Lezen

Onderuithalen

Bouche bée, flabbergasted, erstaunt , in de ons omringende landen bestaan mooie woorden om uit te drukken dat iemand met open mond staat te gapen zoals Holle Bolle Gijs uit het kinderversje en in de Efteling. Van verzen, uitspraken, liedjes zegt men wel eens dat men ze afgezaagd vindt, als ware het tafel- of stoelpoten die men beter zou verwijderen omdat er de molm in zit. Neem bijvoorbeeld de crochetwedstrijd waar een Nederlandse familie nog dagelijks steenrijker van wordt.  Regelmatig  duikt  er een omhooggevallen zanger(es)  op die denkt een operastem te bezitten en een tot in den treure gezongen aria te berde brengt die, op dit vlak totaal incapabele juryleden, tot tranen toe beroert. Hoe schabouwelijk de teksten ook worden gezongen (die toch geen mens verstaat, laat staan de uitvoerder(ster) zelf),  oogvocht komt er steeds bij te pas. Zo is er de aria ‘O mio babbino caro’ die uit een kindermond op het Vrijthof in Maastricht duizenden emotioneert omdat ze denken  dat het meisje over een lieve kleine baby, bambino, zingt. Niets is minder waar, Babbino is de vader waartegen de dochter zegt dat ze zich van het leven zal beroven en zich van de brug in het water zal storten indien zij haar geliefde niet meer zal zien.  Geef toe, dat is toch geen lied dat je door een kind laat zingen, alle The Voices, Rieus en Got Talents ten spijt. En de clou van dit verhaal of de moraal? Er zijn al te veel personen die onterecht op stoelen zitten van waarop ze de touwtjes in handen houden.  De poten van die zitmeubelen moeten dringend worden afgezaagd.      

Vic de Bourg
37 2

Er was eens een kleine papegaai

Er was eens niet zo lang geleden en ook niet zo ver van hier een kleine papegaai. Hij heette Rikkie en woonde samen met zijn Mamagaai en broertjes en zusjes in een dierenwinkel. Ze floten en kwetterden er op los en als ze moe waren kropen ze allemaal dicht en knus tegen elkaar aan en vielen in slaap. Vijf pluizige bolletjes op een rij op een grote tak. En helemaal op het einde Mamagaai als trotse grote bol. Iedereen in de buurt kwam graag kijken naar de papegaaien. Want stuk voor stuk deden ze kunstjes en ze konden zelfs woordjes konden nazeggen. Rikkie was de beste van allemaal. Als de winkel ’s morgen openging, verwelkomde hij elke klant met een ‘goedemorgen’. Als de kinderen na schooltijd nog even naar de winkel kwamen, kreeg hij altijd gratis snoep omdat hij zo mooi ‘een snoepeke voor Rikkie’ kon zeggen. En hij kon zingen als een nachtegaal. De eigenaar verwachtte dan ook dat Rikkie snel verkocht zou worden. ‘Jij bent mijn goudhaantje’, zei hij altijd. Maar Rikkie raakte niet verkocht. Toen week na week een donzig felgekleurd broertje of zusje van de tak verdween om mee te gaan met een nieuw gezin, kon Rikkie zijn enige foutje niet meer verstoppen. Rikkie had maar één pootje. ‘Het is niet erg’, zei Mamagaai steeds. ‘Dan blijf je maar bij mij. Anders is mijn tak zo leeg.’ Maar de eigenaar dacht er anders over. Hij had plaats nodig voor nieuwe kleine papegaaien. En hij vond het niet fijn dat Rikkie met alle aandacht ging lopen. Iedereen kwam de winkel ingelopen om een praatje met Rikkie te doen, niet met hem. Hij haalde Rikkie weg uit de kooi en zette hem ergens achterin de winkel. Op het onderste rek bij het hamstervoer, zodat hij door iedereen over het hoofd werd gezien. Mamagaai miste hem, maar legde nieuwe eieren zodat ze vijf nieuwe vrolijke pluisbolletjes had om voor te zorgen. Op een dag kwam er een gezin naar de dierenwinkel. Ze wilde graag een papegaai voor hun dochtertje Amalia. De vijf papegaaitjes zongen om ter mooist en deden de meest acrobatische kunstjes. Ze slingerden aan een touw heen-en-weer, ze reden op een éénwielertje en hingen ondersteboven. Maar Amalia schudde bij elke papegaai haar hoofd. ‘Ze zijn te vrolijk’, zei ze. Vader en moeder wisten niet wat te doen. Daarom wilde Amalia toch net een papegaai? Om haar op te vrolijken? Amalia zat sinds een auto-ongeluk in een rolstoel en was ontroostbaar geweest nu ze niet meer kon turnen en fietsen. ‘Ik ga zelf rondkijken en een vriendje zoeken’, zei ze. ‘Ik weet dat er ergens op de wereld iemand moet zijn die me begrijpt.’ Ze bewoog met haar handen de wielen van haar rolstoel en reed voorzichtig door de winkelgang. Rikkie zag haar en zong het mooiste liedje dat hij kende. ‘Wie zit daar?’, vroeg Amalia. ‘O, dat is niemand. Gewoon een kapotte papegaai’, zei de winkeleigenaar. ‘Die wil ik zien’, zei Amalia, ‘want ik ben zelf ook een beetje stuk.’ Rikkie zong harder en Amalia stuurde behendig naar de hamsterkooien. ‘Dus hier heb je al die tijd gezeten’, zei Amalia, toen ze de felgekleurde vogel zag die fier op één poot stond. ‘Ik wist wel dat er ergens op de wereld een vriendje was dat bij mij paste.’ Ze opende de kooi en Rikkie sprong meteen op haar schoot, waar hij zich knus installeerde. En zo reed Amalia de winkel uit, met een pluizige bol op haar schoot die een liedje zong. Haar ouders probeerden haar bij te houden met een grote kooi in hun handen en een zak pinda’s. Mamagaai keek Rikkie na en was zo trots op haar zoon. Hij had de liefde van zijn leven gevonden. Iemand die even veel van hem zou houden als hij van haar. Dankzij Rikkie ontdekte Amalia hoe leuk het was om te zingen. Ze was niet meer verdrietig dat ze niet meer kon turnen en fietsen. Wat er verder van hen geworden is, weet ik niet. Maar hou de volgende jaren dan Belgian’s got talent maar in de gaten. Want ik ben zeker dat Rikkie en Amalia het nog heel ver gaan brengen. En nog lang en gelukkig zullen leven.   

Abetje
3 0

Tussentijd

 Als Asa niet in de buurt was geweest had hij Pontus niet herkend. Hij duwt de kar terug in de rij. Draait zich om en haast zich naar de auto op de parking van de supermarkt. Hij stapt in. Als ze de parking komen opgelopen laat hij zich onderuitzakken. Obser-veert hen door de voorruit.    Asa duwt een volgeladen winkelkar voor zich uit. Pontus loopt voorovergebogen. Het T-shirt slobbert rond zijn mager bovenlijf. Het hinken is erger geworden, zijn lichaam kantelt bij elke stap. De dertig jaar gevangenis hebben sporen achtergelaten; de ge-spierde vent, zoals hij zich hem herinnerde, is getransformeerd in een wrak. Naast hem loopt een jonge vrouw, vermoedelijk hun dochter, achter een kinderwagen. Ze blijven verderop staan. Pontus opent de koffer van een gammele Volvo. De wieg wordt van de kinderwagen getild. Boodschappen moeten worden ingeladen. Het wordt een gedoe voor ze met zijn allen zijn ingestapt. Ondertussen denkt hij na over de toevallige ontmoeting. Al is ze eenzijdig. Toevalligheden, onvoorziene omstandigheden, het zijn uitdagingen die hij altijd naar zijn hand heeft gezet. Met succes. Behalve die ene keer. Toen was het goed fout gelopen, maar hij had de situatie onder controle gekregen. Flarden van beelden, de sfeer van die dagen, hij roept ze moeiteloos op. Na zijn arres-tatie had Pontus zich aan hun afspraak gehouden. Hij bekende de brandstichting, de moord op het gezin. Het land was in shock. De dader werd veracht, uitgespuwd in woedende ontreddering. Hij genoot van het spektakel, de aandacht van de media. Het gevoel van macht, de intensiteit was overweldigend geweest. Maar van korte duur, want na de roes kwam de ontnuchtering. Zal Pontus zich aan de afspraak houden? Stand houden tijdens het proces en daarna, al die jaren in de gevangenis? De politie kon op ieder moment, dag of nacht voor de deur staan. Hij leefde in een jarenlange nachtmerrie, werd naar de rand van de waanzin gedreven.  Met de tijd had hij zichzelf terug in de hand gekregen. Ook de herinneringen aan de misdaad vervaagden. Ze deemsterden weg in het collectief geheugen. Dat had hem dwarsgezeten. Tot hij zich begon te realiseren dat Pontus ooit zou vrijkomen en voorzorgsmaatregelen moesten getroffen worden. Dus bedacht hij het plan, werkte het uit tot in de kleinste details. Hij genoot van de voorbereiding, werd euforisch bij de gedachte aan de uit-voering, de gevolgen. De media zullen weer in de ban zijn van zijn actie, zijn overmacht op de politie moeten erkennen. Hij zal een tweede schokgolf veroorzaken… Naast hem wordt een portier dichtgegooid. Hij gaat rechtop zitten, kijkt verdwaasd rond. De Volvo manoeuvreert uit de parkeerplaats. Hij klikt de veiligheidsgordel vast, start de auto. Hij kan eindelijk aan de slag!   Fes - November 2020          

FES
7 0

Gratis therapie en stylohandjes

Mijn moeder is handig: ze vernist, schildert en stukadoort. Ik erfde haar handigheidsgenen niet. Toen ik toch eens een poging waagde, zag ze het met lede ogen aan. ‘Lore, je hebt stylohandjes’. Ik veinsde verontwaardiging en kreeg de slappe lach: ‘Wát heb ik?’. Iemand met stylohandjes is niet handig in het uitvoeren van ruwere handenarbeid. Desbetreffende personen kunnen beter bureauwerk doen met behulp van stylo’s en andere ongevaarlijke bureau artikelen. For the record: mijn moeder had uiteraard gelijk. Zonder air quotes. Wat je wél kan met stylohandjes? Schrijven, bijvoorbeeld. Dat ontdekte ik al als kind, toen ik een dagboek bijhield. Mijn eerste exemplaar was bloemig en voorzien van een hartvormig hangslot. Ik schreef met mijn tienkleurige balpen over vriendinnetjes, uitstapjes en mijn kat, in het geel, het roze en het paars.Later maakte het bloemige exemplaar plaats voor A5 schriften. Ook de toon veranderde: mijn kat maakte plaats voor bijna-liefjes, liefjes en niet meer liefjes. Daar valt heel wat over te schrijven, zo leerde ik onlangs van mijn 16-jarige zelf. Ik schreef hele schriften vol, maar in wezen is de samenvatting van die periode simpel: ik staarde afwisselend naar jongens en naar mijn eigen navel. Daarna volgden enkele jaren van schrijfonthouding – enter studeren en kinderen baren - maar ik keerde terug naar mijn oudste liefde. Het was Julia Cameron die me met haar boek The Artist’s Way terug over de streep trok. Mijn dagboeken werden Morning Papers en mijn schriften werden zwart, elegant en ingebonden. Het dagboek is een ondergewaardeerd genre, omdat het vaak gezien wordt als iets meisjesachtig. Ik hoorde gisteren een man op de radio die met tegenzin toegaf dat hij een dagboek bijhield. Het leek alsof hij zich schaamde voor zijn schrijven. Nochtans gingen mannen van divers allooi hem voor: Charles Darwin, Kurt Cobain, Che Guevara, Franz Kafka. Allemaal dagboekschrijvers. De man op de radio noemde zijn dagboek een journal, om zijn zelfverklaarde imagoschade te minimaliseren.Ook vrouwen mijden de term dagboek. Connie Palmen kiest voor het bijhouden van een logboek, ze noemt een dagboek regressief en de handeling omschrijft ze als ‘dat machteloze schrijven’. Misschien is de naam van de verpakking van ondergeschikt belang. De handeling van het schrijven verdient de aandacht. Schrijven is verhelderend. Het helpt om gedachten vast te grijpen of af te maken (afmaken als in ‘mijn buurman maakt kleine katjes af’ en afmaken als in ‘mijn buurmeisje maakte de theaterschool af’). Schrijven kan u in het ergste geval existentiële crisissen bezorgen en in het beste geval die crisissen bedwingen. Schrijven laat u zien dat u niet alles moet geloven wat u denkt (‘ik zal nooit een serieuze job vinden omdat ik stylohandjes heb’). Schrijven is, in tegenstelling tot spreken, een minder impulsieve daad. Met schrijven kunt u tijd kopen en oordelen uitstellen. Toen ik onlangs mijn zolder opruimde, kwam ik een bananendoos vol dagboeken tegen. Ik bladerde in mijn schriften en las flarden tekst opnieuw. Het voelde vreemd en soms gênant. Er de spot mee drijven lijkt me gratuit. De fik erin, dacht ik. Ik stookte een vuurtje in de tuin en gooide één voor één mijn dagboeken erin. De dag erna schreef ik erover in mijn Morning Papers. Dochter: Mag ik eens voorlezen uit mijn dagboek? Moeder: Ja hoor, graag. Dochter: ‘Vandaag gingen we zwemmen. Ik deed een gekke truc, te gek om uit te leggen hoe het zat. Binnen een kwartiertje doen we een aperitiefje. PS: mama is al begonnen’. Moeder: Ah, ik heb geen dagboek meer nodig. Mijn belangrijkste activiteiten worden al geregistreerd.

Lore Dewulf
24 2

Twee frietjes

De mevrouw voor me bij de frituur bestelt een ‘groot en een klein frietje.’ Een groot frietje. Vooral in het horecagebeuren lijkt het alsof de producten alsmaar kleiner worden. Bestel ergens twee pinten en u krijgt van de garçon gegarandeerd als bevestiging "twee pintjes". Hetzelfde bij een cola (colaatje) en een koffie (koffieke). "Met drie melkskes" hoorde ik ooit. Dat is bijna een halve fles. Nog een voorbeeld. Het ding is zo groot dat het amper op een bord past, maar toch is het een 'pannenkoekske'. Helemaal erg is op tv. De kandidaten werken zich in het zweet voor een viergangenmenu (een van de kandidaten draagt zelfs een zweetband), maar toch zegt een jurylid dat ze een aangenaam 'gerechje' op tafel toveren. Waarom de 't' verdwijnt is weer een andere vraag. Sommige woorden verdienen wel een verkleinwoord. Zoals een ‘tuinhuisje’. Let wel, geen bijbouw met winterterras en zomerkeuken, maar een klassieke houten chalet met een groen dak en een geruit gordijn voor het klapraam dat altijd klemt. Zo hadden wij er thuis ook eentje. Het zag er ook uit als een ‘huisje’. De afgedankte spullen van het grote huis kregen er een tweede leven. Zo stond er een oude kast van de woonkamer, met daarin een badmintonset, de frisbee, het croquetspel en enkele Jommekesboeken. Een huis op kindermaat. Onze oudste was onlangs op bezoek bij een vriend die zich een huis met tuinhuisje had aangeschaft. “Het rook daar helemaal zoals in het tuinhuisje van oma”, zei hij. Een ietwat vochtige geur, maar ook de geur van vroeger. “Ja jongen”, zeg ik. “Niets grift zo diep in het geheugen als de geur”. Geen zin van mezelf, maar het klopt. Ondertussen is het in de frituur mijn beurt om te bestellen. “Voor mij twee frietjes graag”, hoor ik mezelf zeggen.

Rudi Lavreysen
24 1