Lezen

Waarom ik de moderne geneeskunde wantrouw

Mensen die mij kennen of volgen, weten dat ik een lange moeizame zoektocht heb afgelegd in het kader van mijn gezondheid. Ik ging gebukt onder tergende chronische kwalen en zocht als vanzelfsprekend verlossing in de medische wereld. Deze zoektocht vatte ik samen in mijn boek ‘Auto-immuun: van ziekte naar inzicht’. Vijftien jaar lang liet ik mij intensief behandelen in een universitair ziekenhuis. Gedreven door wanhoop bleef ik tegelijkertijd ook daarbuiten verder zoeken naar antwoorden. Beterschap was steeds kortstondig, de ellende bleef zich transformeren. Vaak voelde ik dat de hele resem aan onderzoeken en therapieën mij eigenlijk meer kwaad dan goed deed. En ik merkte dat er tal van hiaten in de redeneringen van de medici zaten. Ik rationaliseerde dit alles weg, ervan uit gaande dat ze wel wisten wat ze deden. Blindelings vertrouwde ik de artsen die me op het hart drukten dat dit iets was waarmee ik zou moeten leren leven. Ik stapte mee in het systeem dat ontworpen was voor chronische aandoeningen zoals de mijne en onderging elk protocol en ander noodzakelijk leed. Als gevolg slipte mijn lichaam steeds meer dicht, maar mijn ogen gingen geleidelijk aan open. Er ging heel wat frustratie mee gepaard, maar al dat lijden en zoeken heeft mij uiteindelijk cruciale inzichten bezorgd. Gaandeweg brokkelde mijn vertrouwen in de ‘wetenschap’ steeds verder af. Er werd strak vastgehouden aan symptoom-onderdrukkende technieken. Deze werden telkens heruitgevonden en gefinetuned, in naam van de vooruitgang. Van holistisch denken was er natuurlijk geen sprake. Een holistische denkwijze in de geneeskunde zou inhouden dat lichaam en geest als een geheel worden behandeld. Zo werd ik jarenlang tot een hoop ingewanden gereduceerd, daar men geen rekening hield met mijn denk- en gevoelswereld die in feite heel de boel aandreef. De link tussen psychologie en darmaandoening werd, tot mijn ontzetting, niet actief gelegd. Ja, dat stress moest vermeden worden, dat werd mij wel meermaals gezegd. Maar dat advies klonk zo hol. Wat moest ik daar concreet mee? Ook sprak men wel eens over de invloed van ‘omgevingsfactoren’. Maar daarin kon eveneens geen advies worden gegeven gezien de uniciteit van elke situatie. Zo is het bijvoorbeeld onmogelijk om een dieet dat voor iedereen werkt aan te prijzen. Het gehanteerde systeem doelde op uniformiteit: ze zochten naar één behandeling die voor alle patiënten met die diagnose zou aanslaan. Als ze zoiets zouden vinden, dan was hun bedje wel gespreid. Dit is echter een theorie die, in al zijn hardnekkige logheid, gefundeerd is op een ontzettend beperkte visie op wat gezondheid werkelijk is. De gewichtigheid die aan de wetenschap wordt toegeschreven, mag naar mijn mening best wat gedimd worden met nederigheid. Want er is nog zoveel meer dat we kunnen leren over/van ons lichaam. Wie chronisch ziek is in een kapitalistisch systeem, komt al snel terecht in een hermetische omgeving waarin men zich blindstaart op het zo snel mogelijk reduceren van symptomen. De oorzaak is er ondergeschikt aan de oplossing. En de patiënt afhankelijk maken van die ‘oplossing’ houdt de machinerie mooi draaiende. Versta me niet verkeerd, ik heb respect voor de artsen die mij al die jaren hebben proberen bij te staan. Ik zie dat ze ook zoekende mensen zijn met de beste intenties. En dat ze vaak zelf de dupe zijn van een zwaarlijvig systeem dat steeds verder uit zijn voegen barst. Mijn hoed af trouwens voor tal van ingenieuze operatietechnieken en andere medische vernuftigheden. Het probleem dat voortkomt uit een gebrek aan holistisch denken openbaart zich op verschillende vlakken, maar is sterk afgelijnd bij chronische aandoeningen. Vanuit intens empirisch onderzoek ben ik tot de constatatie gekomen dat de kennis waarop de moderne geneeskunde is gefundeerd enorm ontoereikend is. Dit zorgt ervoor dat ik wantrouwen heb ontwikkeld tegenover de medische wereld en haar wetenschap. Ik weet dat zij nog maar in de kinderschoenen staat, maar reeds alwetend pretendeert te zijn. Als een uit de kluiten gewassen kleuter die de baas wil zijn. Vanuit dit licht gezien, kun je misschien begrijpen waarom ik twijfels heb over de huidige maatregelen en verplichtingen omtrent Covid-19. De geneeskunde van vandaag richt zich op het bestrijden van aandoeningen. Maar wie weet gaan we niet teveel op in al dat strijden en verliezen we daardoor een groter geheel uit het oog? In plaats van iets vervelends zo snel mogelijk weg te willen hebben, met alle verdeeldheid tot gevolg, zouden we ons ook kunnen afvragen wat het ons kan leren. Op intellectueel, spiritueel en fysiek niveau. Met een open geest die altijd bereid is om overtuigingen in vraag te stellen. Wij mensen, wij zijn meer dan lichamen die al dan niet goed functioneren. Het is aan ons om te ontdekken wie we zijn. En laat deze crisis daar nu eens een interessant hulpmiddel voor zijn.

KarolienDeman
52 3

Whodunit

“Henri, haal de kap er maar af.”“Zoals meneer wenst.”Henri is al sinds de vijftiger jaren de trouwe chauffeur en toeverlaat van Emile-François de Chercheville, de notoire speurneus uit Antwerpen. Vroeger haatte hij autoritten, maar sinds Henri hem overhaalde deze felrode Austin A40 Somerset Convertible aan te schaffen, is meneer er dol op. Hij vouwt het dak achterwaarts, reikt meneer de linnen en zijden Stetson cabriomuts en Burberry sjaal aan. De prille lentebries kan nog geniepig uit de hoek komen. Wanneer ze via de leien de stad buiten rijden, verlustigt Emile-François zich aan de bewonderende blikken van de sinjoren. Soms ergert hij zich aan hen die op de fraai bewerkte brievenbussen van de luxueuze herenhuisdeuren het woord  ‘locataires’  vervingen door ‘huurlingen’.Emile-François opent het pakje dat Henri bij de drukker heeft opgehaald. Hij bewondert zijn nieuwe tweetalige en dubbelzijdige naamkaartjes:                                              Emile-François de Chercheville,                                             Privé detective /Détective privé                                      Frankrijklei , 625 B, Avenue de France                                                  Antwerpen – Anvers                                                    z.o.z – voir verso Hij is op weg naar zijn vroegere klasgenote barones Eulalie Dundergem de Strathove, die als weduwe van haar Nederlandse echtgenoot in hun ‘Seigneurie’ verblijft in Hertervoorde,  een provincienest net over de grens.Emile-François begroet haar met een handkus:  “Madame, chère copine, waar is de tijd?”“Noem mij toch Eulalie, zoals vroeger. Komt uw chauffeur niet binnen?”“Henri wacht wel in de wagen. Wat zie je er overstuur uit, wat  is er gebeurd?”“Hij ligt in de keuken, ik heb niets aangeraakt. Oh, Emile-François wat vreselijk.”“Kalm Eulalie, vertel.”“Toen ik vanmorgen wakker werd zag ik Chouchou, mijn Bichon frisé, nergens meer. Ik riep hem maar kreeg geen antwoord tot ik hem bebloed en roerloos vond in de keuken. Ik kon het niet aanzien, ben naar de vestibule gerend waar ik meteen aan jou dacht en je opbelde.”“Wie heeft er toegang tot de woonst, Eulalie?”“Jean-Louis, de tuinman, Bram, de klusjesman en Mariette, de huishoudster hebben  een loper van de keukendeur. Vandaag gaan ze pas vanaf veertien uur aan het werk.”  “Dan heb ik nog wat tijd. Sta mij toe dat ik even in huis rondloop. Ik sluit de keukendeur en laat de sleutel in het slot zodat Mariette en de beide heren moeten aanbellen om binnen te raken. Laat ze zodra ze toekomen plaats nemen  in de woonkamer. Laat niemand naar de keuken gaan en ga er zelf ook niet heen.” Aan de voordeur roept de detective Henri. Samen gaan ze naar de keuken. Met zijn vinnige mopshondogen kijkt Henri meewarig naar het toegetakelde witte hondenlijf. Hij vervangt zijn Salt&Hide tankleurige chauffeurshandschoenen door twee plastic exemplaren, waarvan hij er ook een paar aan de speurder overhandigt. Hun meticuleuze onderzoek van het kadaver levert snel resultaten op. Tijdens hun werk horen ze hoe er onverrichter zake aan de keukendeur wordt gerommeld. Even later begeven ze zich naar de living waar de drie huisbedienden raar naar hen opkijken. Zonder een woord uit te brengen bekijkt Emile-François hen van top tot teen en verzoekt hij Eulalie en Henri de kamer te verlaten.In de vestibule vraagt Henri aan Eulalie om de veldwachter te bellen en te vragen met de dievenwagen naar ‘Heerlijkheid Hertervoorde’ te komen.“Uw nieuwe blauwe salopette heeft u verraden, meneer Bram. Ik beschuldig u van moord op Chouchou. Hier hebt u het stukje stof dat ik in de muil van het beestje vond. Het zal precies passen in het gaatje onderaan uw broekspijp.” “Het rotbeest!” is alles wat de klusjesman kan uitbrengen terwijl de inmiddels toegekomen veldwachter hem wegvoert.“Hij blafte steeds naar Bram en had hem al meermaals gebeten, mijnheer de inspecteur,” tracht Mariette de situatie te vergoelijken.“Al goed,” oppert Emile-François: “ga maar met Jean-Louis de boel opruimen in de keuken...” 

Vic de Bourg
26 2

Ik kom niet langs

‘Je vraagt je vast af waarom wij nooit langs zijn gekomen.’ De man kijkt mij net niet aan, hij richt zijn blik op mijn kin.   Ik weet niet goed wat ik moet antwoorden.   Drie jaar geleden zijn we verhuisd van 't Stad naar de Limburgse Kempen. Van een mooi en te klein appartement met een balkonnetje op het noorden, naar een luxe villa in open bebouwing aan de rand van het bos met een trampoline, schommel, paardenweide en moestuin. Voor hetzelfde geld. De kinderen waren binnen twee maanden gewend op school, mijn vrouw tenniste direct in het eerste team en ik vond bij de schaakclub een warm welkom.    Collega’s verklaren mij (al drie jaar lang) voor gek, je gaat toch niet weg uit de stad? Ik wijs ze met Google maps op de route. Het is een zucht naar de snelweg en binnen een uur ben ik op mijn werk. Mijn dagelijkse pendeltijd is even lang als voor de verhuizing, mijn vrouw is zelfs een half uur korter onderweg. Allemaal verloren moeite, de blik van de collega’s blijft vol medelijden.  Elke woensdag lunch ik bij “Jules’ Bistro” op ons industrieterrein, ze hebben prima soep, croque monsieur, stoemp en stoofvlees. We zeggen: “We gaan knagen bij Jules”, al heeft Robert de tent vijfenhalf jaar geleden van zijn vader Jules overgenomen, die in de jaren ‘80 op die plek begonnen met een krammakkelijk frietkot. Vlak voor de eeuwwisseling ging de eerste paal de grond in van de vaste tent.   Ik lunch hier sinds ik bij “De Vlaamse Laboratorium Dienst” een job kreeg en mee mocht met de afdeling pre-production. Zo’n ritueel geeft houvast vindt u niet? Je weet wat je eet, je bent er uit en na dertien jaar ken je de andere woensdaglunchers. Wat een gebroebel, ik vertel u waarom ik geen antwoord weet.   Bij het verlaten van het toilet van Jules was ik mijn handen bij het fonteintje. Een volslagen vreemde spreekt mij aan. Hij kijkt geringschattend, zakt met zijn blik af naar een plek tussen mijn kin en borst, en snuift een keer na het stellen van de vraag.    ‘Dus!’ zegt hij, in afwachting van mijn antwoord als een bokser die een eerste onderzoekend prikje heeft uitgedeeld.   Ondanks zijn omvang slobbert hij in een ruim zittend kostuum. Waarschijnlijk werkt hij in een van de kantoren naast het industrieterrein. Of hij is verkoper in een van de showrooms, de meesten dragen een kostuum, van de zotte natuurlijk, daar kopen alleen bouwvakkers en installateurs, nou: die dragen er nooit een.   Bij die vreemde voor mij hangt er wel een aan zijn lijf, en met de cravat los en 't zweet in de nek heeft hij last van de warmte. In ons labo spuugt de airco ijspegels, de collega’s en ik zijn allang blij dat we buiten van de warmte kunnen genieten. Trouwens, niemand van ons draagt een vest, met daaroverheen een witte labjas heeft dat geen zin. Wij dragen ook geen stropdas, dat kan bijvoorbeeld in de centrifuge verstrikt raken of in een kweekbakje met bacteriën hangen. Hans, onze chef, draagt een vlinderdas als klanten langskomen, de rest heeft nooit iets rond de hals.   Nu wil deze warmtegevoelige dat ik mij iets afvraag, sterker nog: hij wil dat ik mij daar blijkbaar voor schaam.     ‘Nou, Mariet wil jullie stulpje graag zien. Met dat kakkineuze paardentuintje en het bos. Je begrijp dat deze jongen daar effe stevig voor is gaan liggen,’ vervolgt hij.   Nog steeds komt er geen antwoord in mij op. Gelukkig heb ik de, voor alle technici bij ons bedrijf verplichte, basiscursus “Commercieel Handelen” gevolgd en daar heb ik geleerd dat bij een klantklacht, en daar lijkt het hier sterk op, je in ieder geval een instemmend geluid moet maken. Je geeft de klant het gevoel dat hij wordt gehoord. Bonding principe of zo iets vaags.   Ik zeg: ‘Zo… mmm.’    Toegegeven, dat klinkt niet bijzonder intelligent en ik pieker me suf wat ik nog meer en in ieder geval treffender kan zeggen. Ik weet niets beters. Hij moet het er maar mee doen.   Het deel “deze jongen” verwart mij. Het “daar stevig voor liggen” is een obstakel waar Mariet niet om- of overheen kan, dat zie ik wel voor mij, ik verwacht haar dan ook niet bij ons. Maar “jongen”?   Jongens worden tussen hun achttiende en tweeëntwintigste man, net als meisjes die in de tweede helft van hun tienerjaren tot vrouw transformeren. In jeugdigheid is er speling en de term jongen/meisje kan voor de beginnende dertiger nog in de spreektaal. Het varieert per persoon, maar ploep!! het is over en jong past niet meer, zoals een uitgerekte ballon uiteenspat en nooit meer aan elkaar kan.    Geen jongensspoor is te ontdekken in deze ontwijkende blik of onhandige houding. Ondanks zijn zweetvocht is hij verdord als een boomstam in de woestijn en zo zie ik hem liggen: zijn Mariet de weg versperrend. Het is aannemelijk dat deze boomstam in echte jaren rond mijn leeftijd is, in levensjaren is hij ouder, zijn ballon spatte decennia geleden uiteen. ‘Ik had toen al een hekel aan je, en verwacht ons niet op bezoek bij je Limburgs fermetje. Dat je het weet,’ gaat de man door en snuift nog eens flink.    Zijn gezicht wordt roder en hij duwt zich langs mij. Ik stap een flink stuk opzij om hem bij het kraantje te laten maar hij keurt dit geen blik waardig en staat al half bij de deur naar de zaal. Mij een houding gevend gooi ik het papieren handdoekje met een sierlijke boog in de prullenbak en kijk hem aan.   Hij snuift voor de derde keer en zegt: ‘Dus!’ Nu alsof hij de watertoevoer van ons huis afsluit. Snel ga ik alle gezichten langs die ik ken: geen match met iemand die een hekel aan mij heeft. Overigens, ook geen match met mensen waarvan ik in de overtuiging leef dat ze géén hekel aan mij hebben. Niemand die ik ken lijkt in de verste verte op het bezwete gezicht voor mij.    Voor, tijdens en na het verhuizen, nodig je iedereen uit. “Kom eens langs” roep je tegen vrienden, familie, kennissen, collega’s en op woensdag tegen de lunchbuddies bij Jules.    Je weet dat niemand komt. Limburg godbetert, wat een eind weg.   Hoe ik ook nadenk, deze rode kop licht niet op in de langszoevende film iedereen die ik gevraagd zou kúnnen hebben. Nog een keer zoeft de film langs, nu hang ik de naam Mariet aan dit specifieke gezicht: dit geeft geen extra licht. Ik probeer de naam Mariet als iemands collega, vriendin, zus of dochter en het blijft donker. Als gevolg van dit gebrek aan herkenning is het onduidelijk aan welk vergrijp ik schuldig ben. Het voelt ongemakkelijk maar verbaasd ben ik niet, relaties met mensen sloop ik in een oogwenk. Het meest aannemelijk is dat dat ik hem stevig heb beledigd. Uit oprechtheid beledig ik mensen, volgens mijn vrouw zonder het zelf door te hebben, aan de lopende band en met succes. Een kanshebber is ook dat hij en Mariet iets samen met ons hebben willen doen en waarbij ik ze op een botte wijze heb afgewimpeld. Een derde optie is dat onze kinderen samen op school zaten. Een openhartige opmerking over andermans kroost schijn ik, weer volgens mijn vrouw, makkelijk te maken. Ook aan de lopende band en succesvol.   Het is waarschijnlijk volkomen terecht dat deze man, die zonder zijn handen te wassen naar de toog wil lopen, nooit meer bij mij op bezoek wil komen. Eerlijkheid: het duurt misschien altijd het langst, duurzaam is het lang niet altijd. Zonder enig idee te hebben wie hij is, waarom hij en zijn Mariet niet langs zijn gekomen, plooi ik mijn gezicht, deels beledigd deels schuldig, en mompel tegen zijn rug.   ‘We misten jullie al,’ zeg ik.   Hij zwiert rond zijn as. Het blijkt een toverspreuk! Hij kijkt mij in de ogen en zijn trekken tonen een stuk zachter of beter gezegd: voldaan, ik zou zelfs zeggen: zegevierend. Hij oogt bovendien minder zweterig en zijn kostuum past beter, hij snuift ook anders dan zo-even. Ik ben bang dat hij mij een hand wil geven maar gelukkig draait hij verder en kijkt de eetzaal weer in.   ‘Dus!’ zegt hij als mijn mijn leraar wiskunde uit de vierde humaniora, die met een constructie een voor mij ondoorzichtige stelling tot waarheid toverde.   Rechtgeschouderd loopt hij met de swingende tred van de overwinnaar naar de toog en pakt triomfantelijk, met zijn ongewassen handen, zijn pint en het pistoletje met hesp van het bord dat Robert voor hem heeft klaargezet. Het mosterdzakje laat hij liggen, maar hij grist wel stoer een extra serviet uit de glimmende serviethouder.   Wie doet hem wat. Welke onrechtvaardigheid ik deze man en/of Mariet heb aangedaan weet ik nog steeds niet. Maar volgens mij heb ik, met fris gewassen handen, hier bij het fonteintje van Jules’ Bistro, mijn misdrijf rechtgezet.

MCH
2 0

Georgette & Amélie

Intro: Oudere vrouw zit te breien op een bankje in het park, vlakbij de speeltuin. Er komt een meisje van een jaar of zes aangelopen. Achtergrondgeluid: park- en speeltuingeluiden / af en toe onderbreking in het getik van de breinaalden. V = vrouwM = meisje _________________________________________________________________________________ V            Dag lieve kind, wil je ook graag op het bankje zitten? M           Ja, mijn mama wil liever dat ik stilzit als ik een ijsje eet, anders hangen mijn kleren helemaal vol. V            En dat willen we niet he?! Kom er maar bij, ik schuif mijn tas wat op. (geritsel van tas die verplaatst wordt en bonk van kind dat plaats neemt) V            Waar is je mama juist? M           Daar, met die rare oranje rok, ze duwt mijn broertje op de schommel. V            O ja, ik zie hen. En wilde je broertje geen ijsje? M           Hij mag niet. Hij is lasose inlowant of zoiets. (gegniffel) V            Lactose-intolerant? Dat ken ik, dat had mijn dochter ook. Dan mag hij niks met melk he? M           Nee. En ook geen ijs, want het ijs hier is gemaakt van melk. (geslurp aan het ijs) M           Thuis hebben we waterijs. Mijn lievelingsijs is aardbei. V            Oh lekker! En welk merk kopen jullie? M           We kopen ze niet, we maken ze zelf! Dat is veel beter voor het miljoe zegt mama. Want al die verpakkingen belanden anders in de zee. En dan gaan de vissen dood. En dat wil ik niet… V            Nou, het lijkt me dat jij een hele slimme mama hebt! M           Hoe heet jouw dochter? (lange stilte) V            Mijn dochter is gestorven… Ze heette Karolien… (opnieuw stilte en wat geknabbel aan de koek van het ijsje) M           Ik heet Amélie. Ik ken niemand die Karolien heet. Kent u iemand die Amélie heet? V            Neen, tot daarnet niet. Maar nu wel natuurlijk. M           O ja? V            Ah ja, jij heet toch Amélie? M           Juist! En hoe heet u, mevrouw? V            Laat dat mevrouw maar vallen. Ik ben Georgette, aangenaam. M           Mevrouw Georgette, ik ga mijn servetje in die vuilbak daar gooien. Vindt u het goed als ik nog even bij u kom zitten daarna? V            Maar natuurlijk lieve kind! (geluid van dichtklappend deksel van de vuilnisbak + geren terug)(intussen is de dame naarstig aan het tikken met de naalden) M           Wat doe je eigenlijk? V            Dit? Dit heet breien. Ken je dat? M           Nee, nog nooit gezien. En waarvoor dient dat, zo breien? V            Je kan er iets mee maken, een sjaal ofzo. Dit wordt een trui. (luid getik van de breinaalden) V            Wil je het ook eens proberen? M           Mag dat dan? Ik ben nog maar zes! V            Oh, maar toen ik zo oud was als jij, had ik al zeker vijf sjaals gebreid! M           Echt? V            Ja hoor. Wacht, ik toon het even. Kijk, er zitten een heleboel soorten knoopjes om de naald, en wij gaan er eentje bij maken. Ik neem het touw dat aan de bol vast zit tussen mijn duim en wijsvinger en maak er een lusje mee. Dan steek ik het uiteinde van de naald eronderdoor in dat lusje. Zo. En nu laat ik voorzichtig mijn duim los en trek de draad aan om de naald. En klaar is Kees! M           Kees? Heeft deze trui een naam dan? V            Nee joh, dat is een uitdrukking, gewoon om te zeggen dat je dan klaar bent. M           Maar ik heet niet Kees, ik heet Amélie. V            Ja dat weet ik toch. M           Maar waarom zeg je dan dat Kees klaar is? Ik begrijp het niet… Heeft Kees die trui dan gemaakt? Of maak je die trui voor Kees? V            Nee, deze is voor mijn vriendin. Ik wil hem haar geven voor haar verjaardag. Vergeet maar wat ik zei over Kees. Wil je eens proberen? M           Ja, graag! V            Zo. M           Dus eerst moest ik een lusje maken. V            Ja, en dan met de naald eronder, zo, ja. En erdoor. Hop. M           En nu zachtjes loslaten. Spannend he?! V            Je doet het prima! En nu aantrekken op de naald. Voilà, perfect! M           Joehoe!!! V            Wil je nog eentje? M           Als dat mag? V            Doe maar. M           Lusje. Eronder, erdoor. Loslaten, aantrekken. Zo? V            Helemaal juist! Je hebt talent! M           Echt? Misschien moet ik mama ook om breinaalden vragen. Waar kan je die kopen? V            Oh, op veel plekken. Je hebt speciale naaigarenwinkels, maar sommige supermarkten verkopen ze ook. M           Wij gaan altijd naar die om de hoek. Hebben ze die daar ook? V            Ja, ik geloof het wel! En heb je al een idee welke kleuren wol je wil? M           Mag je die dan ook kiezen? V            Natuurlijk! Je begint best met één kleur, maar als je het een beetje in de vingers hebt, kan je wel eens proberen met twee kleuren. M           Maar hoe dan? V            Dan kom je nog maar eens hier. Ik zit hier meestal op woensdagnamiddag. M           En kan je ook een rok maken? V            Dat kan, maar een wollen rok wordt niet zo vaak gedragen. Maar het kan zeker. M           Hm, dan wil ik dat wel eens proberen. Vindt u ook dat mijn mama beter een andere rok had aangedaan? V            Neen, niet echt… Vind jij van wel dan? M           Ik had gezegd dat ze de rode moest kiezen, die past veel beter bij dat zwarte truitje.               Maar mama zei dat ze zich beter voelde in die oranje. V            En is dát niet belangrijker dan, denk je? M           Zij is toch niet degene die ernaar kijkt? Wij wel, en ik vind de andere mooier. V            En hoe voel jij je als je iets leuks hebt aangetrokken en je mama zegt dat ze het niet mooi vindt? M           Dat doet ze niet, dat heeft ze al geleerd, want dan word ik heel boos. V            Echt? Voor kleren? M           Mama zegt soms dat ik een kleine driftkikker kan zijn, dat vind ik wel grappig. Maar natuurlijk niet op het moment dat ik boos ben. Dan roep ik en stamp ik met mijn voeten. V            O. En ben je vaak boos? M           Niet zo vaak. Om de andere dag ofzo. V            Oei, dat vind ik wel vaak. En weet je waarom je boos wordt dan? M           Meestal gebeurt het als ik van school kom. Er zitten veel jongens in onze klas, en die onderbreken de juf altijd, en willen altijd vanalles weten en zeggen soms onbeleefde dingen.Dan lijkt mijn hoofd te ontploffen, en kan ik niet meer goed volgen en word ik verdrietig. V            En als je dan thuis komt, dan verandert dat verdriet in boosheid? M           Ja, zoiets. Heeft u dat ook soms? V            Nou, ik ga niet meer naar school, maar wij hadden ook kinderen op school die best vervelend konden zijn, dus ik kan er mij wel iets bij voorstellen. (gesnuif van optrekkende loopneus) V            Wil je een zakdoekje? (geritsel van zakdoek die uit pakje gehaald wordt / gesnuit) M           De dokter zegt dat ik hoogsensitief ben. Dat als ik thuis kom ik alle prikkels die ik overdag heb proberen wegstoppen, loslaat op de persoon waar ik me veilig bij voel. V            Je mama dus. En lucht dat dan op? M           Soms wel, soms niet. Maar dan stuurt mama me naar mijn trampoline, en daarna gaat het wel beter meestal. V            Gelukkig, maar! M           Maar ik ben dan wel nog verdrietig. Omdat ik zo boos deed tegen mama. Mama doet zo goed haar best, ze heeft de handen vol met eten maken en poetsen enzo. En ik wil niet dat ze ongelukkig wordt door mij. V            Dat is wel mooi. Je houdt veel van je mama he? (op de achtergrond roept iemand om Amélie) M           Ja!! Ze is mijn allerbeste vriendin. Maar ze heeft een slechte smaak van kleren. Daaaag! V            Daaaag, fijn je te ontmoeten Amélie.

Vlechtenmeisje
14 1

De oude man en het bankje

A is een tachtig jarige Antwerps sprekende man B is een veertig jarige vrouw die voor het eerst op dat bankje gaat zitten.   A: Stoort het als ik er eventjes bij komen zitten, mevrouw? B: Natuurlijk niet mijnheer, plaats genoeg. ’t Is mijn bank niet, he. A: Nee, da’s waar, maar ik vraag dat altijd. Er zijn mensen die liever alleen zitten. B: Echt? A: Ja, dat gebeurt wel. B: Straf. A: Wat een dag, he! B: ’t Zonnetje doet deugd na die lange winter. A: Ja, ’t is goed nu. Ik kom elke dag efkes op deze bank zitten, weer of geen weer. B: Dan moet dit voor u wel een speciale bank zijn. A: Dat is ze wel zeker, ja. Hier op deze bank heb ik zestig jaar geleden mijn vrouw leren kennen. B: Echt? A: Ja, ongelofelijk, he? Zestig jaar geleden. Ik zag ze zitten en we zijn beginnen babbelen. B: Letterlijk en figuurlijk dan. A: Hoe bedoelt u? B: Zien zitten? A: Haha, ja, just! Goed gezien! Een beeld van een meiske was dat toen. Met grote blauwe ogen en van dat lang blond haar dat over haar schouders krulde. Ik was op slag verkocht. Stoort het dat ik erbij kom zitten, heb ik gevraagd. Nee mijnheer, natuurlijk niet, zei ze. En van het een kwam het ander … B: Amai, dat is romantisch. A: Het was alsof wij elkaar al heel ons leven kenden. Uren hebben wij gebabbeld. B: Dat moest zo zijn dan, dat kan niet anders A: Pas op! Gemakkelijk was dat niet in die tijd, he! Ze kwam uit een heel katholiek gezin en haar vader heeft lang tegen gewrongen. B: Mijn grootmoeder heeft mij daar ook verhalen over verteld. Mensen konden in die tijd niet altijd doen wat ze graag wilden doen, he? A: Nee, dat is zo. Maar pas op. Nu zijn er weer andere dingen die niet juist zijn. B: Ook waar. A: In elk geval, we waren smoorverliefd. Waar zij ging, ging ik. We waren niet te stoppen. En dat is altijd zo gebleven. B: Dat is prachtig. A: Hier se! Hier hebben we toen een hartje gekerfd, ziet ge het? Hier vanachter op de bank, L & E. B: Ik zie het. Wat een schoon verhaal, mijnheer. Dat is toch wel heel speciaal, zo lang samen zijn. A: Leo, zeg maar Leo. En u heb ik hier nog nooit gezien, denk ik. B: Nee, dit is de eerste keer dat ik hier eens kom zitten. A: Dat ontspant een mens. Ge moet dat meer doen. B: En uw vrouw, komt die soms mee? A: Mijn vrouw is overleden. B: Oh, excuseer, dat is heel erg. A: Maar ze is hier nog altijd. Ge moet me niet verkeerd verstaan. B: Uw vrouw? A: Elke avond rond deze tijd staat ze daar, se. Ziet ge ’t? Tussen die rododendron en die ouwe eik. Recht voor ons. B: Ik zie niks. A: Seffens is ze daar en dan zwaait ze naar mij. Met een grote lach op haar gezicht. B: Dat is straf. A: Ik heb al geprobeerd om tot daar te gaan om ze eens goed vast te pakken, maar op ’t moment dat ik rechtsta, draait ze zich om en is ze weg. Nu blijf ik zitten en ik zwaai. Nog een minuut, sè. Ik kan er mijn klok gelijk op zetten. B: Hoe lang geleden is uw vrouw overleden? A: Zeven jaar. Zeven jaar geleden al. We waren bijna vierenvijftig jaar samen. Dat begint, he! Maar ge kent dat wel … Wacht! Voilà, daar is ze, sè. Ons Emma! B: Waar? A: Daar, recht voor ons! Zie ze zwaaien! Hallo, Emma! Allez, zwaait efkes mee, dat zal haar plezier doen. B: Naar waar? A: Vlak voor ons, ziet ge’ t niet? B: Niet echt. A: Jawel, jawel, zie eens goed. Daar, waar mijne vinger naar wijst, just neffe die vuilbak. B: Daar naast het prieel? A: G’ hebt het. Wat lacht ze toch schoon! Ziedis! Die oogskes die zo schitteren, pure saffier. Dag schat! Ge ziet er goed uit! B: Is ze er nog? A: Ja, ze vind dat tof zenne, dat gij hier mee zit te zwaaien. Z’ heeft nog nooit zo ne smile op haar gezicht gehad. Tot morgen, schat! B: Ze is weg, denk ik. A: Ja, z’ is weg. ’ t Duurt nooit lang, maar ‘k heb ze toch maar weeral gezien vandaag. Merci madame, g’ hebt een ouwe man gelukkig gemaakt. B: Zeg maar Laura, Leo. A: Laura? Schone naam, eentje om te onthouden. Het was me een waar genoegen. Misschien zie ik u nog wel eens terug op deze bank. B: Misschien wel, Leo. Dan kom ik goeiendag zeggen aan Emma. A: Dat zou tof zijn! ’t Is een schoneke, he, mijn Emma. En een goeike! Die vergeet da ni zenne! Allez, na zen ik weg … een stukske eten. Dag Laura.

Kristin Huyghe
19 1

Leuke buren

Het eerste wat is zie als ik buitenstap is Maaike, mijn ravissante overbuurvrouw. Ik zie haar bijna dagelijks. Ze is telkens weer een lichtpuntje in deze donkere dagen. Ik kan uiteraard niet kiezen wanneer ik haar zie, zo goed kennen we elkaar niet. Ik kijk vooral uit naar die onverwachte momenten dat ons beider buitenkomen samenvalt.  We hebben nog nooit echt contact gehad, en toch voel ik een verwantschap, een diepere connectie tussen ons. Soms kijkt ze me lang en verleidelijk aan, andere dagen word ik straal genegeerd. Maar wat kan ik ervan genieten hoe ze elegant haar oprit afloopt, nonchalant rondkijkt en dan haar weg voortzet, haar halflange blonde haren frivool opwaaiend in de wind. Zowel haar onbevangenheid en haar speelse elegantie, met toch wel wat arrogantie, maken haar onweerstaanbaar.  Ik heb me al velen malen voorgesteld hoe het zou zijn om verder kennis te maken, om elkaar beter te leren kennen. Om samen lange leuke wandelingen te maken terwijl de anderen me wat jaloers aankijken, met zo’n blonde schoonheid aan mijn zijde. Om dan - uiteraard in andere tijden dan deze - de wandeling te eindigen op een terras in de luwte, waar we beiden van een verkoelend drankje genieten. Terwijl ik zachtjes haar rug streel.  Maar het zal bij dromen blijven, er is nu eenmaal geen plaats in mijn leven voor een Maaike … Met wiegende heupen loopt ze naar de middenberm en doet rustig haar kakje, dat keurig wordt opgekuist door haar baasje Wim. Wat heb ik toch leuke buren …

SvenR
14 4

peace like a river

Daar zit hij, onderuitgezakt op een barstoel, onderrug ontbloot, naast een jongedame van een jaar of vierentwintig, die dartelend met haar vriendin gekunsteld spontane foto’s neemt en haar donkerblonde haren achteloos achteroverslaat, zijn rechteronderarm tikkend. Moedig is het hoe hij zittend zijn barkruk wat meer naar links rukt, maar het miniem uitstekende voegsel van de vloer is gewapend beton voor zijn pover verzet. Hij gedoogt, lengt zijn woordensmeersel aan met enkele pinten van ‘t vat.  Hij is schilder en papt nu aan met de toog. Hij behangt ook, en na een hele dag pap te zien kleven zijn ogen tegen negenen al dicht op de tapkast en stijgt er een overheersend gebrom op tussen muziek die twijfelt door te breken. Tegen halftien krijgen de Paul Simons en Stings weer vrij spel. Dan gaat de schilder naar het toilet waar hij de pap uit zijn ogen wrijft, keert met rechte rug terug en bestelt een verse pint. Met besmeurde vingers om zijn pils zoekt hij een prooi waarvan hij denkt hem verbaal wel aan te kunnen. En hoewel zijn woordenvloed van gisteren slechts achter in mijn keel zit, klaar om eindelijk door te slikken, kijk ik reikhalzend uit naar de laag die hij vanavond zal leggen; een grondlaag waarbij hij de ander nog wat toestaat en een basis legt voor een volgende discussie, of een afmakende deklaag en geen spaander heel laat van de arme muzikant na zijn bevredigende repetitie of de slager die ervoor nog vastbesloten was zich verkiesbaar te stellen.  De cafébaas houdt hem de hele tijd in ‘t oog, moet niet weten van de schilder. Wanneer die zijn kruk verliet om zijn gevoeg te doen sponste de barman welig al wat de schilder betastte en nam hij plaats in de linkerhoek achter de toog. Een paar forse armen hadden zich op zijn spannend grijze T-shirt geankerd en golven nu rustig op en neer terwijl zijn ogen zeilen tussen de deur, de schilder en de kassa. Zijn fietsstuursnor krijgt het ook nu weer zwaar te verduren. Hoe meer pinten de schilder hijst, hoe vaker de armen van de barman het anker hijsen en hij zich nerveus in baard en snor wrijft.   Een koppel van twee straten verder, zestigers met zo’n tochthond, weten wat zal volgen, betalen met een bemoedigende knik richting barman en werken hun vluchtroute af. Maar tussen lijst en deur besluit de hond wat te dralen en keert zich om, heft zijn poot richting schilder die langer dan normaal zijn verkenningsronde volhoudt, en bestrijkt op de tonen van Paul Simons Peace Like a River de zwarte jeans alsof het een maagdelijk canvas van Pollock is.   ‘Godmilledju.’  Het frêle baasje verschiet en kijkt ‘t café in, staat nu oog in oog met de schilder. De zestiger ontkleurt, trekt een paar fijne lippen omhoog waardoor zijn neusgaten verwijden. Een rond brilletje balanceert op de helling van zijn spitse neus. Hij respecteert trouw de afschudtijd van zijn hond, trekt hem dan bengelend aan de leiband zijn armen in en besluit fier met vluchtige moed: ‘Wijs zijn de woorden op een goudschaal gewogen.’ 

de amechtige specht
4 0

Op de planken

Bij het toneel  ‘Kom mee jongen,’ zegt hij. ‘Een nieuweling coach ik graag.’Nooit gedacht dat zo’n legende dit zou zeggen.‘Laat je niet overdonderen, we begonnen allemaal zo,’ stelt hij mij gerust.Ik glimlach zenuwachtig. Wat een eerste dag! Wat gaat nog komen? De reden voor mijn auditie staat voor mij. Als ik de komende jaren naast hem, achter hem of vanuit de coulissen bij dit gezelschap mag zijn, werk ik in de hemel op aarde.Hij wijst mij de repetitieruimtes en de kantine. ‘Niet de waterzooi nemen, die borrelt meestal een week.’ Hij wijst mij de brandblusser en de nooduitgang. ‘Eerste tekstdoorloop is om half een.' Hij schenkt míjn koffie in, geloof je dat?Ik ben thuis. ‘Kom mee jongen,’ zeg ik. ‘Een nieuweling coach ik graag.’Kijk hem nou, dat gladde jonge smoeltje. Klaar om mijn poten door te knagen. Die huichelachtige glimlach, leer mij ze kennen. ‘Laat je niet overdonderen, we begonnen allemaal zo.'Ik zal hem overdonderen, voordat hij mij overdondert. Net als al die anderen. Ik lees zijn gedachten: “Die ouwe is vergane glorie. Iets van vroeger”. Nou let maar op, voor je het weet sta je weer buiten. We lopen langs de kantine. ‘Niet de waterzooi nemen, die borrelt meestal een week.’ Ik wijs hem de nooduitgang, nu letterlijk, binnen het jaar figuurlijk.Ik pak de thermos. ‘Eerste tekstdoorloop is om half een,’ zeg ik. En een van je laatste wacht maar…    Aan het ballet‘Alle begin is moeilijk,’ zeg ik en ik help haar overeind. De nieuweling herinnert mij aan mijzelf eenentwintig jaar geleden. Ze heeft de elegantie en bouw om het te maken, maar begeleiding is nodig. Ik wil haar behoeden voor de valkuil, te snel door te willen schieten, niet naar je lichaam luisteren. Blessures horen erbij, maar ze hoeft niet door dezelfde hel waar ik doorheen ben gegaan. Het lukt mij nog, maar het wordt met de dag lastiger. ‘Doe rustig aan, je carrière duurt nog lang. Niets overbelasten nu.' Ik zal haar de komende tijd in de gaten houden en onder mijn vleugels nemen. Het is een harde wereld, elke steun is welkom. Iedereen heeft een vriendin nodig. ‘Alle begin is moeilijk,’ zegt ze en ze helpt mij overeind. Dat neerbuigende toontje, Mevrouw de Prima Donna. Maar niet lang meer, reken daar op. Haar uitvoeringen lijken soepel, maar ik zie de knieën net-niet-gestrekt genoeg. En tijdens de oefeningen kraakt ze. Mij hou je niet voor de gek. “Rust door diepgang en beleving” noemen ze het, ik noem het aftakeling.Haar tijd is voorbij. En mijn tijd komt. ‘Doe rustig aan, je carrière duurt nog lang. Niets overbelasten nu.' Angst voor de nieuweling spreekt hieruit, ze is al bang dat ik haar overvleugel. Op de Academie waarschuwden ze voor de harde wereld. Je krijgt geen vrienden, alleen concurrenten. Ik ben er klaar voor.

MCH
12 1

Een zomaar dag

Op de vensterbank van het raam zit ik goed. Zonder focus kijk ik naar buiten, helemaal in gedachten over deze dag. Hoe begon die ook alweer? Mijn hersens kraken. Mijn dag verdwijnt even wanneer enkele buren voor het huis stoppen en naar boven kijken. Dit beeld zijn ze niet gewoon. Het lijkt alsof ik bij een buurvrouwenjacht-actie hoor, zoals die berenjacht vorig jaar bij de eerste lockdown. Maar goed, het begin van de dag. Een gevecht. Daarmee word ik wakker. Een gevecht in mijn hoofd waarbij sabels en degens mijn hersenpan doorklieven en dit slechts langzaam afzakt naar een uitgeputte knokpartij. Dat verdient wel een kop koffie om die hersenpan weer inhoud te geven. Dat was de ochtend. Ik wil het net neerpennen als ik de buurman voorbij zie stappen. Die buurman die me tot nogal uiteenlopende verhalen inspireerde. Hij moest eens weten! Hij is een van de weinigen die niét opkijkt. Wie ís die man in godsnaam? In duivelsnaam is ook goed. Het sabel-en-degengevecht is nu toch voorbij. Zou hij echt te vinden zijn voor een gesprek op dat bankje in dat park? Terug naar mijn dag! Rond de middag komt de man van de verwarmingsketel. Tijd voor het tweejaarlijks onderhoud; van die ketel. De Coca Cola light man! Echt!? In het echt is hij kleiner. Hoe zou hij er uitzien onder dat… mondmasker? De klus is snel geklaard. Zo’n onderhoud gaat soms sneller dan verwacht. Wat deed ik daarna? Ergens in de diepte van mijn hoofd wordt er nog geknokt. Een dutje dan maar. Pijn, moe, dutje. Dat is het. Het gevecht is gestopt, doch de deelnemers liggen nog languit. De dag glijdt daarna nog even verder op de fiets in traagheid, de bestuurder defensief gekleed tegen zonnebrand. Kleine-meisjes-gilletjes die de loopfietsen, met die twee dotjes erop, voorafgaan halen me naar hier en nu. Zouden ze al twee hoog zijn? In elk geval wel even hoog. Dat zag ik al eerder. De entertainers in spé van de buurt. De mijmering neemt het weer over. Wie is toch die verhalenbuurman? Na korte overweging, sneakers aan of niet, blijf ik zitten. Een verhaal groeit vaak sneller dan de waarheid.

Anemos
23 0