Lezen

Ramp in de bergen

De deur van mijn huis gaat zoals elke dag op hetzelfde uur open. Elke keer weer geniet ik van het uitzicht: de prachtige groene weides vol met margrietjes, het kabbelende beekje en de mist die als een waas voor de bergen hangt. Enkel de toppen zijn nog zichtbaar. Het zijn net vuurtorens die uitsteken boven een woeste zee. Het beloofd weer een prachtige dag te worden. Zoals dagelijks ga ik naar mijn schapen. Na een hele nacht binnen gezeten te hebben, mogen ze weer vrijuit mekkeren in de frisse berglucht. Ik laat ze los, en ze gaan spontaan naar de plek waar ze altijd naartoe willen. De plek waar het beekje wat groter is.  Vlak bij de vallei. Ik ga zitten op mijn vaste plekje, met Lassie, mijn hond, naast me. Samen kijken we toe hoe de schapen rustig zitten te grazen. Plots springt Lassie recht. Dit is niet van haar gewoonte. Ze richt zich naar de bergen. Ik begin iets te horen. Een geraas. Het wordt luider en luider. Het klinkt alsof regen en gesmolten sneeuw het beekje doen overlopen, en al het water met een stortvloed naar beneden stort. Het geluid van de Victoria Falls maal 10. En dat in mijn eigen kleine dorpje. De schapen hebben het ondertussen ook al gehoord. Ze beginnen in paniek te geraken, en lopen weg, in de richting van de stal. Ik volg de schapen. Lassie volgt ze ook, maar doet niet wat ze moet doen. Ze is in blinde paniek. Ik moet lopen om een beetje te kunnen volgen. Wat doe ik nu? Was het wel verstandig om ze te volgen? Te laat, ik kan niet meer terug. Op de berg waarvan het geluid komt, is een gigantische lawine aan het afkomen. Het is gigantisch, en het gebrul wordt ook alsmaar sterker. Ik hoop echt dat ik het overleef. Nu moet ik echt lopen alsof mijn leven ervan afhangt. ‘Lopen! Lopen!’ Oef, ik bereik op tijd mijn huis. De schapen lopen door, maar ik en Lassie kunnen naar binnen.  We zijn veilig. Gelukkig. Net als ik dat denk zie ik een deel van de lawine het dal instorten. Op het dorp beneden. Hopelijk zijn er geen doden gevallen. De lawine raast door, en komt alsmaar dichterbij. Ik voel me niet veilig. Ik voel me echt niet … ‘Huh, wat doe ik naast mijn bed? Was dit een droom of was dit een voorspelling?’ Ik ga gewoon weer rustig opstaan, en de schapen buitenlaten, zoals elke dag. Ik ga Lassie weer meenemen, zoals elke dag. En we gaan weer op dezelfde plek zitten, zoals elke dag. Naast het kabbelende beekje, tussen de margrieten op het groene veld, met in de verte de bergtoppen die boven de mist uitsteken.

buitencirkel
0 0

Klaveren en harten troef

Harten tien. Dat was een vervelende kaart om mee uit te komen. Wat wilde Sjoerel daarmee bereiken? Sjoerel kauwde op zijn uitgedoofd stompje sigaar. Sus had zijn kaarten op een stapeltje gelegd en kon zijn grijns amper onderdrukken. Zijn gezicht was een spiegel van wat hij voelde en dacht. Hij had de klaveren aas die ik miste, dat wist ik zeker. Gelukkig was hij meegegaan met mijn vraag. Zes slagen zouden we dus zeker halen. Goed. En als ik twee overslagen haalde, dan stond ik terug positief. Gisteren had ik al genoeg verloren met het wiezen. Het mocht eens meezitten. En Zjeraar, dat was de slimste, voor hem moest je altijd opletten. Die rook de kaarten van zijn tegenstanders. Zelfs als hij zijn zoveelste drupke ophad. Zelfs dan. Sjoerel had de kaart in het midden van de tafel gegooid. Zwierig als altijd. Ik volgde met harten vier en liet de slag aan Sus, die zat laatst en dan kon hij daarna met zijn hoogste troefkaart uitkomen. Gekocht door Zjeraar. Godverdomme. En ja Sus moest volgen met een twee. Daar ging onze eerste slag. Meteen zag ik me met zo’n kaarten toch nog verliezen. Duivelse Zjeraar. Schoppen aas. Iedereen volgt. Schoppen heer. Iedereen volgt. Zjeraar, dedjuu, wat was dat met hem. Schoppen dame. Maar nu ging ik kopen. O, Sus kocht hem al, dan bleef ik er best af. Voila, hij kwam klaveren aas uit. Goed zo, Sus. Nu was het aan ons. Klaveren negen en mijn klaveren heer. Die was voor mij. Hoeveel troef was er nu al uit? Behalve Sjoerel had iedereen gevolgd. Drie, zeven, acht. Ik had er nog drie, dan bleven alleen de dame en de tien nog achter. Die zaten waarschijnlijk in de hand van Sus. Dan ging ik geen troef meer halen. Het was een gokje, maar mijn kaarten waren goed genoeg. We gingen ze halen. Voila, eens kijken wat mijn maat nog kon. Ruiten zes. Och, Zjeraar had de heer. Wie anders. Nu ja, nu kon ik ruiten ook kopen. Voila, ’t is al zover. Foutje van Zjeraar, hij kwam opnieuw ruiten uit. Hij had kunnen denken dat ik die zes gevlucht was, zoiets wist hij meestal. Gekocht dus. Harten acht. Komaan, Sus. Ja, met zijn aas. Nog één slag en we hebben ze. Sus zat nog met een goede kaart. Hij verried het gewoon met die vreemde bijna-glimlach. De vliegendeur klatste in drie keer dicht. De koffiemachine liet stoom af. De koffie was klaar. Dat soort van geluiden moesten ze uitvinden als ze nog niet bestonden. Ze klonken zo vertrouwd dat ik er vrolijk van werd, zowel van de koffiemachine als van de vliegendeur. Sus wierp zijn harten heer op. Klaar is klaar. Zjeraar kon ons niks meer maken. Nu zouden de overslagen tellen. Mijn harten dame was nu goed gespeeld en als Sus de klaveren dame had, dan waren alle slagen nog voor ons. Harten zes. Mmm, waarom zijn dame niet. Ik had alleen nog maar troef. Klaveren vier. Vooruit. Zjeraar had de klaveren dame, maar hij wist wat er nog overbleef. Nog voor hij de slag opgeraapt had, liet hij zijn overgebleven schoppen gewoon vallen. Hij stond op en sjokte met stijve knieën naar de koffiemachine. We hadden onze twee overslagen gehaald. Ik stond weer positief. Nu stond iedereen in de plus, alleen Sjoerel zakte verder weg. Ik schreef de punten haastig op. Sus knikte in de richting van de deur. Daar stond een jong gastje. Ik herkende hem bijna niet. Hij had een vers gestreken en proper hemdje aan en een donkerblauwe jeansbroek. Het witte hemdje had een drukke print in geel, blauw en groen. Het leken vlinders. Zijn baseballpet was zwart met rood en het klepje was strak gebogen. Samen met zijn lichtblauwe sneakers was hij net een paradijsvogel. Hij stond met een envelopje in zijn handen van het ene been op het andere te wiebelen. Daarstraks had hij geen brilletje gedragen, nu wel. Zou hij zich geschoren hebben, of moest dat nog niet met zo’n babygezichtje? Ik… Ik kom om te betalen. Eerst koffie. Altijd eerst koffie. Ik nam twee koppen, zette er één terug, omdat de afwasmachine het niet helemaal schoon gekregen had en nam een ander. Iemand die kwam betalen, gaf je geen vuile kop. Wel? Euh, niet te veel, niet te veel anders kan ik niet slapen. Oei, was hij zo iemand? Mans genoeg om een eigen huis te bouwen, maar niet om een fatsoenlijke koffie te verteren. Moest dat op factuur? Ja, liefst wel. Zonder factuur krijg ik niks van de bank. Het papiertje waar ik het bedrag opgeschreven had, lag helemaal bovenin de schuif. Ons Lisa had de jongeman horen binnenkomen en griste het velletje uit mijn handen. Zij zou dat wel doen. Ze verdween ermee naar haar kantoortje. Wat mij betrof, kon er onder dat bedrag gewoon +21% gezet worden en klaar, maar zij zou het wel volgens de laatste nieuwe regeltjes doen. Ze kwam terug met een A4’tje. Bovenaan stond onze naam in drukletters ‘GEBR. ACKX Grondwerken bvba’ en onze BTW-nummer. Het was netjes zo, zeer netjes van ons Lisa. Niet nodig, maar netjes. In de envelop zat exact het bedrag dat we vroegen. De BTW was er al bijgeteld. Handje contantje, zo moest dat. Uw naam is niet van hier, denk ik, zei Sus. Dat klopt. Ik ben van Lommel. Mijn vriendin is van hier. Lommel. Lommel. Dat is toevallig. Zou hij Mien kennen? Ken je mijn Mien dan misschien. Mien Bellemans. Niet direct. Van de Gere Bij, café de Gere Bij, vlak buiten het centrum. Sus keek alweer de andere kant op. Zjeraar zat met het pakje kaarten in zijn handen en Sjoerel had de gazet opengeslagen. De jongeman keek hen één voor één aan en vermeed mijn blik. Hij kende dus de Gere Bij. Een goe vrouwke, een héél goe vrouwke. Die weet hoe dat ze mij moet verwennen, dat kan ik u verzekeren. Dat zijn de goeie, ja, antwoordde hij. Maar hij wist er juist niks van, niks. Daar was hij veel te snot en te blits voor. De overall die hij vanmorgen had gedragen was niet eens vuil geweest. Misschien dat hij op het einde van de bouw wat minder onbeholpen en onhandig een schop zou hanteren. Nu kon je zien dat hij dat nog nooit gedaan had. Hij had handschoentjes aan gehad en maar goed ook, want ik gaf hem geen half uur werken met een schop of zijn tere, zachte handjes lagen helemaal open. Ik wens u ook zo’n vrouwke, jongen, een echt goei vrouwke. Ja, maar, het is een goeike, meneer. Daarstraks bij het uitgraven van zijn kelder had ik allang gezien in welke familie hij zich ingetrouwd had. Die van Lindermans. Dat werd niks. Dat was een familie van kwezels, nurken en mierenneukers. Ik kon me vergissen, want in iedere familie waren er uitzondering, maar veel zou hij niet van de grond geraken. Ik hoopte voor hem dat het snel gedaan was en dat hij zou leren wat echte vrouwen te bieden hadden. Mien zou maar al te graag nog eens zo’n blinkend jong manneke onder handen nemen, dat wist ik zo. Het gebeurde niet veel meer, maar ze was altijd goed gezind als ze er eentje te stekken had gehad. Ze was er trots op dat ze daarna vaak een paar keer terug kwamen. Zou ik hem haar telefoonnummer geven? Maar nee. Mien zei wel eens dat als ze zo jong waren, dat ze dan niet wisten wat ze misten. Het had niet veel zin om het uit te leggen. Als ze geluk had, dan kon ze het hen doen voelen. Maar uitleggen, nee, dat hielp niet. En deze jongen hier zag eruit alsof hij het niet wist. En anderzijds… de dochter van Lindermans. Hij zou snel genoeg weten dat hij het elders zou moeten zoeken. Ach, eigenlijk was het mijn zaak niet. Ik ging weer op mijn stoel zitten. Zjeraar deelde de kaarten. Harten troef. Sus keek amper naar zijn kaarten, roefelde ze snel op een stapeltje en vroeg. Natuurlijk ging Sjoerel onmiddellijk mee, dat zou ik ook gedaan hebben. Sus had geweldige kaarten. Dit zou een moeilijke worden, dacht ik, zeker met wat ik in mijn hand hield. Ik had geen enkele harten. Gelukkig was er Zjeraar nog. Misschien dat ik niet te diep onder nul zou gaan. De jongeman uit Lommel dronk zijn bodempje koffie op en draaide zich om. Hij vertrok. Salut, eh jongen, riep ons Lisa. Salut. De vliegendeur klatste twee keer. Het pad buiten lag er slecht bij. Zijn lichtblauwe sneakers zouden nu wel besmeurd zijn.

Hans Van Ham
12 0

Killer op de trein

Terwijl ik over de dood zit na te denken, stopt de trein. Weer met enkele wagons te weinig en zonder verwarming. Een groep leerlingen basisonderwijs of net 1ste middelbaar stapt op. Er is nauwelijks plaats voor hen, naast mij kan nog iemand zitten en voor mij. De rest staat recht en fezelt wat.  Maar ach waar zat ik met mijn gedachten. De dood. Ik heb er geen angst meer voor, wel voor verlies en falen vreemd genoeg, maar niet voor de dood. Ik zie het eerder als een soort rustpunt, een einde aan al dat gedenk en die onrust. Een moment waarbij je afscheid neemt en moet loslaten. Het moeilijkste. Beter is natuurlijk dat je dat tijdens je leven al leert. Maar goed, na de dood is er of niets of is er toch nog een soort gids, waarbij je ziel in een nieuwe leerfase terechtkomt. En ja, dan is dat maar zo. De jongeren tegenover me beginnen te lachen, ze hebben het duidelijk over mij. Ik die op mijn laptop werk – dat doe je dan al op de trein, zo goed als gaat – om toch die verloren uren onderweg in te halen. Ik klap het ding dicht en haal mijn oortjes uit. Ze lachen, ik glimlach terug en vraag hen: “Op wie lijk ik?” Ze proesten het uit. Neen, het ging niet over jou. Waarna een ander eerlijk zegt, maar jawel… Euh, ja, maar over iemand speciaal. Ik knik. De jongen tegenover me verklaart zich nader: “Ja, maar, ik bedoel het is een slecht mens vanbinnen, maar goed vanbuiten.”“Nu ben ik wel nieuwsgierig.” Geef ik hen aan.  Het meisje naast me zegt: “Je lijkt op Jeffrey Dahmer.”  Ze lachen. Ik frons mijn wenkbrauwen: “Wie is dat?”“Ah ken je hem niet? Zoek hem op, op je gsm!” zeggen ze. Ik zoek, maar schrijf duidelijk zijn naam verkeerd en geef het aan één van de kinderen, die googelt het en toont het. “Wat een serial killer? Ik lijk op hem?!” Ik kijk nog eens goed, buiten de witte huidskleur en een bril die hij draagt, zie ik geen gelijkenissen. Ze lachen. Ik kijk verder naar de foto's, een echte en een acteur die hem speelt.“Is daar nu een iets van op Netflix?” Ze knikken enthousiast. "Ja, echt eng."Ze lachen weer, het enthousiasme stijgt. “Hoe heet jij?” vraagt de jongen tegenover me. Bart. Dan beginnen ze met hun namen, ze spelen ermee, de donkerkleurige noemen ze Mohammed, de iets lichtere Demis en de andere Luc. De meisjes zeggen eerlijk hun naam, alhoewel die volgens de jongens ook niet echt is. “Wat doe je voor werk… ben je leerkracht?”“Ja, ook” “Dat dacht ik wel, dat zie je.”“Dank je,” zeg ik netjes, “en ik werk voor vluchtelingenwerk Vlaanderen, daar help ik ook mee voor vragen rond onderwijs.” De jongen voor me knikt en zegt: “Jij bent een goed mens. “ Ik neem opgelucht een teug adem. De trein is er bijna.  Ze gaan op bezoek bij het parlement, bij Alex De Croo en Blijf in je Kot – Maggie.  Ik sta ook op, tijd voor een nieuwe werkdag. Wie zal ik vandaag zijn, een gewetenloze psychopaat of een vreedzame oplossingenbedenker? De lijn is soms dun, toch in de betere verhalen. Wel fijn dat ik van killer naar goed mens mocht evolueren.  Hopelijk ziet men dat in het hiernamaals ook zo.  

Bart Vermeer
26 0

Donkere dagen

Zelfs Stef is ‘s morgens niet “uit bed” te krijgen. En ik heb er toch ook wel last van hoor. De wekker loopt af en ik denk “jakkes, het is nog helemaal donker buiten.”  Het ergste is het in het weekend. Dan vindt Stef tegen half 8 toch wel dat het tijd is om naar beneden te komen. Hij roffelt de trap op en af en springt op bed om er voor te zorgen dat ik toch wel begrijp dat het tijd wordt voor zijn brokjes. Natuurlijk is hij niet de baas en rek ik het, toch zeker wel tot half 9, maar dan kan ik ook niet meer blijven liggen. Dus, joggingbroek, dikke trui, dikke sokken, heel charmant, en dan naar beneden. Eerst het belangrijkste, brokken voor Stef. En dan koffie en ontbijt voor mezelf. En daar zit je dan, nog half in het donker. Ik zal zo blij zijn als het 21 december is. Dat is toch wel een van mijn meest favoriete dagen. Waarom? Nou, dat is de dag van de Winterwende, dan worden de dagen weer langer. Ik ben niet de enige hierin, al duizenden jaren vieren we deze gebeurtenis op ons halfrond. Het bepaalt het moment waarop het licht na een periode van duisternis en verwijdering weer rechtsomkeert maakt. Zelfs de katholieke kerk, vindingrijk als zij is, heeft de Winterwende overgenomen en er kerstmis van gemaakt. Als kind vond ik de kerstvakantie de gezelligste die er was. De kerstboom stond in huis, dat rook lekker. We keken naar de oubollige kerstfilms op televisie en speelden Monopoly. Kinderen hebben ook geen last van kou, lijkt het wel. Nu moet ik zelf voor gezelligheid zorgen en dus heb ik een kerstboom gezet. Natuurlijk werd mijn creativiteit weer direct op waarde geschat en werd er goedmoedig gelachen om mijn poging. Hij blijft maar scheefzakken, ik moet toch nog eens kijken hoe ik dat kan fixen. Maar goed, de lichtjes branden. Ik laat ze ook de hele dag aan. Dan kom ik in ieder geval niet thuis in een donker huis. Stef ziet al die versieringen maar eens meewarig aan. De zingende kerstman die in de stoel zit, wordt door hem volledig genegeerd. Gewogen en te licht bevonden. Nee, Stef heeft na zijn ontbijt geen last van het donker. Als ik aan mijn koffie zit, kijkt hij me even aan, loopt naar de bank, krult zich in zijn deken en begint tevreden te snurken. Hij is een gezegende ziel.        

Machteld
16 0
Tip

Ik heb (bijna) met God geslapen en ze rook naar Zwitserland

   Het was op een blauwe maandag dat ik, na wat surfen op het internet, het adres van de hemel ontdekte. Met een bang hart toetste ik het nummer in dat onderaan het scherm stond en dat eindigde op het cijfer 69. Mijn stem sloeg over toen ik polste of God vandaag beschikbaar was. De engel aan de andere kant van de lijn vroeg naar de reden van mijn oproep. Ik antwoordde dat het nogal gevoelig lag, dat het iets tussen mij en God zelf was, dat ik daar niet over kon uitweiden. De engel kon zich daarin vinden. Haar taak bestond er immers uit om verloren zielen aan een afspraak te helpen, niet om hen op het rechte pad te houden. Het enige wat ze diende te noteren was hoeveel tijd ik in het bijzijn van God wenste door te brengen. Om de eenvoudige reden dat ook in de hemel statistieken bijgehouden worden. God is praktisch ingesteld, verdeelt iedere seconde volgens een bepaald principe, om iedereen die in nood verkeert optimaal te kunnen helpen.      God was te laat. De engel aan de telefoon had een afspraak geregeld om kwart na twee in het luchthotel gelegen langs de Kerkstraat. Om halfdrie hield er een wolk halt. Een dame in felrode jurk stapte af, wenkte mij en stiefelde hemelpoort nummer 1 binnen. Ik volgde gezwind. Ze nam plaats op het gouden bed, keek mij aan en sprak tot mij. Ze had een “je ne sais quoi” over zich hangen in een tijdloze, voor mij ongekende dimensie en zag er nog sexyer uit dan de foto op de webpagina had laten uitschijnen. Ik slikte. God was adembenemend. Ik hapte extra zuurstof om de dollemansrit die mijn hersencellen aan het maken waren niet te laten ontsporen. ***    Wanneer ik terug bij zinnen ben ontstaat er een gesprek. Met plezier beantwoord ik de vragen die worden gesteld. ‘Jawel, oh natuurlijk niet, geen probleem, misschien, mmm wat denk je zelf?’ Haar donkerblonde lokken, haar licht getaande huid, haar guitige lach en haar blik. God heeft het kleurenpalet van een koppeltje broedende ijsvogels die ik in een caleidoscoop gevangenhoud tot er een hypnotiserend mooi kleurenspektakel in elkaar overvloeit. Zolang ik eraan draai overvalt mij een onbeschrijflijke rust. Een gelukzalige tinteling in mijn vingers, wanneer ik haar schoot aanraak, bevestigt mijn vermoeden. Mijn maag piept met dezelfde intensiteit als die van een kind dat gedurende een winterse wandelingen met papa gaat wandelen en zich op de terugweg naar huis concentreert op mama’s zelfgemaakte chocolademelk. Gods adem dampt cacao.    ‘Chocolade is mijn guilty pleasure.’ Ik biecht het zonder blikken of blozen op. Dat ik geen dag zonder kan, dat het een verslaving is en dat ik vrees dat het mij een rozenkrans of misschien een Onzevader zal kosten, maar God vertelt doodleuk evengoed een zwak te hebben voor zoetigheden en legt haar hand op mijn mannelijkheid. ‘Vanmiddag wordt er niet gestraft,’ lacht ze een hagelwitte tandenrij bloot.    Ik slaak een zucht van opluchting, knuffel alsof mijn leven ervan afhangt, tot ik Gods ribben tussen mijn vingers voel kraken, haar tepels in mijn borsthaar hoor knisperen. Ze vraagt of ik dit al vaker heb gedaan. Of met engelen telefoneren om te polsen over haar beschikbaarheid een hobby is. God zijn is zwaar, vergt veel inlevingsvermogen. Zeker met een immens drukke agenda. Bovendien zijn de laatste tijd veel heidenen de weg kwijt en die willen allemaal beroep doen op de diensten van "Zij" die de wereld schiep in zeven dagen. Ik mag haar enkel contacteren bij hoge nood. Ik zeg dat dit de eerste keer is, dat al de andere keren een hulp-God voor mij werd geregeld. God vraagt of ik ook de weg kwijt ben, van het rechte pad ben af geraakt.    Ik zeg dat ik niet de weg, maar mezelf kwijt ben, en kus God vol op de mond. Zij slaat haar armen rond mijn middel, trekt mij dichterbij en beantwoordt mijn zoektocht, door met haar tong mijn verhemelte te sussen.    Even later dwarrelen onze kleren een voor een op aarde, zweven onze naakte lichamen doorheen het ijle niets. Alles van mij is nu van haar: Gods sensuele stem baant zich een weg van mijn oor naar mijn onderrug. Ik streel haar dijen, ontwaar kippenvel ter hoogte van een bil. Een warme gloed prikkelt mijn ziel. Een aha-erlebnis maakt zich meester over mij. Ik kan de tranen van geluk amper onderdrukken en denk: God wat is dat hier allemaal. Maar dít is God! Ik ben bij God en ik wil voor altijd verstrengeld blijven liggen waar ik lig: in dit niemandsland. Lippen, schouders, armen, buik, leest, heupen, billen… alles aan God voelt vertrouwd aan. Alleen haar neus is koud.    Ze moet lachen, vraagt of ik nakomelingen heb. Ik schud van nee, vraag op mijn beurt of zij kinderen heeft. Een domme vraag natuurlijk want God heeft de wereld geschapen, maar ze snapt wat ik bedoel. ‘Ik hoef geen kinderen,’ zegt ze. ‘Ik moet aan zelfzorg doen wil ik niet samen met het heelal ten onder gaan. Ik leg mijn hoofd in haar nek, snuif zo hard ik kan het blondste plekje van haar kruin los. God ruikt naar Zwitserland: neutraal zoals het hoort.    ‘Ik zou graag versmelten tot een eenheid,’ zeg ik. ‘Opdat je mij niet zou vergeten.’    Ze lacht opnieuw. ‘Ik vergeet niets of niemand. Ik ben God!’    ‘Je vindt het belachelijk. Ik ben in jouw ogen slechts een heiden.’    ‘Ik vind niemand of niets belachelijk. En jij bent een goed mens. Ik heb jou geschapen.’    Net wanneer ze mijn mannelijkheid andermaal zachtjes aanraakt, gaat haar telefoon over. Het is de engel die de afspraken regelt. Ze meldt dat mijn tijd met God erop zit. Dat er een andere heiden hulp nodig heeft.    Ons afscheid eindigt abrupt doch liefdevol tegelijk.    We kussen een laatste keer.    Ik vraag of ik God terug kan zien.    Ze knikt instemmend, besprenkelt zich met wat wijwater. ‘Graag zelfs. Maar enkel bij hoge nood.’ *** Diezelfde nacht is de drang reeds onhoudbaar. Ik masturbeer zeven weesgegroetjes.

Sascha Beernaert
127 0