstellen en bloed te nemen uit de katheter die uit Lines borstkas steekt. Dit in de hoop dat deze medicatie eindelijk haar weer de persoon zou maken waar hij smoorverliefd op is geworden, die novemberavond na een nacht doorzakken. Zijn gedachten dwalen weer af. Na het museum, een overzichtstentoonstelling van een Catalaans kunstenaar ten tijde van Franco, besluiten ze nog iets te gaan drinken, in de vaste kroeg van Line net om de hoek. Snel zou het ook zijn stamkroeg worden. Line babbelt maar door alsof ze elkaar al jaren kennen. Thomas blijft vol bewondering naar haar kijken. Het is al laat in de avond wanneer ze uiteindelijk de tram naar huis nemen. Ze moeten dezelfde richting uit. Thomas herinnert zich later, na het incident op de tram, dat hij Line vanaf dat moment nooit meer wilde laten gaan. Twee jongeren staan amok te maken in het midden van het gangpad. Iedereen kijkt de andere kant uit, uit vrees dat zij de volgende zijn die de scheldtirades te horen krijgen. Maar zij is niet bang. Zij staat recht en gaat op ze af, geeft ze een klap voor hun kop. De blik in hun ogen zal hij nooit vergeten. Het gevoel van oeverloze trots blijft hem altijd bij.De kracht waarmee ze de wereld een betere plaats wil maken. Daar is hij verliefd op geworden. Op dat moment wist hij dat ze een prachtige vrouw was die niet met zich liet sollen. Op dat moment wist hij dat de rest van zijn leven met haar wilde samenblijven. Alsof het altijd had moeten zijn. En lang zal het ook zijn, maar niet altijd.

Wout
0 0

Het verlies van mezelf

Faith frightens me, Lydia. Nothing is certain. At any given moment something could happen to change all that we are. - Fernando Pessoa Een herinnering In dit leven, waarin ik dit verhaal neerschrijf en waarin u als lezer dit nu leest en/of beoordeelt, besta ik.  De munt is op het juiste moment de juiste kant opgevallen. Het had anders kunnen zijn. Voor hetzelfde geld was ik dood. Ik kreeg echter een nieuw harnas, dat mijn ziel tot op heden huisvest. Ik kreeg een nieuw leven aangeboden. Al voelde ik me er lange tijd niet thuis.  Het begin Het is 25 februari 2005. Ik zit in het zesde leerjaar. Gisteren stond ik nog op de speelplaats, keuvelend met mijn vrienden over de toekomst, vol nieuwsgierigheid, levenslust en pertinente vragen. Naar welke school ga jij volgend jaar? Welke richting ga je volgen?  Vandaag zie ik in het flikkerende artificiële licht van de lichtblauwe gang witte hemden op crocs voorbij wandelen. Aan de andere kant van die gang zit een kind met roze muts in een rolstoel. Verschillende draden hangen uit zijn linkerarm, rode, witte en oranje, verbonden met baxters aan een infuusstandaard. Twee volwassenen, vermoedelijk de ouders, praten met een dokter. Alle drie kijken ze somber met een frons op hun gezicht. De vrouw huilt. De man nipt van zijn koffie uit het plastieken bekertje. Het kind staart doelloos voor zich uit, zijn ogen lusteloos verborgen in zijn grauwgrijze gelaat.  Ik zit samen met mijn ouders in een rommelig wachthoekje. Er staan een witte tafel en blauwe zetels. Op de tafel ligt wat speelgoed, een Nintendo 64 is aangesloten, maar er zit geen spel in de console. Op de zetels naast ons liggen wat magazines, Story, Dag Allemaal en Libelle. We wachten op de verpleegster die inderhaast onze kamer moet klaarmaken, het is allemaal heel snel gegaan.  Het is 25 februari 2005, ik zit in een donkerblauwe zetel op de tiende verdieping in de gang van de dienst kinderoncologie van het UZ Gasthuisberg. Ik weet het nog niet maar dit wordt voor de komende tijd mijn thuis.  Ik ben ziek. Mijn eigen lijf mishandelt me.  En sindsdien mishandel ik mijn lijf.  Het heden Ik zit in de keuken starend naar mijn computer aan de houten tafel die is meegekomen met mijn vriendin uit haar vorige appartement. Een stomende tas koffie - zonder melk noch suiker - staat naast de laptop. De ochtendzon verwarmt de kamer. Door het raam hoor ik kinderen spelen, mensen praten. Het leven gaat voort.  Ik zit hier om grip te krijgen op mijn verleden. Volgens mijn therapeute helpt schrijven; het op papier zien staan, helpt om het los te laten, om er structuur in te zien en om het te verwerken. Dus begin ik het op te schrijven.  Tijdens de eerste periode na de diagnose, waarbij ik meer in een troosteloze ziekenhuiskamer verblijf dan in mijn warm nest thuis, proberen ze verschillende methoden om me beter te maken. Destijds noemden ze het een paardenmiddel; een makkelijke manier om het aan een kind uit te leggen. Nu weet ik dat het EPO was.  Algemeen is EPO bekend als een dopingmiddel bij topsporters, om betere resultaten te krijgen. In mijn geval werd het gebruikt om de aanmaak van bloedcellen te stimuleren.  Het probleem dat zich stelt, is namelijk dat mijn beenmerg opgehouden is met werken.  Het beenmerg is een plasma dat in de gewrichten zit en zorgt voor de aanmaak van bloedplaatjes, rode bloedcellen en witte bloedcellen. Het monster kreeg een medische benaming: aplastische anemie, een zeldzame bloedziekte.  In een ander universum zou ik, als EPO-gebruiker, dus zomaar de Ronde van Frankrijk kunnen winnen. U, als lezer, weet ondertussen dat het verhaal niet zo zal verlopen.  Deze middelen werken namelijk niet. Het eindverdict: een beenmergtransplantatie. Op 2 augustus 2005 krijg ik het beenmerg geïnjecteerd van een anonieme donor.  De eerste stap naar de transplantatie is de afbraak van mijn lichaam: chemo en 6 weken quarantaine. Quarantaine betekent wat het betekent: complete isolatie. De laatste twee weken mogen mijn vader of moeder enkel de kamer betreden als ze volledig beschermd zijn - handschoenen, schort, muts. Niemand raakt me aan zonder bescherming. Ik ben volledig fragiel en mentaal reeds gebroken.   De chemo verbrandt alles tot in het diepste van de ziel. Zoals de mens op een bepaald moment doorhad dat brandlandbouw later de grond opnieuw kan cultiveren, zo brandt chemo alles weg in het lijf, zodat de mens later weer gecultiveerd wordt, zonder het beest. Enkele dagen voor de volledige isolatie, lig ik al in het ziekenhuis voor de eerste voorbereidingen. Op mijn normale gang, met de verpleging die ondertussen kennissen zijn. Patrick houdt net als mij van voetbal, Rita wordt mijn toeverlaat. Het is een hittegolf en bloedheet in de kamer. Bovenop krijg ik ook nog eens 40 graden koorts. Zo erg dat de dokters even overwegen om de transplantatie uit te stellen. Het zou geen goed idee zijn om mijn immuunsysteem af te sluiten. De verpleging helpt zoveel als ze kunnen en de ventilator wordt verplaatst naar mijn kamer. Mijn moeder houdt constant een nat kompres op mijn voorhoofd. Alles om mijn temperatuur naar beneden te krijgen.  Achteraf denk ik soms dat dit een teken van verzet was van mijn lichaam; we willen hier niemand nieuw. Dit is geen goed idee. Laat het afgelopen zijn.  Soms denk ik dat ik had moeten luisteren naar mijn lichaam.  De revalidatie verloopt in eerste instantie vlot. Enkele weken later - ik ben in totaal zes weken in quarantaine - mag ik naar huis. Maar niet voordat heel mijn lichaam zich aanpast aan de nieuwe inwoner. Ik vervel volledig. Ik krijg nieuwe nagels - op mijn tenen zie je nog steeds kleine scheurtjes van niet zorgvuldig ingegroeide nagels. Op mijn rug heb ik nog steeds zwarte stipjes uit die periode. Een van de vele aandenkens.  Wekelijks ga ik, samen met mijn moeder,  naar het daghospitaal voor medicatie die acht uur lang langzaam via een katheter in mijn lijf drupt. Ik ga mondjesmaat terug naar school - het eerste middelbaar deed ik grotendeels in thuisonderwijs. Ik groei op, maar blijf fysiek en mentaal een kind. Van de wereld verdwenen om er dan weer ingegooid te worden, zonder voorbereiding. Ik huil veel. Waarom lijkt niemand te beseffen.  Mentaal ben ik onafgebroken een wrak. Het kostte me tijd en het kost me nog steeds tijd gewend te worden aan mijn nieuw lijf. Ze gaven me een nieuw leven, maar ze leerden me niet hoe ermee om te gaan, hoe er vrede mee te nemen. Ik voelde me alleen. Het was een strijd om het juist te krijgen - de revalidatie duurde lang en niet zonder obstakels - en soms denk ik dat het nooit helemaal zal wennen.  Ik was namelijk blij met mijn oorspronkelijk lichaam. Dat was blijkbaar niet blij met mij en stopte met zijn voornaamste taak: mij in leven houden. Ik voelde me verraden en zocht naar wraak tegen iets dat ik niet meer had: een normaal leven.  Tot op heden is niet duidelijk waarom mijn oorspronkelijk beenmerg heeft gefaald.  Het vervolg In 2015 is mijn leven weer normaal. Ik ben genezen verklaard door de kinderoncoloog die me van bij het begin heeft opgevolgd en ik ga voltijds naar school. Ik studeer ondertussen in het derde middelbaar, Latijn-Talen, en probeer mijn leven weer op te pikken. Ik ga naar het voetbal en ik neem opnieuw lessen, muziek en slagwerk. Ik heb echter een schijnbaar onoverbrugbare achterstand. De jaren die mij zijn afgenomen zijn moeilijk om terug te eisen. Mentaal en fysiek ben ik nog steeds twaalf jaar. De ziekte heeft ervoor gezorgd dat ik moeite heb om in de puberteit te komen. Spuitjes testosteron moeten me wederom helpen om vooruit te komen.  Even later komt mijn lichaam in verzet. Het beenmerg komt in opstand.  Ik ben me aan het klaarmaken voor school. Ik voel me stijf in mijn ledematen, alsof ik de dag ervoor zwaar heb gesport - wat niet kan, ik mag nog niet meedoen met de lessen L.O.. Ik eet mijn boterham met choco aan de witte keukentafel, poets mijn tanden en probeer dan mijn kousen aan te trekken. Dit gaat moeilijker dan verwacht. Mijn mama staat aan het aanrecht te kijken. Ik wil haar niet ongerust maken en doe alsof alles in orde is. Ik verplaats me naar de woonkamer en zet me op de zwartleren zetel. Zij blijft in de keuken staan wachten tot ik klaar ben. Ik krijg mijn sokken amper aan, mijn rug doet pijn als ik me strek, mijn knieën en armen krijg ik amper geplooid. Er is iets mis. Ik overtuig mezelf dat het niets is. Ik wil niet meer ziek zijn, ik wil mijn ouders niet meer ongerust maken.  Maar ongerust zullen ze weer worden en zullen ze altijd blijven. Ik zal altijd degene zijn die ooit ziek was. Ik zal altijd moeten opletten wat ik doe en zorg dragen voor mezelf. Ik wil dit niet en probeer het dus verborgen te houden. Een moeder weet en ziet echter altijd alles en maakt opnieuw een afspraak in het UZ Gasthuisberg. Ik heb reuma in mijn gewrichten.  Omdat men niet weet waarom mijn beenmerg gestopt is met werken, weet men ook niet waarom ik nu reuma heb. Is het een gevolg van de stamceltransplantatie? Is het hetzelfde monster dat ervoor gezorgd heeft dat mijn beenmerg faalde? Men weet het niet. Het enige dat gedaan kan worden, is me beter maken zodat ik weer kan doorgaan. Dit betekent opnieuw regelmatige controles bij de dokter, nieuwe (misselijkmakende) medicatie en sessies bij een kinesist. Het lijkt alsof alles opnieuw begint. De onwetendheid dat het elk moment weer mis kan lopen, maakt me gek.  De medicatie en therapie werken en ik kan weer verder. Mijn leven opnemen en doen alsof er niets aan de hand is. Ik wil zo snel mogelijk weer normaal zijn. Daarom doe ik wat elke 17-jarige hoort te doen: Uitgaan en proberen plezier te maken. Mijn lijf, leden en mentale toestand smijt ik aan de kant, ik ga doen wat elke andere jongere doet: drinken tot ik erbij neerval. Ik wil de coole kid zijn en begin te roken. Zes jaar nadat beenmergfalen bij mij wordt vastgesteld en ik een nieuwe thuis krijg op de gang kinderoncologie van Gasthuisberg, tussen andere kinderen met zware ziektes, doe ik het ergste wat ik mijn lichaam kan aandoen: ik moord mezelf uit van binnenuit. Ik doe het omdat het cool is, omdat ik zoals de ander wil zijn. Ik doe het omdat ik te laf ben om er zelf een einde aan te maken. Ik wil mijn ouders en mijn broer, die hun eigen leven opzij hebben gezet om voor mij te zorgen, niet teleurstellen, niet nog meer verdriet aandoen. En dus blijf ik leven, niet voor mij, voor hen.   De vlucht Ik ben niet geboren in dit lichaam. Al mijn kwalen, alles wat ik nu meemaak, de droge, snel geïnfecteerde ogen, de verwrongen gewrichten, de smalle spieren, de littekens op mijn lijf, mijn scheefgegroeide tanden; alles is een overblijfsel van mijn ziekte. Ik ben een ander mens geworden. Iemand die ik nooit had willen zijn. Het beenmerg dat nu in de kern van mijn gewrichten zit, is niet het mijne. Het bloed dat het aanmaakt, wordt niet door mij gemaakt. Ik voel me niet veilig in mezelf.  Biologisch ben ik genezen. Men verwacht van mij er het beste van te maken, de tweede kans te grijpen.  De beslissing is voor mij genomen. Ik heb het gevoel dat ik beter moet zijn dan de rest omdat ik een tweede kans heb gekregen. De zelfopgelegde druk is enorm.  Maar ik heb hier niet om gevraagd. Ik wilde mijn eerste kans grijpen en dat is mij ontnomen. Ik kreeg geen tijd om me te ontplooien in mijn eerste leven en ik had het te druk met overleven om te genieten van mijn tweede leven.  Het voelt als verraad van de hoogste orde. Het is ergens in 2018, op een doordeweekse woensdag, waar ik elke week zit op mijn vaste kruk aan de vaste toog van mijn vaste stamkroeg. Naast mij zitten Erik en Arnd, twee andere vaste klanten waar ik bevriend mee ben geworden en die, net als ik, niets anders te doen hebben dan hier te komen zitten en dronken te worden. Een half jaar geleden ben ik afgestudeerd, met onderscheiding in de politieke wetenschappen, maar toch werkloos. Ik weet niet waar ik naartoe wil met mijn leven. En die doelloosheid, die ik meestal kan verbergen wanneer ik nuchter ben, komt uitgestroomd in woede en frustratie als de zoveelste pils probeert mij op te warmen. Zijt is kalm, jong?! Neje, ik zen nie kalm, verdoeme, ik weet nie meer wat te doen.  Ik overleef op alcohol. Reeds in de laatste jaren van mijn universitaire carrière heb ik alcohol nodig om de avond door te komen en in slaap te vallen. Ik wandel veel. Van nachtwinkel naar nachtwinkel. Amid van de winkel aan het Ladeuzeplein in Leuven herkent me wanneer ik binnenkom.  Dag meneer, alles oké vanavond? Ja merci, ge moogt me ook een pakje Marlboro Gold geven alstublieft. Ik zet een blikje halve liter Cara Pils op de toog en neem cash uit mijn portefeuille.  Voila, 8 euro 50 alstublieft. Ziezo, tot later. Tot morgen meneer. Ik loop rond in het centrum van Leuven, alleen en zonder doel. Cara pils in mijn ene hand, een sigaret in de andere. Ik wandel van nachtwinkel tot nachtwinkel tot ik dronken genoeg ben om in slaap te vallen en de dag weer te beginnen, op dezelfde manier. Overal zie ik gelukkige studenten plezier maken met hun vrienden. Er wordt gelachen, gediscussieerd en sociaal gedronken.  Ik drink niet sociaal, ik drink alleen met mijn gedachten. Nadat ik ben afgestudeerd keer ik terug naar mijn ouderlijk huis, nergens anders om te zijn.  Nadat ik afgestudeerd ben, zit ik elke woensdag, vrijdag en zaterdag in mijn stamkroeg en doe ik wat ik mezelf heb aangeleerd: drinken om iets te voelen. Of misschien om niets te voelen. Dit is niet het lijf waarin ik geboren ben en dus moet ik er alles aan doen om het te vernietigen. Dit denkpatroon zal mijn leven sturen voor de komende 13 jaar. Tot mijn energiebron volledig leeg is en ik in de zomer van 2023 in burn-out ga. Ik zit (letterlijk) volledig aan de grond met angst- en paniekaanvallen en besef dat ik wel wil leven. Ik weet alleen nog niet hoe.  De toekomst Het is tijd om mijn verleden te claimen. Twintig jaar lang heb ik gevochten tegen mezelf. Niet begrijpend waarom iemand mij zou willen liefhebben. Ik zat gevangen in een lichaam dat niet voelde als het mijne, levend volgens de wetten  waar ik geen zeggenschap in had. Sindsdien loop ik verloren. Het enige dat ik wist te doen was vluchten. Welkom alcohol. Nu woon en werk ik in Brussel samen met mijn partner. Ik ga al enkele jaren onafgebroken naar een therapeut en neem antidepressiva. Paroxetine, 30 mg. Ik leef en ik ben blij dat ik leef. Een pagina is geschreven, ik leer leven met mezelf en ben tot het besef gekomen dat dit mijn leven is. Ik heb dit beenmerg geclaimd, het bloed dat door mijn aderen stroomt is mijn bloed en het doet er alles aan om mij gezond te houden.  Ik ben gezond, content en klaar om de wereld te veroveren.   Geschreven door Wout Bols voor het magazine Hard/hoofd, september 2025    

Wout
0 0

Babbelen, een aandoening

Ik weet dat mijn collega’s het doen. Met post-its. Stiekem. Tussen koffietassen en laptops.Kleine gekleurde briefjes die zogezegd ergens anders voor dienen. Post-its met tijdstippen.Met pijltjes. Met hoofdletters. (LIEFST VOOR 11U) Post-its met voorzorgen. Met alternatieven. Met stilzwijgende afspraken. Ik zie het voor me. Een muur. Een kastdeur. Een prikbord. Een soort commandocentrum. Plan Katrien. Want vóór elf uur in de ochtend hebben de avondmensen het zwaar. Dan krijgen ze het te verduren:  de actieven, de vroege vogels, het type mens dat al drie ideeën heeft voor er koffie is. Dan zijn ze nog niet bestand tegen enthousiasme. En al zeker niet tegen iemand die praat zoals ik. Ik geef hen mee dat ik stil te krijgen ben in twee mogelijke situaties.Ofwel ben ik de overtreffende trap van boos en dat wil je echt niet.Ofwel ben ik dood. Of ze dat willen, laat ik wijselijk in het midden. Ik weet het.Ik ben een babbelgat. Mijn mond staat nooit stil.Ik praat tegen onbekenden in de lift alsof we samen op reis zijn en niet gewoon onderwegnaar verdieping drie. Alsof we straks nog een koffie gaan drinken en elkaars levens gaan samenvatten in twee minuten en een halve spiegel. Ik praat tegen de kassierster van de GB over welke chocolade vandaag echt mee moet.Omdat ge dat voelt, hé. Dat dat zo’n dag is. Over dat ge eigenlijk maar voor twee dingen binnenkwam en nu toch weer met een kar staat waarvan ge zelf zegt: ja bon, ’t zal nodig geweest zijn. Over hoe een winkelkar altijd trekt naar de verkeerde kant, en dat dat niet uw fout is maar een fabricageprobleem. Ik praat op vergaderingen over nog te evalueren punten, over dingen die we zeker moeten meenemen, over dingen die misschien ook nog belangrijk zijn en die we dan later nog wel eens bekijken. Ik praat tijdens de middagpauze over wat ik morgen ga eten. Planning in het leven is alles.  En ondertussen denkt iedereen:Die zegt alles.Die is rechtuit.Die kan niet zwijgen. Laat ons even ernstig zijn. Dat babbelen is geen afwijking. Geen charme. Geen karaktertrek.Het is een stoornis. Een aandoening. Diagnose: subassertief (pratend zwijgen voor de buitenstaanders) Kenmerken:overmatige woordproductie,vermijden van directe benoeming,stilte ervaren als bedreigend. Onderliggende factoren:angst om te kwetsen,angst om te verliezen,angst voor wat volgtna de waarheid. Prognose: chronisch, maar sociaal aanvaard. Behandeling: zelfinzicht, en een omgeving die leert luisteren naar wat niet gezegd wordt. Mijn babbelen is geen spreken.Het is camouflage.Een rookgordijn van woorden waarachter ik netjes verberg wat ik niet durf benoemen.Mijn praten is geen lawaai. Het is oorverdovend zwijgen. Wat ik niet zeg, verdwijnt niet.Het gaat pruttelen.Sudderen.Slowcooken.En in het beste gevalbrouw ik er een schrijfsel mee,zoals nu. Dat is mijn manier van zwijgen.Maar ik ben niet alleen. Er is het zwijgen van wie alles netjes op een rij heeft. Het zwijgen dat klinkt als duidelijkheid en zich verstopt achter schema’s en rust. Het zwijgen uit beleefdheid. Dat glimlacht, knikt en later zegt: “Het was eigenlijk niet oké.” Het zwijgen uit angst. Dat bang is om iets los te maken wat niet meer terug in de doos wil. Het strategische zwijgen. Dat wacht. En timing als excuus gebruikt. Het zwijgen van de vermoeiden. Van wie geen woorden meer over heeft omdat ze te vaak niet gehoord zijn. En dan is er het zwijgen in de liefde. Dat kan sterk zijn. Zoals: wij hebben geen woorden nodig. Een stilte die draagt. Maar soms schuurt het. Dan wordt zwijgen een afstand. Een lijn. Een stil afgesproken even niet. Menselijk. Maar nooit plezant. En dan is er nog het collectieve zwijgen. Dat van veronderstellen. Van hopen dat de ander het wel weet. Van samen niets zeggen en dat zorg noemen. Soms denk ik dat het eenvoudiger zou zijn als we niet zoveel moesten raden. Stel je voor. Een ideale wereld.Een wereld waarin we allemaal rondlopen met een gedachtenscherm boven ons hoofd. Gewoon een sober venster waarop verschijnt wat je eigenlijk verzwijgt. Dan staat het er.Dan weet Tom hoe leuk ik hem vind. Dan leest Maggy wanneer ze weer aan het zagen is. Dan kan Paul eindelijk werk maken van die deo. Dan weet Els dat ik eigenlijk vind dat ze gelijk heeft. Ook al heb ik dat nog nooit toegegeven. Tak.Tak.Tak. Eindelijk alles duidelijk. Eindelijk plaatsvervangend spreken tijdens het zwijgen.  En als dan dat ene moment komt waarop ik wél stil word. Daar... bij de overtreffende trap van boos. Dan verschijnt het eindelijk op mijn scherm. Eén zin. In drukletters. In rood. PAK MIJ NU GEWOON EENS NE KEER VAST. Dat is alles. Dat is eigenlijk alles waarover ik de hele tijd aan het zwijgen was.

Katrien Daniels
66 1

De natuur schreeuwt

Een week na mijn ontslag werd ik ‘s nachts wakker door een snerpende opdringerige piep in mijn linkeroor. Ik sprong uit bed, negeerde het gemopper van mijn vrouw en holde de trappen af. Het gepiep achtervolgde me, even luid en aanwezig, waar ik ook heen liep. Die nacht sliep ik niet meer. Ik draaide me afwisselend op elke kant, drukte mijn hoofd in het kussen om het geluid te smoren. Toen ik ’s morgens de koffiemachine aanzette daverden mijn hersenen. Ik vluchtte de keuken uit. Ondertussen zijn er drie maanden voorbij en doet ook mijn rechteroor mee aan het feestje. Daar hoor ik een gesuis, alsof een rivier door mijn hoofd stroomt. Mijn huisarts zegt dat het letterlijk tussen de oren zit, mijn vrouw zegt dat ik er niet mee bezig moet zijn. Allebei denken ze te weten dat het komt door de stress op mijn werk. Ik werk niet meer maar dat weten ze niet. Mijn vrouw weet heus wel dat er problemen waren, we hebben niet de gewoonte tegen elkaar te liegen. Een kwestie van tijd voor de dossiers die ik zorgvuldig onderaan de stapel legde van zich lieten horen. “We krijgen klachten binnen,” zei mijn baas. Ik was verbaasd dat het zolang geduurd had. Ik nam al zes weken mijn telefoon niet meer op. De keuze was helder. Of ik stapte in een verbetertraject met functioneringsgesprekken, key performance indicatoren en werkdoelen met performante prestaties. Thuis werken was voortaan uit den boze. Of ik kreeg ontslag met een mooie opzegvergoeding. “Stoppen op je hoogtepunt,” zei mijn baas. Hij zweeg even. “Of net voorbij je hoogtepunt.” Als het me al pijn deed dat ze veel geld over hadden om van me verlost te zijn, voelde ik het niet op dat moment. Enkel een lichte euforie, een vaag vleugje vrijheid. Eenmaal thuis had ik de oprechte intentie mijn vrouw in te lichten. Ze heeft alleen de kwalijke neiging me te onderbreken voor ik een volledig verhaal kan vertellen. “Je gaat je best doen, hoor je me,” zei ze na enkele zinnen. “Herpak je. Grijp een nieuwe kans met twee handen aan. Je gaat een goede job toch niet zomaar opgeven.” Toen belde haar moeder. Ons gesprek eindigde zonder dat ik de kans zag toe te voegen dat de ontslagformulieren al ondertekend waren. Misschien niet zo netjes dat ik haar ’s morgens niet verbeterde toen ze me een fijne werkdag wenste. Ik gaf haar een tedere zoen, vertrok in mijn beste pak. Bleef lang genoeg wandelen tot ze zelf ook zeker naar haar werk was. Dat ben ik sindsdien blijven doen. Als ik thuiskom veeg ik de modder van mijn nette schoenen, jammer dat ze zo oncomfortabel zitten. Ik probeer echt werk te vinden. Na mijn ochtendwandeling zet ik me achter de computer, heldhaftig met mijn thermos koffie in de aanslag. Muziek op om mijn hoofd niet te horen. Muziek weer af, de piep stijgt in toonhoogte om alles te overstemmen. Stilte kan ik beter verdragen, hoewel het nu een heel dynamische stilte is. Ik stuur af en toe een sollicitatiebrief, al weet ik nooit wat ik erin moet zetten. Hoe ik ook wroet in mijn binnenkant, ik vind geen authentieke drijfveer, geen passie die me kan overtuigen weer de wereld in te gaan. Chat GPT doet dan maar het werk. De afwijzende antwoorden die ik krijg zijn even standaard als mijn brieven. Uit een hele reeks kandidaten hebben we het profiel geselecteerd dat op vlak van competenties het beste aansluit bij onze verwachtingen. Tot onze spijt werd u niet weerhouden. We wensen u veel succes met de zoektocht naar een nieuwe uitdaging. (U bent te oud, te vastgeroest. Uw carrière is vlakker dan een pas aangelegd dorpsplein. U solliciteert beter bij het natuurhistorisch museum. Fossiel.) Eén keer typ ik een antwoord. Van harte bedankt om me niet te weerhouden. Ik word nog liever levend begraven onder een berg nucleair afval dan in uw bedrijf. Uw missie is zo zoutloos dat de zee niet genoeg zout heeft om ze op smaak te brengen. Ik verzend de mail niet. Of misschien heb ik het toch gedaan. Gelukkig laat mijn vrouw de financiën over aan mij. Zolang er genoeg op de rekening staat is er geen haast bij. Ik heb andere zorgen aan mijn hoofd. Tijdens mijn dagelijkse ochtendwandeling wordt het geluid ondraaglijk luid telkens ik voorbij het huis van crazy catlady loop. Mijn piep neemt mijn hele hoofd, lichaam, zijn, in beslag. Ik ben alleen nog maar piep. Dan komt er gerammel en gedender bij alsof ik naast een goederentrein loop. Ik bedek mijn oren maar het geluid heeft bezit van me genomen. Op dat moment ben ik bang. Wanneer ik voorbij het huis van crazy catlady stap, mijn best doe niet te hollen als een idioot. Ebt het geluid weg. Mijn piep weer vertrouwd op de achtergrond, mijn gesuis met wat verbeelding de wind in de bomen. Ik heradem. Ik ben een gewoontemens, ik maak altijd dezelfde toer. Na een kwartier loop ik over een kasseiweg die naar het bos leidt. Aan de ene kant staan afgelikte nieuwbouwwoningen. Aan de andere kant de sociale woonwijk. Ongeveer tien arbeiderswoningen met dezelfde treurige gevels en een lapje voortuin. Ze kijken net als hun overburen uit op de bossen, op dat vlak is de straat egalitair. De meeste huizen staan al een tijdje leeg, het onkruid woekert, de schuurtjes scheef gezakt, vergeelde gordijnen achter de ramen. In het begin van de straat zijn er nog enkele huizen bewoond al zijn ze even slecht onderhouden. De afvalzakken en kapotte kinderfietsjes in de voortuin verraden dat er nog leven is. Het eerste huis in de rij is een uitzondering. Er hangt een bordje voor het raam: Watch out, crazy catlady lives here. Een kleurenpalet aan bloemen, een bloesemende appelboom. Een weelderige hazelaar houdt de wacht. Geen gordijnen voor de ramen, de deur frisgroen geverfd. Het is die plek, exact daar waar de bedrading in mijn hersenen een absoluut crescendo produceert. Vandaag doe ik iets wat ik nog niet deed. Ik houd halt. Hoe ondraaglijk ook, ik stop. Ik bedek vergeefs mijn oren. Iedereen denkt dat de figuur op het beroemde schilderij zelf schreeuwt. Zo ziet het er ook uit, zijn mond verwrongen in dezelfde wanhopige vorm als zijn hoofd. Toch is het niet zo bedoeld. De figuur bedekt zijn oren voor de natuur. De natuur schreeuwt. Bij mij schreeuwt de natuur ook, op een plaats waar ik het geluid niet kan dempen. De natuur schreeuwt in mij. Met mijn handen nog steeds op mijn oren wankel ik naar de groene deur van crazy catlady. Op het tuinpad struikel ik bijna over een emmer met onkruid. Ik bel aan en hoor gegalm, al kan dat ook in mijn hoofd zijn. Het doet zo’n pijn. De deur vliegt open, het is donker in de gang. Een vage gestalte. Wacht even, stamel ik, loop de gang in met blubberende benen. Alsof ik me moet rechthouden op een zwiepend schip. Ik zoek steun tegen de muur. In de woonkamer valt een golf van licht binnen, warm en zacht. Verblind houd ik me vast aan de randen van de tafel. Plakkerig. Ik denk dat ik schreeuw maar ik kan mezelf niet horen. Het licht sterft weg. Eerst denk ik, een wolk voor de zon. Niets van dat. Het licht gaat uit in mij. De tafelrand ontglipt me. Ik glijd, sierlijk welhaast, op de grond. Ik zink weg in duisternis en… Is het stilte? Is dat hoe stilte klinkt? Helemaal niets horen. Bijna even onnatuurlijk als te veel horen. Ik kom bij met een muffe smaak in mijn mond, en barstende hoofdpijn. Ik lig onder de tafel. In het zonlicht danst het stof in het rond. Ik nies, stof en ik zijn nooit beste vrienden geweest. Het valt me nu pas op dat het huis verlaten is. Stoflaagje op de meubels, de lege koelkast staat open, de tafel is smerig. Aarzelend krabbel ik overeind, er is iets anders, iets dat ik niet meteen kan aanraken. Ik hoor gefluit. Gefluit van de vogeltjes. Gegrom van een optrekkende auto. Mijn eigen ademhaling. En in mijn hoofd. Stilte. Een man loopt de woonkamer binnen, hij heeft een schop in zijn handen. “Wat doe jij hier?” Ik hef mijn armen in de lucht. Misschien komt het door mijn nette pak maar hij laat de schop zakken. “Mijn excuses, ik wilde niet storen. De deur stond open en ik dacht dat ik… Dat ik iets hoorde.” De man kijkt me argwanend aan. “Geschreeuw ofzo. Was u dat daarstraks die ik naar binnen ben gevolgd?”  “Dacht ik niet. Ik was in mijn eigen huis.” De man wijst naar de overkant van de straat, strakke witte nieuwbouw. “Je kan helemaal niets gehoord hebben. De eigenares is vier maanden geleden overleden, een oud vrouwtje.” “Crazy catlady,” zeg ik. “Haar katten wonen nu bij mij,” zegt hij. “Sinds ze weg is laat de gemeente de boel hier verkommeren. Ze was altijd zo bezig met haar tuintje dus kom ik die hier af en toe een beetje fatsoeneren. Kan geen kwaad, dacht ik. En voor ons is het ook leuker om niet op een jungle te moeten kijken.”“Dus er was helemaal niemand?” vraag ik.“Helemaal niemand. U hebt het zich ingebeeld.” Ik wandel naar huis, langzaam. De geluiden komen en gaan. Wat een heerlijkheid dat alles komt en gaat.

Marie Jacobs
0 0

87 Ben je bang om complimenten te krijgen?

Ik ben niet bang om ze te krijgen. Ik ben wel voorzichtig om ze te accepteren, of ze te aanvaarden als een objectieve realiteit. Een compliment is een zoveelste interpretatie van wie ik ben als persoon – en een incompleet beeld ook nog eens. Mensen zijn al vaker fout geweest over wie ik ben als persoon. Ik wil liever niet mezelf vastklampen aan een vertekend, afgelijnd beeld van wie ik ben. Negatief of positief.   Is dat niet wat hard, of kort door de bocht?   Vast wel. Maar het komt uit een plaats van goeie wil. Bovenal, boven alles, ben ik nieuwsgierig. Leergierig. Wil ik groeien en bloeien. Uit ervaring weet ik dat afbrekende opmerkingen, of slecht gegeven feedback, weinig tot niet motiveren. Toch wil ik geen waanbeelden van mezelf ontwikkelen. Ik geloofde te lang dat ik de zaken niet waard was, wat het ene ongezonde extreme is. Ik vrees dat ik opnieuw uit balans zou vallen, maar in de andere richting.   Dragen complimenten dan niet bij aan een gezonde balans?    Toch wel. Ik merk dat het werkt bij mijn vrienden, mijn familie, mijn vrijwilligers en collega’s. Ik benoem hun sterktes, spreek hen moed toe, troost hen en denk concreet en praktisch met hen na over hoe bepaalde zaken anders aan te pakken in de toekomst. Stralen dat ze dan doen! Het zijn die momenten dat ik ervaar hoeveel vitaliteit en kracht een woord kan bevatten. Ik wens hen die kracht en vitaliteit van harte toe.   Wens je het jezelf dan niet toe?   Natuurlijk wel!   Waarom aanvaardt je dan dergelijke opmerkingen niet voor jezelf?   Een dubbele standaard? Misschien geloof ik nog niet dat ik het heb verdient. Een inherente, aangekoekte overtuiging dat complimenten leiden tot stagnatie. Er is dit idee dat complimenten naar mijn kop zouden stijgen en ik geen groeiopportuniteiten kan zien voor mezelf. Of comfortabel blijf met mijn huidig level van vaardigheid. Ik wil graag blijven groeien, en ik heb schrik dat te veel licht me verblindt.   En wat als het licht het pad voor je verlicht?   Dat zou mooi zijn. Een bloem heeft zon en water nodig. En ik wil verdrinken noch verdrogen.

Eden Oscar
3 0