Lezen

Viktor

Op een zaterdag in 2011 besliste Viktor zijn mes met aardbeienconfituur niet schoon te vegen aan zijn witte boterham. Hij plantte het tuig in het bestekmandje van de vaatwasser en probeerde in zijn baan naar de trap de diagonalen van de koude vloertegels te tekenen met zijn blote dikke tenen. Bij het horen van de kreunende trap kreeg hij plots spijt van zijn vrolijke bewegingen. Alsof de oude treden hem probeerden duidelijk te maken dat verbeelding niet aan de orde was, dat de toekomst wel zou oordelen of hij zulke frivoliteiten mocht verderzetten, niet het heden.  In zijn kamer opende Viktor de bovenste bureaulade en nam de brief die twee jaar geleden zijn wereld op z’n kop zette. Het was een donderslag bij heldere hemel geweest, die als een echo bleef kaatsen in zijn puberende hoofd. Hij opende het geruite papier dat hij ooit in de vuilnisbak vond. Minuscule vezels dwarrelden doorheen een straal ochtendzon naar beneden; de brief was het niet meer gewoon zich ontvouwd te voelen. Nog steeds waren het deze letters die Viktor aan het blokjesparket nagelden. Hoewel ze aan zijn moeder waren gericht, las híj de woorden van zijn vader.  De man schreef dat hij spijt had, spijt dat hij haar had verlaten, spijt dat hij toen vooral bang was om vast te roesten, bang voor het gewone, de sleur die hij steeds duidelijker afgetekend zag rondom zich. Hij vroeg om de draad na al die jaren weer op te pikken, het te proberen, en of ze eens konden afspreken. Hij sloot af met naam, adres, email.  Viktor ademde weer. Dit is wat hij over zijn vader wist. Hij dacht niet dat zijn moeder het lef had hierop in te gaan, nee, dat zou ze nooit doen, gedane zaken namen bij haar geen keer. Maar Viktor wou meer. Hij zou met hem afspreken, in naam van zijn moeder. Die man moest toch weten dat hij een zoon had? Dat hij wellicht net voor de zwangerschap de vlucht koos. Hij moest toch weten dat het gewone niet altijd een sleur blijft, maar steeds beweegt en soms vervliegt, net als water.  Viktor klapte zijn computer open.  -  Het routeplan dat Viktor voor het opstappen van de loketbediende had gekregen, vertoonde na een rit van een uur en twaalf minuten nieuwe grenzen. Na tig keer vouwen en ontvouwen werden stad en noordwijken in vlakken verdeeld die dreigden te scheuren. Het plan toonde straten waar hij nog nooit was geweest en hun namen kwamen niet overeen met wat Viktor door het bekraste glas zag. De bus trok zich in de met fabrieken volgestouwde Lijsterlaan ronkend op gang naar de laatste halte, samen met Viktors hoop zijn biologische vader alsnog te ontmoeten. Hij zal zich toch niet bedacht hebben? Het eindstation naderde en de laatste medepassagier was zonet verdwenen. Zou híj zich vergist hebben van lijn? Hij nam immers niet vaak de bus en wanneer hij het deed volgde hij simpelweg zijn vrienden.  Telkens Viktor in de achteruitkijkspiegel keek, kruiste zijn blik die van de bestuurder. Toen de man vertraagde en bruusk zijn uitgestoken kin richting Viktor draaide, schudde Viktor haastig zijn hoofd. Hij wou niet stranden aan de laatste halte. De man plantte zich mompelend weer in zijn vertrouwde positie, keek een laatste keer naar de spiegel en zette de bus aarzelend in beweging. Misschien kwam hij pas helemaal op het eind? Net zoals hij al die jaren niets van hem liet weten. Viktor dacht aan wat zijn vader gisteren nog mailde. Hij zou pikzwarte schoenen dragen met daarboven een donkergrijze kostuumbroek en wit hemd.  En toen zag hij het. Ze waren er altijd geweest, de zwarte schoenen. Vol onwetendheid hielden ze om beurten alles in beweging. Hoe kon hij dit over het hoofd hebben gezien? De dienstlichten van de bus waren al gedimd, maar in Viktors hoofd werd alles helder. Was hij het nu? Een man wiens grijze hoofd door de jaren heen steeds dichter naar het grote stuur plooide. En wat nu? Moest hij opstaan vanuit zijn loge om deze arme man van het toneel te halen, hem de deur uit te trappen en de straat opstampen? Moest hij hem werkelijk vertellen hoe de vork in de steel zat? Of moest hij alles laten zoals het was en bleef de man enkel achter met de ontgoocheling zijn oude liefde niet te hebben ontmoet? De bus draaide de sorteerplaats op, schoof door bundels kille ledverlichting en sloot zich aan in een rij lotgenoten. Met ruwe bewegingen vulde de chauffeur zijn rugzak. Een witte roos werd geknakt door een nog zware brooddoos. Viktor scheurde het routeplan doormidden en wandelde met slome passen richting uitgang. 

de amechtige specht
19 1

Ergernissen

Heb je je ook al eens blauw geërgerd aan auto’s die via de pechstrook aan de hitte van een ellenlange file proberen te ontsnappen? ‘He, geldt het niet voor jou dan? Voel je je beter dan een ander?’ De kans is misschien wel reëel dat er iemand achter het stuur zit die zijn macho-instinct laat domineren over de algemene beleefdheid. Maar zou het héél misschien ook kunnen dat op de achterbank een vrouw aan het bevallen is, of iemand een hartaanval heeft en dringend op spoed moet geraken? Dan heb je natuurlijk geen tijd om na te denken over wat de andere bestuurders van je gebrek aan hoffelijkheid vinden. Wij Belgen zitten – in tegenstelling tot wat de Nederlanders misschien over ons denken – niet verlegen om een mening. We spuien ze met gemak rond en bazuinen onze waarheden in de oren van elke kleine muis die het horen wil. Daarbij gaat het nu niet alleen meer over het pijnlijke gebrek aan kennis bij de weermannen of de manifeste onkunde bij leerkrachten of de zielige hebberigheid van verzekeraars. Het gaat ook niet zozeer meer over wat er bij de buren gebeurt of de bakker die er toch zo slecht uitzag en die dus zeker kanker heeft. Momenteel draait veel over wat er verkeerd beslist werd in de coronacrisis. Natuurlijk mag iedereen een mening hebben. Het is prima om naast jezelf ook de wereld rondom je in vraag te stellen. Alleen stel ik me soms vragen over hoe die mening werd gevormd. Want over alles wat je om je heen ziet gebeuren, is er wel iets duister, niet onderzocht of bevraagd, een andere kant van het verhaal. En als je dan alleen dat ene futiele artikel van die ene journalist las, die op een verdoken manier vaak gewoon zijn persoonlijke mening op het verhaal meegeeft, eerder dan de naakte feiten, weet je dan echt heel zeker dat je over alle informatie beschikt om er überhaupt al een mening over te hebben, voor je die als een onvervalste waarheid gaat verkondigen? Dus lieve lezer, wees tolerant, aardig en slim en bedenk eerst dat meerdere scenario’s mogelijk zijn wat betreft hetgeen rondom je heen gebeurt, voor je beslist ‘je lekker dubbel over de pechstrook te gaan zetten om die potsierlijke macho eens een lesje te leren!’.

Vlechtenmeisje
0 1
Tip

beste dokter

Beste dokter, U bent één van de goeden die dit levensreddende werk willen uitvoeren, en daar ben ik u dankbaar voor. Anderhalf jaar geleden was ik bij u voor een ingreep. Ik vermoed dat u zich mij niet herinnert, en dat begrijp ik. Uw werk zal niet altijd gemakkelijk zijn, u ziet veel mensen en af en toe een beetje lichtvoetigheid werkt prettiger. Maar zo voelt het natuurlijk nooit voor uw patiënten. Ik weet de precieze dag nog, en het uur. Er waren drilboren aan het werk op de Rooseveltplaats die de stenen en de aarde omwoelden, en de lucht was grijs van het stof. Ik vond dat wel toepasselijk. In het onpersoonlijke kantoorgebouw durfde ik amper op de knop van de derde verdieping drukken toen er twee maatpakken in de kleine lift stapten. De wachtzaal baadde in de zon en was bevolkt door een oudere vrouw die haar blik strak op haar magazine hield, een stil jong koppeltje en dit hoopje ellende. Ik kan mij haarscherp herinneren hoe ik u vertelde wat er gebeurd was, en hoe u keek tijdens dat eerste consult, want daar kon ik zeven lange zondige dagen op kauwen. Ik weet dat die zeven dagen niet uw schuld zijn. U bent één van de goeden die dit levensreddende werk willen uitvoeren, en daar ben ik u dankbaar voor.  Maar nog meer dan dat eerste consult, werden de woorden die u tijdens de ingreep zei gegrift in mijn ziel. Ik droeg ze mee, terug de auto in, naar huis, in mijn bed, en op lange wandelingen in een poging ze te laten vervliegen in de zeelucht. Toen ik daar lag met mijn voeten in de beugels en ‘ad ultimum’ mijn akkoord nogmaals moest ondertekenen, vroeg uw assistente langs haar neus weg of ik die vrouw was die niet had gevoeld dat haar man geen condoom had gebruikt. U schoot in de lach. U knikte en hikte van het lachen. U vroeg aan mij hoe dat in godsnaam mogelijk was, en ik merkte dat u niet van mijn verhaal geloofde. Had ik meteen kunnen zeggen dat ik dat ongepast vond? Waarschijnlijk wel. Maar de schaamte-inductie van de zeven dagen wachttijd had zijn werk gedaan. Ik begreep plots ook niet meer hoe die zinnenprikkelende warme zomeravond met iéts teveel wijn ooit werkelijkheid had kunnen zijn. Hoe het leven in mij plots wakker was geworden en ik alles had toegelaten in een wervelende omhelzing waar geen plaats meer was voor praktische beslommeringen.Ik had te veel vertrouwen en te veel wijn. En blijkbaar een dove foef.  De tweede assistent kwam in de kamer, en er werd mij gevraagd om het verhaal ook aan haar te vertellen. Had ik dan op de rem moeten drukken? Zeker. Maar luttele minuten later zou u met een zuigdarm in mijn baarmoeder binnendringen, en dat “zou wel eens pijn kunnen doen”. Dan wil je de handen die die darm bedienen liever te vriend houden, dus lach je mee.  Mijn psycholoog sprak van post traumatische stress. Natuurlijk valt er iets voor te zeggen dat dat lag aan de hele ervaring en niet louter aan uw aandeel. Misschien, maar ik wandelde van De Panne naar Nieuwpoort en ik kon mezelf vergeven. De hulpeloosheid die ik voelde op die tafel, onder uw handen, kreeg ik niet uitgewist.  Ik weet het, u bent de vijand niet. U bent één van de goeden die dit levensreddende werk willen uitvoeren, en daar ben ik u dankbaar voor.  Maar als u de komende jaren één keer uw tong omkeert voor u lichtvoetig grapt ten koste van een vrouw die net zeven dagen nadacht heeft of ze haar kind op aarde zal zetten dan wel aan de aarde zal toevertrouwen, zal die dankbaarheid ook juist voelen.   Met vriendelijke groet,   uw patiënte.

Tine Tytgat (2)
265 12