Lezen

Supernova in opleiding

Ik wandel de nacht in, de afnemende maan in mijn kielzog. In de lucht hangt een zoete vochtigheid. Ik zuig mijn longen vol en proef. Het is de stroperige geur van minnaars die elkaar na lange tijd opnieuw aanraken. De aarde is beregend, en wordt eindelijk opnieuw begeerd. Ze keert terug naar een vloeibare staat waar scheppingsdrang kan gedijen. In het dampende hemelwater dat over de straten hangt ben ik de Venus van Botticelli die onwennig uit haar schelp stapt. Ik word één met Aphros. Ik ben het ongeboren schuim dat op de golven rust. Uitgeput laat ik me dragen tot ik ergens aanspoel. Bij mij zullen er geen Horen zijn die me ontvangen, een mantel om mijn schouders draperen. Ik ben geen godin, slechts een mens. Slechts een vrouw.  De wolken drijven uit elkaar en aan de hemel verdringen sterren elkaar om gezien te worden. Ik staar naar de ongegeneerde zelfonthulling. Ik probeer mijn eigen hemellichaam te voelen maar mijn glans is weg. Ik ben een Rode Reus, mijn kern is op en ik duw het hele leven verder van me af. In mij zwelt onrust, ik ben een stervende ster. Ik zoek Venus aan de hemel, en zie haar schitterend aan het firmament liggen. Zij bezoekt me met haar beminnelijke glimlach, ze zwelgt in haar oneindigheid. Zou ze weten dat ze binnen enkele miljoenen (of miljarden) jaren ook zal eindigen zoals alles hier op aarde? Zou ze weten dat ze gulzig opgeslokt zal worden door de zon? Ik stap door, er trekt een lichte trilling door mijn lichaam. Ik weet al wat ik zal worden. In mij begint een kettingreactie die niet te stuiten is. Elke cel van mijn zijn siddert. De supernova trekt zich op gang, mijn brandstof is op. Ik zal instorten op mijn eigen kern en ontvlammen in de helderste explosie die niemand ooit zal zien.  In het natte gras blijf ik stilstaan, ik voel hoe de nacht mijn lichaam streelt. Blijf nog even, fluister hij in mijn oor. Nee, fluister ik terug. Ik mag niet ondergaan in jou. Ik weet het, ik ben geen godin, ik ben slechts een mens, slechts een vrouw. Ik moet voeden, vrijen, weten, denken, begrenzen, koken, begrijpen, fluisteren, doorgaan, doorgaan, altijd maar doorgaan. Ik wervel rond mijn eigen as en wacht tot wanneer ik instort. Ik maak me los uit zijn greep, en vertrek naar het huis dat op me wacht. Zoon en dochter. Man. Ik vervolledig het sterrenteken dat gemaakt lijkt voor de eeuwigheid. De nacht wordt even te donker en ik verdwijn in de contouren van mijn silhouet. Wat nog overblijft van angst, ebt weg. De sleutel gaat in het slot. De supernova-explosie is nog heel even afgewend.   

Jolien Van de Velde
36 0

Messias

“Wil er iemand mijn messias zijn?”, zingt Bart Peeters. En vroeger dacht ik: ja. Absoluut. Liefst eentje met brede schouders, emotionele intelligentie en een goed hemd. Maar ouder worden is beseffen dat ge eigenlijk helemaal geen Messias wilt. Ik hoef niet gered te worden. Echt niet. Ik kan zelf rijden. Zelf een kast van de Ikea in elkaar vloeken. Zelf mijn belastingen te laat indienen. Zelf huilen in de Colruyt tussen de ravioli en de kattenbrokken. Dat lukt allemaal prima. Nee, wat ik wil, is een Messias, maar dan anders. Geen heilbrenger. Eerder een "Matthias". Of een Jan. Of een Piet. Iemand waarvan ge denkt: ah ja… misschien gij. Iemand die komt, die blijft en misschien veel te luid ademt in zijn slaap. Dat wachten op mijn “Matthias” houdt een mens gaande. Het voedt mijn innerlijke pelgrim. Dat deel in mij met versleten wandelschoenen en veel te veel geloof in wegwijzers. Zo iemand die altijd denkt dat er achter de volgende bocht misschien iets groots wacht. Of iemand. Die "Matthias" zorgt ervoor dat ge plots terug goeie onderbroeken aandoet “voor het geval dat”. Dat ge een berichtje krijgt en direct rechter gaat zitten. Dat ge op de trein een boek leest alsof iemand misschien onder de indruk gaat zijn van uw intellectuele diepgang, en niet van het feit dat ge al drie haltes aan een stuk met een chipke aan uw trui hangt. Ik heb daar ooit over geleerd, in een les geloof en maatschappij. Zo’n vak dat ergens zweefde tussen godsdienst, levensvragen en leerkrachten met sandalen. We leerden over rituelen, over religies, over mensen die hun hele leven bouwen rond iets wat ze nooit echt gezien hebben, maar waar ze toch rotsvast in blijven geloven. En daar zat dat idee van de Messias in. Vooral binnen het Jodendom: het geloof dat er ooit iemand zal komen die alles anders maakt. Niet vandaag. Misschien morgen. Misschien binnen honderd jaar. Maar ooit. En hoe langer ik daar nu over nadenk, hoe meer ik besef dat dat eigenlijk geniaal gevonden is. Een geloof dat blijft bestaan bij gratie van het wachten. Van het onderweg zijn. Van de hoop die zichzelf altijd nét ver genoeg vooruit schuift om te blijven leven. Want eens hij arriveert, is het verhaal eigenlijk gedaan. Misschien bouwen we allemaal kleine privéreligies rond mensen die nog moeten komen. En soms komen ze ook effectief.. maar blijken het  foute generale repetities te zijn. Zoals Dirk bijvoorbeeld. Die ontplofte bij een verkeerde opmerking, alsof ik per ongeluk een nucleaire code had ingetoetst in plaats van te vragen of hij de vuilbak buiten wilde zetten. En toch dacht ik dan: maar hij weet tenminste wat hij voelt en hij kan dat authentiek uitdrukken. Peter dan weer. Zo’n man met een agenda waar ge moe van wordt. Etentjes. Projecten. Mensen die hem “een vrije geest” noemen, terwijl hij eigenlijk gewoon niet kan kiezen. En ik hing daaraan gelijk een toerist aan een trein die al vertrokken is. En dan die derde soort. De mannen met een “ooit”. Ooit gaan we eens echt tijd maken. Ooit komt het goed. Ooit gij en ik. “Ooit” is eigenlijk het kleinste vakantiehuisje van de hoop. Ge kunt daar niet wonen, maar ge blijft wel teruggaan. En toch denk ik niet dat ik echt wacht op een man. Ik wacht op beweging. Op het gevoel dat het verhaal nog niet af is. Dat er nog iemand op een perron kan staan. Dat er nog een bericht kan komen waardoor ge plots uw haar wast op een woensdag. Want stel u voor dat de puzzel klopt. Dat hij er écht is. Een man die blijft. Die koffie brengt. Die zegt: “ik ben onderweg”, en dan effectief aanbelt. Die samen met u naar de wekelijkse markt gaat en discussieert over tomaten alsof dat normaal gedrag is. Dan gebeurt misschien het ergste van allemaal. Dan wordt die innerlijke pelgrim plots een vrouw met een klantenkaart van Aveve en geplande weekends in een bungalowpark. Met grind voor de deur. Een mapje met wandelroutes. Een barbecue om zes uur. En etentjes met bevriende koppels. Help. Want wat als ik daar zit, met lasagne in de oven en iemand die mij echt graag ziet, en ik plots niks meer heb om naar uit te kijken? Maar misschien begrijp ik het verkeerd. Misschien is wachten niet hetzelfde als missen. Misschien gaat het niet over gered worden. Misschien gaat het gewoon over geloven dat er nog iets onderweg is naar u. Een Matthias. Of een Jan. Of een Piet. Niet om mij compleet te maken. Maar om mij zachtjes te laten landen en te zeggen: het is goed zo.

Katrien Daniels
44 3

Vossenhol

De chauffeur stopte de bus midden op de expresweg.  Mensen keken naar buiten om zich te vergewissen van een nieuwe bushalte. De jonge moeder werd nog agressiever aangekeken omdat het gekrijs van haar baby nu niet meer gedeeltelijk opging in het zachte gebrom van de motor. Jongeren die de hele rit al luide muziek afspeelden achteraan legden elkaar het zwijgen op. Een oudere man die verlekkerd leek op drama probeerde een glimp op te vangen van wat er zich voor de bestuurder afspeelde. Achter de bus steeg een concert van claxons op. De bus rook naar zweet, parfum en het stof van zetels. Met een nonchalant gebaar tikte de chauffeur zijn beide richtingsaanwijzers aan, opende de voorste deuren en stapte uit. De zon prikte op zijn huid. Hij stak zonder de bus nog een blik waardig te gunnen de weg over en liep het bos in. Het gebonk op de ramen en gedempt geroep waren geluiden van een verleden. Hij liep in een rechte lijn, dwars door het aanpalende bos, dat voornamelijk uit naaldbomen bestond. Het geluid van claxons werd beetje per beetje opgeslokt door stilte en geluiden van kwetterende vogels. Even bleef zijn voet hangen in wat hij dacht dat een vossen- of dassenhol was. Hij ging plat op zijn buik liggen en duwde zijn gezicht in het hol. Hij snoof diep in. Ja, dit is de perfecte plek, dacht hij.  Hij begon de knopen van zijn witte hemd los te maken. De goudkleurige dienstpenning nam hij eruit en legde hem apart. Dan deed hij zijn lederen schoenen uit. Hij ontdeed zich van de donkerblauwe broek en grijze sokken. Alleen zijn onderbroek hield hij aan. De kleren legde hij op een bed van mos. Zweet parelde van zijn voorhoofd en slaap.  Hij ging opnieuw liggen vlak voor het hol en begon te graven. Wanneer de opening breed genoeg was, wurmde hij zijn lichaam in het hol. Daarna was het stil. Een ekster daalde neer en vloog weer weg met de gouden penning.

Lennart Vanstaen
14 2