Lezen

rabin gangadin

Rabin Gangadin heeft furore gemaakt als dichter, schrijver, essayist en literaire criticus. Hij publiceerde in diverse bladen waaronder Yang, Creatief, Dietsche Waranda en Belfort, de Gids, Maatstaf, De Tweede Ronde, Avenue, terwijl hij daarnaast voor opiniebladen schreef als Elseviers Magazine, Hervormd Nederland, De nieuwe Linie, Poeziekrant, Gazet van Antwerpen, Het Algemeen Dagblad etc. Zijn eerste werken aanschouwden het daglicht via uitgeverij De Arbeiderspers nadat schrijver Cees Nooteboom hem als literair talent had ontdekt. Van Rabin Gangadin verscheen in 2011 de experimentele dichtbundel De Stadswandelaar  bij  uitgeverij Holland  en werkt hij thans ijverig aan zijn roman Rustige dagen in Suriname waaruit een hoofdstuk in het literaire tijdschrift Circumplaudo verscheen. Zijn eerste werken aanschouwden het daglicht via uitgeverij De Arbeiderspers nadat schrijver Cees Nooteboom hem als literair talent ontdekte. Sinds 2006 heeft de literaire carriere van hem een deuk opgelopen omdat uitgerekend een hoogleraar in de Caraibische letteren aan de UvA het op hem heeft voorzien. Deze deuk is hoofdzakelijk veroorzaakt door het feit dat de desbetreffende hoogleraar als moderator werkzaam is voor Google Nederland en Wikipedia Nederland. Hoewel deze laatste website zich uitsluitend leent voor neutrale, informatieve en objectieve teksten, staan er toch smadelijke, lasterlijke en op de persoonlijke vete jegens Rabin Gangadin gebaseerde teksten. Deze hoogleraar wendde diens status aan om zijn collega aan de universiteit te Twente te overhalen om Rabin Gangadin met zijn tweede dissertatie op het terrein van de toegepaste  communicatiewetenschappen niet meer te begeleiden. De hoogleraar loopt overal te kladden dat de in 1986 behaalde doctoraaltitel in de sociologie van Rabin Gangadin en de door hem eveneens in 2001 behaalde ingenieurstitel aan de landbouwuniversiteit te Wageningen een fake zouden zijn en waarbij hij volgens de hoogleraar nooit gepromoveerd zou zijn in de sociale-economie aan de Cosmopolitan university te Florida. De hoogleraar meldt echter zelf nergens dat de vijftien promovendie die hij onder zijn hoede had, hem vanwege zijn inhabiliteit de rug hebben toegekeerd.       

rabin gangadin
0 0

Romantiek in the White Beach

White Beach is vanuit Paramaribo bezien binnen ongeveer 45 minuten te bereiken indien er consequent de zuidwaartse richting wordt aangehouden. Na de drukke stad Paramaribo te zijn uitgereden zijn de lantaarnpalen al gauw vervangen door bomen langs het open landschap die in weerwil van de oprukkende grote droge tijd toch in de volle bloei van hun bladeren staan. Het is voor Donos Juanos een verrukking om elk voortuintje van de kleine houten huisjes getooid te zien met ontzaglijke bloemen en fruitbomen. Voor hij kon vertrekken heeft het hem erg veel inspanning en inzet gekost om Sonali zover te krijgen dat zij met hem heeft willen meereizen naar The White Beach om vervolgens met hem in dezelfde hotelkamer door te brengen. Zij maakte hem echter duidelijk dat zij geen zin had in een avontuur met iemand die zij enkel van een dating-site kende en dat het voor haar een enorme concessie was om aan haar eigen principes te willen tornen. Hun blikken hielden elkaar seconden lang vast. Een tijdlang hadden ze gestaan als standbeelden, onbeweeglijk als graniet. Geen van beiden zei ook maar één woord. Sonali heeft absoluut het karakter van een hoogstaande vrouw en is daardoor een frappant voorbeeld van het spreekwoord Noblesse oblige. Donos Juanos kan voor zichzelf echt niets bedenken dat te hoogverheven, te edelmoedig of te veel gevraagd zou zijn geweest voor haar genereuze en onbaatzuchtige natuur. Aan haar heeft hij grotendeels te danken dat hij zich de laatste tijd niet al te cynisch uitdrukt. Als hij zich in haar oren toch iets vulgairs liet ontvallen dan tekende zich een uitdrukking van kille verachting af op haar gezicht die hem als een spookbeeld vervolgde en die hij amper meer kon vergeten. Het verwondert Donos Juanos wel hoe Sonali zich tijdens hun eerste ontmoeting zo kostelijk vermaakte met zijn bijtend cynisme en naarmate die twee vaker met elkaar vaker spraken, haar tolerantiegrens geleidelijk inkromp. Een keer zei Sonali tegen hem dat het haar opviel dat Donos Juanos de meest vergezochte zinswendingen gebruikte om zich deftig voor te doen, als een ware schrijver alsof gewichtigdoenerij ook in de preektaal van harte kan worden toegejuicht. Donos Juanos zei daarop ontspannen dat hij dit doet sinds de taalhaters het verschil tussen de spreek- en schrijftaal hebben doen wegebben met hun emancipatoire geestdrift en een ieder zich liet richten naar hun platitudes. Met al hun zogeheten taaleenvoud hebben zulke mensen toch de grootste moeite om de diepe afkeer te verbergen die hun privé opvatting hen inboezemen. Na deze uitleg en verantwoording ontdekt hij dat hij op deze wijze maar hoogst zelden te biecht ging tegenover iemand. Tegenover Sonali voelt Donos Juanos heel vaak betekenisloos, zelfs eendimensionaal worden. Zelfs Suzette biedt daarbij geen tegenwicht. Tijdens het overhalen glimlachte Donos Juanos teder en toegeeflijk tegen Sonali om haar de hoop te geven dat ze zich geen zorgen hoefde te maken om wat voor haar persoonlijk obsessioneel is. “Het gebod van een vrouw is voor mij een bevel en ik ben geen type dat zich beijvert om dusdanig opdringerig en interessant te blijven doen tot zij overstag gaat “, verduidelijkte Donos Juanos haar waardoor Sonali hem bedankte voor diens geruststellende woorden. Bij Sonali zijn de problemen groter omdat ze onbeschrijflijk mooi is. Ze draagt een dusdanig absolute schoonheid met zich mee dat een ieder haar aanduidt als “die ene bloedmooie”. Door de hele geschiedenis hebben alle mooie vrouwen meer problemen gehad dan gewone vrouwen, herinnert Donos Juanos zich uit het roemruchte essay De Tweede Sekse van de Franse schrijfster, Simone de Beauvoir. Sonali slaat zedig haar ogen neer en onthoudt zich verder van verdere tegenwerpingen . In de wiebelende auto drukt Sonali zich voorzichtig uit: “Weet je Donos, de omstandigheden verhinderen mij om mij vrijelijk prijs te geven. Daarom vraag ik je om mij de gelegenheid te geven je beter te leren kennen. Als daaruit moet blijken dat we met elkaar overeenstemmen , namelijk wat je voor mij voelt wat uit ieder gebaar en ieder woord wel duidelijk moet spreken… “ .Donos juanos houdt haar beide handen vast en kijkt haar diep in de ogen. Sonali beeft inwendig. In haar donkere, glanzende ogen fonkelt een eerlijkheid die niet mis te verstaan is. Hun ogen en lippen gaan in elkaar over. Hun lichamen zijn vast tegen elkaar aan geklemd en de hartstocht stuwt tussen hen op. Buiten adem gaan ze een eindje van elkaar staan af staan en zoeken opnieuw elkaars blikken. Donos Juanos’ gretige lichaam was hard geworden tegen het hare en de noodzaak om zich te verontschuldigen is nog pijnlijker dan het gevoel van zijn mannelijkheid dat in actie Sonali, ik bedoel er niets oneerbaars mee uit te drukken “, zegt hij op een kuise manier. Hij vervolgt op een gezaghebbende toon: “Hoor eens, we moeten de dingen in de juiste verhoudingen zetten. Ik praat tenslotte met een ontwikkelde vrouw en geen domme narcistische, leeghoofdige pop”. Sonali zegt daarop: “het is OK. Je hoeft je ook niet helemaal in te houden omdat ik dan anders ook niet weet hoe jouw emotie is. Gevoel voor verhouding is erg belangrijk”.       Sonali knippert na aankomst op The White Beach tegen het duizelingwekkende felle zonlicht, rekt lui haar armen uit en houdt ze plotseling midden in de lucht stil, de oren gespitst om geluiden uit de omringende natuur te kunnen opvangen. Het water van de Suriname rivier is bruin en volmaakt. De temperatuur is gestegen naar 35 graden terwijl de lucht helemaal niet circuleert waardoor er haast een dodelijke verstikking hangt. De hersens van de gasten zouden kunnen gloeien terwijl het bloed ook nog tot op kookhitte zou kunnen stijgen. Uit een rots die nauwelijks ver van de Suriname rivier verwijderd is sijpelt water, dikke vlugge druppels die met een hardnekkige regelmaat steeds op dezelfde plaats neerkomen. In een schaduwrijke ruimte aan de oever bewegen zich spookachtige vormen die ontstaan zijn door de zonlichtprojectie op de kokospalmen en kokosbladeren waardoor je een heup met een ronding krijgt, een gespierde arm, een woeste, als voor een misdaad zwart gemaakte kop. Op het witte zand waar dit strand haar naam aan te danken heeft zijn er parelmoerkleurige schelpjes terwijl er aan het wateroppervlak van de Suriname rivier zelf de bewegingen merkbaar zijn van snelle, steeds weer onvermoeibare schietende bewegingen van vissen. Rust, warmte, licht….. Donos Juanos’ hand schuift onzichtbaar naar die van Sonali toe. De dichter in hem vraagt hem opeens: “Wat gaat er nu door de lucht, tussen de wolken en de hoogvliegende vogels, in dat zuivere domein waarin de stemmen van de natuur versterven en waarin de geuren van de aarde vervliegen? De brokken van het leven op deze plek staan op één lijn en op afstand van elkaar. Ze bezien elkaar over de afgronden die hen scheiden en geven zo aan elkaar het eeuwige raadsel door”. Donos Juanos bevrijdt zich van deze literaire sensatie omdat die niets is wanneer je een bloedmooie vrouw naast je hebt lopen, realiseert hij zich. Nu luisteren Sonali en hij ingespannen, aanvankelijk verrukt door de beatrijke klanken die uit de speakers op een podium rollen en opstijgen. Een onverwachte frisheid mengt zich met de geuren uit de cafetaria’s, prachtige Surinaamse bloemen in tot aluminium vazen geïmproviseerde emmers die staan te gloren in de verzengende hitte. De menigte op het strand beweegt zich langzaam voort. Bij het kijken naar al de mensen ondervindt Donos Juanos een gevoel van verlatenheid, van onbehagen. Op de grote strook van de White Beach zijn er bontgekleurde parasols, hoeden in alle soorten en maten terwijl verwarde geluiden en ijle stemmen, het geroep van kinderen die waterpret hebben , de extatische lach van vrouwen die op zich een aanhoudend en aangenaam rumoer inhoudt,veroveren. Al deze geluiden vermengen zich met het briesje uit de Suriname rivier dat men nauwelijks opmerkt en gewoon inhaleert. Het water komt op en jaagt geleidelijk aan de voeten van de strandwandelaars. Sommigen staan te spartelen in de zwakke gelige golven. Sonali en Donos Juanos lopen langs groepjes, allen uitgedost in bonte kleren van fraaie stofjes, de kunstmatige zwier van in keurslijven geperste vrouwen middeltjes, al die vernuftige uitvindingen van de mode, van het leuke schoentje tot en met de zonderlinge hoed, de verleidelijke charme van hun gebaren, stem en glimlach, kortom de behaagzucht die op dit strand ten toon wordt gespreid. Al die uitgedoste vrouwen willen behagen, bekoren en iemand verleiden. Ze hebben zich mooi gemaakt voor de mannen, voor alle mannen, behalve voor hun echtgenoot die ze niet meer hoeven te veroveren. Ze hebben zich mooi gemaakt voor de minnaar van vandaag en de minnaar van morgen, voor de onbekende die ze zouden willen ontmoeten, opmerken naar wie ze misschien uitkijken. De mannen op zich kijken elkaar dan aan en als ze praten met de ogen zijdelings verstolen gericht op de hitsige dames, raken hun monden elkaar bijna. Ze dagen hen uit en begeren hen, maken jacht op hen als op lenig en schuw wild, ook al lijken ze zo dichtbij en gemakkelijk te vangen. Dit Surinaamse witte strand is dus niets anders dan een liefdesmarkt waar sommige vrouwen zich verkopen, anderen zich weggeven, sommigen hun kussen verhandelen, anderen slechts beloftes doen. Al die vrouwen denken alleen maar aan hetzelfde: hun lichaam dat al weggegeven, al beloofd is aan andere mannen, aanbieden en begeerlijk maken. De mannen op hun beurt bedenken dat het op de hele wereld altijd en overal hetzelfde  is. De met kokosbladeren opgetuigde hutten staan gelijk te midden van een hels ballet van strandbezoekers, die in de hutten een plekje proberen te veroveren. Sonali groet een aantal bekenden met een hoofdknik, loopt samen met Donos Juanos een feesttent binnen alwaar de wanden met felle kleuren zijn gecapitonneerd en versierd met veldboeketjes. De ruimte ziet er behoorlijk vol en zelfs rokerig uit ondanks dat die geen hermetisch afgeschermde hal is. Er is een tafel met gokkers en aan een naburig tafeltje zit een lichtelijk getikte vrouw die denkt dat ze een hoer is en van achter haar glas met het mengsel van bacardi en cola naar een onzichtbaar iemand zit te lonken die tegenover haar zou zitten. Twee kennelijk jong verliefden lezen elkaar de les voor betreffende hun liefdesrelatie. misschien is het echt wel zo, zoals ik het van mijn beste vriendin heb gehoord..”, gilt het meisje tegen de jongen. De verbetenheid die zich opeens van haar meester maakt is zo heftig dat ze bijna de neiging heeft te gaan gillen. Er is kennelijk niets voor haar om bang voor te zijn maar ook niets om er van te houden. Als de verstandhouding tussen beiden een holle luchtspiegeling mocht zijn, bestaat de liefde tussen hen dan ook niet echt. Misschien is er tussen hen alleen maar een eindeloze optelsom van waardeloze momenten geweest, alleen maar een rommelig gewroet van zinnelijke driften en van idyllische fantasieën die een kleefproces tot gevolg heeft gehad. Inmiddels wervelen de dansers over de dansvloer met bezwete voorhoofden langs Donos Juanos en Sonali heen. De beweging wordt geleidelijk aan levendiger en onregelmatiger naarmate de beat van de muziek van modulatie en timbre verandert. Sonali die zich geïnspireerd erdoor aan een dans met Donos Juanos overgeeft met iets van een kwijnend verlangen, trekt hem helemaal tegen zich aan. Haar tedere aanschuren tegen zijn lichaam verschaft Donos Juanos een soort dronkenschap waar andere beelden aan ontspringen. Hij verdrinkt in de donkere ogen van Sonali waarvan de omtrek schittert, zich onder de ietwat zware leden bewegen terwijl er uit de diepte van haar oogappels een oneindige tederheid en schranderheid stralen. Hij voelt zich aangegrepen door een liefde die sterker blijkt te zijn dan ooit, mateloos: het is een stille bewondering die hem geheel verdooft. Hij neemt ook de andere vrouwen op die aan zijn ogen voorbijtrekken, elk van hun verblindend, opwinding schenkend welke kennelijk in lineaire correlatie staat met de aard harer schoonheid. Donos Juanos realiseert zich dat hij in het algemeen alleen maar valt op vrouwen van een tamelijk volkse schoonheid want de schoonheid die hij onbewust probeert bij Sonali te zoeken komt geheel overeen met de schoonheid die hij vaak bewonderde in vrouwenfiguren op posters. Zij kan hem met haar idyllische en gracieuze uitdrukking totaal doen verkillen, met inbegrip van haar mooi afgewerkte ronde vormen die bij hem de warmste gevoelens opwekken. Sonali port donos Juanos en zegt tegen hem: “Donos, moet je toch eens naar die ene aap daar kijken. Hij heeft zich jaren beijvert mij voor zich te winnen. Je kunt je zijn ijdelheid niet voorstellen welke allemaal werd bewerkstelligd door mij”. Als ook die man Sonali in het vizier heeft maakt hij een lichte buiging en blijft hij onbeweeglijk staan met één hand op het hart, de linkervoet naar voren, de ogen ten hemel geslagen terwijl hij uit alle macht tracht in zijn blikken een vloed poëzie te leggen met de hoop Sonali daarmee te kunnen verblinden. Als de muzikanten pauze nemen, gaan de vrouwen zitten terwijl de mannen heen en weer lopen. Een klok met een haan geeft zijn slagwerk van twee uur ten beste waarop een stortvloed van geestigheden losbarst over de koekoek. Daarop volgt van allerlei nonsenspraat, moppen, snoeverijen, weddenschappen , leugens die voor waar worden verteld, de meest onwaarschijnlijke beweringen , een tumult van woorden dat weldra versnippert tot potige gesprekken. Bekers met parbobier gaan rond, de ene gang de andere snel opvolgend. Beiden zitten tegenover elkaar in stilzwijgen te peinzen. Ondanks de aan het plafond hyperventilerende ventilatoren is de sigarettenrook met een mes te snijden. Donos Juanos moet steeds de longen uit het lijf schreeuwen, waarin hij doorgans buitengewoon slecht is , om boven de afschuwelijke herrie van over en weer schietende gesprekken uit te komen. Voor hem komt het dan goed uit dat hij zijn mond helemaal naar de oren van Sonali moet brengen en benut hij die gelegenheid goed om zijn lippen tegen haar wagen aan te drukken. De barkeepers moeten zich met hun schouders een weg banen door de mensenzee die op dit spitsuur een dichtheid van vijf of zes man per vierkante meter lijkt te overschrijden. “ik ben vroeger getrouwd geweest,”zegt Donos Juanos plotseling om de lawaaierige stilte ergens mee te doorklieven. “vijf jaar geleden – dat lijkt me nu wel een eeuw terug. Er kwam niets van terecht. Het was een vrouw die begiftigd was met verschillende persoonlijkheden. Van mensen om ons heen leek zij alles te begrijpen behalve mij”. Donos Juanos is niet als de meesten uit Surinaamse schrijverskringen die zich uit geestelijke luiheid neerleggen bij zogenaamde verplichtingen die hun literaire status, zoal daar sprake van is, met zich meebrengt en waardoor hij zich enkel geroepen zou voelen om met een speciale laag van de bevolking om te gaan. Hij maakt niet graag deel uit van degenen die zich onthouden van genoegens die het alledaagse leven hen te bieden heeft buiten het mondaine bestaan om waarin ze ingekapseld tot aan hun dood leven en die zich – als ze er eenmaal aan gewend zijn geraakt- tevredenstellen met het mistroostige vermaak of de draaglijke verveling die dat leven in zich herbergt bij gebrek aan beter. In zijn vertelling lijkt het alsof het leven dat na een stilstaand opgeschort was geweest zijn loop hernam. Hun ogen zijn in elkaar verstrengeld, zelfs gevangen omdat Sonali nieuwsgierig is wie en wat in zo’n man huist. Inmiddels horen ze weer flarden muziek uit wel tien speakers die aangesloten zijn op een robuuste stereo-installatie. Sonali lijkt zich te willen schikken naar Donos Juanos en begint met hem een literair gesprek. Het verveelt haar niet om met hem erover te praten want ze kent de werken van Anais Nin, Gustav Flaubert, van Fransoi Sagan, Simone De Beauvoir, Jean Paul Sarte etc. Ze maakt ook nog geestige opmerkingen over van alles en nog wat en bewijst zich absoluut als een aangenaam gezelschap. Bij het eten gedraagt zij zich met opzet onbeholpen door met haar handen komedie te spelen en heel stuntelig te doen.                Donos Juanos neemt Sonali mee naar zijn hotelkamer. Sonali realiseert zich nu dat zij zich met donos Juanos overeenkomstig een soortgelijke act in de bollywood film Bobby, in één dezelfde kamer bevindt waarbij ze zich ervan bewust is wat er van haar wordt verlangd. Uit voorzorg van de bedachtzame vrouw of als ritueel gebaar doet zij de deur op slot en begint gezwind al haar kleren af te leggen maar op een tempo zoals een patiënte dat aanhoudt bij een dokter die haar wil ausculteren. Ze stopt dan met zich verder uitkleden als de dokter bemerkt dat de patiënte in kwestie niet gesteld is op naaktheid en tegen haar zegt dat ze haar hemd kan aanhouden waarbij hij bereid is te volstaan door haar ademhaling en hartslag door het ondergoed heen te beluisteren. Als Sonali halfnaakt op het bed ligt wacht zij totdat Donos Juanos bij haar ligt. Donos Juanos denkt opgelucht : “dit is dan echt het einde van haar obsessie “. Sonali streelt de binnenkant van zijn dijen en laat haar lippen langs zijn lichaam glijden. Hij voelt slechts een matige ongedwongenheid en vraagt zich af of hij zelf in staat is haar tot daadwerkelijke activiteit te prikkelen. Ze klimpt boven op hem en neemt zijn oor tussen haar tanden. Het is voor even dat ze zich volkomen vrij voelt in haar lichaam terwijl de handen van Donos Juanos teder haar borsten masseren. Zijn liefkozende woorden, zijn kleine tedere gebaren zijn voor haar alleen maar uitingen van zijn wil om haar echt te hebben. Zijn nieuwsgierigheid naar haar lichaam wordt intenser. Onverwacht maar met tederheid onderwerpt Donos Juanos haar aan verscheidene experimenten, stimuleert hij haar reactievermogen. Sonali is even het object van kunstmatige listen om haar te kunnen prikkelen of om haar opwinding op te schroeven. Zij huivert, het is net of er op een knopje is gedrukt zonder dat ze het misschien zelf heeft gewild en lijkt het alsof haar ongedwongenheid nooit meer kan worden gestuit. Zij houdt haar smachtende ernstige blik met haar grote, smalle, glanzende bruine ogen, welke nauwelijks zijn omsloten door de oogleden waarin zich elk moment twee tranen kunnen losmaken, op Donos Juanos gericht. Ze wil haar onzekerheid niet vergroten en is ze gevlucht in een avontuur om de zichzelf opgelegde restricties niet hoeven te ervaren. Nu komt zij tot de ontdekking dat zij haar eigen leven leidt en de prijs voor haar onbezonnen vertrouwen is dat zij plotseling met een vreemde in bed ligt. Nu haast zij zich gretig en met een beetje angst in het hart naar een onbekende wereld die maar op een kiertje voor haar open staat. En dan is het voor haar een grote beproeving om het leven achter haar vaarwel te zeggen zonder ooit te hebben geweten hoe de kus zou zijn van de man die hij opeens het meest lief heeft. Zij gelooft nochtans dat juist deze dag en waarschijnlijk voor het eerst Donos Juanos heel veel bij haar heeft losgemaakt door met zijn dichterlijke woorden tederheid voor tederheid, langzaam had gecreëerd waardoor hij volkomen anders is dan al de anderen die zij achter zich heeft gelaten. Deze ronddwarrelende herinneringsbeelden duren een paar seconden. Sonali vindt haar bedrevenheid pas terug in de liefde met de roerende voorwetenschap van vrouwen die zo van mannen houden dat ze dadelijk kunnen raden wat het lichaam, toch verschillend van het hunne, het meeste genot verschaft. Wezenloos wordt Donos Juanos wakker en ligt hij praktisch om het slanke doch volle lichaam van Sonali heen gewikkeld terwijl zijn rechthand tussen haar dijen zit te wriemelen.        Sonali staat op en loopt de badkamer in. Ze draait de douchekraan helemaal open en staat met de voeten tegen de muur, het hoofd omlaag onder de koude waterstraal. Ze blijft verscheidene seconden lang in deze houding staan, waarbij het water van haar tenen over de betegelde vloer golft en met open mond, de haren neerhangend en de ogen half gesloten geniet ze onder de tanden grondig te poetsen, zet ze de tandenborstel niet terug in het glas maar stopt hem nat en wel in haar toilettas. Ze droogt zich af en staat met het handdoek om haar middel gebonden inde deuropening van de badkamer naar Donos Juanos te kijken hoe zij met hem de liefde heeft  bedreven terwijl ze daar principieel op tegen was. Haar kleine ronde borsten vormen een hoek van negentig graden met de verticale lijn van haar borstkas.                                                                                                                                                                               

rabin gangadin
0 0

12 november

Het regende pijpenstelen toen ze werd gegrepen door die tram. Tram 24, om precies te zijn. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Het was zelfmoord. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Vluchtmisdrijf is altijd een beetje moord. Als ik een moordenaar zou zijn, wat zouden ze me vragen? Hoe voelt het om een moord te plegen? Je moet zelf een moordenaar zijn om te beseffen hoe een moord plegen voelt. Net daarom heb ik films over moordenaars altijd rotzooi genoemd. Wat is moord? Een slagersmes pakken en iemand neersteken? Of je omdraaien wanneer je iemand dat ziet doen? Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. Er waren geen getuigen, die bewuste avond. Voor oude vrouwtjes die hun lelijke hondjes uitlaten was het al te laat op de avond, en voor feestende jongeren was het nog te vroeg op de week. Ik was daar, toegegeven. Op dinsdagen fiets ik door de stad. Zomaar. Zomaar, omdat een moord ook op dinsdagavond kan gebeuren. Er waren geen getuigen. Alleen een tramchauffeur, zijn lege tram en de lege ogen van een dood meisje. Niemand had me gezien. Verdwijnen in de nacht was een goed plan. Ik trok mijn kap wat strakker over mijn hoofd en zette mijn fietslampjes uit, maar wegfietsen deed ik niet. Ik bleef kijken. Kijken naar de wanhopige tramchauffeur die het meisje een hartmassage gaf en in paniek naar het ziekenhuis belde. Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. En toekijken, is dat dan geen moord? Eigenlijk is het zonde, zo’n jong en dood meisje. En dat leek ze zelf ook te denken, want ze stond achteloos op, bedankte de tramchauffeur voor de goede zorgen en fietste verder. Neen, dat beeldde ik me in. Ik sloot mijn ogen enkele seconden en opende ze weer. Zou het niet mooi zijn als ze weer opstond? Zou het niet mooi zijn als omstaanders eens een keertje helpen wanneer iemand problemen heeft? Ik herinner me die keer dat we eens gingen dansen. Dansen, dacht ik. Leuk. We hadden afgesproken elkaar naar huis te brengen en onder te stoppen, als één van ons te veel gedronken had. Enkele uren later vond ik Augustientje met een gebroken neus tegen de gevel. Ze had geprobeerd twee kemphanen te kalmeren. En ik zit hier al een heel uur, huilde ze. Zonder enige hulp. Ik keek om me heen, waar niemand zich iets aantrok van de ellende die ik ondersteunde naar de ambulance die net aankwam. Toen Augustientje thuis in haar bed lag, ging ik terug om Mimi te zoeken. Ik struikelde en kwam niet veel later een tweede keer op de spoedafdeling terecht: op de bewakingsbeelden werd duidelijk dat Mimi al een kwartier op de grond lag. Het meisje had even vrolijk krullende haren als Augustientje, en Mimi had dezelfde fiets en handtas. Misschien was het wel Augustientje die Mimi’s spullen bij zich had. Als ik een moordenaar zou zijn, dan zou ik een motief nodig hebben. Augustientje ging wel eens met de jongens lopen die ik leuk vond, dat wist ze. Oh, dan kon ik haar de haren uittrekken. Ik keek naar het meisje. Ondertussen was ze kletsnat en lag haar gebarsten bril naast haar hoofd. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Eigenlijk had ik ook niks gezien. Ik trek mijn kap wat strakker, veeg de druppels van mijn bril en draai me om, de nacht in. Ik heb niets gezien.

MDB
0 0

Middag op de Markt

  Hij trekt de punt van zijn kraag recht en wisselt de zwarte leren boekentas van hand. Haalt een hand door zijn te lange haren. Donker, wild, weerbarstig. Licht grijzend vlak tegen de kruin aan, maar dat zie je alleen van erg dichtbij. Zijn vrouw had er onlangs met ernstig gezicht naar gekeken, die kruin van hem. Aan haar ogen had hij het gezien, dat het zover was. Onomkeerbaar. De eerste tekenen van jeugdige vergankelijkheid. Hij wandelt verder met stevige tred. Het schuren van de mouw van zijn jas tegen zijn romp maakt een ritselend geluid. Het geluid van haast, noemt hij het, want je hoort het alleen bij mensen die zodanig vlug wandelen dat hun armen ongecontroleerd op en neer naast hun lichaam vliegen. Alsof ze elk moment kunnen opstijgen, in de hoop alsnog op tijd ergens toe te komen. In de verte ziet hij de halte in de ochtendmist opdoemen. Al jarenlang wandelt hij dagelijks naar dezelfde halte. Tram acht. Al jarenlang doet hij dagelijks hetzelfde traject. Twee keer. Elke dag opnieuw. Hetzelfde jasje, dezelfde boekentas, dezelfde ongecontroleerde armbeweging. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Zelfs het hobbelige voortglijden van de tram over de sporen is dagelijks even repetitief. Doe-doek. Doe-doek. Binnen drie tellen komt er een bocht. Piep. Hij houdt van repetitieve handelingen, daar niet van. Hij vindt het fijn dat hij weet wat er komen zal. Hij is geen mens van verandering. Hij gebruikt al sinds zijn tienerjaren dezelfde eau de cologne en draagt al jaren dezelfde afgetrapte schoenen die hij ooit van zijn vrouw kreeg. Zijn dagen waren perfect voorstelbaar, tot in de puntjes, vanaf het moment dat hij ‘s ochtends zijn bed uitstapte. Tot er gisterenmorgen geen boterhammen met kip curry voor hem klaar stonden op het aanrecht, en zijn vrouw diezelfde avond zonder aankondiging ook niet meer thuis kwam. Nu klinkt zelfs de tram niet meer repetitief.   Hij denkt na over hoe en wat er gebeurd kan zijn, maar na een half uur leegte komt hij tot de constatatie dat hij eigenlijk niet zo goed nadenken kan. Hij heeft dat nu eenmaal al zo lang niet meer hoeven te doen. Alles is altijd maar ok geweest zoals het was. De laatste keer dat hij nadacht over wat hij wilde eten, is meer dan tien jaar geleden, bedenkt hij zich. De laatste keer dat hij op vakantie ging ook. Dat hij op vakantie wilde. Dat hij een curryworst special van de frituur achter de hoek wilde. Pas op, dat wil niet zeggen dat hij alles tegen zijn zin doet. Dat hij ongelukkig is. Elke dag eet hij kipcurry tussen zijn boterhammen, omdat hij ervan overtuigd is dat er echt niets lekkerders bestaat. Elke dag heeft hij zijn nylon zwart jasje aan, ook al is dat geen mode meer sinds hij veertien was. Het voelt vertrouwd, en dat is goed genoeg. Net zoals zijn vrouw, denkt hij dan. Vertrouwd. Wat een mooi woord. Dat wil niet zeggen dat hun relatie dood is, dat ze berusten in een vlucht naar vroeger. Ze weten gewoon perfect wat ze aan elkaar hebben. En dat vindt hij niet zomaar alleen slecht. Hij heeft hoegenaamd geen behoefte terug te denken aan de tijd dat hij zijn stropdas net dat beetje meer aanspande om er gesofisticeerd uit te zien. Dat hij haar witte rokken net dat beetje teveel ophief wanneer ze haar laarsjes optrok. Dat wil niet zeggen dat ze verlangen allebei weer tieners te zijn die elkaar verlegen, hitsig en met het schaamrood op de wangen liefdesbriefjes toestaken door de spijlen van de schoolpoort. Zij onbereikbaar, in de vierde klas van de meisjesschool, tussen de nonnen. Hij leutig stoer, in het college handbewerking bij de paters. Twee verschillende scholen onder één dak. Een gietijzeren poort die hun liefde van elkaar scheidde, willekeurig neergepoot door God de Vader. Zo gevochten dat hij heeft voor haar. En het enige wat hij zich nu nog kan herinneren, is hoe ze de staart van de kat aait. En hoe ze haar keel schraapt vlak voor ze zich omdraait in haar bed, wanneer ze gaat slapen.   Hij kijkt om zich heen, zijn nek kraakt. Het huis ligt er nog steeds kraaknet bij, alsof er niets gebeurd is. Ze heeft het prachtig ingericht, denkt hij. De moderne meubels en geometrische lijnen zijn eigenlijk niet helemaal zijn ding, maar het resultaat mag er toch wel wezen. Hij weet nog goed hoe ze hem van de ene meubelwinkel naar de andere meetroonde. Wat dacht hij van een ijzeren tafel en een zwarte eiken boekenkast? Hij had er geen idee van. Doe maar wat jij goed vindt lieverd, zei hij, ik vertrouw je helemaal. Ze glimlachte dankbaar op dat moment, daar in de twintigste meubelzaak die ze die dag bezochten. Haar ogen zacht en warm, maar tegelijkertijd vurig en vastberaden. Hun gloednieuwe huis was in goede handen, wist hij. Nog even, en ze zou een nest voor hun tweetjes gebouwd hebben. Ondertussen is dat al jaren geleden. De meubels zijn niet modieus meer, het leer van de zetel is zacht, dun en vaal geworden. Dat vindt hij niet erg, integendeel. De zetel is perfect doorgezakt op de plaats waar hij altijd zit. De eiken boekenkast kraakt ondertussen onder het gewicht van haar inhoud, het blad van de ijzeren tafel is bedekt met krassen. En haar ogen zijn al lang niet warm, zacht, vastberaden of vurig meer, maar vooral moe. Zo gevochten dat hij heeft voor haar. En het enige wat hij zich nu nog kan herinneren, is hoe ze de staart van de kat aait. En hoe ze haar keel schraapt vlak voor ze zich omdraait in haar eigen bed, wanneer ze gaat slapen. Ze had dat voorzichtig aangepakt, dat van dat bed. Hij snurkte en woelde ’s nachts vreselijk, en zij geraakte daar moeilijker en moeilijker van in slaap. Eerst werden haar ogen en haar haar dof, daarna kreeg ze een lastig hoestje. Oververmoeid, zei de dokter. En hij wist dat het zijn schuld was. Maar wat was de oplossing? Man en vrouw horen nu toch eenmaal samen te slapen, opperde hij onzeker. En toch. Twee weken later kwam er een bevriend schilder de logeerkamer in het zachtroze schilderen. Er werd een nieuw bed geleverd, en dat was dat. Van toen af aan dekte hij haar elke avond onder, en bleef hij naar haar kijken tot ze inslaapt. Zoals bij de kinderen die hij altijd wilde, maar die ze nooit kregen.   Hij is moe. Hij kan zich moeilijk concentreren op zijn werk. Zijn baas stelde voor dat hij enkele dagen thuis zou blijven, maar daar heeft hij weinig zin in. Hij wil graag blijven vasthouden aan zijn dagelijkse tramritten, zijn zwartleren boekentasje en zijn afgetrapte werkschoenen. De rapporten die hij opmaakt en naar het management in Lyon verstuurt. Hij zou niet weten wat hij nu anders zou moeten doen. Hij weet dat hij vooral rustig moet blijven om zijn vrouw terug te vinden. Rustig. Dat wordt hij alleen als hij op elk moment perfect weet wat er komen gaat. En het is al meer dan gek genoeg niet te weten wat hij vanmiddag zal eten.  Sinds zijn vrouw zoek is, staan er geen boterhammen met kipcurry meer voor hem klaar, en is hij genoodzaakt zich neer te leggen bij de gebrekkige kookkunsten van het cafetaria-personeel. Zo kiest hij elke dag voor een kom dampende soep, begeleid van een witte pistolet met minarine, maar welke soep hij zal eten, weet hij niet. Elke dag is anders. Bovendien is het in zijn bedrijfskantine perfect mogelijk een oranje tomatensoep voorgeschoteld te krijgen, of een groene wortelsoep die naar courgette smaakt. Daar raakt hij maar moeilijk overheen. Wanneer je een cd met cellosuite’s van Bach opzet, verwacht je ook geen elektrische gitaren te horen. Hij heeft het probleem al meermaals aangekaart bij het management, maar in het bedrijf werken meer dan 3000 mensen met meer dan 3000 wensen, en de zijne is daartussen niet van prioritair belang, zo werd hem verteld. Hij probeert dan maar te leven met het idee dat elk middagmaal een verrassing zal zijn, en dat de naambordjes bij de grote salamanders soep geen garantie zijn voor de inhoud. Zijn duim speelt onophoudelijk met de trouwring aan de ringvinger van zijn rechterhand. Gek, die draagt hij pas weer sinds zijn vrouw verdwenen is. Alsof hij wil laten zien dat ze wel terug gevonden moét worden omdat ze zijn bezitting is. Of omdat hij zich schuldig voelt, misschien is het wel zijn schuld dat zijn vrouw kwijt raakte, omdat hij zijn ring al jaren niet meer droeg.   Hij weet nog hoe hij de eerste avond na haar verdwijning op zijn knieën voor zijn nachtkastje zat, op zoek naar het gouden onding. Hij wist dat hij het artefactje van wat ooit een liefdesdroom was – nu slechts een zeurende herinnering in zijn achterhoofd – érgens in zijn nachtkastje had gepropt, nadat hij tot de pijnlijke vaststelling was gekomen dat zijn ooit ranke vingers zich tot zijn kipcurry-verbruik waren gaan verhouden. Hij kreeg het ding aan noch uit, en verwenste elke herinnering aan zijn jonge, gelukkige, fitte leven tot in het donkerste hoekje van een compleet zinloos meubelstuk. Niet dat hij zijn vrouw minder graag was gaan zien, maar gewoon omdat niet in onvrede wilde raken met zijn huidige bestaan. Omdat hij niet meer wilde denken aan de tijd dat hij een jonge kerel met een getraind lijf en een hoop wilde dromen was.   Hij is nog steeds diep in gedachten verzonken naar zijn rechterhand aan het kijken wanneer de postjongen zijn kartonnen kantoortje binnen stapt met een brief voor hem in zijn hand. Vreemd, hij had al twintig jaar lang geen brief meer gekregen. Met licht trillende handen scheurt hij de enveloppe stuk. Tergend traag, onzichtbaar naar adem happend. De receptionist blijft onaangenaam lang in zijn kantoor staan en kijkt hem met vragende blik aan. Jonge mensen hebben geen greintje respect voor privacy meer. Dat komt misschien wel door al die sociale media en virtuele identiteiten van tegenwoordig. Je hoeft alleen nog maar iemands naam in de searchbalk van Google te typen, en je vindt zijn hele leven terug. Hij vindt dat geen goede evolutie in deze wereld. Het idee dat iemand zomaar elk detail uit zijn leven kent zonder dat hij die persoon ooit maar heeft gezien, beklemt hem. Al heeft hij eigenlijk geen enkel idee wat er nu juist zo interessant zou kunnen zijn aan zijn leven. Buiten het feit dat hij altijd kip-curry tussen zijn boterhammen eet en dat hij zijn vrouw kwijt is.   Het is een korte brief, ziet hij meteen. Het dubbelgevouwen blad is nauwelijks groter dan een post-it, in dik, geribbeld papier. Hij herkent meteen het logo van het Museum voor Moderne Kunst uit de stad. Hij is er vorige week nog naar een tentoonstelling over de geschiedenis van de jazz geweest. Het was eerder en vernissage waar jonge kunstenaars hun werk tentoon konden stellen. Wel boeiend, maar een leerzame kroniek was het niet geweest. Hij had er meer van verwacht. Het briefje telt slechts vier woorden. En één smiley. Ook daar heeft hij een hekel aan. Hij vindt het een teken van onstabiliteit, het gebruik van smiley’s. Alleen pubers en labiele werklozen gebruiken ze, denkt hij afkeurend.
Hij schudt zijn hoofd. De grote hanenpoten in dunne, zwarte stift ergeren hem mateloos. Opnieuw een teken van onstabiliteit. Zelf schrijft hij zo klein mogelijk, zo recht mogelijk, zo duidelijk mogelijk. En altijd met zijn metalen regel. Proper, overzichtelijk en 100% recht. Daar wordt hij rustig van. Dan leest hij de tekst. Zijn adem stokt. Hij is haar kwijt.   ‘ZE IS WEG. VOORGOED. :)’

Annelies Leysen
0 0
Tip

Hotel Prestige

“Knoopt uw jasje schoon dicht”, sist zij kordaat. Haar mooie, diepe, donkere ogen staan scherp. Er valt met haar niet te sollen, zoveel is duidelijk. Haar lange haren golven op en neer terwijl ze stevig en vastberaden weg beent. Hij heeft zichtbaar moeite om haar bij te houden. Hij opent zijn mond even, maar lijkt zich dan te vermannen en doet dan, met enige tegenzin in zijn blik, gedwee wat ze zegt. Ze is niet makkelijk om mee samen te werken, weet hij, maar om één of andere reden krijgt ze toch altijd maar alles klaar gespeeld. En hij? Hoewel hij de hoofdrol speelt in dit verhaal, weten ze allebei dat hij het in zijn eentje nooit zou klaarspelen. Hij houdt even halt, haalt diep adem, en zet het dan op een lopen om haar in te halen. Oké. Showtime. Nog een laatste keer. En dan is het allemaal voorbij. Ze naderen de grote, zwarte, smeedijzeren deur. Alsof ze elkaar nooit gekend hebben, gaat zij links, en duwt hij de zware deur half open. Hij kucht geluidloos, recht zijn schouders en loopt daarna met een gladde zelfverzekerdheid het kleine trapje op, tot in de grote lobby. Het smakeloze zalmroze tapis-plain dat de hele ruimte bedekt, komt duizelingwekkend snel op hem af. Zelfs in de jaren zeventig kan dit niet mooi geweest zijn. Hij laat bij het voorbijlopen heel even voorzichtig, bijna lieflijk, zijn linkerhand rusten op de roze leren sofa in het midden van de lobby. Dat mensen hier vrijwillig blijven overnachten, en er dan nog een fortuin voor neertellen, daar kan hij met de beste wil van de wereld niet bij. Uit de muziekinstallatie kraakt ‘Private Dancer’ van Tina Turner, nog zo’n afgebleekt icoon uit vervlogen dagen. “Oké”, zegt hij tegen zichzelf. “Oké”. Met een Hollands accent. “Owkej”. Kom op man, draai die knop om, en ga ervoor. Niks te verliezen. Gewoon gaan. Haal die charmante lach nog eens boven, schud nog eens met die prachtige donkere haren. Laat je perfect gevormde haarlijn maar eens zien aan de smakeloze vrouwen in dit smakeloze etablissement. Binnen tien jaar is het te laat, dan zal je langzaamaan grijs geworden zijn, en zal blijken dat dat knappe gezichtje van je lang niet meer zo gaaf is als vroeger wel leek. Zorg vandaag maar voor dat appeltje voor de dorst. Hij merkt dat hij te lang heeft stilgestaan wanneer er langs achter zachtjes iemand tegen hem aan botst. “Excuseer,” zegt een vrouwenstem dicht bij zijn linkeroor. Te dicht. Er loopt instinctief een koude rilling over zijn nek bij het horen van de lage vrouwenstem. Bingo. Zou hij nu al beet hebben? Geluidloos haalt hij adem, knippert een fractie van een seconde met zijn ogen, en draait zich dan om. Nog steeds geluidloos, en traag. Ze is mooi. Erg mooi. Haar ogen staan levendig, haar wangen energiek rood. Dit is ongetwijfeld de dochter van graaf de Craene, zijn target voor dit weekend. Wat een toeval. Maar god, wat is ze mooi. Waarom is zij in godsnaam hier? Wat doet zij tussen deze onverdraaglijke elitaire oude zakken? Ze misstaat hier als een panter in een varkensstal. Ze glimlacht spontaan en vriendelijk, wat haar nog mooier maakt. Het duizelt hem even. Tina Turner reutelt ondertussen zeer overtuigend haar finale, maar de muziek stoort hem ondertussen niet meer. Hop. Hij is volledig in zijn focus. Eindelijk. “Mijn excuses”, lacht hij charmant. Zijn perfecte tanden steken fel af tegen het zalmroze interieur. “Ik weet dat ik in de weg stond, ik geloof dat ik even in gedachten verzonken was.” Hij zegt het opzettelijk geheimzinnig, iets zachter dan hij anders zou praten. Vrouwen houden van mannen die in gedachten verzonken zijn. Altijd. En aan de blik van dit exemplaar te zien, heeft hij prijs. Het mysterie van de man. Een succesformule.  “In gedachten verzonken? Ben je dan niet aan het werk?” vraagt ze terwijl ze terloops even op de twee grote koffers die naast haar staan wijst. Even is hij van zijn stuk gebracht. Hij heeft al veel meegemaakt in deze kringen, maar nooit eerder werd hij als loopjongen van het hotel aanzien. Hij knippert even verbaasd met zijn ogen. Is het zo duidelijk van hem af te lezen dat hij hier eigenlijk niet thuishoort? Voelt ze dat hij geen van hen is? Heel even dreigt zijn masker te vallen, maar hij herstelt zich razendsnel. “ Ik? Ik kom voor het congres van morgen. Maar zal ik even iemand roepen voor je koffers?” ze lacht even ongemakkelijk, en tuit haar lippen. Een zucht peperdure parfum overvalt hem. Dit, denkt hij, is de geur van geld. Dit moet hij hebben. Hij mag haar niet meer uit het oog verliezen. Subtiel toenadering zoeken, haar verleiden met zijn geoefende mysterieuze blik en zijn gedistingeerde houding. Het vertrouwen winnen, haar kop een klein beetje zot maken, en dan keihard toeslaan. Binnen vierentwintig uur is hij zo rijk als de zee diep is. Dan kunnen Saskia en hij stoppen met dit dwaze vertoon. Een jacht kopen en eindeloos ronddobberen op de Stille Oceaan. “Focus! Hou je hoofd er bij!” sist Saskia opnieuw, dit keer door het oortje dat hij in zijn rechteroor heeft. Ze heeft gelijk. Hij moet bij de zaak blijven. Op het gezicht van de steenrijke dochter valt intussen af te lezen dat ze hem zonet een vraag stelde, maar hij heeft geen flauw idee wat. “Zullen we even buiten gaan zitten?” vraagt hij zo nonchalant mogelijk, “Ik krijg het hier zo benauwd van dat kunstmatige licht.” Om zijn rol af te maken, diept hij uit zijn linker broekzak een maagdelijk witte, gesteven zakdoek. Hij zucht te luid en te diep en dept zijn voorhoofd. Bingo. Op het voorhoofd van de mooie blondine verschijnt een diepe rimpel, instinctief neemt ze hem vast bij de ellenboog. “Gaat het wel? Je ziet er inderdaad een beetje bleekjes uit.” Hij knikt met dichtgeknepen ogen, terwijl de vrouw hem naar de patio loodst. Ook hier is de inrichting zo smakeloos dat hij er bijna echt onwel van wordt. Nog even doorzetten. Kom op, jongen, je kan dit. Nog één keer.  Denk aan dat jacht. Denk aan bodemloos rijk zijn. Denk aan die joekel van een verlovingsring om Saskia’s ringvinger. En aan haar verbaasde gezicht.  Hij ploft gespeeld vermoeid neer op één van de houten tuinstoelen die op het zalmkleurige terras staan. Ja. Nu komt het. Nu zal ze voorstellen om een glaasje water te gaan halen. Het moment om ervandoor te gaan met het tasje dat ze zal laten liggen. Één minuut heeft hij nodig. Één minuut, en hij is rijk. “Zal ik even een glaasje water voor je gaan halen?” Er klinkt een zekere ongerustheid door in haar stem. “Nee hoor, hoeft niet, het gaat zo weer beter.”, wuift hij haar voorstel weg, goed wetende dat ze toch naar de bar zal gaan om een glas water. En jawel, ze staat op, de diepe rimpel is er nog steeds. “Ik ben zo terug,” zegt ze, “water doet altijd wonderen.” Showtime. Hij kijkt hoe ze inderdaad haar tasje naast hem laat liggen, volgt haar met zijn ogen terwijl ze langzaam weg stapt, en maakt aanstalten om het tasje te nemen en weg te lopen. Maar dan ziet hij vanuit zijn ooghoek hoe een in het zwart gehuld figuur hem strak aankijkt. Fuck. Ze heeft verdomme haar eigen bewakingsagent bij. Dat maakt de zaken moeilijker, maar niet onmogelijk. Nadenken, jongen. “Saskia!” fluistert hij tegen het revers van zijn kostuumjasje. “Problemen. Ik heb de water-truuk boven gehaald, maar haar bodyguard staat mij hier aan te gapen. Heb jij haar in je vizier? Kan je voor afleiding zorgen?” Een seconde stilte. Even vreest hij dat graaf de Craene hun spelletje doorheeft en dat Saskia nu omringd is door een legertje ongure mannen, maar dan klinkt er heel droog “Check. Doe het nu.” in zijn oortje. Saskia. Redder in nood, altijd weer. Wat een wijf.    Zonder om zich heen te kijken of te aarzelen grist hij het tasje vast en zet hij het op een lopen, in de richting van de struiken rondom de patio. Uit het kletterende glas dat hij binnen hoort, maakt hij op dat Saskia inderdaad voor afleiding zorgt, en dat hij nog zeker een dikke minuut heeft vooraleer de diefstal opgemerkt zal worden. Zijn hart bonkt in zijn keel, de adrenaline bruist in zijn hoofd. Alles suist. Vooruit. Recht vooruit. Hij voelt ondertussen de ogen van de bodyguard in zijn rug priemen, maar hij maakt zich geen zorgen. Als hij rent voor zijn leven, komt alles goed. Hij is sneller dan die lome krachtpatser. Sneller en slimmer. Hoor die kerel maar eens stampen. En lopen maar. Daar, door dat gat in de haag, recht de wildernis der struiken in. Nog even en hij is veilig. Nog één minuut pompen en hij hoeft zich nooit meer zorgen te maken. De mouw van zijn jasje scheurt aan een tak waarachter hij blijft haken, maar hij blijft lopen. Zijn duurste aankoop ooit. Hugo Boss. Pure zijde. Getailleerd. Een echte investering, hij mocht immers niet opvallen. Met dit pak en zijn perfecte smile won hij altijd instant geloofwaardigheid bij de rijke vrouwen die hij bestal. Hij zal het toch niet meer nodig hebben, na deze catch. Het had zijn beste tijd toch al gehad.  Wanneer hij zeker is dat hij niet meer gevolgd wordt door de zwartgeklede kleerkast, zet hij zich hijgend op zijn knieën. Hij heeft de longen uit zijn lijf gelopen. Zijn vingers trillen van opwinding wanneer hij de portefeuille van dochter de Craene uit haar tasje haalt. Baar geld, een handvol platina creditcards en een stapel staatsbonnen, volgens Saskia’s research. Goed voor een paar miljard euro. Tergend traag opent hij de ritssluiting van de peperdure portefeuille. Zijn oren suizen. En dan…  Één kleine post-it. Verder is de portefeuille leeg. Een belachelijk klein papiertje met een smiley, begeleid door één zinnetje. “Kijk in je achterzak.” Hij krijgt het ijzig koud. Plots voelt hij het. Zijn hart begeeft het bijna. Leeg.  

Annelies Leysen
5 1

Het Verhaal van Salamarijn

Salamarijn was een salamander die zoals alle andere dieren uit het bos naar school ging in de grote bosschool. Veel vrienden had hij daar niet... Salamarijn had namelijk een groot probleem. Zijn tong was zo lang dat hij heel de tijd uit zijn bek bengelde. Een grote tong hebben was normaal voor salamanders, maar alle andere salamanders konden hun tong oprollen en verbergen in hun grote mond. Bij Salamarijn lukte dat niet, hoe hard hij ook probeerde! Heel de tijd sleurde hij die tong met zich mee, en overal waar Salamarijn liep ontstonden grote plassen speeksel. Dat vonden de andere dieren niet leuk. Daarom stond Salamarijn, zoals elke morgen, weer alleen op de speelplaats. Hij zag zijn klas wat verder onder de grote, oude boom staan. Hans de gans, de populairste jongen van zijn jaar, maakte grapjes en iedereen moest lachen. Zelfs Marie, het mooiste musje van de klas lachte. Salamarijn keek wat langer naar het mooie musje. Wat kon ze toch zo fijn kwetteren... Telkens als Salamarijn dat hoorde ging zijn hart sneller slaan. Maar hij kon niet met haar praten, want dan werd hij zenuwachtig en geraakte zijn tong in de knoop. Hans de gans maakte weer een grap. Deze keer wees hij naar Salamarijn. Iedereen moest lachen. Alleen Marie lachte niet. Ze keek naar hem alsof hij het meest zielige dier ooit was. Dat vond hij nog erger dan het lachen. Hij kroop verder weg in zijn hoekje en wikkelde zijn grote tong rond zijn lichaam zodat hij zich niet meer zo alleen voelde... Salamarijn vroeg zich af hoe het kon dat Hans zo populair was. Eigenlijk was Hans helemaal niet leuk of grappig. Hij was gewoon heel luid. Zo luid dat andere dieren niet eens de kans kregen om te praten. En als je hem niet leuk vond, dan begon hij je uit te lachen en te pesten. Dus vond iedereen hem maar leuk. Hans vond zichzelf geweldig, en heel stoer. Hij droeg een leren vest en had veel gel in zijn veren, en hij rookte. Vooral op dat laatste was hij heel trots. Telkens als hij een sigaret opstak deed hij dat met heel veel vertoon, zodat hij zeker wist dat heel de speelplaats het gezien had. Het was weer zo ver. Hans stak zijn eerste sigaret van die dag op. Hij zwierde het pakje sierlijk uit zijn leren jasje en nam er een grote, dikke sigaret uit. Deze stak hij tussen zijn snavel terwijl hij een lucifer uit zijn broekzak nam. Stoer als hij was, streek hij die af tegen de grote, oude boom. De lucifer vatte vlam en hij stak zijn sigaret aan. Alle jongens gaapten hem aan en bewonderden hem. Marie en sommige andere meisjes draaiden hun hoofd weg om te ontsnappen aan de lelijke rook. Hans lette niet op die meisjes. Hij genoot van de aandacht. Salamarijn zag dat de rook steeds dikker werd rond de oude, grote boom. Hij werd zelfs zo dik dat zijn klas bijna niet meer te zien was. Er klopte iets niet... Opeens riep er iemand heel luid: 'Help! Brand! De grote boom staat in brand!'  Iedereen vluchtte onder de boom vandaan terwijl er grote, oranje vlammen aan de stam verschenen. Iedereen, behalve Marie... Opeens zag Salamarijn haar liggen. Ze lag, bewusteloos door de rook, naast de boom op de grond. De vlammen cirkelden gevaarlijk dicht tegen haar veren aan. Iedereen keek toe, maar niemand deed iets, terwijl de brand steeds groter werd. Zelfs Hans de stoere gans stond stokstijf stil. Hij zag er eerder uit als een klein, bang eendje. Salamarijn liep vastberaden op de boom af terwijl hij zijn tong voor zich uit wikkelde. Nog nooit had hij zo zijn best gedaan om speeksel te produceren. Hij hief zijn tong over de boom heen en al snel begon er water uit zijn tong te stromen, van boven naar beneden over de takken van de grote, oude boom. De vlammen doofden en de rook verdween stilletjes aan. Toen de brand eindelijk gedoofd was, was iedereen stil. Alle jongens en meisjes keken naar hem, maar niemand zei iets. Toen hoorde Salamarijn een lieflijk gekwetter achter hem. Marie de mus stond op en met het mooiste stemmetje ter wereld zei ze: 'Je bent een held, Salamarijn. Een echte held.' Daarna vloog het musje op hem af en kuste hem op de mond. Iedereen begon te juichen en te klappen! Na de kus keek Marie hem bewonderend aan. 'Wat kun jij geweldig goed kussen met die grote tong!' Salamarijn had deze keer geen moeite om te antwoorden. Toch had hij daar de tijd niet eens voor, want Marie gaf hem weer een kus. Van af toen was alles anders. Niemand vond Hans nog leuk, maar Salamarijn had opeens zoveel vrienden als hij maar wensen kon. Maar het allerbelangrijkste was natuurlijk dat hij Marie had, voor eeuwig en altijd.

Marijn P
44 0

Achttien in Brussel

Ik zit in het station. Tegenover me zit een man. Hij ziet er serieus uit. Hij draagt witte sportschoenen die niet passen bij de rest van zijn outfit. Ik kijk op de monitor. Een halfuur. Ik ben goed op tijd, toch zweetten mijn handen.   Een vrouw strompelt naar binnen. Haar voeten schuifelen over de tegels. Ze heeft een klein hondje bij aan een zwarte leiband. Wanneer ze naast me komt zitten, voel ik me onwennig. Haar gezicht is vuil, verweerd en simpel. Ze draagt kleren die te klein zijn, in alle kleuren van de regenboog. Ze kijkt me aan en ze glimlacht. Ze lacht alsof er geen zorgen in de wereld zijn. Ik glimlach terug en ontwijk nerveus haar blik. Ik kijk op de monitor. Vijfentwintig minuten.   Een derde figuur verschijnt: een oude hippie met grijze dreadlocks wandelt het station binnen. Hij gaat op de bank links van me zitten. Hij kijkt niemand aan en begint in zichzelf te mompelen. Hij praat rustig, redelijk, maar onverstaanbaar. Zijn woorden weerkaatsen zachtjes in de hal. Geïntrigeerd door zijn persoonlijke discussie, kijk ik een paar keer zijn kant op. Hij merkt het niet, of het kan hem niets schelen. Daarna kijk ik naar de vrouw. Ze is bezig met haar hondje en lacht haar eigen lach.   De norse man met de witte sportschoenen kijkt de twee veroordelend aan. Daarna stapt hij op en verdwijnt hij.   Ik kijk nogmaals op de monitor. Nog maar tien minuten. Het hondje blaft. De hippie doorbreekt  plots zijn gemompel en buigt voorover, zijn grote ogen gefixeerd op het beestje. 'Wat mooi', zegt hij met een grauwe, eerlijke stem. De glimlach van de vrouw wordt breder. 'Ja hé', antwoordt ze kinderlijk. Daarna kijkt ze naar mij. Even weet ik niet wat ik moet doen. Dan besef ik dat ze beaming zoekt. 'Ja, hij is heel mooi', zeg ik zacht, terwijl ik naar het bruine beestje kijk.   De vrouw knikt en gaat verder met glimlachen. De hippie begint terug in zichzelf te praten. Ik voel me eindelijk op mijn gemak. Mijn rol is hier gespeeld. Ik sta op en wandel naar buiten, zonder om te kijken naar de twee zonderlinge figuren die ik voor eeuwig achter me laat. Ik wens hen het beste.   Ik stap op de trein en zet me ergens alleen. Ik kijk naar buiten. Na een tijd begint de wereld die ik ken te verdwijnen, eerst heel langzaam, daarna steeds sneller. Tot de dingen voorbijrazen aan mijn raam.   Ik kijk naar buiten en ik zie de dingen, zo vaag. Nog nooit wist ik zo zeker dat ik zo weinig wist. Ik ben achttien. De wereld raast voorbij mijn raam. En doelloos.

Marijn P
0 0

Winter in Kiev

Winter in Kiev Te midden van de chaos probeerden ze opnieuw een front te vormen. Ze hadden terrein gewonnen, nu moesten ze het proberen bij te houden ook. De demonstranten waren terug gedreven, al was het maar voor even. Eén van hen lag nog op het asfalt te kermen. Dikke klodders rood sijpelden uit de gapende wonde op zijn slaap. Toch wist de man weg te kruipen, de rook in. Viktor keek naar zijn knuppel. Het ding was besmeurd met een mengsel van zweet en bloed. Tot zijn ontsteltenis merkte hij dat zijn hand trilde. Even vroeg hij zich af wie of wat hij was. Een berkut, dat ben ik, dat mag ik niet vergeten. Hij droeg een dikke helm met plexiglas, een blauw camouflagepak met veiligheidsvest en zwarte boots met ijzeren tippen. Hij was gewapend met knuppel en schild. Hij was een berkut, een Oekraïense adelaar, zorgvuldig geselecteerd en zes jaar lang getraind. Samen met zijn maten had hij massa's protesten gebroken. Nooit hield hij zich in. Hij was sterk. Hij had mensen zien kermen voor zijn kracht. En toch, vandaag trilden zijn handen.Hij voelde zich doelloos, beland in een situatie die hem vreemd was.Dat was hem nog nooit overkomen. Hij bad voor duidelijkheid en probeerde het gouden kruisje te voelen dat hij onder zijn uitrusting droeg. Hij kon het niet vinden.Een groot stuk grijs knalde tegen zijn schild. Het begon stenen te regenen. Brokstukken doemden op uit de rook en ketsten op de ordetroepen af. De demonstranten hadden autobanden in brand gestoken waardoor een dikke, stinkende damp zich overal had verspreid. Het speelde in hun voordeel. Zij konden nog altijd lukraak met stenen gooien, terwijl de geweren met rubberen kogels zo goed als nutteloos waren. Ze werden gedwongen zich terug te trekken. In de rook was hergroeperen onmogelijk. Met hun schilden als paraplu's omhoog geheven liepen ze weg, op zoek naar dekking. Viktor dacht terug aan de afgelopen dagen. Hun bataljon was niet lang geleden vanuit het oosten van het land naar Kiev gestuurd. Vanaf het moment dat ze toegekomen waren, was de hel losgebarsten. Dat had hij niet erg gevonden, integendeel. Daar waren ze op getraind. Ze zouden orde op zaken stellen. Het was een uitdaging. Toch waren de dingen anders gelopen dan hij had verwacht. Dagenlang hadden ze gevochten. Eerst zoals altijd, met knuppels en schild. Zijn rechterarm was al na één dag stijf van het meppen. Maar de menigte leek onstuitbaar. Daarom kregen ze toelating om waterkanonnen te gebruiken, ondanks de vriestemperatuur. Officieel gebruikten ze rubberen kogels, maar een paar keer werd er met scherp geschoten. Er vielen doden. En toch stonden de demonstranten op straat, elke dag opnieuw.Viktor wist dat hun missie onmogelijk was. Het volk zou nooit opgeven.Vandaag is een wanhoopspoging. De ordetroepen hadden zich ver genoeg teruggetrokken om een nieuwe linie te vormen. Viktor voegde zich in de strakke, zwarte lijn. Hij was één van hen, zo hoorde hij zich te gedragen. Toch voelde hij zich verloren tussen de anderen.De rook klaarde op. Eén voor één werden de demonstranten zichtbaar.Hun kreten zwollen aan tot een krachtig geheel. Viktor moest een rilling onderdrukken. Voor hem openbaarde zich een waanzinnige massa. Allen waren ze vol vuur en woede. Zelfs de man waarvan Viktor dacht dat hij hem een hersenschudding had geslagen, stond tussen de menigte. Een dikke korst bloed bedekte de linkerhelft van zijn gezicht. Hij leek zijn wonden niet eens te voelen. Viktor wenste dat hij kon verdwijnen.Hij wilde niet nog eens vechten, maar hij wist dat het onvermijdelijk zou zijn.Hier word ik voor betaald. Waarom stel ik vragen? Nogmaals zocht hij wanhopig naar het kruisje onder zijn vest. Hij kon het niet vinden. Draag ik het wel? De ruimte tussen de ordetroepen en de demonstranten werd kleiner en kleiner. Alle troepen hieven hun schilden op, klaar voor de strijd. Allemaal, buiten Viktor. Zijn schild en knuppel liet hij vallen, zijn helm gooide hij op de grond. Zweet en tranen druppelden van zijn gezicht. Hij zocht kermend naar het kruisje onder zijn borst, naar één of andere uitweg, een mirakel. Een mirakel. Viktor keek omhoog. De tijd leek stil te staan. Hij zag een warme, oranje schittering in de lucht. Zijn verlossing, wist hij, neergedaald uit de hemel om deze waanzin te stoppen. Viktor moest bijna huilen van geluk. Hij merkte niet dat de troepen links en rechts van hem wegdoken. De molotov cocktail raakte Viktor recht in zijn gezicht. Het ding ontplofte en slaakte een geweldige vuurbal. Alles gebeurde in een flits. Viktor voelde geen pijn. Hij zag het meest wonderbaarlijke schouwspel dat hij ooit gezien had. Op dat moment was hij overtuigd van een heilige verlossing voor hen allen. Op dat moment wist hij zeker dat alles goed ging komen.

Marijn P
0 0
Tip

Kippies zwemvest

Het eerste wat ik die dag verkocht was een boek over Nieuw-Zeeland. De vrouw die het kocht had oranje haar en een bleke huid en ze droeg een rode bril. Het duurde even eer ik mijn aandacht van haar gezicht kon verplaatsen naar haar vragen. Of het een goed boek was, vroeg ze. Ik moest bekennen dat ik het niet gelezen had. Ik kon me zelfs niet meer herinneren waar, wanneer en waarom ik het ooit gekocht had. En nee, ik ben nooit in Nieuw-Zeeland geweest. Zij wel. Ze had er twee jaar gewoond. Ze was er lang geleden naartoe getrokken om er met haar vriend een zaak te beginnen. Nog geen maand nadat ze er waren, maakte hij het uit. ‘Daar stond ik dan,’ zei ze. ‘Ik was te trots om terug te keren en ik bleef.’ Ze had er gewerkt en ze had er rondgefietst.   Een deel van haar verhaal ben ik vergeten, maar haar gezicht bleef me bij. Haar ogen waren donker aangezet. Ze zag er vermoeid uit, alsof ze te snel geleefd had. Ik vroeg twee euro voor het boek. Het was in uitstekende staat maar het was misschien wat gedateerd. Wou ze dan nog teruggaan? Nee, zeker niet. Het klonk zo stellig dat ik het wonderlijk vond dat ze er dan toch nog een boek over kocht. ‘Ik ga nu wat anders doen’, zei ze. Volgende week vertrek ik naar Maleisië.’ ‘Met mijn kinderen,’ voegde ze er nog aan toe. Bij Maleisië en nog meer bij het woord ‘kinderen’, flakkerde er iets op in haar ogen.   Tijdens ons gesprek was de zon doorgebroken en waren er wat meer mensen in het park gekomen. Iemand vroeg naar de prijs van de luster, het grootste stuk dat op mijn twee vierkante meter zeil stond uitgestald. Daardoor verdween de vrouw met het boek zonder dat ik haar goede reis had gewenst.   De verkoop ging goed. Verbazend goed, want af en toe begon het regenen en moest ik alles afdekken. Maar zo gauw het ophield, kwamen de mensen weer aanschuiven en kochten ze dingen die ik niet meer wou hebben, maar toch nog te mooi of te goed vond om ze weg te gooien: borden, bestek, een blikopener, kandelaartjes, een paar gedeukte mosselpotten. Vooraan op het zeil stond een doos met autootjes, poppetjes, sleutelhangers en kleurige prullen waar kleine kinderen graag naar graaien.   Een nieuwe regenbui zette de helft van het zeil onder. Ik was blij dat het boek al weg was. De rest kon ertegen. Ik schudde alles af en droogde hier en daar wat bij met mijn zakdoek en probeerde een nieuwe opstelling uit.   Een man op een fiets stopte voor mijn kraampje en boog zich naar de speelgoeddoos. Hij viste er een zwemvest uit die ooit van Action Man was geweest uit en stak het omhoog. ‘Hoeveel kost dat?’ vroeg hij. ‘Als u daar een bestemming voor hebt, mag u het gratis hebben’, zei ik. ‘Ik heb daar zeker een bestemming voor, zei hij, maar ik wil er wel voor betalen.’   Hij zat nog steeds op zijn fiets en glunderde op dezelfde manier als het jongetje dat een paar minuten ervoor een autootje uit de doos had mogen kiezen.   Een zwemvest op poppenmaat, hij maakte me nieuwsgierig naar de bestemming. Hij haalde zijn iphone uit de zak van zijn regenjasje en liet me een foto van twee jongens zien. ‘Mijn kinderen leren zeilen, zei hij, met dit zwemvest kan hun knuffel, Kippie, ook mee.’ Hij had geen foto van Kippie, maar hij zou er een sturen. Ik gaf hem mijn e-mailadres en hij gaf me twintig cent.   Bijna drie vierden van mijn rommel heb ik die dag verkocht. Ik had genoeg over voor een hotdog met zuurkool (twee euro), een knipbeurt bij de gelegenheidskapper (vijf euro) en een paar nieuwe boeken voor op de trein.   De rest van de rommel bracht ik naar de kringloopwinkel. Ik sloot de studio waar ik de laatste maanden had gelogeerd af en ik vertrok naar een ander land.   Onderweg dacht ik nog aan de vrouw met het oranje haar, aan de man op de fiets en aan alle vrienden en kennissen die ik die dag niet gezien had. Waarschijnlijk had niemand die dag zin in een rommelmarkt en had het niets te betekenen.   Toch had ik die dag een bekend gezicht gezien, dat van een vrouw waar ik lang geleden leuke gesprekken mee had gevoerd. Ik zag haar van ver aankomen en ik lachte haar uitnodigend toe. Ze lachte een kleine wat afstandelijke glimlach terug en liep verder. Het heeft niets te betekenen, moest ik een paar keer tegen mezelf herhalen. Het is gewoon tijd om weg te gaan.   Ik ben er niet achter gekomen of de vrouw die het boek over Nieuw- Zeeland kocht, op het vliegtuig naar Maleisië zat dat op 17 juli in Oekraïne neergehaald werd. Misschien is ze een dag eerder vertrokken, of een dag later, of misschien helemaal niet.   Van de man op de fiets kreeg ik een mail met een foto van Kippie en de jongens, allemaal met zwemvest aan. Het was een fijne, geruststellende gedachte dat Kippie, als hij over boord zou vallen, snel gered kon worden.        

Christine Van den Hove
108 8