Lezen

Sluitingstijd

Het eerste wat je aan de voordeur opviel toen je hier één jaar geleden kwam wonen, was dat ze niet zomaar kon dichtvallen. Je moest wel erg hard trekken aan dat onding om haar te sluiten. Dat bood een geruststellend gevoel: nooit zou je je immers buitensluitenhad je gedacht, tot nu, nu je op de drempel staat met je hand op de deurknop, een onaangename trilling op je trommelvlies van de dreun waarmee je de deur net achter je hebt dichtgetrokken, en geen sleutel op zak. Je spoelt de film van het afgelopen halfuur terug. Je had je laptoptas in een hoek geslingerd toen je thuiskwam en je sleutelbos aan het haakje gehangen, een afscheidscadeau van de vriendin met wie je een jaar een huis had gedeeld. Om te voorkomen dat je ook hier je sleutels overal zou laten rondslingeren, nu er niemand zou zijn die je om vier uur ’s nachts wakker kon bellen om de voordeur te openen. Toen moet je weer naar de stoep zijn gewandeld om buiten het bereik van de veel te gevoelig afgestelde rookmelder een sigaret op te steken, zonder geld, telefoon of sleutels op zak.  Op het werk had je honderden e-mails moeten sturen om de afspraken van de komende weken af te zeggen en vertrouwelijke documenten in het geniep van het bestand moeten halen om de lopende dossiers thuis af te werken. Intussen was de collega naast je maar blijven jammeren dat we er allemaal aan zouden gaan, terwijl die aan het bureau voor je volhield dat het een complot was om een geheim biologisch wapen te testen. Je had geprobeerd je oren voor hen te sluiten. Als iedereen zich aan de noodmaatregelen hield, zou het virus zich niet verder verspreiden en zou alles spoedig goedkomen. De reservesleutel ligt binnen in het laatje in de keuken. De buren heb je nog nooit gesproken, hoogstens twee keer gedag geknikt in het voorbijgaan, dus had je nooit overwogen hen een sleutel van je huis toe te vertrouwen. Familie en vrienden wonen mijlenver hiervandaan. In je nieuwe stad ben je er nooit toe gekomen duurzame contacten te leggen. Het werk zuigt je leeg en in het weekend waai je liever uit in je eentje dan contact op te zoeken. Een sleutel onder de deurmat leggen of in een bloempot verstoppen, heb je in te veel slechte films zien mislopen.  Optie 1: je belt een slotenmaker die je weer binnen laat. Over minder dan een uur lig je te ronken op de sofa. Bezwaar tegen optie 1: je telefoon ligt nog binnen. Zelfs opzoeken waar er een slotenmaker is kan je niet. Hoe laat blijven die open? Het is donker en alle rolluiken in de straat zijn al naar beneden.Optie 1b: je vraagt andere mensen om een slotenmaker te bellen of op zijn minst op te zoeken. Optie 2: je belt aan bij het huis aan het einde van de straat, klimt over de muur naar de tuin van hun buren en herhaalt dat vijf keer tot je in je eigen tuin bent. Vervolgens kruip je op het platte dak van de keuken om het raampje van het toilet in te slaan en zo met de kleinste schade naar binnen te klauteren.Bezwaar tegen optie 2: alles. En je rechtervoet doet al dagen pijn.  Optie 3: je brengt de nacht op straat door. Morgen zullen er slotenmakers zijn die met een glimlach de deur weer open toveren. Gewoon de weg vragen morgenvroeg, misschien opent er eentje al om half negen de deuren, dat rest dus nog maar twaalf uur en dertig minuten. Als student heb je dit zo vaak gedaan.  Optie 1Je blijft in het midden van de stoep staan. Een koppel komt je richting uit.‘Excuseer,’ zeg je, ‘mag ik iets vragen?’ Ze lopen om je heen.Je wacht tot een oude man voor je verschijnt.‘Excuseer, mag ik iets vragen?’‘Dat bent u al aan het doen.’‘Zou ik even uw telefoon mogen lenen om op te zoeken waar er een slotenmaker is die mij binnen kan laten?’‘Ik kan niet op het internet met dat versleten bakje van mij.’ Weg is hij. Je loopt vijf keer de straat op en af, maar er komen weinig mensen voorbij. Een andere man kijkt je recht in de ogen en wandelt verder. Drie mensen mompelen elk iets over besmetting en virussen. Een vrouw steekt de straat over wanneer ze je opmerkt. Een andere vrouw antwoordt: ‘Nee, ik ken dat wel, dan zie ik mijn telefoon nooit meer terug.’ Hoeveel tijd er verstrijkt zonder resultaat, weet je niet. Een halfuur, drie uur.  Optie 3Met rechte rug volg je de straat, weg van de voordeur, richting het centrum. Je steekt de ene sigaret in je mondhoek op en kalmeert. Gelukkig heb je je jas aan, maar het is niet eens koud. Zo erg kan het allemaal niet zijn. Morgen gaat de wereld pas op slot. Lang voor je aan de dichtstbijzijnde kroeg bent, hoor je het gejoel al. Je mengt je tussen de mensen die de laatste avond vieren. De muziek staat luid en het bier vliegt in het rond. Je weet dat je dit normaal onverantwoord zou vinden, dat we nu juist allemaal in afzondering moeten, maar dat zet je uit je hoofd. ‘Weet u waar er een slotenmaker is?’ probeer je nog een keer bij een caféganger. Hij danst verder zonder je aan te kijken.  Je keel begint te branden. ‘Hallo,’ begin je tegen de serveerster aan de bar. ‘Ik ben hier al vaak geweest,’ lieg je. ‘Maar nu heb ik geen geld bij me. Kan ik misschien…’ ‘Nee, dat doen we niet.’‘Maar ik kom u morgen alles terugbetalen.’‘Morgen zijn we dicht.’ ‘Dan schrijf ik het over op jullie rekening.’‘Doen we niet.’‘Ik heb thuis genoeg geld. En op mijn bankrekening. Nu is het gewoon…’Ze kijkt je niet meer aan en gaat verder met tappen.  Eens buiten het café valt je oog op een hotel. Je wil naar binnen gaan, maar beseft dat je nog steeds geen geld op zak hebt. Je vat post aan de geldautomaat. [5] [JDB6] ‘Kan u mij een beetje geld lenen? Ik heb mezelf buitengesloten. Morgen betaal ik het u terug, als ik weer binnen kan.’ Een jonge vrouw bekijkt je van top tot teen en wandelt weg zonder iets te zeggen. ‘Waarom zou ik dat geloven?’ vraagt een man die je vader zou kunnen zijn. ‘Ze zijn allemaal maar op één ding uit.’‘Wie?’‘Mensen zoals u,’ roept hij over zijn schouder voor hij om de hoek verdwijnt.  Je doolt verder door de straten. De klokken van de kathedraal hebben twaalf uur geslagen. Cafés en restaurants veranderen in leegstaande panden. Voor je doemt het station op. De laatste trein is al lang vertrokken, de hal die naar de sporen leidt is doodstil. In het donker herken je de omtrekken van daklozen die her en der liggen te slapen. Je passeert hier elke dag op weg naar je werk, intussen ben je vertrouwd met het zicht van de man op zijn rafelige matje die in een onbegrijpelijke taal bedelt terwijl hij met een beker vol muntjes rammelt. Tussen de frisdrankautomaat en het koffiekraam zie je hem zitten. Hij zwaait naar je. Even blijf je voor hem staan. Hij wijst naar de stapel oude kranten naast hem. Je laat je zakken en legt je hoofd neer op een achtergebleven zadelbeschermer van een fiets. Je hebt geen idee hoeveel uren nog resten voor er hier en daar weer iets opent in de stad. Je sluit je ogen. Zolang kan het heus niet meer duren.

Felix Sandon
3 0

Gatlelijk

Liefste lezer, ik beloof plechtig dat de column van deze week geen gebakken uitwerpselen, door mijzelf bedreven tantrische seks of beschrijvingen van mijn sixpack met astronomisch hoog aflikgehalte bevat. Al beginnen we wel met een vrouwenkont. Sta me toe om het even uit te leggen. Ik weet dat ik, door wat ik nu ga zeggen, binnen vijf minuten geboeid uit m’n huis word gesleurd om onverdoofd met een vismes gecastreerd te worden op ons dorpsplein, maar ik moet het kwijt: ik durf al eens een milliseconde naar een welgevormd damesachterwerk kijken als het me voorbijloopt. Walgelijk, I know. Toen ik een tijd geleden weer zo’n geweldig staaltje natuursculptuur zag passeren, merkte ik echter iets raars op. Het achterste van de vrouw had geen ronding zoals bij de meeste mensen uitgezonderd mezelf. Nee, het ding was hoekig, alsof ze net uit een schilderij van Picasso was gestapt. En zoals je vaak plots overal dat woord tegenkomt dat je een dag ervoor voor het eerst gehoord hebt, zag ik er nog één. En nog één. Wekenlang heeft het mysterie van het geometrische gat, het mysterie van de hoekpoep, me beziggehouden. Tot ik toch eens een milliseconde langer durfde kijken, met het risico dat de vrouw zich zou omdraaien en uit mijn blik zou afleiden dat ik haar in mijn hoofd al aan het penetreren was, terwijl ze met handen en voeten vastgebonden op de pooltafel op het dek van mijn ingebeelde luxejacht lag. Grapje, lieve lezer. Als ik beloof om het proper te houden, doe ik dat ook. Maar terwijl ik dus naar haar zitvlak keek, kreeg ik m’n eureka-moment: da’s potverdikke een smartphone in haar achterzak! Meteen wierpen een hele hoop nieuwe vragen zich op: is dit iets uitsluitend vrouwelijk? Of loop ik als smartphone-in-zijzak-drager achter? Gaan ze verkeerdelijk denken dat ik iets verberg en níét de duurste iPhone heb die je kan kopen? En ook, wordt die gsm niet supermakkelijk gestolen uit die achterzak? Maar vooral, waarom steek je hem weg en gebruik je de extra tijd niet die je al wandelend op je smartphone kan besteden? Onze planeet is zo mooi niet. De Brusselse Ring, het perron van Kustmijnklotegem, de tuintjes vol onkruid en misvormde tuinkabouters op weg naar de crèche … Na een tijdje heb je het allemaal wel gezien. En voor autorijden, fietsen of een baby dragen heb je aan één hand genoeg. Maar de pa van Jezus heeft ons er twee gegeven met een reden. En daarvoor is er dat heerlijk lichtende schermpje om in te kruipen, met zo veel leuke dingen om te doen: ontdekken hoe je achterwerk het doet op Tinder (waar het nog charmant is dat mensen je kont checken), vrolijke dingetjes lezen op Facebook, door Instagram scrollen en kijken hoe de ex-collega die je volgt uit medelijden weer z’n tekstjes in je strot probeert te rammen. Ik zeg maar iets. Wanneer ik rondkijk in de trein, zie ik dat de meeste mensen het gelukkig doorhebben. Met elegante zwanenhals en laserfocus zitten ze te kijken, tikken, tokkelen, liken en swipen dat het een lieve lust is. En geen eentje verveelt zich of moet voor de zesduizendste keer de afschuwelijke achtergevels tegen het spoor zien voorbijflitsen. Ze merken het zelfs niet meer op wanneer ik in een volle wagon aan m’n snikkel begin te sjouwen en mijn hele lading over m’n sixpack met astronomisch hoog aflikgehalte spuit. Wederom een grapje, lieve lezer, we hadden een afspraak. Gisteren stapte ik al facetimend door Anderlecht, want alleen introverte mietjes bellen nog met de telefoon aan hun oor, toen ik ineens, knots, BOEM, #PAUKESLAG op de grond smakte. Een jongeman die met smartphone voor z’n gezicht metersdiep in z’n TikTok-feed zat, was recht op mij gelopen – enfin, of ik op hem, het maakt al niet uit – waardoor onze telefoons tegen mekaar en vervolgens tegen onze nietsvermoedende koppen kletsten. ‘Lelijk hier, hè?’ zei ik toen ik was rechtgekrabbeld. ‘Gatlelijk!’ antwoordde hij, voor we allebei in lachen uitbarstten. Na een ongemakkelijk dansje van onduidelijkheid wie wie nu links en wie wie rechts ging kruisen, zetten we onze weg al scrollend verder. Onderweg ben ik zeker nog enkele prachtachterwerken met en zonder hoeken tegengekomen, maar ik heb er geen milliseconde naar gekeken, omdat ik gezellig en veilig in m’n scherm zat, zoals het elk normaal, niet pervers mens betaamt.

Hans Verhaegen
25 1

dierbare vijand.

Ge spreekt af. Na jaren. In hetzelfde café, steeds hetzelfde café. Niemand die weet hoe de avond zal verlopen. Ik niet en jij niet mijn vriend. Mijn maatje, mijn partner in crime in gedachten. Ik drink wat, want drinken verzacht de pijn van het zijn. Door beslagen ramen tuur ik over de rivier die vlak voor het café gesmeten ligt. Nergens ben je te zien. Je had niet hoeven afspreken. Ik snap het wel: tien jaar laat ik niets van mij horen en plots wil ik persé die zaterdagavond afspreken. Dan, vanuit de mist verrijs je. Nog steeds dezelfde kleren lijkt het wel. Nog steeds dezelfde snit. We veranderen continu en eigenlijk blijven we gelijk. Dat is onze bottomline. Hulde! Je schrijdt het café binnen, zelfzeker kijk je me aan. We zijn evenwaardig, ooit waren we beste vrienden. Het kan niet anders, fuck, dan dat we evenwaardig zijn. Je bestelt bier. Ik ook. Veel bier. We gaan buiten roken. Ik doe dat eigenlijk al twee jaar niet meer. Maar ik ga ervoor. Ik inhaleer zachte trekjes van een te zware sigaret. We praten maar komen amper uit onze woorden. De jaren bier worden ons daar en dan bijna fataal. Dat ik op je trouw was wist je niet meer. Maar ik wel. Jouw scheiding heb ik niet meegemaakt. Dat je op de dag dat mijn eerste kind geboren werd er was wist je niet meer, ik wel. Uw fucking oor hing er bijna af en je moest dringend naar de spoed. Dat trof, mijn vriendin moest kopen. Dat ik nog alles weet is jouw conclusie. Ik vergeet niets. We zijn eilanden, drijvend op zoek naar herinneringen en geschiedenis. Dat vind ik. Ik weet nu al dat ik nooit meer zal drinken. Niets meer, maar vandaag is de avond nog jong. Of ik nog drugs doe? Gelegenheid maakt de dief. Niet? Dus blowen we. Ik neurie iets dat lijkt op grunge. Je lacht. We drinken. Dus snuiven we. Vanavond gaan we kapot. Onze knieën zwengelen mee met god weet welke kutband. Het is een plaat dus het maakt niet uit. Het is verdomme koud en het waait. Dat we na vandaag toch nog moeten afspreken. Zouden we niet toch nog afspreken? Morgen als het kan. Maar het kan niet. Ik kan niet en jij ook niet. We struikelen waggelend naar de bar en smiespelen de barvrouw toe dat we drank willen: shotjes. Het is altijd maar kapotgaan. Ik vraag of je die nog kent? Wie? Die zelfmoord pleegde in ons klas door van een hotel te springen, vlak voor de examens. Daarom was ik er niet door, maakte ik mijn ouders wijs. Maar je weet het niet meer, ik wel, want ik weet nog alles, weet je dat nog? Eerder op de avond al gezegd. Het gaat van kwaad naar afgezaagd. Naar spaghetti aan het veer. Puisten op de kermis. Tegenwind naar Terneuzen. Boeken die er toe toe toe doen. Jij en ik. Ooit, altijd samen. Lachen gieren en brullen. Ik probeer, jij probeert. Maar er is iets fundamenteels veranderd. Het leven heeft ons ingehaald. Het leven heeft ons pootje lap gedaan, jou iets meer, toegegeven. Ik draai en hang wat rond een barkruk die zo nu en dan net goed lijkt te staan om op te gaan zitten. Om dan toch finaal op de grond te eindigen. We moesten maar eens gaan of niet, nog eentje. Fuck, alle vrouwen zijn zot. Dat ze het niet zien. Ja, ze zien het niet. Hier niet, nergens niet, nooit niet. Er zijn nooit maskers geweest beseffen we nu. We zijn wie we zijn. De maskers zijn voor de anderen, de goegemeente met hun goede bedoelingen en hun verwachtingspatroon. We passen er niet in, weten we nu. Nooit niet, nooit gedaan. Pootje lap verdomme. Maar we rechten vanavond onze rug. We zijn een soort eeneiige tweeling. Dat gedoe, dat brother from another mother, wij hadden dat al eeuwen geleden. Eeuwen zeg ik u. Maar dan nog, wat maakt het uit. Barbecue en daarna boterhammen met salamie. Pukkelpop en uw tent kwijt zijn. Ik kan wel janken. Ik jank! Jij niet, je weet niet wat te doen. Je probeert een schouderklopje. Dan ga je pissen. Ik niet. Ik kijk je na. Drink onze twee shotjes en pinten in een ijltempo op, zoek mijn jas, geef de barvrouw vijftig euro en zeg haar dat de man met wie ik vanavond was de rest van de nacht mag drinken op mijn kosten. Ik sukkel op mijn fiets, kijk om in de bedampte ramen. Je komt uit het toilet en zoekt me. Ik geef plankgas, niet moeilijk. Rechtdoor altijd rechtdoor. Ik val en breek mijn beide knieën, het wordt wachten op een ambulance. Net voor ik het niet meer houd van de pijn en in zwijm val glimlach ik en denk: ik wist alles nog.

Thomas De Mulder
71 1

Sunparks (3)

Lees hier deel 1 en deel 2 van de Sunparks Saga. Ik sta te kijken naar de grootste verzameling Kyano’s, Shania’s en Dylans die het menselijk oog ooit heeft mogen aanschouwen. Links van me krijst Sky omdat Ashley de opblaasbare donut niet afgeeft. Rechts van me spuwen Jayden, Liano en Iluna zwembadwater naar iedereen die voorbijloopt op de kant. ‘Joy! Joy! Joy!’, weergalmt een echo door het complex. Ik twijfel even of de parkbeheerder ons met propaganda de illusie van plezier in de hersenen probeert te pompen. Maar neen, het zijn de tientallen moeders die tegelijk op hun dochter roepen, waarvan de naam minder uniek blijkt dan gedacht. Ik krijg één meisje in de gaten en stel mezelf de vraag of, als dit neuspeuterende wezentje dat rechtstaand pipi aan het doen is in het kinderbad de verpersoonlijking is van Hope, we er niet beter onmiddellijk mee stoppen op deze planeet. Waar ik ook kijk, overal vertelt informatieve inktversiering op extreem onder- of overtrainde lichamen van volwassenen me de verjaardag en naam van zowat elk kind onder deze koepel. Wanneer je de kleine gezantjes van de duivel uit dit schouwspel wegdenkt, ziet het geheel eruit als een levend portfolio van een tattoo-artiest die z’n dromen is blijven volgen ondanks de Parkinson. Nergens vind je een overtuigender argument van het feit dat er geen tattooshops zouden mogen liggen in een straal van 15 km rond plaatsen waar alcohol geserveerd wordt, dan hier. Ik zie doodshoofden op bierbuiken, blote borsten op behaarde bovenarmen en misvormde dolfijnen over zwangerschapsstriemen. De bovenbilspleettribal, ondanks al vijftien jaar uit de mode, is hier hipper dan ooit. M’n ogen volgen een man die volgekleurd is van kop tot teen en even vraag ik me af of hij Michael Scofieldgewijs het volledige plan en dús de ontsnappingsroute van het park op z’n lijf heeft staan. Eens dichterbij, merk ik teleurgesteld dat het 17 verschillende spinnensoorten en een half serpentarium zijn die z’n lichaam bevolken. Overprikkeld van dit alles, ga ik op zoek naar een plek om tot rust te komen. Achter een plastic oerwoud vind ik de verborgen oase die de oudste parkbezoekers duidelijk al allemaal voor mij ontdekt hebben: de bubbelbaden. Ik stap in een bad waarin het water al flink aan het borrelen is van de luchtbellen. Zitten mee in mijn persoonlijke bubbel voor het komende half uur: vier bomma’s. Nog voor ik mij kan zetten, lonkt de eerste al opvallend naar het doorweekt, drijvend stuk stof vlak naast haar. Blijkbaar gelden de wetten van Benidorm ook hier en leggen we onze handdoek op de plek die we willen reserveren. Ik wurm me met moeite tussen het Aftellen-naar-Alzheimer-clubje en voel meteen iets tegen m’n knie stoten. Het blijkt de linkerborst van Oudje 2 tegenover me, wiens kalebassen het gevecht met de zwaartekracht ergens in 1997 moeten hebben opgegeven. Enkele ogenblikken later voel ik aan de luchtblazer in m’n rug dat de jacuzzi pas nu in gang schiet en vraag ik me af van waar die voorgaande bubbels dan eigenlijk kwamen. De derde bomma, rechts naast me, blijft ongegeneerd staren, ook nadat ik al twee keer oogcontact heb gemaakt. In een poging om onze staarwedstrijd te winnen, geef ik haar m’n obsceenst mogelijke tongbewegingen die ik kan bedenken. Bomma 3 laat zich echter niet van haar stuk brengen. Waar ik niet op had gerekend, was dat Oma 1 tegenover mij duidelijk vatbaar is voor m’n onweerstaanbare avances, al is het niet helemaal duidelijk of ze opgewonden naar me blijft knipogen of een beroerte krijgt. Wanneer ik ook haar tweede borst als de rug van een krokodil naar me toe zie drijven, besef ik dat het tijd is om me uit de voeten te maken. Terwijl ik uit het bad stap, bedenk ik me dat ik Grootmoeder 4 links van me in het voorbije half uur nog geen enkele keer heb zien bewegen. Enkel God en de beveiligingscamera’s weten hoeveel weken het arme mens hier al in het bad hangt. De dag loopt op z’n einde en maakt plaats voor de volgende, die tot aan de bubbelbadbomma’s toe een exacte replica blijkt van de vorige. Het hele weekend waterpret vliegt voorbij als een kip. Maar op zondagavond gebeurt het. Als een fata morgana zien we de uitgang plots voor ons verschijnen en komt het weekend in een stroomversnelling die de enige en saaiste wildwaterbaan ooit ons niet kon bieden. We maken dat we met de auto aan onze microvilla staan en gooien alleen het hoogst noodzakelijke van onze bagage in de koffer. Deuren toe, motor aan en weg ermee! Alsof ons geluk nog niet groot genoeg is, zie ik de Nederlander in de Corsa naar z’n huisje tuffen. Ik dwing hem om de volledige kilometer in sneltempo achteruit te rijden, bedank hem uitbundig met beide middelvingers, volg de rest van de ontsnappingsroute en rijd met de breedste smile ooit in één trek door naar huis.

Hans Verhaegen
60 4

Sunparks (2)

Lees hier deel 1 van de Sunparks Saga. Na een deugddoende nacht van 3 uur ononderbroken slaap op een matras die enkel Sunparks-brochuremakers en Auschwitz-gevangen als luxueus durven omschrijven, zijn we vertrekkensklaar. Blarenpleisters? Check. Kompas? Check. Drie liter water per persoon? Check check check! Wij dus op trektocht naar het winkeltje voor ontbijt. Ik klok af op één uur drieënveertig. Maar twee keer verkeerd gelopen. ‘Dat ging verrassend vlot,’ zeg ik, terwijl we het naar chloor ruikende supermarktje binnenstappen. ‘Goh, vlot… Beeld ik het mij in of werden we niet net achternagezeten door een inheemse stam die onze kleren wilde stelen?’ Ik lach naar mijn schoonbroer en stel hem gerust. ‘Ik denk dat het een familie uit Tienen was.’ Het winkeltje lijkt maar één doel te hebben: alle kinderen in het park zo snel mogelijk veranderen in opgefokte monsters, die zo’n zware suikertrip beleven dat je ze rond bedtijd met hun klauwen uit het plafond moet trekken. Chocolade, chips en frisdrank strekken zich uit zover het oog reikt. Water lijkt voorbehouden te zijn voor het zwembad. Mijn vrouw speelt ondertussen Waar is Wally?, waarbij Wally in dit geval een product is met minder dan 400 kilocalorieën. Uiteindelijk geeft ze het op en nemen we ons allemaal een koffiekoek van 7 euro en het enige brood dat we vinden, suikerbrood. De Sunparksstam passeert ons op weg naar de kassa met twee kratten Jupiler en een opengetrokken halve liter in de hand. ‘Overduidelijk Tienen,’ zeg ik tegen m’n schoonbroer. Na het ontbijt, dat de geschiedenis zal ingaan als ‘en exact op dat moment hebben we met de hele familie diabetes gekregen,’ hoor ik m’n vrouw enthousiast zeggen: ‘Wij zijn klaar voor het dolste wateravontuur van ons leven met niet één, niet twee, maar drie adembenemend snelle aquaslides!’ Ik bekijk haar achterdochtig, tot ik merk dat ze een quote voorleest uit de folder op het salontafeltje. Ondertussen komt m’n schoonvader binnen met opgetrokken hemd. ‘Valt goed mee qua litteken, hè? Ze hebben zelfs gezegd dat ik al direct mee mag gaan zwemmen.’ We bedanken hem met het hele gezelschap voor z’n vrijgevigheid: ‘En of we gaan genieten nu we met vier toestellen op de wifi kunnen!’‘Ach, ’t is maar een nier, hè,’ wuift hij het voorval weg. Ik sta in het kleedhokje van het zwembad bewegingen te maken die lijken op een combinatie van de regendans en een epilepsie-aanval. Ik probeer om m’n zwemshort aan te trekken en tegelijk zo’n klein mogelijk oppervlak van m’n voeten in het wrattenparadijs onder me te zetten. Uit het kleedhokje naast mij hoor ik een vrouw met scherpe stem om de vijf seconden op Davy roepen. Na een minuut heb ik door dat Davy al de hele tijd mee in het hokje stond, wat meteen het doffe, ritmische gebonk op de wand tussen ons in verklaart. Wanneer ik Davy en vrouw iets later met peuter uit het hok zie komen, beslis ik voor mezelf dat dit zo’n moment is waarop ik me wat minder vragen moet stellen. ‘De vloer is lava, de vloer is lava…’ Ik loop op m’n tippen naar het toilet om nog snel te plassen, spoel mezelf af onder de douche en voel gek genoeg het kind in me naar boven komen. Ik merk zelfs bijna niet op dat het voetbad eruitziet alsof iemand een bouillon heeft getrokken uit de afvoerputjes van het park. ’Eindelijk nog eens zorgeloos plezier maken,’ zeg ik tegen m’n schoonbroer. We klimmen behendig rond het voetbad, duwen de plastic linten opzij en stappen naar de beloofde, meest onvergetelijke zwem-experience van ons leven. Wanneer ik het tafereel voor ons zie, hoor ik zelfs boven het rumoer van 300 huilende kinderen het laatste stukje optimisme in m’n lichaam kapotbreken. Het water in de baden heeft een geelbruine schijn, twee van de drie glijbanen staan droog en zelfs de fake planten zijn verwelkt. Lees hier deel 3 van de Sunparks Saga.

Hans Verhaegen
43 4

Vanaf de aarde

Kunnen jullie het intussen, leven? Ik tast nog steeds in het duister en ik tast nog steeds in het licht. Ken je dat? Wat er ook gebeurt, soms geven toevallige ontmoetingen, passantenpar hasard de juiste hint. Ze tonen je de weg niet, maar ze verschijnenop je weg. Dat ze er zijn, die gelijktijdigheid, treft. Zo was er eens een archeologe.“Soms zakt de zon in de aarde en wordt net op dat momentde maan opgegraven”, zei ze. Toen vertrok ze.Ze kon aan het licht zien dat het tijd was om te gaan.Ze liet stof achter. “Er is altijd een trilling tussen je voeten en de aarde”, zei een vrouwmet haar ogen toe. Ze zei het aan een groep ontwakende vrouwen.“Zoek die trilling, vind ze.” Ik heb haar gevonden, dacht ik, met mijn ogen toe. Tussen ons trilt ook de energie van de aarde. Als zij beweegt, beweeg ik ook.Soms wordt een veer verliefd op een steen. Maar tussen ons is het anders. Wij zijn eenzelfde soort lichaam. Hielden meteen van elkaar.Ze woonde wel in een andere stam. Waar het goed was.Een soort liefde. Toch.Op een dag kon ze aan het licht zien dat het misschien tijd was. Vroeg? Snel? Of het kan wachten tot een volgend seizoen?Hoe weten wilde ganzen die nu al terugkeren dat het tijd is?Hadden ze in het zuiden de lucht uit het noorden geroken? Aan hun veren gevoelddat het hier winter en lente is, tegelijk? Terwijl het nog moet gaan sneeuwen,want anders vinden de verwarde bijen de weg niet meernaar hun eigen voedselvoorraad. We moeten voldoende nectarbronnen voorzien.Langzaam wordt het nodige omgezet in honing. Waar we ondertussen staan? En waarom?We moeten ergens beginnen.Ik hield van de volgende ochtenden als tevoren. Ik vertelde waarom.Ik had aan de lucht geroken, ze was langzaam zacht. Winter. Lente.Als zij beweegt, beweeg ik ook.Maar dan nog kreeg ik haar niet overtuigd om op te staan en niet zomoe te zijn – de gevoeligheid van de meeste mensen.De avond heeft een verleden, dat de ochtend zich kan herinnerenof moet doen vergeten. De stam is gebarsten. Er is pijn. Er was een eenheid – nu getekend door een breuklijn. Er waait stof op, zwaar, grijs. Wat valt er?Wat valt er nog op te graven? Wat willen alle geliefden? En nu? Gaat het verder? Waar naartoe?Hoe verklaren we deze liefde aan de hand van de cyclus van de natuur?“Ik ben altijd blij als ik overdag de maan kan zien”, fluistert iemanddie door een burn-out en verdriet heen straalt. Ik ben ook blij voor haar.“Vanaf de aarde groeit alles in de lucht”, zegt iemand die een stralend boeket van haar biologische bloemenboerderij voor me schikt.Ze kent de bodem. Daarom neem ik het van haar aan.Soms moeten we tien keer op een dag opstaan. Wat er ook valt op te graven,vanaf de aarde groeit alles in de lucht. “Waar zijt ge?!”, riep ik vanop de bodem de lucht in. Hoog.“Ik had dit alles aan jou willen kunnen vertellen, papa. Alsof ik ergens nogje goedkeurende blik zoek. Ja. Ik wil graag je ogen terugzien. Al van het momentdat je ze sloot. Zien hoe je kijkt. Van iedereen zag jij mij het vaakst,vanuit je ooghoeken. Je hebt zolang willen weten wat het beste voor mij was.Ik wil je tonen dat ik het nu zelf weet. En ik wil dat je me zegt dat dit oké is …want als ik barsten zie, wil ik ze gewoonlijk lijmen …”Eigenlijk fluistert hij het antwoord heel de tijd. Niet waar hij is, maar:“Het is goed je zo te zien. Je vond jouw soort liefde. Je leeft volop. Voor mijen je moeder erbij. Leef volop.” Gefluister vraagt ‘luister’. Ik luister. Geruisloos.Wat is het geluid van een bloem die openkomt?Beweegt ze zo traag dat wij het niet kunnen horen?Maakt alles wat beweegt niet een minimaal geluid?Een klank waarvan wij de frequentie niet kunnen opvangen? Of we het zeker weten? Ja.Dat denken we. Zo voelt het toch. Wanneer weet je iets zeker? Als je het weet?Langzaam wordt het nodige omgezet in honing. We wachten.We weten niet altijd waarop, maar we wachten. Beter gezegd: we nemen tijd.Maken minimaal geluid. En toch breken er harten, zo traag dat wijhet niet kunnen horen, maar er wel altijd ergens een klank van opvangen.Wat willen geliefden?Dezelfde weg die omhoog gaat, gaat ook omlaag. Het begin van een cirkelis ook het einde. Is eveneens een begin. Laat het gebeuren.Alles komt in seizoenen. Ook de spullen verdelen. Die zwijgzameoorverdovende bewegingen. Niet willen. Niet weten.Tranen van een mooie man. Van een oogverlichtende vrouw.Tranen van gouden kinderen.Van aan de zijlijn barsten zien. Willen lijmen. Maar niets doen. Durven kijken.En blijven staan. Of we samen? Voldoende aarden?Voor de buitenwereld lijken we rondtrekkende indianen.Elk vertrokken uit onze eigen clan, trekken we afzonderlijk op pad.Naar andere dorpen en nergenshuizen. Met een boodschap. Over een soort liefde.We willen weten of dit mag zijn. Pijlen, perspectieven en windrichtingen verzamelen. Herbekijken dan ons eigen kompas.We komen er toe, in ergenshuizen. Met aarde aan onze trillende voeten.En zij maar zeggen: “Kom je iets vertellen? Hé? Kom je iets vertellen, zal ikeens iets zeggen. Bij mij ging het zo: Pijn, spijt, tijd, slijt.Dus denk er goed over na, weet wat je doet.” In plaats van dat ze luisteren.In plaats van dat ze luisteren naar onze boodschap. Ons gefluister.Naar de bloemen die openkomen. Of we nog altijd? Telkens weer? Genoeg ademen?“Adem in zoals je aan een bloem zou ruiken. Diep, vol. Vertrouw je zintuigen”,klinkt een juiste hint van iemand op de weg. I bless my believers. Ik neem adem.Ik krijg wat ik wil nemen. Leef volop. Tussen ons trilt de energie van de aarde,een soort liefde. Ik heb voor jou gekozen,geliefkozen,geliefde.Wat je ook kiest. Hoe je ook beweegt. In welke vorm dan ook.Hoe dat dan ook klinkt. In mij het geluid van een bloem die openkomt.Als zij beweegt, beweeg ik ook, beweeg jij, mij ook. Ook in het donker. Soms zakt de zon in de aarde.En ook al wordt op dat moment de maan opgegraven, soms duurt de tussentijd.Dat schemerige niemandsland. En toch. Heel eerlijk.Tast ik steeds meer in het licht.Vanaf de aarde groeit alles in de lucht. In welke vorm dan ook.Vanaf de aarde groeit alles naar het licht.

Jill Marchant
41 1
Tip

Sunparks

‘Ik roei met de riemen die ik heb in dit epicentrum van getatoeëerde marginalen en kinderen zonder toekomst.’ Positiever dan dat kon ik moeilijk antwoorden toen een vriend me stuurde hoe het weekendje Sunparks me beviel. Ook nu weer, met de krokusvakantie in het vooruitzicht, zet menig jong gezin zich rond de tablet om nog een last minute te boeken naar vakantieparken die je eindeloos speelplezier, ongekende aquafun, heerlijk verkwikkende wellness en grenzeloos avontuur beloven. Laat deze column een waarschuwing zijn voor wat je daar in werkelijkheid te wachten staat. Zie het als een kleine opfrissing van wat je al lang weet, maar hardnekkig probeert te vergeten wanneer je het waanzinnig gelukkige, beeldmooie, met perfecte BMI gezegende middenklassegezin op de brochure ziet. Ik neem het je niet kwalijk, lieve lezer. Maar zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb. Is het toch al te laat? Dan wens ik je veel sterkte toe, zeker als je er, net zoals ik, als kinderloze dertiger door een of andere ongelukkige speling van het lot bent terechtgekomen.Vanaf dat ik de bareel achter me in de houder hoor vallen, weet ik het: ‘ik ben gevangen.’ Elke ontsnappingspoging is hopeloos. Wie toch probeert om onmiddellijk terug te keren, ontdekt al snel dat je eerst zigzaggend, lussen draaiend, rond 13 rotondes manoeuvrerend door het volledige park moet, waarin je enige herkenningspunt bestaat uit één huisje dat 700 keer gecopy-pastet werd. Elk domein is dan ook aangelegd als een labyrint waarvan je onmogelijk in minder dan drie dagen de uitweg vindt. Dat besef begint al wanneer je je zogenaamde luxebungalow probeert te bereiken. Mijn eindbestemming is huisje 186, dat ik een halve benzinetank en één echtelijke ruzie later helemaal achteraan in het park vind. Want iedereen weet dat je huizen logischerwijs altijd nummert van achter naar voor, zodat je bij de ingang uitkomt op 763 en zeker niet bij 1.Wie dacht dat de villa vinden de enige hindernis was om in zeeën van ontspanning en relaxatie te duiken, ziet duidelijk nog iets, of beter iemand, over het hoofd. Ook deze keer ontbreekt hij niet. De Nederlander. Dé Nederlander die, met z’n vrouw en twee kinderen die lijken op patatten met petjes, de volledige weg blokkeert om de meest volgepropte Opel Corsa ooit uit te laden op een manier die je doet twijfelen of onze tijd hier op aarde nu wel of niet eindig is. In een tijdsspanne van 20 minuten claxonneer ik 17 keer naar mijn Nederlander, waarop die vrolijke flapdrol z’n duim opsteekt om fluitend petanquebal per petanquebal verder naar binnen te dragen. Wanneer de familie Mindful Uitpakken haar meditatiemoment er eindelijk heeft opzitten, wordt duidelijk dat ons huis – uiteraard – in een doodlopend stuk van de doolhof staat en dwingen de felle achteruitrijlichten van de Corsa me tot nog een kleine kilometer achterwaarts autorijden vooraleer ik zelf aan het uitladen kan beginnen.Op onze luxury lodge heb ik verbazingwekkend genoeg niets aan te merken. Dat komt waarschijnlijk doordat ik gebruik maak van de zelfbedachte Twistertactiek. Zo zit ik vanaf ik door de voordeur stap niet in iets wat lijkt op een klerenkast met muren, maar wel in het grootste Twister-speelveld ooit. In mijn beleving ben ik dus níét aan het schuren met de schoonmoeder om een mes uit de schuif te kunnen pakken terwijl zij spaghetti staat te koken. Wel ben ik weer een stap dichter bij de overwinning in het weekendlange behendigheidsspel waarbij alleen de gekleurde stippen ontbreken. Mij zal je dus niet horen klagen over het feit dat het onmogelijk is om tv te kijken zonder dat de kont van een huisgenote je oor plet, terwijl je andere huisgenoot door zijn neus moet ademen omdat je knie tegen z’n kin zijn mond blokkeert. Noch spot ik met het feit dat de gemiddelde verhuisdoos groter is dan deze premium cottage. Verhuisdoos of vakantievilla, aan de kartonnen muren waarachter je de Oost-Europese buren hoort drinken, zingen, roepen, kotsen, neuken en snurken – in die volgorde – ontsnap je toch niet. En hoort het per slot van rekening niet bij het vakantiegevoel dat je om twee uur ’s nachts wakker wordt van iemand die vier huisjes verder z’n slaapkamerdeur dichttrekt?Lees hier deel 2 van de Sunparks Saga.

Hans Verhaegen
89 4

Chinese vrijwilliger

Het plan was onfeilbaar. Ik was de Chinese vrijwilliger. Ik zou het oplopen doordat een Chinees kindje een gemene hoestbui had gekregen tijdens het in mekaar zetten van het laatste nieuwe Apple-product, dat ik uiteraard zou gekocht hebben. Ik zou, zoals gewoonlijk, de geur van mijn nieuw Apple-product inhaleren nog voor ik het goed en wel uit de verpakking had gehaald. En ik ging de eerste zijn. Ik zou sterven als BV en mijn vrouw achterlaten met miljoenén, enerzijds door de schadevergoeding, anderzijds doordat m’n columns zouden verkopen voor karrenvrachten gele eurobriefjes. Want net als bij pakweg Van Gogh zal ook mijn oeverloze, niet in woorden te bevatten talent pas erkend worden wanneer er maden uit m’n oogkassen kruipen – die oogontsteking in 2015 niet meegerekend. Ik had het allemaal uitgekiend. Maar helaas, een ander genie is me voor geweest. Deze week is namelijk de eerste Belg met het coronavirus gesignaleerd en ik ben het jammer genoeg niet. Welk product Philip Soubry – want zo heet de held – aan de man wil brengen of welke carrière hij ambieert is nog niet duidelijk, maar geloof mij, als hij het overleeft is deze gozer binnen. Een boekendeal, filmfranchise, z’n kop op flesjes Corona-bier, een naar hem vernoemde Quickburger en een huwelijk met een (al dan niet oude) Miss België zijn op dit punt onvermijdelijk. Deze man heeft 2020 nu al gewonnen. Je ziet hem gegarandeerd terug in het volgende seizoen van De Slimste Mens. En gelijk heeft hij. In deze maatschappij, waarin iedereen zich de superster van z’n eigen wereld waant, waarin we leven voor de likes en waarin 15 minutes of fame veranderd zijn in 15 seconden, kan je de aandacht die je krijgt niet meer gewoon grijpen en uitmelken. Je moet die cashcow vetmesten en verkrachten tot het beest schubben heeft aan de binnenkant. Hoe de Belgisch Kampioen Corona het virus opliep, daarrond circuleren verschillende verhalen. Soubry was alleszins nog niet bijna in de buurt van China geweest. Hijzelf beweert gedineerd te hebben in restaurant Hong Kong in Dadizele, alwaar de chef-kok die in Wuhan geboren is met het corona-gen, het niet langer kon houden van de krampen en in een emmer in de keuken heeft gescheten. Het eerste gebod van de bijbel voor chef-koks, Ons Kookboek van KVLV, zegt namelijk: laat nooit je fornuis alleen. Wat hij niet wist was dat in eenzelfde emmer ernaast beslag zat om de fortune cookies voor de gasten van die avond te bakken. Door een ongelukkig toeval heeft de keukenhulp, die eerder zelf op het toilet zat, die twee emmers omgewisseld en 20 minuten later zat Philip Soubry nietsvermoedend het smerigste, maar meest lucratieve gelukskoekje uit z’n leven te eten. Nu treft het dat het coronavirus het snelst wordt doorgegeven via gebakken feces. Maar dat had Soubry makkelijk kunnen opzoeken, om er daarna dit nogal onwaarschijnlijk verhaal rond te fabriceren. Interessanter is de verklaring van Soubry’s vrouw. Die zegt dat haar echtgenoot al jaren achter haar rug om kelders met illegale Chinese jongetjes bezoekt en hij er bij wijze van fetisj hele avonden in niets dan een pamper over de grond kruipt, terwijl de kinderen hem fruitpap voederen en boeken van Annie M.G. Schmidt in een Mandarijns dialect voorlezen. Mogelijk heeft hij een van die jongetjes zo ver gekregen om in een emmer te schijten, het goedje te bakken en het verkruimeld met Vitabis bij hem naar binnen te lepelen. Zoals ik al zei wordt het virus het makkelijkst doorgegeven via gebakken feces. Dat verklaart meteen ook van waar het absurde verhaal komt dat Soubry zelf aan de media blijft vertellen. Ach, wie maken we wat wijs. Natúúrlijk is dit alles in scène gezet. Waarom authentiek en arm blijven als je met een leugentje om bestwil blokken goud kan kuchen? Philip Soubry is geen corona-overlevende. Philip Soubry heeft zelfs nog nooit een verkoudheid gehad. Philip Soubry is een kerngezond man met een geniaal plan om z’n personal branding en z’n bankrekening te rocketboosten op de rug van het coronavirus. En daarom verdient deze man dubbel en dik elke cent van het fortuin dat op dit moment binnenstroomt. Ik zal alvast in de Quick met smaak zitten genieten van een Soubry Supreme, wetende dat ik mijn steentje heb bijgedragen aan iemands welverdiende renteniersleven. En net als bij kunst zullen de mensen zeggen dat ze dat zelf ook allemaal hadden kunnen bedenken. Maar net als bij kunst zal iemand hen vertellen dat zij niet diegenen waren die het als eerste bedacht hebben.

Hans Verhaegen
214 1

Bernard

Bernard kijkt omhoog en fronst zijn wenkbrauwen. Het ongezellige licht van de tl-lampen in de rechtszaal doet pijn aan zijn nog vermoeide ogen. Hij heeft slecht geslapen vannacht. Dat heeft hij altijd als hij de avond voordien met de fles whisky geen maat weet te houden. Helaas heeft hij het goedje nodig om zijn brein te bedaren. Als hij geen borrel drinkt, dan slaapt hij helemaal niet. Bernard pulkt geërgerd aan de vest van zijn grijze maatpak. Hij haat zijn job. Al meer dan veertig jaar is hij Procureur des Konings, terwijl hij eigenlijk liever onderzoeksrechter wilde worden. Een mens zou voor minder chagrijnig in het leven staan. Mocht hij opnieuw kunnen beginnen zou hij alles anders aanpakken, maar met zijn pensioen in zicht is dat de moeite niet meer. Hij zal deze dagelijkse geseling nog wel een paar jaar uitzitten. De dag is voor Bernard zoals altijd slecht begonnen. Omdat zijn wekker niet was afgegaan, is hij vanmorgen met zijn roestige Jaguar in zeven haasten naar de rechtszaal geracet. Het is dinsdag en het verkeer zat tegen. Dat is trouwens altijd zo op de tweede dag van de werkweek. Bernard heeft iets tegen dinsdagen. Het is de dag waarop je het weekend alweer vergeten bent en een volgend weekend nog te ver weg is om al naar uit te kijken. In de rechtszaal zitten aardig wat mensen. Bernard zucht en vouwt zijn handen. Een sigaret zou deugd doen. Normaal rookt hij er altijd een net voor hij de rechtszaal binnengaat, maar door het verschrikkelijke verkeer was dat daarnet niet gelukt. Bernard zucht nog eens, nu dieper dan daarnet. Dat deze rotdag maar snel voorbijgaat.Er heerst een irritant geroezemoes in de rechtszaal vanmorgen. Vooraan zitten vier jonge vrouwen op een rij. Ze zien eruit alsof ze allemaal net op audiëntie zijn geweest bij de paus. Met hun fletse kleren en witte kraagjes lijken ze een beetje op de duiven op de trappen van het gerechtsgebouw waar Bernard hekel aan heeft. Ze fluisteren tegen elkaar en kijken af en toe in zijn richting. Bernard wordt er een beetje ongemakkelijke van en kijkt snel wat in het rond. Het valt hem op dat er opvallend veel vrouwen in de ruimte aanwezig zijn vandaag. Zelfs de drie rechters zijn van het vrouwelijke geslacht. Vreselijk vindt Bernard dat. Rechters horen mannen te zijn. Toen hij hier begon in de jaren zeventig zaten er nog échte rechters. Charismatische mannen met baarden en brillen. Tegenwoordig loopt het op het parket vol met van die arrogante dellen. Als ze jong zijn, dan zijn ze nog hups en aangenaam om naar te kijken. Zo een lekkere mokkel die voorbij je glazen bureau komt geparadeerd in minirok op stiletto’s, dat is toch genieten. Jammer genoeg zijn er ook de meer belegen modellen. Eens de vijvenveertig gepasseerd is alle frisheid verdwenen bij zo een wijf en is ze nog bezwaarlijk sexy te noemen. Daarbij liggen vrouwen hun talenten elders en hebben ze niets te zoeken op het parket. Ze zijn hier zeker beland zijn door al de bullshit die ze op de televisie zien. Walgelijk wat de media zich tegenwoordig allemaal permitteert. Bernard mist de tijd waarin Walter Zinzen en Alain Coninckx nog op televisie kwamen. Twee echte venten met kennis van zaken. Bernard heeft een hekel aan de huppelkutten die tegenwoordig zijn scherm vervuilen. Hij herinnert zich dat hij op een blauwe maandag eens per ongeluk bij het zappen op zo’n televisieserie was gestoten waar een getormenteerde actrice probeerde in zich in te leven in zijn job. Veel weet hij er niet meer van, alleen dat hij in die vijf minuten dat hij ernaar keek meer procedurefouten zag dan er ooit mogelijk waren in het echte leven. Positief was wel dat die roodharige sprinkhaan van een actrice een verdomd lekker lijf had.In de rechtszaal wordt het geroezemoes steeds luider. De vier vrouwen op de eerste rij zitten Bernard nog steeds venijnig aan te staren. Hun keurig opgemaakt ogen lijken hem te willen doorzeven. Bernard glimlacht naar hen in een poging om hun sympathie op te wekken. Hun blik is al even gemeen als die van Mireille die hem tien jaar geleden had achtergelaten. Zijn vrouw had dan wel niet gekozen voor die verschrikkelijke depressie, toch voelde Bernard zich in de steek gelaten door haar na haar zelfmoord. Hij voelt zich ook tekortgeschoten als man, alsof hij Mireille op geen enkel vlak had kunnen geven wat ze nodig had. Dat frustreert hem danig. Daarbij kwam ook nog eens dat hij vanaf toen ineens alleen moest zorgen voor dat kleine kreng, hun dochter Hannelieze. Alsof hij, Bernard Vanboven, hardwerkende magistraat, niets anders te doen had. Op een dag had hij zijn dochter bij een ruzie zo’n ferme mep verkocht dat zijn handafdruk duidelijk zichtbaar was op haar aangezicht. De dag erna was ze voorgoed naar Leuven vertrokken. Dat is twaalf jaar geleden nu. Hannelieze, moederskindje tot en met, heeft Bernard de dood van haar moeder nooit vergeven. Ze liet ook geen kans onbenut om Bernard daarop te wijzen. Misschien is het wel beter zo. Zo hoeft hij niet altijd opnieuw te worden herinnerd aan Mireille en de verschrikkelijke beslissing die ze maakte op die mooie zomerdag in juli. In de rechtszaal vraagt de rechter om aandacht door driemaal met haar hamer te slaan. Bernard schrikt op uit zijn gedachten. Hij haalt zijn gevouwen handen uit elkaar en wrijft met de palmen over zijn bovenbenen. De stof voelt ruw aan. Hij voelt zich zenuwachtig. Vreemd, denkt hij, ik heb me hier in deze ruimte nog nooit zo gespannen gevoeld. Hij ademt een paar keer diep in en uit en knippert mij zijn kraalogen. Daarna strijkt hij met beide handen even door zijn volle grijze haardos. Zijn hartslag daalt en hij voelt zijn winnaarsmentaliteit weer de kop opsteken. Gelukkig maar. De rechter schraapt haar keel en steekt van wel: ‘Meneer Vanboven, als u er klaar voor bent dan kunnen wij starten met het volgende deel van deze zitting. Aan u het woord.’Als de rust zelf gaat Bernard staan en kijkt even opzij. Die vier schijnheilige duiven houden hem nog steeds nauwlettend in het oog. Daarna kijkt hij vastberaden naar de drie rechters. Hij twijfelt even, maar zegt dan toch met kordate stem: ‘Ik heb nooit, ik herhaal nooit, mijn vier stagiaires hier aanwezig ongewenste tekstberichten gestuurd, noch ongepast seksueel gedrag gesteld in hun bijzijn.’  

Ans DB
0 0