Lezen

De waarheid: Hoe de Tip Van De Week van M. De Ridder over MCH tot stand kwam

Ianthe wreef in haar ogen, gaapte naar een griet in rode lange jas die voor haar verscheen, staarde naar de witte bloemen in haar haar, glimlachte zuinig, zag dat het bloemenmeisje naar de vrije stoel aan haar tafeltje wees en nam schuifelend plaats. Wat doet een bloemennimf in Café Sport? ‘Ik ben Marjan,’ zei ze met een stem als een boterbloem. ‘Marjan De Ridder. Ik ben dichter -slash- rapper, schrijver, illustrator en leerkracht.’ Ianthe schudde haar hand, een hand met op de nagels bloemetjes getekend. Nagelillustraties? Een klasjufje dus. Wat moest die van haar? Ianthe zei niets en liet de hand met de bloemennagels los. ‘Je vraagt je waarschijnlijk af, wat ik hier kom doen? En waarom ik naar jou vroeg?’  Asjemenou, een helderziende dichter -slash- rapper! Ianthe kon een zucht door haar tanden niet onderdrukken. Ze keek Café Sport rond, zag geen bekenden en bracht haar hoofd dichter bij Marjan. ‘Mevrouw De Ridder, dichter -slash- rapper, waar kan ik jou mee helpen, want dat doe ik graag als altruïst -slash- Wereldverbeteraarster. Wist je dat er mensen zijn die beweren dat altruïsme niet bestaat? Dat anderen helpen, de straat oversteken bijvoorbeeld, puur egoïsme is? Maar dat is niet waar, mensen streven niet het puur maximale na, ze laten graag nog iets over voor anderen.’ Marjan leek even van haar stuk, herpakte zich, haalde een A4-tje uit haar aktetas en schoof het op tafel, richting Ianthe. ‘Lees dit,’ zei ze dwingend. “Wie is er gek? of One step d'r out!' van MCH” stond als titel gedrukt. Wie is er niet gek, dacht Ianthe. ‘Je moet mij helpen,’ zei Marjan, ‘ik zit helemaal vast. Ik hoorde van de redactie van AZF dat jij hier expert in bent. Ghostwriter zelfs.’ ‘AZF… die klotebende, rotmongolen,’ mompelde Ianthe. ‘Ben ik mee gestopt,’ herpakte ze zich, ‘bracht niets op.’ ‘Ik heb geld, veel geld,’ zei Marjan. Ianthe trok een wenkbrauw op. Veel geld? Als leerkrachtje zeker, dacht Ianthe, met nagels illustreren zal het ook niet binnenstromen.  ‘Ik geef je tweeduizend als je een recensie over dit topstukje schrijft.’ Dit wijf is gek, dacht Ianthe, tweeduizend lire? Of roebels? Kusjes? Ze is niet mis, misschien een trio met Alberto? Werkt ze als lichtekooi? Daarom zoveel geld? ‘Euro?’ vroeg Ianthe. ‘Wat anders?’ Dit wijf meende het. ‘Voor een paar lijntjes?’ Misschien bedoelt ze drugs? ‘Ianthe, het is een meesterwerk. En van MCH!’  Who the fuck is MCH, dacht Ianthe? Dit kind snuift lijm, of flipt van de boterkoekjes. ‘Doe je het?’ vroeg ze smekend, met lippen als een eend. Smeken als een eend? Duckface flowergirl kent de poses niet. Gelukkig waant ze zich geen actrice. Ik laat deze malloot vooraf betalen, dacht ze. ‘Isgoe,’ zei Ianthe, ‘het verlangen om goed te doen, de drang naar juiste kennis en de zoektocht naar schoonheid is voor mij belangrijk.’ Tweeduizend flappen ook, dacht ze. ‘Oh, kan je vooraf betalen? Handje contantje?’ Marjan De Ridder haalde vier briefjes van vijfhonderd uit haar portemonnee alsof het briefjes van vijf euro waren. Mevrouw De Ridder is loaded! Ianthe nam de briefjes aan, plooide ze in vier en stak ze in haar decolleté.  ‘Deal! Je topstukje krijgt een recensie van jouw hand, enfin de mijne, maar in jouw naam. Had je al iets bedacht?’ Marjan nam een tweede vel papier uit haar tas en legde het bovenop het eerste. ‘Nog niet veel,’ zei ze blozend. “One step beyond. MCH kopt in het kortverhaal “Wie is er gek? Of One step d’r out” meteen binnen met impressies van een verhouding tussen huurder en verhuurder.” ‘Niet slecht,’ mompelde Ianthe, ‘helemaal niet slecht.’ Ze schraapte haar keel. ‘Ik snap waarom je mij verzocht. Deze openingszin is loos, platjes, droog, niet fleurig, zou jij moeten weten, met je bloemetjes in je haar.’ ‘Ik weet het Ianthe, het mist bloemetjes.’ ‘Precies,’ zei Ianthe smalend, ‘impressies is te gewoontjes, maak er sfeerische impressies van, dat verstaat geen kat, maar toont dat jij niet gewoontjes bent, speciaal bent, dat je niet gewoon een dichter bent, of een rapper, maar een dichter -slash- rapper, begrijp je?’ De bloemen op haar kop knikten. ‘Zelfde probleem met verhouding, enfin, omgekeerde probleem, dat woord is te zwaar, te heftig, heeft iets nodig, iets zachter, bijvoorbeeld banaal, maak er banale verhouding van en je openingszin is af.’ ‘Wow,’ zei Marjan, ‘ze overdreven niet.’ ‘Die losers van AZF?’ vroeg Ianthe, dacht aan de tweeduizend op haar tieten en las de tweede zin. “Elke zin is een vuist.”  ‘Serieus, mevrouw de Ridder?’ zei Ianthe. ‘Dit lukt misschien in het eerste leerjaar, of geef je les in de peuterklas? Zinnen in een recensie verdienen lengte. Doe bijvoorbeeld volgende.’ Ianthe schrapte vuist, verving het door gebalde vuist en vulde de zin aan zodat ie klonk als een klepel: “Elke zin is een gebalde vuist in een aanslepende ruzie tussen de twee hoofdpersonages.” ‘En dat kan jij zonder de tekst gelezen te hebben?’ schrok Marjan. Ianthe haalde haar schouders op. Ik kan alles voor tweeduizend ballen, dacht ze. Meer had Marjan niet.  ‘Dus zover zat je?’ vroeg Ianthe nodeloos, meer om haar belang te onderstrepen, te benadrukken dat ze die tweeduizend waard was. ‘Hier zit ik vast,’ zei Marjan. ‘Het is een kortverhaal, juist?’ zei Ianthe. ‘Dus het is een verhaal, maar toch is er ruimte, en omdat er te weinig gezegd wordt, weet de lezer niet alles, juist?’ Marjan knikte instemmend. ‘En er is conflict, dat is er altijd? In een tijdspanne?’ ‘Weet ik niet,’ zei Marjan. ‘Doet er niet toe,’ zei Ianthe, ‘wat denk je van volgende: “Het kortverhaal is compleet maar laat ruimte voor mijmeren, laat de lezer twijfelen over wie of wat nu de meeste olie op het vuur gooit. In enkele zinnen toont de schrijver hoe waanzin in de mentale toestand van beide betrokkenen sluipt. Doordat de schrijver verschillende highlights in de week van de figuren opgooit en handige schijnbewegingen maakt in de tijd-ruimte interpretaties doorheen het verhaal krijgt de eigenlijke inhoud van de verhaallijn nog meer gewicht.” Marjans mond viel open. Ze staarde naar Ianthe al zag ze een geest verrijzen, op de muur kloppen en driemaal naar de wc gaan zonder doorspoelen. ‘Die MCH,’ zei Ianthe toen Marjan bijgekomen was, ‘heeft hij iets van een eigennaam gebruikt?’ ‘Madness, dacht ik,’ zei Marjan. ‘Madness?’ herhaalde Ianthe. ‘Dacht ik toch, wacht, check de tekst.’ Marjan greep het blad onder het vel papier waar Ianthe op schreef. ‘Niet nodig,’ zei Ianthe en hield haar tegen. ‘Madness will do.’ Ze schreef verder: “Toch weten we niet wie Madness is en of de gekte in het huis zit, in het hoofd van de verteller, de sfeer of de personages. De woorden hebben nog laagjes.” Laagjes, dacht Ianthe, dat werkt altijd. Toujours, dacht ze, een Frans of Engelstalig woordje gebruiken, dat werkt ook altijd. Maar is misschien hier niet nodig. Het is een ijzersterke tekst, vond Marjan. Dan mag dat nog eens gezegd. ‘Viel er je nog iets bijzonders op, aan die tekst, bedoel ik, niet aan het leven in het algemeen, of aan de stand van de maan, of aan hoe hier in café Sport de mannen scheef aan de toog hangen.’ Marjan keek naar de mannen aan de toog, likte haar lippen en tuurde opnieuw naar het blad waar Ianthe zo meteen nog een zin op zou kliederen. ‘Wel, euh,’ stamelde Marjan, ‘eigenlijk wel. Ik begreep niet goed waarom MCH op het einde er plots twee andere figuren bijsleurde. Dat leek me overbodig.’ ‘Overbodig,’ herhaalde Ianthe, ‘daar kunnen we wat mee.’ “Wanneer de schrijver dan op de valreep nog twee extra personages introduceert, klikken alle zinnen in een context en krijgt de lezer pas een resoluut besluit op zijn bord.” Ianthe las de recensiezin voor en Marjan lachte hardop, als een manische patiënt die te horen kreeg dat er nieuwe pillen uitgevonden werden, en dat zij als testcase uitgekozen werd. ‘Prachtig,’ siste Marjan. ‘Waarlijk prachtig, echt prachtig, zeer prachtig.’ Voor een dichter -slash- rapper toch arm van woordenschat, dacht Ianthe. Ach wat, rijk met geld, niets dat met euro's niet opgelost kan worden. Essentie vinden, daar kwam het nu op aan. ‘In drie woorden, Marjan, waar gaat dit stuk over?’ vroeg Ianthe. ‘Drie woorden?’ De bloemen in haar haar leken te verwelken, drooggezet door de moeilijke taak. ‘Of vier, maar niet meer, gewoon wat is de essentie, als er al een is, want essentieschrijvers, dat vind je niet veel meer, en al zeker niet op AZF. Je vond dat verhaaltje toch daar? Of heb je stiekem het uitgeknipt van een echte literatuursite? Alhoewel, met die start: One step beyond.’ Ianthe gniffelde even, tokkelde met haar vingers op de tafel als waren de vingers astronauten die de maanlanding oefenden, schraapte haar keel en herhaalde haar vraag. ‘Drie à vier woordjes dus, Marjan, over dit topstukje.’ ‘Goh,’ zei Marjan, ‘iets over een dakappartement en dat die kerel rare dingen doet om geen lawaai te maken en met een oud wijf die hem weg wil of zo.’ Tellen geeft ze niet, dacht Ianthe. Een, twee, drie, vier, hoedje van, hoedje van. Spuwt dat kind hier zowaar de langste zin uit in het hele gesprek, terwijl duidelijk drie á vier woorden gevraagd werden. Die leraresjes luisteren niet. Of verzon ze dat lerares zijn ook op haar cv? Schrijver en illustrator, dat is iedereen met een pen en papier. Maar moet je voor lerares geen opleiding genieten? Is dat geen beschermd beroep? Zou het wel moeten zijn, vond Ianthe. Voor de toekomst van de kinderen, en dergelijke. ‘Let op,’ zei Ianthe, schreef en las daarna voor: “Dit verhaal klimt tot in de nokjes van een fantastisch-realistisch studioappartement, vernielt de onschuld van oma’s en verkent de mentaal ongezonde compromissen die vaak voorkomen in een ongelijke machtsrelatie. De schrijver doet dit op zo een vrije en amusante manier dat ik het flitsverhaal graag zou zien doorgroeien tot een novelle of roman.” ‘Tot een novelle of roman?’ vroeg Marjan. ‘Weet ik veel,’ zei Ianthe, ‘is dat niet een mooi compliment, en tegelijk gebruik je de magische ik-zin, trek je jouw wil erbij, over wat jij - want daar gaat het toch om - wil. Dat jij verdomme wil dat die MCH jou een novelle schrijft, of God betert het, als hij echt wil, als hij echt jou wil plezieren, als de muze met bloemetjes in je haren die je draagt, een roman!’ De ogen van Marjan glinsterden, de kaken bloosden, en mocht Ianthe niet beter weten, ze leek te dompen op haar stoel. Dit grietje werd hier geil van. En Ianthe werd ervoor betaald. Betekende dit dat ze… Aan wat anders denken, dacht ze. Kan ik hier nog meer geld uitsleuren? Zoals het een echte professional betaamd? ‘Vind je dit goed genoeg?’  ‘Goed genoeg? Het is meesterlijk, Ianthe!’ Marjan klapte in haar handen. ‘Dit is de beste recensie ooit verschenen op AZF.’ ‘Dat kan wel zijn,’ zei Ianthe, ‘maar voor vijfhonderd extra, word jij de held van de recensie?’ ‘Vijfhonderd is geen probleem, maar hoe dan, hoe ga je dat flikkeren?’ Ianthe stak haar hand uit en vormde een kommetje. ‘Handje contantje?’ ‘Tuurlijk, dom van me,’ zei Marjan, nam nog een briefje, plooide het in vier, leek zich even te bedenken of ze het in Ianthes decolleté zou proppen, maar besloot dan toch het gewoon in het kommetje te leggen. Ze liet niet na Ianthes hand te strelen. ‘Thanks,’ zei Ianthe, ‘watch and learn. One step beyond!’ Ze nam haar pen en in één vloeiende beweging schreef ze: “Ik kon alleen maar denken: heerlijk toch zo een beetje drijven tussen absurdisme, ruzie en geluidsoverlast. En vond als podiumdichter (slampoëet) een soort punchline in een kortverhaal, maar daar zoekt u zelf maar naar. Eén ding is zeker: MCH maakt in dit verhaal geen enkel ongezond compromis.” Ze bekeek het vel papier. Best slordig handschrift heb je Ianthe, dacht ze. Ooit wordt dit ingekaderd, opgehangen in Tate Modern en zullen duizenden ernaar staren en de goddelijkheid bewonderen. Ianthe draaide het vel papier naar Marjan, die het gretig vastnam en luidop las. Toen ze slampoëet bereikte, schokte haar stem en liep een traan over haar wang. ‘Bedankt Ianthe,’ ze stond op, omhelsde Ianthe, kuste haar vol op de mond en probeerde haar tong binnen te wurmen. Ianthe beet op haar tanden. ‘Sorry Ridder,’ zei Ianthe, ‘dat is voor Alberto.’ ‘Ken ik Alberto?’ vroeg Marjan. ‘Neem je werkje, ga naar huis en typ het over.’ Ianthe keek hoe Marjan haar spullen pakte en Café Sport buitenwandelde. Geen foute kont, dacht Ianthe, waarom ben ik zo trouw aan Alberto?  Ze streelde de briefjes door haar borstenhouders. Tweeduizend vijfhonderd flappen.     (De personages in dit fragment zijn verzonnen; elke gelijkenis met bestaande plaatsen, met gebeurtenissen, met levende en/of dode personen, berust louter op toeval.) (Vrij naar 'Tip van de week van 30/03' in opdracht van MCH)

TonyCoppo
87 1

Al dat eten

"Ik ga hier snel binnen", zei mijn vrouw. "Doe maar", zei ik. "Dan schuil ik daar even", naar het café wijzend 50 meter voorbij de winkel. "Hoezo schuilen?", antwoordde ze, "het is prachtig weer". Ik wilde vooral schuilen tegen de drukte van de winkelstraat. Elk excuus is goed om paskamers te vermijden. Het was een huiskamerachtig café. Niet meteen passend in de winkelstraat, waar alles op elkaar lijkt. Het was alsof ik de Lekke Ketel binnenkwam, het café uit het boek van Harry Potter, die toegang geeft tot de Wegisweg.   Ik plaatste me aan een ronde tafel. Naast me zaten twee vrouwen en een man. Op de tafels lagen tafelkleedjes. De man van het gezelschap heette André. Dat wist ik snel omdat de vrouw naast hem het bij elke zin vermeldde. "Gij zijt niet zot van olijven hè Andrè. Als er op een pizza liggen, geeft hij ze aan mij, hè André." André, ik schatte hem een jaar of zestig, had een schuimend streekbier voor zich staan. Ik bestelde hetzelfde bij de patron en stak mijn hand op naar André toen ik ervan proefde,  zoals buschauffeurs dat doen als ze elkaar tegenkomen met de bus.   "En ansjovis", ging de vrouw van verder. Ze kwam op dreef. Er volgde een opsomming van wat André niet graag had. Ik dacht aan de uitdrukking die wel eens aan Willem Elsschot wordt toegeschreven. “Zwijgen kan niet verbeterd worden.” Ik draaide me om, want ik meende aan de kachel een Elsschot-achtig figuur te zien zitten, met de pijp in de hand. Maar er zat niemand. André had een snor zoals Elsschot. Misschien was het daarom. “Kiwi's, lychees, passievrucht, zalm, kappertjes, artisjokken, …”. Ze bleef maar opsommen. “Het is me wat hè Andre, al dat eten.” André knikte bevestigend. “Maar wat zullen we straks eten André?”

Rudi Lavreysen
10 0

Renewal By The Dessert (part of TheWildlander's Ember stories).

Snippet 1 It had been hours since the sun had set, yet the dark red sand remained hot. I must admit that I had been utterly unprepared. My Robes and wide hat had been fashioned in such a way to protect me from the scorching sun. But now that the heat came from below, it created a bubble against my skin af trapped sweat, heat and blistering pain. I didn't dare to stop to heal my heatburned legs, for I feared I mightt not get up again. It would still be two hours before we would reach the next oasis. Two hours of heat, pain and exhaustion. Snippet 2I noticed how cold I felt, before I regained any other senses. I remembered tumbling on my knees in the desert sand for what seemed mere seconds ago. I shivered as the contrast in temperature from my last memory and the currest state of my body failed to reconcile. I openend my puffy eyes. My neck stung as I moved to propperly take in my surroundings. I laid on a small stone bed in a dark grey tent. Not all like the simple tents my expedition used, but one fashioned by elaboratly decorated canvas. A seemingly endless chain of iron was woven into it and along hung small droplike gemstoned.  How had I come to find myself in a deamonic Welltent? Snippet 3I stayed four days in that Welltent, while the deamonic doctors helped me back to health. None of the doctors spoke my language, so I couldn't ascertain how many days I had been unconscious, how I got there or how long I would need to get on my way again. Yet their ailments and ols seemed to help, for my burned and blistered skin healed rapidly. Shortly after my fourth sunset in the Welltent, a turquoise skinned deamon entered my tent. She was older and wore a white surgeons gown that had seen better days. She was humming a soft chant as her eyes glared rapidly from her clipboard to me and to the clipboard again. She shook her head. The small gems and golden chains that were fixed between her silvery horns rattled.  She sat down on the stool next to my stone bed and took hold of y arm. She continued humming and gently started pinching my sunburned skin between her long fingers. The places that she touched turned white for a few seconds. She seemed to nod approvingly. Snippet 4She wrote something down on her clipboard and stood up slowly. “Please follow me. Some fresh night-air will do you good.”, she said in a fluent Lanrian accent. After not having been able to communicate with anything more than some basic hand signals and nods, it took some time before I realised that I understood what she had said. I got out of bed, awkwardly fumbling with the spacious silken robes the deamons had given me. “Could you tell me what day it is?”, I asked and added: “You are the first person, well first euhm.” My throat was sore. I swallowed. “You are the first individual that I've spoken to that speaks my language .”  A joyful smile appeared on her face. “For your question, it is the fifth day after your human Saldrian Specialday. As for your puzzlement: the others were male.”, she said. Seeing my confused face she added: “They are male. The lesser educated.” Snippet 5The night-air outside  the tent felt much cooler than I had expected and even though it the sun had set, my eyes still needed a multitude of seconds to register my surroundings. The deamons had set camp in a small oasis with long trees that probably provided ample shadow during the day. Most tents were clustered in a crescent shape around a stone pool, with my tent being the tail end. I inhaled deep and focused my eyes on more distant objects to relax the tension that had build up in my recti. I slowly let my eyes drift from the small cooking fires to huge round nuts in the trees to the wooden palisade and back.  Snippet 6“Do not toutch the Water of Slaver, for this oasis is a holy place for deamons. If are in need of water, you must take it from one of the pumps.” The doctor pointed her long fingers towards a stone building surrounded by tents. The small building was intricately decorated and stood out as it was the only permanent construction in sight. “I am at the Oasis of Selkier?”, I asked to her as much as I asked to myself. Her face grew dim and her joyfull hum stopped abruptly. “You should refrain youself from using his name.”, she said. “If any of the clergy hear you they might take great offence.” I mumbled an appology and she begged my goodnight. I stared at the firelights reflecting on the water and pondered. The Oasis of Selkier was located at least two days of travels from where I had lost consciousness. Was it just good fortune that had brought me to my destination?

TheWildlander
8 1

Wie ben ik?

Ik lees een autobiografie waarin de auteur een beschrijving geeft van de huizen waarin hij heeft gewoond. Hij zoekt een antwoord op de vraag wie hij is. Het is een van de stappen op zijn zoektocht. Het zijn maar liefst 21 woningen. Voor mezelf tel ik er 4. Zo vaak verhuizen lijkt me een helse job, zeker met de meer dan duizend boeken die hij heeft. Maar boeiend is het wel. Ook al ken ik zijn huizen en appartementen niet, ik zie ze helemaal voor me. "Vind je dat niet erg?', vroeg een vriend, nadat ik hem had verteld dat ons ouderlijk huis er niet meer staat. Nee, omdat die herinneringen aan het huis zich voor mijn ogen afspelen, zoals een film die je nooit meer vergeet. Een film die zich blijft afspelen. Zo is het kippenhok in het jeugdverhaal dat nu op de schrijftafel ligt in mijn hoofd een getrouwe kopie van het kippenhok achteraan in de tuin, waar vader menig uur heeft gesleten. Niet zoveel als de kippen natuurlijk, maar zijn beestjes kwamen niets tekort. Net zoals de vethaantjes die hij om de paar jaar opzette. In de aanpalende schuur stond een oud gasfornuis waarop hij in een vaalgele kastrol de aardappelen bereidde voor de beestjes. Hij stompte er nog wat sla en andere groenten in, want de dieren moesten gezond groot worden. De geur van de stamppot kwam tot aan het huis. Moeder vond het niks. Als de kastrol niet meer op het vuur kwam en vader zijn bijl tevoorschijn haalde, bleef ze binnen. “Doet ge een beetje voorzichtig Harry?" Maar ze stond wel aan het keukenraam te kijken, zodat ze op haar sloffen snel bij de schuur was, mocht er daar iets gebeuren. Je raakt ze niet kwijt, al die beelden. Ze maken wie ik ben.

Rudi Lavreysen
5 0

Man overboord

‘Neem jij zijn benen?’ ‘OK!’ ‘Dan neem ik zijn armen.’ ‘1, 2, 3, hop!’ ‘Oh neen, hij is te zwaar.’ ‘Marie, waar is Lydia?’ Lydia stond wat verder naar het glinsterende, donkere water te staren. Jeaninne riep haar. Het waaide als zwoele warmte van een late zomernacht, de maan scheen hen bij. Jeaninne, Lydia en Marie hadden hem beet. Jan kreunde zacht. De drie handtassen hadden zijn hoofd afgerammeld.  Het was een toeval geweest, deze cruise en deze ontmoeting. Marie en Jan vierden hun twintigste huwelijksverjaardag. Lydia wou weg van haar twijfelende minnaar. Jeaninne was alleen op reis nadat haar nieuwe vriend hun romantisch trip had afgeblazen.  In het bubbelbad vanmiddag was het duidelijk geworden. Alles kwam boven water.  ‘Wat?’ riep Marie uit ‘Wie kent hier Jan? Dit is ONZE reis!’ Ze schreeuwde het uit. Lydia zonk met haar hoofd onder water. Jeaninne wou in tranen uitbarsten. De bubbels spetterden in haar gezicht. Ze liep rood aan. ‘Smeerlap!’ ‘Idioot!’ ‘Bedrieger!’ Ze gilden. Jan vluchtte het bubbelbad uit.  Te laat.  Drie samenzweerders beraadden hun plan: op het dek, voorbij de champagnebar, om één uur vannacht, met zwaar gevulde handtassen.  PLONS  De maan knipoogde en verdween achter een wolk. Onzichtbaar werd het dek. Verdwenen in het donkere water, weg was de kater.       --- Tentoonstelling: Vracht, MAS, Antwerpen Zin in Musea, Creatief Schrijven, 27 februari 2022

Lumes
41 1

Hutselen en husselen

Als er zelfs voor ‘dooreenschudden’ twee bijna identieke synoniemen bestaan, is het geen wonder dat een mens woorden dooreenschudt. Ik heb het over ‘hutselen’ en ‘husselen’. Eén letter verschil maar vrijwel dezelfde betekenis. “Och, doe ze maar allebei”, moeten de mensen van het taalverbond hebben gedacht. “We zullen ze eens hebben.” Dat hutselen gebeurde tijdens een kort onderhoud met mijn buurman. U moet zich daar niets officieel bij voorstellen. We zeggen gewoon een goeiendag als we elkaar tegenkomen, gevolgd door een koetje of een kalfje. De weersomstandigheden zijn hiervoor ideaal. Je zegt het tijdens het voorbijgaan en we zijn het er meestal over eens. We zijn niet van het type dat blijft plakken. Hij heeft twee pubers in huis en altijd is er iemand om weg te doen of om te gaan halen. Wat was er nu aan de hand? Ik wissel regelmatig af met mijn begroetingswoorden. Kwestie van het niet te saai te houden. Bijvoorbeeld hoi, hallo, yo of hey. Hoe het kwam weet ik niet, misschien was het dat afwisselen, maar wat ik zei kwam eruit als 'hahoi'. Het klonk als een gerecht van bij de Chinees. Ik vervloekte mezelf voor een dergelijke dommigheid. Nu maar hopen dat hij dacht het verkeerd verstaan te hebben. Al was die kans klein. Twee dagen later passeerden we elkaar opnieuw. Maar ik had een plannetje in mijn hoofd om mijn flater recht te zetten. “Hahoi”, zei ik opnieuw. In mijn ooghoek zag ik hem ietwat verbaasd kijken. Het kan immers perfect dat er een woord bestaat waar je nog nooit van hebt gehoord. Het verandert tegenwoordig terwijl je erbij staat. Het jonge volk vindt ze uit alsof het niets is. Tussen mijn andere begroetingswoorden gooi ik voortaan regelmatig een ‘hahoi’. Het is nu alleen wachten tot hij het een keer terugzegt.

Rudi Lavreysen
380 0

Beethovens laatste avond

‘Elise’ raspte ik de stilte in die stilte bleef. En duisternis. Ik voelde haar naam tegen mijn stembanden schuren. Ze kwam niet. Ze sliep vast. De slaap der rechtvaardigen. Mijn Elise. Zo vaak had de stem van mijn geweten door mijn hoofd gegalmd. Zo luid dat ik er stil van werd. ‘Elisemijn’ probeerde ik, al wat zoeter. Mijn duisternis bleef stil. Ik sliep vast nog. Ik knipperde met mijn ogen. Mijn handen tastten langs het zijden onderlaken, het hout van mijn doodsbed. Koud voelden mijn handen aan mijn gesloten ogen. ‘Elise, waar ben je?’ riep ik, en knipperde met mijn gesloten ogen. Elisemijn. Geheim. Je lippen. Weet je nog? Mijn duisternis is eeuwig stil. Mijn duisternis is eeuwig. Ik voel hoe handen mijn lichaam optillen. Daar is het licht. En het nieuwe duister. Mijn handen links en rechts van mij. Mijn vingers voelen eik. Spijkers hameren mijn middenoor in. Weet je nog? Ik voel hoe ik in het duister val. Dit moet het zijn. De laatste duik. Weet je nog? Elisemijn, Elisemin. Het zout op je lippen. Ik voel het water. Ik voel de stenen. Ik voel steeds dieper. Dieper het duister in. Als ik sterf wil ik een walvis worden. Een blauwe vinvis. ‘Wil je dat voor me doen, Elise?’ Je lippen die stil ‘ja’ voor me lipten. Mijn geheim. Als ik sterf wil ik een walvis zijn. Leid jij me dan rond? In jouw onderzeese pracht. Ik voel het water rond mijn armen. Mijn mond. Ik knipper met mijn ogen. Het zout prikt. Mijn armen komen los. Met een krachtige slag van mijn staart ben ik vrij. ‘Oeehhhhhw’ brul ik het diepe blauw in. Het duister is eeuwig, mijn stilte voorbij. Elise, luister naar mijn lied.

Frederik Tilbe
0 0

De pest of de cholera - een aanklacht

‘Doe open, alstublieft!’ Ik bonkte met mijn vuist op de dikke houten deur. Het scharnier van mijn schouderplaat knarste. Na maanden zonder toernooien raak je vastgeroest. ‘Doe open, alstublieft, of het zal u berouwen!’ Weer bonkte ik met mijn vuist op de dikke eikenhouten deur. Met een behendige zwier trok ik mijn zwaard uit de schede. Trok ik mijn zwaard uit de schede. ‘Barbier, doe godverdomme open of ik hak je in mootjes!’ ‘In mootjes? Zie maar eerst dat je je zwaard uit je schede krijgt, Ludo.’ De stem van de barbier klonk dichtbij. Alsof hij naast me stond. Ik hief mijn hoofd wat op en zag door het kijkdeurtje het dikke, zweterige hoofd van Guido de Barbier. ‘Guido, zowaar ik Ludowijk XII heet, ik zal je belonen!’ Ik hoorde Guido nee schudden, zijn dubbele kinnen wreven over elkaar als twee gepekelde kalfsschenkels bij de beenhouwer. ‘Het mag niet van Prins Jan, Ludo.’ Al vijf maanden geen toernooien meer. Al vijf maanden geen bevallige deernen meer gered uit de klauwen van een draak. Maar het ergste was dat mijn helm sinds een week niet meer paste. Mijn laatste barbierbezoek was vijf maanden geleden. De slierten grijzig haar hingen voor mijn gezicht en blokkeerden mijn zicht door mijn vizier. Mijn baard krulde vervelend op en al met al was ik blij dat ik in deze toestand niet tot een duel werd uitgedaagd, of de orde moest gaan handhaven op het platteland. ‘En als je kan kiezen tussen de pest en de cholera?’ gooide ik al mijn overredingskracht in de strijd. ‘Wat in godesnaam is de cholera? De pest hebben we al, waarom zou ik die cholera ook nog willen? En waarom zou ik jouw haar wel knippen, jouw baard wel mousseren en oliën terwijl ik die van de gekke Tilda al jaren niet knip?’ De hele weg naar Guido had ik argumenten verzonnen, achterpoortjes om de ijzeren wet van koning Jan te omzeilen. ‘Contactambachtslieden en barbiers zullen vanaf heden en voor een periode van minstens neugen moonden geen arbeid verrichten nie.’ ‘Kijk, Guido, ik zet deze bloempot hier op mijn kop, steek jij je hand door het kijkdeurtje, neem mijn dolk en snijd mijn verdomde haar af! Ik ben het beu! En overgiet daarna mijn haar met een aftreksel van vlierbloesem om het die frisse geur en die zachte kleur weer te geven. Ik word grijs en dat is nefast voor mijn levensvreugde. Ik heb er echt de pest in!’ ‘Het is goed, Ludowijk, kom maar.’ Ik zette twee stappen richting de deur met een terracotta bloempot op mijn hoofd. Plots sneed er een blinkend lemmet door de lucht. De hand van Guido gleed bedreven het kijkdeurtje uit. Drie tellen later lag ik bloedend op de grond. Mijn hals in helse pijnen. Piepend ging de deur open. ‘De pest of de cholera... krijg jij de tering maar, Luldowijk’, sneerde Guido en spuwde op mijn zieltogende lichaam.  

Frederik Tilbe
0 0

Nog meer aantekeningen uit een badkuip

26/7/2021 Scribbelaartje. “De oude Grieken hadden het over het wezen van de dingen, de essentie van het paard, de logos, enz. Hoe ouderwets ook, ik kan me best vinden in dergelijk gedachtengoed. Niet vanuit een of andere rationele overweging – welke overweging is trouwens volledig rationeel? –, maar omdat ik het aldus ervaar. De afstand tussen werkelijkheid en essentie. Zoiets. Zo is het onomstotelijk waar dat een bruid te mager kan zijn, een babyromp te lang, een man te dronken, een gezicht te gedrongen. En hoe dit te verklaren dan door te verwijzen naar een essentie? ‘Maar wat dan met deze aantekening?’ hoor ik u denken. U hebt gelijk, ook deze aantekening overschrijdt de grenzen van haar eigen wezen, laat staan van de betamelijkheid. Dat gaat maar door en door.” En het scribbelaartje maakte er komaf mee, streek languit neer op de bank waar hij, in afwachting van het tijdstip om te gaan slapen, aan niets probeerde te denken, al zeker niet aan het moment waarop hij de dag nadien in zijn Opel Corsa onder een bedrukte lucht naar het gemeentehuis zou rijden, waar zijn aanstaande echtgenote, bruidsboeket in de aanslag, hem met blozen en schreeuwtjes van geforceerd geluk zou opwachten zodat hij eindelijk zou doen wat hij al zo lang had moeten doen. Het bezegelen van het verbond. Hier en nu en tot in de eeuwigheid.   27/7/2021 Ik lig in bed, maar ben al lang wakker, denkend aan een deprimerend boek waarin het hoofdpersonage na 750 pagina’s, geplaagd door allerlei trauma’s, zichzelf van het leven berooft. Ik sta op en hoor mijn dochter roepen dat ze wakker is. Ik vraag aan mijn vrouw of haar kleren voor de eerste dag van het kamp klaarliggen. Tijdens het ontbijt blijft mijn hoofd hangen in de treurige nevelen van de gelezen roman en allerlei existentiële vragen. In de taal van mijn vrouw zegt mijn dochter dat ze niet naar het kamp wil: "Я не хочу ехать в лагерь." Het Russische woord voor kamp is Lager. Je zou voor minder terugdeinzen. Omdat mijn vrouw het spannend vindt, gaan we met z’n vieren. We nemen de tram en moeten de kinderwagen optillen wanneer de roltrap het niet doet. Het afscheid is kort. “Dag, meisje,” zeg ik nog, wanneer ze op het punt staat met de begeleidster door de deur naar binnen te lopen en ze draait zich om en kijkt me beteuterd aan. Ik had niets mogen zeggen. Op de terugweg zet de jongste het op een luid krijsen. Ik wist dat het een vergissing zou zijn om haar mee te nemen en kan het niet laten om verwijten te maken. Mijn vrouw begint te huilen en nog sneller te wandelen dan ze al deed. Ik word boos. Tegen de tijd dat we thuis zijn hervind ik mijn kalmte. Ik haal onze dochter uit de kinderwagen en troost haar. Ik excuseer me. Ook mijn vrouw excuseert zich. Om 10.30u kruipen we weer met z’n drieën onder de lakens. Energie voor een volledige dag opgebruikt.   27/7/2021 Colombia. Echt gebeurd. Voor haar verjaardag gaat een vrouw met enkele vrienden bungeespringen. Ze staan op een brug boven een ravijn. Op een bepaald moment geeft de instructeur het signaal om te springen. De vrouw stort zich in de diepte. Wat blijkt: de vrouw heeft zich vergist, het was haar beurt niet, de instructeur had het tegen iemand anders uit het gezelschap. Dit realiseert ze zich zo’n vijftig meter boven het aardoppervlak, wanneer ze eveneens begrijpt dat ze met touw noch haak is vastgemaakt.   29/7/2021 De oudste ligt in bed en blijft maar huilen en klagen. Ik ga de trap op, doe in de badkamer mijn lenzen uit en raak geïrriteerd door het aanhoudende gejank, straks maakt ze de baby wakker. Ik storm haar kamer in en zet het op een roepen. Ik zie haar beteuterde gezicht met de grote vochtige ogen en heb in één klap spijt van mijn boze reactie. Een kind dat bang is de daver op het lijf jagen, wat een idee. Ik vraag wat er scheelt, oprecht. Zij is nog te jong om uit te leggen. Ik aai haar rug, haar arm, ga naast haar liggen, hopend dat dit soort uitvallen niet in haar geheugen gegrift blijven. We vallen samen in slaap.

Kolja en de kutregen
18 1

Vertel nog eens iets

Het is nog maar een fenomeen van de laatste jaren. Een uitzwaaifenomeen zou je het kunnen noemen. De mannen gebruiken de kapstok niet langer waarvoor deze ooit met veel liefde aan de muur werd vastgemaakt. Al had ik indertijd lichtjes fout geboord en hing de kapstok in eerste instantie zo scheef dat het kleingeld uit mijn jaszak viel. Maar dat is ondertussen in zijn geheel hersteld. Ik steek het kleingeld voortaan in mijn broek. Het fenomeen is opvallend. Naarmate het ouder worden hangen ze hun jas bij het binnenkomen alsmaar vaker op een stoel in de woonkamer. Snel de jas erop hangen om hem er even snel af te kunnen nemen. Geen tijd te verliezen. De stoel is voor het komen en gaan. De kapstok is om te blijven. "Ge staat precies al op vertrekken", was de uitdrukking van ons ma als ik in het ouderlijk huis op dezelfde manier mijn jas op de stoel hing. Want ik kom mezelf voortdurend tegen. Alsof je in een tijdmachine zit. Maar je kan het niet forceren. Je kan ze niet persoonlijk aan de kapstok hangen als blijvertjes. Noch de mannen, noch hun jas. "Alles heeft zijn tijd", heb ik vader ooit in een filosofische bui horen zeggen. Een zin die ik op mijn beurt tegen mijn vrouw herhaal, als we weer eens alleen voor de buis zitten. "Alles heeft zijn tijd." En er vervolgens aan toevoegend: "Trouwens, met twee is niet alleen." "Ge zijt precies weer in een filosofische bui", zegt ze dan. Toch hang ik hun jas soms onopvallend terug aan de kapstok, als ze even niet opletten. Als ze dan op vertrekken staan, zie je ze kijken en zoeken. "Hey, waar is mijn jas naartoe? Had ik die toch aan de kapstok gehangen?" "Vertel nog eens iets", zeg ik dan.

Rudi Lavreysen
7 1

kaal

Een meisje met blond haar zette zich naast een vrouw met een glad hoofd. Ze zaten een moment als twee wasmachines in een wasserij. Gedachtes dat maalden, schuimden en zoemden. De sandalen van het meisje wiegden heen en weer.'Wat betekent terminaal?' vroeg ze. 'Dat betekent zoiets als definitief en voor altijd.' Ze trok grote ogen. 'Eng.' 'Ja.' Beaamde de vrouw. Ze maalden verder in stilte.'Wat is jouw naam?' vroeg de vrouw tenslotte. 'Mathilde,' zei het meisje. 'Wat een toeval, ik ook.' 'Echt?' Ze knikte. 'Ken je bugs bunny, Mathilde?' Het meisje schudde haar hoofd en kamde de wilde haren van haar gezicht. Haren waar de wind mee speelde. 'Bugs bunny is mijn grote held. Hij is nooit bang, altijd zelfzeker. En hij is iedereen altijd te slim af.' 'Die ken ik niet,' zegt antwoord ze. 'What's up, Doc?' Zegt de oudere Mathilde. Dat doet het meisje lachen. Ze probeert de zin zelf uit. Als voor het eerst iets nieuws proeven. 'What's up, Doc?' Beide Mathildes giechelden als meisjes tijdens een pyjamafeest. De oudere Mathilde deed alsof ze op een wortel knabbelde. 'Ehh.. What's up, Doc?' 'Waarom ben je kaal?' de vraag zat al even in de mond van het meisje. Al van toen ze de vrouw op het bankje zag. 'Valt het je ook op dat in films niemand ooit een kwaal heeft?' Zuchtte ze. 'In films is iedereen zo perfect.' 'Waarom?' vroeg de jonge Mathilde. 'Omdat het niet belangrijk is voor het verhaal.' zei de oudere. Ze zwegen voor een tijd. De voeten van het meisje wipten een tijd op en neer. Toen werden ze stil. 'Wat is jou verhaal?' vroeg het meisje toen. 'Waar is je haar?' 'What's up, Doc?' antwoordde Mathilde. Het meisje kruiste haar armen. 'Goed als je het niet wil zeggen.' 'Waarom ben jij hier?' vroeg de oudere Mathilde. 'Dit is geen plek voor kleine meisjes.' 'Als jij het niet wil zeggen, ik ook niet.'Het meisje stapte op. Haar haren golfden in de wind. Een kwartier later kwam ze terug langs de bank, ze hield de hand vast van een dame dat ongetwijfeld haar moeder was. Haar moeder had een bolle buik. Toen ze langs het bankje passeerden zeiden ze beide nog eens; 'What's up, Doc?'

Stelselmatig
0 0

Aantekeningen uit een badkuip

25/6/2021 Ochtend vreest dat ze zwanger is misselijk als een hond getest We zijn negatief maar niet gerust Ik hoor hoe ze autosleutels voordeur vertrekt Blijft Het gegons van ventilatie En een kind dat ontwaakt in de kamer hiernaast   26/6/2021 Soms maken mensen je pisnijdig. Mijn vrouw vertelt over een Russische meid. Haar ouders hadden het niet breed. Vier keer per week kleedde haar vader, een voormalig balletdanser, zich als Peter De Grote en ging voor de Hermitage op de foto met toeristen. Op een dag besloot de meid te trouwen. Haar ouders, voorkomende mensen, hadden haar gevraagd om het sobertjes aan te doen. Zij, op haar beurt, had hen erop gewezen dat ze het recht niet hadden de dromen van hun enige dochter te verpesten. En dat met haar vrienden van Petersburg naar Sotsji vliegen om daar een Yacht te huren die twee dagen lang als decor kon dienen voor een klein doch fijn vrijgezellenfeestje toch wel het minste was waar ze op mocht rekenen. Op het moment dat mijn vrouw dit vertelt dobbert de meid rond op de Zwarte Zee. Ik zie haar voor me in een zwarte bikini, een joekel van een zonnebril boven haar getuite lippen en een cocktail in de hand. Ik zeg aan mijn vrouw dat de ouders maar niet zo stom moeten zijn. Mijn vrouw vraagt me waarom ik nooit eens wat begrip kan opbrengen. Ik zucht en ga kijken naar een lieveheersbeestje dat net is komen aanvliegen op het balkon. Ik zie hoe het insect zich geleidelijk een weg naar boven baant, hoger en hoger in de klimop, waar het zich uiteindelijk stort op de piepkleine bladluizen die aan de onderkant van de bladeren stil en roerloos hun onvermijdelijke einde afwachten.   28/6/2021 Ergernis. Namiddag bij mijn moeder doorgebracht. Voortdurend op de lippen bijten en ik weet niet waarom. Wellicht omdat er voor haar maar één juiste manier van leven is. Correctie, wellicht omdat dit vandaag mijn manier van leven is. Soms kan ik mezelf niet in de spiegel zien.   29/6/2021 Ik schraap de ontbijtresten van de vloer, wanneer mijn vrouw vraagt of ik de kleinste neem. Ze paait me door te zeggen dat het kind snel zal slapen. Ik kijk naar buiten, inspecteer de wolken, neem mijn notitieboek en waag het erop. Onderweg barst ze los. Onder een berk probeer ik haar te sussen. Hopeloos, ze spuwt haar speen uit en brult in mijn gezicht. Na een half uur geef ik het op, leg haar in de kinderwagen en loop verder. Uiteindelijk sluit ze de ogen. Ik breek mijn hoofd over de esthetische kwaliteiten van het woekerende kruid naast het pad. Vraag me af of het mooier zou zijn de uitwassen in toom te houden. Beknotten of niet, een vraagstuk waarbij de juistheid van je antwoord maar blijkt lang nadat je het hebt gegeven. Ik duw op de rem en ga zitten op een bank aan het water. Het zwerfvuil dwingt me om voorzichtig positie te kiezen. Naast mijn voet doet een vlieg zich te goed doet aan verse vogeldrek, ongetwijfeld een van de meeuwen boven onze hoofden. De uitwerpselen lijken op een spiegelei – met een aangekoekte witte rand en een lopende kern van oker. De strontvlieg doet haar naam alle eer aan. Tegen de achtergrond van de nieuwbouwwijk waar vorige week een school is ingestort geeft een zeiler het beste van zichzelf. BEL 121. De nationaliteit waarnaar de vlag verwijst miskennend, staat er een Duitse scheper aan het roer. Ik neem wat notities, zie hoe het kind zich verroert, ga naar de bakker en koop een taart. “Iets te vieren?” vraagt de bakker bij het afrekenen.   1/7/2020 Ik schiet wakker ziek Zuur in de buik En lucht in de keel Probeer ik uit mijn short Op te staan en word verrast door Drie boeren die rammelend mijn binnenste verlaten. Ecco uomo: ballen bloot sta ik als bevroren in het donker lucht te braken.   Vrouw en kind slapen gelukkig In de keuken In de zetel Ga ik cultiveren Lijst met mijn gebreken.   Ik vind een schriftje gekocht in Tate Modern Herinner me uitgekookte feministes Aan wie ik niets had durven vragen Als cadeau aan mijn vrouw van vier weken En beloftes om het kanaal over te steken.   2/7/2021 Boem. Paukenslag. Kut. Ik kijk op uit mijn Bezette Stad en vraag wat er scheelt. Geen antwoord. Ik ga kijken. Ze staat met tranen in de ogen in de keuken, de dampkap op volle toeren. Ze heeft gebeld met het consulaat. Ook deze zomer zal het er niet van komen. Ze zal haar familie niet zien. Dat ik niet in Petersburg zou geraken, wisten we al langer. Nu blijkt de trip ook voor haar niet weggelegd. Plots strekt de zomer zich lang en leeg voor ons uit. Ik bedenk dat de crèche binnenkort sluit. Drie weken voltijds op de kinderen letten. Ik sluit me op in het toilet, hoor mijn tanden knarsen.   3/7/2021 Mijn kind, mijn dochter, Amper drie maanden oud, We hebben ontdekt dat jij Je door iedereen sussen laat, Maar wee, je oude man, Als hij je wiegen waagt, Dan schreeuw je het uit Alsof magere Hein zelf je belaagt.   5/7/2021 Niet veel gebeurd. Ik beschuldigde mijn vrouw van een verloren sleutel En vond ‘m wat later in mijn broekzak. Ik spotte met haar manier van dweilen Omdat ik zelf te veel zeep bij het water deed. Ik bood haar mijn excuses, Maar wist niet wat we er verder mee moesten.   6/7/2021 Flaters rechtzetten, hoe doe je dat? Ik ga voor cider, zeebaars en zonnebloemen. Aan de kassa gaat het traag. Er zijn niet veel klanten – wie gaat er nu om 9u naar de winkel? –, maar de klanten die er zijn hebben hun winkelkarren goed volgestouwd. “Die verdomde codes,” moppert de winkelbediende binnensmonds, wanneer ze er niet in slaagt om mijn passievruchten te scannen. In de volgende rij werkt het geluid van de scanner niet. Ter compensatie lijkt de kassier af en toe te knipogen. Hij doet dit neutraal, zonder glimlach, alsof zo vereist door de maatstaven van zijn professionaliteit. Op weg naar de uitgang loop ik achter twee vrouwen. Een kleine, bleke vrouw met blauw haar en een lange paarse mantel. Een knuffel komt uit haar jaszak piepen. Een lange, magere zwarte vrouw met een leren jasje. De eerste vrouw heeft vooral frisdrank gekocht, een winkelkar met plastieken flessen in alle kleuren. De tweede vrouw heeft vooral weinig gekocht. In de parking zie ik vanuit mijn achteruitkijkspiegel hoe de grote vrouw de kleine vrouw optilt en vastgespt in de chauffeursstoel. Wanneer ze vertrekken, merk ik dat er iets op de grond is blijven liggen. Ik plaats de knuffel naast me op de passagiersstoel en start de motor. Wanneer ik de parking verlaat kruis ik de vrouwen die in allerijl komen aangereden. Zonder verpinken duw ik mijn gaspedaal nog wat dieper in. Gelukkig is niet alles wat ik schrijf waar. Ik zou nooit om 9u naar de winkel gaan.   7/7/2021 Dat schrijven dingen kan weergeven – wie, wat en hoe, zoals in “de man werd meegezogen door het kolkende water toen hij tijdens een storm aan het snoeien was” – dat geloof ik nog wel. Of het je ook, zoals men soms beweert, zaken kan leren, dat weet ik nog zo niet. Stel: Je hebt een moeder. Je moeder is fier op jou, ziet jou en je kinderen graag, is altijd bereid om in te springen met huishoudelijke taken en de kinderen. Ze is, kunnen we wel zeggen, een goede moeder. En toch lukt het jou de laatste tijd niet om bij haar in de buurt te zijn. Je mijdt oog- laat staan fysiek contact. Je houdt je antwoorden zo kort mogelijk, net als je bezoekjes. Je doet angstvallig je best om elke emotie te verhullen. Na afloop van iedere ontmoeting voel je je schuldig, schuldig omwille van de negatieve gevoelens die je koestert, schuldig omwille van de verwarring en de vragen waarmee je je moeder opzadelt. Je wil weten waarom het zo misgaat, misschien kan je er iets aan doen. Misschien kan je wel een betere zoon zijn. De vraag is: kan schrijven je zoiets leren? Let wel, ik schreef hierboven “stel”. Het is niet zo dat ik zelf last heb van dergelijke verstoorde moeder-zoonrelaties. De casus dient louter om de theoretische vraag concreet te maken. En terwijl ik dit alles bedenk, neem ik mijn snoeischaar en waag me in de tuin, waar de regen harder en harder klatert op al dat ligt en staat.   8/7/2021 De oudste dochter is thuis. Ik lap een schuifraam, Herstel het traphekje, Maai de voortuin, Retourneer een regenjas, Rij naar een gesloten carwash, Koop een wilg op de terugweg, Bereid tortilla’s op gekende wijze En vloek op veel te kleine schoenen.   Al deze activiteit ten spijt, Voel ik me niet bevrijd Integendeel, Wanneer mijn vrouw naar me kijkt – vanuit de met speelgoed bezaaide woonkamer – Dan verdenk ik haar ervan Mijn rekening te maken En te concluderen dat ik niet voldoe, Ook al beweert zij het tegendeel.

Kolja en de kutregen
35 0