Lezen

Rita en den Johny

In een klein, gezellig appartementje in Wilrijk woonde een eigenzinnig koppel genaamd Rita en haar man, Johny. Rita was een klein, venijnig madammeke met een scherpe tong en een nog scherpere geest. Haar man, Johny, was vijftien jaar jonger dan zij, maar dat weerhield hem er niet van om haar te kunnen bijbenen in haar levendige discussies en pittige retoriek. Rita en Johny hadden een liefde-haatverhouding die typisch was voor een koppel dat elkaar door en door kende. Ze konden elkaar soms het bloed onder de nagels vandaan halen, maar tegelijkertijd waren ze onafscheidelijk en wisten ze dat ze niet zonder elkaar konden. Op een zonnige ochtend, terwijl Rita haar favoriete kopje koffie dronk en de krant doorbladerde, begon ze weer eens over het feit dat Johny nooit de afwas deed zonder dat ze hem er minstens drie keer aan had herinnerd. "Johny, jongen," riep ze door de keuken. "Denkte gij da kik hier zijn om uwe persoonlijke herinneringsservice te zijn? Als ge niet begint met de afwas, dan gooie kik uzelf gewoon in het sop!" Johny, die in de woonkamer een krant las, rolde met zijn ogen terwijl hij haar hoorde. "Rita, ge moet niet zo zagen." " Ik was't gewoon vergeten, da's alles." "Vergeten?" herhaalde Rita met een opgetrokken wenkbrauw terwijl ze de keuken uit kwam lopen. "Ge zou vergeten uw eigen kop op uw schouwers te zetten als ik het niet voor u zou doen, Johny!" Johny glimlachte, wetende dat hij haar niet kon verslaan in dit soort woordenwisselingen. Hij stond op en liep naar de keuken, greep een schort en begon de afwas te doen terwijl Rita hem met een tevreden glimlach vanaf de zijlijn bekeek. Ze waren misschien constant in gevecht, maar onder al die plagerijen en sarcasme was er een diepe liefde en respect tussen hen beiden. Ze waren elkaars gelijke, elkaars partner in crime en elkaars grootste supporter. En zo ging het leven door in het kleine appartementje in Wilrijk, waar Rita en Johny hun liefde-haatverhouding in stand hielden, wetende dat ze samen alles aankonden wat het leven op hun pad bracht.         Kerstavond Op een kille herfstavond, terwijl de regen tegen de ramen van hun appartementje in Wilrijk kletterde, zaten Rita en Johny gezellig samen op de bank. Ze waren in een zeldzaam vredige bui, genietend van elkaars gezelschap zonder een spoor van hun gebruikelijke gekibbel. Plotseling brak Johny het serene moment. "Rita, schat, ik moet u iets vertellen," zei hij met een nerveuze blik in zijn ogen. Rita keek op, haar interesse gewekt door de ernstige toon in zijn stem. "Wat is't, Johny?" " Ge ziet eruit alsof ge een spook gezien hebt." Johny haalde diep adem en keek Rita recht in de ogen. "Ik heb een nieuwe job aangeboden gekregen, maar het betekent dat we hier in Wilrijk moeten blijven." Een golf van opluchting spoelde over Rita terwijl ze zijn woorden verwerkte. "Blijven?" " Hier in ons vertrouwde Wilrijk?" herhaalde ze, haar stem gevuld met blijdschap. Johny knikte en pakte haar hand vast. "Ja, schat. En er is meer. Ik heb een atelierruimte gevonden waar ik kan schilderen, en ik dacht dat het misschien leuk zou zijn om ons appartementje op te vrolijken met wat van mijn kunstwerken." Rita's gezicht brak open in een brede glimlach. "Oh Johny, dat klinkt geweldig! En dan kunnen we ons kleine mopshondje Mieke ook meenemen naar je atelier. Ze zal dol zijn op al die nieuwe geurtjes en avonturen." Johny knipoogde naar Rita. "Precies, schat. Het wordt een nieuw hoofdstuk vol creativiteit en geluk, hier in ons geliefde Wilrijk." En zo besloten Rita en Johny om hun avonturen voort te zetten in Wilrijk, waar ze samen hun passies konden delen en genieten van de warmte en gezelligheid van hun thuis.

BrameetHam
12 1

De Reis van Aurion en de Sterren tranen 

In een mystiek woud genaamd Sylvana woonde een jonge elf genaamd Aurion.  Hij onderscheidde zich van zijn soortgenoten door de gave van het begrijpen van de fluisterende stemmen van de bomen en de taal van dieren.  Deze bijzondere gave vulde zijn dagen met verwondering en nieuwsgierigheid, en het was deze nieuwsgierigheid die hem op een onvergetelijk avontuur zou sturen. Op een stralende ochtend, toen het zonlicht door de dichte bladeren van Sylvana sijpelde, hoorde Aurion een fluistering in de wind.  Een oude wilg, met zijn takken als kronkelende armen, vertelde hem over een lang vergeten schat diep verborgen in het hart van het betoverde woud.  Het was een kristal, bekend als de "Sterrentranen," die de verstoorde harmonie van de natuur kon herstellen.  De roep van het avontuur weerklonk in Aurions hart, en vastberaden besloot hij op reis te gaan. Zijn eerste metgezel was een wijze havik genaamd Lyra, die hoog in de toppen van Sylvana haar nest had gebouwd en de eeuwenoude verhalen van het woud kende. Samen begonnen ze aan een reis die hen door weelderige valleien, langs kabbelende beekjes en over met dauw bedekte bergkammen voerde.  Onderweg voegde zich een nieuwsgierige wasbeer genaamd Thistle bij hun gezelschap, aangetrokken door de onverklaarbare energie die Aerion met zich meebracht. Terwijl ze dieper het woud in trokken, ontmoetten ze magische wezens die hen hielpen of hen op de proef stelden.  Soms leken de bomen zelf te spreken, hun bladeren ritselden met geheimen en wijsheid.  Elke uitdaging, elke ontmoeting, versterkte de band tussen de reisgenoten en voedde de vastberadenheid van Aerion om de Sterrentranen te vinden. Na dagen van reizen bereikten ze een betoverend meer, omringd door nachtbloemen die alleen in het maanlicht openden en een bedwelmende geur verspreidden. In het midden van het meer doemde een eiland op, omringd door een zachte gloed.  Op dat eiland stond de legendarische Zilverlinde, die met haar takken naar de sterren reikte en de bewaker was van de Sterrentranen. De boom begroette hen met een zachte bries en onthulde dat alleen een zuiver hart de Sterrentranen kon aanraken. Aurion, gedreven door zijn diepe liefde voor Sylvana, strekte voorzichtig zijn hand uit naar de glinsterende kristallen.  Op het moment dat zijn vingers de Sterrentranen aanraakten, verspreidde een stralend licht zich door het woud, verdreef de duisternis en herstelde de natuurlijke balans. Met de Sterrentranen veiliggesteld, keerden Aurion en zijn metgezellen terug naar hun elfendorp als helden. Sylvana, die eerder in een sluier van somberheid was gehuld, begon weer op te leven.  De nachtbloemen bloeiden met nieuwe pracht, en de dieren leken te dansen van vreugde. Aerion besefte dat zelfs de kleinste wezens, met moed, vastberadenheid en de steun van vrienden, een wereld van verschil konden maken. Het verhaal van Aurion, de elf met de gave van de taal der bomen, verspreidde zich als een zachte bries door Sylvana en werd een legende van moed, vriendschap en de eeuwige kracht van de natuur, doorgegeven van generatie op generatie, als een bron van inspiratie voor alle bewoners van het magische woud.  En zo leefde het verhaal voort, als een lied gezongen door de bladeren van de eeuwige bomen, vastgelegd in de geschiedenis van Sylvana.    

BrameetHam
5 0

Ivory hotel

‘Heb je alles mee’ Remi keek snel in zijn zak. ‘Ja, ik denk het’ ‘Oké! 'Ik rij' Felix ging aan het stuur zitten. De rit duurde 3 uur. Het was lang geleden sinds ze elkaar hadden gezien, dus ze hadden veel bij te praten. Ze praatten 3 uur aan een stuk. Je kon het hotel moeilijk missen. Het was een prachtig gebouw, in grote letters stond ‘ivory hotel’. Het was een oud gebouw, dat niet paste bij de rest van de moderne straat.  Felix en Remi haalden hun zakken uit de auto en gingen naar binnen.  ‘Hallo, wij hadden een kamer gereserveerd voor 2 personen, we blijven 4 nachten’ zei Remi. ‘Wat is uw naam?’ ‘Remi en Felix Michel’ ‘Ik zie jullie hier niet staan’, zei de vrouw. Ze zette haar rechthoekige bril recht op haar neus. ‘Jij had toch een kamer geboekt?’, vroeg Remi. ‘Ja, ik had gebeld met een vrouw, ik heb al betaald’ ‘Heb je daar bewijs van?’ Felix haalde zijn gsm uit zijn zak.  ‘Kijk hier, -520 euro voor ivory hotel’ Felix toonde zijn gsm aan de vrouw.  ‘Dat is raar’, de vrouw keek naar haar computer, ‘We hebben nog wel kamers vrij, ik zal jullie een mooie kamer geven op de 1ste verdieping’, de vrouw nam een sleutel van de muur achter haar. ‘kamer 112, hier de trap op, en dan naar links, onze excuses voor dit ongemak’ ‘Oké! 'Dankjewel', Remi en Felix gingen de trap op, wat moeilijk ging door hun koffers. Ze kwamen in een gang, met witte muren en een lang bruin tapijt. Het tapijt had allemaal vlekken. ‘109…, 108… , Felix, we zijn de verkeerde kant op aan het lopen’ ‘Die vrouw zei toch naar links?’, Remi knikte. ‘foutje’ Ze verwisselden van richting en liepen naar hun kamer. ‘Hier, 112’, Remi zette zijn koffer op de vloer en haalde zijn sleutel uit zijn zak. De deur ging open. In tegenstelling tot de vieze gang, was de kamer prachtig. Het had een prachtig uitzicht en een groot tweepersoonsbed.  ‘Zet je koffers hier, het is al laat, ik heb honger’, zei Felix. Ze sloten hun deur en gingen naar het restaurant. Na het eten, kwamen ze terug in hun kamer. Allebei vol van het lekkere eten. ‘Het is 9 uur, gaan we een film kijken?’,vroeg Remi. ‘Ja, we kunnen ‘The Truman Show' kijken’, Felix wist dat dit de favoriete film was van zijn broer. ‘Ja! Goed idee, ik zal hem opzetten, dan kan jij hapjes halen’ ‘Oké, doe jij straks open?' ‘Ja, natuurlijk, laat de sleutel maar hier’ Felix ging naar beneden, beneden aan de trap botste een jongen tegen hem. ‘KIJK UIT WAAR JE LOOPT!’ roept de jongen, Felix, die net zijn excuses ging aanbieden, was geschrokken dat de jongen zo boos werd. ‘Het spijt me’, zei Felix. De jongen staarde boos naar hem. Hij had enorm grote neusgaten, viel hem op.  De jongen duwde hem en liep op de trap. Felix viel bijna op de grond, maar vond zijn evenwicht al snel terug. ‘Wat een irritante gast’, dacht hij. Hij liep naar het automaat, dat naast de trap in de gang stond. ‘Ik wil eerst!’, zei een schelle stem achter hem. ‘Oh, oké, sorry, ga je gang’, zei Felix uit beleefdheid.  De vrouw duwde hem opzei en stak haar geld in de automaat. Er kwam niks uit en ze begon gefrustreerd te geraken. Ze schudde aan de automaat. ‘Mevrouw, je moet nog een nummer intypen’, zei hij stil. ‘Zwijg’ Felix knikte en zette een stap naar achter. Ze tikte 45 in. Gezouten nootjes. Het viel naar beneden en ze nam hem er uit. Ze keek raar naar het pakje. ‘Dit wou ik helemaal niet!’, ze gooide het op de grond. Ze probeerde het opnieuw. Opnieuw kwamen de nootjes er uit. ‘STOM DING’, ze gooide de nootjes bij het andere pakje.  ‘Mevrouw, wat wilt u, je moet het nummer invullen van het pakje dat je wel wilt’ ‘HEB GEDULD’, ze deed hetzelfde nog drie keer. ‘Mevrouw, wat wilt u?’ ‘Die chips natuurlijk, wat anders?’ ‘Dat is nummer 39’ ‘Hoe kon ik dat weten’ ‘Het staat daar letterlijk’, dacht Felix, maar hij durfde het niet te zeggen. In plaats daarvan knikte hij verlegen. Er kwam een chipszakje uit. Ze pakte het en rende weg. Felix pakte de 5 nootjes pakjes en stopte het met een glimlach in zijn zak. Veel winst gemaakt! Hij wilde ook nog een chipszakje, dus betaalde daarvoor en ging terug naar zijn kamer. Hij klopte op de deur. Er werd niet opengedaan. Hij klopte opnieuw, harder deze keer en riep zijn broer.‘REMI!’ Hij wachtte even.  ‘REMI!’ ‘Ja, ja, ik kom al’, hoorde hij zijn broer mompelen. Remi deed de deur open. ‘Alles oké Remi,  je ziet er zo moe uit’ Remi negeerde de vraag en liep naar binnen. ‘Je raad nooit wat er gebeurd is, haha’, zei Felix. Hij vertelde over de gast waartegen hij was gebotst, en over de vrouw. Remi had weinig reactie op zijn verhaal, wat Felix raar vond.  ‘Zeker dat je niet moe bent? Anders kijken we morgen wel de film’ ‘Nee’, Remi ging gaan zitten. Felix zat naast hem.  Ze keken naar de film, en aten hun hapjes, of, Remi at hun hapjes, want na een kwartier waren de 6 zakjes eten al op. ‘Iemand heeft honger’, lachte Felix. ‘Wat, wie?’ ‘Jij natuurlijk’. Remi keek hem geïrriteerd aan. Ze keken verder, er kwam een bekende quote uit de film, die ze altijd mee zeiden toen ze vroeger de film keken.  ‘Good morning, and in case I don't see ya: Good afternoon, good evening, and good night!’, zei Felix, maar Remi zei het niet mee.  ‘Stil, ik probeer te kijken’, zei hij. ‘Sorry’ ‘Ik heb honger’, zei Remi.  ‘Haha!’ ‘Ik maak geen grapje’ Felix vond dat Remi zich echt raar gedroeg.  ‘Ga eens eten halen’ ‘Ik heb net eten gehaald, genoeg voor 10 man!’, Felix begon boos te worden, moest hij nu echt weer om eten? Hij ging weer naar beneden, eerder om even weg te zijn van zijn broer, dan om eten te halen.   Hij kwam beneden aan. Het was al redelijk donker buiten, en sommige lichten werkten niet. Hij kwam dezelfde jongen weer tegen, maar er was iets veranderd. Hij had enorme wallen onder zijn ogen, en zijn neusgaten leken nog groter dan daarnet. Hij zag er niet uit. ‘KIJK UIT WAAR JE LOOPT!’, riep hij weer. Hij duwde hem deze keer nog harder dan de vorige keer. Felix lag op de grond. Links van hem zag hij de vrouw van daarnet, schuddend aan het automaat. De grond lag vol met eten uit de automaat. Felix besloot die dingen te nemen, zodat hij niks hoefde te kopen.  ‘Mevrouw, bent u van plan die dingen nog te eten? Anders kan ik je wel betalen’ De vrouw draaide haar hoofd traag om, en Felix verschoot van hoe ze eruit zag. Haar haar zat in een strakke dot op haar hoofd waardoor haar al magere gezicht er nog magerder uitzag. Ook zij had wallen. Ze zei niks en draaide zich terug naar de automaat.  ‘Mevrouw, mag ik het meenemen, anders is het verspilling’, ze antwoordde niet. Hij ging ervan uit dat het mocht, dus hij begon de pakjes te verzamelen. Bij elk pakje dat hij nam sloeg ze hard op de automaat. ‘Mevrouw, kunt u daarmee stoppen?’ Ze stopte niet, en bleef op de automaat te slaan, altijd maar harder. Het geluid irriteerde Felix. Hij liep terug op de trap naar boven. Zijn armen zaten vol met eten, hij kon het bijna niet in één keer naar boven dragen.  ‘REMI’, geen antwoord. ‘Niet weer’, dacht hij. ‘REMI, IK HEB ETEN’, Remi deed meteen open, en nam al het eten van hem.  De film stond niet meer op. ‘Gaan we niet verder kijken?’ ‘Het was saai’, Remi keek hem aan, en ook hij had opeens wallen. Zijn ogen waren rood. ‘Wat is er met je oog? Heb je er te veel in gewreven?', geen antwoord. Remi ging naar buiten. 'Remi! 'Naar waar ga je?’ Felix volgde hem naar buiten, maar opeens zag hij hem niet meer. Hij liep naar beneden, en zag de jongen weer. Deze keer zei hij niets. Zijn wallen waren niet meer paars, maar zwart. Zijn ogen waren ook rood, net als die van Remi.  De grond lag vol met eten, je zag de tegels niet meer. Hij hoorde de vrouw kloppen nog voor hij haar zag, maar in de plaats van die weg op te gaan liep hij naar beneden. Beneden aan de trap stond Remi.  ‘FELIX’, riep hij. ‘FELIX, FELIX, FELIX, FELIX’, hij bleef maar roepen. ‘STOP, REMI’, Felix werd gek van hem.  ‘FELIX, FELIX’ ‘REMI HOU JE MOND’, Felix liep naar beneden. Hij had gemerkt dat zijn broer ook zwarte wallen had gekregen, en opeens waren zijn pupillen ook zwart. Normaal had hij groene ogen. Onder aan de trap stond hij weer, hoe kan dat?  ‘FELIX, FELIX’, zijn ogen en wallen waren ‘versmelt’ en je zag nog alleen een zwart gat. Zijn neusgaten waren dubbel zo lang als normaal. Uit schrik liep Felix naar boven en hij bleef Remi horen, die naar hem zat te roepen. Hij keek achter zich en zag dat Remi hem volgde, maar net toen hij boven kwam, zag hij Remi weer voor hem. Hij was opeens heel mager, en dat zag je vooral in zijn hoofd. Hij zag er heel ongezond uit. Ook zijn huid was opeens wit. Hij liep door de gang en zag overal op de grond voedselverpakkingen liggen. Hij probeerde de uitgang te zoeken, maar die was dicht.  ‘Waar ga je naartoe?' Je bleef toch 4 nachten’, zei de vrouw aan de receptie. Ook zei had zwarte gaten als ogen en lange neusgaten.  Felix hoorde een deuntje achter hem, ting ting ting ting ting ting. ‘Wat is dat?’, vroeg hij aan de vrouw. ‘Sfeermuziekje’, ze lachte naar hem. Haar lach werd altijd maar breder en luider en Felix rende weg. Hij ging de trap op, en hoorde opeens alles door elkaar, de vrouw die hysterisch lachtte, TING TING, FELIX!, BAF, BAF, van de vrouw die op de automaat sloeg. Hij begon te huilen, hij wou hier weg, maar alle deuren waren dicht en hij kon nergens heen. Hij bleef de trap op gaan en elke verdieping waren de geluiden luider en de geur van al het eten sterker. Er waren oneindig veel verdiepingen, wat niet klopte want normaal waren er maar 6. Felix bleef de trap op rennen, ook al werd alles luider en de geluiden irriteren hem elke keer meer. Het stonk verschrikkelijk, maar hij probeerde het te negeren.  Remi stond voor hem, nu zag hij er niet meer menselijk uit.  ‘Felix, waar ben je?’, vroeg hij. Hij keek naast Felix. Felix rende naar boven en, opeens, waren alle geluiden weg. Felix lachte, hij liep naar de uitgang en tot zijn verbazing was die open, en hij liet het hotel achter zich. Achter hem hoorde hij de stem van zijn broer die riep: ‘Felix, waar ga je naartoe?’ Einde

Dinolena231
9 2

De notities aan de deur

De stoelen staan opgesteld in halve cirkels, in het midden onderbroken door een breed gangpad. Tussen de rijen stoelen is anderhalve meter ruimte gelaten. Daar kan de priester straks door om de communie uit te delen. Hier en daar is er een stoel uit de rij weggehaald om plaats te maken voor bewoners in een rolstoel. De meeste andere stoelen zijn bezet door oude dames en heren, waarvan de meesten een beetje schroomvol voor zich uitkijken. Vroom. Ingetogen.Vooraan in de kapel is de priester samen met een van de animatoren verwoed met een laptop in de weer, in een poging om de misteksten op een groot scherm te projecteren. Beiden staan met hun rug naar de kerkgangers: de grote animator met de krullende haardos in korte broek en het kleine, klassiek geklede priestertje.Begeleid door orgelmuziek - al was marsmuziek beter op zijn plaats geweest - maakt Angela statig haar intrede in de kapel. Angela zit niet in een rolstoel, Angela rijdt in een scootmobiel. Mager, rechte rug, op het hoofd een wit canvas hoedje, waar haar grijze jasje en knielange beige rok wonderwel bij passen. Haar voeten in witte enkelsokjes en zwarte sandalen. Zonder aarzelen en aan een tempo dat niet wordt ingegeven door voorzichtigheid, baant ze zich een weg naar voren, om – de blik op het tabernakel gericht - halt te houden in de open ruimte net voor het altaar. In twee vastberaden bewegingen verplaatst zij zich tot net voor een timide, kalende vrouw van eind de tachtig: ‘zo, geparkeerd.’ Zelfbewust kijkt ze voor zich uit, onverschillig voor de deining die ze in de kapel teweegbracht.De kalende vrouw kijkt een beetje onzeker op naar haar man, die naast haar zit. Hij trekt even de wenkbrauwen op, richt de blik dan vastberaden op zijn missaal. Daarop zoekt de vrouw de aandacht van een vrijwilligster: ‘kan je haar …’, ze wijst naar Angela, ‘niet vragen om een beetje op te schuiven?’ Ze maakt een zacht-wegvegend gebaar.‘Ik denk niet dat ze zal willen…’ De vrijwilligster buigt zich over Angela heen en fluistert ‘Zou je misschien een klein beetje willen opschuiven?’ Ze knikt naar de kalende vrouw. ‘Zij kan niets zien zo.’Zonder er woorden aan vuil te maken, zet Angela de motor van haar scootmobiel op en manoeuvreert naar voren, links naar achter, vooruit, en dan terug naar achter, zodat ze net niet meer voor de vrouw zit. Ze houdt halt, niet in, maar voor het middenpad. Nog steeds de enige bezetter van het halfrond voor het altaar zet ze haar motor terug af. De vrijwilligster kijkt opgelucht naar de kalende vrouw, die dankbaar terug knikt. ‘Hela!’, wenkt Angela de vrijwilligster. ‘Hela, doe dat gordijn eens dicht!’De vrijwilligster aarzelt even, stapt dan naar het zachtgroene gordijn en trekt het dicht voor de glasramen. Angela zucht. ‘Die andere gordijnen bedoel ik natuurlijk.’ De vrijwilligster probeert niet verstoord te kijken, begeeft zich naar de andere kant van de kapel waar de zon een fel geelrood licht door de glasramen werpt en trekt ook die gordijnen dicht. Ook op de eerste rij zit een vrouw in een groen gestreept truitje en een donkere jeansbroek. Rosa heet ze. Ze heeft grijze krullen en een rustig en vriendelijk gezicht. Net als de kalende vrouw is ook zij een half uur voor de aanvang van de mis naar de kapel gekomen, in de hoop op een goede plaats waar ze de teksten op het scherm zou kunnen lezen. De vrouw slaat het tafereel geïnteresseerd gade. Ze zegt niets, ze kijkt alleen maar. Ze kijkt nadenkend naar Angela, tot de priester - ‘Dierbare gelovigen’ – de eucharistieviering opent. Twee uur later bindt Angela een grasgroen zijden sjaaltje rond haar nek. Even kijkt ze in de spiegel, en duwt snel een gedachte aan Steven weg. Steven, van wie ze het sjaaltje lang geleden kreeg. Wat steekt het haar dat hij haar zo niet ziet. Ze opent de schuif van haar nachtkastje om een zelfklevend notitieblaadje uit te kiezen. Op de bodem van de verder lege schuif kleeft een hele verzameling gele notablaadjes. ‘Ik ben in de eetzaal’, staat te lezen op het blaadje dat ze aan de buitenkant van haar deur plakt, zorgvuldig, zo’n twintig centimeter boven de klink en parallel met de deurlijst. Ze sluit de deur en begeeft zich naar de eetzaal.  ‘Ik zag het wel hoor, dat je naar me keek!’ Angela parkeert haar scootmobiel aan het raam en gaat zitten aan het hoofd van de tafel. Zo komt ze naast Rosa terecht. Die kijkt even naar haar op, bestudeert dan de soep die voor haar is neergezet. ‘Hmmm. Kippensoep.’            ‘Ik zag het wel hoor, dat je naar me keek!’ herhaalt Angela. Ze neemt Rosa’s pols in een houdgreep.             ‘Ja. Het was buitengewoon interessant allemaal.’ Rosa trekt voorzichtig haar pols terug, pakt haar lepel, nipt van haar soep.            ‘Zo,’ zegt Angela, ‘interessant dus.’ Rosa knikt, en lepelt verder haar soep op.  Dat is het begin van het contact tussen Rosa en Angela. Voordien had Angela Rosa nooit een blik waardig gegund. Maar in de kapel had Rosa haar belangstelling gewekt, door de manier waarop ze naar haar keek: onderzoekend, belangstellend. Ook Angela vindt het dus interessant. De rest van de maaltijd blijft het stil tussen hen, maar ze zijn zich ten zeerste van elkaars aanwezigheid bewust. Het duurt enkele dagen voor Rosa en Angela elkaar opnieuw spreken. Dat gebeurt tijdens een wandeling naar het nabijgelegen bos. Een vreemde stoet begeeft zich op weg. Vier rolstoelen, drie nog flukse oude wandelaars en een scootmobiel, begeleid door een animator en vijf vrijwilligers. We moeten eerlijk zijn, die zijn ook niet meer zo jong.            Eenmaal op het bospad komt Angela naast Rosa rijden. ‘Ook in het bos kunnen we de Heer aantreffen, denk je niet?’ Een spottende glimlach krult om haar lippen. ‘En in ieder geval zijn we eens weg uit dat sterfhuis.’ Blij met de aanspraak stemt Rosa gewillig in: ‘De dagen willen er wel eens lang duren.’ Het blijft even stil. ‘Ben jij van de streek?’ probeert Rosa het gesprek verder te zetten. En terwijl de animator het groepje wijst op de prachtige lichtvlekken die door het gebladerte op de mossige bosbodem spelen, vertelt Angela met luide stem over de grote stad waar haar man als burgerlijk ingenieur tunnels had gebouwd. Wat een gevuld sociaal leven hadden ze daar! Wat een aanzien had haar man. Wat een contrast met het leven hier, in dit provincienest. ‘Waar kom jij vandaan?’ vraagt ze uiteindelijk. ‘Ik ben van hier.’ zegt Rosa. Terug op haar kamer haalt Angela een notitiebriefje van haar deur. ‘Ik ben op uitstap’ staat erop te lezen. Ze kleeft het briefje netjes op zijn plaats in de schuif van haar nachtkastje, schuifelt naar haar relax en laat er zich met een diepe zucht in neervallen. Breekbaar ineens zoekt ze haar nest in de relaxzetel. Ze neemt een boek van het bijzettafeltje, iets van Amélie Nothomb, ze legt het op haar schoot. Leest niet, legt haar hand op het boek, sluit de ogen. Nog een half uurtje, dan brengen ze het avondeten. Weer is het zondag. ‘Ik ben in de cafetaria’ staat er op het gele briefje op Angela’s deur. Angela schuift in de scootmobiel die aan haar deur geparkeerd staat en rijdt naar de lift. Ze woont helemaal aan het einde van de gang, zodat ze altijd lange afstanden moet doen wanneer ze haar kamer verlaat. Maar ze heeft daardoor wel een extra raam. En dus een mooiere kamer dan haar medebewoners. Dat had Steven destijds toch maar mooi voor haar geregeld, denkt ze, terwijl ze haar neus optrekt.            Het is druk in de cafetaria, op zondag altijd. Aan de bar bestelt Angela een glas witte wijn. Zonder iemand een blik waardig te gunnen manoeuvreert ze handig tussen de stoelen en de tafeltjes, over de lage drempel naar het terras, waar het manoeuvreren lastiger is. ‘Niemand neemt hier ooit de moeite om zijn stoel terug netjes onder de tafel te schuiven. Je zou nochtans denken … allemaal oude mensen …’ moppert ze. Opnieuw trekt ze haar neus op. Ze parkeert haar scooter aan het laatste lege tafeltje, dat gelukkig een mooi zicht biedt op de tuin van het rusthuis. Familieleden van bewoners hadden er in de lente samen met enkele van de meest mobiele (geestelijk ook vaak de meest verwarde) ouderen nieuw plantgoed neergepoot. ‘Allerlei kleuren door elkaar, dat kan toch stijlvoller’ zegt Angela hoofdschuddend tegen de barvrijwilligster, die het glas wijn voor haar neerzet. ‘Neem die smerige asbak ook maar mee.’ ‘Mogen we bij je komen zitten?’ Rosa kijkt Angela vragend aan. Zwaar leunt ze op haar rollator. Ze is vergezeld van een rijzige, grijzende vrouw van een jaar of zestig en een baardige man van ongeveer dezelfde leeftijd.             Angela haalt haar schouders op. ‘Doe maar.’            ‘Mijn zoon Piet en mijn dochter Hilde.’ Rosa knikt naar de twee, die stoelen bijschuiven. ‘Tweelingen.’            ‘Hmm.’            ‘En dit is Angela.’            Piet knikt Angela vriendelijk toe. ‘Lekkere wijn hier?’ Hij nipt van zijn koffie.            ‘Wel … het is nat en het is alcohol’ haalt Angela opnieuw haar schouders op. ‘Je kan het drinken.’ Ze kijkt naar haar glas, dan naar de bloemen, en zwijgt.            Rosa scheurt voorzichtig het papiertje van een ijshoorntje. Hilde roert in haar koffie en kijkt de tuin rond. ‘In het rusthuis waar ik werk, hebben ze niet zo’n mooie tuin’, zegt ze.       ‘Ben je dokter dan?’            ‘Nee hoor, verpleegkundige. Aan ons rusthuis is geen dokter verbonden.’            Angela schudt haar hoofd. ‘Verpleegkundigen die over de gezondheid van ouderen moeten beslissen. Geen wonder dat er zoveel doodgaan!’  Terug op haar kamer kleeft Angela het gele notitiepapiertje opnieuw in de schuif van haar nachtkastje. Ze zucht en schuift op een stoel aan de formicatafel bij het raam. Daar staat een glas met een restje water. Ze neemt een slok. Dan wordt er op de deur geklopt. ‘Ja!’ roept ze, iets enthousiaster dan ze van plan was.             Rosa komt binnen. Op het tafelblad van haar rollator ligt een mica zakje. ‘Mag ik?’            ‘Welja.’            Voorzichtig leunt Rosa op de tafel en neemt plaats. Ze pakt het micazakje en knoopt langzaam het rode lintje los, maakt het zakje open. Zonder iets te zeggen houdt ze het Angela voor.             ‘Wat is dat?’            ‘Proef maar.’            Angela haalt een snoepje uit het zakje. Een witte praline, bevestigd op een krokant koekje. Een soort florentine, denkt Angela. ‘Ik weet niet of mijn tanden …’            ‘Proef maar.’            Voorzichtig zet Angela haar tanden in de zoetigheid. ‘Hmmm…’            ‘Morgennamiddag is er een concertje in het cafetaria. Piano, het zal wel mooi zijn. Zal ik je komen halen?’            Angela neemt een nieuw hapje van haar snoepje. ‘Hmmm…’            ‘Angela, kom ik je halen?’            Angela knikt. Voorzichtig vist Rosa nog een tweede snoepje uit het zakje en legt het op de tafel. ‘Om kwart voor drie kom ik.’ Angela heeft haar mooiste jurk aangetrokken. Een donkerblauwe, met roze kersenbloesems. Daarop een spierwit vestje en het groene sjaaltje. Geen sandalen, maar blauwe schoenen met een riempje. Vroeger droeg ze schoenen op hoge hakken, maar dat is lang geleden. Rosa is laat, het is al veertien voor drie, denkt ze.  Dan schuifelt ze naar haar nachtkastje en opent het schuifje, neemt er een kleefblaadje uit. Voor ze haar lade goed en wel heeft kunnen dichtschuiven, wordt er geklopt en gaat de deur open. Rosa. Zo snel als ze kan duwt Angela de lade dicht. ‘Had ik dan ‘ja’ gezegd?’ snauwt ze. ‘Ga maar al, ik haal je wel in.’            Rosa kijkt Angela bedachtzaam aan, schuift dan langzaam van de deur weg, de gang in, een beetje bedremmeld toch wel.            Zorgvuldig plakt Angela de ‘ik ben naar de cafetaria’-nota aan haar deur, stapt in haar scootmobiel en rijdt tot bij Rosa.             ‘Ik had geklopt hoor’, zegt die.  Angela haalt haar roze schrijfboek uit de kast. Ze kreeg het ooit voor haar verjaardag van haar zoon. ‘Dan kan je alle fijne momenten die je meemaakt opschrijven.’ had hij gezegd. ‘Geen ellende hoor, alleen de fijne momenten.’ Angela heeft al jaren niet meer in het boek geschreven. Niet meer na haar tachtigste verjaardag, in het verdoemde jaar 2013. En nu, tien jaar later, schrijft ze opnieuw: 'Vandaag ging ik met Rosa naar een concert in de cafetaria. Het was geen grote pianist die speelde, maar wat een passie voor zijn muziek! Rosa was helemaal opgetogen. Ik denk niet dat ze het verschil hoort tussen Jonathan Fournel en een derdejaars pianostudent, maar de passie kon ze duidelijk waarderen. Ik ook. Ja, ik ook!Mooi was dat we samen konden luisteren, dat Rosa me af en toe aankeek en dat de heer die aan de andere kant naast me zat zelfs met mij begon te praten. Een gedistingeerde heer, maar ik denk niet dat hij nog goed hoorde. ‘Mooi!’, zei hij alsmaar, en ‘wat een pianist!’ Terwijl hij ongetwijfeld beter gewend is.Na afloop kregen we pannenkoeken van de verpleegsters. Met echte boter en bessenjam. Er was ook witte suiker en citroen, zoals in Bretagne. Heerlijk. Ik zou vaker aan zo’n activiteiten moeten deelnemen. Ik voel me vanavond bijna – vrolijk!' Angela klapt haar schrijfboek dicht. Door het grote raam kijkt ze naar de tuin. De hibiscus staat in een stralende bloei, maar veel ziet ze er niet van. In gedachten is ze naar Bretagne gereisd. De wilde zee, de roze granietrotsen, de oude wouden meer in het binnenland. Het huisje dat haar zoon Steven gehuurd had, samen met een vriend. Neen, niet met een vriend, met zíjn vriend. Bruno heette hij, zal hij nog steeds wel heten. Steven had haar uitgenodigd om samen in Bretagne haar tachtigste verjaardag te vieren. Zalig was dat, even weg uit het rusthuis, waar ze toen net enkele maanden woonde. Ze hadden daar ook pannenkoeken gegeten, hartige, met boekweit. Daarna een zoete met boter, citroen en witte suiker. Une galette et une crêpe. Ze dronken er zoete cider bij. Ach, ik ga maar eens naar bed, denkt Angela. Ze schudt haar hoofd in een poging om de herinneringen te verdrijven, maar de spijt blijft kleven. Ze staat op uit haar relax. Ze trekt haar gebloemde jurk uit en hangt hem netjes aan een kapstok in de kleerkast, het sjaaltje er dan onder op de plank. Haar ondergoed gooit ze in de wasmand. Ze trekt een turkoois nachthemdje aan, bovenaan drie knoopjes en onderaan een kanten boordje. Het hemdje is al een beetje versleten, de naden komen los. Maar dat ziet toch niemand. Ze trekt de donsdeken opzij, gaat op het bed zitten, gaat dan voorzichtig liggen. De knokige knieën opgetrokken tot bijna tegen haar buik. Na even woelen valt ze in slaap. Steven en Bruno zitten samen met haar aan een tafeltje op het terras van de cafetaria. Het is bewolkt, er vallen dikke sneeuwvlokken op het tafeltje. Steven probeert ze op te vangen, maar ze smelten onmiddellijk. Bruno staat op en loopt van tafeltje naar tafeltje. Op zijn hoofd heeft hij een buishoed, verder is hij gekleed in een zwarte pitteleer op een wit-gesteven hemd. Aan elk tafeltje blijft hij even staan, buigt diep, en zegt op zangerige toon ‘Hallo, ik ben de man van Steven.’ Dan buigt hij opnieuw en loopt heupwiegend naar het volgende tafeltje. Zo danst hij elegant van tafeltje tot tafeltje, tot hij terug bij Angela en Steven komt zitten.            Dan staat Steven op. Hij draagt een zwarte bolhoed en een roodfluwelen jasje op een paars hemd met gele stiksels. Als met een onzichtbare partner walst ook hij van tafeltje tot tafeltje, maakt ook hij bij elke tafel een diepe buiging. Met een falcetstem kweelt hij op fluwelen toon ‘Hallo, ik ben Steven, de eniggeboren zoon van Angela.’ Tot hij opnieuw bij Angela en Bruno beland is.             Alle mensen op het terras, oudjes, benige, grijze, gerimpelde en tandenloze oudjes, hebben nu hun stoel gedraaid in de richting van Angela’s tafel. Met rood-omrande ogen staren ze naar Angela, hun mond wijd open.             Angela staat op en gaat op haar stoel staan. ‘Lieve mensen.’ zegt ze, nee, roept ze. ‘Lieve mensen, ik ken deze heren niét. En neen, ik ben’ – ze wijst naar Steven ‘ik ben zijn moeder niet. Ik héb geen kinderen.’ Ze stapt terug van haar stoel en gaat zitten. Er kraait een haan, een plotse windvlaag teistert het terras. Steven en Bruno zijn verdwenen. Ook de andere tafeltjes zijn leeg. Ze is alleen achtergebleven op haar stoel. Haar handen liggen op het tafeltje, verzonken in een diepe laag sneeuw, haar grijze haren blinken van de sneeuwkristallen. ‘Ik bevries’, fluistert ze. ‘Ik bevries.’             Angela schiet wakker. Het katoenen laken en het turkooise nachthemdje zijn doorweekt. In het midden van de grenen tafel een scrabblebord. Bij elk letterplankje staat een halfvol glas rode wijn, naast het scrabblebord een wit bordje met borrelzoutjes. Bedachtzaam neemt Angela enkele letters van haar letterplankje. ‘Boy’ vormt ze, onder de laatste twee letters van ‘rader’ en dwars door de ‘o’ van ‘trollen’.             ‘Boy?’ vraagt Rosa sceptisch. ‘Speelden we niet in het Nederlands?’            ‘’Boy’ is wat ze vroeger tegen de zwarte knechten zeiden, in Congo Rosa!’ Angela kijkt Rosa meewarig aan.            ‘In Zaïre dus.’ Rosa snuift. Ze is het er niet mee eens, maar ach, het is maar een spel. ‘Gehapt’ maakt ze van de ‘hapt’ die er al lag, maar dat levert haar niet veel punten op.             ‘De verliezer trakteert!’ Triomfantelijk legt Angela haar laatste letters op het bord. Een ‘q’ boven en een ‘a’ onder de ‘u’ van ‘nuffig’. Driemaal woordwaarde. Ze is gewonnen, al is het nipt.            ‘Uw boy gaat wijn halen.’ Rosa pruttelt een beetje, maar het spel heeft haar lekker ontspannen.  ‘Zo zet je de motor aan.’ Angela wijst naar een grote rode knop. ‘En deze knop dient om de lichten aan te doen, met deze twee geef je aan welke richting je uit wil. De hendels dienen om te remmen. En met deze pedaal…‘ ze wijst naar beneden, ‘met deze pedaal kan je gas geven. En sturen doe je – welja, met het stuur.’ Rosa zit met rechte rug op de stoel van de scootmobiel. Ze luistert aandachtig en een beetje gespannen naar Angela’s uitleg. ‘Denk je echt dat dit iets voor mij kan zijn?’‘Probeer nu maar.’Met gestrekte vinger duwt Rosa op de startknop. Er gaat een oranje lichtje branden. ‘En nu gas geven.’Voorzichtig zet Rosa haar voet op de pedaal en duwt hem in. De scootmobiel schiet naar voren en Rosa trekt met alle macht aan de remmen, waardoor het ding met een schok weer tot stilstand komt. Ze haalt diep adem en probeert het opnieuw. Voet op de pedaal, naar beneden duwen, een beetje zachter nu … ja! Met een brede grijns rijdt ze Angela’s lange gang door. Aan het einde, in de zitkamer waar de gang op uitkomt, neemt ze wat gas terug en draait voorzichtig het stuur, zodat ze terug in de richting van Angela kijkt. Die is haar tegemoetgekomen en lacht zowaar ook: ‘Zie je wel!’‘Zullen we naar de cafetaria gaan?’ vraagt Rosa, die het ondertussen helemaal ziet zitten. ‘Even mijn rollator halen dan.’ Rosa kijkt Angela na, ziet haar in haar kamer verdwijnen, ziet hoe er snel een geel blaadje aan de deur wordt gekleefd. Ze zegt er niets van, wanneer zij en Angela de lift nemen naar de benedenverdieping waar de cafetaria zich bevindt. ‘Je kijkt zo nadenkend?’ vraagt Angela. Beide dames roeren in hun koffie. Ze zitten aan een tafeltje op het terras, het tafeltje waar Angela zat in haar droom. Allebei zijn ze in hun eigen gedachten verzonken. Ze zijn oud, er is veel om aan te denken. Maar Rosa dwaalt niet in herinneringen. Ze is op zoek naar goede woorden. ‘Vreemd dat ik het nu pas vraag,’ zegt ze langzaam, ‘maar heb jij eigenlijk kinderen Angela?’            Angela schrikt. Het is voor het eerst dat een andere bewoner haar die vraag stelt. Nu ja, het is ook voor het eerst dat ze echt met iemand optrekt hier.             ‘Ik had een zoon.’ zegt ze uiteindelijk. ‘Steven. Hij was verpleegkundige. Een lieve jongen.’            ‘Je hàd een zoon, Angela. Goh. Wat is er met hem gebeurd?’            ‘Hij is gestorven.’ mompelt Angela.             Rosa kijkt op. Het is voor het eerst dat ze Angela zo stil hoort praten, zo aarzelend, zo triest. ‘Ach gut. Angela … wat erg!’ Angela haalt verdrietig haar schouders op, snuift even, zwijgt. ‘Was hij ziek?’‘Kanker.’ zegt Angela. En dan opnieuw met wat meer kracht in haar stem, op een toon die geen tegenspraak duldt: ‘en laat er ons nu maar over zwijgen.’ Zwijgend drinken ze hun koffie op. ‘Ik ga terug naar mijn kamer.’ zegt Angela. Ze stapt in haar scootmobiel en laat Rosa achter, met een hoofd dat buitelt van de vragen, met een hart dat krimpt van het zelfverwijt en met de rollator, die eigenlijk ook van Angela is. De volgende dagen doet Angela verwoede pogingen om Rosa te vermijden. Deze had niets anders verwacht. Het stemt haar triest, want ze is zich aan de statige dame gaan hechten, al haar kapsones ten spijt. Maar ze houdt Angela in het oog, houdt in het oog of het wel gaat met haar. Elk dag ziet ze haar de eetzaal binnenrijden, met een ongenaakbare blik rondkijken en een plekje uitzoeken, zo ver mogelijk van Rosa vandaan. Na de maaltijd maakt Angela zich snel uit de voeten, terwijl ze er toch in slaagt haar decorum te bewaren. Op het terras laat Angela zich niet meer zien.Zo gaat het een poosje door. Met een koppigheid die ze niet echt kent van zichzelf zoekt Rosa mogelijkheden om Angela te benaderen, en dat blijft tevergeefs. Een keer gaat ze laat naar de eetzaal, in de hoop dat zij zelf dan bij Angela kan gaan zitten. Maar wanneer ze de eetzaal binnengaat ziet ze meteen dat de plaatsen naast en tegenover Angela allemaal bezet zijn. Een andere keer gaat ze net heel vroeg, zodat ze snel klaar is met eten. Aan de uitgang van de eetzaal blijft ze dralen tot Angela buitenkomt, maar die kijkt vastbesloten voor zich uit en keurt Rosa geen blik waardig. Nog een andere keer wacht Rosa Angela op aan het begin van haar gang, een beetje verscholen om de hoek. Even voor etenstijd ziet ze Angela buiten komen en in haar scootmobiel stappen. Er is iets vreemds aan deze handeling, al weet Rosa niet goed wat. Tot het haar ineens te binnenschiet: er worden geen briefjes meer aan de deur gehangen. Angela zoeft Rosa voorbij aan een tempo dat niet bij te houden is met een rollator. Zo verschanst Angela zich in haar kamer. Ze verlaat de ruimte enkel nog om te gaan eten – tot ze ook dat niet meer doet. Sinds ze met Rosa op het terras koffie dronk slaapt ze bijna niet meer. En wanneer ze toch slaapt, droomt ze. Steeds opnieuw: Steven en Bruno op het terras, dansend van tafeltje tot tafeltje, hun – neen, hààr geheim ontsluitend. De scène wordt steeds dreigender, de danspasjes burlesker, haar ontkenning van haar moederschap scherper, de windvlaag heviger, de sneeuwvlokken ijziger.Op een ochtend na zo’n droom wordt ze bibberend wakker. Ijskoud heeft ze het. Ze trekt de deken steviger rond haar magere lijf, schudt het dan weer van zich af. Moeizaam komt ze uit haar bed. Ze gaat op haar zij liggen, schuift dan voorzichtig haar onderbenen over de rand van het bed. Met haar onderste arm duwt ze zich voorzichtig omhoog tot ze zit, dan duwt ze zich verder omhoog tot ze staat. Met weinig kracht schuifelt ze naar haar kast. Ze haalt er een dikke rode wollen vest uit. Terwijl ze die aantrekt valt haar blik op een ronde kartonnen doos met een opdruk van theerozen, onderaan in de kast. Voorzichtig trekt ze de doos naar zich toe, tilt hem op. Met de doos stevig in haar beide handen schuifelt ze naar haar tafel. Na even aarzelen zet ze de doos op de tafel en laat zich vallen op de stoel. Langzaam opent ze de doos. Wenskaartjes (‘Proficiat met uw kleine zoontje!’), samengebonden met een lichtblauw lintje. Ze legt ze op de tafel en er verschijnt een rompertje, groen afgebiesd. Angela streelt het witte geribbelde katoen met haar ruwe oude hand en legt ook het rompertje op de tafel. Zelfgebreide wollen babysokjes. Een babyjurkje – ze brengt het naar haar neus, snuift diep. Uit haar herinnering borrelt een snuifje babygeur op. Een foto van haar jongere zelf, in een ziekenhuisbed, boreling Steven in haar armen. Hij richt zijn kleine hoofdje naar haar op, zij kijkt hem aan met een zachte blik, die ze al lang niet meer met zichzelf associeert. Onder in de doos het geboortekaartje met vooraan een ooievaar op een schouw. Op zijn rug een baby’tje met een lichtblauw broekje en een blote borst. Ze opent het dichtgevouwen kaartje. Robert en Angela Vandewalle melden u met grote vreugde de geboorte van hun eerste kindje. Ze zullen hem  Steven  noemen.  1 maart 1961. Angela laat het kaartje vallen. De doos blijft open op de tafel staan. Het babykleedje tegen haar borst geklemd gaat ze in haar relaxzetel zitten. Ze sluit haar ogen, haar gezicht vertrokken in een diepe, gekwelde frons. Zo blijft ze een hele poos zitten, tot ze uiteindelijk diep en regelmatig ademt: ze slaapt. In een dichte mist schuifelt ze met gebogen rug, opgetrokken schouders en dichtgeklemde kaken tussen dikke stapels herfstblaren. Op een kerkhof. Op haar pantoffels. De herfstblaren zijn nat en ze kan bijna niets zien, het is moeilijk om vooruit te geraken en ze wordt nat en koud van de gestage miezel. Maar ze moet vooruit, dat weet ze, dat moet. Telkens een moeizame stap na de vorige moeizame stap. Af en toe wist ze de klamme vochtigheid met een wit wollen doekje van haar voorhoofd. Een krassend en piepend geluid doet haar opschrikken – wat is dat? Door de mist ziet ze enkele meters voor zich een silhouet dat uit de grond lijkt te kruipen. Langzaam richt het silhouet zich op. Het is mager, benig en vlezig en het heeft een hoed op het hoofd. Hij kijkt even rond, merkt haar op. Met open armen stormt hij op haar af … Dan hoort ze iemand hard schreeuwen en ze weet het, zijzelf is het die schreeuwt.  De volgende dag weigert ze uit haar bed te komen. Ze is ziek, zegt ze. Zonder koorts ligt ze rillend in haar bed. De verpleging laat haar maar begaan. Het gebeurt wel vaker dat iemand zich niet lekker voelt en een paar dagen in de kamer blijft. Soms zie je dat iemand dan snel achteruitgaat, dat het een aankondiging is van een naderend afscheid. Maar heel vaak komt het vanzelf weer goed. En Angela is een robuuste dame. Ook al doet ze de laatste tijd wat vreemd. De zorgkundige heeft haar enkele dagen geleden een stapeltje gele briefjes zien weggooien. De gele briefjes die ze jarenlang bij het verlaten van haar kamer altijd zo zorgvuldig op haar deur plakte. Echt zorgen maken ze zich niet, de medewerkers van het rustoord. Al onderhouden ze elkaar wel met verhalen over wat er met Angela en haar gele briefjes aan de hand zou kunnen zijn. Rosa maakt zich wel zorgen. Ook zij verzint verhalen, maar ze vindt ze verre van onderhoudend. Zou Angela’s rouwproces opnieuw aangewakkerd zijn doordat ze naar haar kinderen gevraagd had? Zou ze er misschien echt ziek van geworden zijn? En wat is het verhaal toch achter die gele briefjes?             Eigenlijk gaat het met Rosa ook bergaf. Ze gaat gebukt onder schuldgevoelens, ze mist haar vriendin en ze zou er alles voor geven als ze de tijd kon terugdraaien. Nooit zou ze dan nog met Angela over haar kinderen beginnen. Ze was de laatste tijd nog wel zo blij geweest, zat minder te commanderen, kon af en toe zelfs eens iets vriendelijks zeggen. Ze waren net twee jonge pubermeisjes geweest, toen Angela haar met de scootmobiel leerde rijden … Op een morgen houdt Rosa het niet langer uit en besluit ze bij haar vriendin op bezoek te gaan. In haar kast heeft ze een nieuw mica zakje met de snoepjes die Angela zo lekker vindt. Die zal ze voor haar meenemen. Alhoewel ze meestal op haar pantoffels loopt, ook door het rusthuis, trekt ze deze keer haar stevige schoenen aan. Met het mica zakje begeeft ze zich naar de gang waar Angela woont.            Voor de deur staan twee verpleegkundigen zacht met elkaar te praten. Een van hen heeft een bosje bloemen in de hand. Wanneer Rosa dichterbij komt kijken ze haar met een meelevende blik aan.            ‘Kom je voor Angela?’            Rosa knikt bevestigend, terwijl een koude klauw zich om haar hart sluit. ‘Ja?’            De verpleegster met de bloemen in de hand legt haar andere hand op Rosa’s schouder. Meewarig kijkt ze Rosa aan. ‘Het spijt me. Angela is deze nacht in haar slaap overleden.’             Met grote ogen vol ontzetting staart Rosa naar de verpleegsters. Haar handen klemmen zich rond het mica zakje. ‘Neen!’De verpleegster kijkt Rosa meelevend aan. ‘Ze ligt er vredig bij Rosa, we denken dat ze het niet heeft geweten.’‘We hebben net haar zoon gebeld. Hij komt er zo aan.’ voegt de andere verpleegkundige eraan toe. Wanneer ze Rosa beduusd ziet kijken interpreteert ze deze blik verkeerd: ‘Jij kan Angela vanavond wel komen groeten.’Rosa draait zich langzaam om. Zwaar steunend op haar rollator sloft ze terug naar haar kamer. Ze ziet er plots veel ouder uit. Verstild ligt Angela op haar bed. De verpleegkundigen hebben haar afgelegd, straks komt de begrafenisondernemer haar halen. Op vraag van de zoon hebben ze haar de mooie donkerblauwe jurk met kersenbloesems aangetrokken. Het grasgroene sjaaltje is losjes rond haar hals geknoopt en aan haar voeten draagt ze de blauwe schoenen met het riempje. In haar handen heeft ze nu een boeketje bloemen uit de tuin. Toen de ochtendverpleegkundige haar ontzielde lichaam vond, hield Angela een lichtblauw babyjurkje in haar handen geklemd. Dat jurkje ligt nu naast het bed op het nachtkastje. Angela’s uitdrukking is minder vredig dan de verpleegster Rosa had willen doen geloven. Om haar mond en haar ogen ligt een zweem van ontzetting. Op de tafel staat een ronde kartonnen doos met een rozenmotief. De doos is open, het deksel ligt ernaast. Op de grond, een beetje verloren achter de tafelpoot, een lichtblauw geboortekaartje.

Sybille Opdebeeck
36 2

“It's a bad lucky day”

Throwback to 22 juli 2006 in Arizona.  Die dag willen wij Monument Valley verkennen maar niet de klassieke "17 mile scenic drive" zoals de meeste toeristen doen. Back to the roots is ons beweeggrond. Het authentieke karakter van het land van de Navajo exploreren. Weg van het massa toerisme en bij voorkeur… met een Navajo-gids. Wij kiezen voor de Navajo Mystery Valley Tour. De naam alleen al doe je dromen over “The Far West”, over indianen en cowboys. Voor mij zie ik het beeld van indianen op een Buffalo-jacht die te paard – beschilderd met gele, blauwe, witte en rode symbolen - tussen de grillige rode rotsformaties en de omringende woestijn galopperen. Zittend in blote torso op hun paarden met boog in linkerhand, met vijf of zes pijlen uit pijlkoker, klaar voor onmiddellijk gebruik. De teneur voor het bezoek is duidelijk. Even terug in de realiteit.  Mystery Valley, de minst bekende vallei rond Monument Valley, is alleen toegankelijk voor bezoekers die een Navajo-gids hebben. Dit is waarschijnlijk het beste omdat er verschillende gevoelige archeologische vindplaatsen zijn, verschillende Navajo-families wier huizen zich in het gebied bevinden en niet gestoord willen worden, en misschien wel het allerbelangrijkste: de wegen zijn erg slecht met diep zand en helemaal geen bewegwijzering. Het zou heel gemakkelijk zijn om hier te verdwalen. Avontuur is gegarandeerd! We rijden vanuit Blanding met de Suzuki Grand Vitara 119km  verder richting  Oljato in Monument Valley. “You are entering Navajoland” Aangekomen op de plaats Oljato begeven wij ons naar de kiosk van “Black's Hiking, Jeep Tours and Trail Rides”. De zon staat hoog aan de blauwe hemel, het is windstil en de temperatuur flirt met de 37 graden grens. Een vriendelijke squaw valideert onze tour tickets en wijst ons – in afwachting dat een Navajo-gids komt - naar een open safaritruck met drie rijen zitbanken en een canvas bovenblad voor bescherming tegen de zon. In de verte, een lang en bruin getinte persoon in jeans met witte cowboyhoed en donkere sunglasses stapt heel gemoedelijk, vastberaden, hoofd fier rechtop naar de truck. Wij kijken elkaar vragend aan, bijna bevestigend “hij zal onze gids zijn”. “Get in”  Wij klimmen in de truck en nemen plaats op de bruine, hete zitbanken. De gids start de motor en zegt “Welcome, I’m Howard”. Terloops, Howard is niet zijn echte naam. Zijn Navajo naam zijn wij helaas niet te weten gekomen. Het vehicle bolt langzaam weg van de parking richting het onbekende. De 4x4 zoekt zijn weg door het diepe mulle zand. Wij genieten van “the scenery”. Geen beschaving mijlenver te bespeuren. Regelmatig stopt de gids en laat ons genieten van prachtige uitzichten, natuurlijke bogen en rotstekeningen.  Bij de zoveelste stop zegt Howard "follow me". Een pad op de rode rotsberg brengt ons naar een prachtig “viewpoint”. “Take pictures” zegt hij. Terwijl wij van de omgeving genieten trekt hij zich wat verder verschuilend terug om op een rots te zitten. Heel nieuwsgierig hou ik hem, niet opvallend, in het oog. Plots begint hij – kijkend naar de horizon - in het Navajo te zingen. Het lijkt een heilige zang te zijn. Monument Valley wordt beschouwd als een goddelijk landschap dat de Navajo-bevolking verbindt met hun spirituele tradities en ceremonies. Het is een uniek tafereel. Hierbij maak ik mij de volgende bedenking “indianen hebben een natuurgeloof. Zij tonen dankbaarheid en respect voor  Moeder Aarde, zij zijn de echte "groene jongens". Na zijn ritueel staat Howard recht en vervolgen wij onze weg. Three Pine Ruins, Square House, House of Many Hands - een kloofmuur met handgeschilderde pictogrammen, en Full Moon Arch passeren de revue. Plots versneld de 4x4, de truck maakt gekke bewegingen in het mulle zand, wij worden dooreengeschud. Is dit een deel van de attractie? Wil Howard even die “bleekgezichten” bang maken? De wilde rit blijft aanhouden, het wordt nog spannender. In de verte doemt een stalen kabel op die schuin gespannen is naar een paal. De wagen rijdt in volle snelheid recht naar het doel, eronderdoor. Een gekraak van jewelste, trillingen en schreeuwen volgen. De wagen stopt. Howard en het gezelschap stapt uit de wagen om te bekomen. Gelukkig is niemand gewond. Wat blijkt?  Het canvas bovenblad haakte tegen de stalen kabel en werd volledig naar achter geduwd. Een verwrongen uitzicht. Howard had zich mispakt. Een groot probleem stelde zich. De truck terugbrengen in de huidige toestand is not done. Toekomen op het einde van de rit zou hem belachelijk maken bij zijn broeders. Wat nu? Algauw had Howard een oplossing. Hij zou ons ergens in de woestijn deponeren en verder rijden naar een vriend die het dak zou rechttrekken. Het voorstel werd door het gezelschap goedgekeurd. We rijden een eindje verder en bij een eenzame boom laat hij ons uitstappen. Hij vervolgt zijn rit naar de vriend. Het is snikheet, we zitten – gelukkig maar - in de schaduw van de enige boom. Nog steeds in the mood van een toerist genieten we volop van de wondermooie omgeving.  Een uniek schouwspel. We wachten geduldig maar geleidelijk aan krijgen we te maken met de dorst. Geen water, de flesjes water zijn in de truck gebleven. Wat stom! We blijven rustig zitten om niet te veel te zweten en vocht te verliezen. Na 2 uur wachten, nog steeds geen Howard. De stemming is reeds gezakt. Onzekerheid neemt de bovenhand. Is hij ons niet vergeten? Is er onderweg iets gebeurd? Met een cell phone heb je hier geen verbinding. Iemand contacteren is dus uitgesloten. We zijn volledig van de buitenwereld afgesloten. Je zou het maar moeten meemaken… omkomen van de dorst in the middle of nowhere en niemand die weet waar wij zijn. Het zou niet de eerste keer zijn dat toeristen in een woestijn omkomen. De mooie omgeving kreeg stilaan een andere dimensie. Zou dit hier nu onze eindbestemming zijn? Opluchting. Na 3u wachten, het leek bijna eindeloos, doemde in de verte een bekend voertuig op. Wij waren zo blij om onze Navajo-gids weer te zien. Hij leek niet zo blij te zijn. Kijkend naar het voertuig begrepen wij onmiddellijk waarom. Het gestel was niet volledig rechtgetrokken. Wij toonden compassie. Zijn antwoord hierop “it’s a bad lucky day”.

Guy Van Damme
25 0

Pakjes

Het pakje lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een kleurig lint eromheen. Toen ik vanmorgen naar beneden kwam lag het er niet meer. Jacques zit met de krant voor zijn gezicht. Ik schenk een kop koffie in en pak een krentenbol uit de broodtrommel. ‘Jij ook een?’ Hij doet net alsof hij mij niet hoort. De koffie is gloeiend heet en ik neem voorzichtig een slokje. Jacques laat zijn krant zakken en ik zie dat zijn gezicht op onweer staat. ‘Getver’, ik constateer dat mijn krentenbol beschimmeld is. Als ik de pedaalemmer met mijn voet open druk om de krentenbol erin te mikken zie ik bovenop de resten van de pasta carbonara van gisteravond het  pakje liggen. ‘Wat krijgen we nou?’ roep ik vol ongeloof uit. Jacques springt op uit zijn stoel. ‘Ik ben die klotepakjes helemaal zat, Gemma. Die eikel van een Roel moet maar eens ophouden met jou te stalken. Want dat is het namelijk, gewoon ordinair stalken.’ Inmiddels hebben zich in zijn mondhoeken kleine schuimvlokjes gevormd.  Dan gaat de bel. We verstrakken allebei. Jacques loopt naar de voordeur. Ik zie door het keukenraam dat er een koerier van Parcels4You voor de deur staat. ‘Goedemorgen meneer. Ik heb hier een pakje voor Gemma Gruyters. Zou u in dit vakje misschien even willen tekenen voor ontvangst? ’ De gil van de jongeman doet mijn toch al zwaar geteisterde zenuwstelsel bungeejumpen. Als ik mijn hoofd om de hoek steek zie ik hoe Jacques het pakje abrupt uit de handen van de koerier grist. Hij klemt het stevig onder zijn arm en trekt een sprint naar de gracht aan de overkant. De jongeman trekt wit weg. Met een wijde boog, een Olympisch discuswerper waardig, gooit Jacques het pakje in de gracht. De Parcels4You jongeman begint nu hysterisch te krijsen. ‘Oh, my God, het is toch geen bom?’ Op hetzelfde moment gaat de deur van de buurvrouw open. Zij vangt de kreet van de koerier op en begint vervolgens nog harder te krijsen. Ik trek de voordeur dicht en stop mijn vingers in mijn oren. Hijgend ren ik de trap op en ik duw de deur van mijn slaapkamer open. Frommels, onze oude Cocker Spaniël kijkt mij verbaasd aan. Hij rekt zich even uit en legt zijn kop weer op het hoofdkussen. Ik loop naar de kast en schuif een lade open. Mijn handen graaien nerveus door de sokken en mijn ondergoed. In een paar foeilelijke Kerstsokken (cadeau van Jacques) zit het prepaid mobieltje verstopt. Snel toets ik het mij welbekende nummer in. Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat er op genomen wordt.  Ik  hoor de voordeur dicht slaan en vervolgens het geluid van zware voetstappen op de trap. De klink van de deur gaat naar beneden. Frommels springt van het bed. Van veraf hoor ik geluid uit mijn mobieltje komen. ‘Liefje, ben jij dat, wat is er aan de hand?’ Het lijkt alsof ik droom, maar dat gevoel heb ik mijn hele leven al.

Elle Hart
37 1

wit en zwart.

"Wat is dat hier toch met al dat wit?" vroeg mijn Afrikaanse vrouw."Wit?" herhaalde ik."Ja, al dat wit. Ik word er bang van. Je moest eens weten hoe het is in de Afrikaanse zon: dat verzengende licht dat al onze krachten opslorpt. Ik hou meer van de avondzon, van getemperd licht en de koelte van de zwarte nacht.""Het zit in onze cultuur," legde ik uit. "Voor ons is dat miezerige straaltje zon een zeldzame, welkome vriend die ons maar zelden in volle kracht bezoekt. Wat schaars is, dat vereren we. Kijk naar de Amerikanen: zij aanbidden filmhelden die met angstaanjagende snelheden over het scherm razen, terwijl ze in het echt bij negentig kilometer per uur al de cel in vliegen," grinnikte ik. "Veel Europeanen denken dat Amerikanen zijn zoals hun filmhelden, maar we zien slechts hun dromen.""Jammer," zei mijn vrouw. "Wat jammer." FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
14 0

De droom komt terug

Die nacht had ze al weer gedroomd. Bij elke stap kleeft haar lange rok aan haar enkels, nat van de ochtenddauw. Ze kijkt op naar het prachtige dier, zijn donkere huid, de warme en glanzende neusgaten.  Zachtjes aait ze zijn neus bovenop de witte bles. Het lijkt of de donkere ogen diep in haar ziel kijken. In het zadel zit Jakub, zijn sterke arm strekt hij uit om haar op te tillen. Wanneer ze haar ogen sluit voelt ze zich even gewichtloos in de ruimte tot ze voor bij hem in het zadel zit. Hij houd haar in een stevige greep, ze kan amper bewegen, vallen is onmogelijk. Ze voelt zich veilig. “Gaan we?”, fluistert hij in haar oor. “Ja” fluistert ze terug. Hij brengt het paard in galop en ze gaan vooruit, verder en verder weg van het bloed, de gewonden, de doden, de oorlog. Aan de horizon de robuuste bergen met een deken van groene zuivere bossen. Diep snuift ze geuren in die haar zo beroeren, het paard, haar vriend, de aarde.  Wanneer ze wakker wordt is ze nog even ademloos van de schoonheid en bevrijding die ze ervaart. Totdat ze tot het besef komt dat ze het gedroomd heeft. Een droom van een diepe wens.  Ze tast naar haar kleren in het donker. Haar moeder slaapt nog. Eenmaal buiten  helpt een klein sikkeltje maan haar om haar weg te vinden. De maand augustus zeer warm, maar zo vroeg in de ochtend is de lucht nog koel van de nacht. Behendig omzeilt ze de wachtposten, nu is er  minder waakzaamheid. Ze gaat voorbij aan de wasplaats aan de rivier waar ze zo vaak komen. Daar verderop, aan de bosrand, hoort ze doffe slagen van hoeven, zacht gehinnik. Daar is het, ook de geur van de paarden wordt steeds sterker. Ze  staan in groepjes bij de bomen. Ze weet precies wat ze zoekt. Haar tengere lichaam beweegt zich licht en onopvallend, hooguit klinkt er af en toe wat onrustig paardengesnuif. De bekende witte bles licht op in het dunne licht van de maan, daar staat hij! Op dezelfde plek zoals elke keer. Uit een klein zakje  haalt ze enkele korrels haver en legt deze op haar geopende hand. Het paard vindt zijn weg naar dit voer en pakt de korrels behendig op met de lippen. Ze streelt hem over de neus, de bles en buigt zich naar voren om haar hoofd in zijn warme hals te verbergen. Even staan ze roerloos, het is alsof hij haar begrijpt, een soort volkomenheid. Vlak naast de boom is een plekje met mos en droge bladeren, ze krult zich op om daar in te liggen… ze heeft nog heel even, dan moet ze snel terug voor haar moeder merkt dat ze weg is. Maar ze valt in slaap. Met een kreet schrikt ze wakker! Ze voelt twee ijzersterke armen die haar tegen de grond drukken, haar paard hinnikt ook van de schrik. “Rustig, rustig” hoort ze een stem zeggen. De stem die haar vast heeft. Het paard kalmeert, maar zij niet. Hij tilt haar op en kijkt haar verbaasd aan. Een jong meisje?! “Wat doe je hier” zegt hij boos. Ze heeft haar stem verloren en kijkt hem aan met grote ogen van de schrik. Ze kijkt in het gezicht van eén van de huzaren, geen gewone soldaat, want hij draagt een roodbruin jasje met emblemen, aan zijn zijde een pistool, koud en hard. Voorzichtig kijkt ze hem aan. Een donkere jongen met dezelfde zachte bruine ogen als zijn paard.  “Wat doe jij bij mijn paard? Je mag hier niet zijn!”  Ze kan geen woord uitbrengen van de schrik. Het enige wat haar lukt is te wijzen naar het dorp waar ze vandaan komt. “Woon je daar?” Ze hoort haar stem met een rare pieptoon ja zeggen. “Je moet weg, te gevaarlijk hier. Ik dacht verdomme dat je een spion was!” Ze knikt en zonder de droge bladeren van haar af te schudden trekt ze zich schuw terug, om via een omweg terug naar huis te geraken. Dat was hun eerste ontmoeting. Verbaasd kijkt Jakub haar na. Hij is zelf ook geschrokken, wat als hij haar iets had aangedaan? God zou me dat zeker niet hebben vergeven. Hoe kon dit meisje toch zo dicht bij de paarden geraken? Het hele dorp en daarbuiten ligt vol met soldaten en aan alle kanten staan er opzichters. Een geluk voor haar dat hij het was die haar vond. Hij kent genoeg soldaten die haar pijn zouden hebben gedaan of erger nog.. Hij zal morgen eens uitkijken naar de moeder om haar daarvoor te waarschuwen, die zou echt beter moeten waken over haar kind.  Hij zadelde zijn paard en nam het mee naar het veld verderop om te oefenen. De zon kwam inmiddels al op boven de horizon, man en paard maakten een lange schaduw. Magdalena volgde haar moeder naar de wasplaats samen met enkele andere vrouwen. Zij droeg het wasbord en het kostbare stuk zeep, haar moeder het wasgoed samengebonden in een groot laken. Eenmaal bij de rivier zocht ieder zijn eigen plekje om de was uit te pakken en onder handen te nemen. Enkele soldaten waren mee om toezicht te houden. Op deze plek, aan de zuidzijde van het kamp was het momenteel het veiligst. Verderop en ook aan de overkant van de rivier waren huzaren aan het trainen met hun paarden. Vooruit, stilstaan, keren, linksom en rechtsom. Ook met het zwaard werd er geoefend, vooruit stilstaan, zwaaien met het zwaard, keren , linksom en weer terug. Magdalena’s moeder probeerde haar dochter tot werken aan te sporen, maar zoals altijd werd haar aandacht afgeleid door de manoeuvres van de paarden met hun berijders. Gefascineerd keek Magdalena toe, in haar fantasie bereed zij zelf haar eigen paard, en deed ze alle oefeningen mee. Sommigen van de huzaren passeerden vlak bij de plaats waar zij aan het wassen waren. Magdalena schrok, was dat niet de jongen die haar deze morgen had betrapt? Van schrik keerde ze haar hoofd weg, maar het was al te laat, hij had haar al  gezien. Hij keek nog een tijdje hun kant op en daarna verdween hij weer tussen de andere paarden.  Magdalena’s moeder schrok ook. Voor elke prijs wilde ze haar dochter zo veel moglijk behoeden voor contact met de soldaten en officieren. En deze jongen had wel heel hard naar hen gestaard. Ze nam zich voor om eens uit te zoeken wie hij was.  Jakub had goed gekeken naar de vrouwen. Lotta zag hij onmiddelijk. Een stukje verderop zag hij een glimp van het meisje, die plots de andere kant op keek. Naast haar, dat zou haar moeder kunnen zijn. Een knappe blonde vrouw die met krachtige bewegingen lakens aan het uitwringen was. Bedachtzaam, met een rimpel op haar voorhoofd, keek zij terug. Haastig wendde hij zijn paard en volgde zijn groep.  Wie is die jongeman? vroeg ze Lotta. Die wist onmiddellijk wie ze bedoelde. “Ja, een mooie jongen, he, amper 20 jaar. Hij is anders dan de anderen, ik heb gehoord dat hij de jongste zoon van de dominee van Bikfalva is. Vandaar dat hij altijd zo beleefd is. Maar zijn hoofd vind ik niet in orde, hij heeft het altijd maar over strijden en winnen, wil niets weten van verliezen, ook al ....” ze maakte haar zin niet af. “Daarin gelijkt hij weer wel op veel anderen. Verder is hij heel betrouwbaar want ik krijg altijd mijn geld.” Majka luisterde aandachtig naar Lotta. Ze was al wat meer gerustgesteld, haar dochter was misschien toch nog veilig. Dan heeft ze het zich misschien allemaal verbeeld, en keek de jonge man alleen naar haar buurvrouw. “Maar jij had toch geen plannen met mannen?” vroeg Lotta een beetje achterdochtig. “Nee, nee, helemaal niet, ik ben vooral bezorgd om Magdi”. “Kleine meisjes worden ook groot”, zei Lotta. Ze legden de was te drogen op het veld en zouden deze aan het eind van de middag afhalen. Nu terug naar huis, om te koken voor ik weet niet hoeveel man.  Die nacht lag Magdalena onrustig te slapen. Weer was ze wakker bij het ochtendgloren, maar daarheen, dat durfde ze niet meer nu die ellendige jongeman haar daar had betrapt. Bovendien had hij haar ook bij de wasplaats herkend, daar was ze zeker van. Laat ik een paar dagen er mee wachten, en dan zal het wel weer kunnen, besloot ze voor zichzelf.  De dagen daarop was het hele kamp volledig in beslag genomen door een grote veldslag die had plaatsgevonden. De deenheid wilde een linie doorbreken, hadden stand gehouden, maar niet kunnen doorbreken. Ze hebben wel veel verliezen kunnen aanbrengen bij de vijand. Maar zij zelf ook. Het water bij de wasplaats kleurde rood van het vele gewassen bloed. De mannen op scherp, de gewonden en doden in de handen van de vrouwen. Magdalena en haar moeder konden zich alleen inbeelden hoeveel mannen er nu in de geïmproviseerde ziekenboeg  in de kerk bij waren gekomen. Zij haalden daar alleen de was af, en hoefden zich niet te bekommeren om de zieken en doden. Wanneer ze in de buurt kwamen hoorden ze het hevige gejammer van die arme gewonde mannen. Dokters zijn er en verplegers waren daar, maar er was maar weinig wat ze voor hen konden doen. Er was altijd plaats voor nieuwe gewonden, want alleen de sterksten overleefden het ziekbed.   De oorlog was nu al bijna een jaar volop aan de gang. Ze raakten er aan gewoon, het ging al maanden zo. Eerst de onrustwekkende berichten, dan werden alle jongere en ook oudere mannen opgetrommeld, vertrokken naar de verschillende legers die nu overal in het land waren. Dan was het stadje maandenlang bijna leeg, maar nu, sinds een week, het hele dorp verpletterd door de aanwezigheid van soldaten en legeraanvoerders. Maar of ze nu wonnen of verloren, er waren altijd die vele doden en gewonden.. en altijd maar zorgen maken over de voorraden voedsel die nu heel snel opraakten. Toch gingen Magdalena’s gedachten voortdurend uit naar haar paard. Ze hield het wachten niet meer vol. Had hij deze strijd overleefd? Ze moest en zou naar hem toe. Deze keer zou ze vlak na het slapen gaan, er was voldoende maanlicht. Haar donkerblonde haren droeg ze los, zodat ze niet zomaar weer voor een jonge spion zou worden aangezien. Eenmaal bij de paarden, was ze even in twijfel. Iets verder dan waar ze hem verwachtte te zijn, was hij daar. Haar hart gloeide van geluk, hij leeft nog! Ze hield nog wat afstand, want ze zag dezelfde jonge man van eerder naast het paard. Natuurlijk, het was zijn paard. Maar hij huilde, bijna geluidloos. Ze had nog nooit een man zien huilen. Dit had ze niet verwacht. Maar nu ze eenmaal hier was na al die moeite, wilde ze ook niet meer weggaan. Ging hij maar weg. Het huilen stopte, hij draaide zich om alsof hij voelde dat ze daar stond. ”Rozalia?!” riep hij vol verbazing uit. We stonden aan de rivier de Somes aan de rand van het stadje Jibou. Achter ons in de verte de trotse toren van de oude gereformeerde kerk. Voor ons keken we uit op oneindig grote velden met gele golven van overrijpe zonnebloemen, graan en mais, tot aan de bosrand. Het was 20 augustus. Was dit de plek vandaag 175 jaar geleden? We konden het haast niet geloven, alles zag er zo prachtig uit, zo sprookjesachtig mooi.  We hadden een verre reis gemaakt. Wat een contrast met thuis! In Brussel opgestapt op het vliegtuig en geland in Cluj napoca/Kolozsvar. Voor het eerst van mijn leven zette ik voet in Roemenië, het land van mijn grootmoeder. Een taxi bracht ons naar ons hotel. Het was 3:00 in de nacht, ons vliegtuig had enorme vertraging opgelopen. Er was juist een groot festival aan het eindigen, vertelde onze chauffeur trots, dus er was veel verkeer. We hoefden niemand te wekken in het hotel, we konden met een automatische deurcode naar binnen. De volgende dag na het ontbijt spraken we af met mijn nicht Ilana en haar man B.. Zij hadden een auto, vanaf hier was het maar een kleine twee uur rijden tot aan Jibou/Zsibo in noordwestelijke richting. Ilana had zich goed voorbereid. “Het kleine stadje van toen bijna 1000 inwoners was bezet door bijna 9000 Hongaarse militairen die door het land trokken. De officieren waren ondergebracht in het Wesselényi kasteel, aan de rand van het dorp. Duizenden anderen per 2 of 3 man of meer gepropt in de kleine huisjes en schuren van de gezinnen. De rest in tenten en wagens denk ik. Elk gezin van het dorp droeg bij aan het leveren van een of meerdere slaapplaatsen en voeding tot het leger weer verder trok.”  Het was moeilijk om mij daar iets bij voor te stellen in dit idyllische landschap.  Van grote veldslagen weet ik van mijn bezoeken aan de But de Lion die de slag bij Waterloo herdenkt. Ook daar is het heel moeilijk je voor te stellen dat daar ooit nog een veelvoud aan manschappen moet hebben gevochten, 10-duizenden zelfs. Nu zie je weinig anders dan heuvelachtige landbouwgronden of de moderne stadsrand van Waterloo en omliggende gemeentes.   “Deze Hongaarse legereenheid was rond 13 augustus hier in dit stadje neergestreken en, na nog een laatste grote veldslag waar ze notabene nog wonnen, hebben ze amper twee weken later de wapens moeten neerleggen, op bevel van de Hongaarse  legerleiding. De tegenstand was veel te groot wanneer het Oostenrijkse leger hulptroepen had gehaald bij de buurlanden.” “Dit bevel werd aangekondigd op 24 augustus, in het kasteel van Wesselényi dat je hier aan onze rechterkant ziet. Een groep van officieren waren woedend vanwege de overgave en wilden doorvechten. Maar tevergeefs, de volgende dag werden de wapens neergelegd. De Oostenrijkers hebben de overgave gekregen, maar nog was dat niet genoeg. Ze vreesden dat er opnieuw opstanden zouden kunnen uitbreken wanneer ze niet heel hard zouden ingrijpen, en dat hebben ze ook gedaan. Tal van generaals en hoge officieren kregen onmiddellijk de doodstraf door ophanging en velen zijn gevangen gezet voor jaren, gevolgd alsnog door ophanging. Het trauma duurt nog voort, ook na 175 jaar. Daar zijn de Fransen en Nederlanders veel beter vanaf gekomen in die periode.” “En hoe is onze voorouder Bong Ferenc om het leven gekomen?” Dit keer gaf B. het antwoord. “Hij heeft zichzelf voor de kop geschoten uit protest tegen de overgave van het Hongaarse leger. Hij en een grote groep mede-officieren, hier in Zsibo.” Ik ken het verhaal eigenlijk, maar ik blijf onder de indruk. Wat een daad van protest, het ultieme verzet tegen de vijand.  “Zouden ze hier begraven zijn?” vroeg ik. “Wel, we kunnen eens gaan zoeken, maar de chaos in die tijd moet zo groot geweest zijn dat er amper tijd was om de doden degelijk te begraven, net zoals in Waterloo.” Ja dat weet ik ook. Er zijn toen verbazingwekkend weinig overblijfselen gevonden van al die overleden soldaten en officieren. Toch hoop ik dat we daar iets vinden, al is het maar een klein spoor. Woedend was hij, teleurgesteld, gefrustreerd. Waarom moesten ze vechten tegen juist deze mannen, die hoorden hier niet eens thuis in zijn land. Ze stonden tegenover Serven, Kroaten, ja zelfs Russen. Zijn de Oostenrijkers zelf te laf om hun eigen mannen te sturen? Ja, ze hadden hen deze keer verslagen, voor een hoge prijs, maar het werd moeilijker en moeilijker om hun posities te kunnen behouden. Zijn paard Barat had het goed gedaan, en hij ook. Maar hoe lang kunnen ze dit nog volhouden? Het kan toch niet waar zijn dat dit allemaal voor niks zou zijn geweest? Hij leunde met zijn gezicht tegen de warme hals van zijn betrouwbare vriend. Een ongelooflijk gevoel van vermoeidheid en heimwee naar thuis overspoelde hem plotseling, hij kon zich niet meer inhouden en liet zijn tranen de vrije loop. Plots voelde hij dat iemand naar hem keek. Hij draaide zich om en dacht plots zijn zus Rozalia op 12-jarige leeftijd te zien. "Rozalia!" Even voelde hij voelde zich weer als de 5-jarige die in haar armen wilde rennen op zoek naar troost en bescherming. In een tweede oogopslag zag hij dat ze het niet was. “Ik heet niet Rozalia, ik ben Magdi”, fluisterde haar stem. Hij herkende het meisje dat hij eerder had betrapt en ook bij de rivier had gezien. De twee jonge mensen, stonden tegen over elkaar, elk met verschillende verwachtingen.  “Ik zag je bij de wasplaats”  fluisterde hij terug. “Waarom heb je niet naar mij geluisterd?” “Ik wilde weten of alles ok was met Ga..” ze kon zich nog net inhouden, ze had bijna de naam die ze had gegeven aan het paard verklapt.” Hoe heet jouw paard?” “Barat, hij is mijn beste vriend, hij heeft de strijd weer overleefd, zonder een schrammetje” zijn lachje klonk niet heel natuurlijk. “Waarom laat hij jou bij zich? Er is niemand anders die hij toe zou laten.” “Weet ik niet” ze haalde haar schouders op. Ze kwam dichterbij en streelde het paard. “Zie, hij aanvaard mij. Maar ik voel ook dat hij nog van streek is.” “Ik breng je terug” besloot hij “ik volg je op 20 passen achter je, tot je veiliger bent.” Magdalena nam afscheid, de vergoten tranen aan de hals van het paard gingen in haar over. Zwijgend en met een zwaar hart ging ze op pad. Ze zou hen niet meer terugzien. Jakub zag het meisje verdwijnen in de verte en hoopte dat ze nu veilig bij haar moeder zou zijn. Hij keerde terug naar zijn paard om de laatste nacht met hem door te brengen. In zijn droom bereed hij zijn paard en nam Magdalena met zich mee. Ver weg van hier. Naar de vrijheid, zijn toekomst in een vrij land.    

Marie Jos
29 1

Man zonder vrees

“Dan toch,” zuchtte de man toen hij zijn kleinzoon met het kleine boekje zag naderen. Plotsklaps zou het laatste puzzelstuk dan toch gelegd worden, daar in de schaduw van de perelaar. De oude man verzette zich niet, deed het boekje open en zag zijn kleinzoon glunderen. “Luister,” begon hij. Oorlog wierp voor de tweede keer haar donkere schaduw over de wereld en doofde het licht tot in de kleinste Vlaamse huiskamers. Desondanks hielden achtergebleven mannen, vrouwen en kinderen dapper de boerenstiel aan. Die zomeravond troffen Jacobus en Marcel, twee buren en bovenal beste vrienden, elkaar in ‘De klok’. Het dorpscafé bleef tijdens de oorlog gewoon open, op de spertijd na. Hoe harder het verzet in de regio, hoe vroeger het café moest sluiten. Het was ondertussen vijf minuten voor sluitingstijd. “Barman, wat is onze schuld?” “Vier bier, dat is zes frank”. Marcel, ook Cille genoemd, gooide de munten op de verweerde toog. Hij klopte Jacobus, oftewel Jaak van Zeef, op de rug en keerde zijn blik af van het bordje achter de barman ‘Het is ten strengste verboden te swingen. Bij overtreding wordt men uit de zaal VERWIJDERD’.  “Hou vol, ik kijk er echt naar uit om weer samen te drinken in de boomgaard zonder pottenkijkers,” fluisterde Marcel.  “Ik ook Cille, ik ook”. Bier en gezelschap susten de emoties van beide mannen, toch voor even. Jaak vertelde Cille over de opmerkelijke timing waarmee een vetgemest varken bij hen werd opgehaald. Ook de snelheid waarmee een week later zijn elektrische graanmolen achter slot en grendel vloog, dwong bijna respect af. Toch maakte hij zich sterk niet bang te zijn voor ‘wat Duitsers’, hij had ze al eens in de ogen gekeken en zou hen wel terugpakken. Daarop schudde Cille meewarig het hoofd. Het verhaal bracht hem naar zijn ontmoeting eerder die dag met de regiobevelhebber en de burgemeester. Als schoolmeester stond hij de brave burgervader al jaren bij met advies.  Na hun schuldaflossing liepen ze samen naar huis, tot aan de dijk waar de landweg zich splitste in het heldere maanlicht. Rechts woonde Cille met vrouw en vier kinderen. Links lag, een paar honderd meter verder, de boerderij van Jaak met boomgaard en molen. Naast een thuis voor zijn kroostrijk gezin was de boerderij de uitvalsbasis voor de plaatselijke Boerenbond.  Die avond kreeg de splitsing een bijzondere betekenis, ze zouden elkaar niet snel terugzien.  “Mijn molen is de perfecte overlevingsmachine,“ dacht Jaak.  “Ik laat korenrestjes oprijzen tot oorlogsmeel, slot of geen slot. Van honger zullen we niet sterven in deze oorlog”. In het dichte struikgewas langs de molen griste hij naar een grijptang en petroleumlamp, stak de waakvlam aan en wrong vervolgens het slot los. Hij keek nog even over zijn schouder naar de landweg en stapte daarna naar binnen. Met een druk op de knop schoot de elektromolen in gang. Hij moest snel werken. Duitse soldaten patrouilleerden immers graag ’s nachts door de dorpsstraten op zoek naar heterdaad. Tegen de muur stonden tientallen jutezakken geduldig te wachten om geledigd te worden. Sommige waren zo vol dat graankorrels bij de minste trilling een vloertapijt vormden. Jaak nam de eerste zak, binnen handbereik, vast. Met gestrekte armen probeerde hij er beweging in te krijgen. Er zit precies lood in, dacht hij geconcentreerd. Zijn blik gericht op de muur deed hem plots verstijven. Een donkere schaduw ontvouwde zich als een reuzezakdoek die al snel de hele muur in beslag nam. Jaaks handen losten de zak, hij zakte door z’n knieën, greep de oude schop op de grond en draaide zich in één beweging om.   “Achteruit. Achteruit of ik sla jullie de kop in.” Met zijn andere hand greep hij de lamp aan de muur. Twee figuren stapten uit de schaduw naar voor. In het licht zag Jaak geen Duitse of Britse militaire kentekens wel twee verweerde en vermoeide gezichten.  “ Witte brigade uit Aartselaar.” Hun opgeheven handen moesten het ijs breken. “Bewijs het.”  “We komen in vrede,” riep de grootste van de twee mannen terwijl de andere hem gebaarde zijn schop neer te leggen. Jaak ging niet in op het verzoek en hield zijn schop stevig vast. De grootste man ging verder: “Het is hier de laatste tijd onrustiger. De bezetter zet langs deze regio een bevoorradingsroute op tussen de grote steden. We hebben meer volk nodig om de geallieerden te helpen bij sabotage. Gij zoudt willen helpen?” Jaak hapte naar adem, knikte daarna zijn hoofd.  “Oké. Onze koerier passeert elke eerste maandag van de maand in het dorp, hij luistert naar het roepnummer vijf en je herkent hem aan het grote litteken in zijn gezicht. O ja, en er zullen opdrachten volgen. Hij laat je iets weten als het zover is.” De ontmoeting duurde geen vijf minuten en ze waren weer weg, niet wachtend op een antwoord. Zonder woorden werd Jaak die nacht lid van de Witte Brigade.  Of hij had getwijfeld? Heel even flitste inderdaad een aarzeling door zijn hoofd. Als ze hem betrapten, zou ook zijn gezin vervolgd worden. Meteen daarop volgde het beeld van zijn dode strijdmakkers, achtergelaten in de loopgraven aan de IJzer. “Voor hen.” Met gesloten ogen en hartkloppingen in de keel sprak hij de woorden uit als een belofte. Er was geen andere keuze dan terug te nemen wat van hen was, de vrijheid.  Of hij elke opdracht zou uitvoeren? Dat hing ervan af. Hij nam zich alvast voor om er thuis zo weinig mogelijk woorden aan vuil te maken. Ook Cille kon die nacht de slaap niet vatten. Een ontmoeting eerder die dag speelde zich als een slechte film voor zijn gesloten ogen af. De burgemeester had hem gevraagd bij het gesprek met de Duitse regiobevelhebber. Die laatste bracht een aantal ‘wensen’ over aan de burgemeester. Zo zou de hoofdweg overdag enkel nog toegankelijk zijn voor legervrachtwagens. De burgervader had zijn been echter stijf gehouden. Cille vond er niets beter op dan zijn vrouw te wekken. “ Vrouw, wordt wakker, we moeten praten.”  “Kan het niet wachten tot morgen?” bromde de vrouw en draaide zich van hem weg. Er kwam geen antwoord, Marcel was al zo goed als uit de kamer verdwenen. Samen liepen ze van de bedstede naar de keuken en ploften elk op een stoel naast de stoof.  “In plaats van lef te tonen en hen de doorgang te geven in ruil voor wat gunsten. Dat was exact hoe ik het zou aanpakken,” foeterde hij tegen zijn vrouw.  “ Wat zeg je nou allemaal?” Zijn vrouw keek hem onderzoekend aan.  “Ik laat de regiobevelhebber morgenvroeg meteen weten dat ik zal meewerken in ruil voor de burgemeesterssjerp.”  “Zou je dat wel doen Marcel?” Zijn vrouw keek intriest naar haar man. “Toe, je gaat ons in nesten werken met dat plan van je.”  “Hoezo?”  “Ik heb gehoord dat het zogezegde paradijs beloofd wordt maar dat mensen steeds van een kale kermis thuiskomen. De vijand houdt zijn woord niet. Hij is slecht.  “Stop ermee, vrouw. Het moet, ik kan nog nauwelijks lesgeven en zonder inkomsten geen eten. Vanaf morgen kiezen we kant en daarmee uit. Eens dat ik burgemeester ben, verhuizen we naar het dorpscentrum, kunnen onze kinderen verder studeren en kan jij je in een deftig ziekenhuis laten verzorgen.” Die ochtend in de schuur begon het echte werk. “Hey, pssst. Meekomen.” Een stem haalde Jaak bruusk uit zijn concentratie. Hij keek verontrust tussen de poten van de melkkoe op zoek naar het geluid. Als aan de grond genageld, zag hij een pistool vanachter een strobaal naarstig naar de schuurdeur zwaaien. Tot ook een verweerd en vuil gezicht met groot litteken tevoorschijn kwam. Dat moest de koerier zijn, dacht Jaak. Hij rechtte hij zijn rug, liet emmer en doek vallen. “Pak wat brood en alcohol uit het bakhuis, we moeten dringend gaan.” Even later glipte Jaak zo onopvallend mogelijk met een zak naar buiten, de oude dijk op.  “ Nee, langs hier.” De koerier keek wild om zich heen en dook daarna het korenveld in. Het was augustus, het koren hield zich nog stevig vast aan het hoge gewas.  “Twee kilometer oostwaarts is een Avro Anson, een Brits tweemotorig vliegtuig, neergestort. We volgen de grijze rookpluim. De piloot heeft een veilige vluchtweg nodig door de bossen en jij bent de geknipte man voor de job” riep de koerier Jaak toe en liep voor hem uit. Ze moesten zich haasten en voor de vijand aan het wrak geraken, die rookpluim zou hen snel verraden.  Maar vlot verliep het geenszins. Door tbc, opgelopen in de loopgraven, trapte Jaak al snel op zijn adem. Daarbij stak het hoge korengewas vlijmscherp in ogen en oren, hij zag amper waar hij naartoe moest en de koerier raakte hij kwijt. Dus liep hij dan maar zoveel mogelijk in de richting van de rookpluim. Tot plots voor hem een langgerekte open ruimte gaapte. De buiklanding van de Avro Anson had een spoor door het korenveld getrokken. Als bij wonder strompelde de piloot op eigen houtje uit het wrak terwijl de motoren vuur vatten. De koerier stond al bij de gewonde piloot toen Jaak hijgend aankwam. “Geef het brood.” Terwijl Jaak het brood in de handen van de piloot duwde, zag hij diens gapende hoofdwonde. Hij goot wat alcohol op de zakdoek. Maar deze keer wachtte de piloot niet af, hield liever de pijnlijke eer aan zichzelf. Snel trok hij de doek naar zich toe en depte zijn wonde droog. Hij begreep niets van  het gesprek tussen koerier en piloot. Waarschijnlijk Engels, dacht Jaak. De koerier beval Jaak te vertrekken, aan de overkant zouden Britten hem opwachten voor de verdere aftocht richting Engeland. Twijfelend wees Jaak  naar het bos, voldoende instructie zo bleek om met de piloot in zijn kielzog te vertrekken.  Vijf uur later stapte hij terug de vertrouwde schuur binnen, met veel stof tot nadenken en pijn in zijn borst. Dat was dus verzetswerk. Zou hij het wel aankunnen? Dat viel nog mee, zo bleek later. Met een paar Engelse en Duitse woorden en dubbel zoveel gebaren trok hij steeds beter zijn plan. In het kielzog van de koerier volgden ook gewonde soldaten op zoek naar een schuilplaats. De achterplaats van de boerderij lag snel vol Britse en Amerikaanse soldaten, herstellend en zoekend naar hun krachten. Het leek er op een hospice maar dan zonder dokter en verpleegsters. De boerderij bracht gelukkig nog steeds genoeg op om de vele monden te voeden. Jaaks vrouw en kinderen waren ondertussen op de hoogte van zijn verzetswerk en staken, zonder morren, hun grote en kleine handen uit. Steeds meer blonk het gezin uit in geheimhouding en dubbelleven. Zelfs de drie paarden verstopt achter een hoge strobalenmuur in de schuur profiteerden mee van hun talent.  Naarmate de oorlogsjaren verstreken, kreeg ook de bezetter steeds vaker te maken met tekorten van alles en nog wat. Zo werden naast eten ook fietsen opgehaald bij de boerderijen.  “Geen show zonder publiek,” dacht Jaak vaak. En die houding hielp, hij gaf ze wat ze wilden en daarmee was de kous af. “Aufmachen.” Een brullende stem deed zijn lepel in de soep vallen. Hij keek zijn vrouw en kinderen zwijgend aan, stond vervolgens op van tafel en schuifelde traag richting voordeur. Hij trof er twee soldaten aan. “Gib deine besten schweine.”Jaak stapte naar buiten, liet de deur in het slot vallen en nam de soldaten mee naar de schuur. Opnieuw liet hij de deur voor hen dichtvallen en kwam even later terug met twee vetgemeste varkens. Hij gaf het koord aan een van hen en liep stoïcijns terug naar binnen. Die tactiek werkte, door het raam zag hij de soldaten met de zwijnen aan het koord over de dijk lopen. Een pak van zijn hart, dacht hij, met één oog op de achterplaats met de geïmproviseerde hospice met maar liefst zeven mannen.  Toch durfde het gezin niet op zijn lauweren te rusten. Jaak stond perplex na het maandelijks bezoek van de koerier. Deze keer schotelde de man Jaak een spionageopdracht voor, daarvoor kreeg hij een Duits legeruniform in zijn handen toegestopt. De volgende dag zou hij zich mengen in Duits gezelschap op zoek naar geheime informatie. De Witte Brigade vorderde hem op, ondanks het ontbreken van een talenknobbel, omwille van zijn talent onopgemerkt te blijven in een groep.  Het was over de koppen lopen op het plein voor het gemeentehuis. Legeruniformen schoven in eenzelfde trage ritme naar de deuropening. In de schepenzaal kwam de stoet tot stilstand. Het geroezemoes zwol aan in afwachting van de speech van de regiobevelhebber. Er heerste een opgelaten sfeer onder de aanwezigen, alsof ze goed nieuws verwachtten. Ook Jaak, met een kepie tot over zijn wenkbrauwen getrokken, schuifelde mee naar binnen. In de hoek van de zaal, dicht bij de deur, kwam hij tot stilstand. Hij speurde de ruimte af en nipte intussen  aan het glas van op een voorbijgedragen plateau. Hier en daar vlogen flarden gesprekken voorbij maar niets van enig nut.  ”Dit kan nog wel even duren, ik kom beter straks terug” dacht hij en hij stapte naar buiten om een sigaret op te steken. Hij liep de trappen van het gemeentehuis af en ging op het aanpalende muurtje zitten. Terwijl hij zijn sigaret opstak, werd zijn aandacht getrokken naar het prieeltje links van het gebouw. “Morgen heb je de informatie, regel jij voor mij een gesprek met de regiobevelhebber.”“Morgen werden wir den Widerstand durch einen Großangriff auf den Hafen von Antwerpen von hier weglocken. Jeder, der noch hier ist, wurde gesehen. Wir brauchen ihren Namen und ihre Adresse. Wir treiben sie zusammen, schicken sie in Arbeitslager nach Deutschland. Diejenigen, die nicht mehr arbeiten können, liquidieren wir vor Ort.“  Jaak zag vanuit zijn linkerooghoek twee mannen druk in gesprek. De ene in uniform, de andere... Jaaks emoties barstten los in een hoestbui die het gesprek verstomde. De twee mannen keken op. De man in burgerkledij keek Jaak net iets langer aan. Hun blikken troffen elkaar als een bliksemschicht. Angst sloeg beide mannen om het hart. Jaak groette de Duitse soldaat, doofde zijn sigaret en haastte zich terug naar binnen. Ook de man in burger groette de soldaat en haastte zich naar huis. Had hij het nu goed gezien? Was dat Jaak? Wat deed hij hier?  Cille kreeg het beeld niet van zijn netvlies. Jaak in een Duits uniform. Hij kende hem niet als een overloper maar als de man die zijn medemens koste wat kost zou beschermen, dus dat kon maar één ding betekenen: hij spioneerde voor de Witte Brigade. Die avond ging hij slapen met een ongemakkelijk gevoel. Hij had het liever niet geweten. Of Jaak hem gehoord had? Geen idee.  Ook Jaak vatte maar moeilijk de slaap. Zijn beste vriend maakte afspraken met de vijand. Wat een nieuws. Hij zou vertellen dat het spionagewerk hem slechts flarden informatie opgeleverd had waar geen lijn te krijgen was. Dat was voor hem de enige aanvaardbare versie van de feiten. Bij zijn volgend bezoek aan de schuur liet de koerier duidelijk blijken niet opgezet te zijn met dit resultaat. “Hoe is dat toch mogelijk? Kan ik niet begrijpen. Trouwens, er gaat hier tegenwoordig verdacht veel mis. Tegen morgen moet je namen doorgeven van alle collaborateurs in het dorp. Anders krijgen we de situatie niet onder controle”.  “Ik zal eens rondhoren. Wat ben je van plan met hen? “ Wat denk je nu zelf?”  Het antwoord bleef uit, Jaak wou het ook niet weten.  “O ja, ik heb opdracht gekregen om vanaf overmorgen vanuit de Antwerpse haven te werken. Je zal me dus nog één keer zien en dan is het hier aan jou. Morgen ben ik terug voor de namen, Jaak, zorg dat je ze hebt.” De volgende morgen liep Jaak de landweg af, aan de splitsing staarde door zijn tranen naar het huis van Cille. “Vriend, waar zijn we van de weg afgeraakt? Ik heb onze vriendschap nooit willen offeren voor onze vrijheid,” dacht hij. Hij sprak tegen het huis alsof het Cille zelf was en sloeg mea culpa. Met een druk op zijn borst als een soort tegenkracht, sleepte hij zijn vermoeide lijf voort. De weg naar De Klok leek eindeloos te duren. De koerier kwam langs voor namen om daarna voorgoed te verdwijnen. Wat was dat nu? Met de aftocht van het verzet lieten ze de dorpelingen in de steek. En dat allemaal voor een list waarvoor hij hen niet kon waarschuwen zonder Cille te verraden. Beelden van het front, zijn gezin en Cille flitsten terug door zijn hoofd. “Heer, help me te kiezen voor het goede en vergeef me de tekortkomingen van deze keuze”, prevelde hij. Hij liet zijn hoofd stilletjes verdwijnen tussen de schouders en zat diep in gedachten verzonken aan de toog. Het café liep vol tot de laatste kruk. Cille wou nog rechtsomkeer maken toen hij zijn vriend zag zitten. Te laat, de barman zwaaide hem toe en wees naar de kruk: “Hier Cille, hier is nog plaats”. Ook dat nog, dacht Jaak,  maar het was te laat. Wat ongemakkelijk nam Cille naast hem plaats. “Twee bier.” “ Je vriend kan wat compagnie gebruiken zo te zien;” De barman hield zijn hoofd schuin om een glimp van Jaaks blik op te vangen en plaatste  het glas bier voor hem.   “Hoe gaat het ermee”?  “Kon beter en met jou”? Twijfelend duwde Jaak de woorden uit zijn mond.  “Hetzelfde, maar … we komen hier wel door Jaak.” Een korte wederzijdse blik was alles wat  nodig was om bij Jaak het vriendschapslont terug aan te steken. “We zijn wel nog niet in de boomgaard geraakt.” Cille probeerde het gesprek op gang te krijgen. Jaak keek hem onderzoekend aan. Hij nam een slok. Dit was de man die hem met raad en daad had bijgestaan bij de opstart van de Boerenbond. De man die hij hielp met de bouw van zijn huis. De man met wie hij zijn liefde voor paarden deelde en samen plannen maakten om te fokken. “De peren zijn zo goed als rijp, je kan komen oogsten,” grijnsde Jaak verlegen. Tegen sluitingstijd wandelden Jaak en Cille zoals vanouds van ‘De Klok’ langs de dijk naar huis. Het was een rustige avond, geen dreiging in de lucht en op straat leek het wel vrede. De mannen liepen verder tot aan de boomgaard ”Laat  ons gaan zitten” opperde Jaak en ging Cille voor door de wirwar van perelaars die kreunden onder het gewicht van het fruit. Beide mannen ploften neer op het bankje met hun hoofd tussen de schouders. Hier, weg van alle afleiding, kwam hun jarenlange vriendschap terug in beeld. Maar zowel Jaak als Cille voelden zich niet in staat om als eerste van wal te steken, zochten hun moed bijeen. Intussen  bleef het stil onder de perelaar. “Hoor jij dat ook?” Jaak keek de duisternis in. “Wacht daar is het weer, het lijkt op gekreun” Cille wachtte de reactie van zijn vriend niet af, sprong van de bank en liep door de boomgaard achter het geluid aan. Jaak bleef staan en keek de duisternis in. Tot een doffe slag de grond onder zijn voeten deed daveren. “Cille? Cille? Ben je ok? ” De petroleumlamp” flitste door Jaaks hoofd. Hij repte zich naar de verstopplek in het struikgewas en even later kamde hij de boomgaard uit, het zwakke licht achterna.  “Hier,” zwaaide Cille, liggend op de grond, naar het licht. Met een ruk naar links snelde Jaak naar hem toe. “Ben je oké? Wat is er gebeurd? Met de lamp op Cille gericht zocht hij naar antwoorden. “Ben hierover gevallen,” wees Cille met zijn rechterhand naar de grond. In het licht van de lamp kwam een lichaam van een jonge man tevoorschijn. Hij lag onbeweeglijk op zijn linkerzij met de ogen dicht. Zijn uniform bekende kleur, een Duitse soldaat. Jaak nam snel de revolver uit de holster vastgemaakt aan zijn broek. Jaak boog over de man op zoek naar een zwakke hartklop in de borststreek. “Hij leeft nog.” De mannen keken elkaar even aan. “Cille, help me hem op mijn rug hijsen” Jaak droeg hem vervolgens de boomgaard uit. De petroleumlamp werd gedoofd. „Ich bin bis nach der Befreiung bei Jaak geblieben. Dann haben sie mir geholfen, durch den Wald nach Deutschland zu fliehen. Cille wurde erwischt und ins Gefängnis geworfen. Als er entlassen wurde, war Jaak bereits an Tuberkulose gestorben. Dem Mut dieser beiden Männer verdanke ich mein Leben.“ Fritz legde zijn dagboek neer en keek zijn kleinzoon aan met waterige ogen aan.  

Els Wouters
0 0

Een wintersprookje in amper vijfhonderd woorden.

Ik moet hier weg. Toen ze nog leefde, kreeg moeder de volle lading van haar echtgenoot. Heeft ze ooit echt genoten van die bullebak? Door de manier waarop hij nu tegen mij tekeer gaat, betwijfel ik of hij wel mijn vader is. Partner- en huisgeweld  lijken wel hand in hand te gaan met armoede. Wie niets bezit, hoeft niet veel in te pakken. Met wat kledij uit de kringloopwinkel, mijn dagboek en een foto van mama in mijn rugzak, trek ik de deur van mijn thuis achter mij dicht. De bullebak  zal mij niet missen. Er wacht mij eerst een voettocht door het bos. In de zomer ga ik er graag wandelen, ‘s winters is vooral het deel met de dichtbegroeide naaldbomen eng. Het is ijzig koud,  doch wie tot zijn achttiende nooit een warm nest heeft gekend, kan tegen een stootje. Het dichte sparrenbos waar ik benauwd voor was, valt mee. Het is er windstil en de opeengehoopte naalden op de grond vormen een dik tapijt. Ik zet mij met de rug tegen een boom en eet de homp brood die ik vanmorgen meeritste. Boven mijn hoofd rits het ook. Sneeuwvlokken dwarrelen  uit  de boom. Twee pluimstaarteekhoorns staren mij aan. Droom ik of praten die twee met elkaar? “Vraag jij het maar.”“Neen, jij bent de oudste. Jij moet het vragen, maar doe het wel keurig.”In een wip staan beide diertjes voor mij.“Meisje, juffrouw of mevrouw, dat is Pip en ik ben Pep. Wij heten u hartelijk welkom.”Ik weet niet wat ik mij hier moet bij voorstellen. Was ik in slaap gevallen?“Jullie kunnen praten?”“Ja, maar enkel andere dieren en bijzondere mensen verstaan ons.”“Ben ik dan bijzonder?” vraag ik met een grimas die Pip en Pep heel hard aan het lachten brengt.“Dat zullen wij meteen merken”, zegt Pip. “Mogen wij elk een stukje van dat lekkere hapje dat u in uw handen heeft?”“Jullie mogen mij tutoyeren, hoor. Dit is slechts een droog stuk brood.”“Wat is tutoyeren, Pip?”“Weet ik veel, Pep, maar dat droog stukje ziet er best lekker uit.” Ik leg uit wat tutoyeren betekent en geef hen een brokje dat ze gretig opknabbelen.Pep neemt terug het woord.“Weet u, ik bedoel jij, dat de mensen die bereid zijn iets te delen met een ander ook de taal van de dieren verstaan?”Ik geef toe dat ik het nooit eerder heb ervaren.“Dat komt,” zegt Pip “omdat dit geen gewoon bos is, maar een sprookjesbos. Hier kan iemand als jij met alle dieren  praten.”“Las jij vroeger sprookjes?” vraagt Pep.“Wij hadden geen geld om boeken te kopen.”  Ik toon hen de foto van mijn mama. “Voor het slapengaan vertelde ze mij verhaaltjes, zo uit het hoofd.”“In dit bos staat het huisje te verkommeren dat ooit dienst deed in allerlei sprookjes. Als je daar wilt wonen zullen alle dieren  je helpen om het op te knappen.”Dit is een aanbod, dat ik niet kan weigeren …

Vic de Bourg
18 3

Het niet doen

De oudste zoon fietste het erf op en stapte nadat hij de fiets tegen de schuurgevel achter het huis had gezet, de woonkamer binnen. Hij opende de deur zoals altijd snel en haastte zich de keuken in. Koude wind wrong zich naar binnen. Op zijn schouders blonken regendruppels en zijn brillantinekop glansde in het zwakke huiskamerlicht.  Het was stil in de kamer, de kolen van de stoof gloeiden en de koekoeksklok tikte droog. Zijn das had hij wat losgemaakt. “Ik ben thuis,” zei hij overbodig maar naar gewoonte en het antwoord van zijn moeder dat daar altijd op volgde, bleef uit. Hij stond bij de deur, schoof zijn schoenen uit en keek de woonkamer in.  Zijn vader en moeder zaten bij de kachel. Zijn vader hield een gerolde sigaret met de aspunt naar binnen tussen duim en wijsvinger. Zijn moeder zat wat voorover gebogen, met zijn jongste broertje, koortsig en rillend want hij was die middag ziek geworden, op schoot. Ze had haar rechterarm over de stoelleuning van zijn vader gelegd. De andere hield ze tegen de buik van haar jongste. Met haar vingertoppen streelde ze zijn onderarmen. De tafel was niet afgedekt en stond er nog zoals drie uur eerder, wanneer hij vertrokken was naar zaal Olympia. De dop van de fles tafelbier hing naast de hals. In de steelpan lagen nog drie gebakken aardappelen en een velletje spek. Op de radio iets van Charles Aznavour.  Er was iets wat hij zeggen moest. Zijn moeder had geweend zag hij en zijn vader bleef maar staren naar de kolen. Even dacht hij aan het gedicht van Elsschot. In het vuur echter lagen geen vernietigende regels. Ze hadden het goed samen. Zo zei zijn moeder het  wel eens hardop, dat ze het goed hadden. En dat ze dat moesten beseffen, dat ze het goed hadden. Ze duwde dan haar lippen op elkaar, fronste licht en ernstig en keek iedereen dan aan, legde haar hand in de nek van de vader. Het was iets anders wat zijn vaders blik vastklonk aan de gloed van de kolen.  “Hebt ge honger?” vroeg zijn moeder. Er stond nog soep op de stoof en nadat hij zijn schoenen met zijn tenen onder de radiokast had geduwd, nam hij een mok uit de keuken die hij vulde. Hij dronk de soep, vond zoals altijd dat er te weinig zout in was en hoorde zijn eigen lichte geslurp. De klok tikte. De regen roffelde nijdig tegen het raam en de avond had haar donker waas over het dorp getrokken. Boven gestommel van zijn twee andere broers die op hun kamer waren.  Zijn vader keek op. “Zet er u nog bij,” zei hij. De zoon schoof een stoel bij en zijn vader legde zijn hand traag op diens schouder, keek hem aan, draaide zijn peuk tussen zijn lippen. “Ja vent,” zei hij. De zoon zag de blik van zijn vader veranderen, zag hoe hij zijn lippen zacht op elkaar drukte, hoe zijn ogen zich een weg zochten en zich vernauwden wanneer hij traag aan zijn shag trok. De zoon nam zijn vaders hand in de zijne. Zo bleven ze bij de stoof zitten. Zijn moeder zette haar jongste zoon op zijn schoot en begon de tafel af te ruimen. Ze at nog een koude aardappel en gooide het spek en de andere aardappelen in de afvalemmer onder de gootsteen. Ze bleef in de keuken afwassen en wanneer ze zich even rechtte en haar hoofd wat naar achter bewoog om haar nek te ontspannen, zag ze haar gezicht in het scheerspiegeltje van haar man, dat boven de gootsteen hing . De frons tussen haar wenkbrauwen was roder geworden en schilferde lichtjes.  Ze neuriede mee met het Franse liedje en vulde haar geneurie enkele keren aan met een Frans woord. Hij vond het te gevaarlijk had hij tijdens het eten gezegd en had besloten met haar blik op hem gericht, het plan te laten varen. In het spiegeltje zag ze hen zitten. Haar zieke jongste zocht haar blik.  “Hebt ge er over nagedacht?” De hand van de vader lag in die van zijn zoon. Een beetje zoals kijk papa zonder handen, maar dan omgekeerd. Het zieke zoontje legde zijn hoofd tegen de schouder van zijn oudste broer. Hij was er gisteren over begonnen. Zijn vader sneed tabak, op kleine schaal. De boeren uit de streek brachten hun tabak naar hem en ’s nachts sneed hij dan. Zijn zonen hielpen in de vroege ochtend enkele uren vooraleer ze op hun fietsen met opgetrokken schouders en hun kinnen diep in hun kraag gestoken, naar school vertrokken. De woorden van zijn oudste zoon waren de hele dag in zijn hoofd blijven spoken en nu in de warmte van de avond, begon hij er opnieuw over. “Begin toch op uw eigen! Ik ben straks klaar met school. Mijn punten zijn goed, ik ken iets van boekhouden. De broers doen later wat ze willen. We kunnen ons eigen merk beginnen.” Zijn vader dronk van het tafelbier en keek hem nu recht in de ogen. Hij benijdde de gloed in de ogen van zijn zoon en verafschuwde zijn eigen smeulende lafheid. De klok sloeg tien keer. Zijn zoon had opnieuw we gezegd. Zijn zoon wou met hem tabak blijven snijden en een eigen sigarettenmerk beginnen. Een warm gevoel vulde zijn borst. Snel kwam de versnelde harteklop. Neen, daar zou hij niet aan beginnen. “Zo op uw eigen beginnen, dat zijn geen lachedingen.” Zijn moeder stond in de deuropening. Ze depte haar handen met de handdoek waarmee ze had afgedroogd en schudde veelbetekenend het hoofd.  “Begin er toch niet opnieuw over, ge gaat zijn hoofd zot maken.” “Moeder, ik zeg het nog een keer, ik vind dat we op ons eigen moeten beginnen. De zaken draaien goed. Ik wil in de tabak blijven en we kunnen ons eigen merk beginnen.” “Maar jongen toch, wat zegt gij nu allemaal? Ge zijt gij zeker zot. Een eigen merk? Ik lig nu al alle nachten wakker van dat in het zwart snijden. Ik zou liever hebben dat het stopt. Bij Vandecasteele zijn ze van Kortrijk  binnengevallen. Ge zult het maar voor hebben, ge zijt geruïneerd! Bij Vermote zoeken ze metsers. Da’s veel zekerder werk en hij kan metsen, uw vader. Hij heeft verdorie ons huis zelf gezet. Hij zou beter gaan metsen. Dan kan ik tenminste weer gerust slapen.” De jongste zoon hoestte. De regen sloeg harder tegen het raam en de moeder keek van haar man, naar haar zoon en terug.  “We gaan het niet doen,” zei de vader. Hij keek naar zijn zieke zoontje en dan naar zijn vrouw en dan heel kort naar zijn oudste zoon. “We gaan het niet doen,” herhaalde hij, opende het deksel van de stoof en gooide er zijn peuk in. Daarna stond hij recht, zette zijn glas op de schouw en pookte de kolen aan. De moeder nam het glas, ging de keuken weer in en spoelde het om in de gootsteen. Ze keek weer in het scheerspiegeltje, zag haar oudste zoon zijn jas uitrekken en over de stoelleuning hangen. Zijn zieke broertje had hij neergezet. “Ga maar naar moeder,” zei hij. Zijn vader bleef in de kolen poken, zijn schouders hingen. Hij keek om, zocht de blik van zijn zoon die zacht het hoofd schudde en dan de deur naar de gang opentrok. De kilte van de gang sneed door de warme eetplaats. De zoon keek niet meer om en trok de deur dicht. Zijn moeder had intussen haar jongste zoon opgepakt. “We gaan het niet doen hè man,” zei ze. “We gaan het niet doen.”  

Christophe Vansteeland
20 0

Voor kwantum-groepies.

  Kwantum. Weet je wat het betekent dat het heelal zich uitbreidt? In de verre toekomst, in een onvoorstelbare ruimte, ver weg in de tijd, zullen de atomen in ons lichaam zo ver van elkaar gescheiden zijn als nu de afstand tussen de zon en de aarde. Misschien is er wel een uiterste rekbaarheid in de kwanta, de kleinste deeltjes van de kleinste deeltjes. En misschien, als die uiterste rekbaarheid is bereikt, krimpt het heelal in een minimum van tijd terug naar zijn oorsprong. Een punt met daarin alle materie van het heelal. Daarna, een nieuwe BIG BANG. Op een moment waarop tijd geen menselijke betekenis meer heeft, zal plotseling een blauwe planeet ontstaan. Met daarin het allerkleinste van het alerkleinste uit mijn lichaam.   FOTO GALLERY verf ed https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
39 0