Lezen

Kunst in de bib

Maandagvoormiddag, officieel is de bibliotheek gesloten. Toch staan de twee ebbenhouten toegangsdeuren van de ingang wagenwijd open. Er is duidelijk begankenis, ondanks er geen ontleners zijn. Het licht brandt in de hoge inkomhal. Door de kleurrijke glasramen aan de voorzijde van het gebouw vallen zonnestralen rijkelijk binnen. Precies een Egyptisch tafereel. Op de beige marmeren vloertegels schitteren oranje, gele en blauwe schakeringen. De klusjesman rijdt met een kleine heftruck voorzichtig rond in de inkomhal met een zware lading vooraan op de vork. Hij rijdt achteruit met zijn machine. Een piepend alarm verstoort het geroezemoes en de instructies die worden gegeven door de medewerker van de dienst Cultuur, eenmalig afgezakt naar de gemeentelijke bibliotheek. ‘Meer naar achter, Andree!’, brult ze met haar armen zwaaiend, gericht naar de klusjesman. ‘Piep piep piep piep’ , de achteruitrijlichten springen op wit licht. De gebrilde bibliothecaresse roept: ‘Pas op Andree! Dat is hier allemaal art-deco. Da’s nog van vroeger. Als ge hier botst en iets kapot rijdt of een kras maakt, kan het niet gemaakt worden. En de vloertegels kunnen we niet vervangen. In de kelder liggen er geen meer, sinds de wateroverlast van 1995.’ De klusjesman draait naarstig aan zijn stuur en bolt met de vorkheftruck meer naar links, terug naar rechts en terug in achteruit: ‘Piep piep piep.’ De bibliotheek-assistent, gekleed in keurig hemd en zwarte broek met een semi lederen boekentas in de hand, snelt opgejaagd de inkomhal binnen. Net ingeprikt, stipt om 9u00, de start van de werkdag en klaar voor een rustige gemoedelijke maandagvoormiddag. Behalve vandaag, ‘Wat gebeurt er hier allemaal? Het is maandag negen uur. We zijn toch gesloten’ , zegt de bibliotheek-assistent overrompeld. Alvorens de bibliothecaresse kan antwoorden op deze vraag, stapt de medewerker van de dienst Cultuur dichter tot bij de twee heren en antwoordt in zijn plaats: ‘Dit mijn heren is een unicum voor onze gemeente. Ik presenteer u dit hedendaags modern kunstwerk. Vorige week nog te bewonderen in het Centraal Station van Brussel. Dankzij enig telefoonverkeer van mijnentwege tussen de gouverneur en het diensthoofd Algemeeniteiten is het mij gelukt, om van deze creatie de komende weken te mogen genieten. Hier, in onze gemeentebibliotheek! Dit gaat bezoekers aantrekken. Ik voel het!’ Ze spreekt laaiend enthousiast, duidelijk trots op haar lobbywerk en het feit dat dit houten misbaksel  nu in de hal van de bibliotheek staat. ‘Ik ben trouwens Pretoria, aangename kennismaking.’ De bibliotheek-assistent richt zich tot de bibliothecaresse: ‘Ingrid, waarom weet ik hier niks van? En hoe lang blijft dat hier staan?’ De bibliothecaresse antwoordt apathisch. Dit is niet haar beslissing: ‘De mail is niet tot bij ons geraakt. Ik wist hier ook niks van. Blijkbaar, een volledige maand hier in de hal, en elke burger van onze gemeente krijgt een foldertje in de bus. Het zal hier druk worden, Philip.’ De assistent zucht en denkt: Niks heb ik hier te zeggen, niks. Folders over heel de gemeente… Hoe is het mogelijk?! Hij stapt bokkend weg. Het verhuisspektakel gaat ondertussen voort. De cultuurmedewerker en de klusjesman werken samen verder: ‘Ja Andree, nog een beetje draaien en laat maar zakken.’ Een zachte bonk maakt een einde aan de plaatsing.  Ze inspecteert met volle bewondering de nieuwe aanwinst: dit gaat allure geven aan onze streek. Yes. Een pluim voor mezelf. De klusjesman stapt uit het truckje en voegt zich bij anderen, veegt met zijn zakdoek het werkzweet van zijn voorhoofd en zegt: ‘En wat is dit nu precies?’ Hij ziet enkel aan elkaar geplakte panelen en geverfde paletten, bijna tot aan de nok van de inkomhal. ‘De kunstenaar had een moeilijke jeugd en zijn worsteling met zijn identiteit, toont hij via deze kunstinstallatie. Hij had het vooral moeilijk met zijn moeder’ , legt de cultuurmedewerker uit. ‘Ah, vandaar die losgeslagen oranje planken’ , antwoordt de bibliothecaresse. Het kunstwerk lokt al de eerste nieuwsgierigen. Buiten kijken twee gemeentearbeiders met een verbaasde blik op van hun veegwerken.    

Evelien Meulders
77 1

Liefde is overal

Liefde is overal Elke maand kruipt ZIZO-redacteur Erwin Abbeloos voor ons in zijn pen. Hij schrijft over het leven, de LGBTI+-strijd, de actualiteit, ouder worden en af en toe ook over ABBA. Voor de column van deze maand kijkt Erwin vooruit naar valentijn en blikt hij terug op de plek die liefde in zijn leven ingenomen heeft.           Schrijven over liefde terwijl alles over liefde al geschreven is. In proza, in poëzie, in scripts. Zingen over liefde terwijl alles al gezongen is. Van pop tot klassiek. Liefde bedrijven terwijl alle liefde al bedreven is. Ach, de liefde. Dé liefde. Ik heb ze bedreven, beschreven, beleefd, bezongen, bewierookt en betraand. Ik heb ze zien aankomen, ik heb ze zien weggaan. Ik heb ze gevoeld, ze heeft me weten te verpletteren. Nu eens was ze opgebrand, dan was ze nergens te zien. Ik heb ze van op afstand beleefd, ik heb ze met één te veel gepleegd en ik heb een keuze moeten maken. Ik ben niet gemaakt voor een driehoeksverhouding. Soms meende ik de liefde te herkennen, soms had ik me vergist en was ze totaal iets anders. Ze heeft me ook bedrogen, beschimpt, verraden en vernederd. Ze heeft me gelukkig ook gekalmeerd, geheeld, gezuiverd, gelouterd. Ik weet dat ze een gemis kan zijn, ze kan ook te opdringerig zijn. Bij de ene doet ze verdomd haar best, bij de andere komt ze niet. Of dat denk je want ze komt altijd en overal. Dat zingt Björk ook in ‘All is full of love’, een liedje uit 1997. Daar staat hoe tot liefde en berusting te komen. Soms zoek je haar, weet je niet waar ze te vinden is, andere keren komt ze onverwacht je leven overhoopgooien. Ze komt in alle vormen, in alle woorden, ze zit in alle settings – van een Grindrafspraakje tot een seksparty. In housewarming parties en beschonken avonden. Ze komt in roze, in wit, in rood en allemaal zachte kleuren. Ook in ruig leer en glimmend latex zit liefde. Ze zit in al wat leeft en beeft, in al wat ademt en beweegt, in al wat hijgt, schuurt en heest.  Dan wordt ze diepe vriendschap. Zomaar. Ineens. Met de jaren. Jij en alleen jij kent ons. Een vluchtige kus wordt intenser dan de vermoeide pornostandjes die met alles en iedereen uitgeprobeerd zijn. Een huis, een omheining, een kat. En jij. In het nu. Praten met je vingertoppen. Liefde spreekt een taal zonder woorden.  Liefde is ook uit elkaar gaan. In ‘Knowing me knowing you’ van ABBA zingt Frida dat uit elkaar gaan het beste is wat ze kan doen. Ze zingt niet dat dat het beste is wat kan gebeuren; ze zingt niet ‘Breaking up is the best thing to do’. Ze zingt ‘It’s the best I can do.’ Zij is het die weggaat. In de jaren ’70 van vorige eeuw dan nog wel, toen het feminisme in een tweede golf streefde naar een gelijkwaardige positie in de maatschappij en seksuele bevrijding. Het laat ook de perfectie van een ABBA-song horen. Alles moet matchen, tot in de details. Lezen, herlezen, schrijven en herschrijven. Weggooien, een stukje overhouden. Dat is schrijven en zo gaat het ook in de liefde. Je houdt er enkel het beste van over. Een breuk is altijd een beetje lijmen en met beetjes groeien.  Wat de liefde ook doet, ze overkomt iedereen. En iedereen verdient ze. Liefde komt wanneer je het leven al aangeraakt hebt, ertegen aan geschuurd hebt, wanneer het niet meer deert, wanneer de scherven nog op de grond liggen. Gebroken glas is ook mooi glas. Wat het met je lijf, je ziel en je huid doet, lees je in ‘Fragments d’un discours amoureux’, van Roland Barthes.  Liefde heeft me in berusting gebracht. Het is een in oneindigheid uitgestrekt landschap met heuvels, dalen en vlakten. Wat de liefde ook doet, ze overkomt iedereen. En iedereen verdient ze. Weet dat, terwijl in de liefde alles al geschreven staat, liefde altijd op een onbeschreven bevlekt blad staat. Il y a de quoi commencer un scénario! 

Erwin Abbeloos
22 1

Tot 'we' verdwijnen zal

  in het begin was er niets en toen kregen we alles en daar liep het mis en dat kwelde ons maar we deden gewoon verder         Bevreesd, over wat er ooit allemaal is geweest, voor wij er waren, en of dat belangrijk is om te weten. Dat vraag ik mij soms af. En wat er nog zal komen, als wij er niet meer zijn. Gaat de wereld dan nog vooruit? En is dat van belang? Maakt het iets uit? Voor u? Voor mij? Ik vraag het mij echt af. En u kan zich dan weer afvragen, wie ik eigenlijk ben. Een vraag die ik herken. En waar ik het lef vandaan haal om vragen te stellen over belangrijke zaken. Zodat u, daardoor, u zorgen begint te maken. En het is niet dat ik het mij gewoon afvraag. Ik loop ermee te koop. Ik begin erover in teksten en gesprekken. Ongefilterde gedachten, zomaar de vrije loop. Ik belast u, mijn beste vriend, met mijn vragen. En je hebt waarschijnlijk wel een punt. Maar ik heb het niet op u gemunt. Ik wil er u, in al uw gemak, niet mee storen. In al uw rust. In al uw veiligheid. Kan je het mij vergeven? Ik probeer er gewoon achter te komen wat mijn aandeel is in dit leven. En ik heb u nodig om het mij te vertellen, begrijp je? Ik moet het u vragen, omdat ik de last die ik nu draag, niet langer alleen kan dragen. Kan u er, eventueel, uw schouders mee onder zetten? Voor even. Zodat we er samen achter komen, wat er komen zal. Kom je even mee? Naar het moment dat er niets meer zal zijn. Als wij er niet meer zijn. Ik geloof dat dat het beste is. Dan kunnen we rustig samen terugblikken op wat is geweest. Als bij het toetje en de koffie op het einde van het feest. Dan ligt mijn bijdrage ook voor het rapen. Hoop ik. Zodat ik rustig kan slapen. Hoop ik. In ieder geval, in het begin was er niets.      Een absolute leegte. Geen materie te bespeuren. Geen oriëntatie denkbaar. Bodemloos. Eindeloos. Geurloze geuren. Denk ik. Niet dat ik erbij was. Vraag het aan de filosofen. Je hoeft me niet te geloven. Maar volgens mij, was er niets. Of laat ons zeggen, waarom ook niet, Hij. God. Hij was er. Ik heb Hem nooit ontmoet dus opnieuw, je hoeft me absoluut niet te geloven. Maar ik neem Hem toch als vertrekpunt. Het is hem gegund. En om de wetenschap te plezieren vertel ik erbij dat Hij werd geboren met een knal. Niet uit onze gedachten, niet bij toeval, maar zo een knal waarvan je denkt, dat is me nu écht eens een knal. Zo, bij deze houden we de kerk in het midden en kunnen we beginnen.      Ik weet niet hoe Hij eruit zag helemaal in het begin, bij die knal. Anders dan op het einde wellicht. Toen Hij nog was, wie Hij was en niet wie wij dachten dat Hij was. Door de eeuwen heen, veranderde Hij. Hij was plots niet meer die mensoverstijgende kosmos. Die gezichtsloze goddelijke kracht. Neen, we hebben hem vermenselijkt. Teruggebracht naar ons eigen niveau, al dan niet toch nog net iets grootschaliger, iets vorstelijker. Sommige gaven hem een kroon, een mantel, een baard, anderen een scepter of een zwaard. We gaven hem broers en zussen, goud en kruisen om te kussen. Dan nog te zwijgen over de namen die we hem gaven. We gaven Hem zelfs een huis. Ja, wij, de mensen, gaven Hém, God, een huis. We namen het heelal over, en staken Hem in onze zelfverklaarde hemel.           Maar dat, was allemaal later. Toen er al iets was. Zoals ik al zei, eerst was er niets. Hij genoot van de rust. De stilte. Of chaos. De donkerte. Of het licht. De sereniteit, de beheersing, de grip.  En toen, kregen we alles.       We kregen het. Zomaar. Zonder er iets voor te moeten doen. We waren als kinderen voor Hem. Die geef je toch ook alles, in ruil voor niets, bij lachen of tranen. Zo kregen wij onbegrensde oceanen. Buitengewoon blauw met al zijn variëteiten en tinten. Gratis. We kregen onnoemelijk veel hectare aan regenwouden, bossen, bergen, graslanden en rivieren. Allemaal zomaar. We kregen de dieren, de bloemen, ontelbaar kleurrijke geurende bloemen. En tussen dit alles, mochten wij rondlopen. We kregen ook de liefde, vriendschap, vertrouwen, hoop, dankbaarheid, gevoelens. We kregen verlangen. Naar elkaar, dat ging dan nog, maar ook naar meer. Dat steeds maar toenemende verlangen naar meer.       Onze voorheen lege bol werd gevuld met al het moois waar Hij van kon dromen. Allemaal gemaakt uit dezelfde minuscule atomen. En Hij gaf het ons. Hij moet van ons gehouden hebben, toen. Of hoorde dat alles gewoon bij Zijn rol? In ieder geval, Hij zette ons ertussen. Veilig op Zijn bol.       In deze positie zagen wij alle goddelijke geheimen, alle bezittingen, alle verrassingen want Hij beloonde ons met een knap paar blinkende ogen om te aanschouwen wat we kregen. Hij beloonde ons met een kloppend hart. Een hart dat net lang genoeg zou kloppen om een reden te verzinnen waarom hij het ons gaf, maar niet lang genoeg om te bezinnen of we het wel verdiend hadden. Hij gaf ons een hoofd gevuld met een duidelijk gescheiden netwerk van logica en gevoelens. Hij beloonde ons met al het moois dat er bestaat én niet bestaat, want Hij gaf ons een geest die in staat was te verbeelden. Verbeelden hoe het zou zijn, zonder al dat moois, gedachten open, ogen gesloten, waardoor we er nog meer van genoten. En dat ging dan nog. Maar we konden ook verbeelden dat er nog meer zou kunnen zijn. Dat steeds maar wederkerende verbeelden van meer.       Weet je dat nog meneer? Meneer? Doet het nog pijn? Dat niet veel later het verlangen, en het verbeelden, listige sluipmoordenaars bleken te zijn? Een of andere onbekende onrust die zich jarenlang onder het oppervlakte verscholen had en als onkruid, met talloze stokers tegelijk, ontkiemde. Met de worteltjes diep in onze botten en van daaruit vertakte over alle bloedvaten heen. Onvoorstelbaar ook, hoe sereen ze zorgden voor stroppen in het ooit zo efficiënte netwerk van ons pientere breintje. Maar listig dat ze waren, namen ze hun tijd. Het duurde jaren voor ze echt toesloegen. Voor wij het beseften. Voor de stoppen doorsloegen.       En in die jaren,vergaten we Hem. We vergaten alle versies van Hem. Alle synoniemen, alle evenbeelden, soorten, broeders en zusters. Allen werden verwaarloosd. Meer en meer lieten we hen allemaal vallen. Dieper en dieper en dieper, de duisternis in en daar, in die donkerte, ontdekten wij de verlichting. Weet je nog? Ons betere alternatief? We namen over, zonder dank, instinctief. Alle macht en alle rijkdom behoorde nu tot ons. We zagen ons ook als één van hen. Van de Goden. Voor deze aarde, veel te goed. We waren niet langer van vlees en bloed. Nu zaten wij aan de lange tafel. Er werd maximaal geïnd. Er werd verdeeld en er werd geheerst, onder een nieuw en frisser bewind. Maar, alles went. En in gewenning ontkiemt het verlangen. En in dat verlangen de verbeelding.  En daar liep het mis.  Het enige wat wij moesten doen, was alles respecteren. Soms moet je de dingen gewoon laten zoals ze zijn. Maar dat deden we niet. Doet het nog pijn? Mevrouw?       Weet je nog, toen we begonnen te graven? En in dat graven vonden we de goddelijke geheimen. We vonden ze en eisten ze op. Eerlijk gekregen, toch? Ze waren zo mooi. Het speeksel liep uit onze mond. En die schatten, diep verstopt onder de grond, zouden ons eeuwig jong houden. Maar we moeten er nu niet over liegen. Ze deden ons zweven.We begonnen te vliegen. We gingen op zoek naar nog meer en vlogen langs Zijn hemel, het oneindige tegemoet. Onze verbeelding nam enkel toe. Ook ons verlangen om nog verder te gaan en als het even kon, als eerste die oneindigheid af te ronden. Op onderzoek gaan heette dat in die tijd. Met toeristen die in de rij stonden om ons uitje te bekostigen. Avonturiers of gekken? In ieder geval, in ruil mochten ze een baantje trekken, op een zeshonderd kilometer boven de aarde. Dat we hier nog eens meer dan driehonderdduizend kilogram aan CO² extra achterlieten was in de prijs inbegrepen. Betalen zouden we toch.      Ook hier beneden, op deze bovenmenselijke bol, graaiden we maar in het rond en doorzochten we Gods giften als doordeweekse post. Op plaatsen ooit zo vol bebost, plukten we bijvoorbeeld cacaobonen. We voegden er wat menselijkheid aan toe en dat verkochten en kochten we dan met onze zelf uitgevonden muntjes, waarvoor we dan eerst wat nikkel en andere rijkdommen moesten voor ontginnen. Ik wil er niet over beginnen, maar, lekker was het wel. Toch?       Hij wist waarschijnlijk al lang wat er komen zou, maar Hij genoot van de kleine dingen. De positieve dingen. In al zijn fatsoen, liet Hij ons doen. Hij moet nog iets van hoop gehad hebben, en, het is die hoop die ons in stand hield. Zelfs toen we allemaal samen aan die lange tafel zaten. Een tafel die niet voor ons bestemd was. En we ons overaten. Maar het voelde zo goed. We zaten er nog niet lang en toch al te lang. We waren nooit goed geweest in wachten. We waren ons eigen, enige thuis aan het slachten. Dat is wel iets wat we collectief konden. Ja, de maat van onze wandaden was snel vol. Voor we het wisten waren we het kwijt, de pedalen. En we zouden de prijs hoe dan ook nog moeten betalen.   En dat kwelde ons.      Hij had ons alles gegeven en tussen dit alles moesten wij blijven. Naar ons gevoel veilig, met het water aan onze lippen. En toch wankelend. Instabiel. Terwijl alles rondom ons, als een kaartenhuis op één van onze gelakte cafétafels, in elkaar viel. Daar zaten we, met ons kloppend hart dat net lang genoeg bleef kloppen om ons af te vragen waaraan we dit hadden verdiend. Maar, mijn beste vriend, niet lang genoeg om helemaal te beseffen dat wij de schuldigen waren. Daar zaten we, met ons hoofd gevuld met een duidelijk gescheiden netwerk van logica en gevoelens. We konden wel oplossingsgericht te werk gaan in deze aartsmoeilijke omstandigheden maar jammer dat we te angstig of onkundig waren om knopen door te hakken. Zo liet Hij ons nog wat rondlopen. Sommige kropen. Angstig levend op deze aarde met continu dat besef dat er iets moest veranderen.      Eerst werden we wat prikkelbaar, wantrouwig. Maar toen werden we boos. Boos op de realiteit. We werden boos op elkaar. Heel de tijd. Boos. We gingen het oplossen, dat werd er helemaal op het einde nog gebruld. Maar we waren kansloos. Wist jij het toen al? Want ik had een vermoeden.       Ik weet nog toen we bijvoorbeeld minder vlees gingen eten. Het vlees dat we bedrukten met ‘twee voor de prijs van één’. We waren naïef. Het vlees was nog steeds goedkoper dan ons alternatief. We gingen minder kinderen maken. Maar vonden iets uit waardoor we onze beste vrienden jaloers konden maken, met oneindige foto’s van onze nieuwgeborenen. We gingen minder kleren kopen, want we hadden berekend hoeveel liters aan water er in het maakproces van onze jeansbroeken kropen. Maar minder kleren kopen was niet wat de winkel ons zei, wanneer we zelfs van hen een verjaardagskaartje in de bus kregen, ondertekend, ‘10 % korting’. Weet je het nog? Toen we onszelf begonnen te bedriegen? We gingen ook minder vliegen, dus sloten we onze ogen tijdens die vlucht over die buitengewoon blauwe oceaan voor amper honderdnegenennegentig euro. Inderdaad, we lieten ons verleiden. We gingen nadien minder met de auto rijden en als het niet anders kon, elektrisch, terwijl we kinderen in de kobaltmijnen staken. We bleven maar nieuwe schatten krijgen. Of vinden. Maar we konden het niet waarmaken. We gingen zoveel. We moesten zoveel. Zoveel dat het ons angstig begon te maken..  Maar we deden gewoon verder.      Nog even. De wereld was als een orkest, met iedereen als solist. Sommigen flitsten verder op deze bol als een automobilist die door polderblindheid aan honderdzestig per uur zijn afslag had gemist. Anderen delfden hun eigen graf, klommen naar beneden, gingen zitten en wachtten rustig af. Maar velen deden niets. Ze dobberden roerloos verder. Kop in het water. We waren triest. Zelfs wanneer we blij waren. We dachten dat we nog steeds het recht hadden gelukkig te zijn. Maar dat recht waren we al lang kwijt gespeeld. Ons ego werd niet langer gestreeld.       Bij een grote minderheid begon in alle stilstand, het verlangen om te veranderen, toch te groeien. Maar het probleem bevond zich niet in het verlangen. Het was de verbeelding die ons deze keer in de steek liet. En daar ging ons krediet. Over de eeuwen heen hadden we geleerd om te verbeelden hoe het zou zijn moesten we meer hebben. Maar opeens moesten we minder. Minder, maar dieper. Intenser. Maar we konden het ons niet voorstellen hoe dat zou zijn. Dus we legden er ons bij neer toen we het inzagen. We waren verslagen. En dat voelde bij de meesten niet eens verkeerd. Want alles rondom ons, in ons zacht bedje, alles wat we konden zien, en voelen, was nog goed. Voelde aangenaam. Gemakkelijk. Knus. We hadden nog iets van moed. Tot we alleen in dat bedje lagen. Niet in staat de slaap te vatten. Niet in staat te dromen. Dat het ooit zou goedkomen.      Ja, Betalen moesten we. Alvorens te gaan. Nu nog steeds trouwens. Ik herinner het me nog goed. Het begin. Ik had nog niets en toen kreeg ik alles. En als ik er nu over nadenk, moet het daar misgelopen zijn. Het kwelde me. En toch, ik deed gewoon verder. Is het dan ook mijn fout? En zo ja, kan u het mij vergeven? En nadien, helpen de last te dragen? Eventueel uw schouders mee onder zetten? Want alleen zal het mij niet meer lukken.  Mevrouw? Meneer?        

Jeroen Vanmulder
28 1

Nieuwe gewoontes

Mijn maatje en ik hadden bepaalde gewoontes en rituelen. Dat kan ook niet anders, als je al zo lang bij elkaar bent. ’s Ochtends bij het opstaan begon dat al. Wie doet wat? Wie doet de gordijnen open? Wie schenkt de koffie in? En, heel belangrijk, wie geeft Stef zijn eten? Dat was trouwens altijd degene die het eerste beneden was. Stef liet daar geen twijfel over bestaan. Ik merk nu dat ik een soort eigen gewoontes begin te ontwikkelen. Een soort van, mezelf opnieuw uitvinden. Ik doe het niet bewust, het gebeurt vanzelf. Beneden komen, koffieapparaat aanklikken, Stef eten, televisie aan. Dat laatste verdrijft voor mij de stilte in huis, daar ben ik nog niet aan gewend. Niet dat mijn maatje zo’n lawaaimaker was maar ik mis zijn aanwezigheid. Natuurlijk zeg ik ook goedemorgen tegen mijn maatje. Eigenlijk hoeft dat niet, hij zit de hele dag in mijn hoofd, maar het is een ritueel. Ergens geeft het ook troost, alsof hij de hele dag met mij meekijkt. Als ik thuis werk, gaat Stef mee naar mijn werkplekje. Hij ligt naast mijn bureau op zijn vachtje. Te snurken. Af en toe komt hij eens kijken wat ik aan het doen ben, hij kijkt soms ook mee tijdens een online meeting, vaak tot hilariteit van de anderen. Het geeft afleiding. Want het gevaar is nu wel dat ik geen pauze neem. Lunch lijkt af en toe overbodig, snel een broodje is ook goed. Gelukkig wil Stef dan wel graag naar buiten dus dan doen we ons rondje. Behalve als het regent natuurlijk, Stef houdt niet van nattigheid. Toch raar hoe snel je je aanpast aan een nieuwe situatie. Het verdriet wordt er niet minder door maar het geeft wel een gevoel van rust. Zelfs het alleen eten wordt gewoon. Nog steeds niet gezellig maar niet meer zo confronterend als in het begin. Het huis begint weer te voelen als mijn eigen plekje. Het huis wordt weer een thuis.      

Machteld
10 1

schuldbemiddeling (letterzetter)

 de buurvrouw spuit hartjes op de sparren die ze moet opruimen. de letterzetter. niets aan te doen, die kevertjes zijn zo klein, te veel te droge, te warme zomers.   ze vroeg me of ík de bomen wilde afdoen.                                 vorig jaar kreeg ik van mijn vrouw een kettingzaag voor mijn verjaardag,                                 vandaar.                                  zij wist dat.                                 het waren er een stuk of twintig, maar niets voor niets                                                                     - haar helft mag opgestapeld blijven liggen,                                                                        (houdt CO2 nog langer vast.)                                                                     - de andere helft voor mij en mijn houtkachel.   ik voel me schuldig, zelfs ... (de nieuwste generatie stoot veel minder roet uit, doet aan naverbranding, is gelabeld en goedgekeurd door de europese unie.)                                             vergeef het me,                                                                          de hoge energieprijzen.                                             (in dit hout zit ook de energie van mijn lichaam,                                             niet die van een factuur.) mijn god, misschien verwarm ik niet alleen de woonkamer, maar de hele wereld.   alle kleine beetjes, zeggen sommigen en,  een deel van de oplossing; maar wij zijn zo klein,  zo klein. wij kruipen als kevertjes over de aarde.   en de buurvrouw, zij zit toch ook niet in de kou, zij verwarmt op stookolie. in de zomer organiseert zij feestjes rond haar vuurschaal.   op één avond met de auto naar moskou en terug,  naar het schijnt.

Hans Van Ham
15 0

De clown die geen clown wilde zijn

De clown die geen clown wilde zijn   Anna: ‘Goedemiddag, vind u het goed als ik even naast u kom zitten?’ Clown: ‘Doe wat u niet laten kunt.’ Anna: ‘Wat een heerlijke dag vandaag, vind u ook niet?’ Clown: ‘Ach, het is net zo’n dag als gister en waarschijnlijk ook als morgen.’ Anna: ‘Op zulke dagen krijg ik altijd zin om mensen te bekijken, met een heerlijk glaasje wijn erbij. En laat ik dat nu nét toevallig bij me hebben. Drinkt u een glaasje met mij mee?’ Clown: ‘Nee dank u. Drank neemt even je zorgen weg, maar die zorgen komen dubbel zo hard terug.’ Anna: ‘Zorgen? Ik heb geen zorgen hoor, ik vind het gewoon lekker, zo in het zonnetje.’ Clown: ‘Doe vooral wat u niet laten kunt.’ Anna: ‘Ja, dat zei u net ook al. En wat brengt u hier? Pauze?’ Clown: ‘Nee hoor, hoezo dat?’ Anna: ‘Nou, ik liep net langs die grote tent verderop in het park. Ik neem aan dat u daar werkt?’ Clown: ‘Omdat ik er zo uitzie bedoelt u? Rode neus, rode haren, schmink op. Die zal dan wel in het circus werken, dat is wat u bedoelt? Anna: ‘Is het dan zo gek dat ik u dat vraag?’ Clown: ‘Dat vind ik gek ja. Kan ik niet gewoon op een kantoor werken? Of voor de klas staan? Is het enige wat ik kan, gek doen?’ Anna: ‘Sorry, ik wilde u niet beledigen.’ Clown: ‘Dat doet u ook niet.’ Anna: ‘Zo klinkt het anders wel.’ Clown: ‘Maar u heeft gelijk hoor. Een gek…zo zien de mensen mij.’ Anna: ‘Gek? Welnee, ik word juist altijd vrolijk van jullie.’ Clown: ‘Vrolijk ja, dat is nu juist het probleem. Iedereen denkt dat wij altijd maar vrolijk zijn en nooit verdrietig.’ Anna: ‘Bent u dat dan weleens?’ Clown: ‘Verdrietig? Natuurlijk! Clowns hebben ook gevoel hoor!’ Anna: ‘Waarom dan? Het is toch juist leuk om mensen aan het lachen te maken?’ Clown: ‘Ik wil ook weleens huilen, of boos zijn. Maar dat kan nooit. En dat maakt me juist zo verdrietig.’ Anna: ‘U mag best eens verdrietig zijn, of boos. U mag zelfs huilen als u dat wilt.’ Clown: ‘Nee dat mag ik niet. Mensen verwachten dat je ze aan het lachen maakt. Neem nou bijvoorbeeld mijn best vriend Alex.’ Anna: ‘Wat is er met Alex?’ Clown: ‘Hij was net als ik een clown. Elke avond stond hij met een grote glimlach in de piste. Tot aan die ene avond, een maand geleden. Voor de show sprak ik hem nog. Hij vertelde me dat zijn hond ziek was en niet meer lang te leven had. Eigenlijk wilde hij niet optreden, maar hij moest wel.’ Anna: ‘Niemand moet iets. Hij had dat toch tegen jullie baas kunnen zeggen?’ Clown: ‘Tegen Marcello? Niemand gaat tegen Marcello in. Geen zin of niet, de show moet altijd doorgaan.’ Anna: ‘Er zijn toch genoeg andere acts?’ Clown: ‘Ha, bent u weleens in een circus geweest? Een circus zonder clown kan gewoon niet!’ Anna: ‘U bent toch ook clown? Waarom viel u niet voor Alex in?’ Clown: ‘Nee dat kon niet. Alex en ik waren een duo. We stonden ook aangekondigd op de affiches in de stad. Mensen verwachtten twee clowns, niet een.’ Anna: ‘En wat gebeurde er toen met Alex? Heeft hij toch opgetreden?’ Clown: ‘Dat probeerde hij wel ja. Maar al snel merkte ik dat het mis ging. Hij kon zijn tranen niet meer bedwingen. Ik deed nog een poging om de show te redden, door hem belachelijk te maken. Ik dacht dan de mensen dan wel hard zouden moeten lachen. Aan Alex’ gevoelens dacht ik niet.' Anna: ‘Wat deed u dan?’ Clown: ‘Ik trok zijn broek naar beneden. Stond hij daar, in zijn bloemetjesonderbroek. Het publiek begon steeds harder te lachen, maar Alex begon steeds harder te huilen. Iedereen dacht dat het bij de show hoorde. Na afloop kwam Marcello naar ons toe. Hij vond het geweldig!' Anna: ‘En Alex?’ Clown: ‘Hij niet. Hij voelde zich door mij in de steek gelaten. Nog diezelfde avond is hij weggegaan. Hij zei dat hij dit leven niet langer wilde. Een leven waarin je nooit verdrietig mag zijn. Anna: ‘Heeft u hem daarna nog gesproken of gezien?’ Clown: ‘Nee. Ik heb ook geen idee waar hij nu is. Het heeft me wel aan het denken gezet. Ik wil dit ook niet meer, altijd maar vrolijk zijn.’ Anna: ‘Dat kan toch ook niet? Niemand is toch altijd vrolijk?’ Clown: ‘Vertel dat maar eens aan Marcello. Hij zegt altijd: ‘een echte clown huilt niet.’ Misschien ben ik dan wel geen echte clown…’ Anna: ‘Oh dat is zeker niet waar! Als ik naar u kijk, word ik vrolijk. Zelfs zonder die glimlach.’ Clown: ‘Ik wil niet meer terug naar het circus. Niet als dat betekent dat ik nooit verdriet mag hebben.’ Anna: ‘Er zijn ook andere manieren om mensen aan het lachen te krijgen.’ Clown: ‘Wie zegt dat ik mensen aan het lachen wil hebben? Ik zou graag mensen willen helpen, soms met een lach, maar soms ook met een traan.’ Anna: ‘Dat kan, er zijn genoeg mogelijkheden. Maar ik vind wel dat u een clown moet blijven. Het staat u goed, weet u dat?’ Clown: ‘Hoe bedoelt u dat?’ Anna: ‘De rode neus, het oranje piekende haar. En het zonnetje op de wangen. U heeft er een goede kop voor.’ Clown: Nou zeg, bedankt!’ Anna: Nee, ik meen het, het is een compliment. Mijn dochtertje zou u fantastisch hebben gevonden. Ze was altijd gek op clowns.' Clown: ‘Was? Bedoelt u dat ze…’ Anna: ‘Ja, ze leeft helaas niet meer. Slechts zes jaar mocht ze worden.’ Clown: ‘Dat spijt me om te horen. Waaraan is ze overleden?’ Anna: ‘Ze was ernstig ziek. In haar jeugd heeft ze heel wat ziekenhuizen van binnen gezien. De laatste maanden was ze thuis. We probeerden nog een paar mooie herinneringen te maken. Tot op het laatste moment was ze vrolijk. Ons lieve meisje…Weet u wat ze later wilde worden? Geen prinses of ballerina, zoals de meeste meisjes. Nee, zij wilde een clown worden.’ Clown: ‘Echt waar? Of zegt u dit er nu om?’ Anna: ‘Over mijn dochter maak ik geen grappen. En weet u waarom ze clown wilde worden? Om verdrietige mensen weer vrolijk te maken. Op het laatst zei ze tegen me: ‘Mama, ik hoop dat er een clown komt die jou en papa weer vrolijk laat zijn.’ Clown: ‘Een wijs meisje, die dochter van u. Jammer dat ik haar nooit heb ontmoet. Hoe heet ze?’ Anna: ‘Vlinder.’ Clown: ‘Dat is een mooie naam. Ook voor een clown trouwens. Ik zie haar al voor me: Een clowntje met rode vlechtjes en vlinders op haar wangen getekend. En iedereen zou om haar lachen.’ Anna: ‘Dat zouden ze zeker ja. Daarom ben ik ook altijd graag hier, in het park. Vooral in de zomer, met alle vlinders die hier rond fladderen. Dan beeld ik me in dat Vlinder bij me is. Ze zou elke vlinder kunnen zijn. Het geeft me een fijn gevoel.’ Clown: ‘Dat is een mooie gedachte.’ Anna: ‘Laatst zat ik op een bankje iets verderop. Ik zat te lezen en opeens zat er een vlinder op de rand van het boek. Muisstil om haar niet weg te jagen, heb ik minutenlang naar haar zitten kijken. Of misschien waren het wel secondes…Toen vloog ze weer weg. Die hele dag heb ik lopen glimlachen.’ Clown: ‘Niet alleen clowns kunnen dus mensen blij maken.’ Anna: ‘Weet u wat nou het bijzonderste was? De vlinder had de mooiste en felste kleuren die ik ooit had gezien. De kleuren van een clown.’ Clown: ‘Dat is zeker bijzonder.’ Anna: ‘Ik heb opeens een idee! Dan hoeft u niet meer in het circus te werken, maar kunt u toch mensen, en dan vooral kinderen, blij maken.’ Clown: ‘En dat is?’ Anna: ‘U zou thuis moeten komen bij kinderen die ziek zijn, als clown. Zieke kinderen hebben nog weinig om te lachen. Een clown aan hun bed zou ze weer even kind laten zijn. En ook voor de ouders zal het fijn zijn om een glimlach op het gezicht van hun kind te zien. Dat is het mooiste wat er is. Ze even hun ziekte te laten vergeten. Ja, dat moet u echt gaan doen!' Clown: ‘Daar heb ik nooit over nagedacht. Maar het klinkt als een goed idee…een fantastisch idee zelfs!' Anna: ‘Kijk, daar! Ziet u dat, die vlinder? Het is dezelfde als die op mijn boek ging zitten! Als dat geen teken is! Zij vind het ook een goed idee!’ Clown: ‘Weet u wat? Doe mij toch maar een wijntje.’

mira1981
58 0

Ons Panini stickerboek

In het sigarettenwinkeltje op de hoek van het Simon Stevinplein koopt mijn vader onze eerste Panini stickers van het WWF thema “RED DE NATUUR”. Algauw volgen meer pakketjes met stickers en het bijhorende stickerboek. Dit is de start van een wekelijks terugkerende gewoonte. In mijn herinneringen komen mijn vader en mijn broer mij ophalen van de turnles, halen we pizza’s bij de italiaanse speciaalzaak en stappen we onderweg naar huis het winkeltje binnen om twee pakketjes stickers te kopen. Aanvankelijk kunnen we vlot de genummerde vrije plaatsen in het boek bekleven. Er zijn rechthoekige vakjes voor natuurtaferelen en ook uitsparingen met de contouren van dieren, planten en schelpen. Later leggen we een lijstje aan met de ontbrekende nummers. We trachten het lijstje in te korten met de inhoud uit meer nieuwe pakketjes of door te ruilen. Mijn broer neemt de stickers die we dubbel bezitten mee naar school en toont bij thuiskomst trots de zeldzame nummers die hij heeft weten te bekomen. Bijna dertig jaar later neem ik het boek opnieuw ter hand en sla het open. Op plaats één van het boek, in de rechterbovenhoek van de eerste bladzijde, prijkt de panda als vaandeldrager van alle bedreigde diersoorten. Binnenin staan bosbranden en oprukkende industrie afgebeeld als directe bedreigingen voor onze natuur. Ik zie beelden van milieuvervuiling door afval en in zee lekkende olietankers. Het cijfer driehonderdvijftig markeert een van de laatste lege plaatsen in het boek, linksboven in een vier-stickers-grote afbeelding van een energiecentrale die baadt in het avondrood. Ik tel de zegeltjes op de volle spaarkaart - vijftig stuks of één per pakketje stickers. Het retouradres op de spaarkaart is niet ingevuld. Ik stel vast dat we zo de mogelijkheid onbenut lieten om tot dertig ontbrekende stickers op nummer te bestellen aan een tarief van vier frank per sticker. Hiermee bleef ons stickerboek onvolledig, als een stil eerbetoon aan de spanningsboog die wij ruim een jaar lang aanhielden.

Brecht Fevery
53 1

Kerkpraat

Kerkpraat (Twee mensen zitten op een bankje achteraan in de kerk. Verder is er niemand.)   P:    Uw hondje mag hier niet binnen, mevrouw Cleeren, dat weet u. C:    U was er gisteren niet, meneer pastoor. P:    Ik heb nog andere parochies onder mijn vleugels, het zijn drukke tijden. C:    Druk? Da’s wel straf, met al die lege kerken.   - Stilte -   C:    Het is vandaag acht jaar geleden, meneer pastoor. P:    We zullen hem nooit vergeten. Hij is bij God nu. C:    Daar ben ik vet mee.   - Stilte -   P:    U mag uw hondje echt niet mee binnen nemen in de kerk, mevrouw Cleeren. Als ik dat voor één iemand toesta, dan is hier binnenkort het hek van de dam. C:    Ah ja. Dan neemt ál dat volk zijn hond mee naar de kerk. Hier zit geen kat, begot. Ik kom met Franske, of ik kom niet. P:    Franske…? C:    Ja, ik weet het. Mijn kinderen vinden het ook stom. Maar ik dus niet. Het is mijn hond, het zijn mijn zaken hoe ik hem noem.   - Stilte -   C:    De kinderen zouden vandaag komen, maar dat is een week uitgesteld. Voorlopig toch. Onze Guido belde als eerste af, en tien minuten later ons Godelieve. Ze wil tegenwoordig dat we ‘Lief’ zeggen. Niks van. Ik heb haar Godelieve genoemd, en zal haar zo blijven noemen.Er komt een beetje ‘god’ in voor, he meneer pastoor? P:    ‘Lief’ is ook wel lief. C:    Onze Guido begint ook met die zever: “Zeg maar ‘Guy’, dat klinkt jonger”. Alleen onze Jan doet nog normaal met zijn naam, gelukkig maar. P:    Daar valt ook niet veel aan af te korten, eerlijk gezegd. C:    Hier zie? Humor in de kerk, hoor je het, Franske? P:    Franske hierboven, of Franske de hond?   - Stilte -   C:    Ze vinden dat ik moet verhuizen. P:    Zeggen ze dat? C:    Ze geven mij een kus, kijken rond en zeggen: “Maar moeder toch, helemaal alleen in zo’n groot appartement…”, en dan krijg ik een aai over mijn bolletje. P:    En Franske dan? C:    Die krijgt geen aai.   - Ze gniffelen allebei. -   C:    Ons Godelieve heeft een kamer vrijgemaakt waarin ik mag komen wonen. De andere twee waren wel heel enthousiast over dat voorstel. P:    En u, mevrouw Cleeren? C:    Opwijk, meneer pastoor, Opwijk… Ik ken daar niemand. De bakker niet, de slager. Zelfs de pastoor niet. Ze spreken daar half Brussels.En ons Godelieve is allergisch voor honden.   - Stilte -   P:    Het kerkkoor komt repeteren over tien minuten. C:    Ah. U zet me buiten. P:    Ik zet niemand buiten. Het koor is wel onderbemand. C:    Dat koor klinkt als kattengejank.Frans kon heel mooi zingen. Wij met twee eigenlijk. P:    Ik weet het nog, die middernachtmis. C:    Ik zing niet meer, meneer pastoor. P:    U zou kunnen luisteren, misschien wat aanwijzingen geven? Meezingen hoeft niet meteen.   - Stilte -   C:    En Franske dan? P:    Die moet wel buiten. Ik kan een uurtje met hem naar het park. Als hij dat goed vindt tenminste.

birgit mellebeek
103 1

Dagelijkse quarantaine kost (Inzending Virus 2020)

Deze tekst datteert uit 2020 en schetst het beeld van de Coronapandemie toen deze nog maar net doorheen ons land woekerde. Het laat je met een raak, ietwat onbehagelijk gevoel terugdenken aan deze periode, maar tovert bovenal een glimlach op het gezicht! Inzending voor de schrijfwedstrijd "Virus" in 2020. Laat je meesleuren: ‘Elke dag is het nu al hetzelfde liedje: op elke zender, op elke post, op elk TV – scherm en op elke radio.’ zuchtte ze tegen me. ‘Wat als,’ ze draaide resoluut de radio zachter en zette met een rake klap de TV uit, ‘we het nu eens anders aanpakken, het totáál anders bekijken?!’ haar ogen fonkelden geestdriftig, geniepig en pittig tegelijkertijd, alsof ze zojuist Einsteins relativiteitstheorie overtroef en Darwins evolutietheorie met een gemak van de tafel veegde.  ‘Wat bedoel je, lief?’ zuchtte ik, vrezend dat ze net als één van eerder opgesomde namen balanceerde tussen de dunne lijn van gek of geniaal. Op één of andere manier wou en moest ik haar zien te beschermen. Want in mijn ogen dartelde ze – nee, zweefde ze – al enkele dagen rond die dunne lijn, die de uitersten verbond en verweefde tot één geheel.  Wie niet, eigenlijk? dacht ik. Waar zij energiek en creatief was, ontbrak ik ook maar aan enig gevoel van vrolijkheid of werklust. Alsof ik mijn batterijen al veel eerder had moeten herladen of vervangen. Nu was het te laat. We zaten middenin een gekte, een pandemie, een regelrechte crisis, of hoe anderen het ook maar wilden noemen.  De eerste week van sociaal isolement zat er bijna op, maar het leek pas het begin. Even beeldde ik me in dat viroloog Marc van Ranst plaatsgenomen had in de kleurrijke opgelapte fauteuil recht tegenover me. Nippend van zijn thee, me goedkeurend knikkend aankeek en me influisterde: ‘weet dat dit nog maar het begin is, zelfs jij weet net zoals iedereen wat er aankomt, bereid je voor op 10 lange, tergend traag voorbij kruipende weken’. ‘EN BLIJF IN UW KOT.’ en ook minister van Volksgezondheid Maggie De Block was toegetreden tot de conversatie! Ik zuchtte nogmaals, dieper dan de vorige keer. Misschien werd ik wel gek, de TV en radio stonden uit, maar toch beeldde ik me in dat er twee boegbeelden van deze crisis gewoon luchtig in mijn woonkamer zaten?! Waarom niet gans de pas gevormde Belgische regering Wilmès II en de veiligheidsraad erbij betrekken? Of ze gezellig uitnodigen voor het avondmaal? Weliswaar met twee meter voorbeeldige afstand tussen! Marc Van Ranst en Maggie De Block knipoogden me nu tegelijkertijd toe. Ik gromde en maande mezelf terug tot mijn normale zelfcontrole: genoeg fantasie gehad voor rampjaar 2020. Mijn lief was als een opwindbare springveertje recht gesprongen uit de zetel, had de radio uitgezet en de TV dicht geknald en staarde nu met een tegelijkertijd dromerige en enorm gefixeerde uitdrukking door het grootste en tevens vuilste raam van ons appartement.  Ineens draaide ze haar om en herhaalde dat ene kleine stukje: ‘Wat als,’ ze keek me vrolijk aan en vervolgde enthousiast haar zin, ‘ we een stap buiten wagen?!’ ‘WAT?!’ mijn ogen rolden haast uit hun kassen. Zo hard schrok ik. ‘M…m…maar buiten bestaat d…d…de kans dat je …besmet wordt,’ bracht ik voorzichtig en vallend over mijn woorden uit. Toen gebeurden er twee wonderlijk zaken op hetzelfde moment. Even kwam de zon vanachter de wolken piepen en scheen gretig in onze woonkamer. Tegelijkertijd barste mijn lief uit in een schaterlach, waar je haar alleen maar kon in vergezellen. Deze combinatie was te mooi om waar te zijn en kon ik niet aan me laten voorbijgaan! Dus lachte ik mee, eerst voorzichtig en dan haast nog luider dan zij. Spontaan en gezellig was het daar voor even in onze woonkamer en de zon, die scheen vrolijk en enthousiast met ons mee. ‘Wel, we doen het’, zei ik nog niet volledig bekomen van het schaterlachen,’ we gaan naar buiten!’ ‘Op één voorwaarde,’ ik keek haar gespeeld serieus aan. Haar donkerblauwe ogen staarden me serieus aan, de onbezonnenheid van daarjuist als sneeuw voor de zon verdwenen. Ze bleef mijn blik vastgrijpen, zonder een keer te knipperen. Ik slikte, me er volledig van bewust dat haar ogen me meesleurden naar de donkerblauwe diepte van haar energieke ziel. Even zag ik woeste stormen die zich vormen in haar prachtige ogen, maar ook ik gaf geen kik en de storm in haar ogen ging gaan liggen. In de plaats daarvan maakte het plaats voor een rustig gekalmeerd zeetje. ‘We houden afstand van anderen en als we het overleven maken we vanavond, samen, zelfgemaakte pizza!’ voegde ik er slinks en knipogend aan toe. Mijn gemoedstoestand was helemaal omgeslagen. De lachbui van zonet had me goed gedaan. Ze trok even een pruillipje – duidelijk gespeeld -, maar beantwoorde mijn knipoog met haar typische scheve grijns. ‘Oké.’ bracht ze alleen maar uit, maar haar lach was voldoende om mijn dag nu al goed te maken. We trokken onze wandelschoenen aan, voorzagen ons van een warme trui en trokken erop uit, de natuur in. De buitenstad was verlaten. Precies een verlaten, maar dan naar mensen snakkende, woestijn, waar het afval over de straat rolde als pluizen in de woestijn. Op straat passeerden we eenvoudigweg vijf eenzame zielen. Een oudere man, die krom liep, liet zijn hond uit. Hem ontweken we zichtbaar. Wie wou het nu eenmaal op zijn geweten hebben, om een oude man te besmetten?! Ook al zijn eventuele symptomen afwezig, je weet maar nooit! Een denkbeeldige Marc Van Ranst sloeg me gemoedelijk op de schouder. ‘Hela,’ mompelde ik in mezelf, ‘afstand!’ en sloeg zijn denkbeeldige hand weg. Van de andere vier eenzame zielen hielden we een meer dan acceptabele afstand. Wel knikten we iedereen een vriendelijke dag toe en zij beantwoorden minstens even vriendelijk met een knik, een glimlach of een goeiedag. De samenhorigheid en verbondenheid waren terug, dat was duidelijk! We zaten immers allemaal in hetzelfde schuitje, dacht ik optimistisch.  Stadsmussen floten ons een gezellige middag toe. Eenmaal in het natuurgebied aangekomen, geloofden we haast onze ogen niet. ‘HOE in GODSNAAM, overleven we dit, én dat op een zaterdag?’ bracht ik gechoqueerd uit.  Waar de stad volledig verlaten en uitgestorven leek, was het natuurgebied gevuld met mensen! Mijn lief lachte me toe, alreeds bekomen van het besef dat haar idee niet bijster origineel was geweest.  ‘Kom,’ haar ogen lachten me geruststellend toe, ‘zie het als een uitdaging om ze allemaal te ontwijken.’ en ze nam me bij de arm.  Het bleek ook écht een uitdaging te zijn. In plaats van de stilte en de rust te genieten, vogels te spotten en gewoonweg in de natuur te zijn, ontweken we nu een zee aan mensen. Weg was mijn lief haar schitterend plan! Na een grijze ochtend was de zon tevoorschijn gekomen en ieder levend stadsmens was uit zijn kot gekropen. Zo een drietal uur later, zo rond 18u00 kwamen we helemaal bezweet en uitgeput toe op ons appartement. ‘Wat was me dat?’ bracht ik lachend uit. Inmiddels kon ik er al om lachen. ‘Wél, het was een uitdaging.’ zei mijn lief, de pretlichtjes in haar ogen leefden opnieuw op. Streng voor onszelf wasten we eerste onze handen. Marc Van Ranst knikte me goedkeurend toe vanuit de spiegel. Ik gaf hem haast een high five en knipoogde hem toe. ‘Hahaha, wat doe jij nu?!’ mijn lief lachte me guitig toe. ‘Uh, niets! Gewoon gelukkig én moe.’ Na nog een douche, ploften we beiden vermoeid in de zetel, de klok tikte half acht. ‘Wel, als dit dagelijkse kost was voor de komende tien weken, lust ik wel wat quarantaine voedsel.’ Ik keek mijn lief ondeugend aan. Mijn lief keek me inschattend aan. ‘PIZZA, we BESTELLEN pizza.’ bedoel ik. Zo gezegd, zo gedaan. Ze belde de plaatselijke pizzeria op die sedert een week en half thuisleveringen deed. Ik hoorde vanuit haar telefoon het gebruikelijke doorverbind muziekje, en kort daarna had ze de vrouw van de Italiaan beet. ‘Het gebruikelijke…’ zei mijn lief, maar maakte haar zin niet af. Mijn lief haar blik ging van helderblauwe hemels over naar een donkerblauwe kolkende storm. Ik keek haar ongerust aan. ‘Oké, toch bedankt,’ zei ze, maar haar blik sprak boekdelen. ‘Ze doen geen leveringen meer vanaf zeven uur ’s avonds, blijkbaar had iedereen vandaag hetzelfde idee.’ ze zuchtte. ‘Wél, als dit de dagelijkse gebruikelijke quarantaine kost wordt.’ vergezelde ik haar in haar zucht. Ik haalde mijn schouders op. Samen haalden we uiteindelijk een diepvriesmaaltijd uit en warmden het op. ‘Op deze dagelijkse quarantaine kost,’ zei ze vrolijk. ‘Op sociaal isolement, braaf afstand houden op straat, een zee van mensen vermijden in het natuurgebied en diepvriesmaaltijden verorberen.’ voegde ik er aan toe. We klonken er op. Zo was het goed, toch? Zo overleefden we deze weken quarantaine. We maakten er, gewoon zoals iedereen, het beste van. Vanaf op een afstand keek de regering Wilmès II ons aan en schalde de stem van Marc Van Ranst door de woonkamer. Deze keer bleven de radio en televisie gewoon aan.

Zonsondergangdromen
10 0