Lezen

Vuilzakkenruzie

Daar zaten ze, op meer dan anderhalve meter van elkaar. Er kon maar iemand zitten om de twee stoelen, die dan ook nog over de vloer schuurden wanneer ze verschoven werden. “Herman, wat ga jij vertellen? Dat het weer mijn fout is?” “Wat anders? Jíj bent altijd zo slordig. Ja, het is jouw fout!” Herman bekeek zijn buurvrouw laatdunkend en trok zijn jas weer bruusk dicht waarbij hij even bewoog en de stoel even schuurde. Sandra slaakte een geërgerde zucht. De gedempte woede was voelbaar in die koude wachtkamer waar de ramen openstonden. Maar binnen sijpelende nattigheid of niet, verluchten was tegenwoordig overal verplicht, ook hier in het gebouw der wet. Door de open deur zagen ze mensen in uniform, met mondmaskers op te mompelen, te roepen, te vragen. Hun drukte drong zich ook in deze kamer steeds luider op. “Nee Herman, dat is het niet. De huisregels zijn duidelijk. Je hebt ze zelf mee opgesteld … vroéger!” Ze benadrukte dat laatste. Hij zal toch al niet dement worden zeker? Maar die gedachte durfde ze Niet uitspreken. “Ja, dat weet ik nog. Toen hielden mensen nog rekening met elkaar én hielpen ze waar er nood aan was, júffrouw Sandra.” Herman durfde zijn gedachte evenmin uitspreken; dat verwende nest nauwelijks van school. Intussen warmde het maar niet op. Niemand die zich zorgen leek te maken over de pruttelende geluiden van de verwarming die waarschijnlijk in geen jaren ontlucht was. Zíj spraken anders wel luid genoeg. Zich verstaanbaar maken, daarvan hoefde  geen van beiden nog iets te leren. “Alsof ik het kan helpen dat ik overuren moet maken. Ik ben ’s avonds laat wel doodmoe. Dan zet ik jouw vuilzakken niet meer buiten als het mijn beurt niet is. Zeker niet wanneer ze zo zwaar zijn.” “Ze zijn niet zwaar!” “Niet zwaar? De laatste keer dat ik jou hielp, zat mijn schouder bijna uit de kom. Kon ik nog die vieze smurrie van de vloer vegen omdat jij te lui bent om plastic helemaal leeg te gieten en bij het PMD te doen.” De verbleekte poster tegen de muur ‘Goede buren maken goede vrienden’ leek een utopie op dat moment. ‘Geef mij maar een verre vriend,’ dacht Herman inwendig kokend. “Het moet zijn ‘de árm uit de kom’! En dat was niet mijn zak. Die was van Jef, onze buur op het gelijkvloers.” “En jij hebt daar tijd voor? Om uit te kijken wat van wie is? Wat dóe jij eigenlijk de hele dag?” “Dat zijn jouw zaken niet. Ik houd wél de boel in het oog. Het zou er anders nogal eens uitzien.” “Oei oei. Meneertje heeft het zwaar hoor, die enkele stofjes opvegen in de gang.” “Wel die van joú hè! En die van jouw vriendjes. Het zijn meer dan stofjes. Bij regenweer zijn het hele modderpoelen. Het zijn lege blikjes bier in de hoek van de hal gegooid. Het houdt niet op bij jou.” Die zat! Sandra zweeg even. Dit leidde nergens heen. Ze was echter te koppig om nu in te tomen. “Dat is één keer gebeurd, hoogstens twee. Daar ga je toch niet over zeuren?” “Zeuren? Wanneer ga jij eens rekening leren houden ….” Een geluid aan de deur deed hen opkijken. “Héla daar! Een beetje rustiger hé. We kunnen onszelf niet eens meer horen denken.” De agent was geïrriteerd. Verdorie, wat was dat vandaag? Nationale Dag van de Burenruzie? “Zijn jullie mevrouw Vissenaken en de heer Veys voor de burenruzie over dat huisvuil?” Ze knikten beiden, te geschrokken van het volume van zijn stem om zelf nog een geluid uit te brengen. “De volgenden zijn jullie! Niet lang meer!” Dat was duidelijk. Klatsj! Die deur was dicht! Het geluid gonsde nog na in Hermans oren. Hij dacht na. Hij had zoveel geprobeerd om Sandra op de uitvoering van het huisreglement te wijzen. Het enige wat ze trouw deed, was elke maand  de huur betalen. Misschien moesten ze toch eens echt vergaderen over alles wat er in hun gebouw makkelijker zou kunnen. Het bestond verdorie maar uit drie appartementen. Sandra begon zich ongemakkelijk te voelen. Was ze toch te ver gegaan? Die blikjes, die waren inderdaad van haar vrienden geweest. Ze wilde niet onderdoen in stoer zijn. En die vuilzakken in de gemeenschappelijke bergruimte, één keer om de drie weken buiten zetten, dat moest toch lukken? Ze voelde zich belachelijk. Werd het niet tijd dat ze zich meer openstelde voor haar buren? “Wat nu?” “De waarheid vertellen! Al zal de jouwe wel wat anders zijn dan de mijne.” “Euhm, Herman, waarom heb jij klacht neergelegd?” “Ik heb die niet neergelegd. Hoezo? Jij ook niet?” “Neen. Maar wie dan wel?” “Jef!” riepen ze simultaan. Ze sprongen tegelijk op van hun stoel en stoven naar buiten. Die zogenaamde hulpbehoevende buurman. Dié had pas de hele dag niets te doen. Ze zouden hem wel eens een klusje geven.

Anemos
36 2

De eerste foto

Ik heb een foto waarop Myrtel voor de eerste keer haar zusje ziet in het ziekenhuis. Ze kan maar net over de rand kijken van het witte bedje op hoge poten. Iedereen vroeg me waarom ik niet die andere foto had uitvergroot. Die waarop ze trots en lachend voor de camera poseert met haar kleine zus in haar armen. Nee, geef mij die eerste maar. Die blik is veel echter, intenser. Je ziet haar veranderen. Van enig kind naar grote zus. Plots beseft ze dat er echt een baby in mama’s buik zat. Een levend wezentje. En dat ze zelf ook in die buik heeft gezeten. Dat ze echt zo klein is geweest als op de foto’s in háár babyboek. Ze legt een handje op de rand van het bed. Ze wil haar zusje aanraken, maar ze durft niet. Jana is zo broos en breekbaar, net een popje. Maar Jana ademt, ze is geen popje! ‘Wil je haar eens vastpakken?’, moedig ik haar aan. Ze knikt. Onze eeuwige babbelkous kan even geen woord uitbrengen, dus ze knikt met alles wat ze heeft. Het resultaat is te zien op foto twee. ‘Ik zal goed voor haar zorgen’, zegt ze. ‘Want vanaf nu ben ik haar grote zus.’ Zoveel toegewijdheid doet me als kersverse moeder bijna in tranen uitbarsten. Bijna, want een kinderbelofte is vaak oprecht gemaakt, maar nog vaker oprecht vergeten. En ik wil haar ook niet met te veel verantwoordelijkheid opzadelen. Dat is voor de grote mensen. Twee en een half jaar later zijn we weer in het ziekenhuis. Hun vader heeft een knie-operatie ondergaan en ze mogen mee op bezoek. Van eerbiedige stilte is er dit keer geen sprake. De patiënt ziet er immers niet broos en breekbaar uit, maar eerder komisch in het gestippelde ziekenhuishemd. ‘Papa draagt een meisjespyjama’, giechelt Myrtel. Jana is gewoon blij om haar papa te zien. Ik geef de kinderen een kleurboek en wijd mij aan de gelofte die ik ooit gedaan heb: ‘in ziekte en gezondheid’. Plots komt er een verpleegster binnen. ‘Waarmee kan ik helpen?’, vraagt ze vriendelijk. We kijken haar allebei verbaasd aan. Ze kijkt één tel even verbaasd terug en ziet dan de kinderen. ‘Hebben jullie misschien op het knopje gedrukt?’, vraagt ze, nog steeds even lief. Jana wijst fier knikkend naar het knopje. Jawel, mevrouw, als ik op mijn teentjes ga staan dan kan ik er al aan. ‘Excuseer’, stamel ik. ‘Ik heb niet goed opgelet. Het zal niet meer gebeuren,…’ Ik zet ondertussen een paar stappen in de richting van de kinderen, maar Myrtel is me voor. Ze springt tussen Jana en de verpleegster in. ‘Niet boos worden op mijn zusje, alsjeblieft’, zegt ze met smekende ogen. ‘Ze is nog klein en ze wist niet dat ze dat niet mocht.’ Ze neemt Jana’s handje vast. ‘Kom, we gaan terug kleuren.’ Lachend verdwijnt de verpleegster uit de kamer. En ik moet stiekem een traantje wegpinken. De belofte was gewoon oprecht. 

Abetje
6 0

Er was eens een kleine papegaai

Er was eens niet zo lang geleden en ook niet zo ver van hier een kleine papegaai. Hij heette Rikkie en woonde samen met zijn Mamagaai en broertjes en zusjes in een dierenwinkel. Ze floten en kwetterden er op los en als ze moe waren kropen ze allemaal dicht en knus tegen elkaar aan en vielen in slaap. Vijf pluizige bolletjes op een rij op een grote tak. En helemaal op het einde Mamagaai als trotse grote bol. Iedereen in de buurt kwam graag kijken naar de papegaaien. Want stuk voor stuk deden ze kunstjes en ze konden zelfs woordjes konden nazeggen. Rikkie was de beste van allemaal. Als de winkel ’s morgen openging, verwelkomde hij elke klant met een ‘goedemorgen’. Als de kinderen na schooltijd nog even naar de winkel kwamen, kreeg hij altijd gratis snoep omdat hij zo mooi ‘een snoepeke voor Rikkie’ kon zeggen. En hij kon zingen als een nachtegaal. De eigenaar verwachtte dan ook dat Rikkie snel verkocht zou worden. ‘Jij bent mijn goudhaantje’, zei hij altijd. Maar Rikkie raakte niet verkocht. Toen week na week een donzig felgekleurd broertje of zusje van de tak verdween om mee te gaan met een nieuw gezin, kon Rikkie zijn enige foutje niet meer verstoppen. Rikkie had maar één pootje. ‘Het is niet erg’, zei Mamagaai steeds. ‘Dan blijf je maar bij mij. Anders is mijn tak zo leeg.’ Maar de eigenaar dacht er anders over. Hij had plaats nodig voor nieuwe kleine papegaaien. En hij vond het niet fijn dat Rikkie met alle aandacht ging lopen. Iedereen kwam de winkel ingelopen om een praatje met Rikkie te doen, niet met hem. Hij haalde Rikkie weg uit de kooi en zette hem ergens achterin de winkel. Op het onderste rek bij het hamstervoer, zodat hij door iedereen over het hoofd werd gezien. Mamagaai miste hem, maar legde nieuwe eieren zodat ze vijf nieuwe vrolijke pluisbolletjes had om voor te zorgen. Op een dag kwam er een gezin naar de dierenwinkel. Ze wilde graag een papegaai voor hun dochtertje Amalia. De vijf papegaaitjes zongen om ter mooist en deden de meest acrobatische kunstjes. Ze slingerden aan een touw heen-en-weer, ze reden op een éénwielertje en hingen ondersteboven. Maar Amalia schudde bij elke papegaai haar hoofd. ‘Ze zijn te vrolijk’, zei ze. Vader en moeder wisten niet wat te doen. Daarom wilde Amalia toch net een papegaai? Om haar op te vrolijken? Amalia zat sinds een auto-ongeluk in een rolstoel en was ontroostbaar geweest nu ze niet meer kon turnen en fietsen. ‘Ik ga zelf rondkijken en een vriendje zoeken’, zei ze. ‘Ik weet dat er ergens op de wereld iemand moet zijn die me begrijpt.’ Ze bewoog met haar handen de wielen van haar rolstoel en reed voorzichtig door de winkelgang. Rikkie zag haar en zong het mooiste liedje dat hij kende. ‘Wie zit daar?’, vroeg Amalia. ‘O, dat is niemand. Gewoon een kapotte papegaai’, zei de winkeleigenaar. ‘Die wil ik zien’, zei Amalia, ‘want ik ben zelf ook een beetje stuk.’ Rikkie zong harder en Amalia stuurde behendig naar de hamsterkooien. ‘Dus hier heb je al die tijd gezeten’, zei Amalia, toen ze de felgekleurde vogel zag die fier op één poot stond. ‘Ik wist wel dat er ergens op de wereld een vriendje was dat bij mij paste.’ Ze opende de kooi en Rikkie sprong meteen op haar schoot, waar hij zich knus installeerde. En zo reed Amalia de winkel uit, met een pluizige bol op haar schoot die een liedje zong. Haar ouders probeerden haar bij te houden met een grote kooi in hun handen en een zak pinda’s. Mamagaai keek Rikkie na en was zo trots op haar zoon. Hij had de liefde van zijn leven gevonden. Iemand die even veel van hem zou houden als hij van haar. Dankzij Rikkie ontdekte Amalia hoe leuk het was om te zingen. Ze was niet meer verdrietig dat ze niet meer kon turnen en fietsen. Wat er verder van hen geworden is, weet ik niet. Maar hou de volgende jaren dan Belgian’s got talent maar in de gaten. Want ik ben zeker dat Rikkie en Amalia het nog heel ver gaan brengen. En nog lang en gelukkig zullen leven.   

Abetje
3 0

Tussentijd

 Als Asa niet in de buurt was geweest had hij Pontus niet herkend. Hij duwt de kar terug in de rij. Draait zich om en haast zich naar de auto op de parking van de supermarkt. Hij stapt in. Als ze de parking komen opgelopen laat hij zich onderuitzakken. Obser-veert hen door de voorruit.    Asa duwt een volgeladen winkelkar voor zich uit. Pontus loopt voorovergebogen. Het T-shirt slobbert rond zijn mager bovenlijf. Het hinken is erger geworden, zijn lichaam kantelt bij elke stap. De dertig jaar gevangenis hebben sporen achtergelaten; de ge-spierde vent, zoals hij zich hem herinnerde, is getransformeerd in een wrak. Naast hem loopt een jonge vrouw, vermoedelijk hun dochter, achter een kinderwagen. Ze blijven verderop staan. Pontus opent de koffer van een gammele Volvo. De wieg wordt van de kinderwagen getild. Boodschappen moeten worden ingeladen. Het wordt een gedoe voor ze met zijn allen zijn ingestapt. Ondertussen denkt hij na over de toevallige ontmoeting. Al is ze eenzijdig. Toevalligheden, onvoorziene omstandigheden, het zijn uitdagingen die hij altijd naar zijn hand heeft gezet. Met succes. Behalve die ene keer. Toen was het goed fout gelopen, maar hij had de situatie onder controle gekregen. Flarden van beelden, de sfeer van die dagen, hij roept ze moeiteloos op. Na zijn arres-tatie had Pontus zich aan hun afspraak gehouden. Hij bekende de brandstichting, de moord op het gezin. Het land was in shock. De dader werd veracht, uitgespuwd in woedende ontreddering. Hij genoot van het spektakel, de aandacht van de media. Het gevoel van macht, de intensiteit was overweldigend geweest. Maar van korte duur, want na de roes kwam de ontnuchtering. Zal Pontus zich aan de afspraak houden? Stand houden tijdens het proces en daarna, al die jaren in de gevangenis? De politie kon op ieder moment, dag of nacht voor de deur staan. Hij leefde in een jarenlange nachtmerrie, werd naar de rand van de waanzin gedreven.  Met de tijd had hij zichzelf terug in de hand gekregen. Ook de herinneringen aan de misdaad vervaagden. Ze deemsterden weg in het collectief geheugen. Dat had hem dwarsgezeten. Tot hij zich begon te realiseren dat Pontus ooit zou vrijkomen en voorzorgsmaatregelen moesten getroffen worden. Dus bedacht hij het plan, werkte het uit tot in de kleinste details. Hij genoot van de voorbereiding, werd euforisch bij de gedachte aan de uit-voering, de gevolgen. De media zullen weer in de ban zijn van zijn actie, zijn overmacht op de politie moeten erkennen. Hij zal een tweede schokgolf veroorzaken… Naast hem wordt een portier dichtgegooid. Hij gaat rechtop zitten, kijkt verdwaasd rond. De Volvo manoeuvreert uit de parkeerplaats. Hij klikt de veiligheidsgordel vast, start de auto. Hij kan eindelijk aan de slag!   Fes - November 2020          

FES
7 0

Norah

Australië - December 2005 Norah propt de vuilnis van de grond in een grote vuilzak. De stoelen staan nog op de tafels en verschaalde glazen en lege flessen ontsieren de bar. De eerste klanten druppelen al binnen. Ze ploffen neer op een barkruk en duwen de glazen en flessen opzij. ‘Hela, kerels, als jullie willen bediend worden, moeten jullie me helpen om de stoelen neer te zetten! Dweilen zal er weer eens bij inschieten.’ Haar grommende laatste zin gaat verloren in het rumoer. ‘Vuile teef!’ ‘Een pint en een shot. Nu direct.’ ‘Hoerige wijven! Te lui om te werken.’ De kerel spuwt een fluim op de grond. Norah vliegt op hem af. ‘Doe dat nog een keer; ik wrijf jouw muil erdoor!’ Gehoon. De man grijpt haar arm vast. ‘Vuile teef, ik zal je...’ Haar ogen doorboren de zijn. ‘Los, of ik ...’ Hij kijkt terug, lost zijn greep. ‘Doe me maar n’en dubbelen.’ ‘Hoe zit het bende lozers, willen jullie drank of niet? Help me met de stoelen!’ Een enkeling staat op en zet de stoelen neer. Norah verdwijnt achter de bar, terwijl ze over een pijnlijke plek op haar arm wrijft. ‘Weer een blauwe plek,’ murmelt ze. Dat zal ze hem betaald zetten. Als hij zat genoeg is, zal ze uit zijn portefeuille een extra fooi halen, als die tenminste nog niet leeg is. Ze ruimt de flessen op, maakt aanstalten om de glazen te wassen. ‘Mijn drank, teef!’ ‘’t is verdomd nog geen zes. De bar is nog niet klaar. Als je niet wil wachten, help me dan.’ ‘Als het verdomd nog lang duurt, ga ik elders.’ ‘Doe dat, verdomme ja, doe dat. Dan ben ik tenminste van jullie zat gelul af!’ ‘Wil je hem, mijn lul?’ De kerel leunt over de bar en reikt naar haar. Norah geeft hem een flinke duw, waarbij hij bijna van zijn kruk valt. ‘Jouw lul, je kan niet eens een stijve krijgen, jij.’ Hoongelach.   Vanavond is iedereen van corvee. Het is de drukste avond van de week. De loonarbeiders ontvingen in de vooravond hun loonzakje. Ze kunnen het niet vlug genoeg opmaken. Het gelul, de seksistische opmerkingen, de aanrakingen, ze heeft er genoeg van, al vijfentwintig jaar.  Norah is eenzaam, elke avond, nacht op het werk, ondanks de drukte, ondanks de collega’s. Haar rustpauze duurt vijftien minuten. Pakweg naar dertien minuten schreeuwt Jack ‘Waar zit je, luiwammes!’ Daar kan ze een klok opzetten. Een sigaret bengelend tussen de lippen. Ze slurpt van haar drankje, een gin tonic. Zonder een boost zo nu en dan kan ze het niet volhouden, het geleuter, het betasten. Ze wou dat... Ze wou armen rond haar heen, een man die haar begreep, eens lief was, zo nu en dan...‘Stop dat gefantaseer,’ murmelt ze. ‘zo’n leven is enkel voor de boekskes of een tv-filmpke. Mensen zoals ik leven een hopeloos leven. Vandaag lijkt op gisteren en gisteren op vandaag.’ Ze schudt het hoofd. Och ja, af en toe laat ze een klant iets meer toe. Een beetje menselijke warmte, seks, rechtaan toe, geen perverse dingen. Dat gebeurt nog altijd, sporadisch. De man bij haar thuis weet het. Ze spreken daar nooit over. Vijftien jaar geleden stapte hij voor het eerst de bar binnen.     Australië - 1990 Hij was eenzaam. Hij had een dak boven zijn hoofd nodig. Hij zat hier vanaf het ogenblik dat de bar openging totdat de eerste zonnestralen de kleine ramen van de bar binnendrongen en hij gesloten werd. Ze had hem meteen opgemerkt. Hij was niet zoals de anderen. Niet onknap, verzorgd, afgedragen jeans en hemd, maar netjes. Hij moeide zich niet met de anderen, hij dronk weinig. ‘Ik heb geen geld,’ verontschuldigde hij zich die allereerste keer. Hij had ook geen geld voor een fooi, maar hij hielp mee om de tafels af te ruimen. Hij zat altijd in hetzelfde hoekje. Nee, hij moeide zich met niemand. Af en toe veel hij in slaap, een soort waakslaaptoestand, altijd op zijn hoede als iemand te dicht bij kwam. Hij vroeg haar iets te eten. Ze antwoordde dat ze in een bar waren, geen bistro. Even later stopte ze hem haar halve sandwich toe. Ze ogen waren zacht, dankbaar? Was het dankbaarheid dat zij in zijn ogen las? Wou zij dat het dankbaarheid was? Het was op een maandagavond. Op maandag staat ze er altijd alleen voor. Dan komen er slechts een handvol klanten over de vloer. Hij was er ook, zoals altijd, in hetzelfde duistere hoekje van de bar, uit het zicht. Een dronken kerel stapte binnen. Ze zijn allen dronken, maar die kerel stak de kroon. Ondanks hij lalde en nauwelijks zijn evenwicht kon bewaren, was hij sterk, erg sterk. Hij had haar de godganse nacht lastiggevallen. Toen ze de bar wou sluiten, sloop hij terug naar binnen en achtervolgde haar naar de kelder. Hij greep haar bij de keel, scheurde haar rok en wou haar penetreren. Hij kreeg hem niet recht. Dat maakte hem woest. Hij sloeg haar en sloeg haar. Toen had hij een fles beet, sloeg hem stuk tegen de muur en kwam op haar af. De vreemdeling kwam tussen. Met een paar grepen had hij hem ontwapend, de trap opgeschopt en hem buiten gezwierd. Was hij een ex-militair? Ze heeft het nooit gevraagd. Hij was een doler, geplaagd door duistere geheimen. Dagenlang was ze schor. Ze had nooit beseft hoelang en hard ze geschreeuwd had. Ze had hem niet eens bedankt, alleen maar geknikt, en gewoontegetrouw de bar afgesloten. Hij had geknikt en woordeloos de stad ingetrokken.             ’s Anderendaags was hij er weer. Ze stapte op hem af. ‘Haal je niets in je hoofd. Je bent en blijft een klant zoals elk ander.’ Zijn donkere ogen kon ze niet peilen. Hij knikte alleen maar. ‘Zeg me jouw naam. Dat ben je me verschuldigd.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Toufy.’ ‘Hoe? Toufy, vreemde naam.’ De avond verliep zoals de gewone driehonderdvierzestig avonden op een jaar, met uitzondering dat zij hem ongevraagd een kop warme soep serveerde en een goedbelegde sandwich. Hij had het woordeloos aangenomen. Gewoontegetrouw zette hij samen met haar de stoelen op de tafels alvorens de stad in te duiken. Hun handen raakten elkaar, toevallig. Ze zei: ‘Kom vanavond met me mee’ en ‘haal jezelf niets in het hoofd’. Hij had alleen maar geknikt.             Bij haar thuis had ze een pan eieren gebakken, met spek en bonen. Ze serveerde er gitzwarte koffie bij. ‘Haal je niets in je hoofd,’ zei ze nog een keer en wees hem de enige slaapkamer aan. Hij knikte. Ze zaten nog even voor elkaar, woordeloos hun onuitgesproken contract vast te leggen. Ze stond op en wees naar haar grote bed in de enige slaapkamer. Hij volgde haar, trok zijn kleren uit op zijn boxershort na en stapte in bed. Hij drukte zich tegen haar aan. Ze gaven elkaar een beetje fysische warmte in hun koud liefdeloos bestaan. Zo gaat het al jaren. En seks, enkel als zij het wil. Als ze te eenzaam is en alleen een orgasme haar enkele seconden warmte kan schenken. Hij weet dat ze een hopeloos bestaan leidt. Zij weet dat hij geheimen met zich meedraagt. Ze was geen vragende partij. Op zekere dag zei hij, dat hij een leven wou. ‘Een leven, je leeft toch?!’ ‘Hou oud ben ik nu? Vijfendertig – veertig. Ik ben de tel kwijt. Mijn kinderjaren waren mooi. Ik herinner ze nog...’ ‘Leuter niet. Mijn kinderjaren waren mooi! Weet je hoe de mijne eruit zagen? Zatte moeder. Een vader die dagelijks stomdronken thuiskwam, ons sloeg. Geen eten op de tafel. En jij, ben jij beter dan ik?’ ‘Ik bedoel alleen maar, dat ik een... Ik ben nog niet te oud om opnieuw een leven op te bouwen, aan een toekomst te werken.’ ‘Toekomst, toekomst. Wees blij dat je een dak boven je hoofd hebt, en een pint op tijd en stond. Toekomst, toekomst, dat is niets voor mensen zoals wij.’ ‘Ik wil asiel aanvragen.’ ‘Wat zeg je nu? Wat bedoel je?’   Australië December 2005 Toen begonnen de problemen. De processen. Hij wou asiel. Hij werd beschuldigd. Oorlogsmisdaden. Ze wou het niet weten. Hij hield zijn onschuld vol. Hij wou dat ze een karaktergetuigenis gaf. Een woord van een vrouw zoals zij wordt in een gerechtszaal van de tafel geveegd. Ze voelde me vernederd. Het beetje warmte tussen hen vervloog. Alleen de eenzaamheid verbindt hen nog. 

Ryanne
6 0

een sprookje

Er was eens een trol dat heel onzeker was. En wat hij het allermeest wou, was gelijk hebben en het recht hebben om kwaad te zijn. Hij voelde zich verongelijkt en wandelde door zijn kleine hol, op zoek naar een antwoord. Toen hij het antwoord niet kon bedenken besloot hij naar het trollendorp te gaan en rond te vragen. Net als hij drie stappen voorbij zijn deur had gezet, trapte hij per ongeluk op een mier.‘Au!’ riep de mier. ‘Goh, die grote trollen toch altijd!’ De mier schudde met zijn vuist en waggelde verder. Toen wist de trol het antwoord op zijn vraag. Hij verzon listen en manieren zodat hij, net als de mier, slachtoffer kon zijn. Zo liet hij de deur van zijn huisje open in de nacht, veel werd gestolen.‘Waarom laat je je deur dan open?’ vroegen de andere trollen.‘Ja, maar dat keurt diefstal toch niet goed?’ zei de onzekere trol.Dan verkocht de trol zijn huisje voor veel te weinig kaboutergoud.‘Waarom doe je je huis zo goedkoop weg?’ vroegen de trollen.‘De koper mocht zelf een prijs kiezen. Hij koos om oneerlijk te zijn.’Nadat hij dat gedaan had, ging hij in het midden van het dorp en gaf hij het beetje geld dat hij had weg. Na een kwartier had hij helemaal niets meer.‘Waarom geef je alles weg?’ vroegen de trollen.‘Omdat jullie het aannemen.’Toen had hij niets meer en wachtte hij op hulp. Maar niemand schoot hem te hulp. Waarom helpt niemand mij, vroeg de trol zich nijdig af.Toch was hij ergens ook hardnekkig tevreden. Hij had het bewezen, de andere trollen waren slecht. Vanaf die dag sprak hij over de trollen als ‘Zij’ en hij voelde zich tevreden. Hij leefde nog lang en moreel superieur maar nooit echt gelukkig.

Stelselmatig
18 0