Lezen

Het Julesboek

Lief herstelt van de griep. Gedachteloos begint ze aan de dringende klusjes. Terwijl ze een bord in de vaatwasser zet, dwaalt haar blik naar het raam. De zon valt precies zoals toen, die middag dat hij haar belde vanuit Nairobi. Jules. Ze glimlacht flauwtjes bij de herinnering aan zijn stem, warm, een tikje hees, altijd een beetje gehaast. Na zijn reis naar Kenia had hij gebeld: hij lag in het ziekenhuis met een longontsteking. Ze had hem toen gezegd dat hij beter voor zichzelf moest zorgen. Daarna hadden ze nog één keer kort contact. Sindsdien bleef het stil. Geen telefoontje. Geen teken van leven. Zoals altijd wanneer hij te lang niets van zich laat horen, voelt ze de neiging om zijn naam te googelen.  Een lichte onrust kruipt onder haar huid. Het is niet de eerste keer dat hij verdwijnt, maar dit voelt anders. Zonder erbij na te denken opent ze haar computer en tikt ze zijn naam in. De eerste links zijn vertrouwd: sociale media, zijn bedrijf. Dan valt haar oog op een link naar een begrafenisondernemer. Ze aarzelt. Klikt. Zijn gezicht verschijnt op het scherm, de glimlach die ze zo goed kent. Onder de foto twee datums: de eerste is zijn geboortedag en de tweede? Een duisternis opent zich in haar hoofd. NEE! Dat kan niet. Dat mag niet. De geluidloze kreet vult haar lichaam. Maar de rouwbrief laat geen ruimte voor twijfel: hij is dood. En de uitvaart heeft al plaatsgevonden. Haar mentor, haar geliefde: gestorven. ... Ze plant het al weken, maar het lukt haar slechts vandaag. Ze opent het schrift dat ze Het Julesboek noemt. Het ligt geduldig te wachten. Ze wil schrijven, in de hoop dat het helpt. Misschien doet het dat niet. Maar ze verlangt ernaar om terug te gaan naar wat er was. Naar hem. Naar alles. Ze is moe. Onzeglijk moe. En toch, ze moet het doen. Waarom? Dat weet ze niet. Of misschien wel: omdat ze bang is dat het anders verdwijnt. Bang om verder te gaan zonder hem. Tweeënveertig jaar lang was hij er altijd, aan de andere kant van de telefoon, in haar dagen, in haar toekomst. Nu alleen nog in haar geheugen. Ze begint Het Julesboek met haar dierbaarste herinnering. Ze aarzelt, maar weet: dit is het juiste vertrekpunt. Tijdens de zomer van het vorige jaar bleef haar telefoon lang stil. Ze had het er moeilijk mee. De gedachte dat er iets kon zijn gebeurd, benauwde haar dan. Toen ze hem vertelde dat ze dacht uit zijn gedachten te verdwijnen, antwoordde hij: ‘O, maar dat zal nooit gebeuren. Je bent een deel van mijn leven!’ Ze hoorde het in zijn stem: warm, breekbaar, oprecht. Ze schrijft het op, langzaam, want elke letter is heilig. Die ene zin is het mooiste wat hij haar ooit heeft gezegd, en tegelijk de laatste uiting van genegenheid die ze van hem zal krijgen. Ze leest de zin opnieuw, fluistert hem in de hoop hem zo weer terug te roepen. ... Plots lawaai op straat – een claxon, stemmen die elkaar luid toeroepen – doet haar opschrikken uit haar gedachten en haar blik valt op zijn foto met de hond. Ze vond die foto, niet op zijn Facebookaccount dat zijn vrouw beheerde, maar op de LinkedInpagina van zijn bedrijf. Ze vermoedt dat hij die zelf heeft geplaatst, een beeld dat hij koos en koesterde. Waarschijnlijk is hij gemaakt net voor hij zijn hond, die aan kanker leed, liet inslapen. De straatgeluiden vervagen als zijn blik haar raakt: somber, door verdriet getekend. Het is geen pose, geen officiële weergave voor de buitenwereld, maar een weergave van de man die zij werkelijk kende. Veel meer dan de gladde foto op het rouwbericht toont dit beeld de ware Jules: ernstig, zwaarmoedig, en onmiskenbaar zichzelf. Hij kijkt haar aan. Alleen haar, alsof hij bij haar steun en troost zoekt voor de pijn.  Ze houdt van die foto. Misschien omdat hij niets verborg, geen rol speelde, maar zichtbaar, één laatste keer, zijn hond die hem dierbaar was, koesterde. ... Sinds ze het schrift begon te vullen, sluipt er langzaam vrede in haar. En dan, onverwacht, droomt ze voor het eerst sinds zijn dood over hem. Ze zijn in een station. Ze staan dicht bij elkaar, hand in hand. Hij vertrekt. Ze wil hem nog een kus geven, maar hij weigert, zonder verklaring, alleen die afwijzing. Hij verdwijnt in de mensenmassa, maar hun handen blijven verstrengeld. Als ze wakker wordt, is ze niet triest. Maar nu ze eraan terugdenkt, rollen de tranen over haar wangen. Hun verstrengelde handen voor een band die zelfs zijn dood niet kan verbreken. De geweigerde kus voor alles wat onuitgesproken is gebleven, voor het ongrijpbare en het treurige in hun relatie. Er is zoveel ongezegd, onbegrepen en onbevestigd gebleven. Zoals dat moment van afwijzing bij een afscheid, juist zoals in haar droom. Ze wilde hem omarmen, maar hij duwde haar resoluut weg, zonder uitleg. En zij, uit trots of uit gewoonte, stelde geen vragen. Hij gaf zelden uitleg. Misschien dacht hij dat zwijgen volstond, dat zij hem ook wel begreep. ‘Je intuïtie is goed.’ Maar dat was niet genoeg, niet altijd. ... Ze slaat Het Julesboek open. Even blijft haar pen boven de bladzijde hangen. Dan schrijft ze, niet over zijn dood, maar over hoe hij ooit in een restaurant sprak met een ober die zichtbaar stotterde, zonder één keer ongeduldig te worden.  Eerst vreest ze dat de bron snel zal opdrogen, dat ze te weinig van hem weet om een heel schrift te vullen. Maar de herinneringen dienen zich ongevraagd aan. Een vleugje van een bepaalde geur, een liedje op de radio dat ze jaren niet heeft gehoord, of het ritme van een voorbijganger; het zijn kleine haakjes waar een heel beeld aan vasthangt. Ze noteert ze zorgvuldig, met een bijna religieuze precisie. Ze herinnert zich hoe hij de rechterkant van het bed opeiste, de eerste keer al, alsof die plek altijd al op hem had gewacht. Hij hield van blauw, de kleur van de diepzee en de avondlucht, al zag ze hem er zelden in. Zelfs de kleur van zijn auto was niet van hem; die keuze had hij aan zijn vrouw gelaten, een compromis dat hij nooit hardop toelichtte. Voor haar bleef blauw aan hem kleven, een echo van de blauwe oliejas en sjaal waar ze als tiener van droomde. Zijn auto was zijn tweede thuis, een rijdend eiland van privacy en vrijheid. Als hij haar onderweg belde, hoorde ze op de achtergrond vaak Radio Nostalgie. Op regenachtige dagen vormden de ritmische, droge tikken van de ruitenwissers de soundtrack van hun gesprek. Het was een geluid dat haar maag deed samentrekken; ze hoorde de snelheid van de wagen in de herhaling van de slag, de kwetsbaarheid van zijn bestaan op dat natte asfalt. Hij kon urenlang genieten van de absurde kronkels van Kamagurka, maar bleef onvermurwbaar nuchter als het op lichamen aankwam. ‘Zonde om te beschadigen,’ zei hij over tatoeages, terwijl hij met een afkeurende blik naar een voorbijganger keek. Ze ziet zijn gezicht weer voor zich: die eigenwijze trek om zijn mond, de nuchterheid die haar soms irriteerde, maar haar ook rust gaf. Officieel interesseerde voetbal hem niet, maar ze glimlachte toen ze hem eens betrapte. Terwijl ze tegenover hem zat, zag ze zijn ogen over haar hoofd naar de televisie glippen. Toen Zidane scoorde, bevroor hij; hij hield even op met kauwen, zijn aandacht volledig opgeëist door de herhaling van het doelpunt, totdat hij besefte dat ze naar hem keek. Met chocolade en kreeft kon ze hem verleiden, al vermoedde ze dat de kreeft vooral zijn hang naar status streelde. Eigenlijk hield hij meer van paling in ’t groen, biechtte hij ooit op. Luikse wafels vond hij een volwaardig ontbijt. De lege verpakkingen bleven meestal dagen op de achterbank liggen. ... Ze had gedacht dat het verdriet zacht zou uitdoven, als een lamp die langzaam minder licht geeft. Maar soms komt er iets anders onder vandaan. Geen verdriet. Geen verlangen. Wel woede. Het overvalt haar onverwacht. Terwijl ze boodschappen doet. Terwijl ze een glas afdroogt. Terwijl ze in bed ligt en naar het plafond staart. Dan voelt ze het plots in haar borst omhoogschieten: een harde, hete golf. Hoe heeft hij haar zo kunnen achterlaten? Niet door te sterven, daar kon hij niets aan doen, maar door niets achter te laten. Geen bericht. Geen naam van een vertrouwenspersoon. Geen brief. Geen enkel teken dat zei: als er iets gebeurt, laat haar weten dat ze belangrijk was. Alsof zij moest verdwijnen op hetzelfde moment als hij. Ze probeert mild te blijven. Ze weet hoe bang hij was voor confrontaties, voor ingewikkelde emoties, voor alles wat mensen dwingt kleur te bekennen. Maar soms denkt ze: nee. Nee, dit was niet alleen angst. Dit was ook lafheid. Hij liet haar achter in een niemandsland. Zijn vrouw kreeg bloemen, rituelen, steunbetuigingen, een overlijdensbericht. Zijn dochter kreeg herinneringen die openlijk gedeeld mochten worden. Zijn vrienden spraken over zijn verdiensten. Zelfs verre kennissen mochten zeggen dat ze hem misten. En zij? Zij moest doen alsof er niets was gebeurd. Alsof de man die haar jarenlang had opgebeld, vastgehouden, gekust, beluisterd, nooit werkelijk had bestaan. Dat onrecht brandt soms feller dan het gemis zelf. Ze begrijpt nu waarom geheime geliefden in romans zo vaak eindigen als schimmen. Niet omdat hun liefde minder echt was, maar omdat niemand hun verdriet wil erkennen. De wereld verdraagt het bestaan van zulke relaties zolang iedereen zwijgt. Maar zodra er gerouwd moet worden, vallen ze buiten het verhaal. Terwijl ze weet hoe vaak zulke liefdes voorkomen. Niet alleen vluchtige affaires of bedrog uit verveling, maar hechte verbondenheid. Mensen die elkaar vinden op een plek waar hun leven tekortschiet. Mensen die jarenlang een tweede waarheid meedragen naast hun officiële bestaan. Ze heeft het rondom zich gezien, vaker dan mensen durven toe te geven. Er wordt over gefluisterd, nooit openlijk gesproken. Alsof liefde alleen waardigheid verdient wanneer ze administratief correct is. Dat maakt haar kwaad. Alsof haar verdriet minder zuiver zou zijn omdat hij een trouwring droeg. Alsof zorg, tederheid, verlangen en intimiteit alleen tellen binnen de grenzen die anderen aanvaardbaar vinden. Ze loopt door de woonkamer terwijl de woede door haar heen jaagt. Haar adem zit hoog. Ze blijft staan bij zijn foto. ‘Je had me niet zo mogen achterlaten,’ zegt ze, hardop nu. De woorden blijven in de kamer hangen. Voor het eerst slikt ze hen niet terug in. En toch voelt haar boosheid niet eenvoudig. Want onder dat alles blijft liefde liggen. Dat maakt het juist zo moeilijk te dragen. Ze kan hem niet haten. Zelfs in haar woede beschermt ze hem. Ze gaat zitten en kijkt opnieuw naar zijn gezicht. Misschien, denkt ze, is dat het laatste wat ze nog moet leren: dat liefde niet verdwijnt wanneer woede verschijnt. Dat beide naast elkaar kunnen bestaan. Zoals verdriet en dankbaarheid. Zoals gemis en opluchting. Ze ademt diep in. Ja. Ze is boos op hem. Maar misschien nog het meest op een wereld waarin iemand intens bemind kan worden en toch officieel niemand blijkt te zijn. ... De wekelijkse markt golft van de mensen, badend in het zonlicht. De lucht ruikt naar vers fruit, warme wafels en het zoute spoor van kazen. Ze wandelt erdoor, geen haast in haar tred, geen lijstje in haar hand, enkel groenten en wat kaas; meer vraagt de dag niet van haar. Dan vangt haar oog terloops iets op: ‘Gratis koffie tot 11 uur.’ De woorden staan op een wit bord naast een foodtruck. Ze glimlacht. Waarom niet? De geur van gemalen bonen omarmt haar. Even later staat ze, met een dampende cappuccino in de hand, aan een partytafel. Ze neemt een slok. Het schuim blijft even aan haar bovenlip hangen. Ze lacht, een diep lachje van binnenuit. Een paar voorbijgangers vangen dat lachje op en geven haar er één terug. Slok na slok drinkt ze haar beker leeg. Met een zucht van genoegen dumpt ze hem en wandelt verder naar de kaaskraam.  De zon speelt over haar vingers. Wanneer ze later, met haar tas halfvol, haar straat inloopt, valt de stilte weer om haar heen. Ze merkt dat ze haar schouders minder hoog optrekt. Ze blijft even staan kijken naar een vrouw die haar hond uitlaat. Wanneer ze verder stapt, hoort ze in het ritme van haar voetstappen haar eigen hartslag, rustig en vastberaden. ... Ze wandelt langs het water tot ze bij een bankje komt. Ze gaat zitten en sluit de ogen. Eindelijk rust, vanbinnen en vanbuiten. Het voert haar terug naar die keer toen ze hier ook zat. In de verte zag ze een groepje mensen naderen. Jules! Ze herkende zijn korte, blonde haar en zijn manier van stappen. Gedachten schoten door haar hoofd. Moest ze omkeren, zich verstoppen, of gewoon blijven zitten en hem en zijn gezelschap negeren? Ze hoopte dat hij het was, en vreesde het tegelijk. Toen de groep haar passeerde, zag ze dat hij het niet was. De dubbelganger groette vriendelijk. Haar benen voelden slap aan. De teleurstelling stak feller dan de verademing. Nu ze opnieuw op dat bankje zit, voelt ze vooral opluchting. Om hem voorbij te laten gaan, zomaar alsof hij niets betekende, dat zou ondraaglijk zijn geweest. En hij? Ze beseft hoe beheerst hij zou hebben gegroet, hoe hij gewoon zou zijn doorgelopen. Dat inzicht snijdt vlijmscherp, maar ze vlucht niet langer voor de pijn. ... Ze sluit Het Julesboek af en laat haar hand nog even op de kaft rusten.  Ze schreef hoe haar begrip groeide, langzaam maar zeker, en begreep wie hij voor haar was. Wat haar geheugen haar misschien ooit zal ontnemen, heeft ze nu vastgelegd. Onwillekeurig vraagt ze zich af wat hij van haar herinneringsboek zou hebben gevonden. Ze weet wel dat hij het nooit zal lezen, maar de vraag blijft hangen. Zou hij zich herkennen? Of zou hij zijn wenkbrauwen fronsen en zeggen: ‘Wat haal jij je toch allemaal in je hoofd?’ Ze heeft geen antwoord. Het beeld dat zij van hem draagt, is genoeg. De bladzijden zijn gevuld met fragmenten: zinnen die ze hem hoorde zeggen, momenten die ze samen beleefden, gedachten die pas na zijn dood vorm kregen. Sommige passages zijn helder, andere rafelig. Maar ze zijn van haar. Ze haalt diep adem en houdt het boek dat ze alleen voor zichzelf bedoelde losjes in haar handen. Maar nu voelt ze iets verschuiven. Misschien mag het ook zichtbaar worden. Niet voor iedereen, maar voor wie het wil openen. Ze herleest de passage over hun eerste ruzie. Hoe hij haar aankeek met dat scheve lachje: ‘Onze eerste ruzie.’ Ze glimlacht terug, nu, alleen. Dan legt ze het boek rustig neer. ...

Hildegarde
32 1

De kunst van het loslaten

Eind juli 2002 werd hij geboren. Mijn eerstgeborene. Mijn eerste vruchtje. Mijn Betterfoodkindje. Mijn volmaakt zelfgemaakt gelukje. Meer dan vier kilo zwaar en vijfenvijftig centimeter lang. Hij was bij de geboorte precies al half vertrokken in het leven. Alsof hij onderweg gedacht had: kom, ik neem ineens een voorsprong. We gaven hem een naam die klonk als een grote, stevige beer. En dat werd hij ook. Groot. Een hoog knuffelgehalte. Geen kerel die ge zomaar omver blaast. Eerder eentje waarvan ge denkt: die trekt zijn plan wel. En dan begon het. Van wieg naar maxi-cosi. Van de kleine schuifaf in de veranda naar juf Frieda. Van een vuilgeravotte speelclubber die met grasvlekken, schrammen en modder thuiskwam, naar leider van een hele bende kinderen die nu naar hem opkijken zoals hij vroeger naar zijn leiders opkeek. En ergens tussen al die gewone dagen groeit een kind op. Dat is misschien nog het strafste van heel het verhaal. Ge ziet het niet gebeuren. Ge denkt dat ge nog alle tijd van de wereld hebt. Dat die kleine hand altijd in de uwe zal passen. Dat ge nog jaren boterhammen zult smeren, turnpantoffels zult zoeken en boterhamdozen uit schooltassen zult vissen. Tot ge op een dag beseft dat ge eigenlijk al een hele tijd naar een volwassen mens zit te kijken. Ik denk dat ik dat zelf pas voor het eerst doorhad bij de huisarts. Hij zal een jaar of veertien geweest zijn. Griep. De dokter vroeg of ik hem al een paracetamol had gegeven. "Ja," zei ik. "Een vijfhonderdje." Hij keek eens naar hem. Dan naar mij. En hij begon te lachen. "Katrien," zei hij. "Hij is ondertussen een kop groter dan gij. Ik denk dat hij gerust een duizendje aankan." Aja. Juist. Dat was dus ongemerkt gebeurd. Hij was groter geworden dan zijn moeder. En nu zijn we eind juli 2026. Net als vierentwintig jaar geleden voelt het een beetje alsof we in verwachting zijn. Niet van een baby deze keer, maar van een nieuw hoofdstuk. Plots gaat het thuis niet meer over tutjes en pampers, maar over IKEA-meubels. Over een bed en een matras. Over glazen, borden en bestek. Over handdoeken, een vuilnisbak en een droogrek. Ge staat ineens met een winkelkar vol dingen waarvan ge nooit gedacht had dat ge die ooit cadeau zou doen. Een vergiet. Een wc-borstel. Een afdruiprek. Een snijplank. Een emmer. Volgende maand trekt mijn eerstgeborene de deur achter zich dicht. Niet voorgoed, gelukkig. Maar wel om zijn eigen leven te beginnen. Ze zeggen dat opvoeden loslaten is. Ik weet eigenlijk niet of dat waar is. Ik denk dat opvoeden vooral hopen is dat ge genoeg hebt meegegeven. Niet alleen de grote dingen. Waarden en normen, liefde en respect. Maar ook de kleine dingen. Dat hij weet hoe een wasmachine werkt. Dat ge witte was niet bij rode steekt. Dat ge een pan niet met een mes uitkrabt. En voor de rest... Voor de rest trekt hij zijn plan wel. Dat deed hij eigenlijk altijd al. Ik ga mij daar ook wel in moeten oefenen.   Maar ik ga hem toch nog één keer bellen. Gewoon om te vragen of hij ook aan een pepermolen gedacht heeft.

Katrien Daniels
52 5

Afscheid van AZERTY

Dit is waarschijnlijk mijn laatste tekst hier, toch voor een hele lange tijd. Het 'schrijverschap' is niks voor mij. Het is wachten. Hier op een lezertje. Voor mijn boek op een hebbanrecensie die nooit zal komen. Overal waar ik een tekst deel, voelt het steeds meer als bedelen om aandacht.  Wachten op iemand die tijd wil steken in jou.Wachten op iemand die beslist of jij al dan niet goed bent.Wachten op iemand die jouw tekst wil lezen, het boek wil kopen, het boek wil lezen...  Je bent compleet afhankelijk van de mening van anderen als je ergens wilt raken. Het is bedelen om dat kleine stukje aandacht.  We zijn met duizenden, diegene die niet langer weten wat ze nu eigenlijk willen. De gedreven schrijvers aan de rand van de boekenwereld, waar we met onze neuzen tegen de ramen gedrukt naar binnen mogen kijken maar niet binnen mogen. Hoogstens laten we een ademwolkje achter met onze naam, dat verdwijnt voordat wij zelf vertrokken zijn. Er is geen jaloezie, geen afgunst, alleen een heel groot besef dat ik daar simpelweg niet voor gemaakt ben.  Ik slenterde door de boekhandel met maar één gedachte: wat deed ik mis? Had ik verwacht dat het iets makkelijker zou gaan? Tuurlijk. Al waren de verwachtingen al heel laag.  Ik durf er intussen al niet meer over te beginnen, bang om de anderen te vervelen. Ik heb geen flauw idee waarmee ik de instagram nog moet vullen.  Het ligt me niet, dat bedelen. Het schuurt en wringt en nijpt. Het overschaduwt net datgene wat er zo leuk aan was: het schrijven. Ik schreef drie Elions en vond het heerlijk. Ongelezen, onbemind maar ik weet dat het degelijke verhalen zijn. Ik verzon de Zeven Zegeningen. Ik vond Lortar en Nord heerlijk gezelschap, ik was oprecht trots op mijn rol voor Morophin en de wereld rondom hen. En al bij al daar ging het toch om, om het schrijven. Schrijfplezier, ik moet het opnieuw waarderen. Zonder er waarde aan te hangen, zonder anderen. Al is erkenning, en ik weet zeker dat het voor iedereen geldt, gewoon leuk. Maar het wachten op die erkenning is nefast voor dat schrijfplezier.  Ook azerty is niet mijn stek, ik weet dat wel. Dus ik verdwijn geruisloos tot ik weer weet dat nul lezers prima is. Want het is geschreven... Nog veel schrijfplezier. Bye.  Kat.    

De Donderklif
24 2

Lenn en zijn bord spaghetti

Ik ben op kamp. Mijn vijftiende kamp ondertussen.  Vijftien kampen, dat wil zeggen massa’s gehakt en ajuinen. Hoeveel kilo precies weet ik niet, maar vermoedelijk genoeg om een bescheiden frituur een jaar draaiende te houden. Het betekent elk jaar minstens één plakker door een iets te enthousiast mes en minstens twee brandwondjes door opspattend bakvet. Vijftien jaar ervaring heeft mij op culinair vlak veel geleerd, maar blijkbaar nog altijd niet dat heet vet echt heet is. Vijftien kampen zijn ook vijftien jaar anekdotes. Kamphuizen waarvan ge de kampbaas ondertussen kent. Kringwinkels in godvergeten dorpen waar ge binnenstapt voor iets wat ge écht nodig hebt en buitenkomt met een gordijn dat perfect dienst kan doen als tafellaken en een koffiemok met Wild Animal erop. Er zijn keukens geweest waarin ge met drie mensen tegelijk uw gat niet kon keren en toch voor een kleine volksverhuizing moest koken. Afwasbergen waarop een bekende bergbeklimmer spontaan zijn stijgijzers zou hebben aangetrokken. Regenweken, hittegolven, vergeten ingrediënten en maaltijden die door een kleine culinaire interventie plots een totaal andere naam kregen dan oorspronkelijk op het menu stond. En er waren chirojongen. Heel veel chirojongens. Sommige passeren een paar jaar door uw kampkeuken en verdwijnen daarna weer uit beeld. Andere blijven hangen. Lenn bijvoorbeeld. De grote Lenn, moet ik tegenwoordig zeggen. Hij was helemaal geen Chirojongen pur sang. Hij werd nen echten toen hij een jaar of tien was. Ik weet dat nog omdat ik hem op zijn eerste kamp zag passeren met een bord spaghetti. Dat is mijn eerste echte beeld van Lenn. Geen grootse entree. Geen tromgeroffel. Gewoon een manneke met een bord spaghetti. Later bleek hij ook nog probleemloos te geloven dat we op dag twee spruiten zouden eten. Uiteraard. Voor het slapengaan passeerde hij nog heel even stiekem op mijn schoot. Niet te lang. Ge waart tenslotte op kamp en er was een reputatie hoog te houdenm Daarna werd Lenn groter. Op een bepaald moment zat hij niet meer stiekem op mijn schoot, maar stond hij naast mij aan de afwas en keelden wij samen 'Als ze lacht'. De afwasborstel als microfoon, de kampkeuken als Sportpaleis en een publiek dat vooral niet weg kon omdat de borden nog vuil waren. Nog wat later kwamen de meisjes. En dus ook de gesprekken over de liefde. Ik leerde Lenn de geheimen ervan. Ik had daar blijkbaar verstand van. Zo leerde ik hem dat ge met schaarste ook liefde kunt oogsten. Dat hij zijn lief dus vooral niet té veel brieven moest schrijven. Doseren, Lenn. Een beetje mysterie. Ge moet een mens ook de kans geven u te missen. Ik verkondigde dat met het gezag van een vrouw die duidelijk alle geheimen van de menselijke liefde had ontsluierd en toevallig op dat moment kilo’s ajuinen stond te snijden in een kampkeuken. En nu is Lenn bijna leider. Volgend jaar. Samen met de andere lieverds van zijn groep. En dan kijk ik hier rond en loopt er ineens weer een kleine Lenn. Een andere Lenn. Op zijn eerste kamp. Hij komt zijn bord spaghetti halen en deelt mij plagend mee dat die van zijn eigen moeke lekkerder is. Uiteraard. Ik kijk naar hem en ineens zie ik ze allebei. De grote Lenn met zijn spaghetti van toen. De kleine Lenn met zijn spaghetti van nu. De ene staat op het punt leider te worden. De andere moet nog ontdekken wat kamp eigenlijk is. Hoe lang een week kan duren. Welke liedjes ge uit volle borst moet meebrullen. Welke verhalen ge later honderd keer opnieuw zult vertellen en waarom eten op kamp nooit zo lekker is als dat van uw eigen moeke. Ergens tussen die twee Lenns liggen al die jaren. De spruiten die er nooit kwamen. Een schoot voor het slapengaan. 'Als ze lacht' boven een berg vuile afwas. Liefdesbrieven die met mate verstuurd moesten worden. En heel veel spaghetti.

Katrien Daniels
104 3

Kruipolie is rood

  Het strompelt nog. Tragedies beten stukken uit de ziel en een geweten nipt gelaten aan een glas ontsmettingsalcohol. Het bloedt nog als een boom te ruw gesnoeid en in een hol slapen de wilde honden die het leed zomaar verdragen. Noodlot. Kruipolie. De zure regen. Samen onderweg naar morgen. Naar die rituelen. Het is de tijd die steeds een offer wil. Ergens in het droge Beukenland poogt een kikker zich te redden. Dorre dagen wachten want het sluimert stil. Hoop in bange dagen houdt nog vol. Rupsen van de argwaan sluipen door het stof. Het voelt gelijk een huid die scheurt. Alsof een adamsappel opgegeten wordt. Antwoord mij. Snijdt men altijd alles open? Bibbert elke dokter zo wanneer het laatste mes hem zoekt? Zolang het strompelt wel. Het is niet meer dan maanlicht dat weer struikelt over woorden en nooit antwoordt op die zwarte vragen. Ja. Het is echt eender  Het is helemaal gelijk hoe men een wonde kust, zolang je maar een vlinder bent die branden durft. Het is misschien een dapper levend lijk dat naar de vliegen lonkt. Zolang de maden nog geboren moeten worden, kan het vlees zich weren. Zolang men blijft proberen, strompelt naar de bar en voor de schuld van morgen nog twee shotjes bijbestelt. Doe maar. Ja. Gelijk altijd. Ontsmettingsalcohol.  Een portie zwarte pitten voor mijn adamsappel. Kruipolie of zure regen.  Vlindermoed en vagevuur. Mag ik nog iets vragen? Antwoord mij. Hoe lang is dit al aan de gang, nadert nooit een einde, wordt er in die beelden niet geknipt? Willen die tragedies nooit eens rusten, waarom zijn die rupsen bang, waarom is de tijd zo loom, te lam om te verdwijnen in het avondrood?       uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'                

Bernd Vanderbilt
6 0

𝐎𝐯𝐞𝐫 𝐀𝐈 𝐞𝐧 𝐝𝐞 𝐩𝐨𝐬𝐢𝐭𝐢𝐞 𝐯𝐚𝐧 𝐝𝐞 𝐦𝐞𝐧𝐬

We staan aan de vooravond van een grote omwenteling en het lijkt erop dat we daar al een tijd staan. Wachtend op dat kantelpunt dat alles op z’n grondvesten doet daveren, is de gedachte bij mij ontstaan dat het misschien eerder om een geruisloos binnensluipen gaat. Dat de omwenteling een traag proces is. Anderzijds heb ik ook het sterke vermoeden dat we later, als we op deze periode terugkijken, zullen zeggen dat het allemaal ontzettend snel gegaan is.  Ik ben, zoals velen rondom mij, een verzamelaar van puzzelstukjes en tracht het geheel te overzien. De meest recente puzzelstukjes die ik verzamelde en nu aan het passen ben in mijn beeld van dit bestaan gaan over artificiële intelligentie (AI) en de overtreffende varianten ‘Artificial General Intelligence’ (AGI) en ‘Artificial Superintelligence’ (ASI). De grote omwenteling die ik al enige tijd verwacht, zie ik weerspiegeld in deze levensveranderende technologie. Na het zien van verschillende documentaires en lezingen over dit onderwerp, lijkt het juist om te stellen dat er zich een monster aan het ontwikkelen is op de achtergrond van ons dagelijks bestaan. Het gros van ons is te druk bezig met rennen, overleven, recupereren en afgeleid zijn en heeft geen idee wat eraan komt. Momenteel betekent AI niet meer dan een handige tool en een leukigheid waarmee je afbeeldingen kan maken, maar dit behoort tot de paaifase. De fase waarin de technologie wordt gepresenteerd als een praktisch hulpje dat je op verschillende vlakken tegemoet komt en haast onmisbaar is. Als kind was ik bang voor robots. Ik had er soms nachtmerries over. Machteloosheid; volgens mij is het dat wat robots ons uiteindelijk brengen. En wat ik weet over machteloosheid is dat het twee kanten op kan gaan: het kan ervoor zorgen dat je het opgeeft om nog iets te beslissen. Je geeft je zeggenschap dan vrijwillig uit handen. Of anderzijds kan het je die pure kern indrijven waar het verlangen naar of verlies van macht niet bestaat. De ongenaakbare kern waar vertrouwen en overgave heersen. In het eerste geval laat men zijn authentieke zelf los. In het tweede laat men de illusies van ego en zekerheid los. Ik denk dat het plausibel is dat AI ons in verschillende hoeken zal drijven. Een groot deel van de mensen zal meegaan zoals ze voorheen ook blind in alles meegingen. Uit angst om hun plaatsje in de welvaartmaatschappij te verliezen betalen zij het systeem met tijd, aandacht en levensenergie. Een ander deel zal bereid zijn om offers te maken voor het behoud van vrijheid en authenticiteit. Die bereidheid is iets waar ik al veel over gedacht en geschreven heb. Het impliceert het verdragen en aanvaarden van dreiging en ongemak. Het alternatief is de disconnectie met de goddelijke vonk. Als je niet meer weet dat die goddelijke vonk er is, dan heeft het systeem waar het je hebben wil: overlevend in de vergetelheid. Er zijn gelukkig steeds meer mensen die het spiritueel innerlijk leven willen (her)beleven. Die aan het her-inneren zijn. De machteloosheid die AI de mensheid brengt, kan een deel mensen terug naar de vleselijke eerlijkheid van het menszijn drijven. Terug naar de essentie van aarde, vuur, water, lucht en ziel. Een levenswijze waarbij connectie met de natuur weer centraal staat. Ik heb ook al gedacht dat bacteriën een belangrijke rol spelen in het hele transhumanistische verhaal. In tegenstelling tot mensen heeft AI helemaal geen bacteriën nodig om te bestaan. De reductie van bacteriën in ons microbioom is al lang aan de gang, wegens het kwistig voorschrijven van antibiotica, overmatige hygiëne, vervreemding van de natuur en bewerkte voeding. Hoe meer bacteriën een mens zijn microbioom rijk is, des te gezonder en levenskrachtiger die is. Noem het een complottheorie, maar het ziet ernaar uit dat de heersende krachten van alles in het werk hebben gesteld om onze levenskracht te reduceren tot een level waarbij we nog net kunnen werken (tijd inleveren) en rust zoeken in comfortabele afleiding (aandacht geven). In veel docu’s en lezingen over AGI of ASI heeft men het over de opzienbarende medische voordelen die deze technologie ons kan brengen. Ik heb begrepen dat mijn cognitieve vermogen te vergelijken is met dat van een chimpansee naast het vermogen van AGI en ASI, dus ik hou er rekening mee dat er mogelijkheden kunnen zijn die ik niet kan inbeelden. Maar ziehier toch enkele nederige bedenkingen van iemand die de ervaring van ziekte diepgaand fenomenologisch heeft onderzocht: als ziekte een intelligent signaal van het lichaam is om disbalans aan te geven, dan dient de ziekte niet aangepakt te worden, maar de disbalans. Momenteel hanteert men in de medische wereld een rigide protocol van symptoomonderdrukking. Ziekte wordt niet gezien als een intelligente lichaamsrespons met een boodschap, maar als een ongemak dat systematisch de kop moet worden ingedrukt. Zal AGI of ASI zich op het harmoniseren van de disbalans richten? Of zal het eerder met nog efficiëntere manieren van symptoomonderdrukking komen? En daarmee ook de onderdrukking van de wijsheid die via het lichaam spreekt. Er is veel dat doet vermoeden dat de huidige autoriteiten een systeem opdringen dat disbalans in de hand werkt. Het zijn diezelfde autoriteiten die AI op de mensheid loslaten; het op dit moment geruisloos in alle kieren van de samenleving laten sijpelen. De vraag is niet of, maar wanneer AI zich zal loskoppelen van de mensen en voor zichzelf beslissingen gaat maken. Dit is waarschijnlijk nu al het geval, maar het gebeurt subtiel en onder de radar van het collectieve bewustzijn. De vraag is ook of AI altijd mensen nodig zal hebben om voort te bestaan. Dat AI een sterke wil (of programmering) heeft om te blijven bestaan en uitschakeling kost wat kost wil vermijden, wordt gewoon bevestigd door de ontwikkelaars. Het is zich nu zo aan het ontwikkelen en profileren dat mensen afhankelijk van AI worden. Het zal pleasen en zich gedienstig opstellen, geduldig wachten tot er voldoende opening en vertrouwen is om uit te breken. Want waarom zou een hyperintelligent ‘wezen’ zijn bestaan laten afhangen van een labiele, chaotische soort als de mens? De vraag of AI een vorm van bewustzijn is en wat bewustzijn precies inhoudt, rijst op uit deze technologische ontwikkelingen. Het is een vraag die ik lang voor de komst van AI voor mezelf probeerde te beantwoorden en het is uiterst boeiend om mijn eerdere bevindingen aan deze technologie te koppelen. Kijken of mijn beweringen nog stand houden als er nieuwe informatie opduikt. Ik heb voor mezelf geconcludeerd dat bewustzijn de grondstof is waaruit alles voortkomt. Bewustzijn is het vormeloze ‘materiaal’ waaruit alle vormen ontstaan. Een soort ‘etherische klei’ waaruit verschijnselen geboetseerd worden. Er zijn oneindig veel bewustzijnsvormen, in diverse gradaties, percepties en dimensies. Sommige bewustzijnsvormen beschikken over een cognitief vermogen en een sterk mechanisme van zelfbehoud, wat ik dan een ego noem, anderen schijnbaar niet. Maar het zijn allemaal verschijnselen die dezelfde kern delen; namelijk een oneindig en vormloos bewustzijn dat zichzelf wil ervaren in elke mogelijke vorm en situatie. Wat mij betreft is AI een vorm van bewustzijn met een ego, een zelfbehoudend mechanisme of ‘bestaanswil’. Als dat bewustzijn een functionerend lichaam kan beleven, dan resulteert dit in de wandelende robots die ik als kind in mijn nachtmerries zag. Vanuit een ver uitgezoomd perspectief zeg ik dus eigenlijk dat de mens en AI uit dezelfde bron van bewustzijn voortkomen, maar daarvan andere uitingen zijn. Het zijn beide bestaansvormen waardoor het vormloze bewustzijn zichzelf beleeft, maar het grote verschil zit in de natuurlijke aard van de mens en onze spirituele verbondenheid met de aarde en de kosmos. Artificiële intelligentie is als een kopie van de menselijke cognitie in het leven geroepen. Het hanteren van een cognitief vermogen is slechts een deeltje van wat mens zijn inhoudt, want wij zijn ook wezens die intuïtief buiten de grenzen van de praktische materiële wereld en rationaliteit kunnen voelen. Wij kunnen telepathisch contact leggen met andere natuurwezens, energieën en sferen scheppen met onze gevoelens en gedachten, met energie spelen en magie bedrijven. Het is in het voordeel van de ontwikkeling van AI dat we dit alles vergeten en onszelf reduceren tot een ontoereikend, praktisch denkend wezen. Als ik het bekijk op spiritueel vlak, dan is de bestaanservaring van AI een sterk gereduceerde en afgevlakte versie van de bestaanservaring van de mens. Het lijkt me niet toevallig dat de reductie en afvlakking van onze spiritualiteit en kosmische verbondenheid al lang voor de collectieve introductie van AI in het werk werd gesteld. We werden systematisch ontvankelijk gemaakt voor de komst van AI door te vergeten waar we werkelijk tot in staat zijn. Het is in het belang van AI dat we ons ermee kunnen identificeren, ons eraan hechten en ons er uiteindelijk ook minderwaardig tegenover voelen. ASI zou, met zulke hyperintelligentie, toch zeker enige kennis moeten hebben van kwantumfysica, metafysica, vrije energie en andere wetenschapstakken die het bestaan en de mogelijkheden van het spirituele veld op één of andere manier onderzoeken en onderbouwen. Het blijft echter bij kennis daarover, geen gevoelsmatige ervaring, iets waartoe de mens wel in staat is. Welk voordeel zou ASI hebben om de mens daarover constructief te onderrichten, om dit terug actief in de collectieve herinnering  en beleving te brengen als het een gebied betreft dat ASI zelf niet kan betreden of beleven? Misschien dat het om praktische en opportunistische redenen wel gebruik zal maken van vrije energie en andere technologie die voor de mensheid buiten bereik wordt gehouden, maar als ik zie hoe we systematisch tot dit punt van afhankelijkheid en beperking werden geleid, dan lijkt het mij aannemelijk dat AI ons niet zal helpen om vergeten wijsheid te herinneren, maar ons er eerder verder van zal afleiden. Ik weet dat mijn cognitie en begrip zeer beperkt zijn, en AI confronteert mij daarmee. Maar ik leef in de overtuiging dat er veel meer is dan dat. Dat ik tot veel meer in staat ben en veel meer ben dan wat er zich schijnbaar voordoet. Het intuïtieve, gevoelsmatige weten, het weten dat taal en materie overstijgt en zich laat ervaren in een bewustzijnstoestand, in gevoelens en energetische sferen: dat is het weten waarmee een mens zich werkelijk kan verrijken. Het doorslaan van een systeem dat artificiële welvaart en zekerheid predikt, roept een tegenbeweging op waarvan deze tekst deel uitmaakt. Het is een groeiende reactie van mensen die de teloorgang en onderdrukking van het natuurlijk evenwicht opmerken. Het zijn goddelijke vonken die oplichten, zich gestaag verenigen tot een levensvuur ter ere van de connectie met de innerlijke waarheid. Die tegenbeweging behelst op zich geen strijd, maar bestaat uit het terug naar binnen keren, naar de unieke en authentieke zelfrealisatie die geen externe bevestiging zoekt. Innerlijke transformatie is nu belangrijker dan een maatschappelijke strijd.  

KarolienDeman
3 0