Lezen

Covid (hoofdstuk 19)

Gisterenavond moest ik van mijn vriendin inkopen doen dus heb ik met ingang van de nieuwe lockdown mijn fiets genomen op weg naar de winkel leken de zebrapaden de Processie van Echternach om de drie strepen stonden er twee aan te schuiven met mondkapje dampten de glazen van mijn bril onherroepelijk  aan het einde van de straat begon het niezen    Later in de badkamer kriebelde het een eerste keer zonder noemenswaardig keelgeluid en speekseloverschotten  verloor ik alle geur- en smaakzin na het injecteren van wat chloorwater  in een droom waarin iedereen onaangekondigd knuffelde voelde het alsof een hardleerse horecahoer mij zonder QR-code vol op de mond kuste het zweet in mijn bilnaad verdoofde het enige witte laken dat niet uit het raam hing   Rond middernacht hamsterde een mug het behangpapier de luchtverplaatsing van een droge scheet bracht de bubbels in het voor de helft met zuurstof gevulde toilet tot leven de resonantie in opwellende hoestbuien wiste het spic en span van vluchtig gewassen vingernagels met stijgende curves in gedachten verscheen het noodlot voor de ogen van de middenstand kleurde het scherm overlijdens van menig rusthuisbewoner rood   Het was na het ochtendgloren dat de nood aan informatie opkwam van 07u32 tot 09u54 heb ik gegoogeld om te achterhalen waarom ik ondersteboven in een veel te klein geworden leven ontwaakte                G5-netwerken van het plafond streamde neerslachtigheid en depressie zijn het resultaat én niet het gevolg              van het streven naar synchroniciteit tussen lichaamstemperatuur              en avondklok met de buurvrouw van nummer 36 en een half   Een verloren gewaande schilfer afkomstig van Pipi Langkous'      ongewassen schaamhaar behoort tot de mogelijkheden of de vleermuis uit China die iemand in een opwelling van dierenliefde opat Corona is een Mexicaans biermerk zegt Wikipedia veel liever zie ik Ebola, SARS en Hendra nog een keer op blote voeten door de lagere school rennen of Nipah de astmatische lerares met haar honderdtwintig kilo in mijn ogen staren tijdens de les seksuele opvoeding  niemand die het aandurft te vragen of bloedgroep O positief is voor de menstruele cyclus van een wereldleider genaamd Trump   Tot voor kort was ik bang voor de komst van de buikgriep nu vrees ik  een overaanbod van broodbakmachines en het gebrek aan kleurshampoos op anderhalve meter van bijna 50 miljoen broeihaarden blijft er nog altijd het equivalent van 16 miljard te ontsmetten handen huidhonger is het aangeboren verlangen om aangeraakt te worden  enkel wie de kracht van het nietsdoen ambieert weet dat luchtverplaatsingen in de kamer een mug niet onoverkomelijk maakt

Sascha Beernaert
36 0

Ongeduld

"We kunnen ons anders daar even tegen de kerk zetten" hoor ik een jongen zeggen tegen zijn vriend wanneer ik door de Belfortstraat fiets. Ze komen uit een nachtwinkel die blijkbaar ook bij valavond open is en dragen beide een krat wijn.Normaal zit het hier vol met duo's als die twee, en ik bedenk me dat het pleintje waar ik net overheen reed waarschijnlijk voor het eerst in decennia niet stinkt zo midden in de week eind juli. Dat vind ik triest, eigenlijk, maar ook wel mooi zo, gezien de omstandigheden.Die omstandigheden, daar ga ik niet over schrijven. Bleekwater biedt geen genezing, inkt - zo bleek de voorbije maanden - evenmin. Ongeduld dan.Ik ben een ongeduldig persoon. 'Alles komt goed' vind ik een vreselijke mededeling.Ofwel is het goed, ofwel moet er iets veranderen.'We zullen wel zien' antwoord ik dan. En ik denk: we zullen niks zien, we regelen dat hier gewoon even.Maar ik schreef een doctoraat de voorbije jaren, dus ik heb het eigenlijk wel wat getraind, dat geduld. Heel erg goed zelfs. Ik zei 'We zien wel' terwijl ik dacht 'Fuck dit, ik heb geen been om op te staan en geen enkel beetje fut meer om verder te zoeken'. Ik knikte begrijpend bij 'Alles komt goed' en hoorde in mijn achterhoofd niks dan een cynische 'HA.HA.HA'.Ik werd een heel erg geduldig persoon. En dat was goed blijkbaar, want ik kreeg het diploma, ik heb het papiertje in mijn bureaulade liggen. Ik ontving de instemmende knikjes en de speech.Dat ik onderweg niet enkel mijn ongeduld verloor, maar ook mijn nieuwsgierigheid, mijn interesse, mijn geloof in heel de academische wereld en mijn plezier in het sociale leven dat me ooit zo lief was, staat niet op mijn diploma, noch in het ellenlange supplement.Maar goed misschien, want ik zou het zo weer inruilen. En wat dan nu? We kunnen ons anders daar even tegen de kerk zetten.

Fien
31 0
Tip

"Ne kus van de facteur en een bank vooruit"

Het was in de herfst van vorig kalenderjaar dat An Apers, de postbode van het Oost-Vlaamse Donkmeer, werd ingewisseld voor een jongere en mannelijke collega. Zij kreeg een autoronde in Melse, hij mocht haar fietstocht door het dorp op zich nemen. Het ging om een routinewissel die amper ophef kon uitlokken, dacht men op het hoofdkantoor in Meergem-Waas. Maar dat was buiten de Donkermerenaren gerekend, die al voor minder politieke brandjes hadden gesticht. Reden voor het ophef deze keer was niet zozeer de nieuwe brievenbezorger – Patrick V. was een goedlachse dertiger met een sterk fysiek gestel en goede bedoelingen - maar wel het feit dat de man hen door het kantoor in Meergem was toegewezen. “Die hoge pieten daar in Meergem peizen weer da ze ‘t hier allemaal voor ‘t zeggen hebben” klonk het in de deelgemeente die zich in de volksmond van de bijstelling ‘Op zijn eigen’ bediende. Een petitie werd opgesteld en uitgehangen bij ‘Den Biechtstoel’, het café dat zijn naam deelde met het daartegenover liggende kerkelijke instituut. Het was daar, tussen pot en pint en in licht beschonken toestand dat Koen B. voor het eerst op het idee kwam om een spreekwoordelijke stok in de wielen van die nieuwe facteur te steken, want ze hadden hem zijn Anneke afgepakt.   “Ik miste ons Anneke.” Zou hij vijf maand later in de politierechtbank jammeren. “Zij was altijd al onze facteur geweest, en dan van vandaag op morgen moest ze weg. Ik stak dat in mijn kop. En zij ook, madam de rechter. Ze was er kapot van. In Hoogmeerbeek moest ze gaan werken, kan u dat geloven? Da is verdomme aan de andere kant van de expresweg. Als u bij ons in Donkermeer had gewoond dan zoudt u begrijpen dat dat een brug te ver is.”   Koen B. had altijd al een kort lontje gehad, en nu hij daar niet meer bij ons Anneke mee terecht kon zat er behoorlijk wat vuur aan de pit. Zo gebeurde het dat Jeanine De Wit plots de post van Miel Weyenberg kreeg en bakker Vermeylen met een bestelling boterkoeken aan de deur stond bij uitgerekend de enige suikerpatiënt van het dorp. Het kwam zelfs zo ver dat  tandarts Daneels bij het vullen van een gat in het gebit van de genoemde bakker zonder licht kwam te zitten omdat de elektriciteit werd afgesloten na een maandenlange wantbetaling waar hij zelf niks van afwist. De rekeningen bleken in de bus van een leegstaande woning in de nieuwe wijk te zitten.   “Ik begon die nieuwe wat te koeioneren, madam de rechter. Wat brieven verwisselen, wat adressen veranderen. Ik wil dat niet goed spreken. Ik had die onnozelheden niet moeten uitsteken, maar eigenlijk was dat uiteindelijk ook maar om te lachen. ‘t Was er wat over, oké. Maar langs de andere kant, ‘t waren ook weer die hoge pieten van Meergem die peisden dat ze het in Donkermeer allemaal voor ’t zeggen hadden. Geen vinger hebben wij daar eigenlijk in de pap te brokken. Daar zouden ze hier eigenlijk eens een zaak voor moeten starten, maar allez kom...”     Toen hij na zijn vierde alternatieve brievenronde nog steeds de nieuwe facteur zag fietsen, besliste Koen B. dat het tijd was voor zwaardere maatregelen. Hij vatte de  koe bij de horens met een telefoontje naar het postkantoor vanuit de laatste nog werkende telefooncel in het dorp– en bij uitbreiding het noordelijke halfrond.  Dat hij klacht wou indienen tegen de nieuwe facteur, zei hij, want het liep de spuigaten uit.   “Maar allez, om een lang verhaal kort te maken, dan heb ik dat telefoontje naar de post gedaan. Ja, ik had nu eerlijk gezegd niet kunnen peizen dat dat die andere daar zo over zijn toeren ging doen gaan. Dat was eigenlijk gewoon bedoeld als een goeie mop. Gelijk dat ze dat op den tv zeggen: a practical joke.”   Maar lachen deed de nieuwe facteur allerminst wanneer hij in Meergem-Waas op het matje werd geroepen en twee dagen lang door een controleur werd vergezeld. Op het einde van de rit werd hij echter niet vervangen, en dus ging Koen B. gewoon door. Van pure frustratie zette hij zich dit keer aan het schrijven. Vier vellen van zijn schoonste hanenpoten belandden in de rode brievenbus, zonder postzegel of geadresseerde, maar de boodschap kwam aan.    “Ik weet het, die brief, zwart op wit op papier, dat had ik met mijn stomme kop niet moeten doen. Maar effenaf, madam, dat hebben ze mij ondertussen ook wel al goed ingepeperd, die twee flikken van u die daar ineens aan mijn deur stonden.”   Het was zijn Anneke geweest die de deur had opengedaan voor die flikken. Verrast door de uniformen had de voormalige dorpsfacteur gestameld dat ze een oude, verloren geraakte rekening kwam bezorgen. Aan haar nog openstaande blouse te zien had ze er samen met Koen B. danig achter moeten zoeken.    “Ik moet grif toegeven, ik had een boon voor ons Anneke, madam de rechter.” luidde de minimalistische verklaring voor het voorval.   Over die boon van Koen B. werd uitgebreid gespeculeerd in de plaatselijke pers. Zonder opzet en op zijn eentje redde hij het weekblad van buurtdorp Koutergem van een gewis faillissement. Het blad zette die week zijn eerste stappen buiten het Waasland en wist zo zelfs als inspiratie te dienen voor de betere kwaliteitskrant.    “Maar dat Donkermeer daardoor nu zo slecht in de gazet komt, da is voor mij de ergste straf.”   Toch kreeg de man daarbovenop nog een werkstraf van 60 uur bij de post en een geldboete van 200 euro. Die laatste had hij te danken aan zijn eenmansachterban, die luidkeels en ditmaal met toegeknoopte blouse zijn verdediging besloot met de slagzin:   “Ne kus van de facteur en een bank vooruit!”

Fien
137 1

Leren schake(le)n

Hier zijn je regels. Dit is je spel.     Je raakt alles aan. Loopt op de rand van het perron. Voelt even aan de vuilnisbak. Alle zwarte tegels zijn van jou, alle witte laat je los. Elke paal die langs de stoep staat, tik je. Iedere krul die je draait in je haar, leg je vast in een knoopje. Opnieuw. Herhaalt stap 2. Weer naar stap 1. Praat mooi, loopt recht, lacht, glimt. Je keert terug naar stap 2. Tikt opnieuw. Nog eens. Nee, doe toch nog maar eens. Steekt je been door de linkerpijp. Nee, de andere. Of nee   toch de andere.     En nu je toch bezig bent; maakt het knoopje los en dan weer vast. Zo zit het wel vast. Ben je zeker? Doet het toch nog maar eens. Vandaag lopen we aan de rechterkant. Rechterhand, rechtersteen, rechterbaanvak, rechte rug. Bijt op je nagel. Bijt terug. Millimeter voor millimeter. En opnieuw. Millimeter voor millimeter. Plaat tot riem. Wit tot roze. Of rood, voor de zekerheid. Knippert met je ogen. Wrijft in je ogen. Draait met je ogen.   Rolt met je ogen.   Wees voorzichtig. Elke regel telt. Geen herkansing. Verloren? Dan verlies je. Een zus misschien, of een moeder. Verloren? Dan veroorzaak je. Een verre ruzie, of een brand. Verloren? Dan verdwijn je. Voor even, of voor echt. Verloren? Dan verlies je.   Jouw hoofd is de handleiding. Verzet je op de tegels.   Herhaal stap 1. Ga terug naar stap 8. Mat in vier beurten.     Hier is je spel.                                                                                                                         Dit zijn je regels.  

Kaat
10 0

Sneeuw- en kappersknipperspret

Hoe blij en gelukkig was ik zondag? Ik keek doorheen mijn venster en zag  tot mijn grote kindervreugde al dat maagdelijk wit tot zover het oog reikte.  Eindelijk nog eens een echte winterdag met kou en een laagje sneeuw. De zon erbij maakte het tafereel compleet.  De natuur op zijn mooist. Terzelfder tijd hoorde ik mijn grootvader,  de superbompa voor mijn kinderen, zeggen: ‘Dat ze lang niet meer de winters maakten zoals ze vroeger waren, dat iedereen in 1958 genoot van de kermis op de Schelde.… Toen vroor het dat het kraakte.’  Mijn moeder vulde de anekdotes aan met haar vertelsels over de schaatsavonturen na haar schooltijd.  Natuurlijk herinnerde ik me tochten op de slee samen met mijn broer door het dorp. Een strak lang gespannen touw verwijderde ons van een open gapende koffer en de wolkende uitlaatgassen van een twee pk (Citroën 2CV) alsof het ons kon deren. Daarnaast kende ik de schamele winterverhalen van mijn kinderen. Moedig begonnen zij aan het wegrollen van het sneeuwtapijt. Ze plakten de sneeuw tot twee stevige bollen of een soort iglo. Tot het laatste restje sneeuw van hun kunstwerk het opgaf genoten zij nog van de sneeuwpret van  dagen ervoor.  Met dit alles in gedachten wilde ik mijn kinderen met de grootste zuigkracht van Antwerpen naar hier ‘de buiten’ trekken. Dit was de dag dat we ons kind zijn en alle pret konden herbeleven Dat ik, tussen hen beiden in, de sneeuw onder onze voeten hoorden kraken. Dat we rond de vuurkorf heerlijke warm appelsap van eigen kweek met gember en een stokje kaneel dronken. Dat we dit deelden met geliefden, vrienden en familie. Dat laatste was nu helemaal uit den boze. Nu konden ze wel voor gezelschap en geknipt haar deze zaterdag best meteen naar de kapper gaan… Wat hebben het weer en de coronamaatregelingen gemeen?Beide zijn ze veranderlijk.   Ann Stuckens12-02-2021

Ann Stuckens
43 0

Een nieuw begin

Ik wil geen slaaf zijn van het lot en mijn leven in eigen handen nemen, maar ik vrees dat er geen keuze is. Alles kent een begin. En waar een begin is, is een einde. Het is onmogelijk het ene los te koppelen van het andere. Het zijn natuurlijke tegenhangers van elkaar die elkaar in balans houden en elkaar nodig hebben om te kunnen bestaan. Ying en yang. Geen goed zonder kwaad, geen zoet zonder zuur, geen genot zonder pijn, geen liefde zonder haat. Die balans is een bijzonder merkwaardig, maar onmiskenbaar universeel gegeven. Als we de idee dat alles in balans moet zijn doortrekken, dan wil dat zeggen dat waar een einde is, ook een begin moet zijn. In de natuur zijn er bijzonder veel voorbeelden van micro- of macroscopische processen die zichzelf in stand houden door cirkelbewegingen. Het duidelijkste en meteen ook belangrijkste voorbeeld daarvan is water, dat in al haar vormen (vloeistof, gas, ijs) globaal circuleert en nooit stopt met bestaan; het neemt alleen maar een nieuwe vorm aan. Ook nagenoeg alle godsdiensten bekrachtigen het idee van een nieuw begin door te beweren dat ons leven niet stopt als ons lichamelijk omhulsel sterft. Meestal wordt daar dan een paradijselijk, maar vooral voorwaardelijk, hiernamaals aan gekoppeld dat ons moet stimuleren om de door hen opgelegde moraliteit en zeden na te leven, maar misschien is het allemaal niet zo groots en ingewikkeld. Misschien starten we gewoon opnieuw, zoals reïncarnatie dat poneert, maar dan willekeurig, zonder hiërarchie en zonder dat een hogere macht zich met ons bezig houdt. Een eindeloze lus die volautomatisch draait. Een perpetuum mobile waarbij elk tandwieltje elk andere tandwieltjes draaiende houdt in een oneindig proces zonder wrijving. Elk leven, of dat nu een mens, een dier of plant is, is daarbij niet meer of minder belangrijk in het grote geheel. Een boom van 1000 jaar oud is minstens even significant als een pasgeboren baby. De boom sterft, de baby wordt oud, en telkens opnieuw worden ze vervangen door iets nieuws. Alles heeft belang, maar niets heeft echt betekenis. De machine blijft immers draaien en houdt zichzelf in gang. Tot in de oneindigheid. Als ons leven, hoe onbelangrijk ook, deel uitmaakt van zulk  een kringloop, dan hebben ook alle ogenschijnlijke toevalligheden die onze levensloop bepalen een vooraf gedetermineerd patroon waar niet van kan afgeweken worden. De indruk dat gebeurtenissen onvoorspelbaar zijn, lijkt dan in feite enkel zo omwille van hun ingewikkeldheid of door de verscheidenheid van factoren die veranderingen teweegbrengen. De meest gekende metafoor in die zin is dat een vleugelslag van een vlinder een orkaan kan veroorzaken aan de andere kant van de wereld. Tevens zal elk gevolg van een handeling als positieve terugkoppelingsfactor uiteindelijk haar oorzaak in stand houden. Tot op het punt waarop oorzaak en gevolg terug samenvallen. Wanneer alles samenkomt om opnieuw te beginnen. Dat is waar ik nu sta. Maak je dus maar geen zorgen. Ik ga niet dood, ik begin alleen maar opnieuw.  

Iljavdb
5 1

De beul van de duivelsputten

Sage: De beul van de duivelsputten  Een woord van waarschuwing aan de argeloze bezoeker van de oude steengroeven te Hekelgem: indien je lichtjes ontwaart die voortbewegen in het duister, volg die dan zeker niet. Dat zijn de dwaallichtjes van de duivelsputten en deze leiden alleen maar verder het moeras in. Het zijn zielen uit donkere tijden die ronddwalen in de schemerzone van leven en dood. Het zijn de geesten van struikrovers, criminelen en armoedzaaiers die, verscheurd door pijn, zich voeden met wraak over hun vreselijke eind. Een laatste misdaad strikte hen als vliegen in draden van een meedogenloos gesponnen web. Hoe zondig ook hun daad, de straf die volgde, was veel te zwaar.  Reis mee in de tijd waar dit web reikte tot in de verste uithoeken. Hoor de voetstappen van de macht drukken in aarden wegen en hoe harde soldatenvuisten bonken op misdadigers houten deuren. Ze dreigen met puntige zwaarden en snijden door een laatste omhelzing met hen die achterblijven. Handen en voeten worden gekneveld; de schelmenhuid omslaan met stalen boeien. De oren vullen zich met bevelen die afsnauwen en tot spoed oproepen. Voortaan is het enkel nog luisteren dat ze mogen doen; hun antwoord telt niet meer. Uit het zicht verdwijnen nu ook de dorpen, huizen en bossen waar ze ooit leefden en lief hebben gehad. Zak verder door in het web en draai mee met geplaveide wegen naar het centrum van het hertogdom. Hier is de vuiligheid uit de straten verdwenen maar in de harten van de inwoners belandt. Kijk mee door hun wrede ogen waar nijd en afgunst zich uiten in oordelen tegen onbekenden. Lach ook, nu deze worden bespuwd en bespot opdat de eigen gebreken kunnen worden vergeten. Volg hoe de beschuldigden nu worden voortgeduwd om te verschijnen voor hun rechter. Op afstand en uit de hoogte preekt hij wet, de kasteelheer, over het volk dat hem toebehoort.  Zijn perkamenten gezicht is van elke emotie beroofd en verveling in zijn geest heeft hem gemaakt tot roofdier van het gesproken woord. Merk hoe ambitie zijn ziel heeft overwoekerd en deze schuilgaat achter lofredes van gelijkheid en rechtvaardigheid. In zijn kleurrijk gewaad predikt hij, nu met scherpe tong, het zwarte vonnis van de dood. Zijn priemende vingers wijzen de duivelsputten als plaats van strafvoltrekking aan. Bespeur de gezichten van de veroordeelden en merk hoe die plek hen zonet deed verstijven van de schrik. Het is niet langer meer de dood die zij vrezen, maar dát wat er aan vooraf zal gaan. De beul van de duivelsputten was een onopvallende, ietwat gedrongen man, die tussen het gewone volk had in geleefd. Ooit een dokter – zo werd gezegd – die zieken verveeld bekeek als het slechts om koorts of een vervelend kuchje ging. Ging het slechter met zijn patiënten dan nam de duur van zijn bezoek en interesse zienderogen toe. Zo nam hij alle tijd in de laatste uren aan het ziekbed en bracht hij zijn gezicht bij een doodsreutel erg akelig dichtbij. Hij liet zich ooit ontvallen dat het in deze laatste ogenblikken was waarin hij zichzelf het meest voelde leven. Dat verdwijnen van het levenslicht uit ogen, bood hem een glimp voorbij de dood. Het was een begeerte waar hij geen vat op kreeg en ook niet langer wilde. Hij liet zich meeglijden in de diepte waar een mysterieuze macht hem warm omarmde en verder aan hem trok.  Toch was ieders verbazing groot toen deze respectabele heer zich aanbood voor de aanstelling als lands executeur. Vanaf die dag ging hij rechtop lopen en vormde zich een gemene lach rond zijn strakke lippen.  Hij wendde zich af van het publieke leven en trok zich terug in een spelonk nabij de putten. Laat ons terugkeren naar de boosdoeners die thans naar dit hol van de beul worden gedreven: enig vertragen doet bloedhonden aan kettingen met ontblote tanden dreigen, een val wordt gevolgd door de klap van een lans, stilstaan doet soldaten de kettingen lossen en de honden naar reeds bebloede enkels happen. Elke stap brengt hen nu dichter naar het eind.   De lijven sidderen van angst, waardoor het web trilt en schudt. De beul verschijnt. Zijn lichaam heft zich dreigend voor hen op. Geklemde kaken verbergen de klauwen die hij in zich draagt. Gif welt op vanonder in zijn buik.  Zijn borst zwelt aan en maakt een hijgend geluid. De soldaten huiveren en verdwijnen; opgelucht dat hun plicht is vervuld. Het zijn immers de anderen die met hun ketenen aan in de duivelsputten blijven. De beul is alleen nu en schiet vooruit. Zijn blik is donker en genade schijnt er niet in door. De beul neemt zijn tijd. Hij geniet, bijt en … spuit zijn zwarte gif. Zij die heel hun leven om aandacht smeekten krijgen nu meer dan wat ze wilden in hun laatste ogenblikken: monden sperren zich van angst wijd open, lichamen krimpen, krommen en vluchten weg in onmogelijke bochten. Het zijn enkel de dwazen die nog vasthouden aan het leven; ieder ander hoopt op een snelle dood. Hoor hoe de lucht zich vult met gekrijs en kermen.  Merk hoe omwonenden vrezen voor hun eigen lot.  Ze trekken zich terug in hun huizen: de ramen gaan dicht en de deuren op slot. Weg zijn nu de buren met hun argwanende en schuldige blikken. Er rest hen enkel de stille medeplichtigheid die een geweten schopt.

Hans Fraeyman
16 0

Proloog

Met twee treden tegelijk vloog Emma Baines het trapje naar de voordeur op, zo’n haast had ze om uit de regen te raken. De deur zwaaide open en Marie stond klaar om haar te begroeten. ‘Hier is ons Emma!’ ‘Goeiemorgen, Marie. Wat is het nat vandaag!’ ‘Zeg dat wel. En wie gaat er weer alle goten moeten nazien?’ Emma vluchtte snel verder het gebouw in en de trap op, voor Marie de kans kreeg haar gebruikelijke litanie van onprettige taken af te ratelen. Achter haar hoorde ze Theresa binnenkomen en de fatale fout maken te stoppen tijdens het goeiemorgen zeggen – ach ja, Theresa was nog redelijk nieuw, ze zou het snel genoeg leren. Tim was vandaag eerst aangekomen en zat al achter zijn bureau. ‘Morgen, Emma. Ik dacht dat het eindelijk lente aan het worden was en nu is het weer zo vreselijk aan het regenen.’ ‘Ik weet het Tim, maar eigenlijk is dat wel normaal voor april.’ Emma zette haar computer aan, hing haar drijfnatte jas aan de kapstok en begon met sorteren van het verrassend grote aantal e-mails dat er sinds de vorige dag in haar inbox waren bijgekomen. ‘Olivia vraagt of je eerst naar deze brief kan kijken; ze zegt dat het dringend is.’ Tim gaf Emma een envelop en ging dan naar het personeelskeukentje om voor hen beide thee te zetten. Emma keek de brief snel door: niets bijzonders, maar gestuurd door een professor van een of andere Amerikaanse universiteit, waardoor Olivia het natuurlijk als een prioriteit zag. Dat het een ouderwetse, met de hand geschreven brief was, had haar zeker ook gecharmeerd. Terwijl ze voorzichtige slokjes hete groene thee dronk, zocht Emma in de database van de catalogus naar de juiste locatie van de documenten die ze nodig had. Haar kop halfvol achterlatend begon ze de tocht naar de kelderverdieping, ervan overtuigd dat ze terug zou zijn lang voor de rest van de thee koud was.   Eén minuutje – of drie trappen en een lange gang – later, stak Emma het licht van de archiefkamer aan, tikte ze de juiste code in op het slot van de deur en ging ze de grote ruimte binnen. Nog voor de flikkerende buislampen licht begonnen te geven was ze al naar rechts gedraaid; de doos die ze nodig had stond op een van de schabben uiterst rechts. Ze liet haar blik glijden langs de rij robuuste wielen om te zien waar de verrijdbare kasten open stonden – helemaal het andere einde van de kamer, natuurlijk. Zachtjes vloekend wandelde ze terug tot in het midden van de ruimte, greep een van de wielen vast en begon er uit alle macht aan te draaien: negen zware rijen kasten propvol beladen met dozen manuscripten en oude boeken begonnen krakend te bewegen en rolden naar opzij. Maar dan stopten ze. Dat leek veel te snel, dus Emma keek nog eens goed – ja hoor, er was nog altijd een redelijk grote opening te zien. Ze rukte weer ferm aan het wiel, het gat verminderde aanzienlijk, maar ze kon voelen dat er een obstructie zat. Een veel stevigere vloek ontsnapte uit haar mond – wie was zo idioot geweest om iets tussen de kasten te laten staan? De laatste keer dat dit gebeurd was hadden ze een ferme vermaning gekregen omdat een kleine trapladder was vernietigd. Het obstakel voelde echter niet hard genoeg voor iets zo stevig als een ladder. Er had toch zeker niemand een doos documenten op de grond laten staan? Jennifer ging woedend zijn! Emma rolde elke kast opzij terwijl ze er langsliep, boos draaiend aan elk wiel tot ze de juiste plaats bereikte. Zodra de metalen schabben trillend tot stilstand kwamen keek ze bezorgd in de opening en haar hele omgeving vervaagde; het enige dat ze nog zag was het bloed op de vloer. Zo veel bloed. Ze greep het koele ijzer van de kast vast als steun en probeerde weg te kijken van de rode smurrie op de grond. Met afstandelijke verbaasdheid stelde ze vast dat ze niet had gegild of was flauwgevallen. Langzaamaan overtuigde ze haar benen om te bewegen, eerst traag, dan sneller, die kamer uit, langs conservatie, de trap op, naar het licht toe. Haar stem haalde haar een paar seconden later in en de langverwachte gil galmde door het gebouw.  

LienMatlock
13 1

Tien (des)illusies tussen toen en later

1. Het jonge leven pudding koken teveel roken nachtje blokken ‘k wil twee nieuwe rokken   fiets-kroegentochtje maken te veel gedronken, braken kamer opfleuren zoeken naar flesjes met frisse geuren   in de trein zitten op broer en zus vitten soms eens babysitten   altijd geld tekort ik wil aan de zwemsport meestal veel te traag zijn voor anderen niet zo fijn   rijmpjes maken die in de vuilbak raken samen uit iets gaan drinken we behoren tot de flinken   zoveel stage geeft echt te veel bagage   al die kleine dingen ze zitten om me te springen wat doe ik eerst? wat doe ik tweede? zelfs overprikkeld wil ik niets vergeten.   2. Koffie in het stationscafé - Visuele illusies Kleurrijk meisje, Japanse jongen lachen naar elkaar ze stappen op. Mooi! Toch?   Bleke mevrouw, blond gekleed in zwart rookt, drinkt koffie, schrijft wat op. Kale man, tegenover haar, oorbel, lichtblauwe pull, jeans. Ze praten. Koppel?   Vijf mannen aan de tafel, naast mij. roken veel in vreemde taal, mooi.Mmannen met donker haar. Collega’s… denk ik.   Rare man wat verder af, groen hemd en rode pull hij eet, drinkt koffie, maakt gebaren naar iemand die daar nu niet zit. Waar is hij echt?   Zwarte man door het raam kijkt naar mij, loopt voorbij, mooi, zijn haar met halflange dreadlocks in een staartje kleurrijke haarband in pikzwart haar. Jamaicaan?   Mijn trein is daar Niet echt, echt niet míjn trein. Alleen maar het vehikel Waarmee ik weg wil zijn. Naar waar? En ook naar wie?   03. de wind aan de waai   de wind zoekt op verkeerde plaatsen   de wind vindt niet en ze huilt   zonder rust en ze stormt   de wind komt en gaat ze draait rond   zonder rust nooit echt   de wind zoekt op alle plaatsen   tot dat ene moment rust ze nooit   de wind   04. De woorden zullen zwijgen. Oprechte liefde, voor een nacht en voor een dag, en toen Het lichaam hierna, ach mijn Lief, wat moet het verder doen   Zonder moeite bij elkaar, opnieuw en nog weer even Jij, nú mijn andere helft, maar dán weer dat gewone leven   Liefgehad en pijn gehad, zo zijn onze lijven Wat zou ik toch zonder doen, mijn ongeloof zou blijven   Die aanraking, die blik van jou, zal alles overstijgen Nog eens echt van jou te houden en de woorden zullen zwijgen.   05. Illusionaire dichterlijke rust Het gat in de schedel de plaats in het hoofd het frisse van ademen die rust, dat belooft   ik stop met staren in schrijven gedoofd en pas als ik afwas van woordenrust beroofd   06. Lied zonder desillusie Welk lied wordt nog geschreven Welke woorden zijn nog kuis om te zingen over zwerven in het land m’n andere thuis   Welk woord kan ik nog schrijven zoekende naar een verhaal dat van jou van haar van hem de bundel van ons allemaal   Welke zwerftocht zoekt mij nog voor mezelf en voor mijn ziel dichterbij dat klein verhaal mij verlatend toen ik viel   Welke rust zal ik nog loven met blije ziel en slim verstand beiden wetende zo goed Het hart tracht eeuwig naar dat land.   07. Turquoise graag vandaag Morgen wordt alles beter. Dan pieker ik niet. Licht in gewicht.   Morgen lukt het me. Dan vínd ik. Ik stop met zoeken.   Morgen gaat het weer. Dan doe ik het. Ik kan het.   Morgen, ja, morgen Als de zon weer schijnt is alles turquoise en oranje. of is dat overmorgen?   08. Vreemde (des)illusies Dag lieve vreemdeling, Hoe is het om jou te zijn? Hoe is het om jou te zijn hier in dit land? Hoe is het om jou te zijn met jouw verhaal in dit land? Hoe is het om jou te zijn met de gevolgen van jouw verhaal in dit land?   Ben je dan bang? Van onwetende mensen in onzekere verandering. Heeft iedereen een mening over jou, die van niemand die jou kent? Onder die starre glimlach.   Wat is jouw verhaal? Dat  je overal  en niet wordt gehoord. Al lang voorheen niet geloofd weeral door niemand.   Vertel mij, hoe het is om jou en hier te zijn?   09. Helden tussen ergens, toen en nu Zoals er zijn, mijn vroegste herinnering Mijnheer de Uil uit de Fabeltjeskrant Deze soap was toch wel amusant Fantasie kent geen verveling   Al was ik geen echte durfal Die Pipi Langkous, vrank en vrij Dat was ook wel iets voor mij Mijn heldenrijk behoed voor vrije val   Het dromen ging blij verder nog In boek, de film of op tv, ik maakte elk sprookje mee ergens bestond mijn held er toch?   Zoals het helden wel vergaat Het leven nam de overhand En schoof die dromers aan de kant Het was alleen maar veel gepraat   10. Klaar – donker – allebei Wat sta ik te fluisteren                                    Ik wil graag roepen Wil iemand luisteren?                                    In grote groepen Zij staan van onder                                    Ik roep van boven Dat is een wonder                                    Kan je ’t geloven? De ene keer wit                                    Dan wordt het zwart Wordt vast een hit                                    Het is wel apart Van woorden te geven                                    De zinnen te nemen Wat een mooi leven!                                    Om mee te gamen En alles wordt zacht                                    Soms gaat het hard Dát is de kracht!                                    Die éne zin sart Ik ben een engel                                    Ik ben een duivel Woord aan de hengel                                    Met woordengeschuifel

Anemos
0 0