Lezen

Tip

Dilbeek

Vandaag was ik in Dilbeek. Omdat ik uit een Vlaams nest kom, denk ik er meteen de woorden ‘waar Vlamingen thuis zijn’ bij. Zoals ‘iedereen komt, als je Leo roept’, bij iemand die Leo heet. Maar Dilbeek dus. Ik had er een afspraak met een mogelijk nieuwe klant. Een prospect heet zoiets in de taal waarin ik betaald word. ‘Spreekt u Frans?’, vroeg de man me bij het binnenkomen. 'Oui, oui, bien sûr,' zei ik. Ah oui, car je suis Belge, wilde ik er nog aan toevoegen, maar de laatste keer dat ik dat zei, was tegen een erg aimabele Waal, waarop die zich wat geviseerd voelde door mij, omdat hij ook Belg was, maar geen Nederlands kon, of toch niet zoals ik Frans kan. 'Le plus important, c’est qu’on se comprend,' zei ik. En dat meende ik ook. Toen tegen die Waal, en nu tegen die Dilbekenaar. Het werd een beleefd technisch gesprek met de patron en zijn rechterhand over potjes vol olijven waarop een ingenieus etiket moest komen. Er borrelden spontaan prijstechnisch interessante ideeën in mij op, die ik losjes uit de pols op tafel gooide. Eensgezindheid alom, en in het vlotte taaltje dat ik me de voorbije twintig jaar eigen heb gemaakt, nam ik even gezwind afscheid als ik hen had begroet. De versnaperingen die een secretaresse op drie borden op tafel had gezet, had ik onaangeroerd gelaten. De laatste keer dat ik ad fundum Griekse hapjes had genuttigd, nu toch zo’n 15 jaar geleden, ben ik er een week ziek van geweest. Ik wil er gerust een etiket op kleven, maar het ook nog eens eten, is iets anders. Opnieuw in de Vlaamse buitenlucht, lachte een Belgische zon me hartelijk toe. Ik heb altijd de neiging te denken dat de zon in het land waar ik ben alleen van dat land is. Zoals de zon die ondergaat in de Noordzee toch onmogelijk dezelfde kan zijn als die van de Middellandse zee? Het is een zienswijze die ik graag volhoud. Het zorgt ervoor dat ik er op vakantie foto’s van maak. Kijk eens wat een zon we daar hadden. Zoiets. Enkele ogenblikken later reed ik met mijn prospecterende auto opnieuw doorheen de propere Dilbeekse straten. En toen, toen herkende ik het. Als een foto uit mijn album van 1973. Die heuvelende straten, de appartementsblokken van vier hoog en hun zonnewerende terrassen van gefumeerd glas. Hier was ik als kind vaker geweest. Deze glooiende voetpaden kende ik. Ooit had ik er onwennig met mezelf op gehinkeld. en gerolschaatst. Ja, ik was een krak als het op echte jongensspelletjes aankwam, toen ik acht was. Er passeerden flarden hevige zonneschijn in mijn hoofd en een korte blauwe sponsen broek. En ook gesprekken met voorbijgangers die ik niet begreep. En de lieve ogen van mijn moeder, die me af en toe een blik gunde vanuit het keukenraam van het appartement drie hoog, waar ze een Franssprekend nichtje hielp met wat Vlaamse huiselijke arbeid. Heel even aarzelde ik, wilde ik de auto parkeren, en het appartement zoeken waar ik vanop het terras ooit naar beneden had gekeken, in een stralende zomerzon, met een veelkleurige lolly in de hand, angstig om zoveel zonnige hoogte. En heel even, heel even maar, kon ik het zuur in mijn keel proeven, en hoe de lolly aan mijn bezweette jongenshandjes begon te kleven. Dat die beelden na bijna veertig jaar nog in mijn buik en hoofd geparkeerd zitten, dat mag een wonder heten. Een Fransman schreef er een verplicht platgelopen stuk over. Ik weet het. Niks nieuws onder de Europese zon. Heel even had ik zin om patisserie Lejeune binnen te gaan, daar op de hoek. En dan te zeggen: ‘Un koffiekoek, s’il vous plait’. Ik krijg er in deze streken altijd gegarandeerd een serviette bij. Ze horen immers dat ik van ver kom, en de koffiekoek in de auto zal opeten, vooraleer ik me weer naar een volgende prospect begeef. Een serviette is dan handig. Het gaat anders zo aan het stuur kleven. Le plus important, cest qu’on se comprend, denk ik nog. En met een zurige krop in de keel, word ik wat verderop één met de avondspits.

Jan De Palmeneire
66 4

Dorp

Er is een dorp, in Frankrijk, waar we vaak komen. Als ik mémoires had, dan zou ik ze daar schrijven. Zo'n dorp is het. Voor een huis, op een groot zwart bord, schrijft men met wit krijt: 'poisson, demain, 9 h' En soms ook niet. Dan is er geen vis. Dat soort dorp is het. Er zijn huizen met nog veel asbest. En als je iets verbouwt, dan breekt men de asbest er wel uit. Men doet dat gewoon. En men brengt het weg. Geen idee waarheen. Zo'n dorp is het. Zaterdagmiddag worden er in een weide soms banden verbrand, en een hele hoop rotzooi. Weg is weg. En de lucht is van iedereen. Er zijn huizen met gaz de ville. En er zijn huizen zonder. Op de parking van de Carrefour kan je butagaz kopen. En soms ook bedden en matrassen. Super conditions. Ik loop er graag te strandjutten. Oranje nylon, blauwe bussen, rode stukken plastic. Er zijn planken met perfecte rondingen die op duizend golven gedreven hebben. Dat neem ik mee. In een zak van de Aldi. Kwestie van wat bij het landschap te horen. Er is drie keer per week markt. Mannen met handen als schoppen verkopen dan synthetische bloemende bloezen aan vrouwen die op hun hond lijken. Er is een kraam met toutuneuro. Ik loop er wat in te neuzen. Er zijn dingen die ik koop, en later vastknoop met oranje nylon aan rode stukken plastic en op ronde planken timmer. Dan waan ik me de koning te rijk. Het zijn werken die ik in open lucht tentoonstel aan de meeuwen die er krijsend hun afschuw over uiten. En we fietsen. Naar het oosten. Naar het westen. Naar het zuiden. En steeds opnieuw, omdat we altijd weer vergeten waren hoe fijn de dagen er zijn. Het is iets om naar uit te kijken. Zoals de lente.

Jan De Palmeneire
16 4

Omdat hij het is

Ik loop door de bijna verlaten stad. Gelukkig, ik ben er bijna. Ik vertraag mijn stap om wat bij te komen van het avontuur. De laatste trein naar Amsterdam en uitstappen op een bijna verlaten perron. Ik merk dat ik mijn adem inhoud. Gauw de hal nog door en dan de deur naar buiten. Er rijdt geen tram. Het gevoel in mijn buik alsof mijn darmen zich samenpersen wordt sterker. Jongleren op het Spui! Het lijkt wel een weddenschap van durf ik wel of durf ik niet. Ik hou van reizen. Ik hou van circus maar ik ben niet in het circus geboren zoals hij. We hebben enkel die vreemde passie gemeen. Het gooien van allerlei dingen in de lucht en dit combineren met praten over dingen in de wereld maar vooral over wat ons bezig houdt. Ik voel me weemoedig worden of is het verliefdheid? Een mengelmoes van verliefd zijn op het verleden en weten dat dit nooit meer terugkomt. Ik zie hem nu weer onverwacht voor de deur staan. De herkenning en meteen de klik en mijn ja zonder nadenken tegen de uitnodiging. Ik ga wat harder lopen op de muziek van de straatmuzikanten in de verte en zie hem zwaaien. We zijn precies hetzelfde. Het zweet loopt over mijn rug en staat op mijn voorhoofd. De schmink zal wel doorlopen. Achter mijn vermomming houdt de angst zich schuil en alle andere gevoelens. De koffer met ballen zeul ik voort en ik voel nog even of mijn hoedje goed zit. Het elastiekje om mijn kin knelt. De gele pruik met krullen jeukt verschrikkelijk. Hee hoor ik mezelf roepen en stap veertig jaar terug.

Nellie
0 0

Moordenaar

Ik staar in de spiegel. Heel mijn lichaam staat vol met dezelfde, donkere zwarte letters die samen dat donkere, vuile woord vormen. Mijn armen, mijn buik, mijn benen. Mijn hele lichaam staat er mee vol. Naar mezelf durf ik niet kijken, wil ik niet kijken. Een zonnestraal verblindt me. Ze schijnt via de spiegel in het lemmet van het grote keukenmes in mijn rechterhand in mijn ogen. even knijp ik mijn ogen toe, vergeet ik dit alles, maar al vlug overvalt de realiteit me weer. Daar zie ik mezelf weer staan. De letters op het ontblote lichaam. In de spiegel zie ik alles. Hoe klein ik ben in de gigantische slaapkamer. Waarom zou ik deze kamer verdienen? Ik hoor hier niet! Hij hoort hier! Niet ik! Ik verdien het grote, zilverkleurig bed niet dat bijna rijkt tot aan het pas wit geverfde plafond. Of de antieke bruine kast. Een kast met al meer ervaring, al meer verhalen dan ikzelf. Maar minder dan hij er had. Minder verhalen dan de verhalen die hij nu niet meer heeft, maar heeft doorgegeven aan zijn beminden. Waarom zou ik het tapijt verdienen, het gigantische tapijt waar ik als kind wel vaker op in slaap viel. Op de uitkijk naar de monsters onder het bed. Mij zouden ze niet verrassen, ik stond altijd paraat. Hoe kon het dat zo’n lief kind was uitgegroeid tot het monster dat hier nu voor de spiegel staat. Dit monster, momenteel getekend door de letters op zijn lichaam. Eeuwig geketend door zijn herinnering. Weer schijnt de zon in mijn gezicht. Ditmaal volgt hij het traject omgekeerd: via het mes in de spiegel, tot in een traan die over mijn wang rolt. Ik laat mijn blik nog voor een laatste keer op mezelf vallen. Nat van het zweet en de tranen sta ik te trillen, te beven voor de spiegel. Lees nog één keer de woorden die mij doen beseffen dat ik het hoogtepunt van mijn monster-zijn heb bereikt. Hoe vaker ik de letters lees hoe meer ik besef wat ik gedaan heb en hoe meer ik vindt dat mijn plan de juiste daad zou zijn. Het roestvrije stalen lemmet van het keukenmes wacht. Het wacht om tussen het vet rond mijn polsen te dringen en diep in mijn slagaders te dringen. Het wacht om de redder van mijn bloed te zijn, de verlosser van mijn geheugen. Het zal zowel mijn bloed als mijn herinneringen doen ontsnappen, ze laten gaan. Ik zou wel willen, maar kan het niet. De vogels die ik hoor fluiten achter het witte raamkozijn herinneren me aan mijn familie. Wat moet ik hen schrijven, hen nalaten? Wat kan ik hen als reden geven van mijn vertrek, van mijn plotse gaan? Ik kan mijn moeder toch niet vertellen wat haar zoon gedaan heeft.

Senne
0 0

Wachten op jou

Zeven dagen wachten op die glimlach van jou doet mijn  hart bevriezen van ellende in de kou   Zonder jou, zonder jou schijnt de zon veel minder fel zonder jou, zonder jou gaat het leven mij te snel zonder jou kan ik niet dromen zonder jou kan ik niet gaan en toch blijf ik zitten hopen dat je weer terugkomt… en gauw   Die dag vertrok je je sloeg de deur achter je dicht na een week zou je weer keren zei je sussend in mijn gezicht ik geloofde jou… met mijn ogen dicht maar ik besefte na twee dagen dat je me tot wachten had verplicht   Zonder jou, zonder jou vullen de dagen zonder hoop zonder jou, zonder jou ontneemt mijn leven zijn beloop zonder jou kan ik niet dromen zonder jou kan ik niet staan dus hier zit ik nog te wachten tot je weer terugkomt… en gauw   Ik belde je op zoals het hoorde niet te vroeg en niet te laat maar toch leek het je te storen toen ik vroeg hoe het met je gaat het kwetste mij... je koud verwijt dat ik niet wist dat al mijn twijfels enkel maar bitterheid vergaart   Zonder jou, zonder jou behoudt de zon nog steeds zijn schijn zonder jou, zonder jou zitten mijn gedachten op één lijn zonder jou blijf ik toch dromen zonder jou moet ik nu gaan waarom zit ik nog te hopen dat je weer terugkomt… en gauw   Ik moet je iets vertellen ik hoop dat je me niet haat toch lijkt het mij verstandig dat ik het verder zo laat je vertelde mij… dat je keren zou maar na zes weken wachten neem ik het niet meer zo nauw   Zonder jou, zonder jou vullen de dagen zich met hoop zonder jou, zonder jou neemt mijn leven zijn beloop zonder jou kan ik nog hopen zonder jou zal ik door gaan dus blijf ik niet meer dromen dat het nog goed komt… met jou

BartDR
0 0

Ganzenbord

Gekleurde gansjes bij de start Kijken vrolijk naast elkaar Gezellig spel al eeuwen lang En het maakt je dromen waar Van eindelijk de winnaar zijn Maar al doe je nog zo je best Het lot doet steeds zijn eigen zin Alea iacta est   Ganzenbord, ganzenbord Leven dat is ganzenbord Heb je geluk dan kom je ‘r wel En anders, och ’t is maar een spel   ‘k Wou op een onbewaakt moment Eens even vriendelijk zijn Zo belde ik een eenzaat op Hing uren aan de lijn Mijn telefoon deed wonderen Hij werd een ander mens Zijn leven kreeg een nieuwe start En alles ging naar wens   Maar ik was door die telefoon Finaal geruïneerd Dat bellen naar het buitenland Heb ik nu afgeleerd Een torenhoge schuldenlast Mijn wereld stortte in Dan help je iemand uit de put En zit je ’r zelf weer in   Ganzenbord, ganzenbord Leven dat is ganzenbord Heb je geluk dan kom je ‘r wel En anders, och ’t is maar een spel   Na jarenlange arbeid Was het boek dan eindelijk klaar De schrijver bracht tevreden al zijn Vrienden bij elkaar Maar aan hun lachen merkte hij Er was iets grondig mis Hij had een boek geschreven dat Al lang geschreven is   Hij was totaal vergeten Z’n geheugen was een zeef Dat Marx in achttien en zoveel Het Kapitaal al schreef Dus alles was voor niks geweest Het leuke was er af De schrijver dacht toen laconiek Nu kan ik terug naar af   Ganzenbord, ganzenbord Leven dat is ganzenbord Heb je geluk dan kom je ‘r wel En anders, och ’t is maar een spel   Mijn leven was een ganzenbord De dobbelsteen mijn ziel Totdat ik zoekend naar iets meer Verbaasd van ’t bord af viel Nu zweef ik door het ijle heen Kies zelf de cadans Ik weet bij god niet wie ik ben Maar ik ben dan toch geen gans

Annemie Corens
21 0