Lezen

Nachtblindheid

'Drie kaartjes had ik, voor een toneelstuk in Gent, maar geen goesting om te gaan. En toen ik mijn dochter vroeg om ze over te kopen, zei die dat ze ook niet kon gaan, omdat ze nachtblindheid heeft.  En daarmee kan ze niet in het donker rijden. Nachtblindheid begot. Geloof jij dat nu? Ik heb haar daar nooit iets over horen zeggen vroeger.' Aan het woord is een oude man, de setting het cafetaria van een tennisclub, en hij richt zijn lamento tot een andere oude man.  Statler en Waldorf, maar dan in het Antwerps en minder grappig.  In de loop van de jaren heb ik hun levens horen verschrompelen. Dat ging gepaard met een hoop trappisten, een falend vermogen om te biljarten en veel geklop op de amechtig wordende borstkas.  Aftakelend machismo is zo zielig. En  dat er tegen hen veel wordt verzwegen,  dat de werkelijkheid een tik krijgt wanneer ze wat vragen, en een flinke draai wanneer ze aandringen, dat weten ze wel.  Ze hebben het zelf ook hun hele leven gedaan, gekonkelfoesd en gefezeld in achterkamertjes, hun kinderen afgescheept met smoesjes, en katjes geknepen in het donker. Eerlijkheid, zo leert het leven op de tennisclub, is vastly overrated, en oude mannen kijken ernaar zoals naar hun eigen oneindigheid. Wat betekent, met berusting over de onmogelijkheid ervan. Oneindigheid is dat wat je niet ziet wanneer je 's nachts, lijdend aan nachtblindheid, over de E17 van Gent terug rijdt naar Antwerpen.  Het is altijd rechtdoor en een behoorlijk saaie rit, en de vraag naar wat dat nu precies is, eerlijkheid of oneindigheid, blinkt je uit de achterlichten van je voorganger tegemoet. Het is een plezierig stukje van de wiskunde, de oneindigheid.  Er zou, zo zou je denken, maar één oneindigheid mogen bestaan. Maar nee hoor, ook daar zijn er veel van - oneindig namelijk - net zoals dat het geldt voor de waarheid, wat dus eigenlijk waarheden zijn.  Neem nu de positieve getallen, daar zijn er heel veel van. Oneindig veel. En dan zijn er de negatieve getallen.  Weer van dat. Maar je kan ze wel samen voegen, die twee, en dan heb je er nog meer. Voilà. Toen Georg Cantor daarmee afkwam, stond de wiskundige wereld op zijn kop. Hij was niet goed wijs, ontkende het bestaan van God, en hielp in één keer de jeugd naar de verdoemenis.  Kan u zich nog voorstellen dat vandaag iemand wiskunde een bedreiging voor de jeugd noemt?  Wiskunde?  En de wiskundige in kwestie was dan ook nog een echte nerd, die zijn huwelijksreis spendeerde aan een wiskundig ping pong spel met een collega. Dat moest slecht aflopen.  Depressies, paranoia en waanzin waren zijn straf, en het apocalyptische jaar 1918, het laatste van zijn leven, bracht hij door in een gesticht. Verarmd, hongerig en knettergek. Het kon nochtans  ook anders.  Voor Kurt Gödel werd wiskunde alleen maar beter als het omringd was door drank, drugs en vrouwen. Dat hij een punt had, blijkt uit zijn bewijs dat er in elk systeem wel iets is dat niet te bewijzen is.  Zoals het antwoord op de vraag of nachtblindheid kan komen en gaan, en de E17 tot een aartsgevaarlijke plek maken. Gödel ging uiteindelijk, net als Cantor, ten onder aan te veel nadenken over wat er zich bevindt tussen de getallen nul en één.  Een oneindig aantal getallen, zo blijkt. Gödel heeft jarenlang elke dag hetzelfde gegeten - zo bang was hij was om vergiftigd te worden. Gevaarlijk spul, oneindigheid.  Net eerlijkheid.  Je weet dat het bestaat, daar reken je op, en je gebruikt het ook elke dag, zonder nadenken.  In winkels, op het werk, onder vrienden, in relaties, altijd en overal:  wie eerlijkheid zaait, zal vertrouwen oogsten. En wie niet eerlijk is, die is niet te vertrouwen. Maar  in het oneindige gat tussen nul en één bevindt zich de overspelwebsite van Victoria Milan, de nachtblindheid van je dochter, het grote Ebola plan van de Verenigde Naties, Marokko en de laatste blog van bijgekleurd.  Je kan er toch maar best niet teveel over nadenken, over eerlijkheid, anders mis je nog die bocht naar de Kennedytunnel. Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
33 0

S.N.O.B.O.

9.10 u. Nog drie minuten. Ik haalde het kaartje uit mijn zak. Voor de tweeëndertigste keer bekeek ik het adres, dat ik inmiddels uit mijn hoofd kende. De straat klopte, het nummer ook. Boven de deur hing in afgebladerde goudkleurige letters ‘S.N.O.B.O.’, een naam die overeen kwam met de naam op het kaartje dat ik nog steeds in mijn hand klemde. Ik ijsbeerde en probeerde mezelf te overtuigen dat ik hier goed aan deed. Wat had ik te verliezen? 9.11 u. Nog twee minuten. Een kleine week geleden reageerde ik op een advertentie in de streekkrant: “Ben jij ondernemend en dynamisch? Hou je van uitdagingen? Ben je flexibel en denk je ‘outside the box’? Dan ben jij de M/V/of-iets-anders die we zoeken! Stuur je kandidatuur vandaag nog op.” Hoewel de advertentie noch specifieke vereisten noch een duidelijke functieomschrijving vermeldde, waagde ik het erop. Het voorbije jaar had ik honderdentwaalf sollicitatiebrieven verstuurd, waarvan de helft nooit beantwoord werd. Van de andere helft kreeg ik een beleefde brief terug waarin stond dat ze op dit moment geen vacatures hadden, maar dat ze mij zouden contacteren indien een gepaste functie vrijkwam. Een afwijzing meer of minder maakte me dan ook niets meer uit. Enkele dagen later ontving ik al een antwoord. Toen ik de bruine enveloppe opende, was ik voorbereid op de standaard afwijzingsbrief die ik inmiddels woord voor woord kon citeren. Tot mijn verbazing werd ik uitgenodigd voor een gesprek. 9.12 u. Nog één minuut. Ik bekeek het gebouw waar ik voor stond. Het deed me denken aan het cafeetje waar mijn sollicitatiegesprek had plaatsgevonden. Het was een onopvallend, smal pand op de hoek van een ietwat groezelige steeg waar ik in normale omstandigheden geen aandacht aan zou besteden. Ergens in een hoekje van dat cafeetje zat ik met mevrouw Boons aan een petieterig, rond tafeltje. Ze was helemaal niet geïnteresseerd in mijn capaciteiten of vorige werkervaringen. Ze stelde vooral gerichte vragen in de trant van ‘Wat als er, tijdens de werkuren, twee kabouters je vragen mee te gaan op zoek naar het einde van de regenboog? Ga je mee of niet? En indien je meegaat, wat zou je doen met jouw deel van de goudstukken?’ Toen mevrouw Boons uitgevraagd was, stak ze haar hand naar me uit. “Proficiat,” zei ze, “je hebt de job.” Verbaasd schudde ik haar hand. Ze stond recht, gaf me haar kaartje en zei: “Ik verwacht je maandag stipt om 9.13 u.” Nog voor ik iets kon zeggen, had ze zich omgedraaid en hinkelde ze het café uit.  9.13 u. Het was tijd. Ik opende de deur. Klingelingeling. “Mooi op tijd,” klonk het toen de deur achter me in het slot viel, “daar hou ik van, euh, wat was de naam ook weer?” “Billie,” zei ik. “Wel, Billie, welkom in S.N.O.B.O.” De winkel was vanbinnen groter dan je zou verwachten als je het langs de buitenkant zag. Deze stond vol met hoge rekken en kleine tafeltjes in alle mogelijke formaten en kleuren. “Vanaf vandaag wordt dit jouw territorium”, zei mevrouw Boons en wees rondom zich. “Zoals je ziet, verkopen we hier allerhande curiositeiten, van zeldzame boekexemplaren tot ongewone snoepjes tot eeuwenoude juwelen tot exotische kruidenextracten. Alles is alfabetisch gerangschikt. Hou het zo, dan vind je alles altijd gemakkelijk terug. Jouw taak simpel: je verkoopt alles wat je hier ziet en je vult de stock aan. Het maakt niet uit met wat, zolang het maar interessant is. Ik kom af en toe langs om alles eens na te kijken. Hierin,” ze duwde een dikke map in mijn handen, “zit alles wat je moet weten in verband met de openingsuren, contacten, budgetten, … Kortom, als je iets moet weten, vind je het daar wel in. Nog vragen?” Voor ik ook effectief iets kon vragen, sprak ze zelf opnieuw. “Goed zo. Alles wijst zichzelf uiteindelijk wel uit. Dit is je contract,” ze gooide een bundeltje papieren in mijn richting, “teken het en zend het op. Het adres staat op deze enveloppe.” Ze gaf me de enveloppe, het adres was er netjes opgeschreven en in de rechterbovenhoek hing al een postzegel. “De winkel opent over zeven en een halve minuut. Veel succes”, zei ze nog. Ze draaide zich om en hink-stap-sprong de winkel uit. 9. 28 u. Tijd om open te doen. Ik draaide het bordje aan de deur om zodat er nu ‘open’ stond in plaats van ‘gesloten’. Onmiddellijk, alsof er iemand op de wacht had gestaan, klonk de bel. Een man met een lange regenjas, bijpassende hoed en zwarte zonnebril strompelde binnen. Hij vroeg honderdentwee gram gedroogde zeepeperalgen. Mijn eerste klant. Ik was tegelijkertijd enthousiast, zenuwachtig en lichtjes in paniek. Zeepeperalgen, zeepeperalgen, waar zou ik die vinden? Bij de ‘Z’ waarschijnlijk. Ik liep de hele winkel door tot aan de ‘Z’. Zandsteenkoekjes, zatte goudvissen, zebrastrepen, aha hier, gevonden, tussen het zeekaravaan en de zinkmolentjes. Ik nam de grote glazen pot van het rek, hij woog zwaarder dan ik verwachtte, en hinkte ermee terug naar de toonbank. Ik zocht een plastic zakje. Ik trok de lades één voor één open, het leek alsof de toonbank alleen maar uit lades bestond. Eindelijk trok ik er één open waar er in zat wat ik zocht. “Honderdentwee gram was het, hé, meneer?” vroeg ik. De man knikte. "Mag het ietsje minder zijn?" De man knikte. “Ik heb jou hier nog nooit gezien”, zei hij. “Dit is mijn eerste werkdag. En eigenlijk ben jij mijn eerste klant.” De man reageerde nauwelijks.  “Dat is dan één zilveren zeepje en drie bronzen bijltjes, alsjeblief”, zei ik. Hij betaalde en toen hij weg was, zag ik dat zijn enorme, dikke, glibberige staart een slijmspoor had nagelaten. Ik zuchtte. Nog maar één klant gehad en ik kon al beginnen dweilen. 11.08 u. Klingelingeling. Ik zigzagde van tussen de rekken – die ik in de tussentijd aan het verkennen was – naar de toonbank. “Wat doe jij hier?” vroeg ik verbaasd toen ik de ‘nieuwe klant’ herkende. “Wat een vriendelijk ontvangst, zeg”, zei Triverius. “Ontvang jij iedereen zo? Of enkel je vrienden?” Triverius is één van mijn huisgenoten. Van nature was ze een panda, maar zij vond dat diezelfde natuur een grote fout had gemaakt. Ze zag er langs de buitenkant niet uit hoe ze zich vanbinnen voelde, als een zebra. Daarom beschilderde ze haar vacht met zwart-witte strepen. “Nee, natuurlijk niet”, zei ik. “Wat vind je ervan?" "Ziet er tof uit", zei ze terwijl ze rondkeek. "Wat kom je eigenlijk doen?" vroeg ik. "Je steunen op je eerste werkdag", zei Triverius. "Echt?" vroeg ik sceptisch. "Natuurlijk", zei ze met gespeelde verontwaardiging. "En Faro? Slaapt die nog?" vroeg ik. Triverius knikte. Faro is een andere huisgenoot en tevens mijn beste vriend sinds, sinds altijd eigenlijk al. Hij werkte op dat moment als nachtwaker in een ijssalon. Hoelang dat nog zou duren, wisten we toen nog niet. Zijn vorige job als snoepverkoper was hij al na anderhalve dag kwijtgespeeld. In plaats van de snoep te verkopen, bouwde hij er kastelen, ridders en snoepspuwende draken mee die niemand dan mocht aanraken. "En Carioca?" vroeg ik. "Die zit op het dak te mediteren. Hij wil niet gestoord worden." Carioca was mijn derde huisgenoot. Hij was sjamaan van opleiding, maar zat nu in een periode dat hij niet goed wist wat hij wou doen. Daarom hield hij zich de laatste tijd vaak bezig met mediteren, dan kon hij beter nadenken. "Dus eigenlijk kom je langs omdat je je thuis verveelt?" "Zo kun je het ook stellen, ja." "Dan heb je geluk. Ik ben daarjuist iets tegengekomen dat perfect zou zijn voor jou.” Ik kronkelde terug naar de ‘Z’ en zocht de rol met ‘zebrastrepen’. “Wat denk je hiervan?” vroeg ik. “Dat zou echt goed van pas komen”, reageerde ze enthousiast. “Hoeveel denk je nodig te hebben?” “Zo’n twintig vierkante meter zal wel voldoende zijn.” “Dat is dan vijf zilveren zeepjes en twee bronzen bijltjes.” “Amai, dat is ook niet goedkoop. Kan je er geen vriendenprijsje van maken?” “Dat kan ik echt niet maken, het is mijn eerste werkdag. En daarbij, denk aan al de verf die je nu gaat uitsparen.” Klingelingeling. Een nieuwe klant sprong naar de toonbank. Ondanks zijn zwanennek torende hij er nauwelijks boven uit. Dat had veel te maken met het feit dat die nek balanceerde op een geel-bruin gestreept kattenlijfje waar twee kikkerbilletjes onder uit piepten. “Je bestelling ligt klaar”, zei hij met een verbazend diepe, hese stem. “Welke bestelling?” vroeg ik. Hij negeerde mijn vraag compleet. “Je kan ze op dit adres komen halen.” Hij gaf me een dubbelgevouwen A8’tje. Ik leunde naar voren om het aan te nemen. “Ik zal het straks, tijdens de middag komen ophalen. Dan is de winkel toch gesloten.” “Ik zal het doorgeven”, zei de koerier en hopte terug naar buiten. 11.59 u. Ik draaide het bordje ‘open’ terug om naar 'gesloten'. Mijn eerste halve werkdag zat er al op. Al bij al was alles goed meegevallen. “Moet je echt nu gaan?” vroeg Triverius. “Ik had gehoopt dat we samen iets konden gaan eten over.” “Ik moet wel. Het is een bestelling voor de winkel”, zei ik. “En daarbij, het is niet ver. Volgens dat briefje is het in deze straat. Het zal wel niet zo lang duren.” “Ik ga mee”, zei Triverius. “Ik kan je helpen dragen.” “Klinkt goed”, zei ik. Ik had helemaal geen idee hoe groot of hoe zwaar die bestelling zou zijn. "En dan gaan we erna snel iets gaan eten." 12.07 u. We stonden voor de deur. Er hing een briefje op: Gelieve bestellingen achteraan af te halen. We gingen langs achteren en kwamen terecht in een enorm magazijn. Een kangoeroe met een oranje, papieren hoed en paarse strik huppelde ons tegemoet. “Euh,” begon ik aarzelend, “ik kom een bestelling ophalen.” “Naam?” vroeg de kangoeroe. “Billie”, zei ik. Ze nam een klembord uit haar buidel en overliep een lijst. “Die bestelling staat wel niet op mijn naam”, zei ik. De kangoeroe zuchtte. “Op wiens naam dan wel?” vroeg ze. “S.N.O.B.O. Of misschien Boons”, zei ik. “Mevrouw Boons?” vroeg de kangoeroe. Ik knikte. “Ah, ben jij de nieuwe?” Ik knikte opnieuw. “Aangenaam, ik ben Akila.” Ze stak haar poot uit. “Adriaen!” brulde ze. Een oudere man met felgekleurde hanenkam kwam aansloffen op schoenen die minstens maat 48,7 moesten zijn. “De bestelling voor mevrouw Boons”, zei Akila. De oudere man schuifelde weer weg. “Hoelang werk je er al?” vroeg ze toen Adriaen uit het zicht verdwenen was. “Vandaag is mijn eerste dag”, zei ik. Ze bekeek me van top tot teen. “Succes”, zei ze. “Dank je”, zei ik. “Tot nu toe is alles vlot verlopen. De rest zal ook wel meevallen.” “Misschien. Ik hoop dat je het langer volhoudt dan de anderen.” “Hoezo?” vroeg Triverius. “Wel,” zei Akila en ze dacht eventjes na, “eentje is het na een uur afgestapt omdat hij bijna werd opgegeten door een verzameling kikvorsschorpioenen. Een ander had een gaslek veroorzaakt en heeft het niet overleefd. En je directe voorganger is verloren gelopen in het doolhof dat achter de winkel ligt. Allez, dat denken we toch. We hebben hem nooit meer teruggezien.” Ondertussen kwam Adriaen terug met drie kartonnen dozen “Hoeveel weegt het?” vroeg Akila aan Adriaen. “Drie kilo tweehonderdzevenenvijftig en een half.” “Dat zijn dan drie opdrachten”, zei Akila tegen me. “Hoe bedoel je?” vroeg ik niet-begrijpend. “Zoals ik het zeg. Je bestelling kost drie opdrachten. Jij voert die uit en dan kan je je dozen meenemen.” “Dat gaat toch niet te lang duren?” “Wees gerust. Het zijn drie kortjes. Klaar voor opdracht één?” Ik knikte. Akila gaf me een groot blad groen papier. “Hier”, zei ze. “Maak er een mooie hoed van.” Dat was niet zo moeilijk. In één, twee, drie had ik dat blad papier omgevormd tot een prachtig hoofddeksel. Akila nam het aan, keurde het grondig, gooide haar oranje hoed weg en zette de nieuwe op haar hoofd. “Opdracht één heb je volbracht”, zei Akila. De tweede opdracht luidde als volgt: ‘Zing van achter naar voren Altijd is Kortjakje ziek terwijl je op en neer springt op één been en je armen in de lucht houdt.' Dat klonk gemakkelijker dan het was. Ik ben drie keer opnieuw moeten beginnen. "De derde en laatste opdracht is," zei Akila, "sta langer stil dan die lantaarnpaal." “Welke lantaarnpaal?” vroeg ik. “Die daar.” Akila wees naar een paal die enkele meters verder in een hoek stond. “Dat meen je niet? Dat duurt eeuwen.” “Je kan de bestelling ook hier laten.” “Nee nee, ’t is al goed.” Ik positioneerde me zo comfortabel mogelijk en bleef stil staan. Ik bleef staan en bleef staan om daarna nog wat langer onbeweeglijk stil te staan. Ik begon kramp te krijgen in mijn rechterkuit en mijn neus begon te kriebelen. Na wat wel een eeuwigheid leek, moest de lantaarnpaal niezen. Wat een geluk voor mij. “Voilà, de betaling is in orde”, zei Akila. “Tot de volgende keer.” 18.13 u. Ik kwam thuis en een geweldige geur drong mijn neusgaten binnen. "Het ruikt heerlijk", zei ik. “Het is je lievelings,” zei Faro, “gebakken spruitvogelfilet.” “Mmm”, likkebaarde ik. “Het is bijna klaar”, zei hij. “Triverius,” riep hij, “dek jij eens de tafel.” “Wat denk je ervan?” vroeg Triverius toen ze de keuken binnenparadeerde. “Het staat je prachtig”, zei ik. Ze had de lap zebrastrepen die ik haar had verkocht, omgetoverd tot een prachtig pak. “Hoe was je eerste werkdag eigenlijk?” vroeg Faro. “Nog bestellingen moeten afhalen?” “Nee, gelukkig niet”, zei ik. “Nog veel verkocht deze namiddag?” vroeg Triverius. “Dat viel mee. Enkele giftige reuzenpaddenstoelen, een paar doorgespoelde goudvissen en wat zure zoethoutstokjes”, zei ik. “Zit Carioca nog altijd op het dak?” Triverius schudde haar hoofd. “Hij zit nu in de kastanjeboom.” “Moeten we hem niet gaan zeggen dat het eten klaar is?” vroeg ik. “Hij wou absoluut niet gestoord worden”, zei Triverius. “En daarbij, als hij honger krijgt, zal hij wel naar beneden komen.” “We kunnen aan tafel”, zei Faro. Eindelijk. Ik scheurde van de honger.

Jenna
0 0

Waarom zo passief en conform?

- Vijftig tinten goed en kwaad Als kind kon ik mooi de wereld indelen tussen goed en kwaad. Dat had men me duidelijk verteld. ‘Goed’ betekende eerlijk, trouw, lief, gul, vreedzaam en -hoewel ik het woord niet kende- empatisch. Je was goed als je niet deed aan wraak, geweld, afgunst, egoïsme en criminaliteit. ‘Kwaad’ was simpelweg het tegengestelde. Ik beschouwde mezelf als goed, want ik zondigde immers niet radicaal tegen deze waarden. Deze benadering van goed en slecht zat natuurlijk onder de invloedssfeer van de Bijbel -speelt geen rol of je nu al of niet Christelijk bent opgevoed. De kerktoren wierp een schaduw die het hele dorp bedekte, zelfs een eeuw nadat Nietzsche -met indirecte steun van Marx, Darwin en Freud- God had doodverklaard. Dertig jaar later voel ik aan alles dat goed en kwaad geen puzzel meer is van twee contrasterende stukken maar een wirwar van duizenden aspecten, nuances en schakeringen. Ons concept van goed en kwaad loopt hopeloos achterop. De wereld van ethiek en moraal is door de vloedgolf van globalisering volkomen versplinterd. Die globalisering is meer dan wereldwijd(e) toerisme, migratie, informatie, handel, internet. Het is een chaotisch, veranderlijk patroon van elkaar beïnvloedende mensen, netwerken, handelingen, contacten, goederen en ideeën die direct of indirect effect hebben op elk levend individu: van de baas van McDonalds tot de bedreigde indiaan in het Amazonewoud; van de Afrikaanse vluchteling aan de poorten van Europa tot de ziekrijke golfers die hun ogen hiervan afwenden. Wereldbeeld, mensbeeld, ethiek en eenvoud worden door mekaar geschud en dagelijks bestookt door nieuwe prikkels, feiten en interpretaties die we met onze geest en vingers na een korte blik doorscrollen op weg naar andere prikkels. Wat overblijft is de mens als wandelend anachronisme: de tijd achterna hollend en tegelijk denkend dat we ‘mee’ zijn in een wereld waarin we niet meer opkijken van 4D-printers, Google-glasses, Mars-expedities, Tinder en Drones. Alsof we hiermee geboren waren! Eigenlijk is de kwaal niet moeilijk te diagnosticeren: in het uitdijende Westen kan quasi niemand meer volgen. We lopen als een kind van een heuvel zo snel en in te grote passen, met een te grote kans op vallen. Zo kunnen vele Vlamingen blijkbaar de transitie naar multiculturaliteit en zelfs multi-etniciteit niet volgen en reageren reactionair. Het feit dat sommigen aan hun taxidienst vragen om zeker geen gekleurde chauffeur te sturen, is symptomatisch voor de mentaliteit van een deel van onze bevolking. (Oh, dit maakt de uitspraak ‘racisme is relatief’ zo relatief.) Maar is deze mentaliteit werkelijk achterlijk of vooral ‘achterop’? Zelfde logica ander land: een deel van onze Noorderburen kan maar niet verwerken dat de folklore van zwarte piet wel degelijk racistisch en kwetsend is. “We mogen toch nog een beetje van onze traditie behouden zeker!” Ook hier beseffen mensen dat alles te snel gaat en is men jammer genoeg behoudgezind rond de verkeerde thema’s. Pas dit toe op de straten van de Franse steden waar men massaal tegen het homohuwelijk in opstand kwam, omdat het goede, oude gezin hiermee zijn waarde als hoeksteen van de samenleving zou verliezen. Het gaat te snel voor velen en ze richten hun pijlen dan maar op de verkeerde doelen. Wat buiten schot blijft is de terreur van de banken (waartegen men na een massale belastingsbijdrage der burgers blijkbaar minder snel voor op straat komt) en de dictatuur van een nieuwe soort heersers die onaantastbaar het tempo van de wereld bepaalt. Intussen kweken we in dit digitaal, consumptief tijdperk dag na dag afhankelijkheden en verslavingen als volwassen speelgoed en staan we al lang niet meer stil bij wat dit met onze geest en ziel doet. Zo zijn we gedoemd om voortdurend achter na te hollen, steeds te laat te komen en onderweg onze bestemming te vergeten. Doet me een beetje denken aan die tekst van Pink Floyd uit het hemelse Time: So you run and you run to catch up with the sun but it's sinking Racing around to come up behind you again. The sun is the same in a relative way but you're older, Shorter of breath and one day closer to death. ‘De zon’ is binnen de context van dit betoog Google, Apple, Facebook, de marktfundamentalisten van Wall Street, het Witte Huis, multinationals, lobbyisten, en alle anderen die innovatie louter aan winstbejag koppelen. Zo kom ik uit bij … - Goed en goederen Ben ik een goed persoon? Deze vraag kwam in me op toen ik een artikel las over de 100.000 (vooral) Filippijnse werknemers van Facebook en Youtube die dag in dag uit filmpjes moeten filteren zodat wij die niet te zien krijgen en ons scherm ‘proper’ blijft. Urenlang kinderporno, onthoofdingen en andere gestoorde beelden bekijken, selecteren, en de prullenmand in. Ben ik nog steeds een goed persoon als ik deze informatie heb en mijn Fb-account toch behoud? Wat met onverschilligheid en passiviteit? Ben je schuldig aan een foute wereld als je je non-conformisme, protest en manifestatie vervangt door het brave liken van een fb-update, het tekenen van een online-petitie of het bolletje aanduiden achter het verkiezingsgordijn?Ken je het begrip ecologische voetafdruk? Die berekent hoeveel hectare van de planeet een mens aan grondstoffen verbruikt en de natuur vervuilt. Laten we hier iets extra aan koppelen: de ethische voetafdruk. Wat je consumeert in de supermarkt, klerenwinkel en online wordt uitgedrukt in ‘hoeveelheid mensenleed’ je hiermee veroorzaakt. Want wat is medeplichtigheid dezer dagen? Consumptie is immers kleur bekennen.: eieren uit legbatterijen, benzine uit landen met foute heersers, transport (denk maar aan vliegreizen), kleren uit Bangladesh,… Het houdt ons zoet en gedwee en we zijn zo verwend dat we redeneren hier verdomme recht op te hebben! Ken je het Engelse woord voor fopspeen? Pacifier. We houden er kinderen letterlijk vredig mee. Wel, wij volwassenen, wereldburgers, consumenten lopen allen rond met een tutje dat we niet meer willen afgeven, hoe slecht en giftig én onethisch het ook wel blijkt. We worden gefopt én we foppen onszelf. We lopen rond als kleine meisjes in mama’s hoge hakken. De mensheid is eigenlijk een bende losers met een winnend brein. Of beter gezegd: ons IQ is te hoog voor ons EQ, voor onze empathie, voor ons ethisch besef… - Eerst de nuance, dan de actie Wat is dan goed en kwaad in deze mierennest? Sinds IS hebben mensen weer een duidelijk beeld van het kwaad. Maar ook dit is geen verhaal van alles of niets. Goed en kwaad is meestal een spel van oorzaak en gevolg. Zelfs wie zegt dat IS-strijders 100% slecht zijn, mag de impact van economische frustratie, bevolkingsexplosie, kansarmoede, westerse geopolitieke hypocrisie, Guantanamo en het Palestijnse schandaal niet negeren. Hierbij keur ik geen onthoofdingen goed, maar wijs ik met mijn vinger naar wijzende vingers die ook hier vergeten te nuanceren. En niet alleen aangaande IS. Bij veel van de huidige problemen qua politiek, geopolitiek, ecopolitiek, econopolitiek en alles ertussen is het alsof de 20ste eeuw wraak neemt op de 21ste. Je zou uit dit alles kunnen opmaken dat ik een cultuurpessimist ben, maar ook dat is niet zonder nuance. Vandaag las ik bijvoorbeeld nog dat de medische wetenschap een significante stap dichter bij genezing van (hersen)kanker staat en ik zit dit nu te typen op mijn vernuftige laptop met op de achtergrond muziek van vroeger en nu uit alle windstreken die bijna miraculeus mijn woonkamer binnenkomt. Leidt dergelijke non-stop nuancering tot passiviteit en conformisme? Zelfs in een beperkte kring van bijvoorbeeld links, progressieve, groene, open mensen zitten er onderling zoveel contrasten en verschillende meningen dat ook binnen een dergelijke niche moeilijk tot actie wordt overgegaan. Eerst alle neuzen in dezelfde richting, weet je wel. Ik ben de eerste die pleit voor nuance, maar het is primordiaal dat deze niet tot passiviteit leidt. Laten we dus starten met door de bomen het bos terug te vinden. Informeer je. Bekijk alle perspectieven. Check de geschiedenis. Lees. Overweeg. Choose your battle. En strijd dan met volle kracht voor je overtuiging. En als je vindt dat het moet, kom op straat. Luister niet naar moraalridders als mezelf, maar wees je eigen moraalridder. Ik laat jullie achter met het samenvattend beeld dat we mensen zijn die met een buitensporig IQ van een heuvel hollen, met hoge hakken aan die tien maten te groot zijn en een tutje in onze mond.

Joachim Stoop
0 0

Moeders en dochters!

  Het laatste gesprek tussen moeder en dochter had Maria diep gekwetst. Toen ik haar daarnet ontmoette, liep haar gemoed vol. -”Voor die dochter van ons hebben wij alles gedaan”, was haar stelling. “We hebben haar al drie keer terug op haar poten gezet plus tot driemaal toe een nieuw huis voor haar gebouwd!” Conny bleek een eigenwijs meidje geweest te zijn: haar studies had ze afgebroken op achttienjarige leeftijd. Een jaar later kwam ze thuis zeggen dat ze ging trouwen. Geen enkel argument: te jong, geen job, geen inkomen, kon haar van idee doen veranderen. “Ze trouwde met grote sier, we schonken haar een perceel bouwgrond naast ons huis, bouwden daarop een bungalow. Vooraleer deze echter voltooid raakte, liep het huwelijk al op de klippen”, ging Maria verder. “Wat we niet wisten was, dat ze die bouwgrond in de huwelijksgemeenschap had ingebracht. Dus werd de ruwbouw verkocht en wij waren onze grond kwijt. Conny kwam terug bij ons inwonen. Gelukkig had ze inmiddels vast werk gevonden…” Maria’s stem stokte, want ook met haar jobs had Conny gejongleerd. “Ik kan niet meer tellen hoe dikwijls die al van werk veranderd is”, snikte Maria. “Dat heeft ze toch niet bij ons gezien: Mon heeft heel zijn leven op dezelfde fabriek gewerkt en ik heb twintig jaar gediend bij dezelfde dokter.” De tranen rolden over haar wagen en deze anders zo sterke en robuuste vrouw zien wenen, beroerde ook mij. Ik bood haar een zakdoek aan. - “Ze heeft zich toch blijkbaar steeds verbeterd, Maria”, trachtte ik te troosten. “Conny werkt nu toch als PR-dame voor een groot bedrijf, verdient blijkbaar goed en ziet er steeds schitterend uit.” - “Ja, maar kan zij nu eens niet tevreden zijn met wat ze heeft: moet dat steeds wat anders zijn? Ze blijft maar op zoek naar een betere job, naar een betere partij. Wat de job betreft, daar kan ik mij niet over uitspreken”, zei Maria. “Ik ken die hele PR-wereld niet maar wat de mannen betreft … Na haar huwelijk ging ze vrij vlug samenwonen met Bob en geraakte ze zwanger. Ze kochten samen een grond in een nieuwbouwwijk en weerom hielpen we haar met de bouw van dat huis, zowel daadwerkelijk als financieel. Joerie was nog geen drie, toen ze Bob verliet. Ze waren uit elkaar gegroeid, was de uitleg. Natuurlijk, Bob bleef gewoon de werkman, die hij altijd geweest was maar onze Conny vertoefde inmiddels in VIP-tenten, bij VIP-mensen en Bob was niet goed genoeg meer! Bob kocht het huis in en Conny bouwde een derde nieuwbouw en weerom was het papa, die vloerde en voegde, waren het papa en mama, die schilderden en boenden. Het kind was blijkbaar een struikelblok om vlug terug een relatie te beginnen, zeker met een of andere VIP-man. Ze kwam af met een ingenieur, een zakenman, een piloot maar de enige die bleef was die magazijnier met zijn drie kinderen!” - “Je klinkt verbitterd, Maria”, merkte ik op. Mon, haar man, was er komen bijstaan en had het laatste van het gesprek gehoord. Hij schudde zuchtend zijn hoofd. - “Ze geraakt er niet over!” zei hij. -“Jij dan wel?” snauwde Maria hem toe. “Vind jij het dan niet erg, na al wat we voor haar gedaan hebben, dat ze ons buitensmijt, het slot verandert en dat we ook nog eens onze kleinzoon kwijt zijn.” - “Vooral dat laatste vind ik inderdaad erg”, zei Mon. “De rest zal mettertijd wel goed komen.” - “Ja, als het weer eens afgeraakt met Stef, dan zullen we weer de goeden zijn, dan mogen we weer opvangen, troosten en bijschieten.” - “Jij wilt je dochter niet delen!” riep Mon kwaad en hij stapte op zijn auto af. Maria liep rood aan. Het was duidelijk dat ze kwaad was, maar misschien zat er wel waarheid in wat Mon zei, misschien was dat wel moeilijk voor elke ouder. - “Ik had er best vrede kunnen mee nemen als onze Conny op een normale leeftijd was getrouwd met een normale man en een normaal huisgezin had gesticht …”, begon Maria, maar ik onderbrak haar. - “Wat is normaal, Maria? Wij dachten dat loyaal zijn aan onze baas een meerwaarde was. De jeugd zegt nu dat we kansen hebben gemist. Wij dachten dat de ideale toekomst: huisje, tuintje, kindje was maar onze jeugd wil haar talenten benutten, wil carrière maken, wil een eigen leven. Wij trouwden voor het leven maar jonge mensen willen niet berusten in een situatie, die hun geen voldoening meer schenkt. Wij vinden dat de jeugd van tegenwoordig het allemaal zo anders doet, maar zouden onze ouders dat ook niet van ons gedacht hebben?”     - “Mijn ouders hadden negen kinderen en alleen vader bracht geld in het laatje. Wij hadden zoveel kansen niet en wij moesten zeker niet op geldelijke steun van onze ouders rekenen, nadat we het huis uit waren. Van je veertien jaar gaan werken, je loon afgeven tot je trouwde en nadien je plan trekken: zo ging dat bij ons vroeger.”       - “Vroeger is voorbij, Maria, tijden veranderen”, zei ik.                 Ze zuchtte, snoot haar neus en ging naar haar man toe, die daar al een tijdje teken stond te doen dat hij ging vertrekken. En ik … ik kon niets anders doen dan hen het beste wensen.

Hope
0 0

Rups

Krekel kroop uit zijn bed, strekte zijn pootjes en geeuwde luid zuchtend. Iets verderop zag hij Rups door het raam naarstig aan zijn cocon klussen. Zoals altijd vroeg in de weer. Binnenkort zou hij een grote gedaanteverwisseling ondergaan. Rups ging volwassen worden. Hij kruipt dan in zijn zelf op maat gemaakte cocon. Waarin hij nog langer zal slapen dan Luiaard. Om dan naar buiten te komen als Vlinder. We waren allemaal opgewonden over deze heuglijke gebeurtenis. We hadden een groot feest gepland op de dag dat Rups zou ontwaken. Het zou het feest van het jaar zijn. Maar zo blij als iedereen was, was Rups zo somber. Hij vertelde geen dagelijkse ochtendmopje meer. Hij kluste aan zijn cocon, at zich te pletter en vermeed iedereen de rest van de dag. Kraai, die al vliegend meer wist dan al zittend, had de situatie overzien. Rups was zwaarmoedig gestemd. Kraai vond dat er iemand eens goed met hem moest praten. Eens horen wat er gaande was. Krekel zei dat Olifant dit best kon doen. Hij is de dikke vriend van Rups. En zo ging Olifant naar Rups. “Hey daar Rups, hoe gaat ie?” “Bwah”, zei Rups. “Wat is er aan de hand?”, zei Olifant. “Je staat voor de mooiste tijd van je leven en je oogt somber. En waarom horen we geen mopjes meer? We missen toffe Rups!” “Weet je”, zei Rups. “Ik heb geen zin om te veranderen. Ik ben tevreden zoals het nu is. En vooral, zal ik nog dezelfde zijn wanneer ik uiteindelijk ontwaak als Vlinder? Nu ben ik toffe Rups. Maar wat na de gedaantewisseling? Ik kan dan toffe Vlinder zijn. Dat is mogelijk. Maar de kans bestaat ook dat ik saaie Vlinder of irritante Vlinder word. Waarom kan niet alles bij het oude blijven?” “Je bent toch wie je bent”, zei Olifant. “Je lichaam zal veranderen, maar wat er in je hoofd steekt zal niet veranderen. En trouwens, iedereen zal jaloers zijn op je schitterende kleuren.” “Dat vind ik niet belangrijk. En jij hebt makkelijk praten. Jij zal altijd dikke vriend Olifant blijven.” “Ja, dat is waar. Maar je omvorming zal geen invloed op ons hebben. We kennen je allemaal zoals je bent, dat zal niet veranderen!” sprak Olifant met nadruk. “Mooi gezegd, maar ik moet het toch maar doormaken.” zei Rups vreugdeloos. Uil streek neer vanuit de lucht. “Hey Rups en Olifant. Ik hoorde jullie praten.” Waarop hij zeer plechtig sprak. “Het beste met je verandering Rups. Je moet erdoor. Dat is nu eenmaal volwassen worden. Vleugels krijg je sowieso, maar de kleuren ervan bepaal jezelf.” “Maak je vooral niet druk”, knorde Hangbuikzwijn, die erbij was komen liggen. “Uiteindelijk komt alles wel goed.” “Goed gezegd”, tjilpte Krekel. “Ik ben ervan overtuigd dat je de ster van het feest zult zijn. Want toffe Rups wordt supertoffe Vlinder.” “Ja-ah”, beaamden ze allen in koor. Rups glimlachte. Zijn vrienden hadden gelijk. De natuur kan je niet tegenhouden. Het was aan hem om er iets van te maken. En hij kon van de wereld iets mooi maken. “Wat denk je?” zei Rups hierop. “Iedereen een stukje taart voor ik ga slapen?”

Tim Berghman
0 0

Wat ik je niet zeg

Op een bank in de tuin. Zo zie ik je kijken: alsof de anderen merkwaardige wezens zijn. ‘Ze zijn hier allemaal oud,’ zeg je en je vergeet dat je zesentachtig bent. ‘Die man,’ zeg je, en je wijst met je kin naar mijnheer Fort, ‘Die is toch niet ziek? Waarom is hij hier?’ Ik heb niet meteen een antwoord. Nee, hij is niet ziek. Hij loopt kaarsrecht en zonder stok het rolstoelpaadje op en neer. Dan wijs je zonder gêne naar mevrouw Paule. ‘Weet je hoe oud die is? Tweeënnegentig. Ze heeft een tijdje in een rolstoel gezeten, maar nu loopt ze weer rond.’   ‘Laten we wat wandelen,’ stel ik voor. Je hijst je op aan je looprekje. Het geëffende pad loopt langs grasveldjes en oude bomen en een lange rij lavendelstruiken onder de ramen van de kamers op het gelijkvloers.   Wat ik in de achterste kamer zie, vertel ik je niet. In het bed ligt een magere vrouw, met ingevallen wangen, de ogen gesloten, een verpleegster wisselt het infuus. Jij houdt je blik op de grond en je schuifelende voeten.   Wat ik in de voorste kamer zie, vertel ik je niet. Een koffer op een bed. Iemand is aangekomen of weggegaan.   Op een bank in de tuin. Wat jij ziet, zie ik anders. Of is het omgekeerd? Ik zie een vrouw die een rolstoel duwt. Moeder en dochter, ze lijken sprekend op elkaar. ‘Wat erg als je zo’n kind hebt,’ zeg je. Soms spreek ik je tegen. Vandaag niet. De dochter van mevrouw Berjoan duwt haar moeder voort met iets dat tussen kranigheid en moed der wanhoop ligt. Ze komt hier al zeven jaar op bezoek, drie keer per week.   ***   Als het killer wordt, wil je niet meer naar buiten. We blijven in je kamer praten over mijn kleine en jouw nog kleinere wereld. Er wordt aarzelend geklopt op de openstaande deur. De dochter van de rolstoelvrouw wenkt mij. ‘Kom kijken, zegt ze, ze is dood.’ Alsof ze het hardop moet zeggen om het te geloven. ‘Het is net gebeurd,’ zegt ze.   Daar ligt mevrouw Berjoan, nog niet gefatsoeneerd, het hoofd achterover, de mond open. Als verstild in volle overgave.    Dat zeg ik je niet, waaraan ik moest denken, toen ik haar zo zag. Aan dingen waarover we nooit spreken. Omdat ze niet van onze taal en ook te lang geleden zijn.

Christine Van den Hove
57 0

Icarusskelet

Nu kon hij ademhalen. Over een paar uur zou hij weer aan deze deur staan en ze dichtdoen aan de andere kant. Dan zou het hopelijk muisstil zijn als hij binnenkwam. Maar vaak was het er net heel lawaaierig. Overdreven uitgelaten. Gespeeld bezorgd. Fake familie in een nest van doodgeboren vogels. Hun lijken rotten mijn gevederde huid weg, hun sterfte verzwart mijn leven. Had ik maar de kracht om mijn vleugels open te slaan naar een grote, witte maanbol. Naar de basis van het menselijk denken. Een witte schedel met hersenen als kraters. En vooral, ruimte om te groeien zonder te verschrompelen in de schaduw van monsters. Ik zou naar de maan vliegen en niet naar de zon, want dan zouden mijn vederen branden. Dan zou ik neerstorten in een oude legende van een slimme vader en een domme zoon... Een Icarusskelet in een doodgeboren vogelnest. Ooit geleefd maar doodgestorven. Uitgevlogen in een wanhoopsdaad niet te sterven in een ademtekort. Wie kan Icarus dat kwalijk nemen?   “Niemand”, leek de kat van de buren te wenen. Het was een pikzwart beest. Jasper kon alleen maar raden waar ze zat door het geluid achterna te horen. Daar zat ze. Rechts van hem. De kant waar hij niet naartoe ging. Naast een autoband. Twee blinkende parels in een sterreloze nevelnacht.   De buurt was omgeven van de katten, en kikkers. Bijna geen honden. Jasper haatte honden. Die afgunst lag niet aan het dier zelf, maar aan de mensen die het dier bij zich hadden huizen. Mensen met een hond waren achterdochtig, gemeen, conservatief. Alles wat ze tegenkwamen, wilden ze in vakjes denken, in hokken. Iedereen wilden ze aan de leiband. Binnen handbereik. Ze voederden mensen met gedachten opdat ze zouden gehoorzamen. Ze wilden iedereen rond hun vingers draaien met één grote leiband. Ze probeerden mensen te conditioneren. Mensen met een kat waren waren helemaal anders. Zij gaven liefde als de geliefde erom vroeg. En vooral ...     gunden ze vrijheid. Want een kat laat je buiten. Van een kat raap je de stront niet op achter haar gat. Een kat is één van de weinige dieren die de mens vrijlaat. Althans sommige mensen. De ergsten zijn zij die... ook een kat aan de leiband binden, en er dan mee gaan wandelen. Hun persoonlijke mini-tijger. Een dompteur in een burgercircus. En toch, ... blijft het de meester die achter de slaaf aan loopt. Of loopt de echte meester vooraan? Aan de leiband.   De kat sloop onder de auto uit en liep Jasper voorbij. Hij besefte dat hij overdreven lang naar het beest had gekeken. En dit was het sein. De kat vond zijn glurende blik welletjes geworden.   “Genoeg,” scheen de staart te schrijven in het duister.   Jasper keek het dier na, dat de straat en stoep als fluweel bewandelde. Stoer. Met de schouders afwisselend hoog en laag. Links hoog – rechts hoog – links hoog – rechts hoog. Het stoere bokserspasje werd één van de vele donkere vlekken in de scène van deze nacht.

Han Hartmoed
0 0