Lezen

Bijna thuis

In sneltempo beelden de stewardessen de veiligheidsinstructies uit. Het vliegtuig heeft een half uur vertraging en we rijden zonder aarzeling richting opstijgstrook. Het is voorbij middernacht en er hangt storm in de lucht. In de spiegeling van mijn raampje zie ik Mariama naast me bezorgd kijken. We zijn nog brak van gisteren en houden beiden niet van vliegen. Naast haar zit een man van rond de veertig, al maanden ongeschoren, met een opvallend akelige uitstraling achteloos met zijn GSM te spelen. Vraag aan honderd mensen ‘vuur of ijs’ als je hem ziet en negenennegentig ervan zeggen resoluut ‘ijs’ en die ene die dat niet zegt is mensenblind. De oproep ‘gelieve alle elektronische toestellen uit te schakelen’ lijkt de man niet te deren. Wanneer Mariama vriendelijk maar kordaat vraagt of hij zijn GSM wil uitzetten, kijkt hij haar stoïcijns aan, zucht bijna onhoorbaar en tikt verder. Het vliegtuig neemt zijn laatste bocht. De straalmotoren gaan aan en net op dat moment fluistert Mariama hevig gepanikeerd in mijn oor: ‘Joa…op z’n gsm…de man naast me…hij…hij kijkt naar foto’s van zijn vrouw, zijn kinderen en dan van een terrorist van Al Qaeda… alsof hij eerst afscheid neemt van zijn familie … en dan zijn grote voorbeeld een laatste keer groet.’ We versnellen. Onze ruggen drukken tegen de zetels en net voordat het vliegtuig de aarde tijdelijk verlaat, staat mijn vriendin half recht en schreeuwt in het rond: ‘Arrète cet avion! Stop het vliegtuig! Er is een terrorist aan boord!’ Medepassagiers richten onthutst hun blikken op Mariama. Stewardessen blijven verplicht zitten maar delen de vraagtekens van de reizigers. De man naast ons drukt eindelijk op de uit-knop van zijn telefoon en laat deze in het netje van de stoel voor hem vallen. Hij kijkt ons aan met een blik die evenredig is gedaald met de temperatuur van de buitenlucht.   Ping, ping. We zitten op veilige hoogte. Zodra de riemen los mogen, snellen vier stewardessen naar onze rij. Mariama tracht buiten adem uit te leggen wat ze op het schermpje zag en de enige reactie van onze buur is zijn vraag aan de steward om haar een pilletje ter verdoving te geven ‘parce que clairement mademoiselle a peur de voler.’ Hoewel ze stilaan lijkt te bedaren -zonder pil- voel ik mijn geliefde trillend tegen me aanplakken. Ik probeer Mariama’s paniek te relativeren. Niet alleen voor haar, maar ook als hulpmiddel voor mezelf. De alcohol van gisteren vertroebelt elke heldere gedachte en de aanslag in de metro van London drie dagen geleden lijkt de kans op een slechte afloop buitensporig te verhogen. De ijzige buur staat op en gaat naar het toilet. De piloot vraagt onze riemen terug vast te klikken. We naderen onweer. Een kwartier later zoek ik met mijn ogen naar de man die nog steeds niet terug is. Met de turbulentie rondom me, de regen op het dak, de door bliksems opgelichte duisternis buiten, een rillende vriendin naast me en het lege stoeltje naast haar, voel ik mijn angst strijden met mijn ratio. Ik zit vastgeklikt in deze situatie, voel me veroordeeld tot een lot dat me aan duizend km per uur meeneemt. Er rest me één ding: het hoofd koel houden door de beelden van mijn zwempartij van de voorbije dag op te roepen. Ik sluit m’n ogen, neem het roer over en stap voor stap verdringen mijn herinneringen van gisterenmiddag de bliksems, de dreiging, mijn angst.     Een tiental uur geleden wandelden ik en Mariama op onze blote voeten over een laatste duin. Zoals altijd was het spannend om eerst het water te horen en dan pas de eerste glimp ervan op te vangen. En daar was de zee dan eindelijk: een vertrouwde kracht die nooit exact dezelfde vorm aanneemt. Bij een absoluut klare lucht zouden we het Afrikaanse continent van de horizon kunnen onderscheiden. Nu konden we het vanaf het strand in Malaga slechts inbeelden … dromen. De droom van zoveel vluchtelingen om aan onze kant van de Middellandse Zee te staan, vergezelde onze gedachten en weigerde onze gesprekken te verlaten. Bijna letterlijk: de droom van een vrouw naast me op dit Spaanse strand, leefde een vijftal jaar geleden zelf aan die andere kant, voorbij onze horizon. Ze was als vluchteling naar het rijke westen gekomen, het alom bekende verhaal. Weeskind word je niet alleen als je je beide ouders verliest, wees word een mens ook als je je dorp, je jeugd, je wortels tegen je eigen wil moet verlaten. Mariama was wees in beide betekenissen en was haar land Guinee ontvlucht na deelname aan antidictatoriale studentenprotesten en de daaropvolgende gevangenschap. Ooit verschuilde ze zich op een schip met bestemming onbekend. Zij giste richting Sierra Leone. Het werd Zeebrugge, België, Fort Europa, Babylon.   Vandaag werden we bedwelmd door de grijze nasleep van een hele vakantie van ruzie tussen ons. Ruzie op haar beurt in de nasleep van het laatste half jaar waarin we oeverloos geprobeerd hadden om voor haar een legale verblijfsvergunning in België te verkrijgen. Kleren maken de man, papieren maakten mijn vrouw. Illegaal zijn in Europa is als het voorportaal van de hemel binnenstappen, merken dat je slechts één poort verwijderd bent van de rijstpap en gouden lepels en pas dan leren dat je de broodnodige sleutel mist. Het is pas veel later -als je werkelijk binnen bent- dat je beseft dat hemel en hel slechts twee letters van elkaar verschillen en dat de Babylonische toren van vooroordelen, bureaucratie, kansarmoede en het innerlijke vagevuur dat je van thuis op je vlucht hebt meegenomen, eerder bij hel dan bij hemel aanleunen. Illegaliteit ademt gevaar. Met je fiets in de verkeerde richting van een eenrichtingsstraat rijden en een politieagent tegenkomen, staat gelijk aan het risico op pascontrole, gesloten asielcentra en deportatie.  Eenrichtingsverkeer en Europa… Het is evident dat dit zorgt voor een enorme stress op de prille relatie tussen een Belgische man met en een Guinese vrouw zonder papieren. Onze achtergronden konden moeilijk meer verschillen, maar ons doel was exact hetzelfde: een toekomst creëren voor onze relatie door een toekomst te creëren voor haar, met papieren. Of was het andersom? Het begon stilaan in mijn hoofd door te sijpelen dat een stabiele relatie met Mariama – op gelijkwaardige leest geschoeid- een utopie zou blijken. Het leek alsof ik alles had. Het leek alsof ik haar alles was. Ik was haar steun, haar beste vriend, haar begeleider in integratie, taal en studie, een plaatsvervangend vaderfiguur, rots in haar woeste branding en pas daarnaast ook geliefde en minnaar. Die combinatie van verschillende rollen in één persoon, leek onmogelijk vol te houden en maakte me onrustig en zelfs ongelukkig. De belangrijkste voorwaarde om tot herstel van dit verstoorde evenwicht te komen, was een officiële verblijfsvergunning, maar voorlopig zaten we vast in onzekerheid, ongelijkheid en onrechtvaardigheid – hét motto van het niemandsland van sans papiers. Mariama was haar identiteit kwijt en ook ik begon mezelf te verliezen…   Mariama had toestemming gekregen om tijdelijk binnen de EU te reizen en hier zaten we dan: op opklaringen te hopen boven het strand en boven onze relatie. Plots ontspande Mariama’s gezicht waardoor haar typerende stralende glimlach en aangeboren levensvreugde terugkeerde: ‘Ik hoor mijn dialect, ik hoor Fula!’ Tussen ons en de verst reikende golven zaten -of beter- lagen twee Afrikaanse mannen op het strand te drinken, te lachen en … Fula te praten. Enthousiast stapte Mariama op hen af, met mij in haar schaduw. Na nog geen vijf minuten deelden we gulzig hun zelfgemaakte cuba libres en stapten we over in het Frans, waardoor ik uit Mariama's schaduw kon treden. We ledigden onze glazen alsof we met elke slok het gekibbel en geruzie van de voorbije periode konden wegspoelen. Zoals een theatergordijn na een korte pauze weer opengaat, zo rolden de wolken naar rechts en links en kwam de zon in volle glorie tevoorschijn. Het spektakel kon beginnen.   Ik voelde me hemels dronken. Ik kwam in een roes terecht die je alleen in het midden van de dag kan bereiken en waarin je een rijk der mogelijkheden denkt binnen te stappen. Alles kon. En wat vooral kon, was net datgene wat die ochtend nog het meest onmogelijk geschenen had. Zonder om te kijken verliet ik de Guinese reünie en stapte de zee in. Hoewel ik best goed kan zwemmen, kan je me niet heel ervaren of getraind noemen. Het koude spel van de golven kon m’n dronkenschap slechts gedeeltelijk stillen. Ik zwom verder, rustte even, liet me door het water lieflijk wiegen en zwom voort. Na een onbepaalde tijd die me voorwaarts had geduwd, draaide ik m’n vermoeide door adrenaline geïnfecteerde lijf en even geschokt als euforisch zag ik in de verte de kustlijn met ons strand tot een enkel lijntje herleid. Tot mijn verbazing had ik wel drie verschillende badplaatsen in mijn vizier. Ik schreeuwde het uit. JAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA! Onmogelijk om mijn innerlijke schreeuw uit te drukken, uit te spuwen. Ik werd overdonderd door een flits, een gloed, een shot universum. Het oog van de storm is het beste punt en ik voelde de onzichtbare sterren om dit unieke moment heen draaien. Dit was vrijheid en ik zat in haar middelpunt. Nee, ik was vrijheid. Met zijn onbekende diepte onder me had de zee me ingesloten, verwelkomd, omarmd. Ik legde me op haar golven, ging op en neer in een blauwe wereld waar evenwicht en stabiliteit niet van belang waren; waarin beschreven papieren in natte vodden met blauwe inktvlekken veranderen; waarin geen land, geen grenzen, geen regels waren. Een plaats waarin ik mijn individuele vrijheid had herwonnen. Daar in die Middellandse Zee, tussen twee continenten, vond ik mezelf terug.     Ping, ping. Onze riemen mogen weer los. Het vliegtuig heeft de storm achter zich gelaten, de ijzige man ligt naast ons vredig te slapen. Ik denk nog een laatste keer terug aan die bewogen dag gisteren: aan hoe de door een overbezorgde Mariama verwittigde redders langs kwamen varen en me geboden om terug te zwemmen; aan de vermoeiende terugtocht naar het strand waar mijn geliefde boos en opgelucht op me wachtte.     En nu de terugtocht van dit vliegtuig met achter het raampje van rij zeven een blank-zwart koppel zonder benul dat de vrouw binnen het jaar, via het huwelijk met hem, haar papieren vrijheid zal winnen en dat de man zijn vrijheid - als een verdoken continent achter een bewolkte horizon, als een kalme zee achter te hoge golven, als een vliegtuig dat na een turbulente vlucht veilig landt – pas drie jaar later zal terugvinden wanneer zij elk hun eigen weg zullen gaan: zij thuis in België, hij de wijde wereld in.                        

Joachim Stoop
0 0

In de schaduw van de Jaguar.

  "Mijn volk is verspreid en verdwenen; als ik roep, hoor ik mijn stem in het hart van het woud, maar er weerklinkt geen stem ten antwoord - slechts de stilte omringt mij." KOLONEL COBB VAN DE CHOCTAW   Hoofdstuk 1: Dromen naar meer                                                                                       Nog 2 uur te gaan. Nog 120 minuten en ik weet of ik erbij ben. De laatste weken heb ik aan niets anders kunnen denken. Hoelang moet een commissie eigenlijk over zoiets beslissen? Ach … die mensen hebben vast zo weinig te doen dat ze er genoegen mee nemen om zenuwachtige types zoals mezelf te tergen. Rek het maar zo lang je kan, dat maakt het des te spannender! Ik en 9 andere laatstejaars biologie wachten al 2 maanden op de uitslag. 2 maanden kan je het geloven? Nu goed, ik moet misschien eerst eens uitleggen waarover ik het heb. Het gaat over een fantastisch project. Wel ja, een heel uitdagend project voor biologen gespecialiseerd in mammologie. Een project dat misschien mijn toekomst zal veranderen, tenminste als ik gekozen word. Het is de bedoeling dat de commissie één laatstejaars naar Brazilië stuurt om veldwerk te verrichten tussen de nazaten van de Yanomami! Ik hoor je al denken: "Wat heeft dat te maken met mammologie of zelfs biologie. Is dat niet meer iets voor antropologen?" Ha! Absoluut niet want hier komt het fantastische gedeelte van het volledige project! De Yanomami - indianen zijn uiteraard aangepast aan onze hedendaagse Westerse beschaving. Ze lopen er gekleed bij als wij, gebruiken gesofisticeerde voorwerpen, je noemt maar op. Maar wat wel zo gebleven is doorheen hun vele jaren van ontwikkeling is hun liefde en respect voor dieren. Uiteraard ook zoogdieren. En dit is de link: de uitgekozene student mag een jaar lang veldonderzoek gaan doen naar de bijna uitgestorven Panthera onca palustris. Gemakkelijker gezegd: de jaguar Saai? Absoluut niet! Dit is waar ik al mijn hele korte leventje lang van droom! Het gaat hier om iets buitengewoons dat ik gewoon niet kan of wil missen. Ik moet er bij zijn. Positief denken is het kernwoord niet waar? Zolang je er maar in gelooft? Nog 1 uur en 45 minuten. Ik ben op weg naar Brussel. Ik haat Brussel. Het is voor mij een grootstad waar persoonlijk contact niet langer een must is. Je bent niet langer een uniek individu maar gewoon één van de velen die daar rondlopen. Ik ben opgegroeid in Gent en ik kan je naar waarheid zeggen dat Gent werkelijk alles heeft zonder eigenlijk echt uit zijn voegen te barsten. Nu goed, als je niet aan de overbevolking door de studenten denkt. In vergelijking met Brussel is Gent toch veel beter? En als je in Gent studeert, waarom dan een commissie in Brussel? Het antwoord blijft voor mij alleszins een raadsel. Hoe is het eigenlijk mogelijk dat de tijd nu voorbij kruipt? Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Integendeel zelf. Mijn studies waren bijvoorbeeld in een flits voorbij. Ik heb het niet echt moeilijk gehad. Ik wist eigenlijk al heel vroeg dat ik me wou aansluiten bij een organisatie die voor de verandering eens niet uit was op winst. Een non – profitorganisatie dus. Ik heb te veel en te vaak gezien hoe het milieu lijdt onder de vraatzuchtige mens. Mijn vastbeslotenheid heb ik te danken aan mijn vader. Mensen zeggen vaak dat we 2 druppels water zijn. Misschien is dat één van de redenen waarom ik voor een studie biologie koos. Als je nu denkt dat mijn vader bioloog is dan heb je het goed mis. Je had de bal niet verder kunnen slaan. Hij is en ik citeer “ een investeerder in grootschalige logistieke projecten”. Ha! Een grote slokop wat natuur betreft , dat is hij! Hij gaat steeds op zoek naar unieke onbebouwde gronden en “cultiveert” het land dan door het te ontdoen van hun grootste schatten. De natuur en zijn originele inwoners. Ik heb het niet alleen over dieren. Neen, ook indianen, Bedoeïen, Toearegs, … Je begrijpt het plaatje wel. Ik wil het tegenovergestelde realiseren. Ik wil dieren en hun leefomgeving leren kennen, mensen ontmoeten die wel nog respect hebben voor hun omgeving. Ik herinner me nog het gezicht dat mijn vader opzette toen ik hem vertelde dat ik biologe wou worden. Hij keek heel neutraal. Ik vond dat hij zich eigenlijk heel goed hield. Hij vroeg met een uitgestreken gezicht: “en wat wil je daarmee bereiken? Je weet dat de geldkraan vanaf je 25ste dicht gaat hé. Je moet iets studeren waarmee je jouw eigen boontjes kan doppen.” Ik haat het als hij het over geld heeft, alsof ik alleen maar met hem spreek omdat hij geld heeft. Alsof alles wat ik zeg en doe direct of indirect de bedoeling heeft hem te pluimen. Nu goed, ik hield me kranig, trok me er niets van aan en zei “ik wil me inzetten voor dieren die me nodig hebben. Ik wil hen observeren en beschermen. Ik wil geen bureaujob, maar veldwerk.” Ik zag zijn antwoord net voor hij zich zonder één woord te zeggen omdraaide. Een knalrood gezicht. Ik vergeet het nooit! Daar had ik hem goed te pakken! Hij denkt vast dat ik het deed om hem te sarren. Misschien had hij gelijk. Maar vanaf dat moment ben ik vastbesloten om van mijn droom iets te maken. Ik was er niet langer op uit om alleen maar anders te zijn dan mijn vader en dat te tonen aan de hele wereld. Nee, ik was er op uit om mezelf te bewijzen in de maatschappij die aan mijn vaders voeten lag. een maatschappij die geen respect had of heeft voor hetgeen waar ik me voor wou inzetten. Ik wil mijn eigen ding doen. Ik wil niet gezien worden als mijn vaders dochter. Ik wil een eigen persoonlijkheid hebben, een eigen naam die voor zich spreekt. En dit ga ik op mijn eigen manier proberen te verwezenlijken. Iets wat hij trouwens zelf nooit gedaan heeft. Hij heeft het bedrijf van mijn grootvader, zijn vader, overgenomen. Gemakkelijk? Zeker niet, naar de pijpen van iemand dansen is nooit gemakkelijk. Maar het is niet wat ik wil. Ik heb een idealistischer beeld. En toen, op dat moment, besefte ik dat. Ik ben nu 23. Ik sta bijna op mijn eigen benen en sta te popelen om de wereld in te springen. Springen, niet stappen, wandelen of slenteren, neen! Springen. Ik wil dingen echt beleven, doordringen tot wat het leven te bieden heeft en wat ik het leven kan bieden. Alles wat ik heb in de strijd gooien om de wereld te veranderen. En dat moet nu beginnen. Ik kijk naast mij. Mijn moeder zit daar. Mijn mooie mama. Alhoewel ze al 50 is, ziet ze er maar 40 uit. Toch zie je dat haar gezicht droefheid uitstraalt. Droefheid maar ook liefde. Ze probeert mij moedig te houden voor de uitkomst straks. Ze neemt mijn hand vast en knijpt er lichtjes in. Ze staart in mijn ogen en probeert me te kalmeren met een blik waardoor ik me op slag de meest geliefde persoon op aarde voel. Ze merkt altijd wanneer ik aan het piekeren ben. Ze denkt vast dat het over de commissie gaat. Ze is altijd zo bezorgd. Mijn moeder is zowat het tegenovergestelde van mijn vader. Ze is zo lief. Ze heeft eigenlijk altijd onder de sloef gelegen. Neen, niet onder één schoen, maar onder de hele Brantano. Ze heeft nooit kunnen doen wat ze wou. Ze is vroeg getrouwd en dat heeft haar letterlijk getraumatiseerd. Verbaal, fysiek en emotioneel. Niets heeft hij heel gelaten. Op termijn is ze gevoelloos geworden tegenover hem. Ze negeert hem. Ze spreekt hem niet tegen als hij ergens zijn zinnen op gezet heeft, maar spreekt ook niet meer tegen hem als ze akkoord is. Wat eigenlijk toch nooit zou gebeuren. Die twee zijn letterlijk dag en nacht voor elkaar. Aarde en vuur. Wat eigenlijk een goede vergelijking is. Hoe hard het vuur ook raast. De aarde zal zwart kleuren, maar blijven bestaan. Ik ben de enige die er echt toe doet.. Het enige waar ze voor zal opkomen. Ze is er altijd geweest voor mij. Ik denk trouwens dat ze bij mijn vader is gebleven omdat ze angst had om mij te verliezen. Ze weet dat er niets opkan tegen de macht van zijn geld en zijn ijskoninginnen / advocaten. Ik denk dat ze gelijk heeft. Hoewel mijn vader weinig / niets? om mij geeft zou hij het niet kunnen verdragen dat zij mij zou opvoeden. Hij zou zich verslagen voelen en juist daarom zou hij haar willen verpletteren. En wat zou de buitenwereld wel denken? Dat is al reden genoeg om alles op alles te zetten om het enige wat ze heeft af te nemen. Mijn moeder heeft gedaan wat zij kon om haar grootste schat te behouden. Verduren. Aanpassen. Camouflagetechnieken toepassen. Dat is misschien eigenlijk ook wel een deel van de reden dat ik mijn vader zijn “raad” gedeeltelijk heb gevolgd. Ik ga op mijn eigen benen staan en zal nooit toestaan dat ik zo behandeld word. Geen man is dat waard. Ik schrik op uit mijn gedachten. De auto stopt! We staan voor de deur van één van die commissieleden. Oké … uitstappen en vooral blijven ademen. Ik stap uit de auto en voel me duizelig worden. De uitslag is nu opeens zo dicht bij. Alles wordt werkelijkheid. Of juist niet. Ik zie mijn dromen al aan diggelen liggen. Wat ga ik doen als ik niet aanvaard ben? Hoe kan ik dan zin geven aan mijn leven? Heb ik ergens in de hoekjes van mijn ziel nog een ander verlangen? Neen … Ik voel mijn hartslag versnellen, zie de grond onder mijn voeten bewegen alsof ik in snelstromend water beland ben, ik krijg het koud. Mijn moeder die ondertussen uitgestapt is ziet mij naar de grond staren. Ze beseft dat ik in de war ben. Ze weet hoe erg ik naar een uitweg heb verlangd. Ze verlangt mee met mij. Als ik ga, gaat er een deeltje van haar mee. Een deeltje dat dan toch vrijheid krijgt na al die jaren. Ze slaat haar arm rondom mij en duwt me lichtjes vooruit. “Weet je? Ik ben gisteren naar de kapper gegaan en daar ben ik Jenny tegen het lijf gelopen.” Ik kijk haar verbaasd aan. Wat doet ze nu? Over koetjes en kalfjes beginnen? Ach ja, ze probeert me af te leiden. Ik glimlach en speel mee. “Is ze opnieuw verdikt?” Mama beseft dat ze mijn aandacht heeft en begint ronduit te vertellen. “Ja! Ontzettend. Toen ze 25 jaar was had ze een maatje 36. Maar, dat weet je hé. Na haar bevalling is ze de extra kilootjes nooit meer kwijt geraakt en kon ze zich amper nog in een maatje 40 proppen. Maar nu! Een 46! Je gelooft het nooit. Ik kon de verbazing en afschuw amper van mijn gezicht houden toen ik haar zag. Hoe heeft ze zich ooit zo kunnen laten gaan? Ons figuur is toch het enige wat wij onderdrukte vrouwen hebben? We moeten ze niet alle voldoening geven. Toch?” Ze wacht mijn antwoord niet af maar brabbelt door over Jenny en haar figuur. Ik bekijk mijn moeder stiekem. Ze heeft inderdaad nog altijd een prachtig figuur. Ik wist niet dat ze haar figuur zag als haar laatste restje trots tegenover mijn vader. “Clara?” Oh? Ik kijk op uit mijn overpeinzingen en zie dat mijn moeder bedenkelijk naar me kijkt. Door een blik om me heen zie ik dat we in de wachtzaal gekomen zijn. De wachtzaal is zeer klassiek ingericht. Lang de randen staan een aantal Sheffieldzetels opgesteld waarin mijn medestudenten zitten. Normaal gezien zorgen dat soort zetels voor een rustige atmosfeer. Nu niet. Iedereen zit stijfjes in de lederen zetels. Hun rug raakt de leuning niet. Lijkbleek, wallen onder hun ogen. Weinig slaap gehad deze nacht? Join the club! Ik knik vriendelijk. Ik ontvang enkele knikjes terug en zie dat die blijk van erkenning het enige is wat ik van hen zal krijgen. Hun ogen vertellen me dat hun gedachten mijlenver aan het razen zijn. Wat een doods boeltje. Je zou denken dat het hier gaat om een wake. De aanblik van mijn medestudenten veroorzaakt een klik in mezelf. Welke uitkomst de commissie ook klaar heeft. Ik zal hem aanvaarden en niet bij de pakken blijven zitten. Ik heb te hard gewerkt voor mijn toekomst. Als dit mijn uitweg niet is, dan staat er een volgende kans om de hoek te wachten. “Clara?” Ik richt mijn blik op mijn moeder, de vastberadenheid staat zeker op mijn gezicht te lezen want ze lacht. “Dat is de Clara die ik ken. Heb steeds vertrouwen in jezelf. Positief denken is al de helft van de te overwinnen moeilijkheid.” Ze kijkt even naar de grond. Ik besef dat ze ook nerveus is. Ze neemt mijn handen, kijkt me aan met een blik die wil onderzoeken welke gevoelens er diep binnenin me borrelen en begint te fluisteren. “Clara, je weet dat ik 100 % achter je sta. Ik heb eigenlijk bijna geen twijfels over de uitslag van de commissie.” Ik onderbreek haar ogenblikkelijk “Je bent zeker van de uitslag? Wat bedoel je daarmee?Wat …”Ze zwaait met haar hand de kwestie weg. “Clara, doe jezelf niet dommer voor dan je bent. Denk goed na en je ontdekt het antwoord dat diep binnen in je verscholen ligt. Dit gaat over iets anders. Wanneer je vertrekt naar Brazilië, vertrek ik ook.” Mijn geest krijgt opeens meerdere alarmerende gedachten te verwerken. Verschillende sirenes gaan tegelijker tijd af en even weet ik niet op welke gedachte ik me eerst moet richten. Zoals altijd komen ze allemaal tegelijk uit mijn mond. “Vertrekken? Waarheen? Samen met mij? Bedoel je dat ik je hiermee pijn doe?” Voor ik met nog enkele vragen op de proppen kan komen onderbreekt ze me opnieuw. “ Neen, neen, dit heeft niets met jou te maken. Of misschien toch.” Ze stopt even met praten en probeert haar gedachten te ordenen. Ze begint opnieuw. “Je weet dat ik van je hou. Zielsveel. Je bent mijn alles. Mijn hele leven. Correctie: jij bent mijn leven. Onthoud goed dat je altijd het voornaamste zal zijn in mijn leven. Maar, nu je vertrekt is dat niet meer voldoende. Ik wil meer van mijn leven.” Ze wacht even voor ze doorgaat. Ik kijk haar verwachtingsvol aan. Wat gaat ze nu doen? Het antwoord komt. Het is zowel schokkerend als verlossend. Zowel logisch als volledig onverwacht. “Ik ga je vader verlaten.” Ik open mijn mond, maar ze legt er een vinger op. “Neen Clara, laat mee uitspreken. Ik verlaat je vader. Ik heb voldoende verdragen. Ik ga proberen om het laatste wat er van mezelf rest een nieuwe toekomst te geven. Ik ga mijn kans grijpen nu jij de jouwe grijpt. Ik wil nog zoveel beleven, er zijn nog zoveel dingen waarvan ik droom. Ik kan dit gevoel niet negeren zonder het laatste dat rest van mezelf te doden. Begrijp je dat?” Ze zwijgt en wacht op mijn antwoord. Ik overpeins mijn antwoord. Op het moment dat ik het doe besef ik dat ik niet handel als mijn gewone ik. Maar ja, bepaalde situaties vragen nu eenmaal om een andere aanpak. Ik denk na over mijn antwoord. Ik denk na! Ik weeg de gevolgen af. Mijn gedachten gaan naar mijn vader. De uitbarsting die hij zal hebben wanneer hij beseft dat dit het einde is. Het effect dat deze wenteling op zijn leven zal hebben. Hij zal dit niet te boven komen. Verbitterd zal hij iedereen laten boeten die iets verkeerd doet. Ik denk ook aan mijn moeder haar leven tot nu toe, het leven dat ze voor zich zal hebben als niets onderneemt en het “nieuwe leven” dat ze nu wil leiden. Het leven dat ze tot nu toe alleen geleid heeft in haar dromen Ik orden mijn gedachten en wil haar antwoorden. De dubbele deur op het einde van de wachtzaal gaat plotseling open. Iedereen springt recht uit de Sheffields als gestoken van een hele zwerm bijen. De gedelegeerde van de commissie komt naar buiten. Het is een oude man met een brilletje op. Stanley Bronson. Ik heb hem vaak op de campus zien rondlopen. Wat een muggenzifter. Steeds op zoek naar zaken waarover hij kon klagen. “Piept die deur nu nog steeds? Mogen die studenten daar eigenlijk wel rondhangen? Ik kan me niet voorstellen dat een zelfrespecterende campus zoiets toestaat!” Stanley is van middelbare leeftijd en woont nog steeds bij zijn moeder. Dat is toch de roddel die rondgaat op campus. Nu goed, hij komt de wachtzaal binnen, duidelijk genietend van de aandacht die hij krijgt. Gebogen alsof hij een zware last draagt legt hij de laatste stappen af tot hij tussenin de kandidaten staat. Grappig eigenlijk. Hij draagt de last van alle zenuwachtige mensen hier in de zaal. De enveloppe trekt mijn aandacht. Deze enveloppe bevat mijn toekomst. En die van mijn moeder. Ik besef dat ik haar nu niet kan antwoorden. Of wel? Ik beantwoord haar besluit met een glimlach. Een glimlach waarin ik al mijn liefde voor haar leg. Een glimlach die vertelt dat ik achter haar sta. De afgevaardigde schraapt zijn keel. Mijn aandacht gaat plotseling volledig naar hem uit. Weg zijn de gedachten aan mijn moeder, vader, toekomst. Alleen dit moment bestaat. Nu gaat het gebeuren. De man kijkt even observerend rondom hem. “De uitslag van de commissie is bekend. Eén van jullie gaat naar Brazilië om daar onderzoekend veldwerk te verrichten naar de leefpatronen van de Panthera onca palustris.” De man mijmert door over wat er allemaal dient te worden onderzocht, geobserveerd, genoteerd, … Wie had gedacht dat hij de uitslag nog eens zolang zou uitstellen? Ik voel de neiging op terug in de fauteuil te ploffen. Die commissieleden kunnen er iets van! “Clara Jansens.” Ik schrik op. Wat? Kan die man gedachten lezen? Heeft hij gemerkt dat ik niet luisterde? Tikt hij me op de vingers? “Proficiat, dame, ik hoop dat je goed werk verricht.” Och! Mijn God! Ongelofelijk! De last die ik de voorbije weken op mijn schouders heb meegedragen valt in één keer volledig weg. Ik zou wel kunnen dansen. Ah, wat maakt het ook uit. Die valse strebers kunnen hier wat van leren. Lesje expressie. “ Jihaaaaa! Ik ben gekozen!” Uit mijn ooghoeken zie ik iedereen verrast kijken naar mijn heel uitbundige imitatie van de befaamde Jackons moonwalk. Hoofdstuk 2: Een hobbelig begin                                                                                       “Cookies, pretzels or peanuts?” Half in slaap kijk ik op naar de stewardess. Ze heeft een komisch blauw hoedje aan. Ik geloof dat de ontwerper van haar uniform terug wou grijpen naar de jaren 60. Jaren 60 aan de zee, want ik moet even met mijn ogen knipperen tegen al het overtollige helblauw. Schattig eigenlijk. De omschrijving schattig telt wel enkel en alleen voor haar uniform. Terwijl mijn blik van haar hoedje naar haar gezicht glijdt, besef ik dat jaren in de lucht een rampzalig effect gehad hebben op haar huid. Deze vrouw heeft duidelijk dringend nood aan een gelaatsverzorging. Misschien zelf iets drastischer. Botox? Lijkt me dweilen met de kraan wagenwijd open. Facelift? Check! De dag van vandaag is zoiets toch algemeen aanvaard? Niets om je voor te schamen. Minder reden alleszins dan om met zo’n gehavend gezicht rond te lopen. Ik roep mezelf tot de orde. Wat een slechte gedachte! Terwijl ze zo lief naar me kijkt. Ze wacht geduldig tot ik haar vraag beantwoord. Oja … haar vraag. Wat was die alweer? Waarschijnlijk is de verwarring op mijn gezicht te lezen want ze vraagt opnieuw: “Cookies, pretzels or peanuts?”. “Cookies” Natuurlijk! Geen reden om mijn dagelijkse suikershot te weigeren. De vrouw geeft me mijn speculaaskoekjes en duwt haar karretje naar de rij achter mij. Ik hoor haar zeker nog 10 keer dezelfde vraag stellen voor ze uit het gehoorsafstand is. Terwijl ik de koekjes opeet gaan mijn gedachten terug naar deze gisteren. De momenten na de uitslag van de commissie zijn eigenlijk behoorlijk wazig. Het enige wat ik me nog herinner zijn de jaloerse blikken van mijn medestudenten. Ze probeerden beleefd te knikken vooraleer ze het teleurgesteld afdropen. Een proficiat kon niemand van de 11 studenten over zijn lippen krijgen. Lelijke karakters. Daarom noem ik ze ook medestudenten en geen vrienden. Vrienden heb ik eigenlijk niet gemaakt op campus. Ik moet wel eerlijk toegeven dat ik niet zo’n sociaal type ben. Ik heb het vaak moeilijk om het eerste contact te leggen. Eenmaal die drempel gepasseerd is kan ik wel heel humoristisch zijn. Ik heb wel de lelijke karaktereigenschap dat ik behoorlijk veeleisend kan zijn. Ik sta bijvoorbeeld niet toe dat mijn vrienden me laten staan in moeilijke tijden, roddelen, geniepig zijn, geheimen hebben, niet te vertrouwen zijn, geen inhoud hebben, een laag intelligentieniveau hebben, … Ja, ik denk dat je het plaatje wel begrijpt. Moeilijk is een omschrijving die je wel op mij kan plakken. Maar hé! Als ik het zelf reeds besef is ’t al goed zeker? Zelfkennis is de eerste stap naar wijsheid. Om het beeld dat je nu van me hebt iets te verzachten moet ik dit wel vermelden. Eenmaal ik een vriendschap heb, ga ik er volledig voor. Ik geloof dat de uitdrukking door het vuur gaan voor iemand echt niet misstaat. Het afscheid van mama herinner ik me wel. Zij is eigenlijk mijn beste vriendin. Iemand die je nooit in de steek laat en er altijd voor je is. Onvoorwaardelijk. Ze was ondersteboven van geluk. Verrast was ze zeker niet. Ze wist dat “that one Lucky Bastard” zou zijn. Ze was er zelf zo zeker van dat ze alle plannen rondom haar vertrek al gemaakt had. Op dit moment is ze waarschijnlijk al bezig met haar spulletjes weer uit te pakken samen met Anne, haar beste vriendin. Anne en ik komen redelijk goed overeen. Het belangrijkste is dat ze van mijn moeder houdt. Ze komt steeds voor haar op. Mijn moeder heeft haar zelf eens moeten tegen houden. Ze ging het fysiek opnemen tegenover mijn vader! Stel je voor. Dat kleine tengere vrouwtje tegenover een boom van een vent. Ze zou zelf zijn ogen niet kunnen uitkrabben want die liggen volledig buiten haar bereik. Haar strijdvaardigheid en trouw tegenover mijn moeder is de reden waarom ik Anne aanvaard. Niet omdat ze zo buitengewoon is, maar omdat ze de beste vriendin van mijn moeder is. Punt! Voor altijd. Zulke mensen vinden in je leven is zeldzaam. Je moet ze vasthouden. Mijn moeder had ook mijn bagage al ingepakt. De stiekemerd! Niets hoefde ik nog te doen. Gewoon genieten van mijn laatste avond in België. Het zal welgeteld één jaar duren vooraleer ik terugkeer. En dan zal alles anders zijn. Misschien keer ik wel niet terug. Wie weet? Een wereldreisje misschien? Hallo? Aarde aan Clara … een wereldreis met welk geld? Typisch voor mij. Ik droom altijd over van alles en nog wat. Realistisch is echter nooit geen kernwoord. Belachelijk eigenlijk, maar toch doe ik het graag. Ik betrap mezelf heel vaak op dagdromen. Over reizen, mannen, ontdekkingen, avontuur, … Op het perron waar we afscheid namen, sloeg mama haar armen om me heen. Ze drukte me zo hard tegen zich aan dat ik het gevoel had dat ik breekbaar was. De tranen stroomden over onze wangen. Wat hebben we gezegd? Eigenlijk niets. Er was niets te vertellen. We wisten dat er geen contact mogelijk was. Geen internet. Geen brieven. Niets. Beiden waren we ervan overtuigd dat we elkaar ontzettend gingen missen. Ik bijvoorbeeld wist dat er heel veel nachten in de toekomst zouden zijn dat mijn tranen het hoofdkussen in een klein poeltje zouden veranderen. Maar ja, in je leven moet je soms vooruit. Ik denk dat mijn moeder trouwens altijd al geweten heeft dat ik niet bij de pakken zou blijven zitten. Als kind kon ik het niet en ik zal er nu zeker niet aan beginnen. Ze liet me uiteindelijk ontsnappen uit haar omhelzing. Nog één keer streelde ze over mijn wang, drukte een cadeautje in mijn hand en vertrok. Ze is niet blijven wachten tot de trein kwam. Ik begrijp haar. Het was te moeilijk. Ze heeft ons beiden veel pijn bespaard. Het cadeautje ligt nu in mijn hand. Er hangt een klein kaartje aan. Ik doe het open. Ik zie in een oogopslag dat overduidelijke handschrift van mijn moeder. Op sommige plaatsen zijn de letters wat uitgelopen. Haar tranen hebben haar kaartje bijna onleesbaar gemaakt. Ik streel met mijn vinger over de letters. Zo attent. Een heimelijke glimlach streelt mijn gezicht, tijdens het uitpakken van haar bagage zal ze ook een briefje vinden. Ze zal blij zijn en het in haar portefeuille bewaren. Ik richt mijn aandacht opnieuw op het kaartje, verzamel mijn moed en begin te lezen.   Lieve hartendief Ik geef je dit kaartje mee zodat je een 3 kleine deeltjes van mezelf bij jou hebt. Een deeltje dat jou zal steunen als je verdrietig bent, een deeltje dat in jouw geluk zal delen op zalige momenten en een deeltje dat alle momenten die jij beleeft ook wil ervaren. Ik hoop dat je een fantastische tijd beleeft, dat je groeit en evolueert. Maar vooral dat je een nieuwe manier van leven ontdekt. Ik hoop dat dit de eerste stap is naar een leven vol avontuur en bovenal vrijheid. Weet dat je altijd in mijn gedachten bent. Mama. Ik sluit het kaartje met prikkende ogen. Ik knipper eens om de tranen naar achter te duwen en steek het kaartje in mijn portefeuille. Haar attentie doet me denken aan jaren geleden. Aan één van de vele keren dat mijn vader een poging ondernam om de relatie tussen mezelf en mijn moeder af te zwakken. Hij stuurde me op internaat. Elke zondagavond ging ik met mijn valiesje de deur uit. Maar niet zonder een zijden sjaaltje van mama met een beetje parfum van haar. Mama had alweer een uitweg gevonden. We waren verbonden. Het geschenkje in mijn handen ziet er zo koddig uit. Ik maak het heel voorzichtig open. Zonder iets te scheuren. Er zit een vierkant, paars doosje in. Ik til het dekseltje voorzichtig op. Een glimlach verspreidt zich over mijn gezicht. Het is een dromenvanger. Op de achterkant van het dekseltje heeft mama geschreven “Sweet dreams”. Hoe is het toch mogelijk dat ze me zo goed kent. Soms vraag ik me af of ik ooit iets zou kunnen doen wat ze niet verwacht. Ik neem het hangertje uit het doosje en bevestig het rond mijn hals. Zachtjes speel ik er mee tot mijn gedachten overgaan in een diepe slaap. Ik loop in een bos. Het bos lijkt geenszins op onze Belgische bossen. Het is er zo kleurrijk. Exotische bloemen. watervangend planten. Ze groeien aan de grond, maar ook in de lucht op takken van gigantische bomen. Ze bewegen zachtjes heen en weer op een licht briesje. De geur is ook heel specifiek. Vol met allerlei aroma’s van planten, dieren en bomen. Er is mist. Ik zie heel weinig, alleen mijn directe omgeving. Ik voel een drang om voorruit te lopen. Al strompelend beweeg ik me door de dichte begroeiing. Mijn voeten stoten voordurend op van alles en nog wat. De mist aan mijn voeten is te dik om een poging te doen om de begroeiing te ontwijken. Nog voor ik de verandering kan zien in de omgeving, ruik ik ze in de geur van het woud. Een metaalachtige geur drijft naar me toe. Een kille luchtstroom doet de haartjes op mijn armen rechtstaan. Een meer strekt zich voor me uit. Of eerder een moeras. Dorst, zo’n dorst heb ik. Ik hurk neer. Maak van mijn handen een kommetje en wil wat water opscheppen. Ik schrik plotseling op door een innemend gegrom of gespin? Mijn ogen speuren de mistige omgeving af. Een kat zit op nog geen 6 meter van mij. Wat zeg ik? Een kat? Absoluut niet, een gigantische beest is een betere omschrijving. Het beest is gitzwart en vast bijna 2 meter lang. Ze zit gehurkt net als ik. Al denk ik dat ze met die positie een heel ander doel heeft dan water scheppen. Heel voorzichtig beweeg ik me naar het water toe. Mijn hart klopt in mijn keel. Het water is mijn enige uitweg. Ja, ik weet het. Katten kunnen zwemmen. Er hangt echter een tak in het water waaraan ik me kan optrekken. Ik koester één wens: hopelijk kan dat beest niet springen terwijl het zwemt. Want dan zal mijn ontsnappingspoging op niets uitdraaien. De daad bij het woord zettend, beweeg ik zachtjes naar voren. De kat gromt luider en sluipt dezelfde afstand dichterbij. Oei, oei, oei dit gaat verkeerd. Plan B. Ik schiet recht met de grootste snelheid die ik bijeen kan rapen en spurt het water in op zoek naar veiligheid. Ik zie uit mijn ooghoeken dat de kat in actie schiet. Voor ik met mijn ogen kan detecteren waar de het beest zich precies bevindt, voel ik een verplaatsende windvlaag mij voorbijgaan. Met één sprong staat ze opeens 2 meter verder dan mij in het water. Het moeraswater bereikt bijna haar schofthoogte. Ik kom met een ruk tot stilstand. In paniek zoek ik naar een andere uitweg. Ik voel mijn benen hevig trillen, heb moeite me te concentreren en uiterlijk kalm te blijven. Voor ik de uitweg gevonden heb zie ik dat de kat niet langer naar mij kijkt. Ze zit opnieuw in een gehurkte pose met haar rug naar me toe. Ze sluipt stilletjes achteruit. Opeens gaat mijn blik naar hetgeen wat de kat al veel langer moet opgemerkt hebben. Een alligator! Oh Shit! Ik draai me om en probeer vliegensvlug te strompelen. Mijn voeten worden bij iedere stap in de modder vastgezogen. Ik oefen steeds meer kracht uit en verlies daarbij een schoen. Ik negeer de uitstekende schoen die lichtjes dieper zinkt in het moeras en verdubbel mijn inspanningen. Het moeras uit! De stem van de piloot schalt door de microfoon. “Fasten your seatbelt and prepare for landing.” Ik moet in slaap gedommeld zijn. Mijn droom hangt nog vers in mijn geheugen. Ik voel de haartjes op mijn armen rechtstaan, een huivering loopt doorheen mijn lichaam. Wat een vreemde droom. Onmiddellijk denk ik aan het verklarende dromenboek dat op mams nachtkastje ligt. Mijn vingers tintelen om de droom op te zoeken en nader te verklaren. Wat natuurlijk niet kan omdat ik het boek simpelweg niet bij me heb. Uiterst jammer. Dat is trouwens nog zo’n eigenschap die mijn vader de stuipen op het lijf jaagt. Meneer “eerst zien en dan geloven”. Al dat spirituele gedoe kan hem gestolen worden. Een glimlachje glijdt over mijn gezicht. Mams vertelde me dat hij in de begintijd van hun huwelijk haar dromenboek altijd verstopte. Het gaf hem rillingen te denken dat zijn dromen enige betekenis konden hebben. Kreeg ik daarnet ook geen rillingen? Misschien lijkt ik toch meer op hem dan mijn hart lief is? Ik kijk rond me. De lichtjes, die aangeven dat we onze veiligheidsgordel moeten aandoen, flikkeren. Het bekende tintelende gevoel in mijn buik vertelt me dat het vliegtuig net een duik omlaag heeft genomen. Ik grijp naar de twee uiteinden van de gordel en merk dat de dromenvanger nog steeds op mijn schoot ligt. Hoe ironisch. Moet die niet voor goede dromen zorgen? Voorzichtig berg ik hem op en wacht ongeduldig tot ik mijn eerste stapjes kan zetten naar mijn nieuwe leven. Misschien niet zo spectaculaire stapjes als Neil Armstrong, maar wel grensverleggend voor mijn eigen leefwereld. En op dit moment is dat ruim voldoende. Terwijl ik dit doe zwermen de instructies van Stanley Bronson door mijn gedachten. “ Je zal landen in de staat Roraima. De luchthaven is gebouwd nabij de hoofdstad Boa Vista. Roraima grenst aan Venezuela in het noorden. In het zuiden ligt jouw doelgebied. De Amazone. Je weet trouwens toch waarvan de naam Boa Vista is afgeleid?” Hij neemt me kritisch op. Ik knik gretig en zet een gezicht op alsof hij een domme vraag stelt. Natuurlijk weet ik dat … niet! Gewoon knikken. Niets laten merken. Hij gaat door met zijn uitleg “ In Boa Vista moet je overstappen. Het volgende vliegtuig neemt je mee naar het zuidelijke gelegen Manaus. Hier begint het avontuur. Neem een taxi naar meest het zuidelijk punt van de stad. Hier vind je Travessia Manaus. Vanuit deze kleine aanlegplaats vertrekken een aantal boten. Het is niet, en ik herhaal niet, de bedoeling dat je één van deze boten neemt. Je moet echter op zoek gaan naar deze man.” Stanley duwt me een foto in de hand. Er staat een klein, bruin mannetje op. Ik kan niets noemenswaardig opsommen om dit dwergje te omschrijven. Er valt me gewoon niets op. Klein en rond. Behalve zijn ogen. Ze glinsteren van plezier. Je zou bijna zeggen dat deze foto voor een geliefde bedoeld is. De ogen brengen een liefde over waarvan ik even moet slikken. Stel je voor dat mijn vader ooit zo naar mijn moeder gekeken heeft. Een gevoel van verlatenheid overvalt me. Onwaarschijnlijk. Echte liefde is er nooit geweest. Nu ik er over nadenk heb ik nog nooit gezien dat een man onvoorwaardelijk van een vrouw hield. Jane Austen zat er goed naast. Ze leefde in een liefdeloze omgeving en zocht dan maar naar een uitweg via haar boeken. Had ze beter niet gedaan. Nu leven wij nog steeds in een maatschappij van vrouwen die naar liefde snakken en mannen die daar gretig gebruik van maken en zo nu en dan de stoelendans uitproberen. “Jack, is zijn naam.” Mijn aandacht keert terug naar Stanley. “Jack? Dat lijkt me geen natuurlijke naam voor een native.” Stanley kijkt aan met zoveel minachting dat ik me letterlijk 3 centimeter kleiner voel worden. Wat heb ik nu miszegt? Met een zucht besluit hij toch te antwoorden op mijn duidelijk uiterst idiote vraag. “De namen van de Yanomani zijn taboe. Ze worden niet luidop uitgesproken. Zeker niet bij vreemdelingen. Vandaar dat deze Yanomaniman zichzelf Jack heeft genoemd.” Hij bekijkt me alsof ik een uk ben van 3 jaar. Heeft hij het ultramoeilijke verschijnsel voldoende duidelijk uitgelegd? Hij heeft zeker al spijt dat ze mij uitkozen. Ik besluit het onbehaaglijke gevoel van me af te schudden. Ze kunnen immers toch niet meer terug. Ik geef hem een triomfantelijke glimlach. Hij knikt. “Goed, Jack dus. Hij zal je opwachten bij Travessia Manaus. Van daaruit brengt hij je met zijn boot naar zijn contactpersoon die je zal voor stellen aan een Yanomani stam die verder op langs de Rio Negro leeft.” Hij knippert met zijn ogen. Een bedachtzame blik glijdt over zijn gezicht. “Ik denk dat ik je hierbij voldoende informatie heb gegeven. Misschien nog enkele tips. Neem een kaart mee van het gebied, zorg dat je wat gelezen hebt over de Yanomani zodat je niet te veel flaters slaat en ons in slecht daglicht brengt. Vergeet je veldapparatuur niet zonder kan je immers geen goed werk verrichten.” Met een laatste knikje en een bijna onhoorbaar “Clara” draait Bronson zich om en schrijdt met langzame stappen de wachtzaal uit. Een enorme knal brengt me tot de werkelijkheid. Verschrikt kijk ik om me heen. De vrouw naast lacht minzaam. Zal ik daar maar uit afleiden dat er niets is misgelopen? Opeens stijgt er een daverend applaus op vanuit het vliegtuig. Een applaus? De vrouw naast me heeft haar minzaam lachje vervangen door een geërgerde blik. Ze geeft me een stoot en sist “Het is beleefd om de piloot te bedanken. Hij heeft ons veilig aan de grond gezet!” De grond? Ah! De grond. Brazilïe! Yanomani! Panthera! Here I come. Bedachtzaam doe ik mee met de kudde. Ik applaudisseer. De weg doorheen de luchthaven leg ik vlug af. Verdwalen doe ik niet. Volg gewoon de mensenmassa en je komt automatisch bij de bagageclaim, de uitgang en achtereenvolgens bij een taxi die je afzet waar je ook maar wil. De taxi is geel. Net zoals in de films. Ik trek de deur van de eerste taxi in de lijn open en plof me neer op de achterzetel. “Adondé?” De chauffeur kijkt me vragend aan. Wat vraagt hij nu in hemelsnaam? Mijn brein zoekt naar mogelijke oplossingen in de paar secondes die voorbij gaan. Mijn gezicht klaart op bij het vinden van een mogelijkheid. Als een bezetene begin ik mijn rugzak overhoop te halen. Typisch. Als je wat moet hebben zit het altijd volledig onderaan. Tegen de tijd dat ik alles uit mijn rugzak gehaald heb en de broodnodige “Spaans voor Dummies” gevonden heb tikt de bestuurder geërgerd op de kilometerteller/ tijdteller van zijn taxi. God, wat een ongeduldige man. Ik haast me bijna dood en dan nog zegt hij me op duidelijk verstaanbare wijze dat de tijd en dus ook de prijs vooruit loopt. Nu goed, ik schud mijn ergernis van me af en probeer me het woord te herinneren waarmee hij me aansprak. Die inspanning heeft duidelijk niet veel zin want niets springt me te binnen. Nieuwe poging dan maar. Ik zoek woord voor woord de zin op die ik probeer te vertalen. “Quiero ir Travessia Manaus.” Nu maar hopen dat hij mijn letterlijk vertaalde zinnetje begrijpt en ik zo toch in Travessia Manaus beland. De chauffeur kantelt even zijn hoofd opzij met een bedenkelijke expressie op zijn gezicht en knikt dan. Hij draait zijn sleutel om in het contact en geeft gas. In Hollywoodproducties heb ik veel taxichauffeurs gezien. Geen enkele van die bestuurders trekt ook maar in het minst op mijn bestuurder. Een uniek specimen is het. In de achteruitkijkspiegel lijken zijn ogen bijna gitzwart. De pupillen zijn amper te onderscheiden van zijn irissen, zo groot zijn ze. Zijn lange haar dat zijn gezicht omrandt, is in een soort carreetje gesneden. De kleur van zijn huid is zo vergelijkbaar met een lekkere café latte dat het mijn smaakpapillen in gang zet. Had ik maar wat meer gegeten op dat vliegtuig. Of beter nog : de Starbucks op de luchthaven een bezoekje gebracht. Want het eten was ronduit walgelijk. Gewoonweg niet binnen te krijgen. “Spaghetti Bolognèse” noemden ze dat. Het was eerder vergelijkbaar met een platgestapte moes van overrijpe groenten en slecht uitgekookte pasta. Dat is tenminste een vergelijking die mijn ogen en neus opmerkten want ik heb er allerminst van geproefd! Nu goed, de man voor mij is duidelijk een indiaan. Of heeft op zijn minst die genen. Hij behoort duidelijk niet meer tot een stam. Anders zou hij hier niet zijn. Wat me ook opvalt is zijn kledij. De eerste link die ik leg is Ocean eleven. Het uniform dat hij draagt is overduidelijk dat van een croupier. Een wit hemdje met daarboven een ondervestje dat je normalerwijze onder een vest draagt. Het vestje is knalrood. Ik kan nog net zien wat er in zwarte letters op zijn rechterborstkas gestikt is. MHC, Manaus Hotels & Casinos. De link tussen een taxichauffeur en een croupier is me even bijster. Hoe hard ik er ook over nadenk, ik kan me geen logische verklaring bedenken. Bijjob? Ik open mijn mond om een te vissen naar zijn achtergrond. Bedenk me en haal eerst mijn dagboek en een pen te voorschijn. Ik heb me voorgenomen om al mijn vergaarde kennis op te schrijven. Terwijl ik mijn gedachten neerschrijf gaat de melodie van Iggy pops passenger door mijn hoofd. “I am the passenger and I ride and I ride. I ride through the city's backsides. I see …. “ eenwegbordje in mijn oogveld springen met daarop “010 Acoatiara”. Acoatiara? Geen flauw idee waar dat ligt. Maar één ding weet ik wel! Ik moet helemaal niet naar een andere stad. Met een ruk snok ik mijn rugzak van onder mijn stoel, trek de rits bijna stuk en roefel opnieuw in de rugzak tot ik mijn stafkaart van Brazilïe te pakken heb. Mijn bevende vinger gaat haastig over de vele steden die mijn ogen bijna weigeren te lezen. Opeens zie ik het. Ik moet helemaal niet naar Acoatiara! Dat ligt volledig de andere kant uit. Hij rijdt naar het Westen, terwijl ik naar het Zuiden moet. “Hey! Travessia Manaus is where I am headed. Where are you taking me?” De taxichauffeur zijn ogen blijven vooruit staren. “Hey!” Geen reactie. Mijn hart begint te bonzen. Mijn gedachten razen. Wat te doen? Ik staar naar de deur naast me. Ik ruk aan het portier. Op slot. Opnieuw probeer ik de aandacht van de quasi-indiaan te trekken. Totaal geen respons. Ik weet niet meer wat te doen. Ik begin in paniek naar de voorbij rijdende auto’s te zwaaien. Ze zwaaien terug. Ze zwaaien terug! De idioten. Zien ze dan niet dat ik panikeer en niet de stomme toerist uit hang. Mijn blik gaat opnieuw naar de chauffeur ik kan hem niet aanraken door het raampje dat ons scheidt, maar misschien helpt dit. Ik sla met alle kracht die ik in me heb op het raampje. Niets, nada, nopes. De rit gaat door. De man is zich van geen kwaad bewust. Zo lijkt het toch. Mijn uitbundige zwaaien, tieren, bonzen heeft zich vervangen door af en toe een angstige snik. Troostzoekend streel ik zachtjes over de dromenvanger. Tot ik lichtjes kalmeer. Mijn ademhaling wordt rustiger en mijn oogleden worden zwaar. Uitgeput val ik in slaap. Ik ben terug. Terug in het mistige, drassige moeras. Niet opnieuw! De rillingen teisteren opnieuw mijn lichaam. Het herinnert zich beter dan ik hoe beangstigend onze vorige ervaring was op deze plek. Ik kijk even rondom me en merk recht voor me meteen de fluoriserende ogen op. Opnieuw een alligator? Hoe dan ook. Ze blijven op een afstand. Ik weet dat het niet verstandig is om een wild dier je rug toe te draaien, maar toch doe ik het. Ik wil zo snel mogelijk een grote afstand tussen mezelf en die ogen scheppen. Weg ermee! Opnieuw voel ik de huivering die door mijn lichaam. Ik krijg het er koud van terwijl de temperatuur zeker oploopt tot 35 graden Celcius. Ik haast me vooruit. Strompel door het lage struikgewas en hoop tegelijkertijd dat ik op geen insecten stoot ter grote van mijn eigen handen. Als er iets is waar ik een nog grondigere hekel aan heb dan fluoriserende, achtervolgende ogen dan zijn het dieren met een teveel aan poten. Noem maar op, het maakt niet uit wat, als het dier meer dan 4 poten heeft dan kan de gedachte alleen al me de stuipen op het lijf jagen. Nu ik het toch over de duivel heb, wil ik even verifiëren of hij me nog aan het bespieden is. Ik draai me stiekem half om en sta op slag stil. Ik loop hier naar mijn eigen tijdgevoel al een halfuur te ploeteren en die ogen zitten nog altijd op precies dezelfde afstand bij me vandaan. Hoe is het mogelijk? Wat kan ik doen om dat beest kwijt te geraken? Opnieuw word ik uit mijn droom gerukt. De taxi is plotseling gestopt. Een gevoel van berusting gaat door me heen. Mijn luchtwegen staan weer wagenwijd open en de zuurstof die ik daardoor binnenkrijg geeft me een boost. Opgelucht kijk ik rondom me. De taxichauffeur kijkt geërgerd naar me terwijl hij met zijn wijsvinger op de taxiteller tikt. De rode digitale cijfers tekenen het getal 432. Wat? 432 real? Hoe is het mogelijk. Die idiote indiaan neemt me mee naar wie weet waar en ik moet betalen? Die man ziet het goed zitten. Ik tuur uit het taxiraampje en zie verschillende mensen rond de taxi lopen. Auto’s toeteren al. “Hoy! Or police.” Vult hij in gebrekkig Engels aan. Dit kan toch niet mogelijk zijn? De man wil werkelijk dat ik het geld ophoest. Moet ik het doen? Als ik betaal, ben ik tenminste van hem af. Ik neem dan gewoon een andere taxi. Terwijl ik naar mijn geld zoek slaat de twijfel toe. Moet ik zo gemakkelijk opgeven? Is dit het gedrag die mijn moeder me toont met haar moedige stap? Het is mijn schuld toch niet dat die man me duidelijk volledig verkeerd verstaan heeft? Hij zou beter eens langsgaan bij het brandweerdepartement! Niets van. Ik betaal niet! Op het moment dat ik dit besluit neem begint mijn hart als vanzelf te bonken. Het klopt zo hard in mijn oren dat ik de voorbijgangers op straat nauwelijks meer kan horen. Voorzichtig blijf ik veinzen op zoek te zijn naar het geld terwijl mijn actieplan bedenk. Ik werp een vlugge blik op mijn rechter zijdeur en zie dat het pinnetje al naar boven wijst. Het slot zal vast opengesprongen zijn bij het afzetten van zijn motor. Ik besluit het op een rennen te zetten. In één beweging scharrel ik mijn trekrugzak mee en gooi de deur open. Wat een geluk dat ik geen koffers bij me heb. Met een explosie van kracht duw ik mezelf af van de auto en probeer zo snel mogelijk bij de taxi vandaan te sprinten. Uit mijn ooghoeken zie ik de man uit zijn auto strompelen en achter me aan komen. Eenmaal hij op zijn benen staat is hij verassend snel. Naarmate ik verder spurt raken mijn benen vermoeid en de chauffeur lijkt van dat verschijnsel geen last te hebben. In paniek speur ik de omgeving af. Wie kan me helpen? De paniek zinkt door in mijn benen en ik voel ze tegelijkertijd verstijven. Niet nu! Ik ben nooit geen hardloper geweest. Had ik vaderlief toch maar geloofd dat het in bepaalde situaties mijn leven zou kunnen redden. Had ik me toch maar ingeschreven in die vervloekte atletiekclub. Te laat daarvoor. Ik de gebouwen langs me voorbij gaan. Te langzaam. De man is nu minder dan 2 meter van me verwijderd. Hij roept me niet na. Wat me op zich al angst in boezemt. Blaffende honden bijten niet? Ha! Deze hier blaft niet. Terwijl ik me steeds meer op de man achter me concentreer, verlies ik mijn vluchtweg uit het oog. Ik bots frontaal op een passant. Door de impact beland ik languit op het voetpad. Niet aarzelen nu. Ik probeer alweer recht te krabbelen als mijn arm wordt vastgegrepen. Nee! Wat nu? Verwilderd en tegelijkertijd bevend van angst kijk ik rondom me op zoek naar een mogelijkheid. Hé? Ik zie de taxichauffeur net zwaar ademend halt houden voor mijn neus. Wie? Het is de voorbijganger die mijn arm vastheeft. Hij draagt het uniform van een portier. Volgens zijn naamkaartje heet hij Juan Carlos. Achter hem rijst inderdaad een groot hotel op. El transeunte. De portier heeft een rond gezicht met grote bruine reeachtige ogen. Het boezemt me vertrouwen in. En ik denk dat mijn intuïtie gelijk heeft want zijn houding veranderd van vertrouwenspersoon naar buitenwipper als hij de chauffeur in zich opneemt. “Whatstheproblem?” euh…? Hij spreekt de woorden zo snel na elkaar uit dat ik er eigenlijk weinig of niets uit kan opmaken. Spaans? Engels? “What the problem?” Herhaalt hij. Hoorbaar laat ik een zucht van verlichting horen. Misschien kan deze man me toch helpen? Ik leg hem het hele verhaal uit. Dit is niet de plaats waar ik hoor te zijn! Charlie hoort mijn verhaal geduldig aan. Het moet wel snel gaan want een eind verder hoor ik het claxoneren van de auto’s steeds luidruchtiger en agressiever worden. Straks wordt er eentje zo kwaad dat hij woest naar ons toe stapt. Tegenwoordig weet je trouwens nooit wat ze op zak hebben. Een kettingzaag? Brr een rilling doorkruist mijn lichaam. Juan interpreteert mijn zichtbare rilling voor angst van de chauffeur en vat de koe bij de horens. Hij begint een zachtaardige monoloog met de duidelijk gestoorde chauffeur. De monoloog houdt aan. In het begin hoor ik nog af en toe vragende pauzes afkomstig van Juan maar hij geeft het snel op. Uiteindelijk hoor ik dat zijn stem een strenge naklank krijgt. Juan maakt ook een wuivend gebaar waarvan de minachting afdruipt. Meneer vertrouwenspersoon is absoluut vervangen door de held van de dag. Een triomfantelijk gevoel glijdt door mijn lichaam en ik voel dat een glimlach mijn gezicht in tweeën splijt. Gelukt! De bestuurder haalt zijn schouders op en druipt het af. Ik wil Juan omhelzen van geluk! Ik temper mijn uitbundige reactie en geef hem een hartverwarmende glimlach in de plaats. Je weet maar nooit. Ik wil geen twee keer op dezelfde dag in de problemen geraken met deze Braziliaanse mannen. Juan beantwoord mijn glimlach. Terwijl hij met zijn hand hoog in de lucht wuift, voegt hij eraan toe “ Watch out. Many brazil people addicted.” Ik frons even. Hij probeert zichzelf te verduidelijken “Drugs. Addict.” Het verkeer voor ons rijdt ondertussen alweer vlotjes door. De verslaafde taxichauffeur zal de weg terug gevonden hebben naar zijn auto. Een andere taxi, geroepen door Juan, stopt voor de stoep. Juan Carlos tuurt even bedachtzaam naar het gezicht van deze bestuurder. En knikt uiteindelijk. “Travessia Manaus.” Hij geeft me nog een toegeeflijk glimlachje en buigt zachtjes. En weg ben ik.

Stéphanie De Backer
0 0

Luciana

Mijn moeder had me ooit verteld dat ik na de verdwijning van mijn vader, elke nacht al wenend wakker werd en om mijn papa riep. Ik heb nooit aan iemand verteld wat ik droomde en na al die tijd was ik het zo goed als vergeten, maar nu kwam de herinnering aan wat er toen was gebeurd terug boven. Ik dacht er zo min mogeliijk aan, want het liefste wou ik gewoon alles vergeten. Maar in mijn dromen kon ik het niet tegen houden het enigste wat ik kon doen was die vreselijke ene dag, die heel mijn leven veranderde, weer herbeleven. Steeds weer opnieuw. 11 jaar geleden ‘Kom prinsesje, pak mijn hand maar vast. Het bos is enkel langs de buitenkant eng, binnen tussen de bomen is het een prachtige wereld vol magie.’ ‘Is er magie?’ vroeg ik aan papa. ‘Ja inderdaad prinsesje, er is daar magie net zoals er magie in jouw schuilt.’ Papa gaf een tikje op mijn neus en ik giechelde. Toen ik opkeek had hij opeens een lelie in zijn hand.‘Deze is voor jou kleine meid.’ ‘Ooh zo mooi!’ ‘Moet ik hem in je haar steken?’ ‘Ja!’ gilde ik terwijl ik blij op en neer sprong en in mijn kleine handjes klapte. Papa stak de bloem in mijn haar. ‘Kom je nu met me mee prinsesje?’ ik knikte en pakte papa’s hand. Samen liepen we het bos in. Mijn ogen werden zo groot als schoteltjes de bomen waren groot maar niet intimiderend. De bloemen en het gras op de bodem waren betoverend. Ik keek naar papa op, hij was naar me aan het kijken. ‘Ik zei toch dat het bos niet eng was.’ ‘Je hebt gelijk papa.’ ‘Kom ik wil je naar een speciale plek brengen.’ Ik greep papa’s hand nog steviger vast en volgde hem. We waren door het bos aan het wandelen, toen papa abrupt stil stond. Hij trok me achter zich en keek snel rond. Papa draaide zich naar me om en hurkte voor me neer. ‘Luciana, prinsesje van me ik wil dat je je daar verstopt.’ Papa wees naar een holle boom verborgen achter een stel struiken. ‘Waarom papa? We gingen toch naar die speciale plek?’ ‘Ja dat weet ik prinsesje. Maar dat zal voor een andere keer moeten zijn. Maar nu wil ik dat je je in die boom verstopt en er niet uitkomt tot papa je komt halen, maak geen enkel geluid en laat je niet zien. Het is voor je eigen veiligheid. Beloof me dat je er niet uit komt, ik ga je een amulet geven het is heel belangrijk dat je het goed bij je houd, wat er ook gebeurd verlies het amulet niet. Want het is heel belangrijk.’ ‘Oké papa’ ‘Beloof het me.’ ‘Ik beloof het papa.’ ‘Goed zo, ga nu naar die boom en verstop je.’ Ik liep naar de boom en verstopte me in de holte. Ik keek naar papa en zag hem het amulet uit doen, dat ik moest gaan beschermen. Het amulet zag er prachtig uit, op de voorkant stond een lelie gedrukt met op de achtergrond sierlijke krullen. Het amulet was gemaakt van het puurste goud met een fijn gouden ketting voor rond mijn nek. Papa opende het amulet en liet een foto zien van ons vieren, mama en papa aan de buitenkant, ik en mijn oudere broer Senne stonden tussen ze in. ‘Hou dit goed bij je, verlies het nooit het is belangrijk.’ Papa hing de ketting rond mijn nek. ‘Ik ben bang papa.’ ‘Je moet niet bang zijn, ik kom terug.’ Hij verplaatste wat struiken zodat de ingang van de boomholte niet meer zichtbaar was. Ik kon nog door een paar gaatjes kijken. Hij ging achter een boom staan en trok van uit zijn jas een zwaard, het lichte groen op. Er naderde een paar mensen, ze hadden alle drie een zwaard met op het handvat het teken van de vampiers. Twee halve manen naar elkaar toe gedraaid met in het midden een zes puntige ster en onderaan de punten van de manen hing er één druppel engelen bloed. Angstig pakte ik het amulet vast en keek naar papa. Hij drukte zijn hand tegen de boom en er ging een groene gloed de boom in, de takken boven één van de vampiers buigden naar hem toe, ze wikkelden zich rond zijn lichaam en hals. De man maakt een stikkend geluidje en de twee andere vampiers zagen het. De tweede vampier gaat er op af en hakt met zijn zwaard een tak doormidden. De eerste vampier met zwart haar kijkt ondertussen rond, hij driegt op mijn schuilplaats aftekomen, papa ziet het en komt achter de boom tevoorschijn. Met zijn groen gloeiende zwaard valt hij de zwart harige vampier aan, de vampier wijkt juist uit en papa kan hem alleen maar een diepe snee in zijn rechter arm bezorgen. De vampier wijkt niet uit en gaat meteen ten aanval. Zwaarden kletteren tegen elkaar terwijl ze vechten. Als ik naar de andere vampiers kijk zie ik ze nog steeds vechten met de magische takken van mijn vader. De vampier waar papa tegen vecht wind terrein, papa staat bijna tegen een boom gedrukt. De man breekt door zijn verdediging en maakt een snee op zijn borstkas goudkleurig bloed besmeurt zijn T-shirt. Mijn vader krimpt even in elkaar en dat is genoeg om de gevaarlijke vampier de kans te geven, hij geeft hem een stoot met het handvat van zijn zwaard. Papa valt bewusteloos op de grond. Ik wil naar hem toe rennen, maar doe het niet ik had het beloofd aan papa. De zwart harige vampier gaat de andere twee vampiers helpen en snijd in één keer alle takken door waardoor vampier nummer drie op de grond valt. De zwartharige vampier praat voor het eerst. ‘Jullie stelletje sukkels jullie kunnen ook niks goed doen, in de tijd dat jullie hebben zitten spelen heb ik een engel gevangen.’ ‘We zaten niet te spelen, we werden aangevallen.’ ‘Door een plant! Stelletje sukkels! Laten we nu gewoon die engel meenemen we zien nog wel wat we met hem doen.’ ‘oké, baas.’ De twee vampiers die duidelijk onder het bevel stonden van de vampier met zwart haar gingen naar mijn vader en pakte hem elk bij een arm. Ze sleurde papa over het gras tussen de bomen. Dat was de laatste keer dat ik hem zag. Ik weet niet hoelang ik daar heb gezeten misschien een paar minuten, een paar uur of zelfs wel dagen ik kan me alleen herinneren dat ik mijn naam hoorde roepen, maar niet antwoorden omdat ik het aan papa had beloofd. Hij zou me komen halen. Maar dat deed hij nooit. Uiteindelijk vond mijn eigen broer me. Hij was maar negen. Hij vroeg of ik er uit wou komen, ik weigerde omdat papa me zou komen halen. Mijn broer zei dat ik niet weg mocht gaan en hij liep weg. Zo wachtte ik een tijdje. Totdat mama door de bomen kwam wandelen. Ze viel op haar knieën voor me en trok me uit de boomstam. Ze was niet boos op me en het enigste wat ze deed was mij en mijn broer stevig vast pakken terwijl de tranen over haar wangen rolden. Mama pakt me op en greep Senne’s  hand vast. Ze loopt zo snel mogelijk bij de plek weg en sleurt Senne mee. ‘Waar is papa?’ vraagt hij. ‘Papa is weg.’ Mama begint terug te huilen en in Senne zijn ogen staan nu ook tranen. ‘Nee dat kan niet!’ Roept hij snikkend. Hij probeert zich los te rukken en terug te lopen, maar mama weigert hem los te laten. Ik kijk over mama’s schouder en probeer de takjes die boven mijn hoofd hangen vast te grijpen. Ik krijg er een te pakken maar een scherpe doorn steekt in mijn handje en ik laat het los. Bloed stroomt uit de wond. Ik ween om de pijn en roep om papa. Mama drukt mijn gezicht terug tegen haar schouder zodat ik niks meer kan zien. Ik grijp het amulet dat rond mijn nek hangt stevig vast. Het is het enigste wat ik nog van hem over heb en wat er ook gebeurd ik zal het altijd bij me houden. Dat zweer ik.

Ranja
0 0

Lul

Op de bus. Hij was net ontwaakt uit de sluimerige droomwereld waarin hij was meegezogen door een spannend boek. Hij was nog net bezig het boek terug in zijn lederen boekentas te steken toen hij het hoorde. Ding! Iemand wilde er aan de volgende halte af. Op zich geen probleem, ware het niet dat de volgende halte de eindhalte van deze lijn was en er dus totaal geen reden tot bellen was. De chauffeur zou hier in ieder geval stoppen en iedereen zou de bus moeten verlaten, of ze nu wilden of niet. Op dit moment kwam de oude sarcastische lul in hem naar boven en maakte de fnuikende opmerking: ‘pfff, gij pakt ook dikwijls de bus zeker!’. Hoewel deze stem enkel in zijn hoofd te horen was, schrok hij van zijn plotse aanwezigheid. Het was vooral de volkomen natuurlijkheid waarmee deze stem zich manifesteerde waarover hij verbaasd was. Het is het soort stem waarvan, moest iemand anders ze openlijk gebruiken, hij een gevoel van medelijden kreeg bij de gedachte dat de eigenaar van de stem wel diep ongelukkig moest zijn om zich zo druk te maken in zulke pietluttigheden. Hij wist altijd wel dat een dergelijke stem in hem aanwezig was. Hij ging ervan uit dat iedereen een dergelijke stem in zich had, sluimerend in het onderbewustzijn. Zo ging hij er ook van uit dat iedereen een grapjas, een bemiddelaar, een optimist, pessimist, oude vrijster, vaderfiguur en zelfs een psychopathische moordenaar in zijn psyche verborg. Het ging er uiteindelijk alleen maar om welk deel van je geest je de toestemming gaf om naar voren te komen en te groeien. Maar wanneer was sarcastische oude lul bij hem beginnen groeien? Wanneer had hij sarcastische oude lul naar voren laten komen? Terugdenkend aan hoe natuurlijk de stem zich had gemanifesteerd, moest hij toch al lang genoeg de kans hebben gehad om te groeien. Deze oude lul was geen amateur. Hij probeerde terug te denken wanneer hij deze stem de eerste keer had gehoord. Hij kon zich niet voorstellen dat hij de lul als kind al had toegelaten. Toch kon hij zich geen officiële première voor de geest halen. Was hij nog tiener, was hij al twintig geweest, was hij al vader? Plots kwam als één of andere guerrilla strijder een veel beklemmender gedachte bij hem op. …valt de lul nog te stoppen? Is dit de toekomst die ik tegemoet ga? Om de rest van mijn leven op alles met een afschuwelijk sarcastische gedachte op de proppen te komen. Zal ik zo iemand worden die deze gedachte uiteindelijk ook de kans geeft om te pas en te onpas uit mijn mond te komen? Alsof hij deze verschrikkelijke gedachte wou bevestigen en kracht bijzetten, sprak de verbitterde oude lul weer: “En dan gast!” Hij besloot zich hier niet meer druk over te maken. Druk maken was enkel voedsel voor de lul. Het zou wel een logische reactie zijn op een busreis. Leek iedereen op de bus immers niet sarcastisch en verbitterd? Het zou wel een simpel gevolg zijn van het feit dat er op zo’n bus immers enorm veel is om zo op te reageren. De Lijn is een goede kweekbodem voor sarcastische oude lullen. Het beste bewijs hiervoor zijn waarschijnlijk wel de chauffeurs! Deze laatste gedachten leken hem enigszins gerust te stellen. In werkelijkheid was het enkel de oude sarcastische lul die zich tevreden een beetje terugtrok. Tevreden over het vele voedsel dat hij met deze laatste gedachten had gekregen. Volgevreten en gelukzalig trok de lul zich terug in een sluimertoestand, met nog net genoeg tijd om  tevreden te denken: “..straks,..straks weer … met de bus naar huis toe.”

Rule
0 0

Cirkels

Ik zie gras dat groen schijnt, zon die wegglijdt, jasmijnbomen in bloei, licht dat naar het westen verschuift. Soms ook een duif die me negeert. Wanneer ik op het glas tik, vliegt ze weg. Andere vogels maken een omweg wanneer ze mijn tuintje naderen. Je zou je haast afvragen waarom ik aan dat verrekte raam ga staan als niemand mij een blik gunt. Ik heb mijn redenen. Zo controleer ik of de kippen nog leven. Sinds een jaar ben ik opgehouden met hen te voederen, maar ondanks hun uitgemergelde lijfjes strompelen ze hier nog steeds rond. Ik begrijp niet hoe ze het voor elkaar krijgen. Om voedsel te scharrelen, kunnen ze enkel in mijn tuintje van vier op vier terecht. Daarom verdenk ik de buurvrouw van medeplichtigheid, die van het tweede raam op het vijfde verdiep. Mijn tuin is haar uitzicht, mijn kippen kent ze al lang. Ze durfde er vroeger al eens een babbeltje tegen te slaan. Zonder mijn toestemming. Dat was schrikken. Die schrille stem die plots op je gras tuimelt. Mijn kippen antwoordden haar nooit. Ik wil niet beweren dat ze dat arrogant bedoelden. Ik denk dat ze daar gewoon geen zin in hadden, in die nasale klanken. Niet dat ik die mening met mijn kippen deelde. Ik liet hen betijen omdat ik hield van hun smeuïge eitjes. Tot ze op een late herfstdag in mijn vingers pikten omdat ik hen een vers gelegd ei probeerde te ontfutselen. Toen heb ik besloten hen uit te hongeren. Dat is nu een jaar geleden. Maar de krengen houden vol, bijna vederloos en tot bloedens toe. Ze geven niet op. De laatste weken fantaseer ik wel eens dat ik hen vanuit het raam bewerk met een pistool. Ik zou hen de laatste veren van hun billen schieten. En hen voor dood laten liggen. Het ontbindingsproces van een kip heb ik nog nooit van nabij gevolgd. Wel dat van een ander vogeltje, dat lang geleden tegen het raam was aangevlogen. Het lag dood op mijn terras. Ik heb het zien bevriezen en ontdooien. De veren en het vlees geleidelijk zien wegteren – die verdwenen zomaar zonder een spoor achter te laten. Het karkas is een tijdlang goed bewaard gebleven, maar dan…foetsie. Ik vermoed dat een of andere kater uit de buurt het meegesmokkeld heeft. Als speeltje. Het voelde vreemd aan, die lege plek op mijn terras. Ik was gehecht geraakt aan dat skelet. Ik miste het. Mijn kippen zou ik niet missen. Die snuisteren hier al lang genoeg rond. Helaas bezit ik geen pistool. Dus moet  ik berusten in hun aanwezigheid. Naar buiten gaan om me een wapen aan te schaffen, is geen optie. Dat lukt me nooit. Vroeger heb ik nog een aantal pogingen ondernomen, maar de mislukkingen stapelden zich op, tot ik besloot een grens te trekken aan de dorpel van mijn deur. Die steek ik nooit meer over. De wereld eindigt daar. Mijn levenswandel beperkt zich tot mijn slaapkamer, mijn keuken, mijn badkamer en mijn woonkamer. Daarom tuur ik vaak door het raam, soms zelfs een hele dag lang, zonder mij te verroeren. Elk wolkje zie ik voorbij drijven. Èlk wolkje. Er zijn ook dagen dat ik verplicht ben naar het egale blauw te staren. Niets saaier dan een heldere hemel voor mij. Lichtjes beangstigend ook, die uitgestrekte open ruimte. Wanneer er een vliegtuig of een vogel dat immense vlak doorklieft, voel ik me opgelucht, valt de spanning weg. Op andere momenten kan daar-buiten me ook ontzettend vervelen. Het gekrioel van blaadjes en grassprieten, het getjilp van onzichtbare mezen, de radio van de buren – en die van de andere buren – , het onbeweeglijke beton. Dan sluit ik de gordijnen. Ik weet dat mijn vis het niet kan verdragen wanneer ik dat doe, maar hij kan mij gestolen worden. Intellectuele gesprekken heb ik met hem nog nooit gevoerd en iedere twee weken moet ik zijn bokaal uitwassen want hij schijt alles onder. Op de momenten dat ik hem niet probeer af te richten, zwemt hij in cirkels. Lang geleden heb ik wel eens aan de wc-bril gestaan –  het gekriebel van zijn staart in mijn hand – maar toen beeldde ik me in dat hij langs ettelijke riolen in de open zee zou belanden. Een klein goudvisje met uitpuilende ogen in die massieve blok water. Het idee alleen al deed me sidderen. Daarom staat hij nog steeds op mijn tafel en zwemt hij dagelijks zijn rondjes. Zoals ik. Behalve op mijn vis ben ik tevens gesteld op mijn bananenplant en mijn orchidee, die altijd samen met mij door het raam turen. Het is hun vaste stek, links en rechts van mij. Ze leven op wanneer de zon door het raam naar binnen sluipt, kwijnen weg tijdens de wintervorst. In die duistere dagen bemest ik ze. Zoals ik mezelf bemest. Met koffie. Een extra kopje per dag. Dan staan we daar met z'n drieën, vrolijk in gesprek en met onze neus in dezelfde richting. Onze stelling is dat je daar-buiten pas ziet veranderen als je hem telkens vanuit dezelfde hoek onderzoekt. Dan merk je de allerkleinste details op, zaken die je anders over het hoofd ziet. Zoals een stukje gazon waar het gras een beetje sneller schiet. Een boom die bladeren huilt. Of een koppige bloemknop die weigert te bloeien. Die observaties geven me inzichten, van simpele ideeën tot complexe redeneringen. Ik hou ervan om gedachten en handelingen in wiskundige formules om te zetten. Ik ben een determinist, op alle vlakken. Strijden tegen biologische feiten, gevoelsmateries doorgronden of zich proberen aan te passen aan maatschappelijke conventies, is niet voor mij weggelegd. Geef mij maar het sublieme van de ratio. Pure ratio. Denken over het denken. Bijvoorbeeld: je begint bij een eenvoudige gedachte als ‘die boom lijkt elk moment te gaan omvallen’, waarna een hele reeks gedachten volgt, zoals ‘die gaat toch niet op mijn dak belanden?’, ‘dan moet ik een nieuw dak laten leggen’, ‘dan zal ik naar buiten moeten’, ‘dan zal ik doldraaien’, ‘dan bezwijm ik’, ‘dan kom ik in het ziekenhuis terecht’, ‘dan eindig ik terug in mijn huis zonder nieuw dak’. Zulke kettingen van gedachten probeer ik in wetmatigheden uit te drukken. Ik ben ervan overtuigd dat die bestaan. Alleen vergt dat tijd, veel tijd. Gelukkig heb ik voorraadkasten vol met tijd. Ik heb zelfs zoveel tijd, dat ik er gierig op word. Soms wil ik geen seconde delen. Soms wil ik dat alles en iedereen verdwijnt uit mijn tijd. Dan begin ik in alle talen te foeteren op allerhande internetfora in een poging het world wide web te doen leeglopen, wat meestal eindigt met een e-mail van de moderator van desbetreffend forum om mij te melden dat ik van desbetreffend forum werd verwijderd. Daarom moet ik mijn tijd in energie omzetten. Daarom groeide ijsberen, een ontzettend tijdrovende handeling, in mijn huis uit tot een beslommering. Ik moet nog ijsberen, denk ik dan. Of, ik heb nog niet geijsbeerd vandaag. Die gedachte springt nog voor het middagmaal in mijn hoofd. Meestal nadat ik al enkele uren door het raam heb staan turen. Het ijsberen verloopt steeds langs hetzelfde uitgestippelde traject. Ik vermoed dat ik onbewust een wiskundig patroon volg, maar niemand heeft me dat kunnen bevestigen. Nochtans heb ik het in bovenaanzicht nagetekend en op verscheidene internetfora geplaatst: van het raam naar de eettafel, waar ik twee keer rond wandel, vervolgens naar de keuken, tweemaal rond de keukentafel en vandaar de gang door tot in de badkamer, waar ik mijn spiegelbeeld groet, vervolgens naar de slaapkamer, waar ik vier keer rond het bed loop en dan in één ruk terug naar het raam. Die ijsbeerroute herhaal ik tien keer. Ik heb geen reacties gekregen op de internetfora. Of toch wel, eentje. Dat ik eens bij een dokter moest langsgaan. Die begreep er duidelijk niets van. IJsberen smeert de tijd. Als ik nadien opnieuw aan het raam ga staan, bekijk ik daar-buiten met andere ogen. Minder somber. De kleuren van de planten en struiken bekoren me meer en het gelach van de kinderen op het plein vòòr de sociale huisvesting, dat zich niet in mijn gezichtsveld bevindt, irriteert me minder. Daarom ijsbeer ik. Vorig jaar wilde ik er zelfs een boek aan wijden, 'De Deugd van het IJsberen', maar daar moest ik voor gaan zitten. Dat ging dus niet door. Als ik ga zitten, bevangt mij het gevoel te wachten op de tijd van anderen. En die is te weids voor mij. Te uitgestrekt. Mijn tijd is beperkt in ruimte. Alles wat ik doe, speelt zich in dezelfde kamer af. Ik bevond mij daar gisteren, eergisteren, de week ervoor, drie jaar geleden. Elke herinnering is verbonden met hetzelfde decor. Elke seconde kleeft eraan vast. Voor mij tikt de tijd niet. Ze ligt uitgespreid over mijn huis. Dan nog liever uren door het raam turen. Naar de kippen die geen eieren meer leggen. Te weinig eiwitten, denk ik. Eieren zijn intussen overbodig in mijn dieet. Met mijn 28 lentes tracht ik nu te overleven op macrobiotisch voedsel. Alles afwegen in porties. Uitrekenen. Mijn boodschappen worden aan huis geleverd. De betaling gaat maandelijks van mijn ouders hun rekening. Net als mijn huur trouwens. Toch zie ik hen nooit. Ze willen niet meer op bezoek komen en ik ga nooit bij hen langs. Ze bevinden zich achter de grens van mijn voordeur. En die steek ik nooit over. Zelfs voor hen niet. Zelfs niet als een van hen zou sterven. Dat ze hen maar in mijn tuin komen begraven. Vier op vier, dat is net groot genoeg voor twee lijken. Maak er maar een kerkhof van. Dat heeft nog iets statig, zo’n gotisch stenen kruisbeeld in het midden van het gazon. Misschien komt er dan eens een duif op zitten en wordt daar-buiten nog een beetje levendiger.   In de namiddag spendeer ik altijd enkele uren aan mijn pc. Daar-binnen kan ik zijn wie ik wil. Dan meet ik mij een persoonlijkheid aan die daar-buiten leeft. Natuurlijk heeft die maskerade ook zijn nadelen. Zo werd ik eens verliefd via het internet. Slapeloze nachten. Eetloze buien. Turen, turen, turen, alsof mijn hele leven ervan afhing. Nooit heb ik zo lang voor mijn raam gestaan als toen. Uren. Ik zag de zon opkomen, ondergaan, opkomen, ondergaan. Uitputtend. Hij had zich net als ik ingeschreven op het forum van de NASA. We raakten aan de praat door onze belangstelling voor zwarte gaten. Ik vertelde hem dat ik lang geleden zelf in een zwart gat was beland en me sindsdien op een plek bevond waar de massa eindeloos dicht op elkaar gepakt zit. Vier maal vier op vier maal vier. Hij antwoordde met een lachende emoticon. Hij hield van absurde humor, schreef hij eronder. Ik antwoordde hem dat ik van het platteland hield. Dat is geen echte leugen. Ik kijk graag naar prentjes van velden vol zonnebloemen, een uitgestrekt strand, de aderen gevuld met rimpelend zeewater, een plein met oudjes. Zo zijn we dan een tijdje doorgegaan. Op het einde van ons gesprek bleek ik een dertigjarige kunstenares te zijn, die zwarte gaten op landschappen schilderde, die dagelijks tien kilometer liep en pas gescheiden was van een maffioso. Kinderloos. Hij werkte op Wall Street, handelde in aandelen en had twee puberende dochters. We spraken af om de volgende dag verder te chatten. Ik grinnikte. Sloot af en ging voor het raam staan. De kippen nog springlevend. Tokkend. Verheugd om mijn gezicht. Toen voederde ik hen nog. De dag nadien logde ik opnieuw in op het forum. Zijn naam verscheen op het scherm. Eronder een lachende emoticon. Hij was blij dat ik het meende, schreef hij. Ik lachte terug. Vervolgens begon hij me vragen te stellen over de stad waarin ik woonde. Was dat een hel. Ik opende terstond een nieuw tabblad om zo snel mogelijk de juiste antwoorden te vinden. De stadskern is mij geheel onbekend, zelfs mijn straat ken ik amper. Maar ik wist mijn antwoorden zo te formuleren dat het leek alsof ik er dagelijks rond kuierde. “That’s a really nice place. I often go there in the spring to see the flowers blossoming.” Dat werkte echt bevrijdend. Een halfuur later geloofde ik die onzin zelf. Alsof ik haar was. De kunstenares. Geen schim die de waarheid moest verbergen. Daarna mocht ik hem vragen stellen. Ik kon niet echt iets bedenken, aangezien daar-buiten mij nooit als zodanig heeft geboeid. Dus vroeg ik of hij een foto bezat. Van zichzelf. Volgde het blozende emoticon en een resem verontschuldigingen. Dat hij geen Adonis was. Uiteindelijk stuurde hij toch een foto naar mijn mailbox. Ik moest die maar bekijken als we hadden afgesloten, schreef hij. Ik stemde in. En opende meteen mijn mailbox. Op dat moment gebeurde het. Zoals alles mij overvalt. Plots. Onaangekondigd. Een rilling door mijn ruggenmerg. Mijn maag in staat van beleg. Mooi was niet het woord, maar die uitdrukking. De zachtheid. Panda, roze zeep, stro, zonnebloemen, pompelmoes. Het meest nog leek hij op een spookdiertje. Die immens grote ogen, die schattige snoet. Aangrijpend. Ik slikte mijn ontzetting in en keerde terug naar het forum. Het blozende emoticon. En een vraagteken. Ik schreef dat ik een belangrijk telefoontje had. Hij toonde begrip. We zouden later nog contact opnemen. Zijn naam verdween van het scherm. Ik zuchtte. Ik was verliefd. Bevangen door de tragische twijfel om mijn kippen te slachten. De weken daarop hebben we elke dag met elkaar gechat. Hij van heel ver weg. Over de grens van mijn deur. Over de grens van Europa. Over een diepe zee heen. Dat hield ons niet tegen. De nakende ontmoeting wel. Ik had er nooit op aangespoord, maar hij vroeg het me vlakaf. Geen tijd om excuses te bedenken. Hij: Shouldn’t we meet? Hij: I’m sorry, I didn’t want to push you. Ik: My chicken have pink feathers. Was dat een leugen. Mijn kippen hebben helemaal geen roze veren. Ik voelde me gewoon verward. Betrok er dan maar die twee misbaksels bij. Hij stuurde me een vraagteken. Ik verdronk erin. Ik: They’re very rare, my chicken. I bought them from a one-eyed man who was raised by wolves. He used to catch chicken with his mouth. He looked very dangerous. Cloudy. He couldn’t talk. He howled the whole time. Scary noises. He wanted to rape me after I had bought the chicken. I killed him. De doodsteek. Ik heb nog een week voor mijn scherm gestaan. Vroeger, voor ik in dit huis woonde, heb ik vele liefjes versleten. Ik kon dat niet helpen. Meestal bevielen mannen me niet meer na enkele maanden. Dan liever een vis, die rondjes zwemt. Hij klaagt niet. Hij is blij als ik hem te eten geef. Mijn allereerste lief was dol op hem, meer dan op mij. Dat heb je natuurlijk met autisten. Ons meest romantische moment beleefden we toen we vier uur lang door de bokaal naar elkaar hadden zitten staren. Hij aan de ene zijde. Ik aan de andere. Zijn verwrongen, troebele gezicht, gespikkeld door drijvende stront. Zijn ogen achter glas, een eufemisme. Het was schrikken toen ik zijn ware gelaat terugzag. Zonder water. Zonder goud. Symmetrisch en zonder plooien. We hebben het nog een maand volgehouden, maar ik denk dat hij vooral moeite had om mijn vis achter te laten. Tegenwoordig houd ik me aan het less-is-more principe. Geen mannen. Geen mensen. Enkel hier-binnen en daar-buiten. Er is slechts één moment waarop die twee in elkaar verstrikt geraken, een soort Time-lapse, waarin de tijd van anderen die van mij doorboort. Een steeds terugkerend fenomeen dat ik met veel afgrijzen moet verduren. Zoals gisteren. Ik hoorde het helemaal in de verte gebeuren, ergens aan mijn voordeur. Toch nam ik alles haarscherp op. De lichte bries die enkele seconden voordien door de hal woei, het oorverdovend ijzig klepperen van metaal. Het schuiven van scharnieren. Vervolgens een korte, doffe plof en het ruisend glijden over de betegelde vloer. Ik stond stokstijf. Catatonisch gefobieerd. Dan lijkt het alsof ik ronddool in mijn eigen verstijfde lichaam, tegen de binnenkant van mijn huid aanschuur. Ik moest me ogenblikkelijk herpakken. Zoals ik iedere keer moet doen. Diep in- en uitademen, het brein verluchten, de soepelheid hervinden. Enkele minuten later kreeg ik mezelf in beweging en sloop naar de indringer. In het midden van de hal zag ik hem liggen. Eenzaam maar opvallend. Ik raapte hem behoedzaam op en droeg hem naar de woonkamer. Daar haalde ik mijn bronskleurige briefopener tevoorschijn en scheurde hem in één ruk open. Het papier glansde als satijn, maar voelde korrelig aan, alsof minuscule stukjes hart van de gevelde boom erin verweven zaten. Op het papier stond bovenaan mijn naam, in blauwe inkt. Elegante letters, zoals ik vroeger had geleerd. De sierlijke krullen trokken zo hard mijn aandacht dat ik vergat te lezen. Ik ging zitten – voor het eerst sinds geruime tijd – en legde de brief volledig opengevouwen voor mij op tafel. Er was een lat gebruikt, een potlood om lijntjes te trekken. Het geheel oogde fraai. Niet spontaan, maar afgemeten.  Geen inktvlekje te bespeuren. De schrijver had er duidelijk veel zorg aan besteed. Ik wilde de brief graag lezen, maar iets hield me tegen. De hitte straalde tussen mijn ruggenwervels. Rillingen over mijn rug. Ik nam hem mee naar het raam en legde hem ertegen. Glaspapier. Onleesbare woorden. De inkt vloeide in het zonlicht samen met mijn tuin en de brief kreeg een andere gestalte. Hij danste over het raam, glijdend, als een schaatser op het ijs. Gedrenkt in licht. Ik zag de letters gewiegd worden. Terstond had ik geen zin meer om de brief te lezen en wilde ik mij in de krullen van die letters nestelen. Zelf gewiegd worden. Ik haalde het papier van het raam en wandelde ermee naar de keuken. Leunend tegen de tafel, las ik de woorden, onafgebroken, naast elkaar. “Beste Shania,” “Hierbij willen wij u uitnodigen” Hup, ogenblikkelijk de vuilbak in. En doen alsof er niets gebeurd is.

Dorian
7 0

Ik? Ik ben het licht.

De wereld is duister, donkerder dan ooit. Mensen vermoorden elkaar. Zij kennen het licht niet. De duisternis heeft hun harten. Niemand kan er van ontsnappen. Alleen.... Alleen ik. Ik ben het licht en het is mijn taak om dat terug aan de mensen te geven. Ze moeten leren vriendelijk zijn, beleeft, vrijgevig en het belangrijkste: ze moeten liefde leren. Ik ben gestuurd als een normaal meisje op deze wereld. Ik kende mezelf niet toen ik op deze wereld kwam. Wat mijn missie is. Tot op de dag van vandaag wist ik niet waarom dat ik anders was dan de andere. Nu ik weet wat me te doen staat. En dat zal niet makkelijk zijn.  Mensen zijn tegenwoordig egoïstisch. Ze kunnen alleen maar denken aan het geld dat ze nodig hebben voor dat ding, dat ooohzoo veel kost. Mensen denken aan dure reizen die ze maken en daar alleen maar liggen aan het zwembad voor hèt bruine lichaamskleur. Wel voor mij , het boeit me niet. Ik ben blij met mijn blekere huidskleur. Het staat perfect met mijn lichtgrijze ogen en mijn platina gekleurde haren.  Mijn leven was redelijk normaal voor dat ik wist wat ik hier op deze wereld doe. Ik ging naar school, kende verliefdheid, al was ik de enigste, was op zoek naar mezelf zoals elke tiener/jongere.  Normaal toch? Wel dat veranderde waneer ik Lucien leerde kennen vandaag. Hmm.., laten we zeggen terug zien want toen ik hem een hand gaf, kreeg ik beelden in mijn hoofd. Beelden over wie ik echt ben. Op dat moment begon mijn echte leven echt.

lauraloveniers
0 0

Zwijgen

‘Zwijgen!’ brulde hij in haar gezicht. ‘Zwijgen, godverdomme!’ herhaalde hij, omdat het gewenste effect uitbleef. Ze bleef jammeren, zoals een vrouw jammerde als ze haar lot somber in ziet. Uit pure frustratie haalde hij naar haar uit met zijn wapen. De kolf raakte haar vol in het gezicht, waardoor het gejammer alleen maar erger werd. Om niet nog meer zelfbeheersing te verliezen, nam hij enige afstand van haar in de hoop dat het gejammer minder hinderlijk voor hem werd. Waarom hadden ze hem geen oordopjes geadviseerd bij deze hondenjob? Hij wist niet eens wat deze vrouw misdaan had of moest hij juist afvragen wat haar man uitgespookt had. Hij kon zich niet voorstellen dat zij problemen had opgelopen met de verkeerde mannen, met zijn opdrachtgevers. En blijkbaar gaf haar man zo weinig om zijn vrouw, dat hij haar liet zitten. Zat hij misschien ergens te wachten op haar dood, zodat hij haar kon begraven? Hij kon dat zich moeilijk voorstellen, omdat de vrouw in zijn ogen er toch best aantrekkelijk uit zag. Tenminste, als je de opgelopen verwondingen weg dacht. Gefrustreerd ijsbeerde hij door de ruimte heen. Waarom hoorde hij al dagen niets van zijn opdrachtgevers? Ze lieten hem toch niet gewoon zitten met die vrouw? In zijn ogen kon ze prima alleen achter blijven in deze loods. Het lag op een verlaten plek en het was goed af te sluiten, als ze al los kwam natuurlijk. Hij had een paar dagen terug geen risico’s genomen en haar enkels en polsen stevig vastgebonden met touw. Om het smekende ‘laat mij gaan’ te bestrijden, had hij haar mond afgeplakt met tape. Erg veel was hij er niet op vooruit gegaan, aangezien hij er gejammer voor terug had gekregen. Hij bedacht ineens dat een shot nicotine hem wel eens rustiger kon maken, of juist niet, maar dat risico nam hij er nu maar even bij. Veel erger kon het toch niet worden, omdat hij nu al het gevoel had dat hij zichzelf nauwelijks kon beheersen. Hij deed de deur van de loods van het slot en ging naar buiten om zijn sigaret op te steken. Urenlang had iemand op deze actie zitten wachten. Nog voordat hij besefte dat hij niet alleen was, boorde een kogel een weg door zijn schedel. Met een plof viel hij op de grond, waar al snel het leven uit hem verdween. De onbekende belager haastte zich naar binnen, naar de vrouw die inmiddels niet meer jammerde, maar uit pure angst ineengedoken zat te beven. ‘Liefste,’ zei de onbekende om haar aandacht te vragen. ‘Liefste, het is voorbij.’ Twee angstige ogen keken hem aan. Hij streelde zachtjes door haar haren en verloste haar dan van de touwen. ‘Hij zal je niets meer doen. Het is voorbij.’ Haar ogen zochten een bevestiging en met een voorzichtig glimlachje knikte hij. ‘We gaan naar huis.’ Het is hij, die nu voor altijd zal zwijgen.

Elvje
0 0

Schat

‘Mama!’ riep haar zoontje. Ze keek vertederd naar hem, terwijl ze haar handen aan een beker koffie probeerde op te warmen. Het was dan wel maart, maar het was nog altijd ijzig koud. Terwijl ze zelf van een welverdiende pauze genoot, ging haar zoontje onvermoeibaar verder. Ze twijfelde er niet aan dat hij vannacht weer als een prins ging kunnen slapen. ‘Mama!’ hoorde ze opnieuw, omdat ze niet direct opgesprongen was. ‘Mama, een schat!’ klonk het opgewonden. Geprikkeld door zijn woorden, had ze haar beker koffie op de buitentafel gezet en was ze naar hem toegegaan. Vol verbazing keek ze naar het gat dat door haar Bram gegraven was. Er was wel degelijk een stuk hout te zien, maar het was natuurlijk nog de vraag of er meer was dan alleen een verdwaalde plank. Aangestoken door het enthousiasme van haar zoontje hielp ze met graven. Wie weet wat ze zouden vinden! Na een halfuur intensief graven, hadden ze toch een kist van een behoorlijke omvang bloot gelegd. Aanvankelijk had ze niet in een schat geloofd, maar inmiddels was ze toch wel behoorlijk nieuwsgierig naar de inhoud er van. Even was er een lugubere gedachten door haar hoofd gegaan, maar de kist had gelukkig niet de juiste formaten. Misschien had ze wel teveel Amerikaanse misdaadseries gekeken? Nadat ze een breekijzer uit de schuur had gehaald, begon ze de deksel los te wrikken. De planken waren alleen niet van plan om zich zo snel gewonnen te geven. Terwijl ze even langs haar voorhoofd wreef om beginnende zweetdruppeltjes te bestrijden, zag ze hoe haar zoontje opgewonden langs de kuil heen en weer stuiterde. Wat hem betrof, kon het niet snel genoeg gaan. Hij wilde zijn schat zo snel mogelijk in zijn handen nemen. Vrijwel gelijktijdig met het breken van de houten deksel slaakte ze een luide gil. Uit een reflex nam ze Bram vast en ze drukte zijn gezicht tegen zich aan, in de hoop dat hij de inhoud van de kist niet zou zien. Haar lugubere gedachten bleken juist te zijn. Een skelet, er lag gewoon een lijk in haar tuin begraven! Het idee alleen al maakte haar ontzettend misselijk. Wie deed nu zoiets? Ze moest de politie bellen! Ze had binnen op de politie zitten wachten en voor ze het wist liepen er allerlei mannen en vrouwen haar huis in en uit. Gewone politiemannen, recherche, justitie en dan had je nog die mannen in de witte stofjassen. De verklaring van de politie was vrij eenvoudig geweest: ze hadden altijd geweten dat de vorige bewoner iets te maken had met de verdwijning van de buurvrouw, maar ze hadden het alleen nooit kunnen bewijzen. Geen schat voor hen, maar een levenslange nachtmerrie.

Elvje
0 0

Verloren

‘Nee!’ schreeuwde ze vanuit het diepst van haar ziel. Ze voelde hoe hij zijn laatste adem uitblies en hoe de kracht uit zijn hand verdween, die ze urenlang trouw had vastgehouden. Geen seconde was ze nog van zijn zijde geweken. Hij mocht niet weggaan. Hij mocht niet uit haar leven verdwijnen. Wat was ze zonder hem? Helemaal niets, zo voelde dat. De machine liet een vervelende pieptoon horen. Een bevestiging van het einde van hun maandenlange strijd. Een oneerlijke strijd. Een strijd die ze hoe dan ook ooit zouden verliezen. De tranen kwamen, terwijl ze naar het gezicht van haar vechter keek. Al die maanden had hij zich heel moedig en sterk gehouden. Ondanks dat hij wist dat hij ging verliezen, had hij weerstand geboden tot de laatste seconde. Zo was hij. Daar was de onvermijdelijke verleden tijd. Vanaf nu was hij een onderdeel van het verleden. Een stuk leven dat was en niet meer zal zijn. Hij kwam nooit meer terug. Vanaf nu moest ze alleen verder door het leven, zonder zijn beschermende armen om haar heen. Ze waren slechts vier maanden getrouwd toen ze het onuitspreekbare woord als diagnose te horen kregen. Ze voelde een hand op haar schouder en het kostte haar moeite om haar blik van hem los te maken. Een verpleegkundige deed haar best om een gepaste blik op te zetten, een blik die ze op deze afdeling natuurlijk veel vaker moest gebruiken. Hier wonnen of verloren de mensen hun strijd. Een groter contrast was niet mogelijk. Het monotone gepiep hield op en zijn ogen werden voorzichtig gesloten. De eindeloze blik verhuld. Respectvol werd hij losgekoppeld van de machines die de tekenen van leven geregistreerd hadden en die hem hadden geholpen bij de genadeslag. De hulp was minimaal geweest, dat was zijn enige wens. Hij wilde geen ondraaglijke pijnen doorstaan en op een waardige manier verliezen. Hem kregen ze niet klein, zo had hij altijd in elkaar gestoken. ‘Kom,’ werd er uitnodigend gezegd. Ze wist niet hoelang ze nog bij hem had gezeten, maar nu was het blijkbaar tijd om te gaan. Het echte afscheid nemen. Vanaf hier moest ze hem echt laten gaan. Ze stond op, maar ze voelde hoe haar knieën moeite hadden met haar gewicht. Ze ging niet zonder hem kunnen. Ze hield zielsveel van hem. Een zachte hand begeleidde haar subtiel de kamer uit. Weg van hem. Een onzichtbare lijn met hem die verbroken werd. Ze kon dit niet. Het was alsof een stuk van haar hart vernietigd werd. ‘Nee!’ schreeuwde ze. ‘Nee!’ Het klonk hartverscheurend. Ze stortte op haar knieën neer en gaf zich over aan de onophoudelijke stroom van tranen. Zo sterk als hem was ze niet.

Elvje
0 0

Brussel - beurs en spoed

Het verschil tussen een knipmes en een usb-stick is moeilijk te zien als het tegen de keel van Rutger wordt gedrukt. Ik had geprobeerd zijn rug te strelen, zijn hals te masseren, hem dicht tegen me aan te trekken, maar waarschijnlijk waren het net die bewegingen die hem nog zelfdestructiever maakten. We zaten op de trappen van de beursschouwburg in Brussel. Een jongeman komt om een vuurtje vragen. De twee mannen keuvelen genoegzaam, het klassieke gesprek: ‘Where are you from?’ ‘Ireland. And you?’ ‘Rotterdam, but I’m living in Brussels now.’ Ik geniet van de eerste zomeravond, luister naar het gebrom en geruis van het verkeer op de Anspachlaan. Een kleurspektakel van rode en witte lichten van de auto’s, straatlantaarns, neon-reclames, informatieborden die met rode led-lichten vertellen dat het nog achttien graden is, half elf. ‘Can I have some cigarettes from you? My wallet has been stolen today.’ ‘Oh shit man.’ ‘I am here to visit my sister. She lives in Brussels. But now my wallet has been stolen.’ Ik ben ook pas naar Brussel verhuisd. Het is me nog niet overkomen, gelukkig. Mijn hand ligt op de rug van Rutger. Dat mag, ik heb het hem gevraagd. Hij heeft problemen met fysiek contact en soms bevriest hij als ik hem aanraak. Dus ik had het beleefd gevraagd, of het goed was dat ik mijn arm om zijn schouders sloeg. ‘Dat mag’, had hij om zichzelf te overtuigen gezegd. Ik kijk naar de jongen die naast Rutger zit. Hij heeft een kaptrui, bruin-blonde haren, een baardje. De mannen roken samen een sigaret.  ‘I am going to kill five Moroccans.’ ‘Why are you saying this? Do you think you are better than them? We’re all the same. I am Dutch, you are Irish.’ ‘I am Polish.’ ‘But you told me you are Irish. Anyway, we should love each other, not kill each other.’ ‘But they stole my wallet. I’m going to kill them.’ ‘How are you going to do that? Do you have a gun.’ ‘Yes.’ ‘Show me your gun.’ ‘I  have a gun.’ ‘Show it. I don’t believe you have a gun. Did you kill somebody?’ ‘Yes.’ ‘How much money do I have to give you so that you kill me?’ ‘I won’t kill you. Your wife will kill you.’ Ik grijp Rutger vast, doe alsof ik hem wurg, vraag me af of dit nog een normaal gesprek is. Ik heb schrik. Ik drink van mijn Leffe. Ik probeer me op de zomeravond te concentreren. Belgisch bier en Brussels straatverkeer. Mannen hebben andere gesprekken dan vrouwen, ’t is bluffen dat ze doen, denk ik. ‘How much do I have to give you for killing me? Thousand euro?’ ‘I will kill you if you want.’ ‘I don’t believe you. Why are you saying this non-sense.’ ‘You don’t know me.’ ‘How much money?’ De tijd kan soms ophouden te bestaan. Ik zie beelden en denk gedachten maar ik weet niet in welke volgorde. De man haalt iets uit zijn broek. Ik denk: als hij een geweer boven haalt schiet hij ons allebei dood. Ik denk: als ik blijf zitten en hij schiet Rutger dood, schiet hij mij ook dood, en ik kan de politie niet meer bellen als Rutger dood naast mij ligt en ik een pistool tegen mijn hoofd krijg. Ik zie een politiecombi staan aan de overkant van de straat. Ik denk: als ik rechtdoor loop recht naar die combi gaat die man begrijpen dat ik naar de politie ga en mij doodschieten. Ik kijk opzij en zie dat de jongen iets tegen Rutger zijn keel drukt. Rutger vraagt: ‘What is this?’ Ik denk: wat is het? Ik denk: als hij Rutger doodt, doodt hij mij ook als ik blijf zitten. Ik moet dus weg. Ik moet kijken van op afstand en dan 112 bellen, of naar de combi rennen, of andere mensen vragen te helpen. Ik moet weg om Rutger te redden en mijzelf te redden. Ik denk: ik moet dit niet met Rutger overleggen want dat neemt te veel tijd in beslag en misschien krijgen we ruzie. Misschien vindt hij me flauw en vindt hij dat ik overdrijf en dat ik naïef ben en te bang. Ik sta recht en ik wandel weg. Voor ik tijd krijg om omte kijken, ik ben bijna de trappen van de beurs af, hoor ik Rutgers stem: ‘Ik krijg een mes tegen mijn keel gedrukt en jij wandelt weg. Mooi is dat.’ Ik denk: het was dus geen usb-stick. Ik denk: we moeten hier zo snel mogelijk weg. Misschien komt de kerel achter ons aan gerend. Misschien heeft hij alsnog zijn geweer boven gehaald en richt hij het nu op ons. ‘Kom, kom’, zeg ik. Rutger volgt en ratelt over jeugdtrauma’s van vrienden en broertjes die hem alleen bij een bende achterlieten en hoe hij een voet in zijn gezicht getrapt kreeg, ik probeer hem uit te leggen dat ik hem niet in de steek liet, maar naar de beste manier zocht om ons allebei te redden, kwestie van onze levens niet te beëindigen bloedend op de trappen van de beurs, op een mooie zomeravond in Brussel.   We gaan café na café binnen. We proberen het uit te praten. Hij vertelt dat hij dood wil. Dat enkel omdat hij zijn broertjes en ouders beloofd heeft te blijven leven, hij zichzelf niet vermoordt. Ik zeg dat ik het gevoel heb dat hij iets probeert te beschermen in zichzelf, en dat dat betekent dat hij nog wel wil leven. Wie zichzelf doodt, heeft niets meer om te beschermen. Hij luistert en concludeert rationeel dat ik allicht gelijk heb, dat als hij zegt dat hij niet wil sterven omwille van het verdriet dat hij zijn familie en zijn vrienden aan zou doen, dat dat waarschijnlijk betekent dat hij zelf ook niet dood wil. In nog een ander café vertelt hij hoe geil hij van me wordt. Dat hij, en dat mag ik in mijn zak steken, nadat we eergisteren die scène samen speelden, zich uren heeft liggen aftrekken, terwijl hij aan mij dacht, enkel en alleen aan mij, dat hij fantaseerde hoe hij me nam op de regietafel. ‘Ik masturbeer ook veel terwijl ik aan jou denk’, zeg ik. Dat wil ik dan eigenlijk helemaal niet, maar ik kan enkel klaarkomen als ik mijzelf toch toesta om aan Rutger te denken. Of nog sterker, op het moment dat ik klaarkom zie ik zijn gezicht voor me. Maar hij wil geen relatie met me. ‘Je kan me niet hébben.’ Ik denk: liefde gaat toch niet over het hebben van elkaar? Maar het is wel zo dat ik, als ik met hem vrij, de dag daarna kapot ga van jaloezie als hij met iemand anders vrijt. Dan vrij ik liever niet met hem. ‘Ik wil je heel graag vingeren.’ Dat mag wel, denk ik. We gaan naar het toilet van de Archipel. Hij vingert me, ik trek hem af, maar het roept te veel lust op. Ik wil hem pijpen, maar denk aan soa’s en de cijfers die hij me net heeft gegeven. Hij heeft een stuk of zeventig bedpartners gehad en vrijt vijfentwintig procent van de tijd onveilig. Ik denk aan de operatie voor genitale wratten die een vriendin van me morgen moet ondergaan. Derdegraadsbrandwonden in je kut. We besluiten dat we willen vrijen met elkaar, maar niet zonder condoom. Hij gaat boven een condoom halen. Ik wacht op hem in de wc’s. Ik krijg tijd om rond me te kijken. Er ligt een plas water op de vloer. Modder eerder. Ik zoek een plek om mijn laptop te zetten. Die heb ik meegenomen van boven, want vorige week is de laptop van Rutger in ditzelfde café gestolen, terwijl hij in een zwarte jurk zijn tekst aan het repeteren was. Hij heeft daarna twee stoelen kapot getrapt en vreesde dat hij het café niet meer binnen mocht. Ik kijk of het andere toilet properder is, dat is niet het geval. Ik zet mijn laptop op een smal richeltje. Ik wil mijn schoenen beginnen losknopen, want vorige keer dat we vrijden op een toilet in een café verliep dat zeer onhandig omdat ik mijn schoenen niet uitkreeg, en dus ook mijn legging niet, en dus mijn benen niet deftig gespreid over de pot kreeg wat voor zeer ongemakkelijke neukposities zorgde en ronduit slechte seks. ‘Ze willen niet dat we vrijen in hun wc,’ zegt Rutger. We friemelen nog wat verder met zijn vingers in mijn vagina en mijn handen rond zijn lul, maar het is al bij al zeer onbevredigend en ik denk: we hebben allebei überhaupt al veel te veel gedronken om nog tot hitsige seks in staat te zijn. We gaan weer aan het tafeltje zitten en concluderen dat het leuk is geweest. Een beetje puberaal, maar leuk.     *     We moeten samen naar de spoed, Rutger en ik, met onze collega Jamil. Hij kwam wit van de angst het lokaal binnengestrompeld, en dat is heel wat voor een zwarte jongen: ‘Ik heb bloed gepist.’ Vervolgens heeft hij zijn wandelstok naar de andere kant van het lokaal gesmeten met zo’n kracht dat er een neonlamp brak. De wandelstok zelf heeft hij daarna op zijn knieën in stukken gebroken. Splinters in zijn handen en op de vloer. Ik ben nog halfdronken en geil van vorige nacht, de archipel is nog maar een paar uur geleden gesloten, en ik probeer niet te denken: mama Leen en papa Rutger gaan met hun zoon Jamil naar de spoed. De vorige keer dat ik op de spoed kwam, omdat mijn nek gekraakt was na een mislukte kopstand, vroeg mijn toenmalig lief of we gingen samenwonen. In de taxi naar de spoed maakt Jamil zijn testament. Zijn geld mag naar de derdewereldlanden. Hij wil begraven worden. In Senegal waarschijnlijk, dat wil hij zelf niet absoluut, maar zijn vader heeft dat zo geregeld. Die betaalt nu al elke maand voor een familiegraf in hun geboorteland. In de wachtkamer kijken we naar de koers. De jongens proberen me uit te leggen wat er zo fascinerend is aan wielrennen. Ze kunnen er dagen naar kijken, zeggen ze. Een klein Marokkaans meisje komt flemen bij Rutger. Hij voert een mimespel op voor haar. Ze vindt het erg leuk. ‘Easy crowd,’ grapt die grote blonde Hollander naar ons. We bespreken de afschuwelijke belichting in de wachtkamer. Witte neons, geen daglicht. Jamil analyseert de andere wachtenden. Een oud koppel waarvan ik pas na een half uur besef dat het niet om twee vrouwen, maar een man en vrouw gaat. De man zit uitgeleefd in een rolstoel. ‘Zou die man ooit blij zijn?’ vraagt Jamil me. Zijn vrouw, frivool, geel vel, rood halssnoer, strijkt met haar hand door zijn grijze haren, kijkt af en toe geamuseerd naar ons, jeugd. Ik vraag me af of ze kinderen hebben. Rutger speelt ‘Kiekeboe!’ met de Marokkaanse kleuter. De moeder grijpt de vrije tijd aan om haar nagels te vijlen. ‘Een belangrijk deel van moeder zijn, is op de spoed zitten.’ grap ik tegen Jamil. ‘Zeker als je zo’n zoon zou krijgen als ik.’ antwoordt hij mij en aan Rutger zegt hij: ‘Je zou een goeie papa zijn. Wanneer begin je eraan? En jij Leen, wanneer word jij zwanger?’ Rutger legt uit dat hij geen vader wil worden. ‘En maar dokken voor dat kind zeker.’ Hij heeft een studieschuld van veertig duizend euro en amper geld om zijn eten te betalen. Hij overleeft op gestolen fruit en groenten uit de Aldi. De enige reden waarom hij niet al zijn hele lichaam onder getatoeëerd heeft, is omdat hij er het geld niet voor heeft. Hij is niet de vader van mijn kinderen, maar ik zou het fijn vinden als hij minder geil was. Jamil mag eindelijk bij de dokter. Intussen komt er een meisje binnengetrippeld. Een kleine wesp. Achttien is ze. Ze studeert letterkunde, maar wil liever filosofie doen. Ze is aan de antidepressiva, want ze heeft al eens een depressie gehad en in dat zwarte, bodemloze gat, wil ze niet nog eens vallen. Haar relatie tot Jamil is onduidelijk, maar Jamil heeft ons verteld dat hij op rijke, Westerse meisjes valt. Rutger is verliefd op alle vrouwen. Ik vraag me af wat ik met die mensen op de spoed zit te doen, in dat vermoeiende neonlicht terwijl het buiten lente is. We mogen een wachtkamer opschuiven. Het meisje en Rutger wisselen informatie en ervaringen met antidepressiva uit. Rutger kan niet duidelijker aan mij maken dat hij meent wat hij altijd tegen me zegt. Hij flirt zo met het meisje dat ik hem er bijna van verdenk dat het enkel is om mij te kwetsen. Maar ik vrees dat dat nog een te positieve interpretatie mijnentwege is. Rutger houdt van de hele wereld in de hoop dat de hele wereld van hem houdt. Ik ga eten en drinken zoeken en bij de uitgang van de spoed loop ik Liesbeth tegen het lijf, een jeugdvriendin van mij die nu als gynaecologe in het AZ van Jette werkt. ‘Ik moet nu weg met de MUG,’ zegt ze, ‘Nu. Nu.’ Een uur later zie ik haar voorbij komen achter een bed met een hoogzwangere vrouw met bloed tussen haar benen. ’s Avonds op mijn voicemail hoor ik dat ze me niet meer gevonden heeft, dat ze eerst nog een keizersnee en twee bevallingen heeft moeten doen. Het meisje waar Rutger mee flirt en Jamil, allicht, ik kan het me niet anders voorstellen, mee vrijt, maakt schilderijen met haar maandstondenbloed. Ze ligt in de clinch met haar vader omdat die op blonde vrouwen met blauwe ogen valt die hem er steeds weer inluizen. Dit vertelt ze ons later, als ik bij Rutger op de schoot zit op de achterbank van een auto, kotsmisselijk door de brute rijstijl van Jamil: ‘Die vrouw heeft gezegd dat ze zwanger is van mijn vader en dat hij dus wel met haar moet trouwen nu. Dat bleek helemaal niet waar te zijn, ze wil hem enkel voor het geld.’ Ik vraag me af waarom wij twee ons zo laten doen door Rutger en Jamil, die zo openlijk iedereen afwijzen en toch iedere week nieuw vlees in hun bed krijgen. Hun respect voor vrouwen is zero. Als ik hen uitleg waar wij vrouwen graag over praten, lachen ze mij uit, terwijl dat meisje naast me helemaal opfleurt: ‘Ja, ik heb dat artikel ook gelezen in de Flair! Zíj vraagt hem ten huwelijk!’ ‘En hij zegt ja.’ Ons zelfbeeld is te laag, denk ik, we durven ons niet outen als vrouw. We zijn onbewust zo angstvallig op zoek naar een man, dat we denken dat om een man te versieren, we moeten zijn zoals hij. Maar dat ben ik niet. Ik wil voor mensen zorgen. Ik wil iedereen op zijn gemak stellen. Ik wil lief en teder voor iemand zijn en ik kan pas van seks genieten als ik zielsveel van die man houd. Als ik me kan voorstellen dat hij de vader van mijn kinderen is. Na uren op de spoed bleek dat de dokters niet konden vinden wat mis was met Jamil. Alles lijkt in orde. We gaan naar Aalst, met z’n vieren, versuft en verweesd, om naar de première van zijn dansvoorstelling te gaan kijken. Hij heeft ons verzekerd dat hij zelf niet mee danst, gezien zijn gezondheidstoestand. Ik zit naast Rutger in de zaal en we kijken elkaar razend kwaad aan als we zien hoe Jamil een danseresje de lucht in heft. Zes uur samen op de spoed zitten breekt voor mij iedere professionele afstand die ik tot deze jongen probeer te bewaren. De volgende dag confronteer ik hem: ‘Je had gezegd dat je niet zou dansen. Je kan de trap niet eens oplopen. Wij dachten gisterenmiddag nog dat je dood zou gaan, en ’s avonds hef je een volwassen vrouw boven je hoofd.’ Hij roept dat ik mij niet met zijn medische toestand te bemoeien heb en tilt intussen een tafel op die hij met zoveel kracht terug neerzet, dat het tafelblad barst. Ik loop het gebouw uit, helemaal overstuur. In de Delaunoystraat moet ik stoppen aan een raamkozijn omdat ik zo hard aan het hyperventileren ben dat ik niet meer verder kan wandelen. Ik denk terug aan de bossen in Polen waar ik weg vluchtte toen mijn lief het gedaan maakte. Daar kon ik hyperventileren en zingen en brullen zonder me voor anderen te schamen. Ik heb ontzettende steken in mijn borst. Zie je wel, denk ik, die verkrampte ribspieren waarvoor ik bij een kinesist in behandeling ben, zijn psychosomatisch. Ik denk aan wat een schrijfster me ooit zei: ‘Jij bent enkel bang voor jezelf.’ Die gedachte kalmeert me. Ik kan verder wandelen. Ik eindig in het Gieterijpark in Molenbeek, waar een Marokkaans meisje verschrikt naar me kijkt. Ik ben te ver van de wereld om er aandacht aan te kunnen besteden. Ik merk dat ik op mijn vuisten bijt. Wat verder probeert een Ethiopische vrouw - ik weet helemaal niet of ze Ehtiopisch is, maar ze is zwart en heeft een hoofddoek en Afrikaanse gewaden – die vrouw dus, ze is nog jong, probeert een jongetje met kromme benen te laten lopen. Hij slaagt er telkens in drie pasjes te zetten en botst dan lachend tegen haar schoot. Ik kijk ernaar en denk: dat kan ik. Lief zijn, mensen aanmoedigen, en al zie ik dat ze kromme benen hebben, hen toch blijven stimuleren om te lopen. Maar zes uur op de spoed zitten in angstige afwachting wat het zal zijn: toch geen spataderbreuk? Toch niet de onmiddellijke dood? En dan de volgende ochtend te horen krijgen dat ik me niet met zijn zaken te bemoeien heb… En daarna via via te horen dat hij mij een typisch zwakke Westerse emotionele vrouw vind… En dan denken: dus werkelijk de enige reden waarom jij met Westerse vrouwen vrijt is hun geld? You are a fucking whore. Want eerder, bij mij thuis aan de keukentafel, heeft hij al bekend dat hij nog nooit plezier heeft gehad aan seks. Op de spoed, bij die dokter, heeft hij een nieuwe ontdekking gedaan. De dokter zei hem: ‘Ik moet even in uw aars zijn.’ Hij slaat zijn benen over elkaar, tilt zijn pols op: ‘Geen probleem.’ Dan denkt hij: ‘Fuck Jamil, look at yourself, why are you sitting like this? En wat heb je aan?’ Strakke, modieuze, oranje broek, design blauwe sweater. De dokter moet een rectaal touché doen. Jamil voelt de vinger in zijn aars en denkt: ‘Fuck I like this, it’s not bad.’ En dan komt de ultieme verrassing, het is niet enkel rechttoe rechtaan de vinger in de aars, maar ook met draaien, driehonderd zestig graden. Vol genot vertelt Jamil ons dit verhaal, met aansluitend de homoproblematiek in Afrika. ‘In Senegal you’re killed if you’re gay.’ Zijn eigen moeder, die verpleegster is en in haar vaderland enkel zieke homo’s heeft gezien, denkt dat homoseksualiteit een geestesziekte is. Ik weet niet waarom ik dit opschrijf. Die jongens lijden hun eigen leven en ik wil hun waarheden niet kennen. En ik moet geen schrik hebben van mijzelf. En dringend uit de kast komen. Als hetero vrouw. Met alle sentimentele en emotionele gevolgen vandien. En niet meer denken dat ik alle mannen kan redden. Een hetero man zoeken die graag zijn tijd doorbrengt met hetero vrouwen. En hun zorg en liefde aanvaardt.    

Leen De Graeve
0 0