Lezen

De paddentrek

‘Wat komt ge hier feitelijk doen jong?’ Zijn met woede gevulde ogen schoten vuur mijn richting uit. Zwiepend en zwaaiend met beide armen, benen half geplooid, alsof hij een poppenkastpop was die met één trek aan het koordje de meest waanzinnige capriolen maakte. Jan Klaassen van de waanzin.   ‘Wel, wat komt ge hier doen?’ Stilte, enkel mijn ademhaling was te horen, piepend en krakend als een kuiken. Hij en zijn vrouw keken naar het smalle weggetje dat was omgevormd tot een waanzinnige modderstrook, waar ik me tot voor enkele seconden met mijn auto een weg probeerde door te banen. Zijn vrouw sloeg de armen ten hemel, het hoofd heftig schuddend van neen. Ik, in mijn blauwe citroën C3, mijn raam halfopen, mijn gps die maar bleef herhalen dat ik rechtdoor moest.  ‘Voor de laatste keer makker, wat komt gij hier doen?’  Wat ik daar kwam doen viel niet zo makkelijk uit te leggen. Ik had hier afgesproken met makkers om samen het weekend door te brengen in ware festivalstijl.  De rit was lang en vermoeiend geweest, helemaal van Gent naar de Kempen die, naar ik had vernomen, voornamelijk stil zouden moeten zijn. de locatie was geprikt op google maps, een vaag filmpje van de organiserende vrienden als handleiding, meer was er niet. Nota bene had ik blijkbaar thuis onvoldoende gecommuniceerd dat ik daadwerkelijk het godganse weekend weg zou zijn. Dus vertrok ik met de beeltenis van een rouwende vrouw, en onthechte kinderen. En ja, ik had een vermoeden dat ik verkeerd aan het rijden was en ik raakte daardoor steeds meer in de war. Zeker nu deze briesende stier en zijn kenau voor mij stond druppelde het zweet me van het voorhoofd en kon ik simpelweg geen cohesie in mijn verhaal krijgen. Dus hield ik het op stamelen zonder inhoud, verzuchtingen zonder kern.  ‘Euh, ik moet hier zijn.’‘Gij moet hier zjsust niet zijn, maakt maar dat ge weg komt, of ik bel den boswachter.’‘Maar ik kom hier parkeren.’‘Godverdekke, parkeren, hij komt hier parkeren, hoort ge dat?’‘Ja ik hoor het’, beaamde zijn vrouw. Hun beider gezichten werden nu zo rood dat ik begon te vermoeden dat ze alle momenten zouden ontploffen. Of wegvliegen naar de andere kant van het heelal, de donkere kant van de maan.  Ik bedoelde natuurlijk kamperen, maar in de stress van het moment had ik mij klaarblijkelijk vergist en waren de letters in quasi willekeurige volgorde mijn mond uitgeglipt.  ‘Kom jong, weg!! Weg zeg ik u!!’ Zijn armen beschreven en onderlijnden wat hij bedoelde.  ‘Ja, maar, ik kan hier niet weg. Ik heb hier afgesproken.’‘Maar gij moet hier niet afspreken jong.’‘Jawel, ik kreeg deze coördinaten door, ik moet hier zijn.’ Telkens wanneer ik dacht dat er enige rust zou zijn om wat ik gezegd had reageerde de vrouw met draaiende oogbollen en afwijzende blikken, klinkend gezucht en doorzakkende knieën.  ‘Nu is’t genoeg geweest, ik bel den boswachter, die zal u wel een campingplek voor vannacht voorzien, ergens anders.’ Nu begon zijn vrouw alles te papegaaien wat de man zei. ‘’t Is genoeg geweest’, ‘elders kamperen vannacht’, ‘boswachter’.  Meer en meer begon ik te beseffen dat mijn vrienden hier toch ergens moesten zijn en meer en meer begon ik te beseffen dat het plan illegaal was en meer en meer wist ik dat ik mijn vrienden moest redden, ik wilde niet degene zijn die het weekend vergalde. Ik heb namelijk al een paar verknallingen op mijn conto staan. Zo viel ik ooit flauw tijdens een concert van Guns ’n Roses, na amper het derde nummer. Één van mijn vrienden nam me mee naar de EHBO, we arriveerden daar net toen ze “november rain” begonnen te spelen. Dat was die vriend zijn openingsdans geweest van zijn gestrand huwelijk. Hij huilde terwijl ik te versuft was om hem te troosten. De verpleegster van dienst gaf geen krimp en steggelde verder op sandalen met sokken.  Neen dit keer zou ik het slagveld verlaten voor ik het erger kon maken.  ‘Jullie hebben gelijk, ik ben mis. ’t Is goed, ik ben al weg. Maar ik moest hier toch echt zijn, ik weet dat het onhandig is, maar wat is het probleem eigenlijk?’ De man zuchtte kortstondig en blies zijn longen vol.  ‘Het probleem, jongen, is dat er hier waar jij rijdt met je auto, duizenden paddenjongen momenteel aan het voorbijtrekken zijn. Duizenden. En al die padden die komen onder uw banden terecht en gaan dood. Gij vermoordt duizenden padden door hier door dit gebied te komen rijden.’ Hij berustte in zijn pleidooi. Ik hapte naar adem.  Ik was een paddenmoordenaar. Ik had een genocide gepleegd onder Kempense paddenbevolking.  ‘Waar komt gij vandaan?’ De rust was blijkbaar ook in zijn stem teruggekeerd. ‘Gent.’ ‘Ja, maar dan, Gent, jong. Ja kijk, hier is natuur hé makker en in de natuur doet ge niet zomaar uw ding. In Gent kan dat wel zijn, maar hier moeten we rekening houden met het tempo van de natuur.’‘Sorry, ik dacht dat ik hier moest zijn, er zou hier, niet ver van de zwarte vijver, een plek om te kamperen moeten zijn, met chaletjes, of stacaravans, daar hadden we afgesproken.’  Misschien verknalde ik het nu toch door zomaar de locatie door te geven van ons potentieel bacchanaal.  Maar, ik zag het luttele seconden later, er veranderde iets in het gelaat van het koppel dat zich blijkbaar als patroonheiligen van de padden had opgeworpen. Hun gezichten werden zachter en ik zag een flintertje schaamte in hun ooghoeken, leek het wel.  ‘Ach, ge moet naar de zwarte vijver, maar zo moogt ge rijden. Alllé volgens het boekje mag je tot daar rijden, we kunnen u niet tegenhouden, doe het maar, we kunnen u niet tegenhouden.’  Nu hielden ze elkaar vast alsof ze getuigen waren van iets vreselijks, iets wat niemand verdiende mee te maken. Ze zouden met eigen ogen zien hoe ik met mijn rammelende wagen padden zou blijven vermorzelen.  Het ging ook mij te ver.  Ik reed achteruit, ook nu bleven padden aan mijn velgen hangen maar ik moest wat. Ze keken me verward aan. Parkeerde mijn auto op het weggetje waar ik dacht dat hij veilig was, nam mijn slaapzak uit de auto, mijn tas en mijn tent. Ik stapte door de modder op de mensen af, gaf hen een knuffel, tuurde richting waar ik dacht dat de zwarte vijver moest liggen en stamelde: ‘ik doe dit voor de padden, voor alle padden.’ Nadien stapte ik weg, het feest tegemoet. Met in mijn tas, herwonnen respect en sympathie. Padden kwaakten, als teken van dank. Ik liet ze maar. Want dat is het mooiste: bijna zomer, vrienden en vrede en een kalme paddentrek. 

Thomas De Mulder
30 1

Mijnenvegerman (2)

  Je préfère de contredire Victor Hugo. Mes poèmes ne vous mèneront nulle part. En plus, dans ma maison, cet escalier ne guidera vos pieds ni vers le haut, ni vers la cave, où mes cerveaux se baignent dans le vin qui refuse de mûrir. Neen. Deze frase is niet gestolen. Ze is van hem Etienne, die op dit schip nooit droomt van onderdak op vaste wal. Hij mijmert liefst over de komst van leegte in zijn hoofd, terwijl een kwal zijn schedel streelt. Je bent zo kaal, mijn kind, zo sprak de egel tegen de verweesde slak die gans in het begin van zijn bestaan de weg en zelfs zijn eigen huis verloor. Neen. Dit zinnetje staat dan weer niet op deze wand van onze mijnenveger. Het is te dwaas om dood te doen. Believe me though. The smallest things can kill. A single grain of salt is often lethal for a sweet beginning. Therefore, my dear. Promise me just pure potato chips. Please, my darling, stay with me until my sinful end, not for a bag or two. Je ziet het. Odilon. Mijn vriend met Britse linker vingers. Hij maakt zichzelf vaak wijs dat zijn gedachten niet zullen vergaan, eenmaal ze opgeschreven zijn. Hoe mist een hersenpan toch vullen kan. Die ijdelheid van hem gedraagt zich als bedorven snot dat snel een zakdoek zoekt. Dat mocht. Dat mag altijd. Zolang de fles waarin wij wonen rustig drijven blijft. Trouwens. Deze schuit onder dit glas is niet gemaakt van eeuwig hout. Ze is van zeer gewoon plastiek, maar niettemin moderner dan een stalen schuit. Er is geen sonar die ons vinden kan. De knaap met zijn metaaldetector zocht ooit munten op de bodem van de zee. Hebzucht en gebrek aan lucht, zij hebben hem daar laten liggen toen zijn lijf begaf. Zijn geest is nooit teruggevonden, maar dat geeft niet, werk genoeg. De veerman heeft genoeg verdwijningen te melden als zijn pontje weer eens oversteekt. Geloof me vrij. Hier is de ijver minder groot. Wij zoeken niets. Wij werken weinig, spelen liever en de zeemeermin, zij heeft een kruistochtje getekend van die zoete lip tot aan haar linker tepeltje. Zij weet dat zoiets nodig is voor mij. Haar mijnenvegerman. Het kind met die verdwaalde ziel.     uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 0

Innana schreef een brief

  In de rubriek 'brievenbussen zonder gleuf' staat een model met open onderkant. Dat koopt hij nooit, de mol die mij goed kent. Hij is zo zacht stilte kan zijn maar laat zich zelden aaien door de tederheid. Ik wil nochtans alleen maar vragen welke bril hij wil. Gij zot, dat zegt altijd de blinde wolk die hier al eeuwen hangt. De zon ze is niet nijdig meer wanneer een straal gestolen wordt. Het gebeurt. Steeds op een maandag. Dan schiet hij over alle daken van het dove dorp. De onbezorgde post wilde geen duif. Daarom is het een albatros. Hij komt van over zeven zeeën. Innana schreef een brief voor mij. Ik weet niet wat ze zoekt. Misschien ben ik het welpje van de leeuw van wie zij droomt. Mijn antwoord mag zij raden op een dag dat zonlicht schaduw mint. Het mag van mij. Liefst omgekeerd. Ik wil haar klauwen voelen op mijn rug. Ze mag dit klad mijn vel en hart verscheuren. Omdat het lijmen van een helft of twee, het naaien van een paartje ogen op een kop, de horizon geen zorgen baart. Hij is de enige. De einder weet het waarom lucht van land gescheiden blijven. Er is geen lijn die dat veel beter snapt. Het was een grap gemaakt door een zeer radde tong. Zij vroeg aan een geslepen mes om twee verkleinwoorden de staart kort af te snijden. Zo maakt men een koppeltje reuzen met veel minder dan een oorlog nodig heeft om grote lijkkisten te vullen. Onderweg zag ik een kompas slapen langs de weg. Ben je iets kwijt, is dan een domme vraag. Het ding heeft noordenwind nooit aangevoeld als richting voor het vinden van een schuchter briesje. Layla, lieve schat, maak je geen zorgen. Innana heeft niet eens een pen. Zij paart de ganse dag met stijve nachten die geen rust meer vinden. Ik wacht alleen op jou. De albatros hij zit gewoon naast mij. De lijm gebruik ik niet om pluimen vast te kleven aan mijn wolk die weer eens naaktheid vreesde. Ik spaar alles. Een glimlach van de maan. Een traan van een dolfijn. Het leeft hier allemaal. Zo ook, voor jou het restje warmte. Dat de zon, nog voor haar ondergang. Snel ruilen wilde tegen die enkele bloem, met dat verlegen nectarhart.   uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
2 0

Duikelend noorderlicht

  Anderzijds mag dat geen verrassing zijn. Ik weet goed, hoe onze dood seconden vierendelen kan. Wees dat maar zeker. Hij is van ons allen. Verstoppen doet hij zich nu eenmaal nooit. Het is vooral angst die in ons leeft en vindt dat hij dat nodig heeft. Het witste laken. Die rode tentjes. Die grote stenen platen twee bij één. Putten die met plooimeters gecontroleerd en diep genoeg bevonden worden. Zijn rug zal hij nooit buigen wanneer dagen vragen wat geduld te rapen. Graaf dat gat en zwijg. Zet je op de knieën, droom nog even van het noorderlicht en duikel dan. Zijn gefluister is altijd kordaat. Hier in dit achterhoofd heeft hij een eigen spreekgestoelte en verkondigt daar geregeld dat het stilaan menens wordt. Ik weet wat hij bedoelt. Hij wil helaas niet zeggen hoe het moet. Dat zal hij zelf beslissen omdat ik te laf ben. Meestal komt dat door een zonnestraal die zich door luiken waagt en hoopt dat ik hem nog verdragen kan. Er staat een glas met water naast mijn bed en die matras is de woestijn waarin de druppels van de tijd verdwenen zijn. Onmetelijk. Zo lang lig ik hier al. Het hielp niet toen ik beide wijzers van de klok wat inkortte. Ooit werd er nog gedanst rondom de boom waaruit dit hout gewonnen werd. De poten van dit ledikant, die hadden zo veel tijd om na te denken dat ze intussen weten hoe een toren rechtop slaapt. Mijn ogen kennen nu de bron van elke traan en zijn debiet. Dat is niet groot en ze geraken nooit voorbij de wang. Terwijl mijn nek dit hoofd nog even draagt, vraagt mijn hand aan het raam, of het luik zich fijn gesloten voelt. Daarna volgt mijn blik de wolfspin die een vaste route volgt. Eerst langs die barst van lang geleden. Dan over deze balk om daar, steeds in hetzelfde schilderij, weer te verdwijnen tussen Elpis en Apollo. Ooit wordt alles ingeslikt. Het is de kracht van zwarte gaten die veel sterker zijn dan ik vermoedde. Ik was nog jong, geloofde in een zinvol middenstuk. Elk grijze wolk vloog mij voorbij alsof het water dat zij droeg, slechts milde nevel worden zou. Gelijk een duizendpoot met nieuwe laarsjes pronkt, zo wandelden de uren ongenaakbaar door het bos. Volg me dan als je kan. Zo plaagden motjes rondom mij. Hun vlindervlucht werd nooit ruw onderbroken door een zuchtje wind. Zo leek het toch en daar heel hoog, toen ik een besje wilde plukken uit een hemelstruik, zong hij voor mij een deuntje. Het ging niet over hoogtevrees. Het was een maretak die liedjes kende over zacht verlies. Over een fleurig graf. Ik zag dat hij. Die maretak. Gebogen takjes had vol dapperheid. Ik vroeg nog snel. Waarom hij bladeren verdroeg, met daarin van het beste gif.     uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
6 0