Lezen

Geuren

Het is acht uur dertig en ik heb net mijn zoon van tien afgezet, een beetje op automatische piloot wegens de heftige dromen en het gebrek aan zin om de dag te beginnen. In de laan met beuken slaat dat gevoel plots om. De doordringende geur van vossenpipi brengt mij naar de bergen en de rust, ver weg van de onzin. Ik sta stil en kijk naar boven. Het zonlicht valt door de hoge kruinen en ik glimlach. Net op tijd. Ik ben een geurenmens. Als kind nam ik overal mijn doekje, mijn chaudchaud, mee. Die nam dan alle geuren op. Bij groot verdriet wou ik alleen maar mijn gezicht in dat doekje begraven, niets anders kon mij troosten. Pas op mijn tweeënveertigste ontmoette ik iemand met diezelfde uitgesproken band met geuren. Ik dacht dan ook dat ik hem gevonden had, mijn grote liefde. Maar plots was hij weg, zonder verklaring. Zoals mijn dromen abrupt aan een einde komen en me leeg, uitgeput of vol verlangen achterlaten. Af en toe nog een gewaarwording of vage herinnering van wat geweest is, maar nooit duidelijke beelden. En onduidelijkheid sluimert en knaagt voor altijd op de achtergrond. Als een onaf verhaal. Aan het einde van de laan blinkt de maan in de zon. De ongehoorzame maan die niet enkel haar taak om licht in het duister te brengen wil uitvoeren, maar wil mee genieten van het ontwaken van al het moois op aarde. Ik twijfel of ik net als de maan ongehoorzaam zou zijn en alle plannen  maar moet afzeggen om de hele dag in het parkbos door te brengen. Mij bloot te stellen aan geuren, licht en wind, mijn rust. Terwijl ik de baan oversteek voel ik mijn zachte billen tegen elkaar aan glijden. Niets fijner dan rokjes en kleedjes en een warme zomerwind. Ik voel terug zijn vingertoppen over mijn huid, mijn vingers over zijn huid. Er zijn maar weinig aanrakingen die zo volmaakt zijn als de wind.  Ik loop over een tapijt van bomenpollen, hier geen geuren meer. Er ligt nog steeds een stuk schuimisolatie in de vorm van een octopus. Ik foeter op de stad omdat ze bomen in het midden van het toch al veel te smalle voetpad gepland hebben en ik mezelf in een bocht moet wringen om te passeren zonder dat mijn gezicht door de fijne takken gestriemd wordt. Wie komt toch op zo’n ideeën? Het buurmeisje passeert me en wandelt een stukje mee. Ze vertelt dat ze enkele jaren terug met haar papa op dat voetpad is gevallen, op het stukje waar losse kiezelsteentjes over het verzakte smalle voetpad liggen. De ziekenwagen had hun beiden opgehaald. Maar het pad ligt er nog steeds hetzelfde bij. Wellicht moet er eerst eens iemand uitschuiven op het moment dat er een bus komt aangeraasd. We komen voorbij het huis van de buurman dat te koop staat. De buurman is de voorbije tijd meerdere keren gevallen en zit nu in een woonzorgcentrum. Dat is de vierde buur waar we afscheid van nemen, op veel te korte tijd. Met één van hen had ik een grootvader-kleindochter band. Een fiere mooi geklede man met artistieke kantjes en een hoop frustraties en rebellie. Maar als hij mij zag verscheen zijn glimlach en sloeg het gefoeter om in bezorgdheid en complimenten. Ik was nooit goed in afscheid, maar het valt me steeds zwaarder merk ik op.    Net voor mijn eigen huisdeur realiseer ik me dat ik mijn sleutel in de tas van mijn zoontje vergeten ben. Ik zit duidelijk nog half in dromenland. En eigenlijk heb ik geen zin om eruit te komen. Dus ik ga vandaag nog eens doen zoals de maan, me niks aantrekken van de regels en vanuit mijn droomwereld kijken naar alles wat rond me beweegt. Vanop afstand, tot ik helemaal verdwijn.  

Fien SB
48 1

Op losse schroeven

Voor mij, staat mijn setje waarheden uitgestald. Fel afstekend tegen de achtergrond van de samenleving die mij omsluit, ritmisch afgewisseld met al dan niet bewuste overtuigingen. Ik kijk ernaar en voel de bereidheid om alles tegen de vlakte te gooien. Als er zich steekhoudende informatie aandient die niet past bij het geheel van alles wat ik denk te weten, als het besef dat ik in essentie niets weet mij bij mijn nekvel neemt, als nieuwe inzichten de kleur van mijn perceptie veranderen, dan komt alles op losse schroeven te staan. Ik vond het trouwens nooit echt nodig om mijn waarheden en overtuigingen onlosmakelijk vast te schroeven. Stabiel genoeg om erop te steunen, dat wel, maar los genoeg om het geheel opnieuw te assembleren.  Ik kan me niet meer herinneren wanneer de overtuiging dat werkelijk alles mogelijk is, werd opgeslagen in mezelf. Misschien is dat een fundamenteel idee dat er altijd al was. Ook het bewustzijn omtrent de beperking van mijn menselijk cognitief vermogen draagt zowaar het gewicht van al mijn conclusies. Er is gegarandeerd veel meer dan ik als mens kan waarnemen en ervaren. Deze overtuiging is een belangrijke pijler waarop mijn waarheden languit rusten. Ja, ze rusten, maar ze slapen niet. Met één oog en oor volgen ze mijn ontwikkelingen en weten ze wanneer het tijd is om ingewisseld te worden voor nieuwe waarheden (die soms eerder voorkomen als oude herinneringen). Ik sluit niet uit dat het altijd geheel zonder weerstand of een verwerkingsperiode zal zijn, maar zelfs voor een oprechte omarming van de fundamentele bestaansonzekerheid zullen zij hun plaats opgeven. Functionerend vanuit het perspectief van een mens is het natuurlijk niet praktisch om als waarheidsloze nomade door het leven te gaan. Een mens heeft waarheden nodig. Als fundering voor zijn keuzes en richtingaanwijzers bij het handelen. Wel kies ik ervoor om licht te reizen doorheen mijn menselijk bestaan. En dus blijven mijn waarheden licht en inwisselbaar, wat ze niet minder waardevol maakt. Het voelt bevrijdend om mij te ontdoen van valse zekerheden. Mijn persoonlijkheid krijgt minder eeltplekken als ik niet zo krampachtig vasthoud aan dingen. Als ik ervan overtuigd ben dat ik te maken heb met het ene en het blijkt dan toch het andere te zijn, dan zal ik bij het loslaten eerder een gevoel van opluchting ervaren dan van frustratie. Jezelf verlossen van overtuigingen is verhelderend en schept ruimte voor authenticiteit. En al helemaal als het gaat over overtuigingen die werden aangeleerd, aangepraat of ingeprent. Men zegt dat er momenteel een bewustzijnsshift aan de gang is. Als het massaal in vraag beginnen stellen van conventies en vanzelfsprekendheden daar een symptoom van is, dan zou dat wel eens zo kunnen zijn. Het gros van de mensen blijft zich wel nog, soms tot bloedens toe, vasthouden aan waarheden en overtuigingen die een sluier leggen overheen hun angst. Angst die hen nota bene niet toebehoort, maar systematisch werd aangesmeerd en ingelepeld. De structuur van hun waarheden en overtuigingen staat stevig verankerd in de grondvesten die het maatschappelijk systeem hen verhuurt. Ze werken zich dan ook krom om te kunnen dokken voor de prefab waarheden waarmee zij zich denken te kunnen beschutten. Ze voelen echter niet dat ze er in wezen onder gebukt gaan. Maar de bewustzijnsshift is wel merkbaar door het grote aantal mensen, waaronder ikzelf, die gestaag alle aangeleerde zekerheden aan het ontmantelen zijn en daardoor meer ruimte scheppen voor hun ware zelf. Nieuwe, meer authentieke, waarheden en overtuigingen nemen de plaats in van oude, doch zonder de schroeven van het vernieuwde geheel stevig aan te vijzen. Vooral dit laatste is belangrijk als men wil voorkomen enkel de kleur van het juk te veranderen in plaats van ervan bevrijd te worden. Een geest die te allen tijde bereid is om zichzelf en zijn wereld- en mensbeeld in vraag te stellen, is een vrije geest. Het getuigt ook van weerbaarheid en flexibiliteit. Deze geestelijke versoepeling is wat we het grote ontwaken van deze tijd noemen. En dan kruip ik in de krochten van mijn weerstand en vraag ik aan mijn ego: is er iets dat jij absoluut niet wil losmaken? Is er, naast alles dat beweegt en transformeert, iets dat hardnekkig blijft zitten en steeds door de mazen van mijn scheppend bewustzijnsnet blijft glippen? En jawel hoor. Het cruciale fundament waarop mijn wankele constructie van waarheden steunt en dat ik met de volledige kracht van mijn voorstellingsvermogen slechts zéér moeizaam teniet kan doen, is het volgende: dat ik meer ben dan de ervaring van een mens. De mogelijkheid dat ik louter een lichaam ben met een interpreterend brein en dat ik bij het sterven definitief en zonder enige verderzetting van een energetisch bewustzijn verdwijn, dat is een mogelijkheid die mij zo onwaarschijnlijk lijkt, dat ze geen actief onderdeel kan uitmaken van mijn set van waarheden en overtuigingen. Maar aangezien ik de overtuiging draag dat alles kan, is ook dit iets dat ik in rekenschap dien te nemen. Het zou inderdaad kunnen dat betekenisloos toeval de heersende wet is in de menselijke ervaringswereld in plaats van geniale eensheidsharmonie. Het zou wel ingaan tegen alles wat ik gevoeld en ervaren heb, maar niets garandeert mij dat die persoonlijke interpretaties ‘echt’ of ‘juist’ waren. Bestaand zonder het houvast van garanties noch zekerheden scheppen we ieder een persoonlijk beeld van onszelf en de wereld. Het zijn de mentale structuren die onze acties staven. De bereidheid om onze interpretaties en conclusies te herzien is noodzakelijk om te voorkomen dat deze structuren vastgeroest raken. In naam van het menselijk welzijn pleit deze tekst voor losse schroeven. De enige schroef die vooralsnog relatief onaangeroerd blijft in mijn structuur houdt de overtuiging vast dat er ook een spirituele kant aan het leven is. Voor de rest kan ik zeggen dat alles lekker rammelt.     

KarolienDeman
8 1

Een sfeerbeeld onder de coronastolp

Voorwoord Beste lezer, Graag, voor je mijn gewogen woorden leest, een kort woordje over de humus, die deze tekst voedde. Vrouwlief Christine en ik zien dagelijks, vanop ons appartement, drie hoog, in Berchem, het Antwerpse Middelheimziekenhuis. Toen we in 2006 ons appartement betrokken, wisten we niet welke rol dit imposant gebouw, dit ziekenhuis, in ons leven zou spelen. We schrijven 19 maart 2008, vijftig jaar na de eerste steenlegging van dit gebouw. Hugo Claus is op weg naar het Middelheimziekenhuis, waar de veerman op hem staat te wachten. Hugo, de aanbeden, literaire duizendpoot, wiens gedachten meer en meer eindeloze wan-delingen begonnen te maken in de kelder van zijn geheugen, vertrekt 's namiddags naar de overoever. Acht jaar later, 6 augustus 2016. Twee uur 's nachts: mijn vrouw brengt me - de verkeerslichten negerend - naar de spoeddienst, jawel, van het Middelheimziekenhuis. Dezelfde veerman, die van Hugo Claus, zal die nacht werkeloos toekijken: de chirurgen houden me bij de les. Ik blijf leven! Ze  kunnen het aneurysma in mijn buikholte, een lekkend aorta, na tien lange en spannende uren, dichten. Mijn herstel wordt een lange weg. Er volgden tien weken op de afdeling intensieve zorg, waarvan drie vierde in comateuze toestand. Voor mijn sterke en moedige vrouw en voor onze warmhartige, bezorgde kinderen helse weken! Ik verlaat eind december, 5 maanden later, mijn 'vakantiehuis' Middelheim. Met mijn weggesmolten spieren probeer ik terug te leren stappen en tracht ik dagelijks  d.m.v. fijn motorische oefeningen terug te kunnen... schrijven. Het orgelpunt van deze operatiekruisweg wordt zeven maanden later, in 2017, gezet in het AZ Gasthuisberg, waar mijn buikwand definitief wordt gesloten.  Drie jaar later... We schrijven 3 februari 2020: het startschot van de Belgische coronacrisis.  18 maart: ons landje gaat in lockdown. Twee dagen later worden de landsgrenzen gesloten. Ondertussen drie hoog in Berchem... Eerst ongeloof over de bijzonder snelle impact van deze pandemie. Tijdens een van de eerste coronareportages tijdens het VRT-programma Pano, keken we naar een verslag over de afdeling intensieve zorg, jawel, van het Middelheimziekenhuis, waar de eerste coronapatiënten uit onze regio werden verzorgd.  Mijn vijf maanden durend 'vakantieverhaal' in 2016 in Middelheim lag terug plots - tastbaar - voor mijn voeten! Het PICS - Post Intensive Care Syndroom - deed terug zijn intrede: angst, slapeloosheid, stress,... Toen beseften we maar pas, wat deze coronaslachtoffers te wachten stond! Tijdens de daaropvolgende maanden werd duidelijk welke schade COVID-19 kon aanrichten. Onze schutkring veranderde langzaamaan in een FaceTime-kring: de communicatie met ons (jonge) volkje verliep nu meestal via de digitale tamtam.  Tijdens deze eerste lockdown applaudisseerden we vanop onze derde verdieping elke avond om 8 u. - van maart tot begin juni - plichtsgetrouw én met graagte met onze buren voor onze zorgsoldaten aan het coronafront.  Mondmaskers en ontsmettingsgel werden onze dagelijkse levensgezellen.  Nieuwe (oude) woorden werden (her-)uitgevonden: social distancing, huidhonger, quarantaine, contact tracing, coronavet, tweedehandslucht, ... Wat later deed ik een poging om deze ervaringen prozaïsch te duiden, toen nog niet besef-fend, dat deze pandemie tot op vandaag, een lang verhaal met een héél lange schaduw zou worden.  Nu mijn schrijfsel, mijn overpeinzing, mijn gewogen woorden, toen ik door mijn venster keek. Jawel, met het het Middelheimziekenhuis op de achtergrond!   Een sfeerbeeld onder de coronastolp   Een man en een vrouw bouwjaar 1951 en 1952 babyboomers.   Vandaag onverwacht de kwetsbare generatie. Opgegroeid met analoge technologie, worden ze nu peilloos bezorgd over de kwetsbaarheid van zichzelf en van hun schutkring.   De voorbije dagen dagen al surfend op de digitale golven ontdekkend de nieuwe 'il postino': de viroloog, de medicijnman, de woorden wegende pastor, de behoedzame profeet. Elke dag pratend over de altijd maar krimpende werking van ons sociaal verkeer.   Dit nauwelijks te vatten verhaal bedekt geruisloos de items van links en rechts: de milieuproblematiek en de asielscrisis.   Het woord 'kot' krijgt een ander soortelijk gewicht.   Vanuit hun opgelegde quarantaine kijken ze beiden naar hun applaudisserende buren: wordt dit vanaf nu de moderne vorm van smetloos socializen?   Ondanks alles kunnen ze zich vandaag langzaamaan warmen aan de spontane solidariteit en bezorgdheid.   Worden dit blijvers na het COVID-19-verhaal?     

Johan Mortelmans
28 0
Tip

Middelvingers te kort

Ik kwam middelvingers te kort de afgelopen weken. Ik kreeg van de fuck you’s tussen mijn tanden geen hap door mijn keel. Zelfs een glas wijn gooide ik liever tegen de tv dan het te slikken. Nog een geluk dat ik op staande voet ontslagen was en tijd had om het allemaal van op een afstand te gaan bekijken. Drie uur reed ik erover om in mijn hut te geraken, midden in de groene vlek op google maps vlakbij het Kröller-Muller museum.  Tijdens een wandeling in de bosrijke omgeving bel ik voor de vijfde keer in vijf maanden tijd iemand die mij de eeuwige liefde beloofd had maar nooit opneemt als ik bel. Ik probeer hem te vergeten door plaatsen te bezoeken waar ik nooit met hem over had gesproken. Ook door direct zijn voicemail te horen. Elke keer klinkt zijn stem belachelijker.  De combinatie van geuren en geluiden van verschillende stiltes doen me denken aan een kleuterjuf, juf Rita. Ik voel terug haar zware hand op mijn hoofd bij het binnengaan in de klas. Ze biedt me een plek aan in de kring. De kring bestaat uit oneindig veel keren mezelf. Een platgereden egel, een holle boomstronk vol zwammen al is het lente, een reserve-autoband, het is precies als in een spiegelpaleis. Ik wil mijn naam in een boom kerven, en door die gedachte koop ik in de kiosk aan de rand van het bos een pak sigaretten en een aansteker. Ik twijfel over de kleur, zeker geen blauw. Uit medelijden koop ik toch de blauwe. Ik ga terug het bos in en kerf per ongeluk zijn naam in een boom in plaats van de mijne. Ik neem er een foto van om mezelf eraan te herinneren dat ik hem dringend moet vergeten.   

Fanny Wildemeersch
174 9

Konijn

Arthur:                Papa, Robin zegt dat ze later Elsa wilt worden, maar dat gaat niet, eh.                            Papa, Robin zegt dat ze later… Papa:                   Ik heb het de eerste keer ook gehoord, Arthur. Arthur:                Dat gaat niet eh, want ze heeft geen ijskrachten. Papa:                   Wil jij graag Elsa worden, zus? Robin:                  Ja. (heel stilletjes)  Allicht knikt ze enthousiast, maar omdat ze voorover gebogen zit, kan ik het niet zien in de achteruitkijkspiegel. Papa:                   Je zingt heel graag eh, meisje. Dat kan je wel worden, hoor, zangeres. Wil je                                zo goed kunnen zingen als Elsa? Robin:                  Ja. Arthur:                Maar ijskrachten bestaan niet, eh papa. Papa:                   Nee, jongen ijskrachten bestaan alleen in verhaaltjes en filmpjes, maar zus                                    kan wel leren zingen. Wil je dat graag, want dan kan je later naar de                                            muziekschool om te leren zingen? Robins onderlip krult op en ze gaat de eerste fase van haar protroutine in, dadelijk gooit ze met iets of roept ze. Arthur:                Ik wil dat wel. Robin:                  Nee, ík wil dat! Dat roept Robin inderdaad overdreven boos. Als ze aan Arthur had gekund, had ze hem een lap verkocht. (fase 3) Gelukkig zit ze vast op haar autozitje. De laatste fase van de protroutine kan ze dus niet uitvoeren. Ze lijkt te kalmeren. Papa:                   Als jullie dat willen, kunnen jullie dat allebei, dat is geen probleem. Zal ik                                     #LikeMe opzetten? Arthur/Robin:    (samen) Ja. Arthur:                Papa? Papa:                   Ja, jongen. Arthur:                Ik wil later liever Chase worden van PawPatrol. Robin:                  Dat gaat niet, eh papa. Papa:                   Nee, jongen, dat kan ook alleen maar in filmpjes en verhaaltjes. Arthur:                Ik kan toch altijd een politiepup zijn, dat gaat toch. Robin:                  Nee, dat gaat niet. Papa:                   Nee, jongen dat gaat niet, je kan wel bij de politie gaan. Dat gaat wel. Robin:                  Arthur? Arthur:                 Ja. Robin:                  Jij wordt geen hond later. Arthur:                Nee? Robin:                  Jij wordt gewoon een konijn. Arthur:                 O. Daarmee wordt het stil tussen de twee alsof hiermee het laatste woord gezegd was. De liedjes van #LikeMe klinken hun vertrouwd in de oren en ze kijken allebei uit hun raampje naar buiten. Op deze weg door de velden kunnen ze lekker wegdromen in de verte. Nog vijf minuutjes en we zijn aan school.

Hans Van Ham
29 0

EEN FACADE, DIE ACHTERGEVEL

Deze tekst is voor Christophe Vekeman, die me het compliment gaf boeiend te schrijven ondanks dat ik nooit iets lijk te beleven. Wel, ik heb iets beleefd dat volgens mij nog nooit iemand heeft meegemaakt. Hoewel ik altijd heb gezworen nimmer mijn woning te verbouwen, vooral omdat ik mijn ouders heb zien afzien, konden een oorlog in Oekraïne en een cyberaanval me er kennelijk niet van weerhouden alsnog mijn achtergevel op te frissen en een vide te laten steken. Want geef toe, wat kan je in het leven zonder vide? Omdat ik samen met mijn vrouw in totaal vier linkerhanden heb, zijn wij in zee gegaan met een stel jonge, hippe architecten. En om onszelf ervan te vergewissen alles legaal te doen, hebben we ook een bouwvergunning aangevraagd, je weet wel, zo’n veel te groot geel papier dat je dan 30 dagen zichtbaar moet maken voor jouw lieftallige buurtbewoners zodat zij eventueel beroep kunnen aantekenen om de boel nog wat meer te vertragen. Wel, ik had dat papier proper op een OSB-plaat die ik nog had liggen geplakt, drie lagen huishoudfolie erover tegen de regen en de plaat vervolgens vastgemaakt met een halve kilo duct tape aan het muurtje waar ook onze brievenbus aan hangt. Het hing er welgeteld vijf dagen en in het holst van de ochtend van de zesde dag was het weg. Gestolen. Geloof me, de vraag ‘wie pikt er nu zoiets?’ die op uw aller lippen brandt, stelde ik mezelf ook meteen. Het antwoord luidt: ik pik dit niet. Verheugd dat ik eindelijk eens de befaamde blauwe lijn mocht bellen, die ik eerst hield voor een hulplijn voor mensen met acute melancholie, maar ik vermoedde ook dat ze mij met mijn aangifte een boete zouden aansmeren voor het verspreiden van absurditeiten.‘Wat hebben ze gestolen zegt u? Uw bouwvergunning?’ Ze moest er een aparte categorie voor aanmaken, want het paste niet onder officiële documenten zoals bijvoorbeeld een paspoort. Op maandag kreeg ik een afspraak op het politiekantoor op de Turnhoutsebaan. ‘Ah, gij zijt die kerel wiens bouwvergunning gestolen is!’ bulderde een van de twee agenten toen ik binnentrad. Ze hadden duidelijk niet veel te doen (en dat op de Turnhoutsebaan) en mijn aangifte verwerd al snel tot een drinkgelag zonder spijs en drank. Zeker twintig minuten nadat de papieren in orde waren heb ik met de arm der wet staan filosoferen over wie zo’n bord zou gestolen kunnen hebben.‘Waarschijnlijk een bende jongeren’, opperde de kleinste van de twee, die graag de goedkeuring van de andere wilde. Nu, ik wil geen kritiek geven op het politieapparaat, zeker niet na dit onderhoudende gesprek, maar mijn instinct zegt iets anders. ‘Als het jongeren waren’, riposteerde ik, ‘hoe verklaart u dan het bizarre tijdstip van de ontvreemding (omstreeks 10u ’s morgens op een schooldag)? Bovendien lijkt het me te proper voor jeugddelinquenten’, probeerde ik hun jargon eer aan te doen, ‘want ik zou verwachten nog resten duct tape te zien of het betreffende bord enkele meters verder te vinden, nonchalant weggegooid in de voortuin bij een van de buren. U mag ook het gewicht niet onderschatten van zo’n OSB-plaat, jongeren hebben toch geen motivatie noch de aandachtsboog om zo’n bouwvergunning nog maar onze straat uit te dragen.’ De andere agent, die een pracht van een pornosnor onder zijn reukorgaan had, keek me aan met een gezonde jaloezie, alsof hij me wilde inlijven. Ik kreeg een PV mee naar huis en hoewel ik goed vertrouwd ben met basisgrammatica, vroeg ik pornosnor toch wat ik daarmee moest aanvangen. ‘Stuur dat maar naar het omgevingsloket, dan komt alles wel in orde’, sprak hij met profetische woorden. Van de stad kreeg ik dan een week later een antwoord, droger dan Don Vitalski op dinsdagavond: Wij sturen u een nieuwe aanvraag. Alsof ze zelfs niet een béétje uit hun lood geslagen zijn door deze Kafkaiaanse toestand. En wat als mijn bord opnieuw gesloten wordt op de negenentwintigste dag? Het is een façade, die werken aan mijn gevel.

Lennart Vanstaen
11 4

Ach mijn Marokkaanse vrienden. a

Mijn Marokkaanse vrienden hebben helden: hun vaders. In de verhalen die zij hoorden, kwamen hun vaders op blote voeten van hun geboortegrond naar de plek waar mijn vrienden later werden geboren en nu hun leven opbouwen.Ze luisteren altijd met ongeloof als ik hen uitbundig prijs, want ze zijn vaak andere reacties gewend. Zo gebeurde het dat ik bij een robuuste douanebeambte opnieuw mijn lof over Marokko uitsprak. De man kreeg tranen in zijn ogen en ik kreeg zowaar een knuffel. Vaak worden zij negatief bejegend, maar een oprecht woord over hun land – voor mij het mooiste land ter wereld met de vriendelijkste mensen – maakt je direct hun vriend. En wanneer je eenmaal bevriend bent met een Marokkaan, is de band grenzeloos; je mag alles vragen, en zij vragen alles terug. Die gastvrijheid en eerlijkheid ervaarde ik op een heel bijzondere manier tijdens een rondreis met een groep Belgen. Ik was mijn portemonnee kwijtgeraakt en besloot veertien dagen later op de prachtige luchthaven, Menara International Airport, bij de politie te informeren of er iets gevonden was. Omdat ik op de bewuste avond geld had gewisseld, kon ik het exacte tijdstip en de datum aanwijzen.De politie was uiterst behulpzaam. Wat bleek? Mijn portemonnee was destijds gestolen. Dankzij de camerabeelden van veertien dagen eerder konden ze de dader identificeren. Tot mijn grote verbazing bleek het een Belgische landgenoot uit mijn eigen reisgezelschap te zijn. Dankzij de inzet van de lokale autoriteiten kreeg ik mijn portemonnee terug, inclusief al het geld, mijn bankkaarten en documenten. Ik ben de vriendelijke lokale politie dan ook enorm dankbaar voor hun professionaliteit en rechtvaardigheid    foto gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ foto: mijn woonst in marroko   

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
44 0

Stefano Picasso

“We gaan schilderen Stef”, het vrouwtje was helemaal enthousiast. Schilderen, wat was dat nou weer. Het was in ieder geval bij de dame van de hondenschool, dus dat was altijd leuk. Hij was zelf nog nooit in de school zelf geweest, Kaatje wel, daar was hij ook wel nieuwsgierig naar. En Kaatje mocht niet mee, leuk om weer eens een hele avond met het vrouwtje alleen op stap te gaan. En er zouden vast wel snoepjes zijn, dat was ook een voordeel. Alleen, schilderen, hij wist echt niet wat hij zich erbij voor moest stellen. Enthousiast sprong hij in de auto. Spannend hoor, hij bleef er van opwinding bij staan. Dat vond het vrouwtje natuurlijk niet goed. Als ze hard moest remmen, viel hij ondersteboven. Dat zou niet de eerste keer zijn. Daarom had ze ook hangmat gekocht voor de achterbank. Dus hij ging toch maar liggen toen ze het zei. In de hondenschool waren al andere honden toen ze aankwamen. Ook dat was wel spannend, onbewust liet hij zijn haar omhoog staan. Sommige anderen waren ook een beetje onwennig, dat zag hij wel. Het was altijd een beetje kijken wie er wel en wie er niet leuk was. Even later moest hij met zijn pootjes over een ingepakt canvas met verf lopen. De kleuren die het vrouwtje erop gesmeerd had werden zo een mooi mozaïek. Sommigen gingen er ook op zitten of op liggen, dat was ook wel grappig. Eigenlijk was het wel heel leuk, hij kreeg er ook wel plezier in. Op een gegeven moment vond het vrouwtje het klaar en moest het drogen. Jammer, hij had er nog best even langer overheen willen tippelen. Gelukkig gingen ze daarna nog spelletjes doen. Hij houdt heus van Kaatje maar het is echt leuk om weer iets met het vrouwtje te doen zonder dat ze haar nieuwsgierige neus ertussen steekt. Natuurlijk konden ze het schilderij nog niet mee naar huis nemen omdat het vrouwtje in haar onhandigheid weer iets te veel verf had gebruikt. Dat drogen duurt nog wel even. Ach, het was ook te verwachten, ze is van nature niet zo creatief. Maar het was een leuke avond. Thuis kroop hij snel op de bank in zijn hoekje. Lekker liggen. Hij was er moe van geworden.    

Machteld
5 0
Tip

Nieuw werkwoord

Soms leer je ineens een nieuw werkwoord waarvan je denkt, “ja, precies, dat klopt helemaal”. Zo kwam ik onlangs het woord ‘graniolen’ tegen. Nooit van gehoord. Ik las het in een column die Miriam had geschreven voor het tijdschrift Saar. Een tijdschrift voor vrouwen boven de 50 die zichzelf nog niet zien als oud en grijs. Een doelgroep waar ik, denk ik, hoop ik, wel bij hoor. Want inderdaad, ik ben boven de 50, al een eindje, maar in mijn hoofd ben ik toch nog steeds 40. Uiteraard voelt het soms wat anders als ik uit bed stap, maar na een rondje hondjes ben ik er toch weer helemaal bij. Graniolen dus, een samentrekking van Granny en Gladiolen. Wat zoveel betekent als ‘iemand het gevoel geven dat hij of zij al heel oud is’. Het overkomt je als je voor de eerste keer ‘U’ en ‘mevrouw’ wordt genoemd. Of als mensen voor je opstaan zodat jij kunt gaan zitten. Of als je jonge collega je meewarig aankijkt als je problemen hebt met je laptop. Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Ik heb zelfs een collega gehad die bij domme opmerkingen van mij riep “yes, weer een voor de boomer-bingo”. Hij zag mij als granny en ik schold op hem met achterlijke gladiool. In gedachten dan hè, ik mocht hem graag. Toch is dat laatste niet zo erg. Het houdt je wel bij de les. Je moet ook niet onbewust verworden tot een oud mens. Want inderdaad, op een gegeven moment ga je ook geluiden maken als je bukt. En dat is eigenlijk wel heel kwalijk, als je er goed over nadenkt. Het belangrijkste is dat je met de nodige dosis zelfspot in de spiegel kunt kijken. En denken, tja, het ziet er toch allemaal wel anders uit, vergeleken met toen ik 18 was. En als je dan van die kreunende geluiden maakt, kun je dat het beste uitvergroten en de draak met jezelf steken. Ik heb gemerkt dat dat ook het beste wordt geaccepteerd. Maar goed, graniolen. Ik stel voor dat we het werkwoord omarmen. En gebruiken als waarschuwing. Zodat we geen grijze duiven worden. Want die zijn er al genoeg, we noemen hen doorgaans ANWB-stellen. En als ik dan granny moet worden, dan liever toch een kleurrijke. A.s. zaterdag ga ik weer naar de kapper. Ik zag hier en daar weer een grijze haar tevoorschijn kruipen en dat verschijnsel wordt door mijn kapster op mijn verzoek steeds professioneel de kop in gedrukt. Hulde daarvoor.      

Machteld
95 4

Joost Vandecasteele verlaat Brussel.

Brussel, dat is het lelijke huis dat Verminnen ooit bewierookte. Brussel dat is vuiligheid, viezigheid, ranzigheid en hoerigheid. Brussel, dat is bestuurloos, genadeloos, abbeloos, soms al eens hopeloos en ook al eens grandioos. Brussel, dat is een attractiepark bezaaid met toeristenvallen, trekpleisters, foodketens en biertenten. Brussel lijkt in niets meer op zichzelf en de mensen die aan het roer van het schip staan, hebben haar in haar ziel vermoord. Brussel is een pretpark voor marginalen geworden. De stad is veranderd maar dat ben ik ook. Ik kijk naar de chaos van Brussel met rode mistroostige ogen, met afgrijzen denkend dat het vroeger allemaal beter was – maar zo verzuurd ben ik niet, het was a slip of the tongue. Brussel heeft allang alle charme verloren. Foute burgemeesters, politiek zonder visie, graaicultuur, millenials, schaamteloze toeristen en nonsens bestuur. Dat is Brussel geworden. Ik ken Brussel in elke minuut, ’s nachts en overdag. Ik woon al zolang in de eeuwige kronkels van haar stinkende en rottende ingewanden. ’s Morgens toont ze haar trieste blik bij het ontvangen van de duizenden pendelaars die haar met vuile sokken en aftandse schoenen betreden en vertrappelen. Zielige Vlamingen en Walen die met zwaarmoedige hangende hoofden haar stenen tapijt overlopen naar kelders, bunkers of glazen torens en waar ik liever nooit kom. Loving you is a dirty job but someone’s got to do it. Ik blijf nog een tijdje maar helaas, Brussel, hoe lief ik je ook heb, ik zal ook jouw herinnering binnenkort laten inslapen zoals ik dat met mijn kat Felix de 2de heb gedaan. Ik zal jou laten kwijlen en betijen. Maar altijd aan je denken, in het groot, en dingen doen in het stoemelings (Fragment uit mijn roman: “Doorheen gebroken vensters”).

Erwin Abbeloos
11 0