Lezen

C + G voor zolang eeuwig duren kan

In het leven gaat het vaak zo dat je de zaken uit je verleden die nu immens belangrijk lijken bent vergeten. Je zou je ze graag herinneren omdat, naar jouw gevoel, dat ene moment, dat ene woord of die ene oogopslag het verschil heeft gemaakt. Het is niet slechts een deel van het geheel, het is het deel dat het geheel heeft bepaald. Het is geen puzzelstuk van een puzzel, het is de afbeelding die de puzzel na afwerking toont. Maar hoe hard je ook probeert, je weet het niet meer.             Zo ook met mijn ontmoeting met Carlotta. Ik herinner me er niets van. Wellicht komt dat omdat ik indertijd een jaar of zes was en dat het nu eenmaal wel vaker voorkomt dat je gebeurtenissen uit je kindertijd vergeet. Maar waarom vergat ik dat ene moment waarop Carlotta en ik ontmoetten en heb ik wel talloze details onthouden zoals de sticker van de blauwe vlinder die op de bovenkant van haar beugel plakte?             Inderdaad, ze droeg een beugel. Vaak is dit de ideale reden voor jong gespuis om iemand uit te lachen maar Carlotta kwam er aardig mee weg. Het stond haar. Die metalen lijn langs haar boventanden maakte haar nog net iets specialer. Het betrof een beugel die ze gemakkelijk uit- en aandeed en niet mocht aanhouden bij het eten. Wanneer ik mijn ogen sluit zie ik nog steeds hoe ze tijdens de middagpauze haar brooddoos opendeed, haar boterhammen met kaas een boosaardige blik gaf en nadien haar rechterhand in haar mond stopte om haar beugel er met één soepele beweging uit te halen. Ze legde het ding meestal in het beugeldoosje dat ze meebracht naar school maar soms legde ze het op tafel. Terwijl we aten keek ik naar de blauwe vlinder en geen porie in mijn lichaam vond haar met speeksel omfloerste beugel stuitend. Integendeel: ik was jaloers op die beugel. Ik wilde er ook één zodat ik iets meer op Carlotta lijken kon.         In het leven gaat het ook vaak zo dat je dolgraag iedereen behalve jezelf wil zijn.   Die eerste ontmoeting is dus gewist uit mijn geheugen maar wellicht viel deze voor in het eerste leerjaar. We zaten in dezelfde klas. Ik zat al vanaf de kleuterklas op die school, zij was er nieuw. Misschien had juf Nancy de eerste schooldag in het eerste leerjaar gezegd: ‘En dit is onze nieuwe leerling. Ze heet Carlotta. Wees allemaal lief voor haar. Help haar om haar weg in deze school te vinden.’ Maar dat weet ik dus niet meer. Misschien had ze zich aan me voorgesteld – dat is mogelijk, ze was immers erg joviaal. Maar dat weet ik dus niet meer. Wat ik wél zeker weet is dat ik me niet aan haar heb voorgesteld, dat deed ik nooit – ik was dan ook het tegenovergestelde van Carlotta: ik was enorm verlegen.             We werden meteen vriendinnen, hoe die eerste ontmoeting ook verliep. We waren tegenpolen en misschien daarom een perfecte combinatie. Wanneer ik moest spreken maar de angst me op de hielen zat, was zij mijn praatgrage mond. Wanneer zij impulsieve beslissingen dreigde te maken zoals ze er honderd op één dag maakte, was ik haar welberaden hoofd.                        We hadden toekomstplannen. We hadden een plan uitgetekend met twee huizen naast elkaar, waar we elk zouden wonen met ons gezin, en een ondergrondse tunnel van haar huis naar het mijne, waar we geheime afspraken zouden hebben wanneer we elkaar misten. Waarom die ontmoetingen in het geheim moesten gebeuren was geen discussiepunt, het was gewoon zo, omdat een ondergrondse tunnel ons fantastisch leek. We zouden elkaar nooit ofte nimmer uit het oog verliezen. We zouden tot de dood ons scheidde vriendinnen blijven. Carlotta maakte er zelfs een tekening van, ik heb hem nog steeds: twee doodsgraven met onze namen op, enkele bloemen die erbij gelegd zijn, en in de lucht geschreven: C + G voor eeuwig. We wisten toen nog niet dat er op de weg naar eeuwig veel kronkelpaden liggen. Het eerste kronkelpad dat ik beliep in mijn leven was het pad der stilte. Ik had het plekje erg jong ontdekt, vele jaren voor Carlotta zich in mijn leven introduceerde. Ik bleef er graag ronddolen en als ik in de verte de uitgang zag, dan maakte ik rechtsomkeer omdat ik er nog niet klaar voor was.                       Bij mijn geboorte slaakte ik één lange gil, verklaart mama altijd, en nadien zweeg ik alle talen. Ik was een vrolijk kind dat een hele dag met een glimlach op het gezicht rondliep maar geen haar op mijn hoofd dat er aan dacht om iets te zeggen.                          Waarom willen mensen zo graag dat je praat? Omdat ze denken dat jij je dan beter voelt? Of omdat ze zichzelf dan beter voelen?             De dokter zei: ‘Jij voelt te veel.’                     Mijn ouders keken dokter Vanvratem verbaasd aan.                     ‘Daarnaast scheelt er niets met Gloria,’ zei ze terwijl ze haar stethoscoop van haar nek hield en hem opborg in de grijze kast naast de onderzoekstafel. Dokter Vanvratem was al jaren onze dokter, ze kende het hele gezin. Ze wist dat mama vaak keelontstekingen kreeg, ze wist dat papa zowat elke winter een dipje had waarbij er nooit iets lichamelijks misliep maar hij toch niet in staat was te gaan werken, ze wist dat Gemma dikwijls verkouden was, ze wist dat Gabriël nooit ziek was maar wel op vierjarige leeftijd werd geopereerd omdat zijn appendix dreigde te barsten, en ze wist dat ik niet sprak.             Ik zat in mijn slip op de onderzoekstafel en probeerde niet te bewegen omdat het witte papier dat over de tafel lag dan begon te kreuken.             Dokter Vanvratem had naar mijn hart en mijn longen geluisterd die gewoon deden wat ze zouden moeten doen. Ze richtte zich weer tot mij. Haar felblauwe ogen priemden door de mijne heen. Ik wou wegkijken maar bedacht dat ze misschien mijn ogen onderzocht en dat ik niet wegkijken mocht.            'Hoe oud ben jij nu?’ vroeg ze uiteindelijk.                      ‘Vijf,’ zei ik. Ik had het zo stil gezegd dat ik vermoedde dat dokter Vanvratem me niet had verstaan maar ze knikte en lachte naar me.                     ‘Wat vind je leuk om te doen, Gloria?’ Haar ogen keken me nog steeds indringend aan en ik durfde nog steeds niet wegkijken.                      Dat vond ik een moeilijke vraag: er was zoveel dat ik graag deed. Moest ik één ding kiezen dat ik graag deed of moest ik alles opsommen? Hoelang moest mijn antwoord zijn? Wat verwachtte ze van me? Ik zweeg en keek eindelijk weg. Ik bestudeerde de vloertegels die klein en bruin en vies waren.                       ‘Tekenen?’ vroeg dokter Vanvratem.                     Ik schudde van neen. Tekenen vond ik tijdverlies.                      ‘Tikkertje spelen?’                      Ik schudde opnieuw van neen. Tikkertje spelen was vast en zeker tijdverlies.             'Ze schrijft,' zei papa uiteindelijk.                                                                              ‘Maar je bent nog maar vijf jaar! Kan jij al schrijven?’                      ‘Enkele woorden,’ zei papa, ‘en die schrijft ze opnieuw en opnieuw.’                       ‘Hm,’ deed dokter Vanvratem. Wat ze daarmee bedoelde wist ik niet maar het klonk alvast niet bijster positief. ‘Je mag je kleren weer aantrekken.’                       Mama gebaarde me dat ik naar haar toe moest komen en ze trok mijn kleren aan. Haar blik stond op bezorgdheid en schaamte waardoor ik de neiging had te beginnen huilen. Ik beet op mijn onderlip om mijn aandacht af te leiden van het vocht dat klaarzat in mijn traankanalen. En ik zag dat mama in haar donkere, bijna zwarte ogen ook last had van wateroverstromingen.                      ‘En dat huilen dan? Altijd maar zwijgen en altijd maar huilen, waarom doet een kind dat? We weten niet wat we met haar moeten,’ zuchtte papa.                       Dokter Vanvratem installeerde zich op de stoel achter haar bureau. ‘Zoals ik zei: ze voelt te veel. Gloria is erg gevoelig. Alle indrukken die ze overdag opdoet zijn haar te veel. Ze weet er geen blijf mee. Ze kan ze nog niet in woorden uitdrukken dus huilt ze. Dat is haar enige manier om haar gevoelens te filteren.’                       ‘Zal ze die gevoelens ooit op een andere manier kunnen uitdrukken?’ Zoals gewoonlijk was het papa die het woord voerde. Binnenshuis was mama diegene die sprak, buitenshuis was dat papa’s taak.                       ‘Natuurlijk. Naarmate ze ouder zal worden zal ze taal beter kunnen hanteren. Ze zal kunnen zeggen wat er op haar lever ligt. Ze is nog erg jong, geef haar wat tijd.’ Dokter Vanvratem schreef een groen briefje vol met onleesbare tekens. ‘En,’ voegde ze er aan toe, ‘dat schrijven is misschien zo slecht nog niet. Volgend jaar gaat ze naar het eerste leerjaar en zal ze meer woorden kunnen schrijven. Het kan haar helpen om al schrijvend te verwoorden wat er scheelt.’                       ‘Dus we moeten geduldig zijn.’                      ‘Inderdaad.'                     ‘Ze is zo anders dan de rest van het gezin. Gemma is het tegenovergestelde: zij stopt niet met praten. Gabriël kan zich ook goed uitdrukken.’                     ‘Iedereen is anders.’ Dokter Vanvratem kribbelde onderaan het briefje nog iets en legde het voor papa’s neus. ‘Drieëntwintig euro, alstublieft.’                        Toen ik in het eerste leerjaar meer woorden leerde schrijven had dat als gevolg dat ik meer schreef. Ik schreef verhalen over dinosaurussen die bij elkaar op de thee gingen en een clown die zo ongelukkig was dat hij een volledige dag huilde waardoor zijn make-up uitliep en zo zijn baan in het circus verloor omdat zijn baas hem niet meer herkende. Maar ik schreef nooit over wat ik voelde, tot grote ergernis van mijn ouders. Ook het spreken evolueerde niet. Ik antwoorde ‘ja’ en ‘neen’ bij vragen, ik zei ‘dank u’ wanneer dat gepast leek maar meer zei ik niet. Ik bewonderde mensen die wel spraken en wellicht was het daarom dat ik opkeek naar Carlotta. Zij was een spraakwaterval. Maar waarom zij graag bij mij was begreep ik niet. Ik kon niet vatten waarom iemand zoals zij graag vertoefde bij iemand die louter zweeg.                        Ik ben nu zeventwintig jaar en ik begrijp het nog steeds niet.

Linkervoet
0 0

Land (Dat Geen Land Mag Zijn)

1. Haat waait door de straten, Wordt gefluisterd tussen bomen, Doet de ronde tussen pot en pint, Klauwt wild naar wat onzichtbaar, Daar, achter de blanke muur, In de marge van ons zijn. Haat wanneer de zon opgaat, Haat bij het ontbijt, de lunch, Bij alles wat ons dierbaar, Want haat blijft overeind Als de muur hoog genoeg,  Als geen poort of bres of brug. Haat huist en haat ruist, Gaat, rent, vliegt en suist, Zit verscholen in ons dromen Van een leven onverstoord en Uitgeboord, maar leeg vanbinnen, Veilig, maar verschrompeld. Geen woorden voor de doden Nu de lijdensweg ten einde. Een thuiskomst zonder weerga Na een exodus in tranen. Ook thuis rust ons zwaard niet: Wij zijn baas in eigen land! Angst gecultiveerd, Haat die cumuleert: Hij die zonder zonden Legge de eerste steen. Wij willen veilig, Een grond die heilig, Laat ons een land, Een stad, een berg. Thuisgekomen, Huis genomen, Wedermoorden, Zoon verloren. Kerf een lijn in het rode zand: Hier en niet verder. Laat taal je ergste wapen zijn: Benevel met je woorden. Zet de wereld naar je hand, Goochel met opinies, Kneed ze in hun hoofden. Kruip in je vertrouwde pak, Het verleden is herbruikbaar. Laat een traan, laat de waan, Ontzeg twijfel het bestaan. Toon hen wat je wil, De wereld aan je voeten. Schop hen in de wonde Van de schuld die vergroeid Met hun inschattingsvermogen, Dat trauma dat verblindt, Dat verstart en dat verwringt. Vertrappel en verdelg, Maak er een schouwspel van En laat de reuzen kijken, Geboeid en onverschillig, Naar hoe je om je heen schopt In het kielzog van je pijn. En vergeet niet: Het slachtoffer,Dat ben JIJ. 2. Het strijdtoneel begraven Onder lagen van cynisme, Fatalisme, je m'en fous. Fragmenten van kinderen Her en der in het stof Van hun gulzige verleden, Tussen opgegraven wortels Van een aftandse tragedie Steeds heropgevoerd, hervat, Wegens succes verlengd. Maar jij kan je stoeltje Naar believen verlaten, Jij bent niet ingekapseld In dit eeuwenlange conflict, Een spiraal van boze schimmen In een land ver van je bed. Je vlucht naar het bordje EXIT, Een lichtbaken als een boei, En je rug keert naar de bühne, Die tot aan alle hemels brandt En het uitschreeuwt van ellende Met geen hoop op een uitgang.                                 Nee, zij niet. Zolang kaartjes vlot verkopen Blijft dit stuk van groot belang. 3. Land van pijn Land van verwarring Land absurd Land van vernarring Land van strijd Want land in ruzie Land van droom Land van illusie Land vol angsten Land van actie Land van woede En reactie Land in oorlog Land als slachtbank Land apartheid Want land mag dat Land zonder blikken Land zonder blozen Land dat aan flarden Land uitgekozen Land waar geen vat op Stijf van de zorgen Land van volharding Land zonder morgen 4. Bloed op de muur En bloed in het gras. Bloed in haar ogen, Bloed op haar jas. Bloed uit haar armen, Die geen armen meer zijn. Bloed kleurt ons bestaan, Bepaald door wat we zijn.

Gert Vanlerberghe
0 0

Vera en Maria

Haar vroegste herinnering speelt zich af in de derde kleuterklas, met in de hoofdrollen zijzelf en juffrouw Maria – jawel, genoemd naar, ook maagd maar gelukkig nooit geplaagd door onbevlekte ontvangenissen. Maria had op haar achttiende prompt beslist om kleuterjuf te worden, volgens de praatgrage dorpsbewoners omdat ze toen al had geweten dat een man en kinderen niet voor haar zouden zijn weggelegd. Smalend werd daar dan aan toegevoegd dat de elk jaar terugkerende kleutertjes van het Sint-Jozefscollege een soort troostprijs waren voor haar kinderloos bestaan. Maria noemde de kleuters dan ook steevast ‘mijn kindjes’. En zoals moeders hun kroost voor het slapengaan nog een verhaaltje voorlezen, zo startte elke schooldag in het klasje van juf Maria met een weesgegroetje. Uiteraard. “Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is… Veraatje, mondje toe tijdens het gebed!”“Oeps”, mompelde Vera en ze trok er een zo schuldbewust mogelijk gezicht bij.“Gezegd zijt gij boven alle vrouwen en gezegend… Godverdomme Vera!”, vloekte Maria nu ongeremd nog voor de vrucht van haar lichaam te sprake kwam. Met grote stappen liep ze naar de knutselkast, haalde er een dikke rol zwarte tape uit en sneed er een stuk van een centimeter of tien af. Vera zag wat haar juf van plan was en begon door de klas te rennen, achtervolgd door een uitzinnige Maria en aangemoedigd door enkele klasgenootjes. Uiteindelijk kreeg ze haar te pakken, duwde haar met veel kracht op een stoel en plakte in een vloeiende beweging het stuk tape over Vera’s kleine mond.“Wie niet horen wil, moet voelen!”Vele jaren later pas, toen Vera in het laatste jaar van de middelbare school zat, zag ze haar terug. Geen haar veranderd, zouden de mensen zeggen. In het geval van Maria waren het net enkel haar haren waar de tijd een lichtgrijze vat op had gekregen. Maria – ze wist niet goed of ze daar nu nog juf moest bijzeggen of niet - stond te wachten voor een rood licht. Vreemd, zo'n dorpsfiguur midden in een grootstad. Met één arm omklemde Maria de verkeerslichtpaal terwijl ze met haar vrije hand onophoudelijk op het knopje drukte. Verwonderlijk, zo vond Vera, hoe mensen werkelijk geloven dat het sneller groen wordt zolang je maar op die knop blijft drukken. Zelf had ze zich lang voorgesteld hoe ergens op een eenzaam bureautje een man zit die de duizenden wij-willen-groen-lichtoproepen ziet binnenkomen en alles maar moet zien te regelen. “Dag juffrouw Maria, kent ge mij nog?" Ze had dan toch juffrouw gezegd. Automatisch bijna, maar ook omdat Maria zich zo gemakkelijker zou herinneren dat de jonge vrouw die voor haar stond ooit bij haar in de klas had gezeten.Geen antwoord.“’t Is Vera. Van in de derde kleuterklas. Gij hebt mij indertijd bijna vermoord.” Een verdwaasde blik.Nu pas zag Vera Maria’s mond bewegen. Ze zweeg en hoorde hoe er een soort fluisterversie van een weesgegroetje uitkwam.“De Heer is met u, gezegend zijt gij boven alle vrouwen,…”Het is maar dat ze het gebed nog uit haar hoofd kende, anders had ze nooit een woord van Maria’s gemompel begrepen. “Met een stuk zwarte tape?", op vragende toon nu, in de hoop dat Maria haar gebed zou onderbreken om haar van een antwoord te dienen. Maar ze negeerde Vera en bad onverstoord verder.“En gezegend is de vrucht van uw lichaam Jezus,…” “Weet ge dat dat voorval mijn vroegste herinnering is?” Vera ging zich niet zomaar laten afschepen door Maria. Niet door zij die hier voor haar stond en niet door zij aan wie het gebed gericht is. Of zij die erin gegroet wordt. Wist zij veel. “’t Was in de derde kleuterklas. Ik had gewoon niet zoveel zin in bidden, omdat ik namelijk een kleuter was, en gij hebt mij letterlijk de mond gesnoerd. Met een stuk dikke zwarte plakband uit de knutselkast. En ge hebt mij daar verdomme een ganse voormiddag zo laten zitten!”Dat ze een moord zou begaan voor zo’n stuk tape, dat dacht Vera. En dat ze er vervolgens ook echt een moord mee zou plegen. Ze schrok bijna toen “nu en in het uur van onze dood” luider klonk, veel duidelijker ook dan de voorgaande verzen. Ze zag hoe Maria naar de overkant keek, naar het groene ventje dat daar verscheen. Zonder Vera ook maar één keer aan te kijken stak ze de straat over. De meneer in zijn eenzaam bureautje was aan Maria’s oproep aanbeland. Haar vroegste herinnering speelt zich af in de derde kleuterklas. Een moordpoging, met in de hoofdrollen zijzelf, een stuk plakband en de juf. Maria heette ze. Haar weesgegroetjes hielpen nooit.

joke
16 0

Wat moet gebeuren

Ze heeft altijd een afkeer gehad van kappersbezoeken. Het zijn niet alleen de vreemde vingers die haar masseren, aan haar haren trekken of haar hoofd naar beneden duwen. Ze vindt de aanrakingen niet aangenaam, maar ze heeft geleerd hen te verdragen zoals ze een klamme handdruk in ontvangst neemt en daarna ongemerkt haar hand afveegt aan de achterkant van haar trui. Wat zij vreselijk vindt zijn de gesprekken die haar kapster telkens probeert aan te knopen. Ze haat het wanneer vreemden haar vragen of ze nog plannen heeft, of ze een man en kinderen heeft, waar ze werkt. Ze haat het omdat ze het onbeleefde vragen vindt, die beter minder gesteld zouden worden. Nooit houdt de vragensteller rekening met mensen die er niet in slagen een nietszeggende antwoord te geven.   Als het enigszins mogelijk is, wacht ze zolang mogelijk om naar de kapper te gaan. Helaas is ze niet begunstigd met een wilde krullenbol, waarbij mensen het charmant vinden dat het alle kanten uitgroeit. Ze heeft dun steil haar, dat er enkel in slaagt recht naar beneden te groeien. Als haar kapsel korter geknipt wordt, verandert heel haar gezicht. Ze ziet er dan jong en hip uit en niet als zichzelf.   Wat ze overwogen heeft is een zwijgzame kapper te zoeken, maar dan botst ze op iets wat ze nog meer haat: ergens binnenstappen waar ze nog nooit geweest is. Ze beschouwt zichzelf niet als wereldvreemd of sociaal gestoord. Ze kan best haar plan trekken in de bakker waar ze al jaren komt of de apotheek over haar deur. Maar als ze ergens binnenkomt waar ze niet weet wat ze kan vragen en  waar ze de kassa of de uitgang kan vinden, breekt het zweet haar uit. Bovendien is het onmogelijk om op nieuwe plekken een patroon te vinden. Soms moet je een nummertje trekken, maar het is niet altijd duidelijk waar. Dan zie je alleen een scherm in een hoek en mensen die naar hun papiertje kijken. Ze heeft de moed niet om vragen te stellen waar blijkbaar iedereen het antwoord op weet. Er zijn zelfs plekken waar men geen kleingeld meer wilt aannemen, waar ze haar hand uitstak en als reactie een vriendelijk “in de gleuf” kreeg. Waar die gleuf was en wat de link met de centjes in haar handen was, daar had ze even tijd voor nodig. Gelukkig wees het vriendelijke meisje achter de toonbank haar erop dat het voor de hygiëne is. En zoals haar moeder vroeger altijd zei, je kan nooit hygiënisch genoeg zijn.   Haar moeder oefende vreemde plekken met haar. Tijdens de vakantie voor een eerste schooldag liepen ze altijd een keer hand in hand over de nieuwe speelplaats. Ze heeft zich soms afgevraagd hoe haar moeder er in slaagde om overal binnen te geraken, omdat ze zich geen inbraakpogingen kan herinneren. Samen met haar moeder geraakte ze over elke drempel. Ze startten met samen naar de slager te gaan, waarbij haar moeder na enkele pogingen in de deuropening bleef staan. Dan gaf ze haar dochter een zacht duwtje tegen haar schouder zodat ze niet anders kon dan enkele stappen vooruit te zetten. Soms was de kassa te ver weg en keerde ze terug, tegen de stroom van mensen in. Haar moeder was nooit boos als ze haar bestelling nog niet bij had. Ze gaf haar gewoon nog eens een duwtje en fluisterde zachtjes in haar oor: “wat moet gebeuren, moet gebeuren.” Dan probeerde ze nog een keer en keek ze verschillende keren om terwijl haar moeder haar geruststellend bleef toeknikken. Als het haar lukte om terug te keren met alle dingen op haar lijstje, schonk haar moeder haar een stralende glimlach en zei ze zachtjes: “Als de gewone dingen lukken, lukt de rest ook wel.”   Ze wenste vaak dat haar moeder er nu nog was en samen met haar alle buurtwinkels kon verkennen. Dat haar moeder erbij kon zijn als ze op een nieuw werk het onthaal zocht, of in een café waar ze nooit geweest was een vrije tafel zocht. Wanneer ze ergens binnen stapte, keek ze vaak achterom naar de lege deuropening.   Vandaag kent ze de plek waar ze binnen stapt. Ze weet dat de deur een beetje klemt en dat ze moet oppassen voor de hoge drempel. De kapstok staat in de linkerhoek van de zaak en ze wordt meteen aangesproken door haar kapster die telkens een ander kapsel heeft. Vandaag zijn haar haren rood gekleurd en opgestoken. Ze weet dat ze meteen in de stoel aan de wastafel moet gaan zitten en dat het meisje dat haar haren wast zwaar in haar oor hijgt. Ze weet dat ze iets te drinken krijgt aangeboden, wat ze telkens afslaat. Ze is hier niet voor haar plezier. Ze is hier vaak genoeg gekomen om te zeggen dat het hetzelfde mag zijn als anders.   “Ben je zeker?” vraagt haar kapster. Ze knikt. “Je hebt natuurlijk dunne en steile haren. Je kan er weinig mee doen als het lang is.” Ze knikt opnieuw. De kapster buigt zich naar de spiegel en lacht. “We gaan er weer volume in brengen. Volume.” Ze zegt het alsof het een magisch toverwoord is en kijkt verwachtingsvol naar haar klant. Ze weet dat de vragen zullen volgen. “Heb je nog plannen voor vandaag?” “Werk je nog op dezelfde plek?” “Heb je al iemand ontmoet?” De kapster lacht. “Jij verandert niet. Mensen die niet van kapsel veranderen zijn vaak ook geen avonturiers in het leven.” … “Niet dat daar iets mis mee is. Doe maar gewoon, zeg ik altijd.”   Ze keek naar de spiegel en ze beeldde zich in dat haar moeder achter haar stond en knipoogde. Haar moeder zou de dingen die ze deed nooit zomaar gewoon vinden. Ze zou het nooit gewoon vinden dat haar dochter deed wat ze elke dag deed, opstaan, gaan werken, naar de winkel gaan. De kapper binnenstappen. En als er eens iets niet lukte, dan zou haar moeder zachtjes over haar schouder strelen en haar toefluisteren “wat moet gebeuren, moet gebeuren.” Gelukkig hoefde ze niet vaak meer over nieuwe drempels.

Marie Jacobs
0 1