Lezen

Tip

Een lange dag

Het is niet een geschikte ochtend om te verdrinken, al is natuurlijk geen enkele ochtend daarvoor geschikt.   Schuifelend over de loopplank voel ik naar het eind. Opvallend dat je geblinddoekt beter ruikt, zonder moeite onderscheid ik de zeegeur, mijn zonnecrème en flarden oleander van de struiken een paar kilometer verderop. “If wind is west, you smell olandre bushbush,” zei de beheerder bij aankomst. Nooit gedacht dat het zover zou dragen.    Mijn rechter grote teen herkent de rand. Mijn linkervoet houd ik achter, ik sta met de hielen tegen elkaar, als een balletdanser in een plié. In mijn achterhoofd zegt mijn nichtje: “eerste positie”, zal ik mijn knieën buigen met mijn armen netjes voor mijn borst? Zelfs nu speel ik de showman. Ik reik met mijn hand naar mijn ogen en wrijf met mijn duim de blinddoek nét voldoende omhoog om te zien waar ik val.     Een eerste aftastende prik in mijn rug herinnert mij aan de reden dat ik hier sta, de tweede prik duwt mij over de rand. Bij het ontbijt zwaaide ik met de folder en zei dat we over een uur het ruime sop zouden nemen. Jelka en ik definiëren spontaniteit anders. Zelf benadrukt ze dan: “zorgvuldig zijn,” “grenzen bewaren” en “eerst denken, dan doen”. En ja hoor: ze ontplofte als vanouds. En Rens? Zodra hij het jeugdjournaal herinnerde over piraterij en gewapende mensensmokkelaars op de Middellandse Zee, volgde hij zijn moeder.   Rens kreeg ik naar de haven met de belofte dat hij direct bij terugkomst, de piratenset kreeg uit het winkeltje in het dorp. De eerste keer dat we langs de etalage liepen zag hij tussen de emmertjes en bodyboards een rood-zwarte piratenpet met een plastic zwaard en handhaak. En hij was verkocht. Jelka haar onrust over de zeewaardigheid van de boot en mijn gebrek aan navigatiekunst was moeilijker af te kopen. Ze kwam, en daar was alles mee gezegd. Ze keek donker, het maakte haar irritant én onweerstaanbaar mooi.   ‘Gecontroleerd?’ Jelka vroeg het met een combinatie van wantrouwen en “ik ben beter.” Als hoofd van het microbiologisch laboratorium van “Gentiar Medicines”, stelde ze altijd zo vragen. Voor dit type baan was ze ontworpen, jammer dat het ontwerp in ons privéleven ook doorwerkte.   ‘Gevraagd.’   ‘Nee, dus.’   ‘Dimitrios, enough gaz?’ riep ik en wees op de grijze buitenboordmotor.   ‘No to worries mister,’ zei Dimitrios, hij krabbelde door zijn grijze borsthaar boven zijn oliebevlekte overhemd. ‘I fill up myselfly.’   ‘Je hoort het,’ zei ik.   Ze veegde een van haar eeuwig verende rossige krullen uit haar gezicht en snoof op de manier waarop ze haar ondergeschikten angst aanjaagde. Ze legde onze tas met zwemspullen en Rens zijn snorkel in de boot.   ‘Wat doe je, ronddobberend midden op zee, het wordt nacht en jij hebt geen idee waar de haven is?’ vroeg ze.   ‘En de piraten van het jeugdjournaal?’ vroeg Rens.   ‘Als iets gebeurt,’ zei ik, ‘doe ik een hele dag wat jullie willen.’   ‘Je hebt niet eens een vaarbewijs,’ zei Jelka, ze pakte een reddingsvest en trok deze over Rens zijn hoofd. ‘We zijn net gek.’ Een lichte tik tegen mijn achterste meldde dat het goed begon te komen. ‘Voldoende benzine?’ De priemende ogen waarmee Jelka mij in de nutteloos geworden stuurmansstoel duwde maakte haar ravissant, helaas niet geschikt voor een relaxte vakantie. ‘Mijnheer hoefde niet te controleren.’   Ik wees naar de horizon, in de verte schemerde ons eiland in een licht dat alleen hier lijkt te schijnen en pas zichtbaar wordt zodra anderen niet kijken. ‘Kijk en geniet, dit zie je alleen op reclames van een dure auto.’ Ik woelde door de haren van Rens. ‘Let op mijn woorden, jongen, Dimitrios zoekt ons al.’ Ik wees iets rechts naast de kerktoren van ons dorp. ‘Zie je ons appartement? Vlakbij het strand en die lichtjes.’   ‘Alsof Bob Ross zijn kwast tegen het doek heeft gekwakt,’ schamperde Jelka.   ‘De piraten komen,’ zei Rens. ‘Net als op het jeugdjournaal.’ Hij leek niet meer op de stoere kapitein van een uur geleden die het roer bediende en de koers bepaalde. Hij was een trillend jongetje van tien verdrinkend in zijn zwemvest.   ‘Niets aan de hand, dat is tv,’ stelde ik hem gerust.   ‘We varen langs de vluchtelingenroute,’ fluisterde Jelka. ‘Tussen Griekenland en Turkije is die rapportage opgenomen.’ Ze glimlachte stoer naar onze zoon. ‘Hier dus,’ siste ze me toe.   Ik wees Rens de contouren van heuvels en stadjes in het verdwijnende licht.    Een zwaarder wordend geronk liet Rens zijn hoofd omdraaien.   ‘Kijk,’ riep hij, ‘zie je!’   Een zwarte stip veranderde in een grijze streep en transformeerde verder naar een roestig schip. Het minderde vaart en scheerde langs, de hekgolf schoof mij uit de stuurmansstoel. Een dieselwalm plakte over onze boot.   In de vage schemer keek een gebarsten gezicht over de reling. Zijn vier vrijwel-niet-zichtbare tanden, rammelden.   Rens zei: ‘Het is die van het jeugdjournaal.’ Hij dook diep bij Jelka weg.   Ik haalde de pikhaak uit de klemmen aan de zijkant van de boot en maakte mij breed.   ‘Doe niet zo gek,’ zei Jelka, ‘wat begin je daarmee?’   Vanuit het schip klonk gelach en een zoeklicht scheen mij zowat omver. Iets ratelde en ons bootje schudde zo dat ik bijna overboord duikelde. Rens rent naar de rand van het zwembad. ‘Je keek,’ roept hij. ‘Nog een keer.’ Hij schuift zijn piratenpet schuin op zijn hoofd, zet een hand in zijn heup en wijst met zijn plastic zwaard naar de duikplank.   ‘Een keer is voldoende,’ zeg ik.   ‘Je beloofde de hele dag,’ roept Jelka van haar ligbed. ‘Ik zei nog: controleer de benzine. Gelukkig kwam die vissersboot langs.’ Ze neemt een slok van haar Ice Tea en leest verder in het julinummer van “Applied Microbiology and Biotechnology”.   ‘Ar Ar,’ zegt Rens met een piratenstem en draait zijn zwaard langzaam in kleine cirkels. Hij zakt door zijn knieën en vist met zijn haakhand de theedoek van ons appartement uit het water. Fel pletst hij deze in mijn gezicht. ‘En je blinddoek oplaten, landrot!’   Het wordt een lange dag.

MCH
102 2

Kamperen

Het komt weer op televisie, het veel gewaardeerde programma dat voor veel mensen ook een guilty pleasure is, “We zijn er bijna”. Over de senioren die in een groepsreis door een bepaald land in Europa trekken. Ik moet zeggen, ik vind het ook altijd weer geweldig om naar te kijken. In de jaren dat mijn maatje en ik nog niet naar de Ardennen gingen maar diverse campings in Europa aandeden, zagen we ook regelmatig deze groepen kampeerders komen en gaan. Het begon natuurlijk al met de kwartiermakers, de reisleiders. Een kwiek echtpaar, zelfverzekerd, met een goed onderhouden kampeermiddel, vaak een grote caravan en een dito auto. Hij in een polo met de kraag omhoog, zij met een zijden sjaaltje. En natuurlijk gewapend met een enorme map. De plaatsen werden bekeken en ingedeeld en op het moment dat de volgzame groep arriveerde, was alles al tot in de puntjes voorbereid. En wij gingen dan stiekem kijken wat er op het grote whiteboard geschreven stond, dat prominent bij hun caravan was geplaatst. Als ze bij elkaar stonden, was er ook vaak een grote banner aanwezig met de naam van de caravanclub erop. De groep bestond meestal ook uit een aantal stereotypen. Je had de luidruchtige lolbroek, het timide echtpaar dat nog een beetje opkeek tegen de reisleider, de ongevraagd behulpzame. Alles was vertegenwoordigd. En mijn maatje en ik genoten. Vooral als het dan wat later op de avond werd en de mensen die met de grote jongens mee wilden doen wat te diep in het glaasje hadden gekeken en een aantal scheerlijnen over het hoofd zagen. Wat hen dan weer op een gefluisterde reprimande van het echtgenotes kwam te staan.  Na een paar dagen pakte het hele spul alles weer in en vertrok naar de volgende stop. Vooruitgegaan door het kwieke echtpaar en uitgezwaaid door mijn maatje en mij. Wat ons ook niet altijd in dank werd afgenomen, ik denk dat sommigen in de gaten hadden dat ze voor ons een bron van vermaak waren. Hoewel ik me best kan voorstellen dat het voor veel mensen heel fijn is om zo met een groep te reizen, moet ik er persoonlijk echt niet aan denken. Dat andere mensen uitmaken waar je staat en hoe je dagindeling er uit ziet. En dat je soms ook “een middag vrij” hebt. Hoezo, vrij, ik heb toch vakantie. Nee, onze kampeervakanties waren altijd zo relaxed mogelijk, we hielden zo min mogelijk rekening met het programma van anderen. Heerlijk. En dat we daar niet mee op televisie kwamen, ach, dat namen we dan maar voor lief.    

Machteld
0 0

De geldverdiener

Je ligt naast me en slaapt. Zo gaat het vaak de laatste tijd. We praten dagenlang, terwijl je eigenlijk van de Grote Baas slapen moet. Je stort je hart leeg en dan ben ik aan de beurt. Maar terwijl ik fluister, luidop droom en ons Zijn benoem, dommel je stilletjes weg in het donker, zonder dat ik het weet. Hoe lang is mijn monoloog al een monoloog? Een paar minuten? Een leven lang? Maar ik neem het je niet kwalijk, liefje. Vechten tegen de slaap is een verloren strijd.  Ik heb je zo graag want bij het ochtendgloren vang je die strijd weer aan. Je ogen breken open, het zand brokkelt af. “Slapen moet je”, bromt Hij met zijn donderstem. Maar je blijft wakker voor me, gewapend in een harnas van dons en veren. En dat allemaal voor mij. Ik maak kruimels in het bed en luister je arm. In een vorig leven speelden we ‘Lach Je Rijk’, alsof het allemaal zo simpel was. Verdienen moet je. Ogen toe!    Ik ben doodmoe, maar mijn taak is wakker blijven. Een Wachtposter, dat ben ik. Maar in feite ben ik een muurbloem, een stilteling, die enkel praten tijdens het ronken kan.  We troffen elkaar bij een wissel van wacht. Ik moest in je bed te kruipen, jij op de Klapstoel Naast Het Bed. Dat is niet gelukt, want bewonderen, dat deden we en voor we het wisten, was de Wissel voorbij. Kans verkeken, maar niet echt, want ik heb jouw stem en open ogen toen ontmoet. Die dag heb ik leren luisteren.  Dus zo is het gebleven: jij in het Bed der Verdienste, ik op de Klapstoel van wacht. Beter zo, want -ook al doe je je uiterste best- je ogen zijn geen kei in zich te sperren. En ik voor mijn part ben slapeloos en prevel graag pas als jij slaapt. Je beloofde elke morgen even te ontwaken. Dan gaf ik je de vloer en kreeg mijn gedachtegang een vakantiedag. Zo werden we een tweekoppige praatgroep, in het geheim achter de rolluiken bij bed zeven van slaapzaal acht.  Na jarenlang gesnurk en eenzaamheid hebben we dus iets om naar uit te kijken: jij die uit alle macht jezelf wakker strijdt en ik die luister, luister tot het tijd om te spreken is. Dan dommel jij weer in, maar dat boeit me niet. Jij praat je arm baby boy. Ik luister me rijk. 

Ynys Convents
5 0

Verboden kleuren

Zijn ziel verwelkte in een kist van vlees, dat diep wegzonk in een blauw moeras. Dit moeras geurde naar de roze dieptes van een zoet lichaam.   Zijn lichaam, die alles omsloot, spande over dit hele 3D schilderij heen. Helemaal rond de zuurblauwe globe. Over het land vouwde de buik zich en over de rode zee het dijbeen. Zijn huid hield van spannende sferen. En ze brachten hem naar walhallarijken met verboden kleurengamma's.   Zo ook zijn geest die door tijd en ruimte zich verder uitrekte als een elastische merkwaardigheid. Het verbleekte, vergat en kreeg blanke vlekken. Ze werden gaten en begonnen meer en meer open te gapen. Daar zaten zijn dromen in vastgespeld.   Er brak een spiegelruit in zijn zuurblauwe ogen. Hij keek naar boven. Wolken van zoetsappige dromen, wolken van beton. Draaide er -toch waar het kon- er krulspelden in.   Hij sloot zijn ogen weer. In zijn oor hoorde hij gefluister. Van de man die leek alsof hij kwam uit romantisch duister. Romantische duistere sferen, tussen twee gekleurde werelden.   De andere wereld is kouder. Vol radioactieve affaires tussen chique dames en hoge heren. De dames hun ziel is uitgehold en de hoge heren, van hogere chiquere sferen, willen niet wéten van evolueren.   Zij blazen een koele zwijgzaamheid over de oppervlakte. Door de krappe scheve sloberige stegen de dieperik in. Recht in de diepte van een zoet roze lichaam [giechelt], dat ligt te rusten in een blauw moeras. Het lichaam houdt onder zijn oksel een kist van vlees vast.   De hoge heren, met hun klassieke en conservatieve sferen, blazen nog één keer hun stille kille commando. Bedekken alle sporen van diversiteit onder een dikke laag onrust. Zodat er verboden kleuren zijn. Huid als donkere karamel of geurend ebbenhout.   Maar het roze lichaam verbrak elk stukje censuur. Hij verbrak de regel want hij had al die tijd liggen te wachten op een man die kwam uit het duister.   De man was de arcering van het universum. Een kind van de wereld, de tijd, de ruimte, de liefde, de wetenschap en in naam van onze vader. Een kind geboren uit zoete inkt.   Met een verboden kleur volgens de hoge heren. Het middelpunt van hun pupil, een lichaam van hermatiet en zwarte bessen gelei, dat zo zelfverzekerd is dat het meer dan hun persoonlijkheid blinkt. Het wandelde over deze zuurblauwe modder recht de armen van een roze reus in. En zo puzzelde ze hun genegenheid bij elkaar. Zij bewaarden tussen hun lichamen in liefdesvuur. Achter hun watertatoeages bonkte een warm hart als een bendir. In hun buik beleefde ze opspattende lava, en de erotische magma die naar de diepte zonk... 'Breng me naar hogere sferen.' zei de man met het zoete roze lichaam tegen de man van het duister.   En zo vergaten ze de verboden kleuren. Deze twee heren, kusten daarom elkaar achter gesloten muren, van zilver en regenboog veren, ergens in een zwijgzaam blauw moeras, verdwijnend in het duister...   Dus open je ogen, spreek die wijze woorden uit en laat je kleuren zien (!)

Andrea Derese
32 0

Larven voor de specht

  Bloemen zitten zomaar vast aan stengels van het groen en op een tak zit de kameleon een kleurtje te bedenken voor een grauwe dag. Als ik even vallen mag, hetzij uit klamme lucht of uit de rede, onderbreken mag de tijden met een kille rand. Ik wil je bellen, schat, een stroomstoot voelen door die kabel, weten dat het mag. Het is de waarheid van een blinde koe. Het zijn mijn vingers die het dachten en gewaarwerden. Alles was er averechts en door een kwakkel aangesloten op een net van onfortuin. Liep er al lang een leiding door de straten van het ongehoorde? Smeerpijpen. Sifonputjes. Ze zaten vol, denk ik, met larven van malaise en ik heb ze ooit gedragen, afgestaan, te vroeg geboren lichaampjes met in hun ruggenmerg al sporen van geluk. Nektar, celdonoren, overschot aan sperma van een okapi. Het stond daar in een krantjesrand gekribbeld door een zieke luis die wachtte op een dokter met een derde oog waarmee hij hachelijke kwalen ijlings onderscheiden kon. Ik denk sindsdien het liefst aan niets, aan lege visbokalen. Liefste, kan ik zomaar omkijken, jouw krullen in de verte zien, die haren vol met vlinders? Zijn de verhalen die ik voor je droom wel sterk genoeg, of is het water voor de blaren al voorzien nog voor het vuur mijn handen voelt? Gisteren heb ik nog gesproken. Ik durfde. Het was tot een schijn van betere dagen en ik kon ze horen in de verte. De woede van een ekster in een kooi van zilver en de specht hij tokkelde. Signalen in een taal voor ingewijden. Amoureuze morse. Ik wil nochtans terug. Er zijn die wrede treden, glad en ongerangschikt. Het is een touwladder en hij gelooft. Zo ook de boom, de hut. Het touw zal ooit gebruikt worden. Om af te dalen. Doch. Ik weet niet eens of er een bodem is, de stam niet uit een kerker groeit. Of kom, mijn lieveling. Naar hier. Dit bos. Los geraken moest ik van de steden, al te vaste wegen, weg van die wagons beladen met ontvreemde hoofden. Ginds was het. Op sporen met dat hard motief. Intussen, schat, ben ik echt alles kwijt. De troost die zich in mondhoekjes verscholen hield. De hoop die in je ogen sliep. Als ik de zon vertel, hoe jij met warmte strooien kon, ontzegt hij mij bij dag, zomaar het licht en vraagt me waarom ik, diep in mijn hart, een regenboog verberg.     uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
3 0

Jonathan Jonckheere

Jonathan Jonckheere heeft een winkeltje met jojo’s, jongleerobjecten en lege yoghurtpotjes. Achterin het schroomvallige pand staan nog altijd drie machines, wordt er zelden nog gewerkt. Het zijn een draaibank, lintzaag en een hydraulische pers. Het huis is niet bijzonder en Jonathan leeft doorgaans eerder stil. Hij eet, hij knabbelt aan de tijd, hij drinkt een Bass Pale Ale of water, mijmert en vier ledematen heeft hij van gewone lengte, best normaal, van vlees en bloed. De botten in zijn lijf zijn ongebroken, helemaal tot hier geraakt. Ze zijn intussen wel verknocht aan ochtendgloren en de stralen van een milde zon. Er hangt dan ook een bordje. Open als het regent, als de wolken grauw, of grim, of grijs dreigen te zijn. Niets is nog echt, ook niet met bedoelingen. De klanten met hun circustrucjes, vragen over zwaartekracht en deviatie, ze komen nog, zo vaak als tweelingen geboren worden in een stal te Betlehem. De kans op beterschap, de dansjes van het ongewisse blijven ongezien. En heel misschien. Wanneer de voorstellingen uitverkocht zijn in dat hoofd, alles onverhoopt zijn plaats vond in een potje, in de vorm van blijdschap uitgezaagd kon worden. Dan zit hij op het dak. De glimlach van een vogel is onzichtbaar rond zijn bek. Een tol voor een kind. Een touw voor een ruk of een knoop rond de nek van een angst, de twijfel of hij spreken kan tot haar, de aarzeling. De rekjes liggen vol met dergelijke zaken, goochelinstrumenten, bibelotjes en onzichtbare verlangens. Wie ze aanraakt is gezien, kan proeven van het stof. Ofschoon. Hoewel. Jonathan, hij is zo gek nog niet. Hij kocht planeten van een Kleine Beer en reist al vele jaren ongestoord, wanneer het dak te laag is om te springen, terwijl de speeltjes voor de geest en zijn begoocheling zich liggen te vervelen. Als de mensheid moe is, Jonathan zijn laatste slaap verkocht heeft aan de strompelende onrust die deur vond van zijn winkeltje. Dan heeft altijd ergens wel. Nog vleugels liggen voor een ongeboren droom en weg is hij. Tot hij weer vallen zal.     uit de reeks 'Kleinood'

Bernd Vanderbilt
6 0

Eldorado

Het café Eldorado verbergt zichzelf achter een met glas omgeven façade. Met wat fantasie zou je het geheel een veranda kunnen noemen. De bordjes van biermerken verdonkeremanen de rest van de gevel. De gekleurde deurlinten wiegen zachtjes op en neer op het ritme van de wind.  Gezeten op een plastieken stoel zit Marianne. Sinds 55 jaar de bazin van Eldorado. Het paradijs voor motards, drankzuchtige loonwerkers en kaarters. Voor haar staat een half leeg glas VAL limonade. Haar zoon Oswald, inderdaad genoemd naar de moordenaar van John F. Kennedy Lee Harvey Oswald, krasselt wat achter de toog. Hij bevindt zich al zijn hele leven in de stilte voor de storm. Stilaan daagt het hem dat de storm zal uitblijven. Marianne heeft altijd al een zwak gehad voor mannen met een hoek af. Toen ze eind 1963 zwanger bleek wist ze onmiddellijk hoe ze haar kind, indien een jongen, zou noemen. Indien een meisje had ze trouwens ook niet getwijfeld.  Af en toe passeren er wielertoeristen. Gezonde mensen die fitheid etaleren en scherpte hoog in het vaandel dragen. De steenweg voor het café die dit stuk van de Vlaamse Ardennen door twee splijt is niet de meest dankbare maar wel een noodzakelijke weg voor wielertoeristen. Marianne vindt het losers, stuk voor stuk. Met hun duffe pakjes. Hun geschoren benen. Hun hippe zonnebrillen en speciale drankjes. Als ze stoppen zuipen ze schaamteloos haar Orval op. Die schijnt, met name in de steden waar ze vandaan komen, schaars te zijn. Niet hier, het enige wat hier schaars is, is liefde. Drank is er altijd in overvloed.  Stilaan komt Eldorado op het punt dat er meer drank dan klandizie is. Daniël, één van de laatste der Mohikanen, zit in een hoek wat met zijn vingers te draaien. Marianne houdt hem in het oog. Niet omdat ze hem niet kan vertrouwen, ze kent hem al lang. Ze is nieuwsgierig of hij iets te vertellen heeft. Hij heft zijn glas ten hemel en prevelt  ‘Marianne’. Ze knikt, steekt haar hand uit en roept op haar beurt: ‘Oswald, Carlsberg voor Daniël’. Oswald gehoorzaamt gedwee. Hij schenkt met kunde een vers glas in.  Daniël wacht op Roger, zijn elf jaar oudere makker. Dat wil zeggen dat Roger al een tijdje met pensioen is. Hij kan dus niet meer, zoals Daniël doet, een paar uurtjes pieken en tussen twee klussen door op café komen. Hij moet afspraken maken met zijn vrouw. Daarenboven mag hij niet meer drinken want zijn lever ligt voor pampus.  Er stopt een fietser, een vermaledijde toerist, duidelijk te zien.  ‘Valt hier wat te eten’, vraagt de man. Marianne schudt van neen. Ze wil wijzen naar iets verderop waar een restaurant gelegen is maar bedenkt zich dan. Moeizaam staat ze op, ze voelt even haar benen en evenwicht. Ze tast de mogelijkheden van haar lichaam af, steekt een vinger in de lucht, wrijft door haar grijze haren en zegt: ik bak wel een croque monsieur.  Daniël die dit hoort, verslikt zich bijna in zijn bier. Ook Oswald richt zich als een reptiel op uit de benedenkoelkast, opent zichzelf een fristi en wrijft een streepje zweet van zijn voorhoofd.  Hoog boven Eldorado knalt de zon door het wolkendek en spiest het landschap met een verhelderend licht. Soms is er optimisme, later volgt het onweer. 

Thomas De Mulder
10 0

Kustliefde

Ik ben verliefd! Ze heet C. Een algoritme bracht ons bij elkaar. Eigenlijk had het algoritme zich vergist want we wonen nogal ver uit elkaar. De first date heb ik omwille van een concerttip van een vriend in allerijl een dag vervroegd. Die bewuste dag nog iets zots gedaan. Via Instagram liet Soma, het beste en sympathiekste restaurant van Antwerpen, weten dat er een tafeltje voor twee vrijkwam. Iets voor snelle beslissers want je moet daar 3 maanden op voorhand reserveren. Geboekt! In alle opzichten was het dus toeval dat ons samenbracht. En dat toeval zorgde ook voor de perfecte date.  Het beste tafelgezelschap – C. is een heel mooie en bevallige verschijning – voeg daarbij een subliem staaltje van gastronomie, gevolgd door een magisch clubconcert en je hebt de ingrediënten voor een super-date. De prachtige stem en songs van de harpiste Sophye Soliveau die avond deed onze harten smelten. Gooi daarbovenop nog DJ Boats en het feestje was helemaal compleet. Met een passionele eerste kus sloten we de nacht van 5 juni af. Die kus was “een test” waarop ik met brio geslaagd was, vertrouwde C. me later toe. C. woont al de helft van haar leven in Duitsland maar is geboren en getogen in Brussel. Haar kleur en krullen verraden haar gedeelde Belgisch-Senegalese roots. We zijn er nog steeds niet uit hoe we het best communiceren. Dat fluctueert nogal en hangt af van tijd, plaats en situatie. Engels is zowat onze eerste lingua franca maar het wordt doorspekt met de Franse, Duitse of Vlaamse uitdrukkingen die ons te binnenvallen. We verstaan mekaar perfect ook al spreken we momenteel het liefst dit koeterwaals. Ik had C. uitgenodigd voor een weekendje Nieuwpoort. We bleken een gedeelde liefde te hebben voor de Belgische kust. C. bracht in haar jeugd de vakantie steevast door in Oostende.  Ze had een paar jaar geleden met een Duitse Tinder date een uitstapje gemaakt naar de Belgische kust. Die man vond de gebetonneerde muur die onze kustlijn is heel lelijk. Hij had daar helemaal niets mee. Hij snapte het gewoon niet.Sommige buitenlanders hebben vaak een andere kijk op ons kusttoerisme. Zo vindt de Nederlandse architect Willem Jan Neutelings, bij ons beter bekend als ontwerper van het MAS, dat die betonnen kustlijn iets bijzonder democratisch heeft. Het geeft de massa de mogelijkheid om een uniek en betaalbaar zicht op zee te hebben. Mijmerend over kust en liefde moest ik plots denken aan een vies woord dat door velen misbruikt wordt om andere mensen uit te sluiten: identiteit. Ik en C. hebben beiden Belg op onze identiteitskaart staan. In mijn ogen is het kusttoerisme een van die monumenten die thuishoren in gevoelsmatige Belgische canon. Gedeelde waarden in verband met kusttoerisme zeg maar. Zo delen we samen herinneringen aan de kwistax op de dijk. Onze tanden hebben ongetwijfeld aan elkaar geplakt van de babelutten en we krijgen beiden ook water in de mond van een goede garnaalkroket of mosselen met frieten. Tot hier een korte bloemlezing van de geneugten van onze kust. In onze eerste summer of love brachten we ook een bezoekje aan Oostende. We zouden er tomate-crevettes gaan eten. Garnalen, het goud der Noordzee! Oostende, de stad omgebouwd tot badplaats door Leopold II met zijn rijkdommen die hij op bloedige wijze liet roven uit Congo. Zelf was de man niet zo een reiziger maar een verblijf in de goede zeelucht was toen wel de hype. Dat maakt dat deze niet-zo-koshere figuur wellicht mee aan de basis van het Belgische kusttoerisme ligt. Ik wilde C. in Oostende Lafayette laten zien een oud muziekcafé waar portretten van Marvin Gaye, Alain Delon en Serge Gainsbourgh stille getuigen zijn van het bruisende uitgangsleven van de stad. Onderweg vertelde C. me over een ander gedeeld stukje erfgoed. Toen ze als tiener in Oostende uitging ging ze vaak nog na middernacht een halve kip eten. Ik heb ook herinneringen aan het in Antwerpen teloor gegane Kiekeskot, waar je dag en nacht , kiek uit de poot kon eten. Een gebraden kippetje hoe lekker kan dat niet zijn! De simpele dingen des levens. Onderweg naar LaFayette slaakte C. plots een kreet van verrukking. Op de hoek van de straat stond zowaar Taverne Koekoek, haar verloren gewaande instituut, te blinken. We hebben die dag geen tomate-crevettes gegeten. Neen, het werd voor elk een halve kip. Ik wilde nog een vork vragen maar de kelner zei dat dat niet mocht. Kip eet je met je handen. Zalig. De Belgische kust is van iedereen!

kvb
33 0

Oermollen en schele leguanen

  Als er dan een huis wil zijn voor ons. Het mag best klein zijn. Ruim genoeg om te omarmen. Kromme ramen door een blik vertekend tot een leefbaar niemendal en als ik ginds dan lig, in zwijm of bloemenbed, misschien jouw kloofjes voelen kan, dan hoop ik dat jouw huid traag scheuren mag. Ginds. Boven op een fundament dat wegzakken verdraagt, is er een tempeltje gebouwd. Het is voor reizigers, twee wezens die verhuizen willen naar een ander lichaam. Er is geen plan, de schatkaart is door dwergen opgevouwen, dichtgeplakt. Heel eenvoudig. Ik heb voor jou verpakt gedroogde vlinders, die ik heb gevonden in woestijnen van de eenzaamheid. De grap over oases aan de overkant, die heb ik nooit geloofd. Ik was al blij als er een maan het felle licht kon doven en veel zachter vuur kon zijn. Aarde, wortels en de bomen van het dak. Er is een wonde toegegroeid en langs een scheve trap ben ik weer in die zolder vol met tekeningen, schetsen van die oermollen geraakt. Ze kruipen overal, zo heb je ooit beweerd, ze maken gangen voor de adem van verleden tijd. Op de keukentafel lig je naakt, je hebt de inhoud van die potjes vol met gloed voorzichtig voor me uitgestrooid over het vel van bange dagen. Alsof ik proeven mag, op een stoel met warme pootjes naast je zitten, wagen kan, heel diep in je wonen wil. Lief nachtje lang, het is die overgang van weinig naar die overvloed. Niets was bedoeld, om zo te mogen zijn. Het rag werd ooit geweven door een blinde spin die dacht dat ik met vingers vissen kon gezeten in een plas, waarop jouw mugje dansen wou. Tot slot en als dat huisje ons dan vangen zou, zijn tuin het strelen van ons gras verdragen kan. Er moet een uitweg zijn. Vooral voor schele leguanen en die haan die slechts probeert. Het wakker worden is aan ons niet meer besteed, eenmaal die honger in de ochtend bijt.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
4 0