Lezen

Superman

De tafel waaraan we onze boterhammen eten, is wankel. Dat is al zolang ik me herinneren kan, maar er is niemand die ernaar omkijkt. Op den duur vergeet je dan ook dat het ooit anders is geweest. Ik hou ervan om, wanneer ik eet, beurtelings met elke hand op het tafeloppervlak te duwen. Als ik daarbij mijn handen ver genoeg uit elkaar spreid, wankelt de tafel harder, zodat de melk in mijn glas beweegt. Ik stel me dan graag voor dat ze er weer uit wil omdat ze heimwee heeft naar het brik. Soms geeft mama me een standje en zegt ze dat ik niet mag spelen aan de tafel. Soms zegt ze niets, en staart ze nietsziend uit het keukenraam naar buiten, waar de blinde muur van het belendende gebouw het troosteloze uitzicht vormt. Na het eten speel ik meestal nog wat in de woonkamer. Ik hield altijd het meest van mijn verzameling steentjes. Ik heb hen vergaard op weg naar school en terug. Elk van hen heeft een speciale vorm en stelt een Pokémon voor uit het tijdschrift dat ik kreeg voor mijn verjaardag. In mijn klas had iedereen echte Pokémonpoppetjes. Die toonden ze aan elkaar op de speelplaats. Ik had enkel het tijdschrift. Ik zei hen niet dat ik geen poppetjes had. Ik zei hen er helemaal niets over. Een keer deed ik dat wel. Ze lachten me uit. Het eindigde met een blauw oog en gesmoord gesnik in mama’s rokken. Ze streelde me over mijn haren. Zei dat ik geen poppetjes nodig had om gelukkig te zijn. Maar ik hoorde het in haar stem. De pijn. De schaamte. Soms waren er van die dagen dat de fantasie niet wilde komen. Dagen waarop het grijs in het zwerk zo ondoordringbaar was, dat het zelfs de wijzers van de klok leek te vertragen. Dan zat ik lusteloos op de grond en rolde wat met de steentjes op en neer. Maar in het doffe licht dat door de ongelapte ramen naar binnen viel, kon ik er met de beste wil van de wereld geen Pokémon in zien. Mama streek dan over mijn haren, en moedigde me aan om het toch te proberen. Soms deed ik dat, maar soms bleef ik nukkig voor me uit zitten staren, de verveling om me heen gedrapeerd als een te dik, verstikkend deken. Het was op een van die momenten dat het mij voor het eerst opviel. Ik wierp een steelse blik op mama. Ik hoopte dat ze misschien naar mij keek en zag hoe ik me verveelde, zodat ze toch Pokémon voor me zou kopen, hoewel ik diep vanbinnen wist waarom dat niet kon. Maar ze keek naar me met een heel andere blik. In haar ogen las ik een mengeling van spijt en bitterheid die haar knappe gezicht lelijker maakte. Die avond hoorde ik haar huilen. Ik greep het lakenpunt vast en balde machteloos mijn vuisten. Boos liet ik mijn tranen de vrije loop en viel uiteindelijk in slaap, gewiegd door de regelmaat van mijn snikken, in dezelfde maat als het gedempte gehuil van mama onder mij. Nadien heeft ze nooit tegen me gezegd dat ik haar zo verdrietig had gemaakt. Het schuldgevoel daarover maakte me beschaamd, zodat ook ik er met geen woord over repte. Maar er veranderde wel iets. Op een dag merkte ik dat mama de krant had gekocht. Normaal deed ze dit nooit. Ze keek ernaar zonder de bladzijden om te draaien, en toen ze mijn blik merkte, legde ze de krant weg en glimlachte afwezig naar me. Iets in de manier waarop ze me had aangekeken, verried een zenuwachtigheid. Ze stond op en wandelde naar de keuken. Ik inspecteerde het blad in de krant dat ze las, maar er stonden geen tekeningen op, en lezen kon ik nog niet erg goed. Het was een bladzijde met allemaal kleine hokjes, die vol stonden met halve woorden waaraan ik geen touw vast kon knopen. Toen zag ik, in een flits, mama’s naam in een van deze hokjes. Maar ik hoorde haar terugkomen, en ging snel weer naar mijn speelgoed toe. Een tijdje nadat de bezoekers begonnen te komen, zag ik dingen veranderen in huis. Mama kocht af en toe eens kleren voor mij of voor haarzelf. Er werd iemand betaald die de ramen kwam lappen. Het licht dat de kamer binnenviel, liet de meubels er helemaal anders uitzien. Had het bankstel altijd al die vrolijke kleur? Op een ochtend stonden de ontbijtgranen in de kast waarvoor ik steeds zeurde in de winkel, maar die ik nooit kreeg. Ik lachte. Mama lachte, want ik was gelukkig. Maar de echte verrassing kwam na een paar weken. Toen ik thuis kwam van school, stond er een grote doos op de tafel. Nieuwsgierig gleden mijn ogen over het zilveren inpakpapier en de gouden strik. Mama had zitten wachten tot ik er was. Zenuwachtig veerde ze recht, drukte haar sigaret uit in de assenbak en presenteerde het cadeau zoals de meisjes in de gezelschapsspelen op tv de vaatwasmachine presenteren aan de winnaar: met wapperende handen en een kamerbrede glimlach. Even aarzelde ik; geloofde het niet. Zulk groot cadeau? Voor mij? Mama moedigde me aan met een trots knikje. Toen viel ik aan. Ik scheurde het papier open en zag wat erin verscholen zat. Een doos met daarin een verzameling van tien Pokémons. Mijn kreten vulden het appartement met een blijdschap die het zelden had gekend. Dagen, weken lang was ik niet weg te slaan van mijn poppenspel. In mijn fantasie speelden zich fabelachtige Pokémongevechten af. De vraag waar mama dit plots vandaan had gehaald, kwam helemaal niet in me op. Daaraan denk ik nu terwijl ik in mijn bed lig. Ik hoef niet op mijn klok te kijken om te weten hoe laat het is. Dat heb ik te danken aan het feit dat de gordijnen van mijn slaapkamerraam te kort zijn. Door de spijlen van mijn bed zie ik een rechthoek, op de vloer getekend door het licht dat onder de te korte gordijnstof door de kamer binnenglipt. Eerst bevindt hij zich bij de deur. Hij tekent een felle vlek op het blauwgrijze linoleum, en naarmate hij opschuift, wordt hij steeds zwakker. Nu is het laat, want de lichtbalk is tijdens zijn reis over mijn kamervloer uitgerekt tot een diffuus, langwerpig vierkant dat steeds minder te onderscheiden is van het duister dat in de kamer oprukt. Het is bijna zo ver. Ik voel de spanning opborrelen in mijn maag. Een tintelen, vol van verwachting en stiekeme hoop. Mijn hand glijdt onder het kussen en strijkt daar over de synthetische stof. Ik weet wat er gaat gebeuren. Mijn hart begint sneller te slaan en ik sluit alvast mijn ogen. Een seconde, twee seconden, drie … Ik hoor haar voetstappen op de trap. Achter mijn geloken oogleden is het duister volledig. Ik hou me zo stil mogelijk, zodat ze niet weet dat ik nog wakker ben. Haar voetstappen worden steeds luider en stoppen tenslotte voor mijn slaapkamerdeur. Zoals elke avond opent ze zo zacht mogelijk de deur; en hoor ik haar binnensmonds vloeken wanneer die deur langgerekt piept, onverschillig voor het late uur. Ze trippelt naderbij en bukt zich over me heen. Haar parfum wolkt in mijn neusgaten op het moment dat ze zich naast me bukt en haar lippen vluchtig mijn voorhoofd raken. Het intense gevoel van rust dat nu over mij komt, is onbeschrijflijk. Al het wachten in de minuten sinds ik in mijn bed geklauterd ben, heeft geleid tot dit moment. Een nachtzoen van mama. Daarna vertrekt mama nog niet meteen. Mijn ogen blijven stijf dichtgeknepen. Ik hoor haar, ze ademt zacht. Ze zet een paar passen in de richting van de kast. Ik hoor hoe ze een paar van de steentjes neemt die Pokémon moesten voorstellen. Ik vraag me af wat ze nu denkt. Een paar tellen later triptrapt ze naar de deur, sluit die zo zacht mogelijk achter zich en loopt de trap af. Pas als ik het slot hoor klikken, besef ik dat ik mijn adem inhield. Daarna bekruipt me het gevoel van onbehagen. Het wachten heeft nu iets gespannen. Komt er vandaag weer eentje over de vloer, of niet?Het blijft enkele minuten stil nadat mama de trap weer is afgedaald. Daarna klinkt heel kort de deurbel, niet meer dan een aanzet tot een echt gerinkel. Wanneer ’s ochtends de postbode aanbelt, klinkt het altijd veel langgerekter. Ik heb me een hele tijd afgevraagd waarom de avondlijke bezoekers niet langer op de bel drukten. Als mama het nu toevallig eens niet hoorde? Maar ze opent de deur keer op keer, en dan hoor ik haar zacht kirren als antwoord op het diepe gebrom van de, altijd mannelijke, bezoekers. Uiteindelijk begreep ik het. Natuurlijk, het was zo simpel…Ze wilden mij niet wakker maken. Nu lach ik erom als ik bedenk dat het enkele weken duurde om tot dit besluit te komen. Ingespannen lag ik toen te luisteren om te achterhalen waarover hun gesprek ging. Maar het duister in mijn kamertje was dik, en sloot het af voor duidelijke geluiden van buitenaf. Soms hoorde ik lachen, soms werd er gewoon gepraat. Wat alle bezoekers echter gemeen hadden, was dat ze na een tijdje niets meer zegden. Ook mama zweeg dan. Meestal verplaatste het geluid van hun stemmen zich ook naar mama’s slaapkamer. De reden daarvan kon ik lastiger vinden dan die van het mysterie van het korte belgerinkel. Toch kon ik ook dit uiteindelijk achterhalen. Bij het eerste cadeau, mijn Pokémonpoppetjes, zag ik het nog niet. Maar toen mijn geliefde pak kwam, ging er een lampje branden in mijn hoofd. Ineens zag ik het allemaal helder voor mijn ogen, alsof ik er zelf bij was. Al de cadeaus die ik kreeg. Ik wist dat mama ’s avonds verkopers uitnodigde om over mijn cadeaus te praten. Wanneer ik op school was, kon ze immers niet naar de winkel gaan, want dan moest ze zelf werken! Nog twee keer schalt het korte, hoge rinkeltje door het appartement. Mijn maag trekt samen. Ik voel me als een tube die iemand leeg wil knijpen. Mijn hart schakelt in een hogere versnelling en ik luister ingespannen. In het begin klinkt alles net als anders. Een mannenstem en mama’s stem in gesprek. Stilte. Geluiden vanuit de slaapkamer. Op dit moment bundel ik al mijn concentratie op wat ik hoor. Ik denk automatisch terug aan die ene keer, maar dat mag ik nu niet doen; ik moet opletten! Toch komen de gedachten, ik kan het niet helpen. Het woedende geschreeuw van de man toen, en het angstige gehuil van mama. De volgende dag had ze een blauw oog, en kreeg ik ook geen cadeau. Toen ben ik gaan beseffen dat sommige verkopers gevaarlijk zijn. Daardoor rijpte het idee om het pak te vragen. Ik ben toch de man in huis. Ik moet mama beschermen. Na een tijdje gebeurde het dus. Ik was al bijna gewend geraakt aan het bijna dagelijkse klingelen van de bel en wat er daarna kwam. Mijn aandacht was verslapt en ik poogde niet meer om de conversaties beneden te volgen. Met een half oor ving ik nog een deel van het gesprek op en hoorde ik de slaapkamerdeur van mama dichtslaan. Mijn ogen sloten zich en gingen weer open. Sloten zich, gingen open. Het was heerlijk warm in mijn bed. Toen gebeurde het. Een snerpende gil en een doffe klap. Ik zat op slag rechtop in bed, klaarwakker. Een kwade vloek steeg op vanuit mama’s kamer en bonsde op mijn deur als een moker. Terwijl de adrenaline door mijn aders gierde, hingen mijn armen en benen er bij als gelatinestengels en weigerden ze alle dienst. Weer een gil. Mama! Ik moest iets doen, ik moest haar helpen! De kracht keerde terug in mijn benen en ik sprong het bed uit. Ik vloog de trap af. Mijn voeten raakten nauwelijks de treden. Ik hamerde met mijn kleine vuisten op mama’s deur en gilde haar naam. Meteen daarna werd de deur woest open getrokken. Een man kwam buiten gestormd. Ik viel op de grond; ik kon zijn gezicht niet zien. Hij banjerde naar de voordeur en sloeg haar met een knal dicht. Daarna hoorde ik niets meer. Alleen een loodzware stilte. Ik zag dat mama op haar bed lag, haar gezicht in het kussen gedrukt, haar schouders geluidloos schokkend. Het duurde een tijdje voordat ze erin slaagde zichzelf van het bed te plukken en naar mij toe te strompelen. Ze nam me in haar armen, en meer was er niet nodig. De tranen kwamen. Hoe lang we daar zo zaten weet ik niet. Ik werd de volgende ochtend wakker in mijn eigen bed. Zoals zo veel andere zaken, werd ook dit voorval niet meer besproken en door mama weggemoffeld achter de glimlach die ze altijd droeg. ‘Mijn kleine held’, fluisterde ze in mijn oor toen ze mijn kom met cornflakes voor me neerzette, en dat was dat. Ondertussen is het volledig donker in mijn kamer. Tot nu toe lijkt alles goed te verlopen. Maar ik blijf alert, sinds die ene keer. Ik heb al vaak geoefend wanneer mama even niet thuis was, en nu overloop ik in mijn hoofd wat er moet gebeuren. En dan zal ik die verkoper eens laten zien wat ik kan als ik mijn pak draag. En dan gebeurt het. Het komt zo onverwacht, dat ik twijfel of ik het wel goed hoorde. Een zwaar geluid, als een stoel die op de grond smakte. Mijn twijfel duurt een seconde, en dan hoor ik mama kreunen, en de man sist woorden die ik niet kan ontcijferen door de twee deuren en de trap die ons van elkaar scheiden. Het klinkt ingehouden, alsof ze niet willen dat ik het hoor. Nu weet ik zeker dat er weer wat mis is. Ik verwacht half en half dat mijn benen dienst zullen weigeren, maar mijn lichaam reageert koelbloedig, en doet precies wat ik ervan verlang. Meteen grijp ik onder mijn kussen, naar het pak, en trek het aan. Het synthetische blauw sluit zich rond mijn benen, de S prijkt op mijn borst. Mama heeft haar Superman nodig. Ik been vastberaden door mijn kamer, ruk de deur open, en ren holderdebolder naar beneden, met twee treden tegelijk. Het gekreun klinkt wanhopiger. Ik kom net op tijd! Mijn hand grijpt naar mama’s slaapkamerdeur. Mijn vingers sluiten zich om de klink en trekken, maar er gebeurt niets. Alleen het geluid binnen verstomt. Ik hoor hoe mama de verkoper tot stilte maant. Ik ruk nogmaals aan de deur, maar ze blijft vastberaden dicht. Ik twijfel even, en wordt bijna weer gewoon een jongen in een pak. Dan hoor ik mijn naam. Het is mama, ze klinkt vertwijfeld. Meteen daarna vloekt de man. Ik reageer bliksemsnel. Superhelden hebben geen deuren nodig om ergens binnen te komen. Mijn hele lichaam tintelt van de opwinding. Ik ren naar de kamer naast die van mama, de rommelkamer. Ik hol voorbij de strijkplank en de stapel wasgoed die erop ligt te balanceren. Ik open het raam en klim onhandig op de vensterbank. Gestommel hiernaast, en opnieuw weerklinkt mijn naam. Ik hoor paniek in mama’s stem en de deur van haar kamer wordt opengegooid. Dat is de verkoper, hij wil ontvluchten! Maar hem krijg ik nog wel te pakken. Eerst moet ik mama redden. Ik sta nu rechtop in de raamopening, de wind buiten strijkt kil langs mijn benen doorheen de stof van mijn superheldenpak. Ik slik. De drukke straat, acht verdiepingen onder me, lijkt even slingerend te bewegen terwijl mijn blik zich aanpast aan de diepte. Ik heb nog nooit gevlogen, maar het is slechts een paar meter naar het slaapkamerraam van mama. Ik mag nu niet nadenken, ik moet vertrouwen op mijn pak. Ik kom eraan, mama! Ik zet me af, en net op dat moment komt er iemand binnengestormd achter me. Mama gilt nu heel dichtbij. Met een ruk draai ik me om, een blik van onbegrip in mijn ogen. Is ze dan niet opgesloten? Ik zie haar op me afkomen in een sneltreinvaart. Ze draagt enkel ondergoed, net als de man die achter haar aankomt. Ik begrijp het niet. Waarom gillen ze zo angstig? Waar zijn hun kleren? Ik wil me volledig omdraaien. Ik verzet mijn voet. Maar ik zet hem verkeerd, er is geen ondergrond. Mijn been glijdt weg, mijn lichaam kantelt en het andere been volgt. De ogen van mama worden nog groter voordat ze uit mijn gezichtsveld wegkantelen. Ik zie de lucht boven me, en voel hoe ik naar beneden val. Ik draai mijn hoofd naar het raam. Mama hangt met haar halve lichaam naar buiten, hysterisch krijsend en naar me graaiend met haar armen. De handen van de verkoper proberen haar weer naar binnen te trekken. Ik zie haar snel kleiner worden. Ik strek mijn armen ook naar haar uit, zodat ik naar boven kan vliegen. Maar het lukt me niet. Waarom werkt mijn pak niet? Ik wapper wanhopig met mijn armen terwijl mijn lichaam begint rond te tollen. De wind fluit in mijn oren en de autolichten op de straat komen steeds dichter bij en een ijskoude waarheid sluipt langzaam mijn hart binnen en ik probeer nog eens uit alle macht mijn armen uit te strekken want ik moet echt vliegen en …

Hans Deckers
0 2

rabin gangadin

Rabin Gangadin heeft furore gemaakt als dichter, schrijver, essayist en literaire criticus. Hij publiceerde in diverse bladen waaronder Yang, Creatief, Dietsche Waranda en Belfort, de Gids, Maatstaf, De Tweede Ronde, Avenue, terwijl hij daarnaast voor opiniebladen schreef als Elseviers Magazine, Hervormd Nederland, De nieuwe Linie, Poeziekrant, Gazet van Antwerpen, Het Algemeen Dagblad etc. Zijn eerste werken aanschouwden het daglicht via uitgeverij De Arbeiderspers nadat schrijver Cees Nooteboom hem als literair talent had ontdekt. Van Rabin Gangadin verscheen in 2011 de experimentele dichtbundel De Stadswandelaar  bij  uitgeverij Holland  en werkt hij thans ijverig aan zijn roman Rustige dagen in Suriname waaruit een hoofdstuk in het literaire tijdschrift Circumplaudo verscheen. Zijn eerste werken aanschouwden het daglicht via uitgeverij De Arbeiderspers nadat schrijver Cees Nooteboom hem als literair talent ontdekte. Sinds 2006 heeft de literaire carriere van hem een deuk opgelopen omdat uitgerekend een hoogleraar in de Caraibische letteren aan de UvA het op hem heeft voorzien. Deze deuk is hoofdzakelijk veroorzaakt door het feit dat de desbetreffende hoogleraar als moderator werkzaam is voor Google Nederland en Wikipedia Nederland. Hoewel deze laatste website zich uitsluitend leent voor neutrale, informatieve en objectieve teksten, staan er toch smadelijke, lasterlijke en op de persoonlijke vete jegens Rabin Gangadin gebaseerde teksten. Deze hoogleraar wendde diens status aan om zijn collega aan de universiteit te Twente te overhalen om Rabin Gangadin met zijn tweede dissertatie op het terrein van de toegepaste  communicatiewetenschappen niet meer te begeleiden. De hoogleraar loopt overal te kladden dat de in 1986 behaalde doctoraaltitel in de sociologie van Rabin Gangadin en de door hem eveneens in 2001 behaalde ingenieurstitel aan de landbouwuniversiteit te Wageningen een fake zouden zijn en waarbij hij volgens de hoogleraar nooit gepromoveerd zou zijn in de sociale-economie aan de Cosmopolitan university te Florida. De hoogleraar meldt echter zelf nergens dat de vijftien promovendie die hij onder zijn hoede had, hem vanwege zijn inhabiliteit de rug hebben toegekeerd.       

rabin gangadin
0 0

Romantiek in the White Beach

White Beach is vanuit Paramaribo bezien binnen ongeveer 45 minuten te bereiken indien er consequent de zuidwaartse richting wordt aangehouden. Na de drukke stad Paramaribo te zijn uitgereden zijn de lantaarnpalen al gauw vervangen door bomen langs het open landschap die in weerwil van de oprukkende grote droge tijd toch in de volle bloei van hun bladeren staan. Het is voor Donos Juanos een verrukking om elk voortuintje van de kleine houten huisjes getooid te zien met ontzaglijke bloemen en fruitbomen. Voor hij kon vertrekken heeft het hem erg veel inspanning en inzet gekost om Sonali zover te krijgen dat zij met hem heeft willen meereizen naar The White Beach om vervolgens met hem in dezelfde hotelkamer door te brengen. Zij maakte hem echter duidelijk dat zij geen zin had in een avontuur met iemand die zij enkel van een dating-site kende en dat het voor haar een enorme concessie was om aan haar eigen principes te willen tornen. Hun blikken hielden elkaar seconden lang vast. Een tijdlang hadden ze gestaan als standbeelden, onbeweeglijk als graniet. Geen van beiden zei ook maar één woord. Sonali heeft absoluut het karakter van een hoogstaande vrouw en is daardoor een frappant voorbeeld van het spreekwoord Noblesse oblige. Donos Juanos kan voor zichzelf echt niets bedenken dat te hoogverheven, te edelmoedig of te veel gevraagd zou zijn geweest voor haar genereuze en onbaatzuchtige natuur. Aan haar heeft hij grotendeels te danken dat hij zich de laatste tijd niet al te cynisch uitdrukt. Als hij zich in haar oren toch iets vulgairs liet ontvallen dan tekende zich een uitdrukking van kille verachting af op haar gezicht die hem als een spookbeeld vervolgde en die hij amper meer kon vergeten. Het verwondert Donos Juanos wel hoe Sonali zich tijdens hun eerste ontmoeting zo kostelijk vermaakte met zijn bijtend cynisme en naarmate die twee vaker met elkaar vaker spraken, haar tolerantiegrens geleidelijk inkromp. Een keer zei Sonali tegen hem dat het haar opviel dat Donos Juanos de meest vergezochte zinswendingen gebruikte om zich deftig voor te doen, als een ware schrijver alsof gewichtigdoenerij ook in de preektaal van harte kan worden toegejuicht. Donos Juanos zei daarop ontspannen dat hij dit doet sinds de taalhaters het verschil tussen de spreek- en schrijftaal hebben doen wegebben met hun emancipatoire geestdrift en een ieder zich liet richten naar hun platitudes. Met al hun zogeheten taaleenvoud hebben zulke mensen toch de grootste moeite om de diepe afkeer te verbergen die hun privé opvatting hen inboezemen. Na deze uitleg en verantwoording ontdekt hij dat hij op deze wijze maar hoogst zelden te biecht ging tegenover iemand. Tegenover Sonali voelt Donos Juanos heel vaak betekenisloos, zelfs eendimensionaal worden. Zelfs Suzette biedt daarbij geen tegenwicht. Tijdens het overhalen glimlachte Donos Juanos teder en toegeeflijk tegen Sonali om haar de hoop te geven dat ze zich geen zorgen hoefde te maken om wat voor haar persoonlijk obsessioneel is. “Het gebod van een vrouw is voor mij een bevel en ik ben geen type dat zich beijvert om dusdanig opdringerig en interessant te blijven doen tot zij overstag gaat “, verduidelijkte Donos Juanos haar waardoor Sonali hem bedankte voor diens geruststellende woorden. Bij Sonali zijn de problemen groter omdat ze onbeschrijflijk mooi is. Ze draagt een dusdanig absolute schoonheid met zich mee dat een ieder haar aanduidt als “die ene bloedmooie”. Door de hele geschiedenis hebben alle mooie vrouwen meer problemen gehad dan gewone vrouwen, herinnert Donos Juanos zich uit het roemruchte essay De Tweede Sekse van de Franse schrijfster, Simone de Beauvoir. Sonali slaat zedig haar ogen neer en onthoudt zich verder van verdere tegenwerpingen . In de wiebelende auto drukt Sonali zich voorzichtig uit: “Weet je Donos, de omstandigheden verhinderen mij om mij vrijelijk prijs te geven. Daarom vraag ik je om mij de gelegenheid te geven je beter te leren kennen. Als daaruit moet blijken dat we met elkaar overeenstemmen , namelijk wat je voor mij voelt wat uit ieder gebaar en ieder woord wel duidelijk moet spreken… “ .Donos juanos houdt haar beide handen vast en kijkt haar diep in de ogen. Sonali beeft inwendig. In haar donkere, glanzende ogen fonkelt een eerlijkheid die niet mis te verstaan is. Hun ogen en lippen gaan in elkaar over. Hun lichamen zijn vast tegen elkaar aan geklemd en de hartstocht stuwt tussen hen op. Buiten adem gaan ze een eindje van elkaar staan af staan en zoeken opnieuw elkaars blikken. Donos Juanos’ gretige lichaam was hard geworden tegen het hare en de noodzaak om zich te verontschuldigen is nog pijnlijker dan het gevoel van zijn mannelijkheid dat in actie Sonali, ik bedoel er niets oneerbaars mee uit te drukken “, zegt hij op een kuise manier. Hij vervolgt op een gezaghebbende toon: “Hoor eens, we moeten de dingen in de juiste verhoudingen zetten. Ik praat tenslotte met een ontwikkelde vrouw en geen domme narcistische, leeghoofdige pop”. Sonali zegt daarop: “het is OK. Je hoeft je ook niet helemaal in te houden omdat ik dan anders ook niet weet hoe jouw emotie is. Gevoel voor verhouding is erg belangrijk”.       Sonali knippert na aankomst op The White Beach tegen het duizelingwekkende felle zonlicht, rekt lui haar armen uit en houdt ze plotseling midden in de lucht stil, de oren gespitst om geluiden uit de omringende natuur te kunnen opvangen. Het water van de Suriname rivier is bruin en volmaakt. De temperatuur is gestegen naar 35 graden terwijl de lucht helemaal niet circuleert waardoor er haast een dodelijke verstikking hangt. De hersens van de gasten zouden kunnen gloeien terwijl het bloed ook nog tot op kookhitte zou kunnen stijgen. Uit een rots die nauwelijks ver van de Suriname rivier verwijderd is sijpelt water, dikke vlugge druppels die met een hardnekkige regelmaat steeds op dezelfde plaats neerkomen. In een schaduwrijke ruimte aan de oever bewegen zich spookachtige vormen die ontstaan zijn door de zonlichtprojectie op de kokospalmen en kokosbladeren waardoor je een heup met een ronding krijgt, een gespierde arm, een woeste, als voor een misdaad zwart gemaakte kop. Op het witte zand waar dit strand haar naam aan te danken heeft zijn er parelmoerkleurige schelpjes terwijl er aan het wateroppervlak van de Suriname rivier zelf de bewegingen merkbaar zijn van snelle, steeds weer onvermoeibare schietende bewegingen van vissen. Rust, warmte, licht….. Donos Juanos’ hand schuift onzichtbaar naar die van Sonali toe. De dichter in hem vraagt hem opeens: “Wat gaat er nu door de lucht, tussen de wolken en de hoogvliegende vogels, in dat zuivere domein waarin de stemmen van de natuur versterven en waarin de geuren van de aarde vervliegen? De brokken van het leven op deze plek staan op één lijn en op afstand van elkaar. Ze bezien elkaar over de afgronden die hen scheiden en geven zo aan elkaar het eeuwige raadsel door”. Donos Juanos bevrijdt zich van deze literaire sensatie omdat die niets is wanneer je een bloedmooie vrouw naast je hebt lopen, realiseert hij zich. Nu luisteren Sonali en hij ingespannen, aanvankelijk verrukt door de beatrijke klanken die uit de speakers op een podium rollen en opstijgen. Een onverwachte frisheid mengt zich met de geuren uit de cafetaria’s, prachtige Surinaamse bloemen in tot aluminium vazen geïmproviseerde emmers die staan te gloren in de verzengende hitte. De menigte op het strand beweegt zich langzaam voort. Bij het kijken naar al de mensen ondervindt Donos Juanos een gevoel van verlatenheid, van onbehagen. Op de grote strook van de White Beach zijn er bontgekleurde parasols, hoeden in alle soorten en maten terwijl verwarde geluiden en ijle stemmen, het geroep van kinderen die waterpret hebben , de extatische lach van vrouwen die op zich een aanhoudend en aangenaam rumoer inhoudt,veroveren. Al deze geluiden vermengen zich met het briesje uit de Suriname rivier dat men nauwelijks opmerkt en gewoon inhaleert. Het water komt op en jaagt geleidelijk aan de voeten van de strandwandelaars. Sommigen staan te spartelen in de zwakke gelige golven. Sonali en Donos Juanos lopen langs groepjes, allen uitgedost in bonte kleren van fraaie stofjes, de kunstmatige zwier van in keurslijven geperste vrouwen middeltjes, al die vernuftige uitvindingen van de mode, van het leuke schoentje tot en met de zonderlinge hoed, de verleidelijke charme van hun gebaren, stem en glimlach, kortom de behaagzucht die op dit strand ten toon wordt gespreid. Al die uitgedoste vrouwen willen behagen, bekoren en iemand verleiden. Ze hebben zich mooi gemaakt voor de mannen, voor alle mannen, behalve voor hun echtgenoot die ze niet meer hoeven te veroveren. Ze hebben zich mooi gemaakt voor de minnaar van vandaag en de minnaar van morgen, voor de onbekende die ze zouden willen ontmoeten, opmerken naar wie ze misschien uitkijken. De mannen op zich kijken elkaar dan aan en als ze praten met de ogen zijdelings verstolen gericht op de hitsige dames, raken hun monden elkaar bijna. Ze dagen hen uit en begeren hen, maken jacht op hen als op lenig en schuw wild, ook al lijken ze zo dichtbij en gemakkelijk te vangen. Dit Surinaamse witte strand is dus niets anders dan een liefdesmarkt waar sommige vrouwen zich verkopen, anderen zich weggeven, sommigen hun kussen verhandelen, anderen slechts beloftes doen. Al die vrouwen denken alleen maar aan hetzelfde: hun lichaam dat al weggegeven, al beloofd is aan andere mannen, aanbieden en begeerlijk maken. De mannen op hun beurt bedenken dat het op de hele wereld altijd en overal hetzelfde  is. De met kokosbladeren opgetuigde hutten staan gelijk te midden van een hels ballet van strandbezoekers, die in de hutten een plekje proberen te veroveren. Sonali groet een aantal bekenden met een hoofdknik, loopt samen met Donos Juanos een feesttent binnen alwaar de wanden met felle kleuren zijn gecapitonneerd en versierd met veldboeketjes. De ruimte ziet er behoorlijk vol en zelfs rokerig uit ondanks dat die geen hermetisch afgeschermde hal is. Er is een tafel met gokkers en aan een naburig tafeltje zit een lichtelijk getikte vrouw die denkt dat ze een hoer is en van achter haar glas met het mengsel van bacardi en cola naar een onzichtbaar iemand zit te lonken die tegenover haar zou zitten. Twee kennelijk jong verliefden lezen elkaar de les voor betreffende hun liefdesrelatie. misschien is het echt wel zo, zoals ik het van mijn beste vriendin heb gehoord..”, gilt het meisje tegen de jongen. De verbetenheid die zich opeens van haar meester maakt is zo heftig dat ze bijna de neiging heeft te gaan gillen. Er is kennelijk niets voor haar om bang voor te zijn maar ook niets om er van te houden. Als de verstandhouding tussen beiden een holle luchtspiegeling mocht zijn, bestaat de liefde tussen hen dan ook niet echt. Misschien is er tussen hen alleen maar een eindeloze optelsom van waardeloze momenten geweest, alleen maar een rommelig gewroet van zinnelijke driften en van idyllische fantasieën die een kleefproces tot gevolg heeft gehad. Inmiddels wervelen de dansers over de dansvloer met bezwete voorhoofden langs Donos Juanos en Sonali heen. De beweging wordt geleidelijk aan levendiger en onregelmatiger naarmate de beat van de muziek van modulatie en timbre verandert. Sonali die zich geïnspireerd erdoor aan een dans met Donos Juanos overgeeft met iets van een kwijnend verlangen, trekt hem helemaal tegen zich aan. Haar tedere aanschuren tegen zijn lichaam verschaft Donos Juanos een soort dronkenschap waar andere beelden aan ontspringen. Hij verdrinkt in de donkere ogen van Sonali waarvan de omtrek schittert, zich onder de ietwat zware leden bewegen terwijl er uit de diepte van haar oogappels een oneindige tederheid en schranderheid stralen. Hij voelt zich aangegrepen door een liefde die sterker blijkt te zijn dan ooit, mateloos: het is een stille bewondering die hem geheel verdooft. Hij neemt ook de andere vrouwen op die aan zijn ogen voorbijtrekken, elk van hun verblindend, opwinding schenkend welke kennelijk in lineaire correlatie staat met de aard harer schoonheid. Donos Juanos realiseert zich dat hij in het algemeen alleen maar valt op vrouwen van een tamelijk volkse schoonheid want de schoonheid die hij onbewust probeert bij Sonali te zoeken komt geheel overeen met de schoonheid die hij vaak bewonderde in vrouwenfiguren op posters. Zij kan hem met haar idyllische en gracieuze uitdrukking totaal doen verkillen, met inbegrip van haar mooi afgewerkte ronde vormen die bij hem de warmste gevoelens opwekken. Sonali port donos Juanos en zegt tegen hem: “Donos, moet je toch eens naar die ene aap daar kijken. Hij heeft zich jaren beijvert mij voor zich te winnen. Je kunt je zijn ijdelheid niet voorstellen welke allemaal werd bewerkstelligd door mij”. Als ook die man Sonali in het vizier heeft maakt hij een lichte buiging en blijft hij onbeweeglijk staan met één hand op het hart, de linkervoet naar voren, de ogen ten hemel geslagen terwijl hij uit alle macht tracht in zijn blikken een vloed poëzie te leggen met de hoop Sonali daarmee te kunnen verblinden. Als de muzikanten pauze nemen, gaan de vrouwen zitten terwijl de mannen heen en weer lopen. Een klok met een haan geeft zijn slagwerk van twee uur ten beste waarop een stortvloed van geestigheden losbarst over de koekoek. Daarop volgt van allerlei nonsenspraat, moppen, snoeverijen, weddenschappen , leugens die voor waar worden verteld, de meest onwaarschijnlijke beweringen , een tumult van woorden dat weldra versnippert tot potige gesprekken. Bekers met parbobier gaan rond, de ene gang de andere snel opvolgend. Beiden zitten tegenover elkaar in stilzwijgen te peinzen. Ondanks de aan het plafond hyperventilerende ventilatoren is de sigarettenrook met een mes te snijden. Donos Juanos moet steeds de longen uit het lijf schreeuwen, waarin hij doorgans buitengewoon slecht is , om boven de afschuwelijke herrie van over en weer schietende gesprekken uit te komen. Voor hem komt het dan goed uit dat hij zijn mond helemaal naar de oren van Sonali moet brengen en benut hij die gelegenheid goed om zijn lippen tegen haar wagen aan te drukken. De barkeepers moeten zich met hun schouders een weg banen door de mensenzee die op dit spitsuur een dichtheid van vijf of zes man per vierkante meter lijkt te overschrijden. “ik ben vroeger getrouwd geweest,”zegt Donos Juanos plotseling om de lawaaierige stilte ergens mee te doorklieven. “vijf jaar geleden – dat lijkt me nu wel een eeuw terug. Er kwam niets van terecht. Het was een vrouw die begiftigd was met verschillende persoonlijkheden. Van mensen om ons heen leek zij alles te begrijpen behalve mij”. Donos Juanos is niet als de meesten uit Surinaamse schrijverskringen die zich uit geestelijke luiheid neerleggen bij zogenaamde verplichtingen die hun literaire status, zoal daar sprake van is, met zich meebrengt en waardoor hij zich enkel geroepen zou voelen om met een speciale laag van de bevolking om te gaan. Hij maakt niet graag deel uit van degenen die zich onthouden van genoegens die het alledaagse leven hen te bieden heeft buiten het mondaine bestaan om waarin ze ingekapseld tot aan hun dood leven en die zich – als ze er eenmaal aan gewend zijn geraakt- tevredenstellen met het mistroostige vermaak of de draaglijke verveling die dat leven in zich herbergt bij gebrek aan beter. In zijn vertelling lijkt het alsof het leven dat na een stilstaand opgeschort was geweest zijn loop hernam. Hun ogen zijn in elkaar verstrengeld, zelfs gevangen omdat Sonali nieuwsgierig is wie en wat in zo’n man huist. Inmiddels horen ze weer flarden muziek uit wel tien speakers die aangesloten zijn op een robuuste stereo-installatie. Sonali lijkt zich te willen schikken naar Donos Juanos en begint met hem een literair gesprek. Het verveelt haar niet om met hem erover te praten want ze kent de werken van Anais Nin, Gustav Flaubert, van Fransoi Sagan, Simone De Beauvoir, Jean Paul Sarte etc. Ze maakt ook nog geestige opmerkingen over van alles en nog wat en bewijst zich absoluut als een aangenaam gezelschap. Bij het eten gedraagt zij zich met opzet onbeholpen door met haar handen komedie te spelen en heel stuntelig te doen.                Donos Juanos neemt Sonali mee naar zijn hotelkamer. Sonali realiseert zich nu dat zij zich met donos Juanos overeenkomstig een soortgelijke act in de bollywood film Bobby, in één dezelfde kamer bevindt waarbij ze zich ervan bewust is wat er van haar wordt verlangd. Uit voorzorg van de bedachtzame vrouw of als ritueel gebaar doet zij de deur op slot en begint gezwind al haar kleren af te leggen maar op een tempo zoals een patiënte dat aanhoudt bij een dokter die haar wil ausculteren. Ze stopt dan met zich verder uitkleden als de dokter bemerkt dat de patiënte in kwestie niet gesteld is op naaktheid en tegen haar zegt dat ze haar hemd kan aanhouden waarbij hij bereid is te volstaan door haar ademhaling en hartslag door het ondergoed heen te beluisteren. Als Sonali halfnaakt op het bed ligt wacht zij totdat Donos Juanos bij haar ligt. Donos Juanos denkt opgelucht : “dit is dan echt het einde van haar obsessie “. Sonali streelt de binnenkant van zijn dijen en laat haar lippen langs zijn lichaam glijden. Hij voelt slechts een matige ongedwongenheid en vraagt zich af of hij zelf in staat is haar tot daadwerkelijke activiteit te prikkelen. Ze klimpt boven op hem en neemt zijn oor tussen haar tanden. Het is voor even dat ze zich volkomen vrij voelt in haar lichaam terwijl de handen van Donos Juanos teder haar borsten masseren. Zijn liefkozende woorden, zijn kleine tedere gebaren zijn voor haar alleen maar uitingen van zijn wil om haar echt te hebben. Zijn nieuwsgierigheid naar haar lichaam wordt intenser. Onverwacht maar met tederheid onderwerpt Donos Juanos haar aan verscheidene experimenten, stimuleert hij haar reactievermogen. Sonali is even het object van kunstmatige listen om haar te kunnen prikkelen of om haar opwinding op te schroeven. Zij huivert, het is net of er op een knopje is gedrukt zonder dat ze het misschien zelf heeft gewild en lijkt het alsof haar ongedwongenheid nooit meer kan worden gestuit. Zij houdt haar smachtende ernstige blik met haar grote, smalle, glanzende bruine ogen, welke nauwelijks zijn omsloten door de oogleden waarin zich elk moment twee tranen kunnen losmaken, op Donos Juanos gericht. Ze wil haar onzekerheid niet vergroten en is ze gevlucht in een avontuur om de zichzelf opgelegde restricties niet hoeven te ervaren. Nu komt zij tot de ontdekking dat zij haar eigen leven leidt en de prijs voor haar onbezonnen vertrouwen is dat zij plotseling met een vreemde in bed ligt. Nu haast zij zich gretig en met een beetje angst in het hart naar een onbekende wereld die maar op een kiertje voor haar open staat. En dan is het voor haar een grote beproeving om het leven achter haar vaarwel te zeggen zonder ooit te hebben geweten hoe de kus zou zijn van de man die hij opeens het meest lief heeft. Zij gelooft nochtans dat juist deze dag en waarschijnlijk voor het eerst Donos Juanos heel veel bij haar heeft losgemaakt door met zijn dichterlijke woorden tederheid voor tederheid, langzaam had gecreëerd waardoor hij volkomen anders is dan al de anderen die zij achter zich heeft gelaten. Deze ronddwarrelende herinneringsbeelden duren een paar seconden. Sonali vindt haar bedrevenheid pas terug in de liefde met de roerende voorwetenschap van vrouwen die zo van mannen houden dat ze dadelijk kunnen raden wat het lichaam, toch verschillend van het hunne, het meeste genot verschaft. Wezenloos wordt Donos Juanos wakker en ligt hij praktisch om het slanke doch volle lichaam van Sonali heen gewikkeld terwijl zijn rechthand tussen haar dijen zit te wriemelen.        Sonali staat op en loopt de badkamer in. Ze draait de douchekraan helemaal open en staat met de voeten tegen de muur, het hoofd omlaag onder de koude waterstraal. Ze blijft verscheidene seconden lang in deze houding staan, waarbij het water van haar tenen over de betegelde vloer golft en met open mond, de haren neerhangend en de ogen half gesloten geniet ze onder de tanden grondig te poetsen, zet ze de tandenborstel niet terug in het glas maar stopt hem nat en wel in haar toilettas. Ze droogt zich af en staat met het handdoek om haar middel gebonden inde deuropening van de badkamer naar Donos Juanos te kijken hoe zij met hem de liefde heeft  bedreven terwijl ze daar principieel op tegen was. Haar kleine ronde borsten vormen een hoek van negentig graden met de verticale lijn van haar borstkas.                                                                                                                                                                               

rabin gangadin
0 0

12 november

Het regende pijpenstelen toen ze werd gegrepen door die tram. Tram 24, om precies te zijn. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Het was zelfmoord. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Vluchtmisdrijf is altijd een beetje moord. Als ik een moordenaar zou zijn, wat zouden ze me vragen? Hoe voelt het om een moord te plegen? Je moet zelf een moordenaar zijn om te beseffen hoe een moord plegen voelt. Net daarom heb ik films over moordenaars altijd rotzooi genoemd. Wat is moord? Een slagersmes pakken en iemand neersteken? Of je omdraaien wanneer je iemand dat ziet doen? Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. Er waren geen getuigen, die bewuste avond. Voor oude vrouwtjes die hun lelijke hondjes uitlaten was het al te laat op de avond, en voor feestende jongeren was het nog te vroeg op de week. Ik was daar, toegegeven. Op dinsdagen fiets ik door de stad. Zomaar. Zomaar, omdat een moord ook op dinsdagavond kan gebeuren. Er waren geen getuigen. Alleen een tramchauffeur, zijn lege tram en de lege ogen van een dood meisje. Niemand had me gezien. Verdwijnen in de nacht was een goed plan. Ik trok mijn kap wat strakker over mijn hoofd en zette mijn fietslampjes uit, maar wegfietsen deed ik niet. Ik bleef kijken. Kijken naar de wanhopige tramchauffeur die het meisje een hartmassage gaf en in paniek naar het ziekenhuis belde. Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. En toekijken, is dat dan geen moord? Eigenlijk is het zonde, zo’n jong en dood meisje. En dat leek ze zelf ook te denken, want ze stond achteloos op, bedankte de tramchauffeur voor de goede zorgen en fietste verder. Neen, dat beeldde ik me in. Ik sloot mijn ogen enkele seconden en opende ze weer. Zou het niet mooi zijn als ze weer opstond? Zou het niet mooi zijn als omstaanders eens een keertje helpen wanneer iemand problemen heeft? Ik herinner me die keer dat we eens gingen dansen. Dansen, dacht ik. Leuk. We hadden afgesproken elkaar naar huis te brengen en onder te stoppen, als één van ons te veel gedronken had. Enkele uren later vond ik Augustientje met een gebroken neus tegen de gevel. Ze had geprobeerd twee kemphanen te kalmeren. En ik zit hier al een heel uur, huilde ze. Zonder enige hulp. Ik keek om me heen, waar niemand zich iets aantrok van de ellende die ik ondersteunde naar de ambulance die net aankwam. Toen Augustientje thuis in haar bed lag, ging ik terug om Mimi te zoeken. Ik struikelde en kwam niet veel later een tweede keer op de spoedafdeling terecht: op de bewakingsbeelden werd duidelijk dat Mimi al een kwartier op de grond lag. Het meisje had even vrolijk krullende haren als Augustientje, en Mimi had dezelfde fiets en handtas. Misschien was het wel Augustientje die Mimi’s spullen bij zich had. Als ik een moordenaar zou zijn, dan zou ik een motief nodig hebben. Augustientje ging wel eens met de jongens lopen die ik leuk vond, dat wist ze. Oh, dan kon ik haar de haren uittrekken. Ik keek naar het meisje. Ondertussen was ze kletsnat en lag haar gebarsten bril naast haar hoofd. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Eigenlijk had ik ook niks gezien. Ik trek mijn kap wat strakker, veeg de druppels van mijn bril en draai me om, de nacht in. Ik heb niets gezien.

MDB
0 0

Middag op de Markt

  Hij trekt de punt van zijn kraag recht en wisselt de zwarte leren boekentas van hand. Haalt een hand door zijn te lange haren. Donker, wild, weerbarstig. Licht grijzend vlak tegen de kruin aan, maar dat zie je alleen van erg dichtbij. Zijn vrouw had er onlangs met ernstig gezicht naar gekeken, die kruin van hem. Aan haar ogen had hij het gezien, dat het zover was. Onomkeerbaar. De eerste tekenen van jeugdige vergankelijkheid. Hij wandelt verder met stevige tred. Het schuren van de mouw van zijn jas tegen zijn romp maakt een ritselend geluid. Het geluid van haast, noemt hij het, want je hoort het alleen bij mensen die zodanig vlug wandelen dat hun armen ongecontroleerd op en neer naast hun lichaam vliegen. Alsof ze elk moment kunnen opstijgen, in de hoop alsnog op tijd ergens toe te komen. In de verte ziet hij de halte in de ochtendmist opdoemen. Al jarenlang wandelt hij dagelijks naar dezelfde halte. Tram acht. Al jarenlang doet hij dagelijks hetzelfde traject. Twee keer. Elke dag opnieuw. Hetzelfde jasje, dezelfde boekentas, dezelfde ongecontroleerde armbeweging. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Zelfs het hobbelige voortglijden van de tram over de sporen is dagelijks even repetitief. Doe-doek. Doe-doek. Binnen drie tellen komt er een bocht. Piep. Hij houdt van repetitieve handelingen, daar niet van. Hij vindt het fijn dat hij weet wat er komen zal. Hij is geen mens van verandering. Hij gebruikt al sinds zijn tienerjaren dezelfde eau de cologne en draagt al jaren dezelfde afgetrapte schoenen die hij ooit van zijn vrouw kreeg. Zijn dagen waren perfect voorstelbaar, tot in de puntjes, vanaf het moment dat hij ‘s ochtends zijn bed uitstapte. Tot er gisterenmorgen geen boterhammen met kip curry voor hem klaar stonden op het aanrecht, en zijn vrouw diezelfde avond zonder aankondiging ook niet meer thuis kwam. Nu klinkt zelfs de tram niet meer repetitief.   Hij denkt na over hoe en wat er gebeurd kan zijn, maar na een half uur leegte komt hij tot de constatatie dat hij eigenlijk niet zo goed nadenken kan. Hij heeft dat nu eenmaal al zo lang niet meer hoeven te doen. Alles is altijd maar ok geweest zoals het was. De laatste keer dat hij nadacht over wat hij wilde eten, is meer dan tien jaar geleden, bedenkt hij zich. De laatste keer dat hij op vakantie ging ook. Dat hij op vakantie wilde. Dat hij een curryworst special van de frituur achter de hoek wilde. Pas op, dat wil niet zeggen dat hij alles tegen zijn zin doet. Dat hij ongelukkig is. Elke dag eet hij kipcurry tussen zijn boterhammen, omdat hij ervan overtuigd is dat er echt niets lekkerders bestaat. Elke dag heeft hij zijn nylon zwart jasje aan, ook al is dat geen mode meer sinds hij veertien was. Het voelt vertrouwd, en dat is goed genoeg. Net zoals zijn vrouw, denkt hij dan. Vertrouwd. Wat een mooi woord. Dat wil niet zeggen dat hun relatie dood is, dat ze berusten in een vlucht naar vroeger. Ze weten gewoon perfect wat ze aan elkaar hebben. En dat vindt hij niet zomaar alleen slecht. Hij heeft hoegenaamd geen behoefte terug te denken aan de tijd dat hij zijn stropdas net dat beetje meer aanspande om er gesofisticeerd uit te zien. Dat hij haar witte rokken net dat beetje teveel ophief wanneer ze haar laarsjes optrok. Dat wil niet zeggen dat ze verlangen allebei weer tieners te zijn die elkaar verlegen, hitsig en met het schaamrood op de wangen liefdesbriefjes toestaken door de spijlen van de schoolpoort. Zij onbereikbaar, in de vierde klas van de meisjesschool, tussen de nonnen. Hij leutig stoer, in het college handbewerking bij de paters. Twee verschillende scholen onder één dak. Een gietijzeren poort die hun liefde van elkaar scheidde, willekeurig neergepoot door God de Vader. Zo gevochten dat hij heeft voor haar. En het enige wat hij zich nu nog kan herinneren, is hoe ze de staart van de kat aait. En hoe ze haar keel schraapt vlak voor ze zich omdraait in haar bed, wanneer ze gaat slapen.   Hij kijkt om zich heen, zijn nek kraakt. Het huis ligt er nog steeds kraaknet bij, alsof er niets gebeurd is. Ze heeft het prachtig ingericht, denkt hij. De moderne meubels en geometrische lijnen zijn eigenlijk niet helemaal zijn ding, maar het resultaat mag er toch wel wezen. Hij weet nog goed hoe ze hem van de ene meubelwinkel naar de andere meetroonde. Wat dacht hij van een ijzeren tafel en een zwarte eiken boekenkast? Hij had er geen idee van. Doe maar wat jij goed vindt lieverd, zei hij, ik vertrouw je helemaal. Ze glimlachte dankbaar op dat moment, daar in de twintigste meubelzaak die ze die dag bezochten. Haar ogen zacht en warm, maar tegelijkertijd vurig en vastberaden. Hun gloednieuwe huis was in goede handen, wist hij. Nog even, en ze zou een nest voor hun tweetjes gebouwd hebben. Ondertussen is dat al jaren geleden. De meubels zijn niet modieus meer, het leer van de zetel is zacht, dun en vaal geworden. Dat vindt hij niet erg, integendeel. De zetel is perfect doorgezakt op de plaats waar hij altijd zit. De eiken boekenkast kraakt ondertussen onder het gewicht van haar inhoud, het blad van de ijzeren tafel is bedekt met krassen. En haar ogen zijn al lang niet warm, zacht, vastberaden of vurig meer, maar vooral moe. Zo gevochten dat hij heeft voor haar. En het enige wat hij zich nu nog kan herinneren, is hoe ze de staart van de kat aait. En hoe ze haar keel schraapt vlak voor ze zich omdraait in haar eigen bed, wanneer ze gaat slapen. Ze had dat voorzichtig aangepakt, dat van dat bed. Hij snurkte en woelde ’s nachts vreselijk, en zij geraakte daar moeilijker en moeilijker van in slaap. Eerst werden haar ogen en haar haar dof, daarna kreeg ze een lastig hoestje. Oververmoeid, zei de dokter. En hij wist dat het zijn schuld was. Maar wat was de oplossing? Man en vrouw horen nu toch eenmaal samen te slapen, opperde hij onzeker. En toch. Twee weken later kwam er een bevriend schilder de logeerkamer in het zachtroze schilderen. Er werd een nieuw bed geleverd, en dat was dat. Van toen af aan dekte hij haar elke avond onder, en bleef hij naar haar kijken tot ze inslaapt. Zoals bij de kinderen die hij altijd wilde, maar die ze nooit kregen.   Hij is moe. Hij kan zich moeilijk concentreren op zijn werk. Zijn baas stelde voor dat hij enkele dagen thuis zou blijven, maar daar heeft hij weinig zin in. Hij wil graag blijven vasthouden aan zijn dagelijkse tramritten, zijn zwartleren boekentasje en zijn afgetrapte werkschoenen. De rapporten die hij opmaakt en naar het management in Lyon verstuurt. Hij zou niet weten wat hij nu anders zou moeten doen. Hij weet dat hij vooral rustig moet blijven om zijn vrouw terug te vinden. Rustig. Dat wordt hij alleen als hij op elk moment perfect weet wat er komen gaat. En het is al meer dan gek genoeg niet te weten wat hij vanmiddag zal eten.  Sinds zijn vrouw zoek is, staan er geen boterhammen met kipcurry meer voor hem klaar, en is hij genoodzaakt zich neer te leggen bij de gebrekkige kookkunsten van het cafetaria-personeel. Zo kiest hij elke dag voor een kom dampende soep, begeleid van een witte pistolet met minarine, maar welke soep hij zal eten, weet hij niet. Elke dag is anders. Bovendien is het in zijn bedrijfskantine perfect mogelijk een oranje tomatensoep voorgeschoteld te krijgen, of een groene wortelsoep die naar courgette smaakt. Daar raakt hij maar moeilijk overheen. Wanneer je een cd met cellosuite’s van Bach opzet, verwacht je ook geen elektrische gitaren te horen. Hij heeft het probleem al meermaals aangekaart bij het management, maar in het bedrijf werken meer dan 3000 mensen met meer dan 3000 wensen, en de zijne is daartussen niet van prioritair belang, zo werd hem verteld. Hij probeert dan maar te leven met het idee dat elk middagmaal een verrassing zal zijn, en dat de naambordjes bij de grote salamanders soep geen garantie zijn voor de inhoud. Zijn duim speelt onophoudelijk met de trouwring aan de ringvinger van zijn rechterhand. Gek, die draagt hij pas weer sinds zijn vrouw verdwenen is. Alsof hij wil laten zien dat ze wel terug gevonden moét worden omdat ze zijn bezitting is. Of omdat hij zich schuldig voelt, misschien is het wel zijn schuld dat zijn vrouw kwijt raakte, omdat hij zijn ring al jaren niet meer droeg.   Hij weet nog hoe hij de eerste avond na haar verdwijning op zijn knieën voor zijn nachtkastje zat, op zoek naar het gouden onding. Hij wist dat hij het artefactje van wat ooit een liefdesdroom was – nu slechts een zeurende herinnering in zijn achterhoofd – érgens in zijn nachtkastje had gepropt, nadat hij tot de pijnlijke vaststelling was gekomen dat zijn ooit ranke vingers zich tot zijn kipcurry-verbruik waren gaan verhouden. Hij kreeg het ding aan noch uit, en verwenste elke herinnering aan zijn jonge, gelukkige, fitte leven tot in het donkerste hoekje van een compleet zinloos meubelstuk. Niet dat hij zijn vrouw minder graag was gaan zien, maar gewoon omdat niet in onvrede wilde raken met zijn huidige bestaan. Omdat hij niet meer wilde denken aan de tijd dat hij een jonge kerel met een getraind lijf en een hoop wilde dromen was.   Hij is nog steeds diep in gedachten verzonken naar zijn rechterhand aan het kijken wanneer de postjongen zijn kartonnen kantoortje binnen stapt met een brief voor hem in zijn hand. Vreemd, hij had al twintig jaar lang geen brief meer gekregen. Met licht trillende handen scheurt hij de enveloppe stuk. Tergend traag, onzichtbaar naar adem happend. De receptionist blijft onaangenaam lang in zijn kantoor staan en kijkt hem met vragende blik aan. Jonge mensen hebben geen greintje respect voor privacy meer. Dat komt misschien wel door al die sociale media en virtuele identiteiten van tegenwoordig. Je hoeft alleen nog maar iemands naam in de searchbalk van Google te typen, en je vindt zijn hele leven terug. Hij vindt dat geen goede evolutie in deze wereld. Het idee dat iemand zomaar elk detail uit zijn leven kent zonder dat hij die persoon ooit maar heeft gezien, beklemt hem. Al heeft hij eigenlijk geen enkel idee wat er nu juist zo interessant zou kunnen zijn aan zijn leven. Buiten het feit dat hij altijd kip-curry tussen zijn boterhammen eet en dat hij zijn vrouw kwijt is.   Het is een korte brief, ziet hij meteen. Het dubbelgevouwen blad is nauwelijks groter dan een post-it, in dik, geribbeld papier. Hij herkent meteen het logo van het Museum voor Moderne Kunst uit de stad. Hij is er vorige week nog naar een tentoonstelling over de geschiedenis van de jazz geweest. Het was eerder en vernissage waar jonge kunstenaars hun werk tentoon konden stellen. Wel boeiend, maar een leerzame kroniek was het niet geweest. Hij had er meer van verwacht. Het briefje telt slechts vier woorden. En één smiley. Ook daar heeft hij een hekel aan. Hij vindt het een teken van onstabiliteit, het gebruik van smiley’s. Alleen pubers en labiele werklozen gebruiken ze, denkt hij afkeurend.
Hij schudt zijn hoofd. De grote hanenpoten in dunne, zwarte stift ergeren hem mateloos. Opnieuw een teken van onstabiliteit. Zelf schrijft hij zo klein mogelijk, zo recht mogelijk, zo duidelijk mogelijk. En altijd met zijn metalen regel. Proper, overzichtelijk en 100% recht. Daar wordt hij rustig van. Dan leest hij de tekst. Zijn adem stokt. Hij is haar kwijt.   ‘ZE IS WEG. VOORGOED. :)’

Annelies Leysen
0 0
Tip

Hotel Prestige

“Knoopt uw jasje schoon dicht”, sist zij kordaat. Haar mooie, diepe, donkere ogen staan scherp. Er valt met haar niet te sollen, zoveel is duidelijk. Haar lange haren golven op en neer terwijl ze stevig en vastberaden weg beent. Hij heeft zichtbaar moeite om haar bij te houden. Hij opent zijn mond even, maar lijkt zich dan te vermannen en doet dan, met enige tegenzin in zijn blik, gedwee wat ze zegt. Ze is niet makkelijk om mee samen te werken, weet hij, maar om één of andere reden krijgt ze toch altijd maar alles klaar gespeeld. En hij? Hoewel hij de hoofdrol speelt in dit verhaal, weten ze allebei dat hij het in zijn eentje nooit zou klaarspelen. Hij houdt even halt, haalt diep adem, en zet het dan op een lopen om haar in te halen. Oké. Showtime. Nog een laatste keer. En dan is het allemaal voorbij. Ze naderen de grote, zwarte, smeedijzeren deur. Alsof ze elkaar nooit gekend hebben, gaat zij links, en duwt hij de zware deur half open. Hij kucht geluidloos, recht zijn schouders en loopt daarna met een gladde zelfverzekerdheid het kleine trapje op, tot in de grote lobby. Het smakeloze zalmroze tapis-plain dat de hele ruimte bedekt, komt duizelingwekkend snel op hem af. Zelfs in de jaren zeventig kan dit niet mooi geweest zijn. Hij laat bij het voorbijlopen heel even voorzichtig, bijna lieflijk, zijn linkerhand rusten op de roze leren sofa in het midden van de lobby. Dat mensen hier vrijwillig blijven overnachten, en er dan nog een fortuin voor neertellen, daar kan hij met de beste wil van de wereld niet bij. Uit de muziekinstallatie kraakt ‘Private Dancer’ van Tina Turner, nog zo’n afgebleekt icoon uit vervlogen dagen. “Oké”, zegt hij tegen zichzelf. “Oké”. Met een Hollands accent. “Owkej”. Kom op man, draai die knop om, en ga ervoor. Niks te verliezen. Gewoon gaan. Haal die charmante lach nog eens boven, schud nog eens met die prachtige donkere haren. Laat je perfect gevormde haarlijn maar eens zien aan de smakeloze vrouwen in dit smakeloze etablissement. Binnen tien jaar is het te laat, dan zal je langzaamaan grijs geworden zijn, en zal blijken dat dat knappe gezichtje van je lang niet meer zo gaaf is als vroeger wel leek. Zorg vandaag maar voor dat appeltje voor de dorst. Hij merkt dat hij te lang heeft stilgestaan wanneer er langs achter zachtjes iemand tegen hem aan botst. “Excuseer,” zegt een vrouwenstem dicht bij zijn linkeroor. Te dicht. Er loopt instinctief een koude rilling over zijn nek bij het horen van de lage vrouwenstem. Bingo. Zou hij nu al beet hebben? Geluidloos haalt hij adem, knippert een fractie van een seconde met zijn ogen, en draait zich dan om. Nog steeds geluidloos, en traag. Ze is mooi. Erg mooi. Haar ogen staan levendig, haar wangen energiek rood. Dit is ongetwijfeld de dochter van graaf de Craene, zijn target voor dit weekend. Wat een toeval. Maar god, wat is ze mooi. Waarom is zij in godsnaam hier? Wat doet zij tussen deze onverdraaglijke elitaire oude zakken? Ze misstaat hier als een panter in een varkensstal. Ze glimlacht spontaan en vriendelijk, wat haar nog mooier maakt. Het duizelt hem even. Tina Turner reutelt ondertussen zeer overtuigend haar finale, maar de muziek stoort hem ondertussen niet meer. Hop. Hij is volledig in zijn focus. Eindelijk. “Mijn excuses”, lacht hij charmant. Zijn perfecte tanden steken fel af tegen het zalmroze interieur. “Ik weet dat ik in de weg stond, ik geloof dat ik even in gedachten verzonken was.” Hij zegt het opzettelijk geheimzinnig, iets zachter dan hij anders zou praten. Vrouwen houden van mannen die in gedachten verzonken zijn. Altijd. En aan de blik van dit exemplaar te zien, heeft hij prijs. Het mysterie van de man. Een succesformule.  “In gedachten verzonken? Ben je dan niet aan het werk?” vraagt ze terwijl ze terloops even op de twee grote koffers die naast haar staan wijst. Even is hij van zijn stuk gebracht. Hij heeft al veel meegemaakt in deze kringen, maar nooit eerder werd hij als loopjongen van het hotel aanzien. Hij knippert even verbaasd met zijn ogen. Is het zo duidelijk van hem af te lezen dat hij hier eigenlijk niet thuishoort? Voelt ze dat hij geen van hen is? Heel even dreigt zijn masker te vallen, maar hij herstelt zich razendsnel. “ Ik? Ik kom voor het congres van morgen. Maar zal ik even iemand roepen voor je koffers?” ze lacht even ongemakkelijk, en tuit haar lippen. Een zucht peperdure parfum overvalt hem. Dit, denkt hij, is de geur van geld. Dit moet hij hebben. Hij mag haar niet meer uit het oog verliezen. Subtiel toenadering zoeken, haar verleiden met zijn geoefende mysterieuze blik en zijn gedistingeerde houding. Het vertrouwen winnen, haar kop een klein beetje zot maken, en dan keihard toeslaan. Binnen vierentwintig uur is hij zo rijk als de zee diep is. Dan kunnen Saskia en hij stoppen met dit dwaze vertoon. Een jacht kopen en eindeloos ronddobberen op de Stille Oceaan. “Focus! Hou je hoofd er bij!” sist Saskia opnieuw, dit keer door het oortje dat hij in zijn rechteroor heeft. Ze heeft gelijk. Hij moet bij de zaak blijven. Op het gezicht van de steenrijke dochter valt intussen af te lezen dat ze hem zonet een vraag stelde, maar hij heeft geen flauw idee wat. “Zullen we even buiten gaan zitten?” vraagt hij zo nonchalant mogelijk, “Ik krijg het hier zo benauwd van dat kunstmatige licht.” Om zijn rol af te maken, diept hij uit zijn linker broekzak een maagdelijk witte, gesteven zakdoek. Hij zucht te luid en te diep en dept zijn voorhoofd. Bingo. Op het voorhoofd van de mooie blondine verschijnt een diepe rimpel, instinctief neemt ze hem vast bij de ellenboog. “Gaat het wel? Je ziet er inderdaad een beetje bleekjes uit.” Hij knikt met dichtgeknepen ogen, terwijl de vrouw hem naar de patio loodst. Ook hier is de inrichting zo smakeloos dat hij er bijna echt onwel van wordt. Nog even doorzetten. Kom op, jongen, je kan dit. Nog één keer.  Denk aan dat jacht. Denk aan bodemloos rijk zijn. Denk aan die joekel van een verlovingsring om Saskia’s ringvinger. En aan haar verbaasde gezicht.  Hij ploft gespeeld vermoeid neer op één van de houten tuinstoelen die op het zalmkleurige terras staan. Ja. Nu komt het. Nu zal ze voorstellen om een glaasje water te gaan halen. Het moment om ervandoor te gaan met het tasje dat ze zal laten liggen. Één minuut heeft hij nodig. Één minuut, en hij is rijk. “Zal ik even een glaasje water voor je gaan halen?” Er klinkt een zekere ongerustheid door in haar stem. “Nee hoor, hoeft niet, het gaat zo weer beter.”, wuift hij haar voorstel weg, goed wetende dat ze toch naar de bar zal gaan om een glas water. En jawel, ze staat op, de diepe rimpel is er nog steeds. “Ik ben zo terug,” zegt ze, “water doet altijd wonderen.” Showtime. Hij kijkt hoe ze inderdaad haar tasje naast hem laat liggen, volgt haar met zijn ogen terwijl ze langzaam weg stapt, en maakt aanstalten om het tasje te nemen en weg te lopen. Maar dan ziet hij vanuit zijn ooghoek hoe een in het zwart gehuld figuur hem strak aankijkt. Fuck. Ze heeft verdomme haar eigen bewakingsagent bij. Dat maakt de zaken moeilijker, maar niet onmogelijk. Nadenken, jongen. “Saskia!” fluistert hij tegen het revers van zijn kostuumjasje. “Problemen. Ik heb de water-truuk boven gehaald, maar haar bodyguard staat mij hier aan te gapen. Heb jij haar in je vizier? Kan je voor afleiding zorgen?” Een seconde stilte. Even vreest hij dat graaf de Craene hun spelletje doorheeft en dat Saskia nu omringd is door een legertje ongure mannen, maar dan klinkt er heel droog “Check. Doe het nu.” in zijn oortje. Saskia. Redder in nood, altijd weer. Wat een wijf.    Zonder om zich heen te kijken of te aarzelen grist hij het tasje vast en zet hij het op een lopen, in de richting van de struiken rondom de patio. Uit het kletterende glas dat hij binnen hoort, maakt hij op dat Saskia inderdaad voor afleiding zorgt, en dat hij nog zeker een dikke minuut heeft vooraleer de diefstal opgemerkt zal worden. Zijn hart bonkt in zijn keel, de adrenaline bruist in zijn hoofd. Alles suist. Vooruit. Recht vooruit. Hij voelt ondertussen de ogen van de bodyguard in zijn rug priemen, maar hij maakt zich geen zorgen. Als hij rent voor zijn leven, komt alles goed. Hij is sneller dan die lome krachtpatser. Sneller en slimmer. Hoor die kerel maar eens stampen. En lopen maar. Daar, door dat gat in de haag, recht de wildernis der struiken in. Nog even en hij is veilig. Nog één minuut pompen en hij hoeft zich nooit meer zorgen te maken. De mouw van zijn jasje scheurt aan een tak waarachter hij blijft haken, maar hij blijft lopen. Zijn duurste aankoop ooit. Hugo Boss. Pure zijde. Getailleerd. Een echte investering, hij mocht immers niet opvallen. Met dit pak en zijn perfecte smile won hij altijd instant geloofwaardigheid bij de rijke vrouwen die hij bestal. Hij zal het toch niet meer nodig hebben, na deze catch. Het had zijn beste tijd toch al gehad.  Wanneer hij zeker is dat hij niet meer gevolgd wordt door de zwartgeklede kleerkast, zet hij zich hijgend op zijn knieën. Hij heeft de longen uit zijn lijf gelopen. Zijn vingers trillen van opwinding wanneer hij de portefeuille van dochter de Craene uit haar tasje haalt. Baar geld, een handvol platina creditcards en een stapel staatsbonnen, volgens Saskia’s research. Goed voor een paar miljard euro. Tergend traag opent hij de ritssluiting van de peperdure portefeuille. Zijn oren suizen. En dan…  Één kleine post-it. Verder is de portefeuille leeg. Een belachelijk klein papiertje met een smiley, begeleid door één zinnetje. “Kijk in je achterzak.” Hij krijgt het ijzig koud. Plots voelt hij het. Zijn hart begeeft het bijna. Leeg.  

Annelies Leysen
5 1

Het Verhaal van Salamarijn

Salamarijn was een salamander die zoals alle andere dieren uit het bos naar school ging in de grote bosschool. Veel vrienden had hij daar niet... Salamarijn had namelijk een groot probleem. Zijn tong was zo lang dat hij heel de tijd uit zijn bek bengelde. Een grote tong hebben was normaal voor salamanders, maar alle andere salamanders konden hun tong oprollen en verbergen in hun grote mond. Bij Salamarijn lukte dat niet, hoe hard hij ook probeerde! Heel de tijd sleurde hij die tong met zich mee, en overal waar Salamarijn liep ontstonden grote plassen speeksel. Dat vonden de andere dieren niet leuk. Daarom stond Salamarijn, zoals elke morgen, weer alleen op de speelplaats. Hij zag zijn klas wat verder onder de grote, oude boom staan. Hans de gans, de populairste jongen van zijn jaar, maakte grapjes en iedereen moest lachen. Zelfs Marie, het mooiste musje van de klas lachte. Salamarijn keek wat langer naar het mooie musje. Wat kon ze toch zo fijn kwetteren... Telkens als Salamarijn dat hoorde ging zijn hart sneller slaan. Maar hij kon niet met haar praten, want dan werd hij zenuwachtig en geraakte zijn tong in de knoop. Hans de gans maakte weer een grap. Deze keer wees hij naar Salamarijn. Iedereen moest lachen. Alleen Marie lachte niet. Ze keek naar hem alsof hij het meest zielige dier ooit was. Dat vond hij nog erger dan het lachen. Hij kroop verder weg in zijn hoekje en wikkelde zijn grote tong rond zijn lichaam zodat hij zich niet meer zo alleen voelde... Salamarijn vroeg zich af hoe het kon dat Hans zo populair was. Eigenlijk was Hans helemaal niet leuk of grappig. Hij was gewoon heel luid. Zo luid dat andere dieren niet eens de kans kregen om te praten. En als je hem niet leuk vond, dan begon hij je uit te lachen en te pesten. Dus vond iedereen hem maar leuk. Hans vond zichzelf geweldig, en heel stoer. Hij droeg een leren vest en had veel gel in zijn veren, en hij rookte. Vooral op dat laatste was hij heel trots. Telkens als hij een sigaret opstak deed hij dat met heel veel vertoon, zodat hij zeker wist dat heel de speelplaats het gezien had. Het was weer zo ver. Hans stak zijn eerste sigaret van die dag op. Hij zwierde het pakje sierlijk uit zijn leren jasje en nam er een grote, dikke sigaret uit. Deze stak hij tussen zijn snavel terwijl hij een lucifer uit zijn broekzak nam. Stoer als hij was, streek hij die af tegen de grote, oude boom. De lucifer vatte vlam en hij stak zijn sigaret aan. Alle jongens gaapten hem aan en bewonderden hem. Marie en sommige andere meisjes draaiden hun hoofd weg om te ontsnappen aan de lelijke rook. Hans lette niet op die meisjes. Hij genoot van de aandacht. Salamarijn zag dat de rook steeds dikker werd rond de oude, grote boom. Hij werd zelfs zo dik dat zijn klas bijna niet meer te zien was. Er klopte iets niet... Opeens riep er iemand heel luid: 'Help! Brand! De grote boom staat in brand!'  Iedereen vluchtte onder de boom vandaan terwijl er grote, oranje vlammen aan de stam verschenen. Iedereen, behalve Marie... Opeens zag Salamarijn haar liggen. Ze lag, bewusteloos door de rook, naast de boom op de grond. De vlammen cirkelden gevaarlijk dicht tegen haar veren aan. Iedereen keek toe, maar niemand deed iets, terwijl de brand steeds groter werd. Zelfs Hans de stoere gans stond stokstijf stil. Hij zag er eerder uit als een klein, bang eendje. Salamarijn liep vastberaden op de boom af terwijl hij zijn tong voor zich uit wikkelde. Nog nooit had hij zo zijn best gedaan om speeksel te produceren. Hij hief zijn tong over de boom heen en al snel begon er water uit zijn tong te stromen, van boven naar beneden over de takken van de grote, oude boom. De vlammen doofden en de rook verdween stilletjes aan. Toen de brand eindelijk gedoofd was, was iedereen stil. Alle jongens en meisjes keken naar hem, maar niemand zei iets. Toen hoorde Salamarijn een lieflijk gekwetter achter hem. Marie de mus stond op en met het mooiste stemmetje ter wereld zei ze: 'Je bent een held, Salamarijn. Een echte held.' Daarna vloog het musje op hem af en kuste hem op de mond. Iedereen begon te juichen en te klappen! Na de kus keek Marie hem bewonderend aan. 'Wat kun jij geweldig goed kussen met die grote tong!' Salamarijn had deze keer geen moeite om te antwoorden. Toch had hij daar de tijd niet eens voor, want Marie gaf hem weer een kus. Van af toen was alles anders. Niemand vond Hans nog leuk, maar Salamarijn had opeens zoveel vrienden als hij maar wensen kon. Maar het allerbelangrijkste was natuurlijk dat hij Marie had, voor eeuwig en altijd.

Marijn P
44 0

Achttien in Brussel

Ik zit in het station. Tegenover me zit een man. Hij ziet er serieus uit. Hij draagt witte sportschoenen die niet passen bij de rest van zijn outfit. Ik kijk op de monitor. Een halfuur. Ik ben goed op tijd, toch zweetten mijn handen.   Een vrouw strompelt naar binnen. Haar voeten schuifelen over de tegels. Ze heeft een klein hondje bij aan een zwarte leiband. Wanneer ze naast me komt zitten, voel ik me onwennig. Haar gezicht is vuil, verweerd en simpel. Ze draagt kleren die te klein zijn, in alle kleuren van de regenboog. Ze kijkt me aan en ze glimlacht. Ze lacht alsof er geen zorgen in de wereld zijn. Ik glimlach terug en ontwijk nerveus haar blik. Ik kijk op de monitor. Vijfentwintig minuten.   Een derde figuur verschijnt: een oude hippie met grijze dreadlocks wandelt het station binnen. Hij gaat op de bank links van me zitten. Hij kijkt niemand aan en begint in zichzelf te mompelen. Hij praat rustig, redelijk, maar onverstaanbaar. Zijn woorden weerkaatsen zachtjes in de hal. Geïntrigeerd door zijn persoonlijke discussie, kijk ik een paar keer zijn kant op. Hij merkt het niet, of het kan hem niets schelen. Daarna kijk ik naar de vrouw. Ze is bezig met haar hondje en lacht haar eigen lach.   De norse man met de witte sportschoenen kijkt de twee veroordelend aan. Daarna stapt hij op en verdwijnt hij.   Ik kijk nogmaals op de monitor. Nog maar tien minuten. Het hondje blaft. De hippie doorbreekt  plots zijn gemompel en buigt voorover, zijn grote ogen gefixeerd op het beestje. 'Wat mooi', zegt hij met een grauwe, eerlijke stem. De glimlach van de vrouw wordt breder. 'Ja hé', antwoordt ze kinderlijk. Daarna kijkt ze naar mij. Even weet ik niet wat ik moet doen. Dan besef ik dat ze beaming zoekt. 'Ja, hij is heel mooi', zeg ik zacht, terwijl ik naar het bruine beestje kijk.   De vrouw knikt en gaat verder met glimlachen. De hippie begint terug in zichzelf te praten. Ik voel me eindelijk op mijn gemak. Mijn rol is hier gespeeld. Ik sta op en wandel naar buiten, zonder om te kijken naar de twee zonderlinge figuren die ik voor eeuwig achter me laat. Ik wens hen het beste.   Ik stap op de trein en zet me ergens alleen. Ik kijk naar buiten. Na een tijd begint de wereld die ik ken te verdwijnen, eerst heel langzaam, daarna steeds sneller. Tot de dingen voorbijrazen aan mijn raam.   Ik kijk naar buiten en ik zie de dingen, zo vaag. Nog nooit wist ik zo zeker dat ik zo weinig wist. Ik ben achttien. De wereld raast voorbij mijn raam. En doelloos.

Marijn P
0 0

Winter in Kiev

Winter in Kiev Te midden van de chaos probeerden ze opnieuw een front te vormen. Ze hadden terrein gewonnen, nu moesten ze het proberen bij te houden ook. De demonstranten waren terug gedreven, al was het maar voor even. Eén van hen lag nog op het asfalt te kermen. Dikke klodders rood sijpelden uit de gapende wonde op zijn slaap. Toch wist de man weg te kruipen, de rook in. Viktor keek naar zijn knuppel. Het ding was besmeurd met een mengsel van zweet en bloed. Tot zijn ontsteltenis merkte hij dat zijn hand trilde. Even vroeg hij zich af wie of wat hij was. Een berkut, dat ben ik, dat mag ik niet vergeten. Hij droeg een dikke helm met plexiglas, een blauw camouflagepak met veiligheidsvest en zwarte boots met ijzeren tippen. Hij was gewapend met knuppel en schild. Hij was een berkut, een Oekraïense adelaar, zorgvuldig geselecteerd en zes jaar lang getraind. Samen met zijn maten had hij massa's protesten gebroken. Nooit hield hij zich in. Hij was sterk. Hij had mensen zien kermen voor zijn kracht. En toch, vandaag trilden zijn handen.Hij voelde zich doelloos, beland in een situatie die hem vreemd was.Dat was hem nog nooit overkomen. Hij bad voor duidelijkheid en probeerde het gouden kruisje te voelen dat hij onder zijn uitrusting droeg. Hij kon het niet vinden.Een groot stuk grijs knalde tegen zijn schild. Het begon stenen te regenen. Brokstukken doemden op uit de rook en ketsten op de ordetroepen af. De demonstranten hadden autobanden in brand gestoken waardoor een dikke, stinkende damp zich overal had verspreid. Het speelde in hun voordeel. Zij konden nog altijd lukraak met stenen gooien, terwijl de geweren met rubberen kogels zo goed als nutteloos waren. Ze werden gedwongen zich terug te trekken. In de rook was hergroeperen onmogelijk. Met hun schilden als paraplu's omhoog geheven liepen ze weg, op zoek naar dekking. Viktor dacht terug aan de afgelopen dagen. Hun bataljon was niet lang geleden vanuit het oosten van het land naar Kiev gestuurd. Vanaf het moment dat ze toegekomen waren, was de hel losgebarsten. Dat had hij niet erg gevonden, integendeel. Daar waren ze op getraind. Ze zouden orde op zaken stellen. Het was een uitdaging. Toch waren de dingen anders gelopen dan hij had verwacht. Dagenlang hadden ze gevochten. Eerst zoals altijd, met knuppels en schild. Zijn rechterarm was al na één dag stijf van het meppen. Maar de menigte leek onstuitbaar. Daarom kregen ze toelating om waterkanonnen te gebruiken, ondanks de vriestemperatuur. Officieel gebruikten ze rubberen kogels, maar een paar keer werd er met scherp geschoten. Er vielen doden. En toch stonden de demonstranten op straat, elke dag opnieuw.Viktor wist dat hun missie onmogelijk was. Het volk zou nooit opgeven.Vandaag is een wanhoopspoging. De ordetroepen hadden zich ver genoeg teruggetrokken om een nieuwe linie te vormen. Viktor voegde zich in de strakke, zwarte lijn. Hij was één van hen, zo hoorde hij zich te gedragen. Toch voelde hij zich verloren tussen de anderen.De rook klaarde op. Eén voor één werden de demonstranten zichtbaar.Hun kreten zwollen aan tot een krachtig geheel. Viktor moest een rilling onderdrukken. Voor hem openbaarde zich een waanzinnige massa. Allen waren ze vol vuur en woede. Zelfs de man waarvan Viktor dacht dat hij hem een hersenschudding had geslagen, stond tussen de menigte. Een dikke korst bloed bedekte de linkerhelft van zijn gezicht. Hij leek zijn wonden niet eens te voelen. Viktor wenste dat hij kon verdwijnen.Hij wilde niet nog eens vechten, maar hij wist dat het onvermijdelijk zou zijn.Hier word ik voor betaald. Waarom stel ik vragen? Nogmaals zocht hij wanhopig naar het kruisje onder zijn vest. Hij kon het niet vinden. Draag ik het wel? De ruimte tussen de ordetroepen en de demonstranten werd kleiner en kleiner. Alle troepen hieven hun schilden op, klaar voor de strijd. Allemaal, buiten Viktor. Zijn schild en knuppel liet hij vallen, zijn helm gooide hij op de grond. Zweet en tranen druppelden van zijn gezicht. Hij zocht kermend naar het kruisje onder zijn borst, naar één of andere uitweg, een mirakel. Een mirakel. Viktor keek omhoog. De tijd leek stil te staan. Hij zag een warme, oranje schittering in de lucht. Zijn verlossing, wist hij, neergedaald uit de hemel om deze waanzin te stoppen. Viktor moest bijna huilen van geluk. Hij merkte niet dat de troepen links en rechts van hem wegdoken. De molotov cocktail raakte Viktor recht in zijn gezicht. Het ding ontplofte en slaakte een geweldige vuurbal. Alles gebeurde in een flits. Viktor voelde geen pijn. Hij zag het meest wonderbaarlijke schouwspel dat hij ooit gezien had. Op dat moment was hij overtuigd van een heilige verlossing voor hen allen. Op dat moment wist hij zeker dat alles goed ging komen.

Marijn P
0 0