Lezen

Winkelen is wankelen

Een winkelkar gebruik je om ongegeneerd tegen iemands schenen te schoppen.  Dat zit zo: waar je in 2019 nog als lomperik werd beschouwd wanneer je met je kar tegen de schenen van een winkelende medemens reed, is dat vandaag de dag helemaal niet meer erg.  Want het is niet zo bedoeld.  De winkelkar gebruiken als fysieke barrière tegen een onzichtbare virus-vijand: het is helemaal ingeburgerd.   Daar ga je dan.  Even winkelen.  De bar van je kar stevig tussen je handen geklemd. Alsof je zo meteen een hondenslee zult besturen.  Droit devant, recht vooruit!  Maar de kar heeft een wiel dat moeilijk doet.  Dat wiel draait koppig autonoom pirouettes en doet jouw kar driften als een muscle car uit the fast and the furious. “Een vijfde wiel aan een wagen is even vervelend als een venijnig vierde wiel aan een kar”, bedenk je je plots.   Dan moet je schoppen, een eerste keer.  Tegen het wiel, niet tegen iemands schenen.  Schoppen tot de spelbreker in beweging komt en weer verder hobbelt.  Dat eigenzinnige wiel hobbelt en bobbelt verder, net niet geheel synchroon met de andere drie.  Kwestie van jou een beetje te jennen.  Soms geeft dat ene wiel er plots de brui aan en gaat dan haaks op je traject staan.  Zodat de kar met een snok tot stilstand komt en je er - boenk- zelf tegenaan botst.  Maar dat is oké.  Je vergeeft het je kar want je loopt liever tegen haar nette, ontsmette ijzeren geraamte aan dan tegen de ongewassen rug van een gestagneerde welriekende klant.  Tegenwoordig is dat soort fysiek ongemak passé.  Dankzij jouw barrière-kar. Je kar doet ook dienst als geïmproviseerde slagboom.  Wanneer je zin hebt om een gang met welbepaalde producten eens op je dooie gemak te bekijken bijvoorbeeld.  Alleen, zonder pottenkijkers.  Dan zet je je kar haaks op de gang.  Doelbewust, niet door toedoen van een toevallig haaks uitslaand wiel.  Jouw dappere kar blokkeert met ijzeren wil de doorgang.  “Halt!”  Hier wordt serieus gewikt en gewogen en gekozen.  “Geen toegang, zelfs niet met Covid Safe-ticket!”  Wanneer jij besluit dat de slagboom weer open kan, ga je samen met je dierbare kar opnieuw op pad.  Schijnbaar met elkaar versmolten als een Siamese tweeling.  Zo hobbelen jullie gezapig verder.  Het is goed toeven in winkelland. Aan de horizon wacht een vredelievende winkelkar-rij.  Een mens-een kar.  Een mens-een kar.  Een mens-een kar-een kassabediende.   De inhoud van je kar wordt zo snel mogelijk gescand.  De bediende buigt zijn hoofd en je ziet hem graaien naar een tube tandpasta die irritant ver naar achter in jouw kar is gerold.  Net buiten zijn bereik.  In een reflex buig jij je ook, om de tube aan te reiken.  Om te helpen.  Hoffelijk, zoals altijd.  Jullie beider hoofden scheren rakelings langs elkaar heen.  “Afstand houden!” roept hij.  Je schrikt je een half ongeluk.  Doet een bizarre hinkstapsprong en valt onbedoeld tegen de kar van de wachtende klant achter je.  Zoals verwacht rolt die andere kar uitstekend: er is altijd maar een kar in de ganse winkel die niet goed bolt en dat is die van jou.  Jij zoeft neerwaarts. Tegelijk bolt de irritant-perfect-rollende kar een halve meter naar achter en botst -boenk- tegen de achter-jou-wachtende-klant.  “Je moet afstand houden!” roept hij nu ook. Al dat moeten, een mens wordt er moe van.  “Ik moet juust niks!!” zou je willen schreeuwen.  In realiteit rollen er rustige woorden uit jouw mond.  Want je bent beschaafd en welopgevoed.  “Mijn excuses, ik wou niet met mijn kar tegen jullie schenen schoppen.”  Beide heren kijken nors, het blijft een wankel evenwicht.   Empathie of agressie.  Winkelen is wankelen.        

Carolien Libbrecht
8 0

Weerborstel

Nu weet ik het zeker. Die ogen zijn de mijne, de manier waarop hij zijn brilletje schoonveegt aan zijn trui en weer opzet ook. Maandag had ik nog getwijfeld toen ik iets voor vieren de school passeerde en hij mijn pad kruiste. Het was alsof ik recht in de ogen van mijn tienjarige zelf keek. Ik wou zeker zijn. De kans leek me te klein. Dinsdag lummelde ik op hetzelfde tijdstip rond op dezelfde plaats. De jongen sleepte een donkerblauwe sporttas achter zich aan, zijn rugzak bengelde over één schouder. Zijn haar was niet blond als het mijne, maar vormde wel dezelfde gekke kuif achterop zijn kruin. Een weerborstel, zoals mijn moeder het vroeger noemde. Zonder me aan te kijken wandelde hij langs me heen, bleef even staan voor een achtergebleven colablikje, trapte er dan toch niet tegen en sloeg rechtsaf. Vanmiddag volg ik hem dat straatje in, tot bij hem thuis. Meer dan honderd meter moet hij niet in zijn eentje afleggen vanaf de schoolpoort. Hij heeft een eigen sleutel en gaat op de tippen van zijn tenen staan om de voordeur van het rijtjeshuis te openen. Een paar keer loop ik terug naar de straat waar de school ligt en weer naar het huis. Ik wil weten hoe de moeder eruitziet, en of er een vader is. Tien jaar, zolang is het zeker al geleden. Ik weet niet meer hoe vaak ik in dat kleine kamertje vertoefd heb en hoelang er telkens tussen twee bezoekjes zat. Ik herinner me vooral de frisse geur van de matrasbeschermer op het bed, de gordijnen die altijd dichtgeschoven waren en de opwinding wanneer de roodharige verpleegster me achterliet met het potje in mijn hand, de deur achter me sloot en het bordje met ‘BEZET’ omsloeg. Ik had er wat voor over. Voor elke donatie mocht ik vijf dagen geen zaadlozing hebben. De onkostenvergoeding was de moeite niet waard. En toch evenaarde niets die opwinding. De boekjes in de kamer waren elke keer dezelfde, maar op de televisie was telkens iets nieuws te zien. Geen gebabbel, enkel lijven die over elkaar heen glijden. Ik zonk weg in de matras en ging aan de slag. Zoveel jaar later voel ik die rilling weer.  Tegen valavond heb ik geluk. Een slanke vrouw met dezelfde kastanjebruine lokken als de jongen komt naar buiten. Ze steekt haar haren op in een dot terwijl het jongetje zich in rubberen laarsjes wurmt. De moeder draagt stevige stapschoenen. Ze trekt de voordeur achter zich dicht en legt haar hand op het hoofd van de jongen. Samen verdwijnen ze in de richting van het bosje aan het eind van de straat. Wanneer ze terugkomen, heeft het kind zijn handen vol met bladeren. Bruin, geel, rood, oranje.  Ik moet vindingrijk uit de hoek komen. ‘Hallo, is mijn pakje toevallig hier bezorgd?’ vraag ik meteen wanneer de deur openzwaait en ik recht in die koffiebruine ogen staar. Ik zwaai met een papiertje dat ik onderin mijn jaszak heb gevonden. Wat daarop staat weet ik niet eens. ‘Ik kreeg zo’n briefje in de bus dat het bij de buren was afgegeven, maar ik heb geen idee bij wie dan.’‘Oei, hier is bij mijn weten niks toegekomen,’ hoor ik de vrouw zeggen terwijl de jongen achter haar komt piepen. Ik zwaai naar hem. ‘Dag grote jongen!’ Verschrikt duikt hij weg in de woonkamer. ‘Hoe heet hij?’ vraag ik zonder de moeder aan te kijken. ‘Oscar,’ antwoordt ze voor ik alweer verder leuter. ‘Hij heeft het haar van z’n mama. Maar die felblauwe kijkers, die moet hij toch ergens anders vandaan hebben.’ De vrouw veegt haar handen af aan haar okergele jurk. ‘Sorry, we moeten nog ergens naartoe. Uw pakje is hier niet toegekomen, het spijt me.’ Donderdag haalt ze haar zoontje op aan de schoolpoort. Ze draagt dezelfde jurk als gisteren met daarover een bordeaux jasje. Tussen de andere ouders, die allemaal in het grijs of donkerblauw gekleed zijn, herken ik haar meteen vanop mijn plaats aan de overkant van de straat. Ik doe alsof ik aan het telefoneren ben en hou hen intussen in de gaten tot ze uit het zicht verdwijnen. Een halve meter voor haar uit holt het jongetje naar huis. Ik vraag me af of ik ook voor de naam Oscar zou gekozen hebben als het kind echt van mij was geweest.  Ik moet eruitzien als een buurtbewoner. Soms kijk ik niets eens op wanneer ik hen passeer op straat, druk mijn sleutels zoekend in mijn jaszakken of bellend zonder iemand aan de andere kant van de lijn. Dan merk ik hen op het laatste moment toch op en zwaai hartelijk. Ik moet weten of zij alleen is of een suffe echtgenoot heeft, zo’n kalende met een bierbuik die de hele dag voor televisie hangt. ’s Ochtends zijn de gordijnen open en kan ik binnenkijken in huis, als ik traag genoeg voorbijwandel en op het juiste moment mijn hoofd draai. Oscar is een boekje aan het lezen, zijn mama staat boterhammen te smeren aan de eettafel. Geen papa te bekennen. Ik verschuil me om de hoek van de straat en wacht tot moeder en zoon naar buiten komen en naar school wandelen. Mijn neus heeft hij niet, wel mijn oorlellen. Hij slentert met zijn handen achter zijn rug, de blik op de grond gericht, net zoals ik zo vaak op die leeftijd. Ik beeld me in dat hij plots begint te groeien tot hij zo groot is als ik en me recht in de ogen kijkt, of dat ik op straat plots omringd ben door honderden Oscars die uit alle deuren naar buiten stromen.  Woensdagmiddag volg ik Oscar opnieuw tot hij thuis naar binnen glipt. Voor de gevel staat een fiets die ik nog niet heb gezien. De voordeur zwaait open, een vrouw komt naar buiten en plaatst de fiets in de hal. Het is niet de moeder. Deze heeft rode krullen. Ik ga op het huis af en bel aan. Wanneer ik de groene ogen van de vrouw zie, weet ik het meteen. Ik ruik weer de matrasbeschermer, hoor het bordje met ‘BEZET’ omslaan, zie de video’s op het televisiescherm waarvan de klank is uitgeschakeld. ‘Hallo ik vroeg me af of u een goed doel zou willen steunen misschien,’ krijg ik er nog net uit. Even zegt de vrouw niets. ‘Ik ben verpleegster, ik steun elke dag een goed doel,’ hoor ik haar dan antwoorden. ‘Het spijt me, we hebben niet zoveel geld over om weg te schenken.’Dan glijdt haar blik naar mijn ogen. ‘Maar ik ken u toch ergens van?’ vraagt ze. Ik frons mijn wenkbrauwen en staar naar de stoep. ‘Is dat zo?’‘Ben jij ooit patiënt geweest bij mij?’‘Ik heb nog nooit in het ziekenhuis gelegen. Toch niet sinds mijn geboorte.’ Ik probeer weg te lopen maar blijf op mijn plaats staan. Nu steekt ze haar wijsvinger naar me uit. ‘Vroeger, toen ik nog in het fertiliteitscentrum werkte. Daar kwam jij toch?’ Ze lacht haar tanden bloot. ‘Da’s meer dan tien jaar geleden.’De deur die de woonkamer van de hal scheidt zwaait langzaam open. Oscar en zijn mama komen de hal binnen. Ik kijk naar de jongen met het brilletje en de weerborstel, de vrouw met de kastanjebruine haren, de andere vrouw met de vuurrode krullen.  ‘Dan ga ik maar eens naar het volgende huis. Misschien heb ik daar meer geluk,’ stotter ik. ‘Tot… tot ziens.’Ik draai me om en wacht tot de deur achter me dichtslaat, maar het blijft stil in de straat.

Felix Sandon
15 0

Azuren roes

Er volgt weer een bocht. Door die slippartij een tiental jaren geleden spannen al mijn spieren op als hij weer eens voorbij steekt op die bochtige baan langs rode rotsen die opduiken uit de nachtelijke zee.  Als we eruit vliegen belanden we op die witte muur bedenk ik, maar dat gaat na al mijn verzoeken en aanwijzingen nog steeds niet door zijn hoofd. De kinderen zouden dan eindelijk weten waar de airbags uit tevoorschijn komen grap ik in gedachten. En ik, ik zou er niks van merken.  Sinds onze lange wandeling langs het strand en door de jachthaven zit ik in een roes en ben ik weer overal en nergens in tijd en ruimte. Als de koude wind me wegbrengt naar de schapenstal waar de herder en ik 5 jaar geleden in enkele tellen oogcontact een jeugdige zomerliefde herbeleefden, als het gefluit, gekraak en geklingel tussen de boten me 35 jaar jonger maken en me wandelend aan de zijde van mijn vader marine verhalen laten beluisteren, dan brengt het contact met die muur me vast naar nog ongrijpbaardere dromen en herinner ik me wellicht nog vaag een compleet gevoel vooraleer de lichten van de ambulance mijn licht doven.  Ik denk aan de twee vrouwen, elk met twee kinderen, die tegen een muur reden om zich van t leven te beroven, de ene overleefde het niet maar de kinderen wel, de andere overleefde t wel maar één van de kinderen niet. Het andere kind werd mijn liefje toen we 14 waren, maar hij haalde de 40 niet, ik wel. En ik ben er elke dag blij om. Het enige waar ik spijt van heb is dat ik dat liefje niet nog meer liefde gaf, want nu kan het niet meer. Gelukkig scheren we de witte muur voorbij. Ik zie de Poolster nog steeds. En rechts een laatste streepje donkeroranje gloed boven de heuvels. Weer een bocht. Nu duiken de twee heuvels vol lichtjes op, witte, gele en groene. Ook hij houdt van lichtjes bedenk ik. En van snuisteren en de juiste golflengte. Zelf onze stappen zijn op elkaar afgestemd. Daar dacht ik ook aan tussen de boten, aan mijn nieuwe liefde die met mooie liedjes en vleugjes magie uit de lucht kwam gevallen en me voorzichtig mee in de wolken tilde. Dat is het heerlijke aan de duister die langzaam valt en een snijdende wind die je verhindert te praten. Het maakt gedachtenloopjes mogelijk naar geliefden die waren en geliefden die komen, naar overal en nergens. Weer een bocht en weer een klein strandje. Het licht van de auto maakt de pikzwarte zee heel even terug azurblauw. En denken dat ik een hekel had aan deze azurkust als kind. Misschien door het geslenter of door de sfeer van geheimen die we van thuis meezeulden of door de voor mij verwarrende toestand van miljonairsvillas en overvolle terrassen terwijl clochards tussen palmbomen schuilden voor de mistral of eerste wintervorst. Ik weet het nog steeds niet, maar ik herinner me dat ik ook dan vaak in een roes ging. Op de radio klinkt je t'aimais, je t'aime, je t'aimerai. Ik kan niet meezingen, want mn stem is weer weg. Het komt nu steeds vaker voor dagen zonder stem en nachtelijk hoesten.Thuis neem ik direct hoestsiroop en een glas wijn na het eten of omgekeerd, denk ik, als een verslaafde. Verslaafd ben ik zeker, aan de liefde en aan de roes van de azurkust, waar alle tijden door elkaar lopen, mijn hart onderweg is en mijn hoofd op hol, naar overal en nergens.

Fien SB
50 1