Lezen

Twee Amerikanen in Bonnieux

Mei 2000. Ik stuurde mijn autootje naar Bonnieux, een bergdorpje in de Provence dat geroemd wordt als één van de mooiste in Frankrijk. Het jaar voordien was het slechts een tijdelijke stopplaats geweest en nu wilde ik de kennismaking eens overdoen. Het stratenplan stond nog in mijn geheugen gegrift dus moest het de vorige keer toch indruk gemaakt hebben. Ik had nog enkele ansichtkaartjes van mijn vorig vakantieadres in een postbus te stoppen en toen ik deze had gevonden lachte een terrasje me toe. “Cela fait trois euros cinquante” zei het dienstertje tegen het Amerikaanse koppel tegenover me. De man betaalde met een briefje van twintig. “Hoeveel was het?” vroeg de vrouw aan haar echtgenoot. Hij zei niks en haalde zijn schouders op. “The waitress said it was three euros and fifty. Trois euros cinquante” vertrouwde ik, enigszins stout, de Amerikaanse toe. “Oh, thank you,” zei ze vriendelijk maar wat verbouwereerd. Ik bleef vrijpostig: ”That’s the advantage of being Belgian, we speak any language”. Ik geef toe, ik overdreef een beetje, maar ja ik was ver van thuis en niemand, buiten het Amerikaanse koppel, hoorde mij dat zeggen. “Is that so?” vroeg ze zich wel degelijk af.Ik kon er niet aan weerstaan om ééntalige Amerikanen eventjes te wijzen op onze polyglotte opvoeding in het kleine België. “Have you ever been to America?” had ze graag geweten. Ik knikte. “Wij wonen in Washington,” zei ze, “it’s a beautiful city”. Dat wilde ik graag geloven. “Nu gaan we naar Ménerbes waar deze schrijver heeft gewoond” en ze wees naar het boek op tafel ‘A year in Provence’. “Is Peter Mayle dan verhuisd?” vroeg ik. “Jaja,” zei ze.“Waarschijnlijk kreeg hij teveel bezoek van uw landgenoten” repliceerde ik op een alweer stoute manier. Maar mijn boude uitspraak viel in goede aarde en het koppel kon erom lachen alhoewel ik ze ervan verdacht mij in hun hoofd als brutale vlegel te verwensen. Wijselijk verborg ik mijn verlegenheid dat ook ik, zoals zovele Amerikanen, Engelsen, Hollanders en ga zo maar door, deze streek pas echt had leren kennen door de boeken van deze gewezen Engelse reclameman. Maand na maand beschreef hij in zijn befaamde roman de lotgevallen van hem en zijn vrouw tijdens de eeuwigdurende opknapbeurt van hun lieflijke Provençaalse woonstee. Tijdens het lezen van het boek kreeg je algauw zin om je wagen, de trein of een vliegtuig te nemen hier naartoe. Ik toch. “Enjoy your stay here,” zei haar echtgenoot en rechtte zijn rug. De dame uit Washington stond ook op en knikte instemmend. Ik bedankte ze en wenste hen hetzelfde toe. Ze begonnen aan hun volgende kleine trip. Dat hadden ze dan van de Europeanen geleerd. Zij maakten niet dezelfde fout als de meeste van hun landgenoten met hun: ‘if it’s Tuesday, this must be Belgium; if it’s Thursday this must be Rome …’

Marc M. Aerts
0 0

Hout

Ik zie jouw ogen In het glanzend donkere hout Van deze aftandse togen De vloer is vuil Rumoer Kabaal De troost van dit glas is schraal Mijn glas Zopas was het nog vol Als ik me goed kan herinneren. Ik kan goed herinneren Ik kan tamelijk goed herinneren Ik kan me namelijk nog goed herinneren Dat wij hier samen lachten Om woorden die we zelf bedachten Hoe we al die nachten De wereld hebben heruitgevonden Hoe we dachten dat we dat Konden tekenen op een biervilt Hoe we ongewild toch telkens weer Belandden bij de ultieme relativiteit Van de dingen en Hoe we gingen proberen Om dat voor altijd te negeren En in de plaats Onzin cultiveren Want onzin was ons wapen Tegen opstaanwerkenslapen Tegen apen apen apen na. En inderdaad, we overstegen de middelmaat We bevonden we ons op een eenzame hoogte Alleen voor het hoogst nodige Kwamen we naar beneden Voor de rest deden we eigenlijk Gewoon ons goesting Godganse dagen elkaar beminnen Eigenlijk konden we niks verzinnen Dat belangrijker was dan dat. Ik tuur door het raam Schaam mij voor het feit Dat er onverschilligheid In mijn lijf is gekropen Dat ik een bezopen wijf ben geworden Die te lang blijft plakken aan deze kruk Die het geen fuck meer kan schelen Dat ze iedereen zit te vervelen Met haar geklaag Dat ze haar gezaag Aan de straatstenen niet kwijtgeraakt Ik kijk naar die straatstenen Die natte straatstenen Met de geur van zomerse regen En ik weet weer hoe het zat Het licht in deze stad Zal toch nooit ophouden met schijnen Dus verdwijnen is hier even mogelijk als Willen proberen alle problemen In de wereld op te lossen. Oplossen, dat lijkt me nog wel wat. Oplossen in de regen Tegen de ruiten omlaag rollen Als een uitgerekte druppel Oplossen op de bodem van dit glas Oplossen in het zwart van deze nacht Toekijken hoe problemen in de wereld Zich toch altijd zullen blijven manifesteren De moed mankeren om ze op te lossen Dan maar wachten op verlossing Die het tij doet keren Omkeren, weg van hier Weg van dit bier Weg van deze bacchanalen Andermaal verdwalen in de verlaten straten. Dit is praat voor de vaak Hoe vaak heb ik mezelf al kordaat Tot de orde geroepen Zonder resultaat. Zelden voeg ik de daad bij het woord Zoals altijd ga ik ongestoord voort Met het verschijten van mijn tijd Aan deze aftandse togen En zie ik jouw ogen In dit glanzend donkere hout.  

Margot
0 4
Tip

Het raadsel

In de verte klinkt een sirene. Brandweer, of politie, of een ambulance. Hij weet dat je ze kunt onderscheiden – twee- of drietonige hoorn, zoiets was het – maar hem lukt het nooit. Hij weet zoveel niet. Meer niet dan wel. Ja, onbenullige zaken, die onthoudt hij. Dingen waar je niks aan hebt. Dat een gemiddeld struisvogelei anderhalve kilogram weegt. En de hoofdstad van Burundi is Bujumbura. Maar waar Burundi ligt, dat weet hij dan weer niet. Gelukkig denkt hij daar nu niet aan, anders moest hij dat eerst opzoeken voor hij ook maar iets anders zou kunnen ondernemen. Soms zit hij uren achter zijn computer, op zoek naar wetenswaardigheden. Dat is heel vermoeiend, maar alleen zijn eetlust kan hem dwingen om te stoppen: de honger naar voedsel is sterker dan die naar kennis. Achter zijn computer eet hij niet, vanwege de kruimels in het toetsenbord. Daarna doet hij zijn jas aan, voor een lange wandeling. Die eindigt steevast in een onooglijk café, met sanseveria’s op de vensterbanken. Het is een café voor oude mensen. De gemiddelde leeftijd van de drie overige vaste klanten schat hij op vijfenzeventig jaar. Hij heeft daar als twintigjarige niets te zoeken, maar iedereen is aan hem gewend geraakt en ze hebben ook wel gezien dat hij geen normale jongere is. Een jongen van twintig die urenlang achter de vrouwentongen gaat zitten, een vergeeld kladblok op het Perzisch kleedje voor zich. Een jongen die zich inbeeldt dat hij schrijver is, maar nog geen letter heeft geschreven. En dat waarschijnlijk nooit zal doen. De barjuffrouw brengt hem ongevraagd elk half uur een kop slappe koffie. Die drinkt hij in gedachten verzonken, zonder melk en suiker, maar hij roert er wel altijd in, soms wel vijf minuten lang. Het lepeltje klingelt vrolijk tegen het hotelporselein. Het komt voor dat hij pas stopt met roeren als één van de klanten heeft gevraagd of de bodem er soms uit moet. Volgens de barjuffrouw is er weer ergens fik. Ze beweegt zich met een hollende tred naar het raam, tilt de geplooide vitrage wat omhoog – meer uit gewoonte dan uit noodzaak, want met haar één meter vijftig kijkt ze er zo onderdoor – en poetst met haar wijsvinger twee kijkgaatjes in de beslagen ruit. Ja, er is ergens fik. Ze zag de rode brandweerauto nog net de brug over razen. De oude mannen interesseert het niks. Zolang het café niet in lichterlaaie staat is er niets aan de hand. De jongen kijkt wel met haar mee, maar zijn ogen staan zo apathisch dat ze ook van hem geen bijval kan verwachten. Ze blijft nog even staan kijken, naar de grauwe straat, de grijze lucht en holt dan in slow motion terug naar de toog. Na vier koppen koffie houdt hij het voor gezien. Hij schuift het kladblok in de binnenzak van zijn jas, betaalt gepast en vertrekt. ’s Avonds kijkt hij naar quizzen op de televisie. Meestal kan hij vrijwel alle vragen beantwoorden, soms is hij zelfs beter dan de superspecialisten die alles weten van Marilyn Monroe, de architecten van de Amsterdamse school, de bisamrat, of de Vlaamse primitieven. Daarna volgt hij de actualiteitenrubrieken en de praatprogramma’s waarin politici, bekende Nederlanders en deskundigen discussiëren met verveeld kijkende presentatoren. Boeken leest hij niet. Dat kost te veel tijd en het ontmoedigt. Na het late journaal gaat hij naar bed, het kladblok paraat op zijn nachtkastje. De volgende dag zit hij weer bij het raam, op zijn vaste plek. De barjuffrouw vindt hem veel te jong voor een vaste plek. Ze moet er niet aan denken dat hij daar de komende vijftig jaar nog zit. Niet dat ze van plan is om zelf nog zolang te werken, maar het gaat om het principe. Voor het eerst spreekt ze hem aan. Ze vraagt hem of hij ooit wel eens iets opschrijft, in dat kladblok van hem, of hij soms schrijver is. De jongen legt zijn smalle hand op het vergeelde papier, alsof hij een obscene tekening probeert te verbergen. Hij heeft het kladblok zomaar bij zich, voor het geval hem iets te binnenschiet. De barjuffrouw heeft iets venijnigs in haar mond klaarliggen, maar ze bedenkt zich en perst haar violette lippen op elkaar. Als alternatief grijpt ze de balpen van het persje en maakt razendsnel een krabbel op het inferieure papier. De jongen moet raden wat het is. Bijna geschokt staart hij naar twee concentrische cirkels in het midden van een rechte streep. Het lijkt of hij gaat huilen. De barjuffrouw tilt onverschillig de vitrage omhoog, vraagt of hij al een idee heeft. ‘Het is een Mexicaan in een kano, van bovenaf gezien,’ zegt hij. ‘Een Mexicaan met een sombrero.’ ‘Gefeliciteerd,’ zegt ze tegen de beslagen ruit en tegen de mannen bij het biljart: ‘En Pierre, wat heeft hij gewonnen?’ ‘Een geheel verzorgde voetreis naar Rome op eigen kosten,’ zegt een man met blauwe vingers. Pomerans, denkt de jongen, het topje van een keu heet pomerans. Iedereen lacht schor. De barjuffrouw grinnikt een triest geluid en laat hem alleen bij het raam. Een dag later komt hij niet langs en de week erna ook niet. De barjuffrouw kan er niet echt mee zitten. Hij was niet bepaald een big spender en echt gezellig kon je hem ook niet noemen. Wat haar wel een beetje dwarszit, is dat zijn wegblijven waarschijnlijk het direct gevolg is van haar gekras in zijn smetteloze kladblok. Het voelt alsof ze hem heeft weggejaagd. Ook één van de oude mannen is het opgevallen dat de jongen er niet meer is, maar het blijft bij een gemompelde constatering van de lege stoel bij het raam. De jongen maakt nog steeds lange wandelingen, maar hij vermijdt het café. In plaats daarvan pauzeert hij op een bank in het park. Als het regent of het te koud is, loopt hij zonder te rusten direct naar huis. Het kladblok heeft hij weggegooid. Hij heeft geen nieuwe gekocht, want dat heeft geen zin. Alles is toch al geschreven.

Grand Foulard
78 0

Nagellak

Ze verschiet.  De tv aan, betrapt.  Tv uit. Sigarettenpeuk weg, geurkaarsen voorzichtig aan. Kauwgum? Op. Ze stak de bijna uitgekauwde kauwgum die bij het thuiskomen op haar onderleggertje van haar glas terechtgekomen was, terug in haar mond. Zat toch nog wat smaak in. Ze ambieert ambitie, want ambitie hoort, toch als ze wil beantwoorden aan het profiel dat ze voor zichzelf vooropgesteld heeft.  Als ze wil dat anderen haar zo zien, dat anderen haar graag zien.   //   "Ja nee, kom maar binnen,... Wacht ik doe open."   Ze liep met halfgelakte nagels verward de trappen af, maar zorgde ervoor dat hij in niets zou merken dat ze niet volledig de vrouw was die hij tot nu toe dacht dat ze was.  "Ik heb nog eens nagedacht over wat ge vorige week poneerde op café, ik geloof dat ik toch die man kan zijn." Zei hij zonder op te merken wat er nu in haar moest omgaan.   "Vanwaar die ommekeer?" Probeerde ze dapper "Gij gaat nooit worden wie ge zoudt moeten geworden zijn. Gij gaat nooit leven naar uwe blauwdruk, naar wat eruit komt als ge zat zijt..."   Ze voelde dat haar woorden niet de woorden waren die ervoor zouden zorgen dat ze zou bekomen wat ze wilde, maar de omkadering om wel die woorden te vinden was ver zoek...   Haar nagels waren nog steeds niet helemaal droog, ze moest oppassen dat haar nieuwe jeans, de muur, of de voordeur zodadelijk niet volhingen. Haar frigo zat vol zaken die ze zogezegd nooit zou kopen, bio was afwezig, hoe lang geleden was ze nog bij die boer geweest voor seizoensgroenten en de bakskes noedels stonden nog op het salontafeltje. Toch hadden haar woorden een ander effect dan datgene wat ze had gehoopt -zachte zinderende seks afgewisseld met filosofische gesprekken eindigend in een evenwichtige relatie volgens haar normen- of verwacht -hij die zwijgend zou vertrekken, voorgoed.   "Komaan, ik ben niet helemaal tot hier gekomen om zonder meer te horen dat ik nooit zal worden wat eruit komt als ik zat ben?" Hij zag er opeens zo echt uit, zijn ogen waren gefocust, hij kwam met een doel.  "Ok, misschien kan ik niet mee in uw nieuwe manier van leven, misschien moet ik het materialisme laten varen, maar daarom heb ik u toch net nodig. Zie het als een kans om iemand te bekeren."  Zijn lip krulde, hij zou nu overgaan naar de lossere babbel. "Wij hebben elkaar toch nodig?"   Zij wilde meer, iemand om naar op te kijken, iemand die haar zou inspireren, een goeroe -maar dan onzweverig en knap- een man die zonder meer weet waarom hij hier is; om de wereld samen met haar te verbeteren. Maar elke keer trapte ze weer in de val, bij hem, bij anderen, bij zichzelf.  Zij was op dit moment diegene die zij hem verweet te zijn... God weet hoe ze haar eigen blauwdruk ooit nog terug zou vinden.   "Wij hebben elkaar nu misschien nodig, maar moeten wij elkaar nodig hebben?  Geen deftige reden om er samen voor te gaan lijkt mij". Klote, een veeg nagellak kwam tegen haar jeans. "Is nodig hebben dan niet genoeg?" "meent ge die vraag?" "ik heb uw nodig of nood aan u, beter zo?" "nood aan mij?" "Moeten we weer die toer op, laat het los Isolde" "U loslaten zult ge bedoelen.   // Plots zaten zijn handen in haar haar.  Dit was eigenlijk onverwacht interessant, omdat hij meestal zonder meer een volger was. "Uw handen zitten in mijn haar" benoemde ze snel, omdat benoemen het enige was wat haar nu nog even de houvast gaf die ze nodig had.   //   Haar haren tussen de noedels, zijn lijf zalig warm.  Eindelijk binnenin.

M A R T H E
0 0

eLise wAndelt ’s nAchts

De naden van de katoenen stof schuren tegen haar hals en in haar oksels. Hardop verwenst Elise de verpleegster die de lange mouwen veel te strak heeft aangetrokken. ‘En mijn hoofdkussen heeft ze niet opgeschud en het ligt teveel naar rechts!’ Haar zinloze gekrijs slaat te pletter tegen de kamerdeur. Enkel het Christusbeeld boven de wastafel kan haar verwensingen horen. Elise maakt een dikke vlok speeksel aan en slikt die door, maar de kleffe smaak van de avondeten, wortelpuree met worst, krijgt ze maar niet weg. Onvoorstelbaar hoe de kok er hier in slaagt om frisse groenten om tot toveren tot een dergelijke brij. Elise probeert zich te beheersen, probeert na te denken. Ze kijkt rond. Alles in deze kamer is wit, kaal, inspiratieloos. Haar ademhaling wordt regelmatiger, rustiger. Ze glundert als ze terugdenkt aan de stagiaire die ze de vorige keer geniaal om de tuin heeft geleid. Elise bleef ontkennen dat zij Elise was en hield vol dat de dwangbuis niet voor haar was, maar voor de vrouw in de volgende kamer. Wie was er overigens het langst in deze instelling, zij of de stagiaire? Dus wie kon het best weten? Het onnozele wicht geloofde haar. Voordat de misleiding aan het licht kwam zat Elise al in de bus, huiswaarts. Vandaag rest haar niet veel tijd. Straks zal ze de twaalf kille voetstappen op het naadloze vinyl tellen, vanaf de lift met het cijferslot tot aan haar kamer. Haar dagelijkse dosis pillen zal ze onder toezicht moeten doorslikken, drie gele, een grote witte en twee kleine paarse. Die laatste hebben een brakke smaak en zorgen er voor dat haar oogleden ongewenst maar zeker zullen dichtvallen. Met een druk op de lichtschakelaar zal de nachtverpleegster Elises dag beëindigen, de deur op slot draaien en verder stappen naar de volgende kamer, zoals elke dag. Haar gedachten dwalen af, ze denkt aan Miel. ‘Zonder mij en mijn acteertalenten had Miel het nooit zo ver gebracht. Gelukkig voor hem.’ Elise en Miel, hun gezamenlijke passie had hen samengebracht. Negenenveertig jaar waren zij ongehuwd maar ook onafscheidelijk geweest. Zag je Miel, dan zag je Elise. Tot Elises ergernis had Miel zich de laatste vijf jaar dagelijks urenlang afgezonderd in de kleine achterkamer die ze voor hem hadden heringericht. Tussen zijn stapels notities, boeken, tijdschriften en videobanden kwam de theatervoorstelling tot stand die hij al jarenlang voor ogen had. Het zou een meesterwerk worden, zijn Magnus Opus. Emile-Hubert Delachapelle, Miel, was er van overtuigd dat hij zijn carrière als regisseur hiermee glansrijk zou kunnen afsluiten. Onder de allerbesten  zou hij zijn acteurs en musici streng selecteren. Ook Elise ging ervan uit dat zij van Miel een belangrijke rol zou krijgen, de hoofdrol zou haar zelfs niet verbazen. Ondertussen liet Miel ogenschijnlijk niemand toe in zijn wereld. In tegenstelling tot eerdere producties praatte hij deze keer zelden met Elise over zijn vorderingen of twijfels. De laatste maanden ging Miel alsmaar meer alleen het huis uit en sloot terwijl de deur van het achterkamertje. Na zijn afwezigheid kwam vaak hij pas diep in de nacht thuis. ‘Ik heb repetities en vergaderingen met de belangrijkste acteurs, je begrijpt dit niet meer.’ antwoordde Miel toen Elise daar terloops een opmerking over maakte. Toen ze een kans zag, glipte ze ongemerkt zijn heiligdom binnen. De angst door Miel betrapt te worden schreeuwde het uit in haar hoofd terwijl ze op zoek ging naar zijn lijst van geselecteerde acteurs. Haar desillusie was groot. De dag nadien keek Miel haar indringender en zwijgzamer aan dan voorheen, of beeldde ze zich dat enkel in? Het achterkamertje heeft ze nooit meer willen betreden. Elise keek daarom vol verwachtingen uit naar de dag van de première. Het zou voor haar een opluchting zijn als het doek zou vallen, dan zou ze Miel eindelijk weer voor haar alleen hebben. Volgens Miel had Elena de hoofdrol schitterend neergezet, maar haar zenuwen hadden haar tijdens de première parten gespeeld. Miel wou absoluut nog even napraten met Elena, terwijl Elise en de overige achtenveertig leden van het gezelschap vertrokken naar het feest. Dat feestje mocht er nu wel zijn; na de première was de staande ovatie van alle driehonderdtweeënvijftig toeschouwers overdonderend geweest. De critici waren uitzonderlijk lovend geweest, de collega’s verbluft. Het feest was op volle gang en Elise werd door iedereen aangesproken, want ook zij had geschitterd. Uiteindelijk had Miel voor haar alsnog een kleine bijrol voorzien. Hij had er tijdens de repetities bij Elise meermaals op aangedrongen om iets minder provocerend uit de hoek te komen, maar Elise vertikte het en gaf haar eigen interpretatie aan haar rol, met succes. Haar bescheiden optreden was dankzij haar talent niet onopgemerkt gebleven. Miel had er zich uiteindelijk bij neergelegd en maakte er geen punt meer van, zolang Elena maar deed wat hij verlangde. Van zijn langdurige afwezigheid op de receptie was Elise zich niet bewust geweest, tot iemand haar kwam vertellen dat ze hem hadden gevonden. Meer dan drie uur had hij daar gelegen, tussen de coulissen, ontkleed en dood. Ze geloofde het niet, keek rond in de zaal en zag Miel nergens tussen de feestvierders. Toen liet ze haar kristallen champagnecoupe uiteenspatten op de grond. Het licht in haar kamer gaat uit, Elise schrikt op. ‘En nu hebben ze me naar hier ontvoerd, net toen ik eindelijk kon bewijzen dat ik gelijk heb.’ schreeuwt ze. De avond voor haar zoveelste opname had ze de antieke keukentafel driemaal afgeveegd. Ze begon altijd aan de kant van deur - daar zat vroeger Miel altijd - en draaide met de klok mee. De zes donkereiken keukenstoelen, drie aan elke zijde van de tafel, had ze met de achterste poten op één lijn geplaatst met de voegen van de koningsblauwe tegelvloer. De vaas met de takken gele brem had ze tot aan de rand met water gevuld en precies in het midden van de tafel geplaatst.  Ze had de kokos deurmat uitgeklopt en net niet tegen de rand van de drempel aangelegd. Na het sluiten van de deur had ze de sleutel in de rechterzak van haar lichtgele kamerjas laten glijden. Gerustgesteld had ze nog eens rondgekeken. Twijfel was niet meer mogelijk.   ’s Morgens had ze opnieuw broodkruimels gevonden op de keukentafel. De vaas met de gele brem was omgestoten en één van de stoelen stond niet meer in het gelid. De keukendeur was ontgrendeld, er lag zand op de deurmat. Nu was ze er zeker van, ze duwde de deur verder open en keek de tuin in. De zon had moeite om de mist te overwinnen en die kilte overviel Elise. Ze stapte blootsvoets het grijze tegelpad af, tot helemaal achterin de tuin. Dit stuk van de tuin was haar onbekend. Het onkruid tussen de tegels was uitgebloeid; tuinonderhoud was een taak van Miel geweest. Ze kwam terecht tussen de vaalgroene sparren achter het vervallen tuinhuis. Modder en mos baanden zich een weg tussen haar tenen. Met een broodkorst in zijn bek fladderde een mussenjong geschrokken op van tussen de klimop. Ze loerde naar een lage afsluiting. Die was stuk, iemand is haar voor geweest, ze kon er gemakkelijk overstappen. Even verder lag haar lichtgele kamerjas. ‘Hier, hier,’ schaterde ze luidkeels, ‘Heel zeker hier.’ Huppelend te midden van de rottende bladeren danste ze rond de holle boomstronk. Haar vuisten kneep ze dicht. Eindelijk had ze ontdekt waar Miel zich verstopte.   Anthony Meersman, dokter in de anesthesie, zag vanuit de keuken de naakte buurvrouw in zijn achtertuin ronddansen. Hij zette zijn vers kopje espresso op het aanrecht, kuchte, schoof de knoop van zijn das wat strakker en draaide zich om. ‘Schat,’ zuchtte hij, ‘bel jij straks de dienst internering nog eens ? Het is weer zover.’

cAviar oN pAper
0 0
Tip

Binnengluren

‘Wil je even kijken?’   Hij kijkt me aan met grote vragende ogen, glimmend van trots. Onbevangenheid, dat is misschien nog wat ik het meeste mis. Blij zijn om het hier en nu, zonder zorgen om de toekomst of bitterheid door het verleden. Hij kan het nog, ik zie het aan zijn open lach. Maar vast niet lang meer, want het valt me op hoe groot hij wordt. En hoezeer hij op mij lijkt. Ze zeggen dat al lang, mijn moeder, mijn tantes. Ik vond het altijd onzin, maar nu zie ik dat ze gelijk hebben: hij lijkt op mij, heel erg zelfs. Ik lach en buig me naar hem toe, natuurlijk wil ik kijken. Hij geeft me de schoendoos en wijst me de uitsnijding aan, in het midden bovenaan: ‘Hier moet je door kijken.’    Ik verwacht me aan dino’s, of ridders, een maanlandschap vol kraters en buitenaardse wezens. Maar ik schrik wanneer ik in de kijkdoos gluur. Ik herken mijn eigen woonkamer, nagebouwd tot in het kleinste detail. Alles staat er zoals het er al jaren staat: de tafel in het midden met de zes stoelen, de televisie, de sofa, de kamerplant in de hoek, het dressoir compleet met de twee Ming vazen, het aquarium met de guppy’s en de zebravisjes. Op de sofa zitten een man en een vrouw, zijn hand op haar dij. De vrouw herken ik, wie de man is weet ik niet. Ik weet alleen dat ik het niet ben. Aan het deksel van de schoendoos heeft hij een jongen geplakt, hoofd naar beneden. Een zweem van surrealisme in de anders zo perfecte kopie.   ‘Het is prachtig, ik herken het helemaal. Je hebt er vast lang aan gewerkt?’ Hij knikt. ‘Heb je mij gezien?’ ‘De jongen aan het plafond? Waarom heb je jezelf zo erin geplakt?’ ‘Omdat ik altijd gek doe, toch? Gek doen is grappig.’ Ik glimlach. ‘Dat is het zeker, er wordt te weinig gelachen in het leven.’ Ik aarzel even maar zeg het dan toch: ‘Het is een mooi tafereel. Mama ziet er ook gelukkig uit.’ Zijn gezicht betrekt, zijn ogen kijken langs me heen. ‘Ze huilt ook vaak. Niet alles is wat het lijkt, papa.’ Ik schrik, van wat hij zegt maar nog meer van hoe hij het zegt. Tot zover de onbevangenheid. Negen is hij, en toch voel ik me plots het kind.   De hele tijd heb ik hun ogen door het glas op mijn rug voelen prikken. Nu gaat de deur open. ‘Het bezoekuur zit er op, meneer Leo. Neemt u afscheid van uw zoon?’

Lennaert Leo
13 1

fragment uit reisverhaal

Na het ontbijt vervoeg ik de rij voor de bestelwagen van de bakker. Telkens iemand zijn of haar bestelling opgeeft, schuifelt iedereen vijf passen voorwaarts. Er wordt niet gesproken of gelachen in de rij. Pas wanneer je aan de beurt bent mag het. Dan plooit het gezicht open en wordt een pen de sjokolat gevraagd. Sjilvoeplait. Langs een mooi fietspad naar Than, waar we proviand inslaan. De eigenaar van de delicatessenzaak is behalve joviaal ook erg commercieel. Als hij hoort dat we aan het fietsen zijn, zet hij een mand met worst op de toonbank. Ideaal voor de picknick. En als we wat later de route met hem bespreken en opmerken dat het warm wordt, blijkt hij ook gekoeld bier te verkopen. Na Than wordt het landschap stilaan Zwitsers. Vakwerkhuizen in pastelkleuren (geel, blauw, roze). Blauwe bergen op de achtergrond. Ooievaars in de weiden, cirkelend op de thermiek en een keer op een nest op de schoorsteen van de kerk. In Traubach-le-Haut eten we in Café de la Poste. Bar-tabac-boulangerie-restaurant, alles ineen. Het brood en de koeken ligt gewoon op een van de tafels in de eetzaal. Twee vrouwen lopen in de zaal rond, de kokkin staat in de keuken met een vuil schort om. Een plek naar mijn hart. Na de salade komt er varkensvlees op het bord, gebakken kool en spek en een soort deegbolletjes. S. kent ze, die bolletjes, je maakt ze door het deeg op een bakplaat te laten druppelen. Erg ambachtelijk. Ik vraag aan de kokkin hoe de dingen heten, waarop ze een kartonnen doos neemt en de naam van het etiket spelt. Knepple. Hoe? Knepple – ze schrijft het in mijn schrift. Terwijl ze een stukje meeleest, leunt ze met haar rechterborst op mijn schouder. De temperatuur varieert volgens verschillende thermometers op straat tussen de 32 en de 35 graden. Het is in elk geval warm. Laatste tussenhalte voor vandaag, een warenhuis waar we behalve fruit en groenten ook wijn kopen. Achteraan in elke fietstas één fles – alles voor het evenwicht. We rijden Zwitserland binnen. Intussen betrekt de lucht. In de verte rommelt het. Schuine strepen aan de horizon betekent regen. Aan een man in zijn tuin vraag ik of het onweer onze richting uitgaat. Hij weet het niet. Hij is Italiaan zegt hij en roept ‘Nibali’! Dan neemt hij me mee naar de lokale dorpsgek die in mijn gezicht spat, maar in essentie hetzelfde als de Italiaan zegt: je weet het niet. Het regent hier en een kwartier later schijnt de zon, je gaat in T-shirt en teenslippers het huis uit en krijgt een onweer op je dak. Hij haalt de schouders op. De Italiaan lacht mijn bezorgdheid weg, maar op een goedmoedige manier. Hij haalt een Italiaans spreekwoord boven. Iets met de wind en mee laveren met de wind. Een sympathiek man. Col de Rangiers. Bruin water naast de weg. Ook in de bandensporen op het asfalt water dat naar beneden stroomt. Halverwege de col begint het te gieten. We stoppen om regenjas en overschoenen aan te trekken. Links en rechts is het nu aan het bliksemen, maar het onweer beangstigt me niet. Misschien omdat het bijdraagt tot de heroïek van de beklimming? Als je in je hoofd dan toch een film draait van wat je aan het doen bent, waarom jezelf dan niet meteen de hoofdrol geven? Uit de vallei stijgt nevel op. Bijna boven vragen we raad aan twee mannen die een drankstalletje uitbaten. Ze verwijzen ons na telefonisch overleg naar een hotel wat verderop. Bij het afscheid gooit een van hen de armen in de lucht en roept: Jacques Brel – Stromae! Eden Hazard, vult de andere aan. Monsieur Yves Petignat laat ons de fietsen in een soort schuur annex feesttent zetten. Hij is de vierde generatie Petignat die sinds 1906 hotel La Caquerelle uitbaat. Het hotel ligt op de top van de col de Rangiers, op 834 meter om precies te zijn. Een jongen brengt ongevraagd mijn fietstassen naar onze kamer op de derde verdieping. ‘Service’, zegt hij als ik hem daarvoor bedank. Ook in het restaurant zeggen hij en de eigenares bij het minste – het brengen van de menukaart, het wegnemen van onze borden – ‘service’. Nadat hij ons de menu du jour heeft uitgelegd – binnensmonds, maar hoe kan zij dat weten - komt de vrouw dat herhalen. Terwijl hij erbij staat. ‘Ja,’ zeg ik, ‘monsieur nous a déjà raconté.’ In het restaurant zit een man in een sportbroek. Hij kijkt angstvallig naar ons op - of we wel goeiedag knikken? Dat doen we. Tegenover hem een koppel waarbij de gastvrouw tussen twee services door aanschuift. Het eten is ontgoochelend. Na de salade een blanquette met pâtes. Volgens S. is het vlees ontdooid. Voor het hotel vliegen huiszwaluwen af en aan. Op de letter “e” van hotel zit een kwikstaart. Op de kamer kijkt S. tv. Ik schrijf. Een avondsigaret achter het hotel, op een pad dat de vallei inloopt. Gekras van raven in de bomen. Met tientallen tegelijk vliegen ze op. Als ze overvliegen hoor ik hun vleugels in de wind. Aan de rand van de vallei is het doodstil. Uit de vallei stijgt een witte nevel op, zo dik dat de dorpen beneden in brand lijken te staan. De ondergaande zon. Onzichtbaar van waar ik sta, koeien of schapen met een bel rond hun nek. Zwitserland zoals je het je voorstelt. Ik loop terug. Achter de schuur ligt een cabine van een skilift. Intersport staat erop. In een kapel naast het hotel schilderijen in het donker, als in een museum dat nooit iemand bezoekt.  

detroostvancontouren
14 0

Aangevuurd

De avondklok luidde en weergalmde door het ventilatiesysteem zodat het zich verspreidde door alle kamers. Het einde van de dag voor de meeste onder ons. Ik hoorde vanuit de meisjeskamer de grote metalen achterdeuren openen. De jongens die al een week bezig waren met een gat voor een tweede zwembad te graven kwamen binnen en begaven zich naar onze slaapzaal. Alle Doorzichtigen hadden een dun matje gekregen, een van de enige dingen die we mochten bezitten. Op mijn eerste avond toen ik de slaapzaal binnen kwam zag ik dat helemaal achterin de zaal de matjes lagen. Telkens een paar matjes op elkaar. De jongens en de meisjes, zonder speciale bevoegdheden kwamen die avond als eerste de zaal binnen. Het zweet droop van de jongens hun gezicht terwijl het ijskoud was in de sobere, bakstenen zaal. Het enige beetje blauwachtig licht kwam uit een raam waardoor de maan scheen. De jongens ploften neer op de matjes en namen allen een meisje onder de arm die zich dicht tegen hun lichamen drukten. Pas na een tijdje begreep ik dat we de matjes aan de jongens gaven omdat zij het het hardst te verduren kregen en dat het tijdens de winter te koud was om alleen te slapen. Alle Doorzichtigen die mochten gaan slapen waren de gangen uit en Kia die uit haar bed was gekropen vroeg me voor de duizendste keer om te vertellen waar ze naartoe gingen nadat we voor hun hadden gewerkt. Haar bruine ogen glansden van nieuwsgierigheid, maar haar broer had mij verboden iets over de maatschappij in de villa’s te vertellen. Ze wist dat zij boven alle slaven stond en dat we daarom Doorzichtigen werden genoemd. Omdat we niet als mens beschouwd werden, gewoon gebruikt om hun klusjes op te knappen. “Hup, terug in je bed”, gebood ik haar. Ze trok een pruillip maar draaide zich toch om. Ze legde zich op haar bed en wachtte tot ik de deken over haar zou trekken. Ze was een lief meisje met geen slechte bedoelingen ook al kon ze zo genieten van de aandacht die ik haar moest geven. Ik probeerde de roze deken zo goed mogelijk over haar heen te krijgen. Dit ging veel gemakkelijker toen ik mijn linkeronderarm nog had. “Slaapt Audrey al?” fluisterde ze. Ik liep naar de andere kant van de kamer waar het hemelbed van haar jongere zusje stond. Het bruine krullende haar van haar zusje was het enige dat nog boven haar deken stak. Ik knikte naar Kia. “Ga maar gauw slapen”, zei ik. Terwijl zij indommelde, keek ik door het raam naar de volle maan die licht wierp over de bossen naast de tuin. De maan trok mijn bloed aan en fluisterde me in dat ik naar buiten moest gaan. Ik schoof het gordijn voor het raam, en moest meteen toegeven aan de drang. Mijn voeten begeleidden me naar de gang zonder erover na te denken. Op de gang was alles stil. Ik sloot de deur stilletjes achter me en wandelde de gang in. Hij was de hele nacht verlicht en liep door de hele bovenverdieping met een grote marmeren trap bekleed met rood tapijt in het midden. ‘Waar ga je naartoe?’ Ik schrok en draaide me abrupt om. Pilo keek me kalm aan en liet zijn blik even hangen bij mijn geamputeerde linkerarm. Hij herstelde zich snel en glimlachte naar mij, maar een bleef een droevige kronkel in zijn lippen. ‘Het was het waard.’ prevelde ik met mijn blik strak op de grond gericht. Ik voelde zijn fronsende blik op mijn hoofd gericht. Wat?” vroeg hij. “De arm. Het was het waard. Je weet wel, toen ik bij jou…” ik bloosde, zijn blik nog steeds op mij gericht. “Nee, ze namen te veel”, zei Pilo met een diepe stem terwijl  hij voorzichtig het littekenweefsel aanraakte. Een tinteling raasde door mijn hele lichaam. Mijn hele leven al leefde ik volledig volgens de regels die de meesters ons oplegden. Die ene keer dat ik me liet gaan en iets deed wat ikzelf wou, werd ik gestraft. Ik wist wat ze zouden doen als ik met hem gezien zou worden, met de jongste zoon van de domeinmeester die getrouwd is en een zoontje heeft. “Kom even mee naar mijn kamer”, sprak hij zacht. Nu keek ik hem wel aan. Zijn helderblauwe ogen priemden zich in de mijne. Ik was de eerste die opzij keek. De maan schitterde door de talloze ramen en herinnerde me aan de drang. Ik schudde mijn hoofd. “Ik moet gaan.” Ik draaide me om en liep de trap af naar buiten, de bossen in. De seconde nadat het maanlicht over me scheen, voelde ik de energie door mijn lichaam schieten. Ik viel op mijn knieën terwijl de energie zich vanuit mijn kruinchakra verspreidde langs mijn keel naar mijn vingertoppen en zich ontfermde over mijn andere, geamputeerde arm. De energie maakte zijn weg door het littekenweefsel en het voelde alsof het nieuw weefsel aanmaakte. Ondertussen kroop de energie verder naar mijn tenen en gaf de geamputeerde stompjes en stoot waardoor er nieuw weefsel zich ontplooide. Ik pufte nog een tijdje na de laatste energiestoot uit. Mijn huid had een ivoorkleurige glans en mijn linkeronderarm, die de domeinbeulen hadden afgehakt als straf, scheen hersteld. Mijn huid leek verlengd en vergroeid in een handschoen die helemaal van boven mijn elleboog tot over mijn vingers ging, waar helemaal geen beenderen, bloed of vlees meer zaten. Ik stond op en voelde hoe mijn geest verdrongen werd uit mijn lichaam. Mijn bloedlijn stond me toe me te kunnen herstellen ten tijde van de volle maan , maar dat was enkel en alleen omdat mijn moeder me bloed had toegediend van een vrouw met de gave. Vroeger stroomde er gewoon bloed van een slaaf door mijn aderen. Maar mijn moeder werd bang toen ze me naar een andere afdeling in de villa brachten en droeg in een nacht wat bloed van de vrouw over aan mij zodat ik de gave overkreeg. Ik wist dat ze het goed had bedoeld, maar telkens wanneer de volle maan boven me uit torende waren de gedachten van die vrouw en de mijne onscheidbaar. Ik voelde haar verdriet, kon kijken in haar verleden ,wist haar bedoelingen, maar zat vast in de huls van mijn lichaam. Ze gebruikte mij als haar marionet om wraak te nemen op de dood van haar jongste dochter die door de domeinheer was verkracht en daarna vermoord. Lopend naar een van de geheime achterdeuren van de villa, besloot ik/zij dat ik eerst langs de keuken moest. Deze zat helemaal aan de andere kant van het gebouw dus versnelde ik mijn pas. De keuken bestond uit ijzeren kasten, ijzeren tafels en ijzeren fornuizen en was helemaal verlaten. Ik begon te zoeken door de lades van de kasten, rammelde door het bestek en vond uiteindelijk een vlijmscherp mes achterin de afwasmachines. Het mes had een lemmet dat bedekt was met zwart leder en waarvan de rand juist geslepen was. Ik voelde het gewicht ervan in mijn handpalm en vertrok gewapend naar de vertrekken van de mensen in de villa. Hoe dichter ik bij de slaapvertrekken kwam, hoe ondraaglijker haar verdriet werd, hoe harder ik haar zin naar wraak kon proeven. Aangevuurd door haar verlangen sloop ik, met het mes in mijn hand, een kamer binnen waarin zij me stuurde. Een man zat voorovergebogen over zijn bureau. Door het licht van de bureaulamp kon ik enkel zijn silhouet zien. De ziel van de vrouw liet me met beide handen het mes oprichten en stapte op de man af. Hij schrok op van het geluid en draaide zich met een ruk om. Zijn helderblauwe ogen schoten open van verbazing. Mijn ziel werd wakker geschud bij het zien van Pilo. Het was logisch, de vrouw wou de domeinheer kwellen op dezelfde manier als zij gekweld was. Door het vermoorden van het jongste kind. Pilo stond op en liep op me af.  

Myrte VC
0 0

fragmenten uit een spoorboekje

 Vrijdag 14/01/11        Iets na vieren in de wachtende trein naar Brussel. Groepjes studenten trekken door de straten in het schemerduister naar huis. Het regent. Bomen neigen naar hun contouren. Weiden als groene monochrome vlakken in het raamkader. Kale, jonge berken in de wind. De Vlaamse Ardennen leigrijs tegen de achtergrond. Anzegem. Over een beregende akker waggelen twee Nijlganzen door de modder. Naarmate de avond valt, wordt het moeilijker in de weerspiegeling van de ruiten de buitenwereld van het wagoninterieur te onderscheiden. Het oude bakstenen station van Oudenaarde. Verf bladdert van de raamkozijnen. Boven de Zwalmstreek motregent het nog steeds. Een witgekalkte boerderij met getraliede ramen op het noorden. De bomen zijn geleidelijk van gedaante verwisseld en zwarte silhouetten geworden.   Vrijdag 01/04/11        Het vertrouwde landschap onder een lentezon. Tussen het staketsel van kale takken dat nog aan de winter herinnert, sluimert al wat lichtgroen. Een eenzaam paard staat in de hoek van een weide de zaken te overschouwen, de kont naar de voorbij rijdende trein gekeerd.   Maandag 04/04/11     Grijs, bedompt weer. Het paard uit de heenreis is uit zijn hoek gekomen en graast in het midden van de weide, het hoofd nog steeds van het spoor afgewend. Een eenmansprotest tegen diegenen die het in zijn rust storen.   Zondag 25/09/11        Avondzon: gezeefd licht als gouddraad tussen de weiden. Goudgeel, bruin, hier en daar al rood aanlopende bladeren aan de bomen. Luchtballonnen tegen de blauwe hemel. Een ladder in een boomgaard. Afgemaaid gras ligt in lange rijen te drogen. Een fazant scharrelt in de rand van een maïsveld rond. Eigenaardig dat je zo’n avonden met je grootouders associeert. Met stokrozen, korstmos en gedroogde siererwten.   Vrijdag 3/02/12          Een meisje komt zichtbaar opgelucht de wagon binnen. Pas bij het uitrijden merkt ze dat we richting Brussel gaan. Zij moet naar Brugge. Het sneeuwt zacht. Een konijn haast zich over een wit veld ergens heen. Bevroren plassen als gekartelde witte vlakken. Hoe oostelijker we komen, hoe dikker de sneeuw ligt opgetast. Wit vilt op zadeldaken en onbereden landwegen.  

detroostvancontouren
0 0

verhaalfragment

Toen ze weg liepen, had ze Maartens hand genomen en zichzelf gedwongen niet achterom te kijken. Maar het maakte geen verschil. Het beeld van Claire die alleen de nacht inwandelde kreeg ze niet uit haar hoofd. Ook niet toen ze op zijn kamer waren en hij haar als een paspop uitkleedde. Het was donker. Het voelde aan als verraad. Ze stond toe dat hij zich onder haar vleide. In haar kwam. Toen zijn ademhaling jachtig werd, verschoof er iets in haar hoofd. Met gesloten ogen begon ze met haar heupen draaiende bewegingen te maken. Ze hoorde hoe hij kreunde. Hij had geen idee hoe ze hem buitensloot. Zichzelf verlaagde tot het voorwerp, niet het onderwerp van zijn lust. De vernedering aanvaardde ze als straf. Dankbaar haast. Het draaien van haar heupen kreeg iets van een zelftuchtiging. Dit had enkel nog met haar, niets meer met hen te maken. Ook zij begon nu te hijgen. In een flits zag ze Claire weg wandelen. Ze schudde haar hoofd. De klank die hij uitstootte, kreeg iets huilerigs. Nu niet aan Claire denken. Ze sloot haar ogen. Na een laatste slag met haar lenden, kwam hij klaar. Hij legde een hand op haar rug. Door de aanraking voelde ze voor het eerst hoe die nat van het zweet was. Ze rilde. Hij duwde haar voorzichtig naar zich toe. Ze verborg naar hoofd in het kussen naast hem. Ik hou van je, zei hij en streelde haar rug. Ze knikte in het kussen. In bed merkte ze dat hij de slaap niet kon vatten. Op een bepaald ogenblik zuchtte hij diep. Ze wist niet of dat een uitnodiging was om te praten of niet. Ze ging er niet op in. Ze vroeg niet wat er scheelde. Ze staarde gedachteloos in het donker. Met haar ogen volgde ze doelloos de barsten in het plafond. Eén lijn liep kronkelend diagonaal de kamer door en verdween in een donkere hoek uit het zicht.   De weken erna ging het beter. Alsof ze zich ergens bij had neergelegd, ergens vrede mee had genomen en hem nu meer kon toelaten, hem dichter kon laten naderen. De zelfvernedering in bed die avond – dieper kon ze toch niet vallen? Alles wat volgde was winst. Ze had een nulpunt bij zichzelf bereikt en had niets meer te verliezen. Vanuit die gelatenheid steeg een nieuw soort energie op. Tot haar eigen verbazing was ze rustiger geworden. Waar de situatie haar die nacht nog uitzichtloos had geleken, was ze de volgende morgen met een haast vrolijk gevoel opgestaan. Ze herinnerde zich hoe helder haar hoofd was geweest, als na een zware huilbui - met hetzelfde licht zeurende, huiverige gevoel op de achtergrond. Alles aan hem ontroerde haar. De manier waarop hij zijn kopje oppakte en naar zijn mond bracht. De blik in zijn ogen die tussen wantrouwen en verbazing schommelde. Toen ze terug op straat stond, drong elk geluid, elke geur, alles wat ze zag tot in het kleinste detail tot haar door. Een vogel die floot, een wagen die langsreed, de vroege zon op de bakstenen gevels; alles sprak voor zichzelf, verwees naar niets anders dan zichzelf. Een snoeppapiertje op straat droeg de hele wereld in zich. Ze voelde zich licht, alsof ze zich van iets zwaars had losgemaakt. Ze praatte zichzelf iets aan natuurlijk, maar op dat moment geloofde ze werkelijk in - tja, in wat? Berusting misschien. Misschien wist ze wel dat ze zichzelf iets wijs maakte, maar geloofde ze er desondanks in. Dat kon, volwassenen lazen op die manier de bijbel. Iedereen weet dat parabels verzinsels zijn en toch blijven sommigen erin geloven. Omdat die parabels hen iets vertellen dat ze willen horen. Iets dat hen recht houdt. Misschien dat het haar destijds net zo was vergaan.  Met hernieuwde energie schreef ze aan haar eindwerk. Binnen de twee weken had ze het besluit rond, liet het door Claire nalezen en bracht het naar de faculteit. Het secretariaat zou het aan haar promotor bezorgen. De boeken die ze van hem had gekregen, begon ze op een systematische manier door te nemen. Ze legde lijsten aan van woorden die ze niet begreep en waarvan ze de betekenis in naslagwerken opzocht. Ze maakte een schematisch overzicht van fenomenen die volgens de auteurs hadden bijgedragen tot het proces van secularisering. Omgekeerd legde ze een chronologie aan van toespraken, brieven en encyclieken waarin menig paus zich tegen de moderniteit had gekeerd. Hele namiddagen spendeerde ze in de universiteitsbibliotheek. De neutraliteit van de plek – ver weg van Maarten of Claire – verschafte haar de noodzakelijke rust om een domein te verkennen dat volledig nieuw voor haar was. Geleidelijk kreeg ze zicht op de problematiek van ontkerkelijking. Ze herinnerde zich dat ze op een avond de bibliotheek net voor sluitingsuur was uitgewandeld. De avondzon op het plein voor de bibliotheek had haar verblind en ze had haar ogen gesloten. Even leek het alsof ze deel had aan iets dat groter was dan zichzelf. Alsof de opgedane kennis haar verhief boven het alledaagse van een universiteitsstad en boven iedereen die zich door die stad een weg baande. Terwijl ze naar huis liep, had ze voor het eerst sinds lang het gevoel controle te hebben over haar leven.   Claire beantwoordde het geklop op haar kamerdeur niet. Sarah bleef een moment besluiteloos staan. Het geluid van haar knokkels op de deur, de zachte galm daarvan in de gang en het besef dat Claire er niet was: van het ene op het andere moment zag ze zichzelf door de ogen van iemand anders. Controle over haar leven, wat zou het! Met een nijdig gebaar draaide ze de sleutel van haar eigen kamer om. Van de verheven stemming van zonet schoot niets over, alsof het niet meer dan stof was geweest die bij de minste windstoot wegwoei.   Ook die kwetsbaarheid was tijdens die laatste weken een constante. Samen met de hervonden rust waren het zijden van eenzelfde medaille. Hoewel ze er beter in slaagde haar gevoelens voor Maarten en Claire gescheiden te houden, was het minste voldoende om haar uit balans te brengen. Ze moest dan vaak denken aan iets wat ze als kind had ervaren maar nooit helemaal begrepen. Op een namiddag in de zomervakantie hadden zij en Claire met hun kinderfietsjes keer op keer dezelfde wedstrijd gedaan. Ze reden hun fiets tot bovenaan een flauwe helling en lieten zich dan om het snelst naar beneden rollen. Ze hadden het uitgekraaid van plezier. Tijdens een van die wedstrijdjes was Sarah over een steen gereden die ze niet op de weg had zien liggen. Ze werd daarbij even uit het zadel gewipt. Uit het niets was ze beginnen wenen. Niet omdat ze zich had bezeerd, evenmin omdat ze de wedstrijd door de korte aarzeling had verloren – ze had nooit begrepen waarom. Claire kon ze geen antwoord geven toen ze met een betraand gezicht naast haar tot stilstand kwam. Ze wist alleen dat ze zichzelf op het moment dat ze over de steen reed belachelijk voelde. Alsof dat ene moment de hele namiddag van plezier maken en onbezorgd lachen als iets vals had ontmaskerd.

detroostvancontouren
8 0

Griekse diplomatie

S. deed open met een banjo rond zijn schouders. Hij was vergeten wanneer we precies hadden afgesproken. Terwijl ik mijn spullen op de bank legde, trok hij een vers overhemd aan. Ik haatte de trui met het opstiksel van een beertje op skilatten, die hij de laatste tijd te pas en te onpas droeg. Het gaf ten onrechte de indruk dat hij zich verwaarloosde. ‘En de lakens zijn ook gewassen.’ Hij zei het grijnslachend. Enkele weken terug had ik me beklaagd om de geur van ranzige boter waarin we hadden geslapen. Ik volgde hem naar de keuken. Op het aanrecht lagen twee zalmfilets in hun plastic verpakking met biolabel. ‘Verdomme, toch geen vis zeker!’ Ik at de hele week al geen vlees. Dat kreeg je, met een vriendin in huis die vegetarisch was. ‘Rustig, Piet. De zalm is voor de meisjes. Wij eten worst.’ De meisjes? ‘Biologische worst natuurlijk, zeven euro ’t stuk, meneer.’ ‘Komt er nog volk, dan?’ ‘Wat had je gedacht? Dat ik hier de hele avond met jou alleen zou zitten?’ Ik lachte schaapachtig en voelde een bekend gevoel van onrust opsteken, een onrust die altijd gepaard ging met omstandigheden waar ik geen controle over had. Toen de bel ging, was ik in de badkamer. Ik hoorde hem tegen iemand gniffelen en met onverholen pret in zijn stem riep hij dat ik mijn ogen moest dichtdoen. Els, schoot me door het hoofd. ‘Ik doe juist niets toe, lelijke stinker.’ Ik draaide de hoek om naar de keuken en kuste Els nonchalant op haar wang. Ze moest glimlachen. Hij vroeg hoe ik dat had geraden. Els was een gemeenschappelijke vriendin uit het verleden. Na enkele ruzies was ze bij S. uit de gratie gevallen en sindsdien moeder geworden van een dochter. Intussen alweer gescheiden van de vader. Dat wist ik allemaal van horen zeggen. Een tijdje terug was S. haar toevallig tegengekomen en hadden ze de brokken gelijmd. Ik ontkurkte voor mezelf een duvel en schonk haar een glas in van de wijn die ze had meegebracht. We namen de draad op waar we die twee jaar terug hadden laten vallen, toen ik haar voor het laatst had gezien. Drie West-Vlamingen samen. Dat schiep een band. Vroeger was dat al altijd zo geweest en nu voelde ik opnieuw iets van die saamhorigheid. S. dronk af en toe van mijn glas. Els lachte om mijn grapjes. Toen de bel ging, had ik het gevoel dat er iets verstoord werd. ‘And this is Daphne.’ Er lag iets triomfantelijks in zijn stem. ‘She works at the Greek ambassy.’ We schakelden over op het Engels en stelden ons aan elkaar voor. De keuken vulde zich met de vette walm van gebakken worst. Ik stelde Daphne de vraag die ik altijd stel als iemand het over zijn of haar job heeft. Of ze eens een gewone werkdag kon beschrijven. Maar dat kon ze niet. Ze ging gewoon iedere morgen naar de ambassade, kreeg dan pas te horen waarover ze moest onderhandelen en deed dat. Zo simpel was het. De inhoud deed er weinig toe. Het ging om de kunst van het overtuigen. ‘So, you’re like a kind of medium,’ zei ik, terwijl we naar de woonkamer liepen. ‘Very good,’ lachte ze. Het gesprek aan tafel kwam al snel op het dilemma waar Daphne mee worstelde. Ze was vijfendertig, wilde al van kleinsaf drie kinderen, maar had geen man. Een probleem dus, maar daarom nog geen dilemma. Dat kwam er pas toen ze enkele maanden terug een Zweedse straaljagerpiloot leerde kennen. Drieënvijftig, getrouwd, kinderen, maar bereid Daphne overal te volgen en haar de gewenste kinderen te schenken. Een follower. Het was niet de man van haar leven, maar wel de laatste kans om een gezin te stichten. Ze vroeg onze raad. Volgens Els moest ze niet te lang twijfelen. Zo’n kans kreeg je niet elke dag. S. en ik waren terughoudender en vroegen ons luidop af of ze die man niet louter voor eigen doeleinden gebruikte. De verkeerde vraag, blijkbaar. Daphne en Els schudden het hoofd en keken elkaar aan. Ze waren bondgenoten geworden. De tafel werd ingedeeld in een mannenkamp en een vrouwenkamp. Vanuit die posities werd elke mening nu vluchtig bekeken, omgedraaid, nog eens bekeken, en – naar gelang het een man of een vrouw was die de mening had uitgesproken – goedgekeurd of verworpen. Het ging al lang niet meer om Daphnes persoonlijke dilemma, maar om iets groters, iets allesomvattends, maar ook iets dat erg vaag bleef. Zo kwamen we nergens. Ik stond op en ging op het terras een sigaret roken. De koude deed sneeuw vermoeden. Na een tijdje kwam Els bij me staan. We vroegen ons af waarom we elkaar al die tijd niet hadden gezien. Het had te maken met de wederkerigheid die in een relatie onder vrienden wordt verondersteld. Als de interesse eenrichtingsverkeer wordt, heft de relatie zichzelf op. Ik wist dat S. haar dat verweet. Schoorvoetend ga ze haar fout toe. Het eerste wat ik zag toen we terug naar binnen liepen, was Daphne die om S. zijn hals hing. Hij wrikte zich los en wenkte me naar de keuken. Daphne was stomdronken. Bedroefd door het gesprek aan tafel, had ze hem om alcohol gevraagd en hij had naar de eerste fles gegrepen die binnen handbereik stond. Porto. Toen we weer gingen zitten, zag ik dat de fles halfleeg was. S. en Els begonnen een discussie over het pakje tabak waar zij ongevraagd een sigaret van had gerold toen ik buiten stond. Ik probeerde het gesprek te volgen, maar werd afgeleid door Daphnes hand die over mijn bil naar boven kroop. Als een lappenpop viel ze me om de hals en murmelde iets wat ik niet verstond. Misschien was het Grieks voor: “Jij bent de knapste jongen die ik in jaren heb gezien.” Je wist het niet. Ik ging in de keuken een verse duvel openmaken. Alsof ze dat als een teken beschouwde, strompelde Daphne me achterna. Ze fluisterde opnieuw iets in mijn oor. Het was ongetwijfeld lief bedoeld. Ik maakte een gebaar naar de woonkamer, van waaruit nu een luid geroep weerklonk. Daar was ik nodig, zo te horen. Daphne liep als een kuiken achter me aan. S. en Els zaten tegenover elkaar, de vinger woedend naar elkaar uitgestoken. Oude wonden waren opengereten en hij ventileerde alles wat op zijn maag lag, ooit op zijn maag had gelegen en in de toekomst nog op zijn maag zou kunnen liggen. Daphne, merkte ik vanuit een ooghoek, was intussen verdwenen. ‘Je zult in eenzaamheid sterven, Els.’ Hij zei het gelaten, alsof het iets suggereerde dat wel triest was, maar waaraan niet te ontkomen viel. ‘Als je dat nu al niet bent.’ Daarop stond ze huilend recht, gaf hem in het voorbijlopen een slag in zijn gezicht en liep de slaapkamer in. Toen weerklonk het geluid van een stomp voorwerp, dat in de badkamer op de grond viel. Daphne wees met een verontschuldigende blik naar de wastafel in email die op de grond lag, alsof ze iets wou duidelijk maken dat we anders niet hadden opgemerkt. Ze moest zijn gestruikeld en had zich in haar val aan de wastafel proberen recht te houden. Het water spoot uit de gebarsten leidingen. ‘Daphne toch, what have you done.’ Ik voelde een lachkramp opsteken. S. reageerde gevatter en liep de gang op naar de kast met waterkranen. Terwijl we de kraan zochten die correspondeerde met het geklater achter ons, begon ik te hikken. ‘Daphne, Daphne, what have you done!’ Ik gierde het uit. Uiteindelijk slaagden we erin de juiste kraan te vinden. In de badkamer hevelde ik met een dweil het water op de vloer over naar het bad. S. hurkte naast me neer. Ik legde een hand op zijn schouder en kreeg van de weeromstuit opnieuw de slappe lach. Toen alles min of meer droog was, legden we de wastafel zo goed als het ging opnieuw op zijn sokkel. Daphne was op de sofa neergeploft en praatte met de straaljagerpiloot via haar i-phone. Els streelde haar over het hoofd. De orde van het tafelgesprek leek hersteld. De mannen gingen tegenover elkaar aan tafel zitten. Door de hoge ramen zag ik hoe het zachtjes was beginnen sneeuwen. Het was al na middernacht. Nadat Daphne opnieuw in de badkamer was verdwenen, weerklonk ditmaal het geroep van Els die haar was gevolgd. We stonden geschrokken recht. Daphne had de wasbak gebruikt om over te geven, niet wetende dat die nu niet meer op de afvoer was aangesloten. Het gevolg was een sluier van kots, die tussen wasbak en sokkel op de tegelvloer drupte. Terwijl Els zich opnieuw om Daphne bekommerde, begon S. de boel schoon te maken. Ik vluchtte het terras op. De afgestorven bloemen op zijn balkon waren met een laagje ijs bedekt. Door de verlichte ramen keek ik naar het tafereel van hem in de badkamer en de twee vrouwen op de sofa. Ik had met mijn vriend te doen.   Daphne werd ten slotte een taxi ingeduwd. S. legde een blauwe vuilniszak op haar schoot. Ik rookte met Els een laatste sigaret voor de deur. De rook die ik inhaleerde, deed me een moment duizelen. Ik klonk mijn blik vast aan het gietijzeren balkon van het gebouw aan de overkant. De duizeling stopte. Ik rilde in de nachtelijke koude. Els vroeg of ik zin had nog ergens iets te gaan drinken. Ik zei dat ik liever wilde gaan slapen. Na haar goedenacht te hebben gekust, keek ik haar na toen ze de verlaten straat uitwandelde. In bed draaide S. zich om. ‘Al bij al een legendarische avond.’ Hij zuchtte en ik knikte in het donker. Daarna viel ik als een blok in slaap.

detroostvancontouren
0 0

Vanilleherinneringen

    Ik kijk naar zijn handen. Ik wantrouw ze. Iedere dag. Telkens weer. Wat gaan ze nu weer doen? Zachtjes strelen de vingers over mijn broze huid. Een zakdoek passeert nu en dan langs mijn gezicht, deppen de tranen die uit mijn ogen rollen. Een druppel vocht drupt uit mijn neus en wordt door dezelfde zakdoek gedroogd. En dan vang ik de geur op. Vanille… Vanille?? Vanille!!   Twaalf ben ik. Een heel bedeesd jong meisje van twaalf. Geen dag jonger, geen dag ouder. Ik ben jarig vandaag… In de keuken geurt het naar gebak met vanille. De warme geur verspreidt zich tot in de woonkamer. Van daaruit loer ik naar moeke in haar rood met wit geruite schort. Mijn moeke, de liefste van de wereld. “Madeline, breng je een stukje naar meneer pastoor?” Vluchtig steekt ze wat cake in haar mond. Haar blonde krullen schommelen zachtjes. Haar ogen schitteren. Haar lippen dansen. Mijn moeke is mooi, zelfs in haar schort. Ik ga iedere zondag naar de kerk. Moeke in haar mooiste mantelpakje, vake in zijn beste kostuum – waarbij aan de vest een knoop ontbreekt – en ik er tussenin… “Nou Madeline, breng meneer pastoor maar een stukje.” Ze stopt een pakketje in mijn handen en kust mijn wang. Haar huid is zacht. “Voorzichtig onderweg, Madeline.” Haar vingers strijken door mijn haar en dan ben ik huppelend weg.   Meneer pastoor lust graag gebak. Meneer pastoor lust alles, zei moeke lachend. Het is de eerste keer dat ik alleen naar hem toe ga.   Vanille! De herinneringen dringen zich op. Ze ontpoppen zich vliegensvlug, teisteren de rustige kabbeling van gedachten in mijn hoofd. Nooit vergeet ik het. Het staat in mijn verschrompelende hersenen geprent en ik ken het scenario zoals een priester zijn bijbel kent. Of zou moeten kennen! Paniek slaat toe en als een onbezonnen gek begin ik de handen die mijn gezicht aanraken, weg te duwen. Ik probeer woorden te formuleren en hoor enkel en alleen de krassende klanken uit mijn mond. Ik voel hoe het speeksel langs mijn kin druipt, hoe de handen opnieuw de zakdoek in mijn gezicht brengen. Snappen ze het dan niet? Vanille! Vanille! Met gebalde vuist, waarvan de knokkels met bijna doorzichtig vel overtrokken zijn, sla ik in zijn gezicht. Sla ik waar ik hem raken kan. Geschrokken verdwijnen de handen, met het hele lijf eraan, uit mijn kamer.   Ik sta op de toppen van mijn tenen om bij de bel te kunnen van het hoge herenhuis. Met in de ene hand het pakketje vanilletaart en de andere nog gestrekt, gaat de deur onmiddellijk open. Ik val bijna voorover maar kan nog net mijn evenwicht bewaren. “Welkom, mijn kind! Wat brengt jou hier?” Meneer pastoor ziet het pakje, neemt het meteen over en grijnst: “Dat ruikt naar vanille! Heerlijk! …En jij wordt al een flinke meid, hé, Madeline?” Hij knijpt zachtjes in mijn wang. Ik heb het niet graag. “Ja, meneer pastoor!” Moeke heeft me geleerd om heel beleefd te zijn tegen de volwassenen, ook als ik hen niet leuk vind. De pastoor neemt het pakje, opent het en houdt het tegen zijn grote neus. “Ah, heerlijk!” Hij kraakt een stuk af en propt het gulzig in zijn mond. Dan nog één erbij. Zijn wangen staan zo bol dat ik bang ben dat ze zullen openbarsten…   “Kom Madeleine!” ’t Is Madeline, weten ze dat nu nog niet? Twee paar handen knijpen mijn armen vast, terwijl een derde paar iets in mijn mond wil brengen. Ik pers mijn lippen op elkaar. Misschien willen ze mij vergiftigen? Misschien maken ze me wel dood? “Vooruit Madeleine! Doe je mond open! We hebben ‘een borreltje’ voor jou! Vooruit, doe die mond open!” Uit alle macht probeer ik me uit hun greep te worstelen. Maar tegen één man en twee vrouwen ben ik niet opgewassen. Ik, een bejaarde vrouw van achtentachtig, kan niet anders dan het onderspit delven. Met immens verdriet laat ik het waterachtige goedje mijn keelgat binnenglijden. “Goed zo, Madeleine! Daar word je straks rustig van.”   “Kom binnen, Madeline.” “Euh, moeke heeft gezegd dat ik de cake moest brengen en dan terug naar huis… Ik ben jarig vandaag…” “Ach, zo, je bent jarig? Twaalf geworden, Madeline?” Bedeesd knik ik en staar naar de gepolijste schoenen van meneer pastoor. Ze blinken. Misschien kan ik me er wel in spiegelen? “Als je twaalf bent, dan moet je de liefde van god leren kennen, meisje. Je moeke begrijpt dat wel…kom maar eventjes binnen.” Zijn stem dwingt mij. Nog steeds met gebogen hoofd zet ik voet voor voet over de drempel. Meteen voel ik een harig tapijt onder mijn voetzolen. Meneer pastoor slaat de deur achter me dicht. Het is donker in de hal. Te donker. In de schemering zie ik een hoge zetel. Meneer pastoor gaat erin zitten en trekt me op zijn schoot. “Zo gaat dat met meisjes van twaalf, Madeline. God heeft hen speciaal uitverkoren om zijn liefde te betuigen…” Ik snap die woorden niet. Zijn gezicht komt dichterbij, zijn adem ruikt naar vanille. Ik trek me achteruit. “Kom kom, Madeline, niet zo verlegen…” Zijn dikke vingers glijden over het stukje huid tussen mijn lange witte sokken en mijn blauwe plooirokje. De worstjes, zo zien zijn vingers eruit, klimmen onder mijn rokje, kruipen mijn slipje binnen. Ik ben bang. Dit hoort niet. Niemand heeft me er ooit iets over gezegd, maar dit hoort niet…Ik kan hier niet blijven en probeer van zijn schoot af te komen. Het lukt niet. “Ik moet naar huis…” fluister ik. “Hmm. Straks, Madeline. Straks…” Zijn stem klinkt hees. Zijn andere hand grijpt in het pakje vanillecake….   “Moeder! Moeder! Help mij! Kom mij toch helpen, asjeblieft! Moeder waar ben je? Help me dan! Mooooeeeeder!!!!” Hij komt de kamer binnen. Ik heb hem niet nodig. Ik heb moeke nodig… “Madeleine, hou nu toch eens op! Je maakt iedereen onrustig! Je woont hier niet alleen, hoor! We hebben nog zesentwintig andere bewoners! Heus, je bent echt niet de enige…” “Mooooeeeder!!!!” “Verdomme, Madeleine! Je moeder is allang dood!” Hoofdschuddend trekt hij de deur achter zich dicht. Ik zit terug alleen…en toch niet…   Hij propt de vanillecake in mijn mond. “Proef eens, Madeline. Lekker, niet?” Dan drukt hij zijn vlezige lippen op de mijne, duwt zijn tong in mijn mond. Ik hap naar adem en verslik me bijna in de cake. Overal ruik ik vanille, smaak ik vanille. Mijn maag keert zich om. Mijn hoofd duizelt. Ik voel zijn vingers bewegen in mijn slipje. Opeens zet hij me terug op de grond. Ik geloof niet dat ik ervan af ben. Ik krijg gelijk. De pastoor heft zijn zwarte kleed op. Poseert trots zijn blote onderlichaam. Mijn ogen ontdekken een enorm gezwollen ding. Mijn hart klopt in mijn keel…Wat stelt dit voor? De angst vreet aan mijn lijf. Ik heb het koud. Dit is helemaal niet meer normaal… “Wees maar niet bang, Madeline, dat is de liefde van god…” Hij drukt me op mijn schouders naar beneden, legt me neer op het harige tapijt. Meneer pastoor schuift mijn rokje omhoog en mijn slipje naar beneden en duwt dat enorme ding tussen mijn benen. Zijn zwarte gewaad bedekt een deel van mijn gezicht. Hij kreunt. Ik schreeuw het uit. “Het doet pijn!” Hij luistert niet. Het kind in mij bloedt langzaam dood…   “Moeke,” prevel ik. Moeke antwoordt niet. Ik ben alleen. Helemaal alleen in deze vreemde kamer. In mijn hoofd tuimelen de herinneringen door elkaar.   “Ik lust geen vanilletaart! Ik wil geen vanillewafeltjes! Ik moet geen vanille-ijs!   Mijn oogleden voelen zwaar. Mijn hoofd ook. Het borreltje, denk ik. Met mijn gerimpelde handen veeg ik de tranen weg die over mijn wangen stromen.   Het kind in mij sterft wederom een vanilledood…  

R Ryckoort
44 0

Brussel

Ik weet het. Het hoort niet. Ik woon in Antwerpen, zonder enige twijfel de boeiendste stad van België en omstreken. De mooiste straten van de wereld zijn er kriskras uitgestrooid, als diamanten in het landschap. Daar woon ik dus, in dat bijna volmaakte Antwerpen. En toch. Toch oefent Brussel al sinds lang een grote aantrekkingskracht op me uit. Het is een beetje pervers. In mijn jonge jaren was Brussel onbereikbaar ver, men sprak er vreemde talen, en er geraken was een heel avontuur: de stations waren gevaarlijke plekken en met de auto was het al helemaal een ondoordringbare wildernis. Gps bestond nog niet. Brussel was alles wat het leven beloofde te zijn, maar dan voorbij de horizon van het voorstelbare. Opwinding. Gevaar. Later, toen ik er studeerde, viel het allemaal best mee. Zelfs met de auto rijden bleek een plezier, zeker met het witte golfje van mijn ouders. Een onbeduidende auto, maar wel uitgerust met een nummerplaat die wonderen deed: BXL-065. Het was pas toen iemand me vroeg of ik inderdaad bij de stad werkte, of mijn vader misschien, dat het me duidelijk werd waarom er altijd plaats voor me was op de openbare weg. Sinds die tijd is veel veranderd. Zowel in het leven, als in Brussel. Gaandeweg leer je de beloften en de angsten in je leven te vriend te houden. Soms is het verstandig om ze te respecteren, die angsten, en op tijd een omtrekkende beweging te maken of te vluchten. Maar vaker doe je er goed aan ze uit te lachen in hun gezicht. En de beloftes, die bleven toch meestal wat ze waren - beloftes. Brussel is veel steden. Er is de stad van de inwoners, die inderdaad vaak vreemde talen spreken. Er is die van de forenzen, die gehaast doorstappen, en zich 's middags in broodjeszaken nestelen. Er is een stad van politici, van commentatoren, van betweters, van Vlamingen en van Walen. Een mening heeft iedereen. Ook de Brusselaars. Het is een kakafonie van goed en minder goed bedoelde adviezen, geblaas van arrogante therapeuten en het smachten van door liefde verblinde stadsminnaars. Al die steden leven vaker op en door elkaar dan naast elkaar, slechts hier en daar zitten ze elkaar in de weg. In de Koninklijke Sint-Hubertus galerijen, hartje Brussel, vind je ze allemaal. De galerij ligt vaak op mijn weg tussen kantoren, en is één van mijn favoriete Brusselse plekken. Niet in het minst omdat we er, toen er nog plaats was voor gesofisticeerde dromerijen, in het kleine winkeltje van Kaat Tilley een trouwjurk kochten. Vandaag deel ik die galerij ook met het Brussel van de toeristen, die er samentroepen voor de etalages van de juweliers, en zich verdringen in de chocoladewinkels - de coffeeshops van Brussel zijn dat, allemaal vanaf de opening al tientallen jaren oud, met authenticiteit als ultiem verkoopsargument. De chocolade die je er koopt is zoet, de bitterheid die ook in de stad leeft versmacht in een brij van suiker. Zo'n verzoeting van het leven is vals, ongezond. Een chocolade versie van Manneke Pis, door toeristen koel gehouden in de minibar van een hotelkamer, pist niet. Sinds een jaar dwaal ik zelf ook regelmatig door de stad. Op een manier die ik in Antwerpen nooit doe, ademend, snuivend, kijkend. Vaak zonder doel en buiten de regels van de tijd om, soms ook op zoek naar een café of restaurant waar een afspraak op me wacht, swipend en tikkend op een smartphone of - ook dat komt nog voor - lezend in een boek. Ik ben altijd te laat. Noem het de angst voor de eenzaamheid van de grootstad, want die is gebleven. Of misschien ben ik gewoon te traag. Het is geen mooie stad, Brussel. Het is er vuil, en bouwpromotoren hebben de kans om lelijke dingen te doen niet laten liggen. Er zijn plekken waar je beter niet komt, en hoe je best te gedragen is vaak ook onduidelijk. Er is geweld, klein en groot, zinvol en zinloos, dronken daklozen palmen de stations in. Aan de regelmatig oplopende polemiek over de leefbaarheid van Brussel heb ik niets zinnigs toe te voegen. Maar de stad straalt energie uit, is onaf en voortdurend in beweging, ambitieus hier en daar. Soms is ze oprecht, soms heeft ze veel te verbergen, en vaak spreekt dat elkaar niet tegen. Door zo'n stad is het goed wandelen. Over de stoepen en straten, door angsten en beloftes. Zoals door het leven, eigenlijk. Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
0 0