Lezen

Een bijzonder seizoen

"De buurman deed dierengeluiden na", zeg ik. Mijn vrouw kijkt me aan alsof ik een zonnesteek heb en begin te hallucineren. Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd. Het is al behoorlijk warm. "Nee, echt, dierengeluiden. Vogels. Ik passeerde er toen ik naar de bakker ging. Het ging van roekoekoe en oehoeh. Wacht, er zat ook een leeuw bij denk ik, want hij deed nog van: wroooww. Daarna opnieuw hetzelfde." "Ssst", zegt ze. "Het raam staat open." "Ja, bij de buurman dus ook." "Welke buurman was het?" "Een paar huizen verder. Het kwam van de bovenverdieping. Ik dacht: hij heeft zijn kleinkind op bezoek. Maar dan hoor je een reactie van het kleinkind. Een gegiechel." "Niet alle kinderen zijn hetzelfde. Misschien lacht zijn kleinkind niet zo luid." "Nee, maar in de tijd dat ik er stond, heb ik alleen de buurman gehoord." "Hoe lang heb je er dan gestaan?" "Ik heb even gedaan alsof mijn veter los was. Daarna heb ik die effectief losgemaakt en langzaam mijn schoen gebonden. En een paar keer mijn rug gestrekt." "Misschien was hij aan het oefenen voor iets", zegt mijn vrouw tenslotte. Je hebt er het raden naar, wat mensen doen. Ik heb er op zich niks mee te maken. Het is zomer, dan hoor je vanalles met die openstaande ramen. Het doet me denken aan een zin uit Hotel New Hampshire van John Irving. 'Keep passing the open windows.' 'Blijf de openstaande ramen passeren.' De familieleden in het boek zeggen het tegen elkaar als iemand problemen heeft, omwille van een tragisch voorval met een openstaand raam. Misschien moet ik nog eens een John Irving boek lezen, bedenk ik me. Het is vakantie voor iets. Goed idee. Dat allemaal dankzij de dierengeluiden van de buurman. Wat is het toch een bijzonder seizoen, de zomer.  

Rudi Lavreysen
8 0

Laat jouw licht niet doven

Wat mij rust geeft, in tijden wanneer duisternis lijkt te primeren, is observatie met een goddelijke blik. Het is een blik die niet oordeelt en vanuit de kern voelt dat alles goed is zoals het is. Dat alles mag zijn, alleen al omdat het kan zijn. Omdat het een mogelijkheid is. En God wil geen mogelijkheden uitsluiten. Het is des mens om te oordelen en alles onder te verdelen in categorieën. Om dingen te verwerpen en de wereld uit te willen. Dat oordeelsvermogen staat ten dienste van onze overleving, het helpt ons om keuzes te maken die heilzaam zijn. Maar het zorgt soms ook voor frustratie en angst. Als we ons ingesloten voelen door zoveel dat we als fout beschouwen, giftig zelfs, dan is het normaal dat we dat willen afweren. Uit zelfbescherming. Als het idee in de gedachten nestelt en constant fluistert dat ontsnappen onmogelijk is, dat anderen onze wegen versperren en ons leven moeilijk maken, dan is dat proces van zelfbehoud iets waaronder we gebukt gaan. Dan wordt het iets zelfdestructief. Het dimt het goddelijk licht in ons. Angst kan zowel een goede raadgever als een verstikkend juk zijn. Angst is altijd al het middel bij uitstek geweest om mensen in een bepaalde richting te sturen. Ook vandaag. Een grote groep mensen gaat mee in het verhaal dat er een virus is dat hen ontzettend ziek kan maken. Een andere groep staat dan weer angstig tegenover de beperkingen en maatregelen die worden opgelegd om dat virus in te dijken. En dan is er nog de frustratie. Frustratie omdat er mensen zijn die de maatregelen niet willen opvolgen. En langs de andere kant dan weer frustratie omdat zoveel mensen die maatregelen blindelings opvolgen. Wat je overtuiging ook is, angst en frustratie zijn de gemeenschappelijke factoren die we delen. Het gevoel is hetzelfde, enkel het verhaal erachter verschilt. Een goddelijk standpunt staat los van een verhaal. Ieder mens is een unieke verzameling van gedachten, gevoelens, overtuigingen, voorkeuren en ervaringen. Al deze elementen worden samengevat in een energetische vibratie en uitgezonden, als ware het radiogolven. Anderen kunnen deze oppikken en voelen.  Sensitieve mensen voelen de vibratie van iemand anders gemakkelijk aan. Mijn vibratie kan negatief beïnvloed worden door die van een ander, maar ik heb geleerd om dat tijdig op te merken en bewust bij mijn eigen energie te blijven. Dat lukt niet altijd even goed, ik word nog gemakkelijk uit mijn lood geslagen, maar ik kan me wel steeds sneller herstellen. Energie aanvoelen en (bij)sturen vraagt om oefening. En naarmate ik daar beter in word, groeit ook mijn zelfvertrouwen. Het leven wordt ook steeds lichter. De overdracht van energie kan natuurlijk ook iets moois en positief zijn, bijvoorbeeld wanneer mensen elkaar inspireren. Verschillende vibraties kunnen bewust gebundeld worden, al dan niet intentioneel gericht op één thema. Mensen hoeven zelfs niet fysiek op dezelfde plek te zijn om dit te doen, want energie is niet gebonden aan materiële wetten zoals tijd en ruimte. Wanneer veel mensen dezelfde soort vibratie hebben, dan manifesteert dit zich op collectieve schaal. Veel angstige mensen tezamen, resulteert in een krampachtige samenleving. Een wereld waarin mensen ziek worden en het contact met hun innerlijke bron van wijsheid en kracht verloren zijn. Daarom is het zo belangrijk, lieve lezer, dat je ondanks alle uitdagingen het licht in jezelf fel blijft houden. Dat je een vibratie aan het collectieve veld toevoegt die liefdevol en helend is. Wanneer ik bijvoorbeeld merk dat een gevoel van moedeloosheid me besluipt bij het zien van mondmaskers, dan herinner ik mezelf aan het goddelijke standpunt. Van daaruit gezien maken de mondmaskers deel uit van zoektocht die uiteindelijk, hoe dan ook, zal resulteren in het terugvinden van onze bron. Onze ware identiteit, die altijd doordrongen is van eigenliefde. Kijk naar de gekheid van het mensdom en besef dat wij de vrijheid hebben om alles te scheppen wat we waar willen. Ook destructieve dingen. Die absolute vrijheid, gecombineerd met onze wil, is in feite een mooi cadeau. Ik herinner mezelf ook aan het feit dat alles waar ik achter sta zijn tegengestelde moet hebben om te kunnen bestaan. Alles dat ik in dit leven niet wil zijn, moet er zijn. Want werkelijk alles bestaat; het is de oneindige goddelijke creatie waar wij een deeltje van uitmaken. Ik kan wel ergens vol afkeer naar kijken, maar tegelijk ben ik me er ook van bewust dat ik naar een deel van mezelf aan het kijken ben. Bepaalde delen van mezelf rusten in het onderbewustzijn en het heeft geen zin om me daar afkerig tegenover te voelen, laat staan om er tegen te strijden. Strijden tegen jezelf geeft ziekten. Individuele processen weerspiegelen zich in het collectieve ontwikkelingsproces. Als je goed weet wie je bent, dan ken je ook de wereld.   Met deze tekst herinner ik u aan uw innerlijke kracht. Een lichtje dat zich samenvoegt met andere lichtjes, magnetisch tot elkaar aangetrokken, om zich te bundelen tot een krachtig vuur. Laat uw lichtje niet dimmen of doven, ongeacht welke ervaring er op uw pad komt. Houd uw vibratie hoog, zowel voor uw eigen als voor het collectieve welzijn. Wees bewust van het belang van jouw positieve bijdrage aan de samenleving. Ik geef toe ook dikwijls bevangen te worden door frustratie of een gevoel van onmacht. Het is een sluier over mijn licht die ik, telkens opnieuw, ophef door te observeren vanuit het goddelijke perspectief.

KarolienDeman
79 0

Terug in het bos

Gefrustreerd keek Ernst van Dealemaete (schrijver van Lady Lovelove’s poolboy nr. 1 t/m 17) naar het halve A4’tje. Met een dubbele regelafstand en in Times Roman 12pt. voldeed het perfect aan de eisen van een professioneel schrijfsel. Maar opmaak verklaarde niets over inhoud. Pas één alinea van 150 woorden over de avonturen van kabouter Kbut en het was al een verschrikking. Na drie keer herschrijven was zelfs Ernst niet meer geïnteresseerd in de beukennootjes roostertechniek van de puntgemutste. Verder was het verhaal niet. Zijn rode potlood hing werkloos in zijn hand, deze bagger was te slecht om één streep door de tekst te halen. Zijn koekoeksklok sloeg tien keer, halverwege de ochtend en Ernst zat helemaal vast. Een ding hielp tegen writers block: terug het bos in en nieuwe inspiratie opdoen. Of het dezelfde boomstronk was wist Ernst niet, maar ergens hier in de buurt zag hij vorige week een kabouter. In een schoenendoos schepte hij een handvol aarde, deed er plukken gras in en maakte met paar takjes een klein huisje. Hij spreidde zijn zakdoek uit op het vermolmde hout, ging er op zitten en stak een joint op. Met een kleine lasso in zijn hand zou hij net zo lang wachten totdat de kabouter het veldje overstak. Deze keer ging het mormeltje mee naar huis.   Hij inhaleerde diep en sloot de ogen. Het struikgewas ritselde en op een doorzichtige blauwe wolk vloog een ouderwets geklede heer uit de coniferen. Hij schoof een dik rechthoekig brilmontuur verder op zijn neus en groette Ernst vriendelijk.    ‘U zoekt iets dat u zittend niet zult vinden,’ zei de heer en hij wees op de struiken. ‘Vlak bij de grond is het antwoord dat u zoekt.’    Hij kriebelde aan zijn borstelige snor en vloog voor Ernst onder de struiken door. Ernst rolde van de stronk, stopte zijn zakdoek weg en ging op handen en knieen achter de wolk aan. De vriendelijke vlieger wees naar voren en verdween tussen het groen. Ernst zijn lichte linnen broek kreeg vieze en groene strepen en kleine takjes haakten in zijn grijze krullen, maar hij zette door. Wiet of niet: dit was de kans op een briljant verhaal. Schuivend op zijn buik wurmde Ernst zich tussen twee jonge dennenboompjes en stootte zijn neus aan een opgeblazen, groene paddestoel met een roze dak. Uit een schoorsteen kringelde rook. Tussen andere gekleurde paddestoelen schoten blauwe wezentjes met witte broekjes en mutsjes heen en weer.   ‘Vreemdeling! wat smurf jij hier?’ riep een krakende stem. ‘Je smurft ons bij de lunch.’    Bij het rechteroog van Ernst stond een oud, bebaard, blauw kereltje van een paar centimeter hoog met een rode broek en muts. Ernst was sprakeloos. Links van hem speelde een mannetje als een slangenbezweerder op een trompet alsof hij Ernst probeerde te betoveren met zijn getoeter. Een bebrild mannetje liep naar de zwijgende Ernst, haalde een boek onder zijn arm vandaan en begon met een piepstemmetje voor te lezen. Ernst volgde het verhaal van het irritante mannetje niet helemaal, maar blijkbaar ging het over hem.    Ernst kroop verder en probeerde omhoog te komen. Hij stootte zijn hoofd aan een laaghangende tak en schoof een stukje op. Goed op de boomtakken lettend stond hij op. Onder zijn linkervoet kraakte het brilletje van de betweter en hij glibberde van het geplette kereltje.    ‘Shit!’ Riep Ernst en hij sprong snel opzij. Zijn rechtervoet plette hierbij een meisje met lang goudblond haar en de idioot met zijn toetertje.   ‘Wat de fuck man!’ De oude dwerg in het rode pakje schopte hem tegen de enkels. ‘Kijk uit waar je je poten smurft!’ Hij zwaaide naar een dwerg met een hartjes tattoo en wees met zijn duim naar Ernst.   De tattoodwerg pakte Ernst bij zijn benen, zwaaide hem drie keer boven zijn hoofd en liet los. Ernst vloog over de huisjes, de lage struiken, kaatste als in een flipperkast tegen tientallen bomen en bleef hangen in een boomtop. Krakend brak de tak waar Ernst zich aan vasthield en stuiterend van tak naar tak donderde hij naar beneden. Hij knalde hard op zijn hoofd. Ernst zijn kop bonkte alsof hij tussen de toetsen van een reuze typemachine zat en opende zijn ogen. De laagstaande zon schemerde over de schouder van een oude stinkerd in een zwarte monnikspij die met zijn pukkelige gezicht dicht bij Ernst zijn eigen gezicht kwam.    ‘Waar zijn die blauwe kutdwergen!’ riep Ernst vertwijfeld.   'Smurfen?' zei Gargamel 'Heb je die mormels gezien, welke richting moet ik uit?'   Ernst had nooit een goed richtingsgevoel en door de klap op zijn hoofd was het laatste restje verdwenen, hij wees een beetje onbestemd tussen de struiken. Gargamel rende, met zijn ranzige kat achter hem aan, het struweel in.

MCH
28 1

Youssouf

‘Jullie begrijpen niets van mij! Jullie spelen de baas, jullie zijn altijd bezig het mij moeilijk te maken! En nog moeilijker! Jullie zijn fucking de baas, altijd doe dit, doe dat, blijf af, sta in de rij, wacht tot je aan de beurt bent, wacht tot je aan de beurt bent, wacht tot je aan de beurt bent. Jullie luisteren niet, bevelen alleen, maar jullie weten niets. Jullie weten niet wie ik ben, waar ik vandaan kom, niets weten jullie van me, maar jullie bepalen alles.’ Ik raas, ik tier, ik jank, ik krijs in het benauwde kantoortje. Mijn woede kaatst van muur tot muur, van kunststof plafondplaten naar grijze, vaal getrapte tapijttegels, de ruimte bolt en trilt. Mijn armen maaien in het rond als losgeslagen knuppels, mijn handen heb ik tot vuisten gebald, mijn ogen branden. De ambtenaar aan de andere kant van het bureau krimpt in elkaar achter het beeldscherm, alsof deze jongen hem elk moment naar zijn keel kan vliegen. Zie hem daar zitten, dat mannetje in zijn geruite overhemd, zijn vale spijkerbroek en die mislukte modieuze blauwe bril op zijn haakse neus. Geen idee waar hij kijken moet, alsof zijn laatste uurtje is geslagen, vastgenageld op zijn stoel, zijn handen trillend op het toetsenbord van de computer. En hij zegt geen woord meer, helemaal niets komt er uit z’n mond, met die malle smalle lippen die me het laatste uur zo tergend irritant en arrogant hebben bevraagd, gecorrigeerd, vermaand, beschimpt.  En dat door die ene vraag: ‘Uit welk land komt u?’ Ik schrik zelf ook want dit ben ik niet, zo wil ik helemaal niet zijn, ik schaam me dood en dat maakt me nog bozer. Verdwijnen moet ik, in het niets zoals buiten op het asielzoekerscentrum. Daar doe ik vooral moeite onzichtbaar te zijn, ik loop niet maar ik sluip, spied naar links en rechts, je weet maar nooit wanneer er weer gevaar opduikt, plotseling. Mijn woede is angst, permanente angst voor dingen die ik met bijna niemand deel, ze zitten vastgenageld in mijn kop. Het begint met die vraag van de ambtenaar, hij stelt haar lijzig, werpt me een korte blik toe. ‘Wat is de reden van uw asielaanvraag?’ Verbijsterd kijk ik hem aan, er zitten kleine gemorste vlekjes rode tomatensaus op zijn boord. Langzaam herhaal ik hardop diens woorden. Op zijn beurt beziet hij mij afwachtend en trommelt met zijn vingers zachtjes op het toetsenbord. Hij knikt me toe, bemoedigend maar dwingend ook, ik zie hem denken waarom een antwoord op zo’n vraag zo moeilijk kan zijn. Ik kan het hem vertellen, precies zoals het is gegaan. Ik kom uit de goot bij het Noordstation, waar ik leefde van de inhoud van de vuilnisvaten. Ik kom uit de trein via Frankrijk, waar ik me een dag en een nacht verstopt had onder de banken, in het stof, de smerigheid en de slurrie op de houten vloer, die meebonkte op het ritme van de bielzen. Ik kom van de plantages in het Zuid-Italiaanse San Nicola Varco waar ik tomaten plukte, duizenden op een dag glibberden door mijn handen, ik leefde in een kartonnen hut aan de rand van een industrieterrein, buiten het zicht van iedereen, omdat ik en die tienduizenden anderen hier in deze drek illegaal waren, we mochten er niet zijn maar wel werken, tien euro per dag. Ik kom van de helse tocht in een lekke boot over de Middellandse Zee, die ik als een van de weinigen heb overleefd want de meesten van mijn Afrikaanse vrienden zijn verdronken, verdwenen in de golven. Nog steeds hoor ik hun gekrijs om hulp, zie ik hun handen wanhopig in het niets grijpen, ogen wijd open van doodsangst. Ik kom van de woestijn, een reis in zinderende hitte waar wij werden overvallen, de vrouwen verkracht, waar mensen dood vielen door de gloeiende zon, gek werden in de uitzichtloze zee van zand en dan ineens zomaar verdwenen. En daarvoor, helemaal daarvoor, als ik diep in mijn geheugen graaf, ja dan kom ik uit Wabaria, ik ben daar geboren, getogen en uiteindelijk vertrokken. Ik voel de zachte bries die het begin van de avond inluidt en de brandende hitte van de dag verjaagt. Ik hoor de mensen praten in het lokale zangerige Fula, ik zie mijn vader in de smidse onder het enorme dak van riet, hij hamert de ijzers boven het loeihete vuur, en in de verte voetballen mijn vrienden in het stoffige zand aan de oever van de rivier de Niger, die zich krachtig golvend een weg door het dal baant, ik ruik het geroosterde vlees van vers geslachte geiten, dat boven smeulende houtskoolvuurtjes hangt. Hier in dit kantoor op het opvangcentrum heeft nog nooit iemand van Wabaria gehoord, een naam op de kaart zoals alle andere plekken waar die vluchtelingen vandaan komen en voor de meesten ben ik, Youssouf, gewoon een knul uit Afrika, want ik ben zwart en dat is dat. Als ik dat geweten had…, en ik schrik van het geluid van mijn eigen woorden, die dof op de grond ploffen. In de beklemmende stilte van deze kleine, muisgrijze ruimte van spaanplaat en gipsvinyl voel ik mij plotseling hopeloos verlaten. Alleen, verlaten en zo eindeloos ver van thuis. Ik heb ook het gevoel dat mijn leven van toen voorbij is. Niet alleen door wat ik heb meegemaakt, wat me is overkomen, de hitte, de kou, de dorst, de slagen, de pijn, de dodelijke vermoeidheid, het uitzichtloze en uiteindelijk het zinloze. Dat is het niet, in ieder geval dat is het niet alleen. Het is veel meer, het is veel erger dat ik mezelf kwijt ben en niet meer weet waar Youssouf is. Een stemmetje zegt in me: Je weet wel, die Youssouf, die sterke, vrolijke jongen die in Wabaria de geiten hoedde, die achter Aisha aanliep, het mooiste meisje van het dorp, die voetbalde met zijn vrienden in het warme zand, die zwom in het lauwe water van de rivierbedding, die mango’s stal en op school vooraan ging zitten om niets te missen van de lessen. Die Youssouf, zoon van de smid en griot, zou ik die ooit nog terugvinden? Zou hij misschien stilletjes met me zijn meegereisd en op een dag gewoon naast me staan en zeggen: “Hoi Youssouf, we zijn er weer.” En zou alles dan weer zijn zoals het vroeger was, zoals ik vroeger was? Of is die Youssouf verdwenen, bestaat hij niet meer, is hij gestorven, ergens onderweg, in de woestijn, in de zee, in de kou, op het beton. Ik zou hem graag weer willen omarmen, maar ik kan die Youssouf echt helemaal nergens meer vinden.   Als ik mijn ogen open doe, zit ik in die godvergeten kamer waar het ruikt naar zweet en stof, waar de grijze ambtenaar mij glazig aankijkt, zijn handen klaar op het toetsenbord van de computer. Niets is hier als thuis en het moment dat ik me dat realiseer, krimpt mijn maag samen, voel ik mijn ogen branden, mijn keel kloppen en hoe erg ik ook mijn best doe, ik kan mijn tranen niet meer stoppen. Thuis is zo ver weg en nu, omdat ik eraan denk, zo dichtbij. Wat is de volgende vraag? Welk antwoord moet ik geven, welk antwoord kan ik geven? De ambtenaar scrolt met de cursor over het beeldscherm, op zoek naar een nieuw formulier, een nieuw veld dat moet worden ingevuld. Het ergert me, dat tikken van de muis, het zoemen van de computer, de man in het bemorste geruite overhemd die zijn neus ophaalt, onbewust maar onfris, dat vind ik het. Ik heb genoeg drek en smurrie meegemaakt, in riolen geslapen, verrot fruit gegeten, me weken niet kunnen wassen. Maar hier, in deze saaie ruimte van een grijs kantoor, klinkt het gesnotter van die grijze meneer mij plotseling smerig in de oren.   ‘Ah… hier… had ik u al gevraagd waar u vandaan komt?’. Hij kijkt peinzend naar het scherm, alsof hij met de pixels spreekt in plaats van met zijn bezoeker.   Ik had mijn plan gemaakt. De volgende dag heel vroeg, toen de zon nog ver weg was, het dorp uitrustte van de zware hitte van de vorige dag, net voordat het eerste grijs het duister verdrong, stond ik op, zo behoedzaam als de salamander zijn prooi besluipt. Ik verliet ons huis, stiller dan de zucht van de eerste ochtendwind en vertrok. Ik had de tocht in mijn hoofd gestampt, ik wist precies hoe ik het dorp moest uitlopen zonder de anderen te wekken, zonder het minste geluid, het kleinste spoor achter te laten. Toen ik de laatste huizen voorbij was, rende ik, steeds harder, harder en nog meer, mijn adem gierend in mijn longen, mijn hart fel kloppend in mijn borst, mijn hoofd. Ik holde tot de grote weg, de sliert asfalt dat als een zwarte houtskoolstreep door de woestijn was getrokken. Hier moest ik wachten tot de vrachtwagen kwam. Toen ik dagen geleden in de grote stad was geweest, had ik een plaats gekocht voor de truck die mij naar Agadez zou brengen. Als ik daar aankwam, zou ik een ander ticket kopen, voor een andere vrachtwagen, eentje die naar het noorden gaat, naar de grens. En daar zou ik opnieuw zoeken naar vervoer, telkens weer opnieuw, tot ik zou zijn waar ik wezen moest. Europa.   Wil de grijze meneer dit werkelijk allemaal weten?  Deze man die de hele godganse dag op zijn stoel zit in dit bedompte kantoortje van spaanplaat en kunststof, met door de ramen uitzicht op het volgende kantoortje van spaanplaat en kunststof… Mijn hart vult zich met irritatie, met ergernis, met droefenis, ik voel het samenpersen alsof een vuist drukt en duwt. Hoe of waarom moet ik mijn verhaal vertellen aan deze man met zijn bevlekte overhemd, die met zijn cursor speelt en zijn toetsenbord befrommelt en zijn neus hinderlijk luidruchtig ophaalt? Kan, of nee wil deze meneer begrijpen hoe ik in Agadez aankwam, hoe ik dagenlang zocht, wachtte, onderhandelde, wachtte, tot ik eindelijk mee kon met een afgeladen Toyota Pickup die mij honderden kilometers door de woestijn zou brengen? Ver, heel ver, maar lang niet ver genoeg voor de honderden kilometers die nog restten tot aan de stranden van de Middellandse Zee, in Medina, waar de toeristen de Tunesische geneugten opzogen, maar waar ik, toen ik daar na weken uitgedroogd, verhongerd, vervuild en doodmoe aankwam, op zoek moest naar de mannen van de boten, de mannen die mij moesten helpen voor de overtocht. Europa. 1500 dollar voor een plek op het bovendek, 1000 dollar op het benedendek, 500 dollar voor een plaats in het ruim. De dag dat ik het bedrag kon betalen, nadat ik maanden vuilnis had geveegd, schepen gelost, ruimen gereinigd en gestolen handel verkocht, was ook de dag dat ik zeventien jaar was geworden. Thuis in Wabaria zou een schaap zijn geslacht, maar in Medina was ik een arme sloeber die rondhing op het strand, zoals duizenden anderen. Dat was toen. Nu kijk ik naar de grijze meneer tegenover me en zoek naar woorden die passen bij de hel van de boottocht, hoe ik als een van de weinige overlevenden aan land werd gebracht, opgesloten, losgelaten voor de tomatenpluk, ontsnapt, vertrokken, gezworven, verjaagd, gevlucht. Dan golft er langzaam een woeste razernij naar boven, vanuit mijn tenen, via mijn maag, mijn borst, mijn hart, mijn keel, ik doe alles om haar te kalmeren, maar ze is als de zandstorm die over de woestijn raast en alles opjaagt en verwoest wat in haar weg komt. ‘U kwam uit….’, herhaalt de ambtenaar nog eens de vraag, met iets meer ongeduld in zijn stem.   ‘Ik kom uit Wabaria’, antwoord ik en mijn adem stokt. De grijze meneer knikt en tikt het in op zijn computer. ‘En uit welk land?’ Ik kijk hem aan, geschokt, en vraag: ‘Hoe bedoelt u?’ De grijze meneer zegt schouderophalend: ‘Nou… gewoon… wat is uw land?’ Wat wil hij, grijze muis in grijs kantoor achter grijs beeldscherm met mijn land? De grond zakt weg onder mijn voeten en het lijkt of ik in een aardedonker diep gat val. Mijn land? Waar ik vandaan kom is de aarde verscheurd en besmeurd met bloed door en van mensen, gewone mensen zoals iedereen, maar ze gedragen zich als beesten, vechten met elkaar en om elkaar, om de grond, de macht, de winst. Niemand weet waar het begon en hoe het zal stoppen, en wij, de mensen in de dorpen, op de heuvels, worden opgejaagd, vermoord, de vrouwen verkracht, de kinderen ontvoerd. Mijn land is opgeheven, het is in stukken gehakt, kapot gemaakt door mensen die de macht hebben, of zij die dat willen krijgen. Het land dat ik kende, het land waar ik ben geboren, opgegroeid, volwassen geworden, het land dat mij liefde gaf, gelach, gezang, gedans, dat land is een poel van haat, van geweld. Mijn land, mijn liefde, dat bestaat niet meer. ‘Vous connaissez mieux ce qu'est mon pays,’ antwoord ik zachtjes, vanuit de diepte.  De grijze meneer schudt niet begrijpend zijn hoofd, draait wat afwachtend en bozig naar de luidspreker op het bureau, waar via de telefoon een tolk mijn woorden vertaalt. De stem herhaalt de zin nog een keer: ‘U weet beter wat mijn land is.’ ‘Ik moet van U horen uit welk land u komt, meneer’, zegt de grijze meneer licht verontwaardigd, bazig, hij legt de nadruk op U en tikt met een blauwe pen op het computerscherm, precies waar het vakje ingevuld moet worden. Dan kijkt hij mij vanachter zijn blauwe bril doordringend aan: ‘Het is aan U te vertellen, te bewijzen waar u vandaan komt en hoe U hier bent gekomen…’ Ik wil niet meer luisteren, ik wil die grijze meneer niet meer horen, zijn vragen, zijn gesnotter. ‘Daar zul je geluk vinden, daar is werk en daar is geld, voldoende voor ons allemaal’, zingen de woorden van mijn vader, maar te laat, de storm in mijn hoofd is niet meer te bedwingen. De schroeiende woestijn, de ijskoude golven, verrotte tomaten, de stank, de kou, het vuil, de vernederingen. Maanden, jaren van angst, verdriet, pijn, ellende persen zich samen in een kolkende woede die door mijn kop tolt. Ik wil wel, maar ik kan het niet meer stoppen. ‘Jullie begrijpen niets van mij!!’  

Jeroen56
2 1

Die dag op Krubbo

“Astriebo, waar ben je?” “Hier, Zdragjebo, achter het smukdra.”“Waarom verstop je je daar? Ben je bang van iets?”“Neen, wat is er op Krubbo  om bang van te zijn? Ik speel enkel een spelletje met je. Het smukdra is ideaal om te verdwijnen en toch lijkt het totaal transparant.”“Kom nu maar achter dat scherm vandaan, ik praat liever met zichtbare wezens.”Dat smukdra-ding is wel geinig,  als je achter het scherm staat ben je totaal onzichtbaar. Astriebo houdt vol dat het van een andere planeet afkomstig is, maar hij weet niet dewelke. Keuze zat, want naast de blauwe, die het verst  van ons verwijderd is, heb je de rooie, de melkwitte en nog een twintigtal andere gevaarten in de ruimte, die net als Krubbo de naam planeet meekregen. De oudere Krubbonoren beweren dat onze lichtjarenverre oorsprong zou te vinden zijn op het minuscule blauwe bolletje.“Weet jij naar hoeveel planeten wij kunnen reizen, Astriebo?”“Neen, geen idee maar die groene, Waldbrow, daar wil ik met jou wel eens op vakantie.”“Dat kan, met de Holostar. Die reist naar vijf planeten.  De andere zijn te ver verwijderd.”“Zdragjebo, jij weet zoveel.  Als je op school een spreekbeurt moet geven over een onbekende bezoeker aan onze planeet. Wat zou je hem vertellen?”“Dan zou ik beginnen met Noz, de grote vuurbol, die Krubbo verlicht en verwarmt.  Verder zou ik spreken over de bevolking die in ronde metaalachtige sferen woont die ingedeeld zijn in een soort honingraten. Elke bewoner heeft zo een eigen kleine ruimte waarin hij slaapt en eet.  Uit een kraantje, gekoppeld aan een buizenstelsel komt een krachtig brouwsel.  Daar voeden wij ons mee. In een ruimte in het midden van de bol komen familieleden en vrienden samen om te praten of spelletjes te spelen.”“Heb jij een favoriet spelletje, Zdragjebo?”“Zeker, dat is ‘Mens erger je niet’, maar ik zou aan de bezoeker ook nog zeggen dat er naast de individuele bollen nog grotere bollen zijn waarin bijvoorbeeld onze school is ondergebracht  of waar allerlei groepsactiviteiten doorgaan.”“Ga je hem ook iets vertellen over Oerkabbo,  die grote vlakte waar dingen uit de ruimte vallen en waar wij op woensdagnamiddag dikwijls gaan spelen?”“Misschien houden we dat beter geheim. Wie weet waar een vreemdeling zoal op uit is? Mijn broer heeft eergisteren een rood stuk metaal gevonden met als opschrift: ‘Tesla Roadster’. Hij gaat het naar het museum brengen.”“Bedoel je dat museum waar ook die gouden plaat wordt getoond met die rare geluiden?”“Precies. Naar het schijnt zijn die geluiden wezens die praten.  Er staat ergens ‘Akkadisch tot Zweeds’ op vermeld. Dat zouden talen zijn.”“Is er tussen dat gebrabbel ook iets dat de Krubbonoren verstaan?”“Er is één passage die wij allemaal vlot verstaan: ‘Hartelijke groeten aan iedereen’.” (English version: see Bedtime.com)

Vic de Bourg
28 2

Op reis

Op het notenhouten dressoir in de gang, eigenlijk meer een vestibule zo ruim is het, staat tussen een enorme bak met bloemen en een volle asbak, een foto van een gezinnetje. Een kale man en lange dunne vrouw glimlachen spookachtig achter twee té uitbundig juichende kinderen, aan de rechterzijde kijkt een struise man rustig toe, waarschijnlijk een oom.   ‘Uw kleinkinderen?’ Ik verdwijn bijna tot mijn enkels in het vloerkleed met brandgaten.   ‘Wie?’ De oude man staart mij met grote ogen aan alsof hij door dikke brillenglazen tuurt en krabt aan zijn baard.   ‘Die tweeling.’ Ik wijs op de foto.   ‘Da’s geen tweeling, ‘t is volgens mij niet eens familie. In ieder geval geen familie van mij, het zijn meer een soort vrienden,’ mompelt hij en staat verstrooid stil als het hangend beeld bij een televisiestoring. ‘Ik weet ook niet hoe het precies zit.' Hij schrikt uit zijn concentratie en wappert met zijn hand dat ik hem moet volgen. Via de gang en de keuken met ongewassen vaat gaan we door de achterdeur naar buiten. Aan de overkant van een klein binnenplaatsje klapt de ouwe een luikje open in een enorme garagedeur. De walm van sigaren gemixt met smeerolie en oud zweet is bijna aan te raken zo dik.   ‘Het labo,’ zegt hij snaaks met een vette knipoog.    Het lijkt het depot van het museum voor ouwe meuk. Jarenvijftig machines met hendels en tandwielen wisselen primitieve computers met groene beeldschermen af. Een afgeleefde houten werkbank ligt vol met roestige onderdelen van mechanische en elektronische rommel. In een rek aan de achterwand, naast een grijze metalen kast, hangen zagen, schroevendraaiers, beitels en allerlei vage gereedschappen. Ik krijg het beeld van een middeleeuwse martelkerker, welliswaar enigszins gemoderniseerd en gestileerd, maar blijven hangen in de rock-'n-rolltijd.   'En dit hier,’ hij klopt op een enorm rasterscherm waar links een soort open liftbak aan zit vastgelast, ‘dit is de teletijdmachine.’   Hij schopt mij de bak in en de combinatie van een migraine opwekkende, scherpe lichtflits met een klap tegen de longen alsof ik van mijn paard val, volgt. Wakker word ik in een landschap met heuphoog gras, in de verte een kerkje.    Waar ik ben? Geen idee.

MCH
13 1