Lezen

Zandloper

Het zand brandt onder mijn badhanddoek. Ik leg mezelf als een stuk barbecuevlees op de rooster en gril mijn lijf, mijn melkflesbenen, mijn kippenbilheupen, mijn puddingbuik, mijn slagroomborsten, mijn mozzarella-armen, mijn worstenvingers. Als een sfinx lig ik op het goudgele tapijt en door die witte pensen aan mijn hand vergiet ik de korrels in andere zinloze hoopjes zand. Terwijl ik zeef, staar ik naar de verte, naar de dijk met haar grijze muur die mij scheidt van de ijskramen en frietkoten en al dat onbereikbaar lekkers dat in geuren naar me toewaait, net als de kinderkreten die nog lang niet aan september denken, het grommen van de go-carts, het schoppen tegen strandballen en het wapperen van de vliegers in de lucht. De hemel blaast haar adem tussen de parasols, frigoboxen, zandkastelen, en plastieken bloemen, waardoor hun molenwieken in cirkels rondmalen, zoals mijn gedachten deze ochtend toen ik het badpak vond dat na het einde van vorige zomer ergens onderaan in mijn kleerkast belandde, en terwijl ik dat badpak tussen mijn duimen en wijsvingers liet walsen, prikten de twijfels of de stof wel voldoende zou rekken in mijn ogen, ja, ik moest het opnieuw passen om te vermijden dat ik op het strand zou liggen in een badpak dat mijn zomerlijf naar boven duwt als een calippo-ijsje, want mijn lichaam negeert de seizoenen en houdt van winterse kost en warme hapjes gezelligheid, dus keek ik met ingehouden adem hoe mijn spiegelbeeld het zeemeerminnenkorset naar boven trok, en ik schipperde om elk kwabje in de tweede huid te vangen, en ik liet mijn borsten in de voorgevormde schelpen schommelen en ik haakte de spaghettibandjes over schouders, en ik zag hoe mijn oksels parelden alvorens de zon me had kunnen brandmerken. Ik keek naar mijn evenbeeld en even beeldde ik me in dat ik de zeste van mijn sinaasappelbillen eraf kon raspen, ik neep in mijn zijplooien in de hoop ze als stokbrood in plukken van elkaar te kunnen trekken, zo stond ik uren voor de spiegel te draaien en in mijn fantasie waaiden er mensen met scheldblikken en nastaarwoorden voorbij, die dik en ieuw en lelijk schreeuwden, of zwegen, maar in hun ogen zag ik de letters verschijnen, en wat als ik gewoon thuisblijf, jou zeg dat ik ziek ben, dat we wel een andere keer naar het strand kunnen gaan.   Het gebrul van een voetbalspelletje haalt me uit mijn verdwaalgedachten, en even komen mijn armharen recht en spitst het kippenvel de oren, ik kijk naar de spelende kinderen die nog mooi en strak en slank zijn, gevangen in een huid die met hen meegroeit, als een elastiekje dat zijn rek nog niet verloren heeft, en in windvlagen hoor ik hen roepen, ik ben bang voor hen, ik ben bang voor hun geroep, maar gelukkig tieren ze enkel pas en goal en ik sta vrij, en kunnen mijn armharen ontspannen verder zonnen. Ik draai me om en het zand knarsetandt onder mijn rug. De zon schroeit mijn ogen dicht, de zomer wordt langzaam stiller tot ik ze niet meer hoor, alles ruist voorbij, tot ik wakker schrik van natte spatjes. Ik open mijn ogen en zie hoe jouw schaduw me half bedekt. Je schudt de zee van je af. Je lokken druppelen na op mijn huid. Frissen me op. Je dept jezelf droog. Waaiert je bevlekte handdoek naast de mijne. Onze blikken kruisen. Je neemt de zonnecrème. Wrijft me in. Jouw handen. Kussen. Elke naakte centimeter.  

Fay_vk
7 0

Ongekend begrip

Het witte konijn van de haast trekt aan mijn gedachten tijdens de zelfopgelegde stilstand in de wachtkamer. Smoezelige witte muren worden afgewisseld met beduimelde posters met lachende gezichten. Waarom ze lachen is niet helemaal duidelijk, ze vertegenwoordigen ten slotte niet de prettigste onderwerpen. Achter de balie zit de voor mij inmiddels bekende persoon. Voor haar, op de balie staat een pannenkoekplant. Een klein hip eiland van zuurstof in deze benauwende ruimte waar iedereen is, maar niet wil zijn. Het zachte geschuifel van drie mannen op kousenvoeten bereikt mijn oren. Woorden vliegen over en weer terwijl er drie koppen koffie uit het ratelende koffiezetapparaat worden gepakt. Suiker en melk wordt met grote hoeveelheden toegevoegd. Met een zwierig gebaar trekken ze de knalharde oranje stoelen onder de tafel vandaan. Onverminderd gaat de discussie voort tussen de drie mannen die mijn gedachtengoed beheersen. Aristoteles legt zijn voeten op de tafel en roept door de ruimte voor iedereen die het horen wil, ‘Dankbaarheid verouderd snel.’ Nietzsche schuift zijn stoel naar achteren, gaat staan en pareert razendsnel, ‘Er bestaan geen feiten, alleen intepretaties.’ Lange tijd is het stil, er wordt zo nu en dan gehoest, gezucht en er klinkt een piepje van een telefoon. Totdat een voor mij vertrouwd kuchje klinkt, mijn favoriete held Socrates reageert eindelijk. ‘Ware kennis bestaat erin te weten dat men niets weet, wijsheid begint met verwondering.’ Ik slaak een zucht van opluchting, mooi gesproken. Als mijn ogen door de ruimte zwerven, blijf ik haken in de lege blik van de tiener tegenover mij. Het stille staren naar levens die nooit de zijne zullen zijn, raakt me diep. Hij is niet hier, maar ook nergens anders meer thuis. Ik voel verse tranen diep vanuit mijn buik opborrelen. Op het moment dat ik contact wil maken, wordt de volgende selfie gemaakt. Met niets anders op de achtergrond dan het groene bord met nooduitgang erop. De pijl wijst naar links, de kant op van de verwijzing. Snel kijk ik naar rechts, verlangend naar het versnellen van de wijzers van de klok die stil verwijtend boven de schuifdeur hangt. Ruw worden mijn gedachten onderbroken door het wekelijkse boodschappenlijstje dat om aandacht vraagt. Vier pakken melk, een kilo aardappels, brood, twee flessen wijn, nee vier flessen wijn. Voordat het einde van de lijst in zicht komt, volgt een welkome onderbreking. Kwiek loopt een struise dame, ingekleurd met tweedbruin en getooid met grijze haren, voorbij mijn vaste plek in deze ruimte. Een tijdloos plaatje zonder gene en nog volledig onwetend en vrij van angst. Zouden de uren gunstig voor haar zijn? Naast mij een jonge moeder die haar kind tergend langzaam een liga geeft en een plastic speeltje in de handen duwt. Het kind bekijkt beide van alle kanten en besluit dan dat de meeste kleur het lekkerst moet smaken. Wat moet het heerlijk zijn om nog geen enkel besef van tijd te hebben. Het gewicht van tijdloosheid maakt het leven luchtig. Ik kan niet goed inschatten hoe oud de moeder is, haar leeftijd valt ergens tussen de vijfentwintig en de veertig. Duidelijk is wel dat haar tijd van leven haar zwaar valt. Dan gaat mijn interne alarm af, rood licht flitst achter mijn ogen. Ik kan het niet langer meer negeren, mijn eindeloze to-do lijst komt genadeloos op me af. Rij na rij wandelt voorbij op de maat van de schuifdeur die telkens weer open en dicht schuift. Tegelijkertijd zie ik een beweging aan mijn linkerkant die onzichtbaar in gang wordt gezet. Een van de witte deuren gaat op een kier open. De gevreesde oproep waarin geen begrip doorklinkt, laat niet lang op zich wachten. Ik sta op, draai mijn hele lijf negentig graden en besluit dat in beweging zijn het grootse goed is. Tijdig loop ik naar rechts, door de schuifdeur het landschap in dat de buitenwereld heet. Mijn naam galmt nog lang na in de eindeloze gang achter me. Naast mij lopen de drie mannen mee naar buiten. Gezamenlijk halen we diep adem en nemen de tijd om af te wegen hoe ik mijn keus begripvol kan maken.  

Daniela Smeman
5 0

Goed vasthouden

Het was een winderige weekenddag. Dat weet ik nog omdat ik het boekje uit de weekendkrant bij me had. Hierin legt een schrijver wekelijks de link tussen een foto uit de krant en een kunstwerk. Het boekje was die dag de oorzaak van wat er gebeurde, ook al geloofde de patron me niet. Het was trouwens winderig in de betekenis van veel wind. Als u het andere winderige in gedachten hebt, daar waar een geurtje aan zit, moet ik u teleurstellen. Maar we komen er toe. Ik had me aan een tafeltje onder de luifel gezet, vastberaden om het artikel over de foto en het kunstwerk te lezen. Bij de patron bestelde ik een glas gerstenat, dat even later netjes arriveerde. Het was een glas met een voetje. Een dergelijk glas is wankeler dan een glas zonder voet, zo bleek later. Mijn glas was nog vol en ik wisselde een woord met de man naast me. Ik had nog niet door dat de wind op het terras vrij spel had. Tot er plots een windvlaag onder de luifel sloeg. Het magazine van de krant vloog omhoog, recht tegen het glas dat zoals een duiker op een springplank met een salto van de tafel tuimelde. Het glas was gelukkig niet stuk. Wel leeg. De barman kwam op het geluid af en zag me het glas oprapen. “Mijn pint is gaan vliegen”, zei ik. “Nu heb ik al veel gehoord hier, maar dit slaat toch alles”, lachte hij. Mijn buurman gaf me evenwel gelijk en van de barman ontving ik een vers exemplaar. “Goed vasthouden”, zegt hij nu wel eens als hij een consumptie brengt. Niet veel later heb ik het artikel in het magazine nog gelezen. Waar het over ging, weet ik niet meer. Wel dat het die dag winderig was.  

Rudi Lavreysen
16 0

Niet zonder natte voeten

Om zeven uur zondagochtend rinkelt de wekker mij wakker. Op een normale werkdag zou ik nog minstens twee keer snoozen maar nu spring ik opgewekt uit bed. Ik ga met mijn vader naar de grote Noordelijke waterplas, die tijdens mijn jeugd mijn thuis was. Ik huppel van de trap, zet koffie en maak mij klaar. De weersvoorspellingen zien er goed uit maar als rasechte zeemeermin, weet ik dat die niet altijd betrouwbaar zijn. Ik vul mijn rugzak alsof ik op trektocht door de Zwitserse Alpen vertrek: een trui, een regenjas, een sjaal maar ook een zonnebril, een pet en een strandlaken prop ik erin. En niet te vergeten, een extra paar sokken, want al sinds ik pas kon lopen hou ik ervan om tikkertje te spelen met de golven. De trein richting kust zit goed vol. Een jongen met kort blond haar, ik schat hem een jaar of vijf, zingt luid en stampt wild met zijn voetjes op de grond. “Zijn we er bijna, mama?”Vanbinnen voel ik mij even vurig als die kleine jommekeskop, zo zag ik er vroeger ook uit trouwens. Als tweeëndertigjarige blijf ik op mijn stoel zitten. Ik wieg mijn voeten zachtjes heen en weer. De trein vertraagt, met piepende remmen houdt hij halt aan het perron van Diksmuide. Het wiegen van mijn voeten versnelt, nog drie stops. Zee in zicht. In het station van De Panne word ik opgepikt door mijn vader. We cruisen richting strand en halen herinneringen op.Over die keer dat we samen iets voor middernacht langs de waterlijn wandelden, naar elkaar keken met een blik van: “Als jij het doet, doe ik het ook” en vijf minuten later met vuurwerkknallen boven ons hoofd in het lauwe water zwommen met de sterren als enige toeschouwers.Over die keer dat ik als achtjarige per se nog een keer het sop in wou en hij snel achter mij aan liep, zijn bril vergat uit te doen en die verloor in het water. Liever zijn bril kwijt, dan mij.Over die keer dat we samen over het strand huppelden tijdens een zandstorm, en onze ogen pijn deden van het opwaaiende zand en dat we vervolgens de zandkorrels van tussen onze tanden wegspoelden met een warme chocolademelk.Over die keer dat ik als twaalfjarige met hem meezwom naar het diepe, met mijn reddingsboei naast mij kon mij niets overkomen. Vandaag zijn we hier enkel om te wandelen. Hoe graag ik het ook wil, mijn dialysekatheter verbiedt het mij om te zwemmen. Al twee en een half jaar heb ik het zoute zeewater niet meer geproefd, de speelsheid niet meer gevoeld. Maar voor mij geen zeebezoek zonder natte voeten. We trekken onze schoenen uit en lopen in de richting van de horizon het water in. Ik gil de koude uit mijn enkels. De schelpen prikken in de onderkant van mijn voeten, net zoals het leven. Op de tippen van mijn tenen trappel ik verder. Dat ben ik gewoon. Mijn innerlijke kind dwingt me om te flirten met de grenzen van het drooghouden van mijn broek, zoals ik als dialysepatiënt ook geregeld flirt met de grenzen van mijn energie. “Allé kom!” roept mijn vader plagerig. “Waar blijf je?” Hij lijkt te vergeten dat hij met zijn lange benen meer speling heeft dan ik. Vroeger wandelde ik ook steeds in lichte looppas naast hem. Hij heeft de gave om mij met weinig woorden over mijn grenzen heen te helpen. Ik ga naast hem staan en voel hoe de opgerolde randen van mijn broek nat worden. Hij ziet het. “Je bent het nog niet verleerd” zegt hij gniffelend.We nemen een selfie. De arm die hij nu om mij heen slaat doet evenveel deugd als die warme chocolademelk. We keren terug naar het strand, ik volg hem door mijn passen in zijn voetafdrukken op het natte zand te mikken. Het vraagt enige lenigheid. Ik laat me in het zand vallen en tuur naar de opspattende golven. Ooit zwemmen we hier weer samen. Hier komen we later mijn nieuwe nier dopen, dat heb ik mezelf beloofd. De zee maakt mij zacht vanbinnen. Ik denk aan mijn moeder, die er niet meer is. Met haar woonde ik hier. Ook zij hield van de zee. Wij hielden van de zee en vooral van natte voeten.Mijn vader zit naast mij. Samen kijken we naar het eb, die de herinneringen die we vandaag hebben gemaakt, mee-ebt naar het diepe. Het water mengt ze met alle voorgaande. De zee is de lijm die voor mij alle bijzondere momenten goed samenhoudt.Een zwerm meeuwen landt op het woelige water, ze dobberen langzaam verder, op en neer, vooruit en achteruit maar steeds in de juiste richting. Net zoals ik.

Irina Schrijft
23 2

SSS Dertig

(Gedanken sind frei, aber hüte dich vor der Gedankenpolizei) Verbijsterd staarde Anouk naar het papier dat ze van tafel had gepakt. Het had naast Peter’s hoofd gelegen, onder het pistool waar zijn hand op rustte. Politiemensen in witte pakken pakten behoedzaam alles op en in. De afgelopen weken was Peter er steeds vaster van overtuigd geraakt dat er achter de werkelijkheid een complex complot school. Meerdere malen had hij erop gezinspeeld dat hij de bewijzen daarvoor in handen had. En dat hij die binnenkort wereldkundig zou maken. “Anno 2021 is Brave New World een feit”, las ze. “Kijk één avondje televisie en zie hoe de kasten worden geconditioneerd. Het begint bij de reclame. Eerst de middelste kasten, de beta’s en de gamma’s. Het vrolijke Vinexgezinnetje, helemaal correct. Hij gekleurd, zij blond, de kleine meid beige met krulletjes. Ikea-interieur. Wat smeren ze ons aan?  Fritessaus, pakt hij heel geëmancipeerd uit het keukenkastje.Volgende. Stampvolle kroeg of feestje?  Allemaal ideale consumenten, schreeuwend en bewegend, maar niks zweten, kijk die gozers de dames eens imponeren, geen gezeur over okselmeur. Moslims of macho’s? En allemaal een baardje, onbehaard is blijkbaar het nieuwe impotent.Ha, daar is de oetlul van de supermarkt. AH, Jumbo, ze zijn allemaal hetzelfde, dikkig, dommig, kalig. Speciaal bedoeld voor de onderklasse, dat zie je ook aan die vale blauwe en oranje kleurtjes. En de shoppende mammies maar lachen terwijl ze die zoete en vette zooi inslaan. Voor de kinderen, blijven die ook lekker onderklasse.” “Wat nu? Die gluipkop van Rutte in de reclame? Oh, nee, dit noemen ze nieuws. Tijd voor de adoratie van de alfa-kaste. Kijk ze eens hard werken, weer een persconferentie, die Rutte en De Jonge persen wat af, heel Nederland wordt afgeperst. En een verhaaltje over Covid vieren op Zandvoort, kan die prinselijke vastgoedmafioos met dat rouwmontuur dat niet vertellen, tenslotte is het zijn Scalextricbaan.Kijk, daar is zijn neef ook, even met het vrouwtje naar Nederland gevlogen om wat lintjes op te spelden, vliegt gelijk terug naar Griekenland, gaat natuurlijk bosbranden helpen blussen, of misschien geen tijd, druk-druk-druk met het leiden van het volk, het lijden van het volk zal’m worst wezen, de wereld gaat toch wel naar de kloten, maar zij hebben tenminste een leuke tijd gehad. Wat moet dat…” Een kleurloos ogende man pakte het papier uit haar handen. “Dit moet ik meenemen”, zei hij. “We houden de online schrijversfora in  de gaten, maar dit was toch onverwacht. Misschien moeten we er een afrekening in het revolutionaire milieu van maken Of anders zelfmoord, dat is nog even een dingetje. Ik denk dat het een nulachthonderdeeneendrie-bericht wordt.” Anouk keek hem niet-begrijpend aan. “Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst” zei hij. “Mijn naam doet niet ter zake, is toch een alias. Standaard surveillance-operatie.  Dit document” hij hield het papier omhoog ”heeft een State Security Status van dertig jaar. Wordt dus in 2051 vrijgegeven. Dan leest sowieso niemand meer.”  

bobcom
21 0

De weg van het vlees

De weg van het vlees Alleen de slager, Jean Devilder was getuige van de ontmoeting tussen Lob en Aagje op het dorpsplein. Het was erg vroeg op een zondag. De klanten van zijn slagerij vonden die ontmoeting toeval. Jean geloofde daar niet in; hij was ervan overtuigd dat elk levend wezen ooit een ander levend wezen zou ontmoeten dat bij hem paste. Twee mensen of dieren die elkaar tegenkwamen en besloten om samen verder te gaan: dat was beslist geen onvoorzien voorval. Jean zag het gebeuren. De hond, een buldog, was op het pleintje beland nadat zot Marieke was gestorven. Lob was nog een puppy toen Marieke hem in huis nam. Hij groeide op en werd een prima waakhond. Dat had de postbode met zijn broekspijp aan flarden hem zuur verteld. In zijn jonge jaren - toen het vreemde Marieke nog leefde - heette hij Lobje. Zo wist Marieke te vertellen toen ze de eerste keer bij Jean binnen kwam en een stuk vlees voor de hond kocht. Voor zichzelf hoefde ze nooit wat. Jean vroeg zich af of ze van knollen en bieten leefde. Met het opgroeien viel het verkleinwoord weg, eerst werd het ‘Lobbes’, en daarna ‘Lob’. Maar nu was zot Marieke een week geleden gestorven. De dikke doktersvrouw, die meer met dieren inzat dan met mensen, vertelde in de slagerij hoe ze de hond onder een struik bij Mariekes huis had zien liggen. Hoe hij lag te janken. De klanten haalden hun schouders op. De vrouw had hem proberen te lokken, maar hij legde het hoofd op de poten en verroerde geen poot. Voor het stulpje van Marieke was een zwarte wagen voorgereden, enkele mensen droegen het vrouwtje in een eenvoudige kist naar buiten. Kort nadien stuurde de gemeente een bulldozer en werd het krotje van Marieke met de grond gelijkgemaakt. Lob was wanhopig naar het dorpspleintje gelopen, had zich gelaten onder de linde gelegd. Jean vond een buldog een vreemde keuze voor een oud vrouwtje. Een hond die niet vooraan stond bij het uitdelen van de schoonheid, maar wel in de rij van de betrouwbaarheid. Hij glimlachte toen hij begreep dat dit het was wat de twee, het vreemde Marieke en de goedaardige lobbes, aan elkaar bond. En ineens was er dat pienter poesje. Op een dag kwam ze aangewaaid. Jean was voor de derde keer die dag het geld in de kassa aan het tellen toen hij door de openstaande winkeldeur het aanzwellend gebrom van een motor hoorde. Hij keek op en met een luid geraas denderde de motorrijder het pleintje rond, terwijl er in een bocht een zwart bolletje door de lucht zeilde. Dat was Aagje. Jean liep naar achter. ‘Ik heb zojuist een vliegende kat gezien.’‘Je moet eens wat vroeger gaan slapen,’ zei zijn vrouw. Ze was nog klein, de poes, een maand of twee hooguit. Ze vloog uit een boodschappenmand die zich in het zijspan van een motor bevond. In die snelle bocht van het dorpsplein was ze er uit gekatapulteerd, zonder dat de motorrijder merkte van de lancering van het harige projectiel. Ze viel pal onder de hond neer, klauwde met haar pootjes in het ijle, bleef dan versuft liggen. Na enkele minuten keek ze naar boven, schrok hevig en wipte als een veertje op waardoor ze voor de tweede keer tegen zijn kaak vloog. Jean moest glimlachen toen hij zag hoe Lob mistroostig om zoveel kabaal zijn kop schudde. Tot zijn vrolijke verbazing gaf de hond haar een paar ruwe likken. Deze keer bleef ze rustig in zijn schaduw nieuwsgierig rondkijken.Op dat moment besloot de slager om het katje ‘Aagje’ te noemen.Van die dag af trokken die twee samen op. Lob was de neus, Aagje was oren en ogen.De slager zag het angstige en nerveuze poesje opgroeien tot een rustige en zelfverzekerde kat. Haar alertheid en Lobs scherpe reukzin behoedden hen voor allerlei gevaren, of voorzag hen van eten. Het was op zijn minst een vruchtbare symbiose tussen Aagje en Lob, en op zijn best was het een vrolijke, maar diepe vriendschap. Zo leerde de slager hen kennen, als een onafscheidelijk stel, die leefden als kat en hond. De behulpzame, onhandige Lob, en het slaperige alerte Aagje. Op een dag zat Jean op zijn knieën de vitrine van de koeltoog te reinigen, de winkeldeur stond open, het warme meizonnetje kwam net zoals het geld weldadig binnen, en zijn vrekkige moeder had enkele weken geleden haar laatste adem uitgeblazen. Wat kon er nog verkeerd gaan?Toen hij puffend met het zeemvel in zijn knuist weer rechtkwam zag hij Aagje op de drempel staan. Met haar kopje een tikje schuin monsterde ze hem. De slager moedigde haar glimlachend aan, gaf een vriendelijk knikje, en knipoogde eens. Tot zijn verbazing knipoogde die zwarte deugniet terug.Jean liep binnen en grabbelde in zijn toog, nam er een schijfje kalfsworst uit. Hij hield het in de lucht en zwaaide er mee, boog door zijn knieën, en stak het in de richting van de aarzelende poes.Maar Aagje kende haar wereld, en bleef lief op de drempel staan kijken. Beetje bij beetje kwam hij dichterbij, en legde het stukje kalfsworst behoedzaam op de drempel. Toen bleef hij toekijken. De poes bewoog niet. Hij keek haar een tijdje peinzend aan.‘Wel poes, lust je het niet?’Maar Aagje bleef hem vragend aankijken. De slager zuchtte, ging terug naar de koeltoog en nam een ander stukje vlees.Toen hij zich weer omdraaide was de poes mét het stukje vlees verdwenen.Een beetje verder zaten kat en hond broederlijk het stukje kalfsworst op te eten. Jean schudde het hoofd en klopte zijn zeemvel uit.De hond verzwolg zijn stukje in één hap, en keek weer droevig in zijn richting.Dit had hij nooit meegemaakt. Jean krabde eens in zijn spaarzame haren. Hij hield het hoofd schuin, en floot tussen het spleetje van zijn tanden.Wanneer hij de volgende dag luid zingend zijn etalage stond te poetsen, was die zwarte belhamel daar opnieuw. Ze hield het hoofd schuin, toen hij glimlachend knipoogde beantwoordde ze dat met een trage knipoog.Grijnzend nam hij een mooi stuk worst tevoorschijn, en hij probeerde opnieuw Aagje dichterbij te lokken, weer bleef ze beleefd op de drempel wachten en hield het hoofd halsstarrig scheef.‘Wel, wel,’ grinnikte hij, ‘jij bent een speciale poes!’ Hij wist wat hem te doen stond. Hij wandelde naar de deur, legde het stuk worst op de drempel. Net zoals de dag daarvoor wachtte de poes. Hij dus ook. Hij wachtte een kwartier, maar de poes bewoog niet, ze knipperde niet eens met haar ogen. Toen kreeg hij een idee. Hij wandelde naar zijn koeltoog zeggend dat hij een ander stukje vlees ging halen, en toen hij de helft van de afstand afgelegd had draaide hij zich schielijk om. De poes had niet eens bewogen, en het leek wel of ze hem uitlachte. Een eindje verder lag de hond met de kop op de poten. Grinnikte die ook niet? Toen hij zich omdraaide om zijn vrouw als getuige te roepen en zich weer omkeerde was de kat verdwenen. Hij ging naar de deuropening. Daar zaten beide dieren enkele passen verder samen het stuk worst op te smullen. Het leek wel of er op dat onmogelijk trieste gelaat van die buldog een grijns verscheen. De dag daarop zat de hond wat dichter als was het om hem uit te dagen, maar de poes bleef netjes op de drempel, en hield zich aan hetzelfde scenario.Zo bleef de slager die hele zomer de sluwste trucjes uitvinden om de poes te betrappen op het moment dat ze het stukje vlees in haar bek nam. Het was toverij, bedacht de slager. Hij bleef, ondanks het succes van beide dieren, toch argwanend. Het was en bleef tenslotte een zwarte kat. Die brachten ongeluk. Jean vertelde zijn wedervaren aan ieder die het horen wilde, de mensen werden nieuwsgierig en nooit tevoren draaide zijn zaak zo goed als die zomer. Sommige klanten bleven tot een halfuur na sluitingstijd toekijken of die kat niet stiekem zou toeslaan. Niemand slaagde erin om haar op heterdaad te betrappen. Iemand beweerde dat de oude Frans, die aan de overzijde van het pleintje woonde, het een keer had gezien, maar die lag de helft van de tijd stomdronken op de sofa voor zijn raam te snurken dus dat geloofde niemand. Aagje en Lob werden in de omgeving bekend als het meest succesvolle paar bedelaars en niemand van de drie personages, de kat, de hond noch de slager, voelde zich genoodzaakt om enige verandering in hun ritueel te brengen. Op een donderdagochtend in september slofte de slager naar zijn brievenbus. Hij opende die met een lichte glimlach die wegtrok toen hij de bekende bruine belastingomslag ontdekte met daarop zijn naam ‘Jean Devilder’, en de inhoud ervan begon te lezen. Eerst keek hij bedenkelijk, toen trok hij wit weg, en liep tenslotte paars aan. Zwaaiend met die bruine omslag liep hij met grote passen vloekend naar achter.Een half uur later werden zowel de buurt als de klanten in de winkel opgeschrikt door een ijselijk gebrul, toen een kletterend geluid, zoals een mes zou klinken dat op een stenen vloer valt, en meteen daarop kwam Jean vloekend en met grote passen naar buiten gelopen, zijn hand onder het bloed. Toen hij de open monden van de verbaasde klanten merkte klapte de zijne dicht. Zo keken ze elkaar enige seconden aan, toen riep hij: ‘Ik heb me gesneden!’De slagersvrouw toverde een dappere glimlach tevoorschijn en sleurde Jean naar achter om de hand te verbinden. De klanten keken elkaar met opgetrokken wenkbrauwen aan wanneer ze zijn gejammer hoorden.De derde resem vloeken kwam later op de dag, een uurtje voor sluitingstijd, toen zijn lieve vrouw hem voorzichtig op de hoogte bracht van de komst en erger: het nakende verblijf van zijn schoonmoeder. Die tang zou hem minachtend monsteren als een te vet achterkwartier. Net als die dag toen hij met haar dochter trouwde. Hij was nooit een goede partij geweest, hij had niet het vereiste diploma, was van arme komaf. Ze was bovendien vegetariër.En juist op het moment dat hij met de hakbijl in zijn handen woedend naar buiten keek om te zien of dat kadaver van een schoonma nog niet de straat in kwam waggelen, merkte hij de zwarte kat op de drempel. Die zat hem lieftallig te bekijken en wierp hem een knipoogje. Hij wierp wat terug: met een zwaai vloog de zware hakbijl door de lucht.‘Jij bent de oorzaak van al die tegenslag, jij vuile zwarte kat, jij ongeluksbrenger!’ De bijl zoefde door de lucht en miste op een haar na de kat die recht veerde, een halve meter de lucht insprong, en naar buiten spurtte, recht de straat over, ze zag niet eens de zware truck aankomen, remmen piepten, iemand gilde en met een klap belandde Aagje in de goot.Ze klauwde enkele seconden hulpeloos met de pootjes in het ijle, en toen bleven die stil. Lob had dit tafereel met stijgende verontrusting gadegeslagen. Toen Aagje voor dood bleef liggen, en in haar ogen een heel dorp wegstierf, krabbelde hij jankend recht en viel met ontblote tanden, een grauw en een grom de slager aan. Jean deinsde achteruit de winkel in, wou de deur nog dichtgooien maar hij was te laat.Hij gleed uit over iets glibberigs en sloeg met zijn hoofd op de marmeren toogbank en Lob stortte met een kletterend lawaai over hem heen in de vitrine van de koeltoog, glas zweefde naar alle kanten, Jean hoorde zijn vrouw gillen, er was een kluwen en een gehijg rond hem, toen was er niets meer. Overal droop bloed. Er vielen nog enkele glasscherven en toen werd het doodstil in de winkel. De slagersvrouw gilde, het hoofd van haar man lag in een vreemde hoek opzij, en keek in de richting van de deur. In de keel van Lob stak een messcherp stuk glas, en donker vocht gulpte uit de slagader. Uit de huizen kwamen vrouwen naar buiten. De chauffeur van de truck stapte uit zijn cabine. Een buurman begon met zijn mobieltje te telefoneren. De truckchauffeur wees naar Aagje. Iemand riep iets over die dekselse kat. Andere mensen wierpen boze blikken in de richting van de hond wiens huid nog rilde. Lob zuchtte nog één keer en bleef stil liggen.Een ambulance kwam met zwaailichten aangestoven. Er werd gemompeld en gewezen.De twee witte uniformen liepen met de slager op de berrie naar de wagen. Aan de achterzijde ervan wisselden ze een blik en sloten de deuren. Als een gillende kat vloog de ambulance weer richting stad.  

simondupee
14 0