Lezen

Arno Hintjens is oud nu maar zijn lever heeft het klaarblijkelijk overleefd want hij word alleen maar ouder nu

Langs de linkerkant de linkse rattenLangs de rechterkant de rechtse rakkers& de Limburg ligt pal in het middenEendracht maakt machtl'union fait la forcevoor vorst voor vrijheid & voor rechtendoor             het gepolariseerde volk eist gehoor!rood geel zwartde triptiek van tragedierood geel zwartde kleuren van ons harthand in hand oog in oogalle kleuren van de regenboogden overkant schijt best omhoogtijd voor een ommekeerwant we keren keer om keerelkaars woorden omwe planten vlaggenroepen het van de dakenieder huis zijn eigen kerk& niemand is écht altijd blijpessimist realistiedere knappe kop& ze denken luidophoe het zit met de overkantgeen gedacht vanmaar ons gedachtwat dacht ge daar van ?La vie en rose , la vie en naar de kloteje ne regrette rien & dit eindigt weer bij Edith Piafwe smijten onze weltschermz                    in elkaars facade & de politiek houdt steevast aan zijn facaderechts is the right way to go& links laat niemand links liggenchristendemocraat & Vlaamsde cunts dicks & vagina's . De CD&V .het heuse midden ligt volledig stil& de aarde keert langzaamaan om zijn baanextreem groen ligt te brallen van de zijkant :MY DEAR PEOPLE SAVE THE EARTH EAT YOUR OWN TURDwant duurzamer kan je namelijk niet leven!verwittig de filosofen& zeg ze , jongens leg de boeken neer!het boeit het volk allemaal geen halve reet meermummificeer de demagogen & liefst zo snel mogelijkwant het is allemaal al ingewikkeld genoeg zo mannekesliefzeg de drieste poëten voor de pennen nat te likken& zich ermee voor het uiteinde van de ravijn in een rij te schikkenzeg de intellectuelen voor het beter te weten zoals altijdmaar voor wikipediawijsheid heeft niemand geen tijdgemuisvingerd op het eilandde straten worden te kleinde fabrieken kunnen niet volgenAntwerpen is een parking& menig schooier berooft elkaarer zijn te veel mensenmaar geen mens dat daar aan denktEtienne Vermeersch = doodde beste man verliet het leven al lang& niemand gaf een halve zier om de man zijn zwanenzanger zijn veel te veel mensen& geen mens is teveel anno 2023iedereen mag zijnniets hoeft nog normaal te zijn& mijn god , mon dieuxwat is het hier toch niet fijnLangs de linkerkant de linkse rattenLangs de rechterkant de rechtse rakkers& het trage & bedachtzame Limburg ligt pal in het middenArno Hintjens id oud numaar zijn lever heeft het klaarblijkelijk overleefdwant hij word alleen maar ouder nuhij danste & tierdein de straten van Oostende& kankerde zichvan Marbelle tot in Bruxelles ma Belle                               Bruxelles ma Belle hellholewaar Tommeke Tommeke Tommeke toch Van Griekenop de laatste zwarte zondag spontaan de Sirtaki begon te dansengevolgd door een veel te grote SouvlakiMythoske daarbij , de bruine mannen langszij& dessert Donald Trumpsnoeihard bij de foef grijpenmet langs de zijlijnde heuse heen & weer hoppende huppeltrut van het Vlaams BelangDries aka trekvlek Van Langhenhoveschild & begint er opnieuw mee vriendbekakte zeikstraalPutain Putain zong Hintjensgenoeg leed voor de wereldteveel leed voor de wereldtijd om te besteden in de wereldtijd om te kneden in de wereldtijd voor een ommekeerwant keren elkanders woordenkeer om keer omlinks kijkt linksrechts kijkt rechtsmaar ze kijken beide weg& allen slaven van het kapotalismelinks kijkt linksrechts kijkt rechtsmaar ze kijken beide wegonze vergulden middenweg

Schrikkentist
33 0

Nieuwjaarsbriefje van de pen aan het papier

Je weet het dus nog? Ik ging kopje onder in het bakelieten potje door het gaatje, dat net zo groot was als de omvang  van mijn dikste kleurpotloodvriend in de pennenzak. Vol met donkerblauwe inkt werd ik aan het randje afgestreken opdat ik geen vlekken op je maagdelijk witte velletje zou maken. Soms vergat men mij af te strijken en kon ik het niet helpen dat je een klodder inkt te verwerken kreeg. Dat speet mij zeer, vooral wanneer jij dan plotseling als een prop in de papiermand terecht kwam.  Gelukkig was er ook jouw zachte roze vriend die vloeiend de inkt opslorpte waardoor ik je verder mocht vol pennen. In de tijd dat de houder waarin ik werd geschoven nog wat bibberde en ik nog moest leren welke letters ik moest schrijven, had jij nog fijne blauwe lijntjes. Later verdwenen ze en kreeg ik het moeilijk om alles in rechte banen te leiden. Wat was jij prachtig toen ik aan de doopmeter van mijn bezitter de allereerste nieuwjaarsbrief schreef. Jij schitterde gewoon, met jouw zilveren sterretjes en kleurenprenten van kinderen die speelden in de sneeuw. Mijn geschrift was mooi, maar beverig en ook al had ik alles eerst in klad voorgeschreven maakte ik toch een foutje, dat ik dan maar doorstreept heb. Hoe gek klonk de beleefdheidsformule die ik van mijn tienjarige eigenaar moest schrijven: ‘Uw toegenegen doopkind’. Daar heb je vast mee gelachen, net als met dat rijmpje dat ik voor de grap schreef: Liefste meter, één centje is goed, twee centjes zijn beter. Hij die mij al die jaren toeliet jou te beschrijven neemt mij helaas steeds minder ter hand, maar gelukkig laat hij mij dicht bij zijn computer liggen. Vanuit die bevoorrechte positie kan ik dan meekijken en lezen wat hij via een bord met toetsen op een scherm projecteert met een digitale witte vlek, die de pretentie heeft er als jij uit te zien. Sinds geruime tijd neemt hij zo deel aan schrijfopdrachten, waarvoor ik af en toe in een kladboekje mag voorschrijven wat uiteindelijk op het scherm terecht komt. Herinner jij de uitdrukking: ‘Wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil’? Dat waren nog eens tijden, toen wij regelmatig bij kaarslicht mochten samenwerken. Weet jij dat ik, inktpotten en potloden in het woordenboek als ‘ouderwets’ schrijfgerei bestempeld worden? Jij bent natuurlijk nog lang niet afgeschreven al wordt je nu veeleer bedrukt dan beschreven. Ook al ziet de toekomst er voor mij eerder somber uit, wil ik je voor het komende jaar alle voorspoed toewensen. Wat ik zo fantastisch vind is dat jij tegenwoordig zelfs als prop of als snippers gerecycleerd wordt en telkens weer in een andere gedaante opduikt. Er dreigt wel een groot gevaar dat bekend staat als IPad. Dat lijkt op een telefoon met een klein scherm waarmee ook geschreven kan worden en zo mobiel is dat er van pen en papier totaal geen sprake meer is. Ik merk ook aan de commentaren van collega’s van mijn bezitter dat ze het meer en meer gaan gebruiken, want hun teksten tellen eens zo veel schrijffouten als voorheen. Verschrijvingen hebben wij ook gekend, maar samen met vriend gum konden wij gebreken steeds tot een minimum beperken of wegvagen. Mijn papiertje fijn, ik hoop dat wij nog lang samen mogen zijn.    

Vic de Bourg
19 2

Paris is burning

Parijs staat in branden alle steden staan in brand.Vlammen zien we nietslechts walmende contouren van een stad.Er is mist hierer mist iets.Gelaatstrekken van silhouetten zittenverpakt alsof tongen zijn ingeslikten er van woorden enkel nog maarvia ogen taal kan worden gemaaktof slechts enige vorm van zinsbouw.Hoe gaat het met je? Cava avec toi?Oui oui, maisIk wil een vrouw zijnmet schubben als huid of als schildaansluiten bij een schildpaddenleger.De straten betreden op naaldhakkenzo hoog als steltenbekeken worden, maar niet worden aangegaapt.Om middernacht wil ik geschminkt als manmaar gekleed als vrouwde straten doorkruisenzonder loslopend wild te zijn waarop wordt gejaagd.Ik wil de harten breken vande mannen die dat ook bij mij deden,ze opblazen met heliumen als ballonnen de lucht in laten.Ik wil de zee op varen,een nieuw land stichten.Een eigen taal verzinnen met heel veel scheldwoordenzoals lul en.. sukkel.Slaapliedjes verzinnennachtmerries de nacht uitwiegen.Ik wil mijn herinneringen plooientot origami vogelsen ze de stad in laten vliegen ver weg van broedgebiedenwaar hoofden rusten op kussens van gesneuvelde vleugels.Een lijm uitvinden om gebroken glazendie in duizend stukken opde lineoleum vloer liggenweer aan elkaar te kunnen plakken.Scherven brengen geen geluk.En het glas niet half vol.Het ligt gebroken op de grond.Ik wil heel hard in scherpe voorwerpen springen en pijn en pijnen pijn leiden zodat ik alle pijn uit de wereld…Ik wil een goededoelenfondsmet mijn naam er op.Ik wil een maagring en een trouwringzodat iedereen kan zien dat ik vermagerd ben en verloofd.Ik wil Parijs in brand steken en alle steden in brand stekenen dat in het journaal presenteren als nieuwslezeres.Ik wil blind zijn van de liefde zodat ik vuurnoch vlammen kan zien oplaaienen alleen maar rook ruiken en wat ik mis.Het is ietshet mist hier.

Roos de Buysscher
38 1

Treurwilg

Het regent. Ik weet niet of het al regende in dit nieuwe jaar. Toch wil ik wandelen. Ik trek mijn sportschoenen aan. Waterdoorlatend. Ik weet dus wel zeker dat ik straks voor het eerst natte sokken zal hebben dit jaar. De Brugse Reien liggen er rustig bij. Het regent ondertussen niet meer. Mijn sokken worden wel nog nat. Ik blijf even staan bij de treurwilg die in de bocht van één van de reien staat. De druppels die van de kale takken glijden trekken cirkels in het water. Net op dat plekje regent het nog. Een treurwilg. Letterlijk. Een trieste boom, enkel nog tak en stam en traan. Helemaal ontdaan van het loof. Naakt in zijn boom-zijn. Ergens las ik dat wij ook zo moeten worden. In de winter. Ondergedompeld in verstilling. Ontdaan van de drukte. Geen schermen meer die blauw licht afvuren. De moderne naakte mens, zonder attributen, zonder digitale status. Ingestopt onder een warm deken met enkel het geluid van tikkende regen op het raam. De moderne naakte mens ver weg van de vrolijkheid die het leven moet zijn. Er is rouw. Er is melancholie. Er zijn bedenkingen. Er is menselijke regen die van de takken moet druipen. Zo zuiveren we ons tot de lente. Ondertussen kringelen meer regendruppels in het water. Het regent opnieuw. Het regent, het zegent, zei mijn moeder ooit. Het wordt vooral nat, denk ik. Mijn klamme sokken soppen in mijn sportschoenen. De Brugse Reien vallen even grijs uit als de wolken. De regen komt neer op de kasseien. Nu is het enkel nog wachten. Tot de lente komt.

Jolien Van de Velde
53 0

Krulhaar

Lang geleden, in de tijd dat mensen en dieren elkaar nog begrepen, leefde een jongetje van acht jaar met zijn ouders op een heuvel. Samen met hen kwamen dieren een pootje helpen bij het groenten telen. Vossen kwamen diepe putten graven waar knollen konden bewaard worden. Kippen, katten, honden en andere dieren hielpen op hun manier om de grond te bewerken en klaar te maken voor nieuwe planten. Ze klauwden, krabden, scharrelden, wroeten tot de grond poreus genoeg was om te planten. De honden dabberden alle jonge plantjes en zaadjes onder. Een olifant woonde iets verder en wist dat hij op zo een moment zeer nuttig was. Uit de beek slurpte hij water en sproeide dit in het rond. Vader en moeder keken toe en waren zeer tevreden. Bij Krulhaar, hun zoontje, was altijd een jonge hond in de buurt. Ook wanneer er niet voor de velden moest gezorgd worden, waren ze bij elkaar. Krulhaar speelde dan met zijn vriend Kwispel. De gekste spelletjes kwamen aan bod. Benoemen deden ze niet, toch kennen we er nu nog enkele van: hondje over, mensje over is er zo een van, dolgelukkig werden ze door over elkaars rug te springen. Wanneer ze op stap waren, was Krulhaar eerst bang geweest toen hij soortgenoten zag. Dichterbij komen deed hij niet. Ze lagen naast elkaar verscholen achter een obstakel, om te zien of ze iets herkenden in het doen en laten van de groep. Met gegrom of een glimlach begrepen ze gelijkenis. Het was niet bij die ene groep gebleven, ze waren verder op zoek gegaan. Bij nieuwe groepen, groot of klein, waar overeenkomsten te zien waren, keken ze naar elkaar en voelden een opwinding. Kwispel was voor hem onmisbaar. Met zijn snuit tegen de grond vond hij de weg makkelijk terug. Ook wanneer ze langer weg waren en de maag om vertering vroeg, kon Kwispel snel een hapje vinden. Dikwijls deelden ze dat. Zo zaten ze vergenoegd te kauwen terwijl hun ogen elkaar niet loslieten. De verrukkelijkheid straalde tussen hen. Op één van de tochten bleef Krulhaar verbaasd staan. Zag hij daar geen ander klein menswezen dat naar iets aan het turen was. Een mensgroep was niet direct te zien, was zij alleen op de wereld? Krulhaar keek gefascineerd naar het menswezen. Het gezicht was grotendeels verborgen door het lange haar. Het leek een lichte sikkel die gedragen werd door een donkere gestalte. Een lange tijd stond zij stokstijf te staren. Hij kon zich niet voorstellen waar ze naar keek. Gebiologeerd bleven zijn ogen aan dat figuur kleven tot Kwispel een klagend geluid liet horen. Heel de terugweg bleef hem het beeld bij. Ook dat voelde Kwispel, hij gromde terwijl hij oogcontact zocht. In het kamp vlijde Kwispel zich aan de voeten van Krulhaar en bleef vruchteloos contact zoeken. Een week later was Krulhaar duidelijk blij dat hij werd weggestuurd. Met een huppelpas was hij vertrokken zonder op Kwispel te letten. Natuurlijk voelde die de afwezigheid van zijn vriend onmiddellijk. Op een drafje was hij hem bijgebeend. Zonder op hem te letten echter spoedde Krulhaar zich naar de plek van vorige keer. Perplex bleef hij staan. Dat klein menswezen was veel dichterbij en zag hem aankomen. Een glimlach tekende haar lippen terwijl haar bolle wangen lichtrood kleurden. Krulhaar kon niet bewegen, zijn voeten voelden als lood. Kwispel holde hem bijna voorbij, keek naar zijn vriend met een klagend gehuil. Krulhaar bleef genieten van het vriendelijke vreemde gezicht. Zijn hart klopte, klopte zo hevig dat hij bang werd dat het een laatste tik wilde geven. Bedremmeld draaide hij zich om en volgde Kwispel, die met de staart tussen de achterpoten en de kop in het zand voorop liep. Nog een week later was Krulhaar voorzichtiger. Met een langzame pas stapte hij de bekende route. Kwispel moest nu ook niet rennen om hem bij te benen. Onderweg voelde hij het verlangen van Krulhaar naar een weerzien. Toen hij naar boven keek zag hij zweetdruppels op zijn voorhoofd. Dat had hij nog nooit gemerkt, vreemd. Zou dat aan dat verlanggevoel liggen dat Krulhaar moest zweten? Ook hoorde hij een vreemd getik. Was dat er ook niet de vorige keer, misschien wel iets rustiger nu? Waar hij vorige week vastgenageld stond, bleef Krulhaar staan. Zijn ogen bleven gefixeerd op een punt, het punt waar hij nu niemand zag. Teleurgesteld zette hij zich naast zijn vriend. Kwispel genoot van zijn nabijheid en liet dat duidelijk voelen. Krulhaar was met zijn gedachten bij de verlaten plek. Hij voelde zijn hart samentrekken en zuchtte. Toen hij zich teleurgesteld omdraaide, ontwaarde hij in de verte een sikkel. Deze keer staarde zij de andere kant uit. Wat vreemd, dacht hij, zo leerde ik die kleine mens kennen. En toch is het anders. Vol in gedachten en toch met een hart dat wilder tekeer ging, schuifelde hij naar zijn ouders. Kwispel bemerkte het vreemde maar voelde zich toch blijer dan de vorige keer. De volgende week wandelde Krulhaar, zonder het te beseffen, in zijn voetsporen. Kwispel deed zijn naam via zijn staart alle eer aan. Opgetogen volgde hij. Hoe verder ze kwamen, hoe sneller Krulhaar stapte. Kwispel trok een vragende snuit waar Krulhaar geen aandacht voor had. Ineens begon hij te lopen, waarom wist hij niet. Kwispel was verwonderd en bleef staan. Het geluid in de omgeving viel weg, het was windstil. Het werd zo fris dat Kwispel zich plat op zijn buik aan de grond wilde warmen. Zag hij daar nu niet dat kleine menswezen? Het leek wel zo, maar niets van het gezicht was te bespeuren. Met de snel opgekomen donkerte was het moeilijk om zeker te zijn. Maar toch, maar toch. Achter het hoofd van dat klein menswezen zag hij stralen. Daar verscheen zeer langzaam het opgewekte gezicht van zijn menswezenvriend. Hoe meer hij de opgewonden blik van zijn vriend kon zien, hoe warmer het werd. Kwispel sloeg zijn staart heen en weer, met zijn kermend gehuil ontwaakte de omgeving.

Luc Van Roosbroeck
0 0