Lezen

Naadloos

Ik hoorde het kraken. Of eerder knisperen. Zoals het bevroren gras dat deze ochtend onder mijn voeten werd vertrappeld. Ook zo voelden mijn hersenen toen ik mijn hoofd brak over de vraag wat me vandaag blij maakte. Op deze enige eigenste dag. Ik zocht heel lang tussen de bevroren verbindingen onder mijn hersenpan. Te lang om het een spontaan antwoord te noemen. Waardoor de echtheid van mijn blijheid te betwijfelen viel. Door wie ernaar vroeg. En in de eerste plaats door mezelf. Ik had nochtans kunnen antwoorden dat ik van de dag zelf blij werd. Van woensdag 12/01/2022. Geen palindroomdag. Die was me de komende negenennegentig jaar niet meer gegund. Maar wel een dag waarvan de datum uit slechts drie cijfers bestond. Nul, een en twee. Cijfers die ik al langer meedroeg als mijn favorieten. Aan elke combinatie die ik ermee kon maken hing een herinnering die me gelukkig maakte. En waarover ik uitgebreid kon vertellen. Maar vandaag dus niet. Ik had ook kunnen zeggen dat ik blij werd van de zon die door het dakvenster mijn rug verwarmde. Toen ik op mijn knieën op de koude zolderkamer de plint tegen de muur kleefde. De plint die ik in de verstekbak had gezaagd. Tot op de millimeter afgemeten. En waarbij mijn hart een vreugdespong maakte toen ik tot de vaststelling kwam dat de naad van de ene plint perfect aansloot op de andere. En dan waren er nog de zwaluwen. Die hun vlucht naar het zuiden maakten. Hun zwarte choreografie op de achtergrond van het mistig onder een ijslaagje bedekt landschap geplakt. Ze vlogen synchroon met mijn autorit. Ik beeldde me in in welke landschappen ik met mijn ijzeren ros zou rijden mocht ik mijn weg samen met die van hen verder zetten. Op dat kleine stukje gladde weg maakte ik een wereldreis. Tot waar de zwaluwen mijn weg kruisten voelde ik me vogelvrij. Maar op de vraag waardoor ik vandaag blij werd kon ik dus nog steeds niet antwoorden. Het duurde zo lang dat ik mezelf ondertussen de vraag kon stellen waarom het zo lang duurde voor ik op die eerste vraag kon antwoorden. Doorgaans gaf ik binnen de seconde respons wanneer iemand me vroeg hoe het met me ging. ‘Goed en met jou?’. Met die zin klonk mijn antwoord altijd waarheidsgetrouw. En werd dan ook steeds voor waar aangenomen door wie ernaar vroeg. Waardoor er op het onderwerp niet langer werd ingegaan. Het gesprek schakelde in de kortste tijd over op het weer van die dag. ‘Ja, koud hé’. Ondertussen was mijn grijze massa ontdooid. En sijpelde het antwoord tot in mijn mond. Ik werd die enige eigenste dag blij van de naadloos aan elkaar passende plinten. Maar net op tijd slikte ik die gedachte door. In de milliseconde ervoor besefte ik dat met zo’n antwoord het gesprek zou bevriezen. Waardoor het niet naadloos zou overgaan in een beleefdheidspraatje. Diegene die het me vroeg zou zich een beeld vormen van mijn geestelijke gezondheid. Waar trouwens niets aan scheelde. En zich met een grijnzende lach in zijn mondhoek en een voor zichzelf bevestigend knikje omdraaien. Schuifelend wegschaatsen op de gladde weg om me nooit meer iets te vragen. Dus zei ik maar dat het weer me blij maakte. Ook al vroor het dat het kraakte. Van onder mijn schoenzolen tot onder mijn hersenpan.

ZINinZICHT.
0 0

Het eeuwige wachten

De voorjaarszon scheen fel die namiddag waarop ik haar voor het eerst ontmoette. Zij zat op een bankje in de schaduw van een boom met gekruiste benen en rechte rug.De stad was net bevrijd van de Duitse bezetting. Het was 1945 en Mechelen was in volle wederopbouw. Ze heette Rifka vertelde ze me later. Zoals de Bijbelse echtgenote van Izaäk, moeder van Jakob en bekend om haar grote vriendelijkheid. Ook deze Rifka zag er erg vriendelijk uit. Haar donker opgestoken haar zat perfect in model. Ze droeg een deftige jurk en een donkere lange jas die ze bij dit warme weer nonchalant open liet hangen. Op haar rechterborstzak waren de restanten van garen te zien, van waar ooit een Jodenster had gezeten.De manier waarop ze daar zat straalde vastberadenheid uit. Ze leek een doel te hebben. Geen verdwaalde ziel aan wie ik het verhaal van de Heer zou moeten verkondigen. Ik heb altijd al een fascinatie voor duiven gehad. Als kind beeldde ik me in dat ik samen met hen over de stad kon vliegen, op zoek naar achtergebleven resten brood. Het leek me heerlijk om van op de daken van gebouwen naar de mensen in de straten te kijken. Toen ik een aantal eeuwen geleden stierf, besloot ik dus, om net als de duiven, zo veel mogelijk tijd op de rand van het dak van mijn thuis, mijn geliefde Predikherenklooster in Mechelen, door te brengen. Ik was dan wel geen echte duif, maar als God vond dat ik eeuwig als engel op aarde moest blijven om zijn woord te verspreiden, dan kon ik er maar beter het beste van maken. Zo zat ik dus dagelijks op het dak van mijn klooster, dat ondertussen dienst deed als militaire kazerne. Nadat ik Rifka een tijdje had geobserveerd, besloot ik om naast haar op het houten bankje neer te strijken om haar van dichtbij te kunnen bekijken. Meteen draaide ze haar hoofd in mijn richting.Ik schrok, want voor gewone stervelingen ben ik normaal niet zichtbaar. Meestal fluister ik het heilige woord gewoon in hun oor. Bij haar was het anders. Ze keek me aan en glimlachte bedeesd.‘Goedemiddag, ik ben broeder Domenicus,’ stelde ik me voor, mezelf nog steeds afvragend of ze mij nu werkelijk kon zien. ‘Wie ben jij?’‘Rifka,’ zei ze zacht en wendde haar ogen snel weer van me af. ‘Rifka Wolff.’Haar stem klonk schor, alsof ze die al een tijd niet meer had gebruikt. ‘Aangenaam Rifka Wolff. Wat brengt jou hier?’‘Ik wacht,’ zei ze. Ze keek strak voor zich uit. Haar handen zaten om haar handtas geklemd.‘Mag ik zo vrij zijn om te vragen op wie?’‘Op Gideon, Gideon Presser, mijn verloofde.’Ze opende zenuwachtig haar handtas en haalde er een foto uit die ze me gaf. ‘U hebt hem hier toevallig niet gezien?’Ik bekeek de foto waarop een donkerharige jongeman stond. Hij droeg een net pak en leren schoenen. Ook op zijn borst prijkte een Jodenster. Langzaam schudde ik mijn hoofd: ‘Neen, niet dat ik me herinner. Er zijn hier natuurlijk veel jonge mannen gepasseerd de laatste jaren.’‘We hadden hier afgesproken na de oorlog,’ zei ze terwijl ze de foto behoedzaam uit mijn handen nam en weer in haar handtas stopte. ‘Hij zou terug naar Mechelen keren en dan zouden we samen weer naar Brussel reizen.’‘Ik vrees dat ik je niet kan helpen,’ zei ik. ‘Het spijt me.’Ze glimlachte en wreef met haar handpalm een lok haar, die was losgekomen uit haar perfecte kapsel, naar achter.‘Jammer,’ zei ze. ‘Hij zal wel snel hier zijn. Hij heeft het beloofd op de dag dat hij hier vertrok. In al zijn brieven nadien heeft hij het herhaald. In zijn laatste brief stond zelfs de exacte datum van ontmoeting: vandaag, 15 mei in de namiddag, zou hij hier aankomen. Ik heb speciaal mijn beste jurk aangetrokken. Als we terug in Brussel zijn, gaan we trouwen en een huis zoeken aan de rand van de stad. Daar zullen we dan een gezin stichten. We willen zo graag een jongen een een meisje, het liefste in die volgorde. We zullen ze Adam en Mira dopen.’ Rifka begon er van te blozen. Ik voelde haar oprechte hoop en de grote liefde die ze ongetwijfeld voor haar Gideon koesterde.‘Vreemd dat hij er nog niet is. Gideon is anders altijd erg stipt.’ Ze schuifelde heen en weer op het bankje. ‘Misschien heeft zijn vervoer vertraging…’ ‘Misschien,’ zei ik. ‘Misschien komt hij pas morgen, misschien is door de oorlog zijn gevoel voor tijd wat minder scherp.’‘Denkt u?’ Ze draaide haar hoofd schuin, zodat de losgekomen lok haar weer naar voor viel. ‘Dan moet ik morgen terugkomen, helemaal uit Brussel.’Ze zuchtte en leunde naar achter tegen de leuning van het bankje.‘Hoe laat is het nu?’ vroeg ze na een korte stilte. ‘Aan de stand van de zon te zien moet het rond zes uur zijn,’ antwoordde ik.‘Dan moet ik terug naar huis, mijn moeder wacht met het eten.’ Ze stond op en maakte aanstalten om te vertrekken. ‘Dag Rifka,’ zei ik snel. ‘Hopelijk heb je meer succes morgen.’‘Dank u,’ zei ze en verdween. Zo zat ze daar vanaf toen, dag na dag, te wachten op haar Gideon. Altijd met haar kapsel perfect in model en in haar deftige jurk. Nooit kwam hij opdagen. Ze zwaaide altijd even naar me als ze aankwam. Soms maakten we kort een praatje over het weer, soms mijmerde ze urenlang over haar toekomstige leven met Gideon.Op een dag was ze verdwenen. Ik dacht dat ze uiteindelijk toch haar geliefde had gevonden en dat ze, zoals ze had voorspeld, samen naar Brussel waren vertrokken. Ik zou onze praatjes missen, maar was oprecht blij dat haar wachten was beloond. Een week later zag ik een jongeman op de plek waar Rifka de laatste weken had gezeten. Het was Gideon. Ik herkende hem meteen van op Rifka’s foto. Hij droeg hetzelfde pak, enkel de Jodenster ontbrak. Hij kuste een papiertje dat hij daarna in zijn broekzak stopte en ging dan zitten waar Rifka altijd had gezeten. Hij huilde. Ik streek naast hem neer om te vragen wat er was, maar hij keek niet op. Ook toen ik zijn naam uitsprak, kwam er geen reactie. Wat ik ook deed, hij zag me niet. Hij keek enkel naar de hemel en prevelde intens gebeden. Gideon heeft er, denk ik, een uur gezeten. Hij nam zijn zakdoek om zijn gezicht te fatsoeneren en zijn neus te snuiten. Daarbij viel het papiertje dat hij bij zijn aankomst kuste ongemerkt op de grond. Daarna vertrok hij. Pas toen hij verdwenen was, durfde ik het papiertje op te rapen om te lezen wat er op stond. ‘Bid voor de ziel van Rifka Wolff, omgekomen bij de bombardementen te Brussel, 7 september 1943.’

Ans DB
0 0

Carrièreswitch

1983.  Verleden week werd ik negen jaar. Ik kreeg een nieuwe T-shirt en een modelvliegtuigje. Later wil ik stuntpiloot worden of gezagvoerder van een passagiersvliegtuig.Gisteren kwam de kapelaan mij samen met mijn schoolvriend uit de klas halen. Hij had extra misdienaars nodig bij een belangrijke begrafenisplechtigheid. Wij schrokken ons een hoedje. Er stond een tank voor de poort van de kerk  en wel honderd soldaten in verschillende uniformen. Een militaire muziekkapel speelde een treurige mars. De kapelaan legde uit dat er een voorname begrafenisdienst was en er extra misdienaars nodig waren. De mis zou met wel drie geestelijken worden opgevoerd. Dat gebeurt normaal enkel op kerkelijke hoogdagen. Drie oudere misdienaars waren al op post. Vanuit de deur van de sacristie legde ze uit wat er allemaal gaande was. Dit was een staatsbegrafenis voor een piloot die omgekomen was toen zijn vliegtuig was gecrasht bij een reddingsoperatie in een ver land.De kerk zat nokvol met gewone mensen uit het dorp, maar ook de burgemeester was er met enkele belangrijke politieke toplui. Eerst kwamen hoge officieren binnen in prachtige uniformen van zowel de landmacht, de zeemacht als de luchtmacht.  Zelfs een generaal was helemaal  uit de hoofdstad gekomen en vertegenwoordigde de koning. Dan begon de dienst. Wanneer de kist met de nationale driekleur werd binnengebracht speelde het orgel het volkslied. Achter de kist liep een dame die helemaal in het zwart was gehuld. Ze werd ondersteund door een man in een uniform van de luchtmacht. Later vernam ik dat ze amper dertig jaar oud was en dat haar dochtertje pas negen was geworden, net als ik.Alles was indrukwekkend. Er werden speeches gehouden en de vertegenwoordiger van de koning zei dat aan de omgekomen piloot postuum een belangrijk ereteken werd uitgereikt. Dat ereteken werd bovenop de kist gelegd. Bij het buiten dragen van de kist liepen de priesters en wij als misdienaars vooraan tot aan de kerkdeur. Daar gingen wij links en rechts van de wijde poort staan terwijl de kist op de schouders van zes militairen werd gehesen. De echtgenote van de overleden man had haar zwarte voile voor haar aangezicht omhoog gedaan. Ik kreeg de tranen in de ogen bij het zien van zoveel smart en leed. In het voorbijgaan kwam iemand van de aanwezigen naar mijn schoolkameraad en mij, bedankte ons en stopte ons een geldbriefje in de hand. Vandaag heb ik mijn besluit genomen. Ik heb het geld in mijn spaarpot gestopt. Het spaargeld ga ik later gebruiken om mijn studies te betalen. Piloot ga ik niet meer worden maar ik wil studeren voor dokter en ga dan bij het leger om gekwetste soldaten te genezen.  

Vic de Bourg
37 1

kaal

Een meisje met blond haar zette zich naast een vrouw met een glad hoofd. Ze zaten een moment als twee wasmachines in een wasserij. Gedachtes dat maalden, schuimden en zoemden. De sandalen van het meisje wiegden heen en weer.'Wat betekent terminaal?' vroeg ze. 'Dat betekent zoiets als definitief en voor altijd.' Ze trok grote ogen. 'Eng.' 'Ja.' Beaamde de vrouw. Ze maalden verder in stilte.'Wat is jouw naam?' vroeg de vrouw tenslotte. 'Mathilde,' zei het meisje. 'Wat een toeval, ik ook.' 'Echt?' Ze knikte. 'Ken je bugs bunny, Mathilde?' Het meisje schudde haar hoofd en kamde de wilde haren van haar gezicht. Haren waar de wind mee speelde. 'Bugs bunny is mijn grote held. Hij is nooit bang, altijd zelfzeker. En hij is iedereen altijd te slim af.' 'Die ken ik niet,' zegt antwoord ze. 'What's up, Doc?' Zegt de oudere Mathilde. Dat doet het meisje lachen. Ze probeert de zin zelf uit. Als voor het eerst iets nieuws proeven. 'What's up, Doc?' Beide Mathildes giechelden als meisjes tijdens een pyjamafeest. De oudere Mathilde deed alsof ze op een wortel knabbelde. 'Ehh.. What's up, Doc?' 'Waarom ben je kaal?' de vraag zat al even in de mond van het meisje. Al van toen ze de vrouw op het bankje zag. 'Valt het je ook op dat in films niemand ooit een kwaal heeft?' Zuchtte ze. 'In films is iedereen zo perfect.' 'Waarom?' vroeg de jonge Mathilde. 'Omdat het niet belangrijk is voor het verhaal.' zei de oudere. Ze zwegen voor een tijd. De voeten van het meisje wipten een tijd op en neer. Toen werden ze stil. 'Wat is jou verhaal?' vroeg het meisje toen. 'Waar is je haar?' 'What's up, Doc?' antwoordde Mathilde. Het meisje kruiste haar armen. 'Goed als je het niet wil zeggen.' 'Waarom ben jij hier?' vroeg de oudere Mathilde. 'Dit is geen plek voor kleine meisjes.' 'Als jij het niet wil zeggen, ik ook niet.'Het meisje stapte op. Haar haren golfden in de wind. Een kwartier later kwam ze terug langs de bank, ze hield de hand vast van een dame dat ongetwijfeld haar moeder was. Haar moeder had een bolle buik. Toen ze langs het bankje passeerden zeiden ze beide nog eens; 'What's up, Doc?'

Stelselmatig
0 0

Slaapwel

Op 30 februari om vijf voor middernacht rinkelt de deurbel zeven maal. Ik schrik en laat mijn sigaret op het bed vallen. Snel klop ik met mijn hand op het laken. Fijne genstertjes spatten tegen mijn huid, voordat het lichtje in het duister volledig uitdooft. Ik kan wel raden wie er aan de deur staat, en ben opgelucht en ongerust tegelijk. Ik haal diep adem. Kalm blijven, maan ik mezelf aan. Met stramme spieren sleep ik me uit het bed en probeer ik in het donker de weg naar de voordeur te vinden. Sinds ik de meeste van mijn meubelen verpand heb, is mijn krappe huis een hindernissenparcours. Alles wat in mijn kasten zat, ligt verspreid over de vloer, met hier en daar een hoop sigarettenpeuken erbovenop. Ik stoot mijn teen tegen de deurpost en denk met heimwee terug aan de tijd waarin er nog licht uit mijn lampen kwam. Maar elektriciteit kost geld, en dat had ik nodig voor iets anders.Ik open de voordeur en daar staat hij in het maanlicht. Meneer Nevel. Opnieuw gaat hij verscholen onder een te grote hoed en een wijde mantel.Snel ga ik achteruit om hem binnen te laten. Twee uur geleden weerklonk de galm voor de avondklok al. Er hoort niemand meer op straat te zijn.Ik hurk op de grond, graai met mijn handen over de vloer. Hier in het halletje liggen ergens kaarsen. Ik heb ze daarstraks nog gezien, toen ik me moeizaam van het bed naar de sofa verplaatste… Maar plots floept er een licht aan tussen de handen van meneer Nevel. Hij richt een zaklampje pal op mijn gezicht. Het felle witte licht doet mijn ogen tranen. Meneer Nevel houdt het lampje een tijdlang op mij gericht, zonder iets te zeggen. Misschien probeert hij de vrouw te zien die ik ooit was. Zij verdween zodra ik een Gebruiker werd, en alle Gebruikers zien er hetzelfde uit: de huid strak om de knoken, het gezicht bleek en ingevallen, de ogen dol. In mijn buurt wonen er zeker een stuk of tien zoals ik. Ik zie ze tijdens de Waak, als ik in de sofa zit en verlamd van verveling door het raam staar. Ze slenteren door de straat en kijken wantrouwig om zich heen. Niet lang meer, denk ik dan, voor ze net zoals ik niet meer buiten komen, en van hun bed naar hun sofa schuifelen. Alsmaar heen en weer, tot de Slaap hen van die wansmakelijke routine verlost. Ooit was ik anders. Een jonge vrouw, die elke ochtend vroeg naar haar werk vertrok, en na een oneindig lijkend aantal uren van mentale marteling laat thuis kwam, waar het lege huis geen enkele troost bood. ’s Nachts deed ik geen oog dicht, omdat ik mijn hoofd niet kon stoppen. Ik snakte voortdurend naar rust. Eerst vond ik de Gebruikers weerzinwekkend, maar hoe langer ik erover nadacht, hoe jaloerser ik werd op de periodes waarin hun rolluiken naar omlaag bleven. De Slaap, zoals zij dat noemden, met hoofdletter S. De periodes waarin ze niet sliepen, maar met holle ogen doelloos door de straat dwaalden, leken plots een kleine prijs voor die heerlijke tijd van rust.   Op een avond was ik zo overtuigd dat ik durfde aan te bellen bij een Gebruiker in mijn straat. Een oudere man met een snorretje. In gedachten noemde ik hem Opa, omdat mijn grootvader zaliger net zo’n mal snorretje had. Alleen was het gezicht van deze Opa zo ingevallen, dat het eerder op een dodenmasker leek. Ik durfde hem bijna niet aan te kijken. Maar hij vertelde zo gelukzalig over de Slaap, dat ik het absoluut wilde proberen. Hij vertelde me hoe de Slaap niet alleen rust biedt, maar ook droombeelden. Dromen die bedekt worden met flarden van mist. Ze komen immers niet van jezelf, maar ontstaan door de chemische reactie van de Slaap. Maar dat hindert een Gebruiker niet. Slaap is Slaap.Opa stuurde meneer Nevel op mij af. Een meneer Nevel. Hoeveel er zijn, weet ik niet. Ik heb er nu een stuk of zeven gezien. Meneer Nevel draagt telkens dezelfde kleding, maar zijn gezicht is altijd anders. Mijn eerste meneer Nevel had rood haar en een tattoo in zijn nek. De andere herinner ik me al niet meer. Heb ik Slaap nodig, dan bel ik meneer Nevel gewoon op. Het nummer verandert regelmatig en wordt doorgegeven van Gebruiker tot Gebruiker. De eerste meneer Nevel die je oproep hoort, komt naar je toe. Als je kunt betalen, tenminste. Slaap is niet goedkoop. Meneer Nevel komt dichterbij en duwt me naar de woonkamer. Eén sofa staat er nog, midden in een berg rommel. Meneer Nevel ontwijkt zuchtend de obstakels en gaat in de sofa zitten. De zaklamp flitst kort over zijn gezicht. Deze meneer Nevel heeft een dunne sik en een bril. Hij gebaart naar het kussen naast hem. Voorzichtig neem ik plaats. Tijdens de Waak zit ik hier doorgaans de hele dag te wachten tot het schemerduister me ervan verzekert dat ik weer een dag ben doorgekomen. Daarna heis ik me naar het bed, om daar te wachten op het ochtendlicht. En zo gaat het alweer zeker twee weken, vertelt de kalender in de keuken me. Elke morgen zet ik een kruis over het vakje van de dag ervoor. Heel kort is er dan die troostende opluchting, tot ik merk hoe treiterig het nieuwe vakje me aankijkt. Veertien kruisjes Waak staan er ondertussen. Daarvoor lachen twintig lege vakjes me toe. Twintig dagen Slaap.   Meneer Nevel richt de zaklamp opnieuw op mij. ‘Hoeveel?’ vraagt hij met een rauwe stem. Vast ook een roker. Ik begin nerveus te frunniken aan mijn T-shirt, dat veel te groot is geworden voor mijn dunne lijf. ‘Zo veel mogelijk’, fluister ik. Ik klink anders dan ik me herinner, maar het is nu eenmaal lang geleden dat ik mezelf nog heb gehoord. Van bij de laatste meneer Nevel. Deze meneer Nevel zucht. ‘Ik kan maar voor een maand geven, dat weet je. Anders wordt het te riskant.’ Ik knik. Ja, dat heeft Opa me haarfijn uitgelegd. Meneer Nevel verkoopt maximaal vier zakjes Slaap per keer, omdat de vitale levensfuncties het na dertig dagen Slaap kunnen begeven. Het komt meneer Nevel beter uit dat Gebruikers na enkele jaren van Slaap en Waak gewoon aan ontbering sterven. Dat gebeurt vanzelf, als je enkel nog troost vindt in Slaap en sigaretten, en amper drinkt of eet. De Waak is dan enkel nog een teisterende aaneenrijging van verplichte uren realiteit.  De Leiders staan het handeltje in Slaap oogluikend toe. Een Gebruiker is toch sowieso iemand die niet langer meer productief is voor de maatschappij. Wie niet kan presteren, ligt eruit. Een Opgever. Een Loser. Geen enkele Gebruiker kwam er ooit weer bovenop. Er bestaan voor ons geen afkickcentra. Ja, meneer Nevel biedt de Leiders een handige oplossing om gemakkelijk van nutteloze zielen zoals ik af te komen. Maar dat geven de Leiders uiteraard niet officieel toe, en daarom wordt er jacht gemaakt op meneer Nevel. Op iedereen die zijn identiteit aanneemt.  Ik kan me niet voorstellen dat die jacht heel grondig gebeurt. Misschien wordt er af en toe een meneer Nevel gearresteerd, om de schijn hoog te houden. Maar het handeltje in Slaap moet blijven bloeien, anders komen de Leiders nooit af van mensen zoals ik.  In elk geval komt meneer Nevel alleen langs als het donker is, en hij geeft nooit zijn echte naam prijs. Maar die is ook helemaal niet belangrijk. Voor een Gebruiker is enkel wat hij meebrengt van tel.  Meneer Nevel graait in zijn diepe mantelzakken. Hij haalt er vier doorzichtige zakjes uit. De vloeistof die erin zit, kleurt roze in het licht van de zaklamp. Vier zakjes, vier weken Slaap. Ik reik mijn hand er gretig naar uit, maar meneer Nevel grijpt gauw mijn arm beet. Uit mijn mond ontsnapt een raspend geluid.  ‘Vier weken kost geld, juffrouw’, snauwt meneer Nevel. ‘Een hoop geld. Haal dat eerst maar eens boven.’ Hij laat mijn arm los en onhandig tuimel ik achterover in het kussen. Geld, ja, geld, alsof ik dat niet weet. Daar heb ik mijn hersenen de afgelopen dagen lang genoeg over gepijnigd. Ik heb mijn hele huis afgezocht naar iets waardevols om te verpanden. Maar ik moest me erbij neerleggen dat ik nog enkel rommel bezat. Helemaal in het begin had ik de trouwring van mijn overgrootmoeder verkocht. Onvoorstelbaar dat mensen in haar tijd nog trouwden. Of kinderen kregen op een natuurlijke manier. De ring was van goud en droeg drie kleine diamantjes. Aan de binnenkant was de trouwdatum nog leesbaar. Een antiek stuk, dat me genoeg had opgebracht voor een heel jaar. Daarna had ik mijn schamele spaargeld aangesproken. Nog later had ik mijn toevlucht genomen tot mijn meubelen, keukengerei, een stuk koper van een leiding die ik had losgewrikt. Mijn elektriciteit. Maar nu was mijn inspiratie op. Er is niets meer om te verkopen, niets dat genoeg opbrengt voor ook maar één week Slaap. Het enige wat ik nog heb, is mijn lichaam, maar zelfs de grootste dronkenlap zou nog liever zijn toevlucht nemen tot een gemuteerd schaap dan tot een Gebruiker.Sommige Gebruikers gaan uit stelen, vertelde Opa me indertijd. Sommige plegen zelfs roofmoorden om aan Slaap te komen. Maar daar ben ik te bang voor, en te zwak. Ik heb geen kracht om iemand te doden, zelfs geen omaatje. Ik zou misschien wel iemand kunnen neerschieten, maar heb geen geld om aan een wapen te komen.Neen, ik heb een beter plan. Hoop ik.Bevend sta ik op van de bank. ‘G-geld, ik g-ga het halen’, stotter ik, en ik wijs naar de keuken. Meneer Nevel gooit me zijn zaklamp toe. ‘Maak een beetje voort’, moppert hij. Zo snel ik kan, ga ik naar de keuken. Ik leg de zaklamp op het aanrecht en rommel wat in een lade, waar eigenlijk niets in zit behalve wat zakdoeken en lege batterijen. Daarna neem ik een gebarsten kopje en giet er de thee in waarmee ik de thermoskan vanmiddag heb gevuld. Uit mijn broekzak haal ik een zakje Slaap, dat ik net niet heb opgebruikt. Begerig strijk ik met mijn duim over het laatste restje vloeistof. Ik vraag me af hoe ik het in hemelsnaam heb volgehouden om het te bewaren. Voorzichtig open ik het zakje. De bekende rozengeur vult mijn neusgaten. Slapen als een roos, zeggen ze altijd… Zorgvuldig druppel ik het zakje leeg in de kop thee. Rozenbottelthee. Dat extra zoete vleugje zal meneer Nevel vast niet proeven. Zou hij trouwens überhaupt weten hoe Slaap smaakt? Zou meneer Nevel zijn eigen product uittesten?  Plots grijpt de angst me naar de keel. Wat als hij er niet van wil drinken? Of wat als hij dat wel doet en de Slaap kan proeven? Ben ik niet te naïef geweest?  Ik veeg het plotseling uitgebroken zweet van mijn voorhoofd en wandel met trillende handen naar de woonkamer, de zaklamp onder mijn arm geklemd. ‘Ik h-heb het weg gestopt’, breng ik schor uit. ‘Het g-geld. In de slaapkamer, d-denk ik. Mag ik u iets te drinken aanbieden, meneer Nevel? T-terwijl u wacht. Ik ben zo terug.’ Ik ga voor de sofa staan en overhandig meneer Nevel de kop thee. Het water klotst over de rand, zo erg beef ik. Maar dat vindt meneer Nevel vast niet verdacht, want geen enkele Gebruiker heeft een stabiele relatie met de zwaartekracht.Opnieuw zucht hij, maar hij neemt de kop aan. Met zijn andere hand gebaart hij naar de gang. ‘Vooruit, haast je wat.’ Ik knik inschikkelijk en draai me om, de zaklamp op de gang gericht. Achter me hoor ik hoe meneer Nevel aan de rand van het kopje thee slurpt. Mijn ribbenkast kan mijn bang bonzende hart amper bedwingen. Als ik in de slaapkamer kom, laat ik me langzaam op het bed zakken. De matras kraakt een beetje. Ik houd mijn adem in. Wachten. Ik moet wachten. Maar lang duurt het niet. Ik hoor niet eens een bons, eerder een geruis van stoffen die langs elkaar glijden. Ik blijf nog even zitten. Gaat het bij mij ook altijd zo snel, vraag ik me af.Na een minuut of vijf sta ik voorzichtig op. Ik schijn de gang in met de zaklamp. Uit de woonkamer komt geen geluid. Langzaam stap ik verder en richt ik het licht op de sofa. Meneer Nevel hangt ineengezakt tegen het kussen. Zijn hoed staat scheef op zijn hoofd en verraadt een bos grijzend haar. Ik buig me over hem heen en kijk in zijn open ogen, die overtrokken zijn met een witte waas. De mist van de Slaap is over hem gekomen, bedenk ik opgelucht. Maar erg lang zal dat niet duren. Dat restje was misschien maar net genoeg voor een uur of zes.Ik strek mijn dunne armen uit naar meneer Nevel en begin onhandig zijn mantel uit te trekken. Dat valt niet mee. Het duurt niet lang voor mijn hoofd licht aanvoelt door de inspanning. Uiteindelijk lukt het me toch. Ik trek de mantel aan en verdrink haast in de overvloed aan stof. Grijnzend haal ik de vier zakjes Slaap uit de rechterzak. Die zijn sowieso al voor mij, denk ik triomfantelijk. Maar daar laat ik het niet bij. In de linkerzak zit de Persoonskaart van meneer Nevel. Daar had ik op gerekend. Iedereen hoort zijn kaart immers altijd en overal bij te hebben. Er rijden voortdurend patrouilles door de stad. Bovenaan op de kaart staat zijn naam, maar die interesseert me niet. Zijn adres wel, en dat staat er vlak onder. Daar moet ik naartoe voor nog meer zakjes Slaap. Ik ken de straat. Het is niet eens veraf, hooguit een kilometer of vier. Ik tast verder in de linkerzak en daar vind ik ook zijn Sleutelkaart. Ik hoef zelfs niet in te breken!Luidop begin ik te lachen. Het klinkt hees, maar oprecht gelukkig. Het vooruitzicht aan Slaap maakt een mooier mens van me.Ik neem de hoed meneer Nevel en zet hem op. Hij zakt haast over mijn ogen. Ik moet er verdomd belachelijk uitzien. Gelukkig heb ik al mijn spiegels verkocht. In het halletje trek ik mijn versleten sportschoenen aan en ik haal diep adem. Ik zal uiterst voorzichtig moeten zijn, me dicht tegen gevels aandrukken, door tuintjes sluipen. Er zijn altijd patrouilles die gretig boetes uitschrijven of arrestaties verrichten als de avondklok niet wordt gerespecteerd.Daarna zal ik de woning van meneer Nevel betreden en zijn voorraad Slaap plunderen. Het is vast een bescheiden huisje aan de buitenkant, vol dure spullen binnen. Daarna zal ik met de opbrengst van een aantal zakjes Slaap een hotelkamer huren, en de rest van mijn buit tot mij nemen. De Slaap zal veel langer duren dan vier weken. De kans is heel groot dat het de eeuwige Slaap wordt. Maar ook daar heb ik op gerekend. Misschien wel op gehoopt.Ik steek nog snel een sigaret op voor ik de voordeur opentrek. De mantel van meneer Nevel is dunner dan ik dacht. De frisse nachtlucht blaast er scherp doorheen. Schuw beweeg ik me door de donkere straat. Gelukkig zijn de straatlichten gedoofd tijdens de avondklok, en zie ik nergens naderende koplampen. Ik schrik me een ongeluk als ik in het maanlicht een kat zie voorbij glippen.Hou vol, moedig ik mezelf aan. Nog even en je staat in het huis van meneer Nevel. Ik ben bijna aan het einde van mijn straat, als ik verrast word door opkomende mist. Eerst denk ik er niet eens bij na. Ik moet de buurt in de gaten houden, zelf onzichtbaar zijn, opgaan in de omgeving. Ik word me pas echt bewust van de mist als ze me haast volledig omsluit. ‘Nee!’ fluister ik. Al snel zie ik geen hand voor ogen meer. Ik draai me rond en rond. De hoed van meneer Nevel tolt op de grond, zijn mantel danst rond mijn benen. Langzaam word ik naar de grond gezogen. De waas trekt in mijn ogen, sijpelt in mijn oren, vult mijn mond. Ik gil zonder geluid en wapper als een waanzinnige met mijn armen. Maar de mist is nu overal. Mijn hoofd botst tegen de koude kasseien. Ik probeer op te staan, maar word door een onzichtbare hand neergedrukt.  De mist trekt pas weg als ik mijn ogen open. Ik draai mijn gezicht weg van het grauwe daglicht dat zich over mijn bed spreidt. Teleurgesteld slik ik mijn tranen weg en reik ik naar het pakje sigaretten op het nachtkastje. Ik slaag erin om met bevende vingers een sigaret aan te steken. Een zwart kringetje tekent zich af op mijn laken, als ik de sigaret verbaasd laat vallen wanneer plots de deurbel luid begint te rinkelen.

Gitta VR
5 0

scherven

7 januari,     Ze spaart scherven: stopt ze in potjes en geeft ze namen. Heel de vensterbank staat er vol mee – haar potjes geluk – en op zolder zijn er nog. Ze heeft scherven van porselein, van glas en aardewerk. Drie van haar scherven vormden ooit een dakpan, die zij als kind van het dak sloeg tijdens een spelletje handbal, en nu heten zij Billie, Mohammed en Daan. Eéntje, en die is uiterst zeldzaam, vertelt ze me trots, is van kristal. Roze en glinsterend.   -   Gevonden in Oostduinkerke, zegt ze, wijzend naar een gebroken mosselschelp waar nog een restje zeewier aan plakt.   Ik zeg: heel chique, en, deze vind ik echt de allermooiste, en vertel haar hoe ik ooit tijdens het afwassen mezelf sneed aan een gebroken glas, maar ik zeg zeker niet: als ik mocht stak ik jou ook in een potje, bewaarde ik je voor eeuwig op mijn vensterbank, dan noemde ik je ‘Liefste’ en zou ik je geluk slechts nuttigen op de zwaarste dagen, want jij zou mijn allerzeldzaamste scherf zijn, mijn lievelingskristal.   -   Ergens halverwege de avond, tussen aperitief en voorgerecht in, glijdt het glas wijn door mijn vingers heen en spat het uit elkaar op de vloer, in duizenden scherven. Zij lacht en zegt dat het niet geeft, veegt de glazen steentjes bijeen en giet ze in een bokaal. Scherven brengen toch geluk, zegt ze, het geeft niet. Het zijn mijn scherven, dus ik mag ze een naam geven, en ik noem ze allemaal Joris.   -   En wanneer de wijn naar mijn hoofd stijgt en de barsten door mijn glimlach heen breken vraag ik of ze mij ook wilt opvegen en in een potje gieten. Zij lacht en schudt haar hoofd, zegt: Meisjes brengen toch helemaal geen geluk wanneer ze breken, en we kijken allebei toe hoe ik op het parket uiteenspat in duizend kleine scherven en ik probeer de brokstukken nog samen te rapen, maar de stukjes zijn te scherp en ik snijd in mijn vingers en onderarmen en het bloed druppelt op het parket dat nu rood is van zowel mijn verbrijzeling als de wijn.             https://flodemeyer.wixsite.com/blub/januari

floo
11 1

alles wat ik nog weet over jou

(herinneringen)     Je slaat de deur achter je dicht en ik ben alleen met het donker en mijn tranen en ergens in het gebouw huilt een kind en ik denk: wij konden beter van elkaar houden toen we elkaar nog niet kenden. Met dichtgeknepen ogen en natte wangen sta ik daar in de keuken met de lasagne nog in de oven, en ik jaag door mijn herinneringen, draai de hele avond (en alle maanden daarvoor) terug op zoek naar waar het allemaal precies fout ging. Maar ik vind helemaal niets, behalve dan misschien die eerste avond toen je mijn wangen kuste en vroeg of we alsjeblieft samen konden sterven, die nacht. Misschien houd ik niet genoeg van mezelf om te kunnen houden van iets wat ik al heb aangeraakt, aangetast. Jij was een mooi berg-landschap en ik een kolkende waterval: erodeerde je tot er niets dan groeven overbleven in je wangen (ik was je tranen). Misschien heb ik zoveel over je geschreven dat de grens vervaagde, lieveling, ken ik niet meer het verschil tussen jou en het papier, vergeet ik af en toe dat jij meer bent dan mijn muze alleen.   Misschien kan ik beter van je houden van veraf, bemin ik liever enkel en alleen met mijn hoofd (ik ben nu eenmaal schrijver, ik kan je verhalen schrijven, maar over de echte wereld weet ik weinig – ik  wil je gedichten schrijven zoveel je wilt, lieveling, maar meer dan woorden heb ik niet, ben ik nooit geweest).   en je slaat de deur achter je dicht en als dit een film was zou ik nu achter je aan lopen en je hand vasthouden en je kussen onder een lantaarnpaal, terwijl de regen en de nacht ons proberen te verdrinken en het hen toch niet lukt want wij willen zo graag leven, vannacht,        te graag – maar dit is geen film en ik sta daar in de lege deuropening en proef het zout van mijn tranen terwijl ik verdwaal in herinneringen aan jou.     -     mijn allerliefste-     je hart slaat zo mooi tegen je ribben, vannacht, en ik wil graag je hand vasthouden zo graag, alsjeblieft, lieveling, toe, nog een laatste keer, lieveling, toe   en ik groeide uit je armen zoals je ook uit kleren groeit en soms uit namen, maar jij bent een hemd dat ik niet kan weggooien, nooit, de sok die ik verstop onder mijn kussen, hopend dat ik over je dromen mag, vannacht – jij bent een kinderschoentje dat ik verzilveren wil,lieveling   en als ik kon, als dat mocht, dan stierf ik graag in je armen, vannacht     -     het enige wat ik nog heb zijn de herinnering aan die eerste zomer, de souvenirs die ik bewaar onder mijn kussen (een hardgeworden kauwgom, een schaalhoorn-schelp en een tweedehands CD die we kochten maar nooit beluisterden). Weet je nog, lieveling, hoe we niet slapen konden en dan maar de nachten opdronken, gulzig, nooit genoeg hebbend, hoe we onszelf verdeden aan het laatste avondlicht en ik je wimpers telde en de groene vlekjes in je ogen, hoe we steeds moesten lachen wanneer ik je mijn gedichten voorlas, de woorden die ik had gehuild voor jou, en we lachten allebei, maar alles wat ik schreef was echt, lieveling, ik hoop dat je dat weet: ieder woord dat ik ooit heb gebloed, bloedde ik voor jou.   -   In mijn herinnering sta je daar leunend tegen de muur met het glas wijn tegen je lippen en die wijn zo donkerrood dat het evengoed bloed kan zijn, mijn bloed, want dan al was jij het gif op mijn lippen en de splinters in mijn vingers, lieveling, ook al wisten we het beiden zelf nog niet. Maar je staat daar zo mooi in mijn herinnering met je haren zo donker (toen waren ze nog donker: nachtzwart, en ik hield toch zo van de nacht) en je lippen zo rood en je glimlacht de lach van iemand die niet slapen kan en zegt: wil je met me sterven, vannacht, en ik ben nog nooit zo klaar geweest om te sterven als dan, lieveling, ik had het echt zomaar gedaan als je dat vroeg. Maar we stierven niet, die nacht, we dansten tot we niet meer dansen konden en zelfs de maan slapen ging, tot we de laatsten op de dansvloer waren en de barman ons gapend de deur uitjoeg, we gingen pas naar huis toen de trams weer reden en de vroegsten al weer naar hun werk vertrokken, en zelfs dan kon ik nog niet naar bed, te verliefd en te gelukzalig en misschien nog een beetje te dronken ook. Ik kon pas slapen nadat ik een heel epos voor je neergeschreven had.   (en waarschijnlijk is de grens tussen herinnering en droom al lang vervaagd, ken ik het verschil tussen wens en geschiedenis niet meer, maar dat is allemaal niet erg, lieveling, dit is hoe ik je herinneren wil.)         https://flodemeyer.wixsite.com/blub/januari

floo
21 1
Tip

ode aan alle supermarkten

5 januari IK KAN NOOIT MEER NAAR HUIS. (meer dagboekfragmenten)     Vandaag ben ik verdwaald in de Delhaize, vijf keer opnieuw. Misschien is verdwalen niet het juiste woord, want ik deed het met opzet en met opzet verdwalen kan niet, bestaat niet. Wat ik deed was eerder zwerven. Ronddolen tussen de ingeblikte groenten en pakjesrijst op zoek naar iets wat mooi genoeg is om een gedicht over te schrijven, naar een chiasme of twee. En ik vroeg het aan een voorbijganger of drie, maar niemand wist waar de woorden ergens lagen en of ze ook verhalen verkochten in de supermarkt. De laatste man bedacht dat ze misschien aan de kassa konden liggen, maar daar had ik natuurlijk al lang gekeken, want achter de kassa liggen ook altijd de sigaretten en die zijn al even gevaarlijk verslavend als woorden. Een kassierster vertelde mij dat ze alleen voedsel en huishoud- middelen hadden, dat ik beter naar een andere winkel kon gaan, een boekenwinkel misschien, of de bibliotheek om de hoek. Dan keek ze op haar horloge en zei: het is beter dat je gaat, we gaan zo sluiten.   -   (En graag had ik ook mezelf in een verpakking gerold, één van bubbeltjesplastiek als dat mocht, had ik mezelf ergens onderaan een rek verstopt, tussen de frisdranken en de wijn, in de hoop dat een oud vrouwtje haar bril vergeten was en zich vergiste, dacht dat ik een blik soep was en me meenam naar huis. Dat ze mij tussen haar kruiden-collectie plaatste en me daar vergat, pas op een zonnige ochtend in april terugvond en daar zo gelukkig om was, oprecht blij om mij te zien. En dan zou ze me liefdevol klaar maken, zachtjes roeren en mooie woordjes toefluisteren. Ze zou me zelfs kruiden, met tijm en kamille, en dat zijn dan nog mijn lievelingskruiden.)   -   ik verdwaal ergens tussen de soep en specerijen in, vind mezelf in een diepvrieszak erwtjes, bedenk tien woorden die rijmen op zuivelproducten en schrijf een gedichtje over hoe wit de vloer hier is en hoe ik zóóó houd van donuts en chocolademelk, van tijm en kamille en een beetje van de andere boodschapgangers ook <3   -   De kassierster draagt een donkere schort en er zitten vlechtjes in haar haar, twee. Ze staat  in het gangpad met een aubergine tegen haar borst geklemd en vraagt of ze mij kan helpen, of ik iets zoek. Ik zeg: verkoopt u soms ook wat woorden? Zij lacht, schud haar hoofd en zegt dat ze wel een paar kranten hebben, een scheurkalender en cursusblokken, als ik dat misschien bedoel. Ik knik en vraag of ze dan ook even mijn hand wil vasthouden, want het is al drie weken geleden sinds ik voor het laatst iemand aanraakte en mijn huid is hongerig, mijn vingertoppen gulzig. Of ze me misschien wat leugens kan vertellen zoals ik zal je nooit vergeten of: je bent niet alleen, ga maar slapen nu. Ze fronst en kijkt op haar horloge, zegt dat het beter is dat ik nu ga, ze gaan zo sluiten, en ik val op de knieën en sla mijn armen om haar benen, als een kleuter met verlatingsangst, smeek of ze mij wil meenemen naar huis, ik zal alles voor haar doen. Ik zal op de grond slapen, zal morgenochtend voor haar afwassen. Ik vertel haar dat ik nooit meer naar huis kan, dat mijn verdriet thuis op me wacht, verstopt onder mijn bed, en dat dat verdriet zo hongerig is, nooit voldaan, dat het aan mijn geluk zal vreten tot er niets meer van me overblijft behalve de tranen en misschien een paar woorden.   Het is al bijna ochtend wanneer ik thuis aankom. Mijn appartement is donker en leeg, en ik bid voor mooie dromen, ga liggen, sluit mijn ogen en laat mijn monster-onder-het-bed me dan maar verslinden.    

floo
200 1

het regende vandaag

3 januari 2022 Dagboekfragmenten.     Het regende vandaag. Ik nam een tram, vergat mijn bestemming ergens halverwege – was te druk bezig met buiten in het stormweer te verdrinken – en bleef dan maar zitten. Drukte mijn voorhoofd tegen het raam en keek toe hoe Brussel achter het glas helemaal onder water liep, hoe de mensen met dikke winterjassen en haastige passen het voetpad afsnelden, de haren nat, hun schoenen volgelopen. Hoe een meisje schuilend onder de gevel van een vijfsterrenhotel te druipen stond, de mascara al langs haar wangen naar beneden gelopen, haar ene schoentje kwijt.   Twee keer reisde ik van eindhalte naar eindhalte, mezelf afvragend hoe je toch in hemelsnaam een schoen ongemerkt kan verliezen, om vervolgens mezelf te verliezen bij halte zes: Hallepoort. (Ik heb nog gezocht op de mivb site voor verloren voorwerpen, maar daar stonden nergens meisjes tussen.)   -   Brussel is de verdrinking nabij. Het water komt al tot mijn enkels dus ik doe mijn schoenen uit, bind ze rond mijn nek en ga blootvoets verder. Een paar mensen staan op het perron te wachten op een tram die waarschijnlijk niet meer zal komen en doen alsof ze mij niet zien. Ik kies de diepste plas en ga rondjes drijven op mijn rug, kijk hoe druppels zwaar als kwik de lucht uit komen gevallen en proef er eentje met mijn tong. Het wil maar niet stoppen met regenen.   Op het Beursplein branden er nog steeds kerstlichtjes en ik vind er een vis. Een vis met gouden schubben en blauwe vinnen, eentje die bijna even groot is als mijn onderarm en rondzwemt in een plas.   Graag wil ik je vertellen over de vis, een gedichtje schrijven over hoe ik zwom van zuid naar noordstation, maar jij zal me nooit geloven. Daar waar jij bent regent het nooit zo, hier kent de hemel duidelijk meer verdriet.   -   Vanochtend wachtte ik op een tram en het regende en de regen tokkelde zo prachtig mooi tegen de kasseien en het asfalt en ik moest weer denken aan die laatste keer toen je met je haren tegen je voorhoofd geplakt stond te wachten op de zonsondergang zo helemaal natgeregend, en ik moest denken aan hoe mooi je was toen en hoe de regen je wangen kuste en van je wimpers drupte en ik dacht aan hoe je fluisterde dat de zonsondergang het altijd waard zou zijn en ik wilde huilen toen ik je daar zo zag staan in mijn herinneringen, met het laatste zonlicht nog net in je ogen, het liefst huilde ik alle vijf de oceanen terug bij elkaar, verdronk ik mezelf en de rest van de wereld in mijn tranen, ja, ik had zo graag al mijn verdriet voor jou verspild, lieveling, maar het regende en als het regent zijn tranen ook maar gewoon water.             https://flodemeyer.wixsite.com/blub/januari

floo
4 0

wintervogeltrektocht

(een autobiografie in 3 strofen en een refrein)   ik ben een vogel, mama kijk mij vliegen dan kijk mij hoog, zo hoog, tot ik de wolken proeven kan, mama   (zij smaken zout, als tranen en misschien de noordzee)   twee zomers geleden borg ik mijn vleugels op, vergat ze ergens onderin de kast, onderin het gras dat groen, zo groen was want in de zomer is al het gras altijd groen en de hemel altijd blauw, de wolken (zout)   en morgen vertrek ik naar het zuiden, want het is winter en in de winter kan ik niet groeien kan ik alleen maar wenen (zout) en kopje-onder gaan (nog zouter) morgen ga ik en kom ik nooit meer terug, morgen doe ik het echt echt echt (beloofd)   je moet niet huilen, mama, vliegen kan ik nog, want ik, ik ben een vogel, mama neerstorten kan ik niet   (vliegen kan ik nog verleer ik niet ontleren wij vogels nooit)   twee jaar lang sloot ik me op in een betonnen kooi, sliep de winter weg en vergat te waken twee zomers lang, sliep mijn leven mijn dagen voorbij en tijdens die winterslaap vergat ik mijn naam vergat ik hoe spreken en hoe, vergat ik alles behalve vliegen   en het meisje met de gekleurde haren zegt dat ze me missen zal, wanneer ik naar het zuiden moet en graag wil ik haar vragen waarom ze mij dan niet missen kan wanneer ik hier ben, hier in onze stad ons wonderlijke nest van beton   ik ben een vogel, mama laat me vluchten naar daar waar de winter me niet vinden kan laat me gaan, mama   (moet ik dan sterven om gemist te worden moet dat dan echt)   ik sla mijn vleugels om zoek de zon en de lente of de zomer waar de kou en mijn verdriet me niet vinden kunnen, ik ben een vogel ik moet vliegen anders vries ik dood smelten mijn vleugels en verdrink ik in zee of tranen ik moet gaan nu   en ik wil het meisje met de gekleurde haren vragen waarom ze mij niet missen kan maar heb mijn tanden stukgebeten alle taal versleten, zeg haar helemaal niets want ik ben een vogel en echte vogels hebben geen stem, zullen nooit spreken     (mis mij dan)                       (een gedichtje over mijn vliegdromen dat ik schreef op 2 januari, voor al mijn dagelijkse schrijfsels zie: https://flodemeyer.wixsite.com/blub/januari)

floo
8 0

letterdromen

mijn liefste mijn allerliefste allerzachtste aller – dit is een lied voor Jou een ode aan de nacht en aan alles wat stil is en zachtjes kabbelt een ode aan Jou en mij en ons maar toch vooral Jij: mooie woorden lijnen potlood en de kleur van zee, altijd zee   ik schrijf niet omdat ik moet schrijven, ik schrijf omdat ik moet zijn – heel af en toe vergeet ik mijn naam, fluister de Jouwe tegen het plafond en vraag me af of Jij luistert of Je mijn naam nog kent en me niet vergeten, me niet wel niet wel niet   dit is geen lied dit is een ode aan de onsterfelijkheid: aan Jou, ik vind Je tussen de pagina’s van een weggegooid schrift, als een bloem weggeborgen opdat je kleuren nooit verwelken, ik vind Je in wit papier en olieverf: cobalt – blauw, zo blauw   ik slaap de dagen weg, schrijf de nachten voorbij, want voor mij bestaat de morgen al lang niet meer, op een dag zal Jij me verlaten en ik kan niet slapen tot dan, moet schrijven tot er geen woorden meer bestaan er geen wij meer is en ik niet ben   mijn beenderen zijn week, mijn lippen weerloos tegen de erosie van het bestaan, ik sluit mijn mond maar de morgen wast mijn woorden weg, weg, weg tot alle betekenis verdwijnt en er enkel nog lege omhulsels overblijven en ik geen zijn meer weet   ik schrijf niet omdat ik moet schrijven, ik schrijf omdat ik niet anders kan dan schrijven, ik met mijn teveel aan woorden, mijn tekort aan stem – wie niet spreken kan moet wel schrijven en ik heb mijn tong ingeslikt, de woorden vonden een andere weg   Jij bent het niemandsland tussen zijn en niet zijn, de bron van mijn woorden en tegelijk ook hun zee, mijn muze en mijn marmeren godheid – onsterfelijkheid bestaat enkel in de kunst en ik zal niet stoppen met schrijven tot ik mag stoppen met zijn   Amen.             (een gedichtje dat ik schreef in November over de kunst en het schrijven, voor juiste formaat zie mijn website: https://flodemeyer.wixsite.com/blub/5 dankjewel voor het lezen en laat zeker weten wat je ervan vindt!!! <3333)

floo
0 0

Aantekeningen uit een badkuip

25/6/2021 Ochtend vreest dat ze zwanger is misselijk als een hond getest We zijn negatief maar niet gerust Ik hoor hoe ze autosleutels voordeur vertrekt Blijft Het gegons van ventilatie En een kind dat ontwaakt in de kamer hiernaast   26/6/2021 Soms maken mensen je pisnijdig. Mijn vrouw vertelt over een Russische meid. Haar ouders hadden het niet breed. Vier keer per week kleedde haar vader, een voormalig balletdanser, zich als Peter De Grote en ging voor de Hermitage op de foto met toeristen. Op een dag besloot de meid te trouwen. Haar ouders, voorkomende mensen, hadden haar gevraagd om het sobertjes aan te doen. Zij, op haar beurt, had hen erop gewezen dat ze het recht niet hadden de dromen van hun enige dochter te verpesten. En dat met haar vrienden van Petersburg naar Sotsji vliegen om daar een Yacht te huren die twee dagen lang als decor kon dienen voor een klein doch fijn vrijgezellenfeestje toch wel het minste was waar ze op mocht rekenen. Op het moment dat mijn vrouw dit vertelt dobbert de meid rond op de Zwarte Zee. Ik zie haar voor me in een zwarte bikini, een joekel van een zonnebril boven haar getuite lippen en een cocktail in de hand. Ik zeg aan mijn vrouw dat de ouders maar niet zo stom moeten zijn. Mijn vrouw vraagt me waarom ik nooit eens wat begrip kan opbrengen. Ik zucht en ga kijken naar een lieveheersbeestje dat net is komen aanvliegen op het balkon. Ik zie hoe het insect zich geleidelijk een weg naar boven baant, hoger en hoger in de klimop, waar het zich uiteindelijk stort op de piepkleine bladluizen die aan de onderkant van de bladeren stil en roerloos hun onvermijdelijke einde afwachten.   28/6/2021 Ergernis. Namiddag bij mijn moeder doorgebracht. Voortdurend op de lippen bijten en ik weet niet waarom. Wellicht omdat er voor haar maar één juiste manier van leven is. Correctie, wellicht omdat dit vandaag mijn manier van leven is. Soms kan ik mezelf niet in de spiegel zien.   29/6/2021 Ik schraap de ontbijtresten van de vloer, wanneer mijn vrouw vraagt of ik de kleinste neem. Ze paait me door te zeggen dat het kind snel zal slapen. Ik kijk naar buiten, inspecteer de wolken, neem mijn notitieboek en waag het erop. Onderweg barst ze los. Onder een berk probeer ik haar te sussen. Hopeloos, ze spuwt haar speen uit en brult in mijn gezicht. Na een half uur geef ik het op, leg haar in de kinderwagen en loop verder. Uiteindelijk sluit ze de ogen. Ik breek mijn hoofd over de esthetische kwaliteiten van het woekerende kruid naast het pad. Vraag me af of het mooier zou zijn de uitwassen in toom te houden. Beknotten of niet, een vraagstuk waarbij de juistheid van je antwoord maar blijkt lang nadat je het hebt gegeven. Ik duw op de rem en ga zitten op een bank aan het water. Het zwerfvuil dwingt me om voorzichtig positie te kiezen. Naast mijn voet doet een vlieg zich te goed doet aan verse vogeldrek, ongetwijfeld een van de meeuwen boven onze hoofden. De uitwerpselen lijken op een spiegelei – met een aangekoekte witte rand en een lopende kern van oker. De strontvlieg doet haar naam alle eer aan. Tegen de achtergrond van de nieuwbouwwijk waar vorige week een school is ingestort geeft een zeiler het beste van zichzelf. BEL 121. De nationaliteit waarnaar de vlag verwijst miskennend, staat er een Duitse scheper aan het roer. Ik neem wat notities, zie hoe het kind zich verroert, ga naar de bakker en koop een taart. “Iets te vieren?” vraagt de bakker bij het afrekenen.   1/7/2020 Ik schiet wakker ziek Zuur in de buik En lucht in de keel Probeer ik uit mijn short Op te staan en word verrast door Drie boeren die rammelend mijn binnenste verlaten. Ecco uomo: ballen bloot sta ik als bevroren in het donker lucht te braken.   Vrouw en kind slapen gelukkig In de keuken In de zetel Ga ik cultiveren Lijst met mijn gebreken.   Ik vind een schriftje gekocht in Tate Modern Herinner me uitgekookte feministes Aan wie ik niets had durven vragen Als cadeau aan mijn vrouw van vier weken En beloftes om het kanaal over te steken.   2/7/2021 Boem. Paukenslag. Kut. Ik kijk op uit mijn Bezette Stad en vraag wat er scheelt. Geen antwoord. Ik ga kijken. Ze staat met tranen in de ogen in de keuken, de dampkap op volle toeren. Ze heeft gebeld met het consulaat. Ook deze zomer zal het er niet van komen. Ze zal haar familie niet zien. Dat ik niet in Petersburg zou geraken, wisten we al langer. Nu blijkt de trip ook voor haar niet weggelegd. Plots strekt de zomer zich lang en leeg voor ons uit. Ik bedenk dat de crèche binnenkort sluit. Drie weken voltijds op de kinderen letten. Ik sluit me op in het toilet, hoor mijn tanden knarsen.   3/7/2021 Mijn kind, mijn dochter, Amper drie maanden oud, We hebben ontdekt dat jij Je door iedereen sussen laat, Maar wee, je oude man, Als hij je wiegen waagt, Dan schreeuw je het uit Alsof magere Hein zelf je belaagt.   5/7/2021 Niet veel gebeurd. Ik beschuldigde mijn vrouw van een verloren sleutel En vond ‘m wat later in mijn broekzak. Ik spotte met haar manier van dweilen Omdat ik zelf te veel zeep bij het water deed. Ik bood haar mijn excuses, Maar wist niet wat we er verder mee moesten.   6/7/2021 Flaters rechtzetten, hoe doe je dat? Ik ga voor cider, zeebaars en zonnebloemen. Aan de kassa gaat het traag. Er zijn niet veel klanten – wie gaat er nu om 9u naar de winkel? –, maar de klanten die er zijn hebben hun winkelkarren goed volgestouwd. “Die verdomde codes,” moppert de winkelbediende binnensmonds, wanneer ze er niet in slaagt om mijn passievruchten te scannen. In de volgende rij werkt het geluid van de scanner niet. Ter compensatie lijkt de kassier af en toe te knipogen. Hij doet dit neutraal, zonder glimlach, alsof zo vereist door de maatstaven van zijn professionaliteit. Op weg naar de uitgang loop ik achter twee vrouwen. Een kleine, bleke vrouw met blauw haar en een lange paarse mantel. Een knuffel komt uit haar jaszak piepen. Een lange, magere zwarte vrouw met een leren jasje. De eerste vrouw heeft vooral frisdrank gekocht, een winkelkar met plastieken flessen in alle kleuren. De tweede vrouw heeft vooral weinig gekocht. In de parking zie ik vanuit mijn achteruitkijkspiegel hoe de grote vrouw de kleine vrouw optilt en vastgespt in de chauffeursstoel. Wanneer ze vertrekken, merk ik dat er iets op de grond is blijven liggen. Ik plaats de knuffel naast me op de passagiersstoel en start de motor. Wanneer ik de parking verlaat kruis ik de vrouwen die in allerijl komen aangereden. Zonder verpinken duw ik mijn gaspedaal nog wat dieper in. Gelukkig is niet alles wat ik schrijf waar. Ik zou nooit om 9u naar de winkel gaan.   7/7/2021 Dat schrijven dingen kan weergeven – wie, wat en hoe, zoals in “de man werd meegezogen door het kolkende water toen hij tijdens een storm aan het snoeien was” – dat geloof ik nog wel. Of het je ook, zoals men soms beweert, zaken kan leren, dat weet ik nog zo niet. Stel: Je hebt een moeder. Je moeder is fier op jou, ziet jou en je kinderen graag, is altijd bereid om in te springen met huishoudelijke taken en de kinderen. Ze is, kunnen we wel zeggen, een goede moeder. En toch lukt het jou de laatste tijd niet om bij haar in de buurt te zijn. Je mijdt oog- laat staan fysiek contact. Je houdt je antwoorden zo kort mogelijk, net als je bezoekjes. Je doet angstvallig je best om elke emotie te verhullen. Na afloop van iedere ontmoeting voel je je schuldig, schuldig omwille van de negatieve gevoelens die je koestert, schuldig omwille van de verwarring en de vragen waarmee je je moeder opzadelt. Je wil weten waarom het zo misgaat, misschien kan je er iets aan doen. Misschien kan je wel een betere zoon zijn. De vraag is: kan schrijven je zoiets leren? Let wel, ik schreef hierboven “stel”. Het is niet zo dat ik zelf last heb van dergelijke verstoorde moeder-zoonrelaties. De casus dient louter om de theoretische vraag concreet te maken. En terwijl ik dit alles bedenk, neem ik mijn snoeischaar en waag me in de tuin, waar de regen harder en harder klatert op al dat ligt en staat.   8/7/2021 De oudste dochter is thuis. Ik lap een schuifraam, Herstel het traphekje, Maai de voortuin, Retourneer een regenjas, Rij naar een gesloten carwash, Koop een wilg op de terugweg, Bereid tortilla’s op gekende wijze En vloek op veel te kleine schoenen.   Al deze activiteit ten spijt, Voel ik me niet bevrijd Integendeel, Wanneer mijn vrouw naar me kijkt – vanuit de met speelgoed bezaaide woonkamer – Dan verdenk ik haar ervan Mijn rekening te maken En te concluderen dat ik niet voldoe, Ook al beweert zij het tegendeel.

Kolja en de kutregen
35 0

Sherlock Holmes en het mysterie van de bananen

Op de radio legt een Sherlock Holmeskenner het verschil uit  tussen deductie en abductie. Het eerste betekent ‘wat je kan afleiden uit wat iemand beweert met logische noodzakelijkheid’. Het regent en daaruit mag je besluiten dat de straten nat worden. Abductie is zoeken naar een conclusie die het beste bij je waarneming past. Sherlock Holmes, het geesteskind van Arthur Conan Doyle, was er een absolute meester in. Hij laat het zien wanneer hij voor het eerst Dr. Watson ontmoet. “U bent in Afghanistan geweest”, zegt Holmes. “Hoe weet u dat in godsnaam?”, vraagt Dr. Watson. Afijn, u moet het maar eens lezen in de roman ‘Een studie in rood’. Ik vertel het u omdat ik onlangs getuige was van een sterk staaltje Sherlock Holmes abductie. Dat dacht ik toch. In de boekhandel maakte ik een praatje met de uitbaatster, toen ze plots opmerkte dat ik zeker net van de supermarkt kwam. Een straffe uitspraak, want ze kon me daar onmogelijk hebben gezien. Ik had ook geen tasje van de supermarkt vast. ‘Ja, dat klopt’, zei ik. ‘Hoe weet je dat?’ Het antwoord was simpel. “Je hebt het stickertje met de prijs en het gewicht van de bananen op je sjaal hangen”, zei ze. Bij het inladen van de boodschappen was de sticker wellicht van de tros bananen gekomen en op mijn sjaal blijven kleven. Maar wacht eens? Ik was toch nog ergens geweest? Jawel, bij de nieuwe bakker in de winkelstraat. Ook daar had ik met de uitbaatster gepraat. Over allerlei koetjes, kalfjes en pateekes. Ze heeft me niets gezegd over de bananensticker op mijn sjaal. Ze moet misschien hebben gedacht dat ik er altijd zo bijloop. Maar mocht u me dus die dag met de bananensticker op mijn sjaal hebben gezien, we kunnen hierbij concluderen dat het mysterie is opgelost.

Rudi Lavreysen
74 0

Wissel van de seizoenen

Voordat onze nieuwe buren het huis naast ons betrokken, woonde er een vriendelijke, oude dame. Ik mocht haar wel - misschien omdat ze zo op mijn overleden moeder leek. Ze had dezelfde houding, hetzelfde kapsel en dezelfde manier van kleden, en net als zij onderhield ze een goed contact met alle buren. Haar voortuin stond vol bloemen, de coniferen aan de zijkanten van haar grondstuk zorgden voor voldoende privacy en onder de hoge spar in het midden van het gazon achter haar huis zat ze wel eens een boek te lezen. Kortom, ze was rustig en sociaal - net wat ik van mijn buren verwacht. Toen ze ver in de tachtig was, werd ze ziek en ging kort daarna dood. Een half jaar later verkochten haar kinderen het huis aan een vijfkoppig gezin: een corpulente, zwijgzame man, een zwartharige, flamboyante vrouw, hun twee identieke dochters en een zoon.  In het voorjaar dat daarop volgde, kocht de corpulente man een kleine graafmachine. De voortuin moest eraan. Mijn man zou hem hebben omgespit, maar goed, iedereen is anders. Pontificaal op zijn machine gezeten schakelde de buurman vooruit, achteruit, om hier een paar kilo aarde op te graven, daar weer alles neer te storten. Hij had er duidelijk plezier in en verlegde iedere vierkante meter zand een keer of honderd. Tot in de zomer is hij er een paar uur per dag mee bezig geweest.      Hoorndol werd ik van het machinegeluid. Ik ging niet meer naar buiten en binnen draaide ik de volumeknop van de radio wat hoger, zette een hoofdtelefoon op of deed wassen doppen in mijn oren. Niets hielp. Het gedreun bleef me achtervolgen. Ik hoorde het zelfs wanneer mijn buurman níet op zijn machine zat. Toch heb ik er nooit iets van gezegd. Je moet tolerant zijn, vind ik. Vooral hier op de buiten.      In het najaar en de winter bleef alles rustig. De graafmachine was weliswaar nog prominent aanwezig in de tuin, maar het leek alsof de buurman zijn speeltje toch wat moe geworden was. Ik herademde, genoot van de stilte en vond de winter ineens een prachtig seizoen.     De volgende lente was de achtertuin aan de beurt. Weer hoorde ik constant het geronk van die verdomde graafmachine. Alle bomen, struiken en planten in de buurtuin werden ontworteld, hartstochtelijk uitgegraven en deskundig afgevoerd. Geen sprietje groen bleef er over. Toen ik dat zag, maakte een verzengende woede zich van mij meester. Het was alsof vuur door mijn aderen binnendrong en via mijn bloed naar mijn hart en hersenen trok. Ik had dat vuur in de buurman zijn gezicht willen spuwen, hem eigenhandig willen vermoorden, en zijn flamboyante vrouw erbij. Wie komt er nu op de buiten wonen en kan geen groen verdragen? Wie maakt er lawaai dat horen en zien je vergaat? En dat twee jaar na elkaar? Maar ik hield me in. Omdat ik gevoelig ben voor geluid, wil dat nog niet zeggen dat ik de buurman van kant mag maken. Trouwens, het ergste hadden we ongetwijfeld gehad. En een beetje tolerantie voor de buren hoort erbij, hier op de buiten.       Mijn man en ik gaan anders om met het groen rondom ons. Wij houden van bomen, hagen en bloemenborders. Naast het zoeken naar rust was dat de reden waarom wij van de stad weer naar het platteland verhuisden. Wij zijn dan ook oprecht blij met onze tuin. Alles groeit en bloeit dat het een lieve lust is en de tuin is geworden wat wij beoogden. Mijn man vindt zijn ontspanning in tuinieren en ik vind rust door naar onze tuin te kijken. Ik houd van de wissel van de seizoenen, van het botten van de bomen tot het vallen van de bladeren. Van mij mogen die bladeren ook gerust wat blijven liggen. De behoefte elk blad van het gazon te rapen of van het terras te vegen heb ik niet. Totaal niet. Onze buren wel. Die zijn al uren met een bladblazer in de weer.  

ingridvdk
18 0

Je partner continu volgen via een app

Je partner continu volgen via een app: leuk of verwerpelijk?   Hij was niet eens mijn partner, dat maakte het alleen maar erger. Was het erg om door mijn baas continu gevolgd te worden? Erger dan dat. Een oefening: wis het woord ‘erg’ door de woorden ‘stresserend’ of ‘absurd’ of ‘wraakroepend’… en je komt uit bij mijn beleving.Volgapps kunnen tot ernstige frustratie leiden, u bent gewaarschuwd. Mijn baas was geen twee mensen waard. Stel het je voor; je hijst je in het obligate uniform, steekt de tracker in je broekzak, en hop, de fiets op. Een dienstfiets die overal gezien wordt, een werknemer op het zadel. Een werknemer is iemand die het werk neemt uit handen van hij of zij die het geeft. De werkgever richt zich tot haar werknemers. Hij of zij is zichtbaar en aanspreekbaar. Maar, waar is hij? Ik zit dus op mijn fiets. Kijk, ik rijd! Kijk, ik rem! Kijk, ik stop! Ik ben gewetensvol, u ziet het, ik stop voor een stoplicht maar ook voor een opgestoken hand. Dan ga ik in gesprek, beantwoord vragen, wijs de te volgen weg. Kan ik vandaag nog, geachte werkgever, een woordje met u spreken? Waar bent u? Ik krijg geen reactie op mijn oproepen naar u. Wat houdt u geheim? De plaats waar u zich ophoudt?Een tracker, ach, iedereen reageert er verschillend op. Mijn mannelijke collega’s zetten humor in om dat controlerende ding het hoofd te bieden. Het zal wel wennen…vier woorden die de weg naar aanvaarding effenen. De mijne blijft hobbelig, glad, onveilig. Wat zal wennen? Zullen de gevolgden de gevolgen van het volgen aan hun laars lappen? Zullen ze de tracker opzettelijk verliezen? Ik heb er nooit aan gedacht dat het volgen via de volgapp goede of extra punten zou opleveren voor de gevolgde; een promotie binnen de dienst bijvoorbeeld? De tracker werd aan ons ‘verkocht’ als zijnde een manier om snel ter hulp te kunnen schieten indien we in een gevaarlijke situatie zouden verkeren. Er wordt beweerd dat een volgapp het bestaande vertrouwen bevestigd. Er wordt gezegd dat een app waarmee je anderen kan lokaliseren rust en veiligheid kan bieden; er kan meteen worden ingegrepen als er iets alarmerends gebeurt. Anderzijds ben je nooit echt vrij, nooit ongezien, nooit niet te traceren, maar moet dat dan zo nodig? Moeten we totale vrijheid aanhangen als we nooit totaal vrij zijn? Het stoppen van een tracker in de zak van mijn uniformjas gaf me elke keer een negatief gevoel. Ik voelde me een hond aan een lijn. Ik voelde me een gevangene aan een enkelband. Het ritme waarmee ik mijn werk uitvoerde verdroeg geen lijn of enkelband. Mijn taken werden sneller volbracht. Het stoorde me dat mijn baas te weinig taken gaf, dat we zelf op zoek moesten gaan naar werk, dat hij het gemak van een tracker introduceerde alsof het voordeel daarvan geheel voor ons zou zijn. In werkelijkheid werkte hij lange, zeer lange dagen aan zijn politieke loopbaan, kon daarom veel te weinig tijd besteden aan ons. Hij liet onze lijnen los. Wij waren de honden die vrijelijk doolden, snuffelden waar niets te snuffelen was. Onze baas was een luie cipier zonder gevangenen want die zaten thuis bij tv. Klopt het dat er geen plaats was in zijn buro voor ons? Dat hij ons op zijn hoogst persoonlijke kantoor in de gaten kon houden of van daaruit kon aansturen? Wij waren zelfaansturend en de verleiding bestond erin dat we op onze fiets ons eigen huis zouden bereiken tijdens onze diensturen, aldaar koffie zouden zetten, aldaar de aardappelen zouden schillen, en daarvoor betaald zouden worden. Dan liever een app. Een kleine investering om werkzoekenden te kunnen gadeslaan terwijl ze aan het werk zijn, in hun hoofd het mesje waarmee ze niet de patat schillen maar hun baas.

Ingrid Strobbe
52 0