Lezen

De praatjesmaker

We zijn een pakjesvolk geworden. Een cadeautjesvolk. We openen de aan onze voordeur geleverde pakjes alsof het geschenken zijn. Terwijl we goed weten wat er in zit. Het resultaat mag hetzelfde zijn, het voorspel (als u mij dat woord hier toestaat) is anders. Neem een boekhandel. De zaak waar je zowel nieuw als tweedehands koopt en in diverse steden een vestiging heeft, is een verdwaalparadijs. Meestal weet ik vooraf welk boek ik zoek, maar een uur later zitten er meer exemplaren in de bruine papieren zak. Een echt cadeautje. Ook het maken van een praatje bij de aanschaf van het boek is anders. Trouwens, iemand die graag praatjes maakt is nog geen praatjesmaker. Dat zeggen we tegen een bluffer, een dikdoener of een stoefer. Maar een stoeferke is dan weer een doekje dat mannen in het borstzakje van hun blazer steken. Soms zijn die mannen ook stoefers. Maar nu verdwalen we in het taalparadijs. Terug naar het praatje. In de boekhandel kan het over de aangeschafte boeken gaan, of je krijgt zomaar voor niets een boekentip. Aan de voordeur is dat anders. Toen ik onlangs aan onze deur een pakje in ontvangst nam, een boek, was de pakjesbezorger niet meteen te zien. Het boek lag op de grond en hij stond al bij de buren. “Moet ik niets tekenen?”, vroeg ik hoopvol. “Nee, dat is prima zo. U mag het meteen uitpakken”, zei de man vriendelijk. Ik wilde nog een praatje maken, maar de man had duidelijk geen tijd. De buurman was al naar binnen. Ik hoorde zijn inpakpapier nog ritselen. En daarna een stil gilletje van geluk. Terug in de woonkamer had ik niet meteen door dat ik tegen mezelf “mooie aankoop” en “veel leesplezier” zei. Ik zag mijn vrouw kijken. Mijn daarop volgende grijns maakte het niet beter.  

Rudi Lavreysen
7 0

Ergens waar men elkaar geen hand geeft

    Steden waar men elkaar geen hand geeft. Meer nog, deze mensen mijden er zelfs alles wat de eigen handen vastnemen. Zij hebben een diepe, lichamelijke afkeer van alles wat door hun handen gaat. Eigenlijk zijn armen er een overbodig ledemaat.     Zo wordt de overdracht van goederen of voorwerpen –een geschenk, geld, een aankoop– via handen daar vermeden. Indien het dan echt moet, iets vastnemen, wordt het allereerst neergezet. Tot ze vervolgens haast over hun nek gaan en het ding met afschuw vastnemen als betrof het een dood dierenlichaam.     Wat je daar wel ziet, en je kent deze beelden van twintigste-eeuwse stuntmannen bij ons, zijn arbeiders die een treinwagon met hun tanen voorttrekken. Zoiets kan natuurlijk wel. Beslist, je vindt daar slaven met een machtig gebit.     Omdat men daar van letterlijk alles wat de handen vastnemen vies is, hebben deze mensen een persoonlijke perimeter ontwikkelt waarbinnen ieder vrijelijk ageert. Ongeveer zoals Da Vinci het met de Vitruviusman reeds optekende, leeft men daar in een universele, meetkundig perfecte afstandelijkheid. Het is de diameter van ieders handbereik. Wees gerust, daarbinnen wagen anderen zich niet. Men noemt het daar ‘het Aura’.     Hoe de mensen daar communiceren? Anders dan in warme handdrukken of de expressieve gebaren van een Italiaans handelaar heeft men daar een nieuwe communicatievorm ontwikkelt. Zo knipperen zij eens extra met de ogen. Zo hebben zij een nieuwe taal aan wimperslagen uitgevonden. Zeg maar morse met de oogleden.     Plots sta je er tegenover een vreemde zoals twee dieren plotseling elkaar tegenkomen. Even verroert men niet. Intuïtief valt een eerste, angstige blik op die handen. Vervolgens bekijkt men nauwkeurig elkaars ogen. Beter gezegd: wimpers en oogleden.     Een bibberend ooglid. Eén scheel oog. Een zwaluwslag met de wimpers. Wat het te beteken heeft? Deze mensen wisselen een zorgvuldige, gereserveerde taal uit en begrijpen elkaar vanop veilige afstand. Eén detail kan beroeren. Eén wenk volstaat. Enkel vijandschappen schudden er elkaar de hand.     Ze hebben zelfs een telescoop ontwikkelt die ze zonder handen kunnen bedienen. Ongeveer iets als een mondharmonicabeugel, diens scherpte deze mensen bijstellen met slechts het fronsen van de wenkbrauwen. Zo observeren zij in microscopische precisie elkaars minutieuze ogentaal.      Door de buis van de telescoop: Een mopje! Iets schattig. Een gore opmerking. Verliefde blikken. Dyslectische pupillen. Zakelijk gepraat. Het gaat allemaal via de ogen en deze mensen hun wimpertaal. Een stotteraar? Iemand die een wimper verloor.      Ontmoetingen daar als stond men aan weerzijden van een deur en gleurde men door het sleutelgat. Zo kijkt men elks door zijn telescoop in de ander zijn open ooglid. Dat noemt men daar dus een onderonsje, ongeveer op anderhalve meter van elkaars Aura.      Enkelen houden daarbij een potlood in de mond en noteren vervolgens de coördinaten van elkaars oogleden. Iets zoals sterrenkaarten bij ons. Dichters die zo juffrouwen hun ogenbruin beschrijven.     Daarom geen bedelaars daar met gestrekte hand, maar enkel met wijdgeopende oogleden. Trouwceremonieën –het ja-woord— als zeven keer horizontaal met de ogen knipperen. Opgelet, want zeven met de pupillen keer rondjes in tegenwijzerzin draaien betekent iets anders: Tournée générale. Verliefden die elkaar nooit aanraken. Hoe men er voortplant? Tja, men weet het niet.     Vrouwen worden er niet aangerand. Tenzij met beledigend oogcontact. Geweld kent daar andere, handvrije vormen. Zij zijn letterlijk vies van alles wat de handen passeert. Eten? Het liefst staat men voor zijn ontbijt happend aan de fruitbomen. Of men drinkt er zoals de dieren uit plassen en rivieren, zo vermijdt men het helaas noodzakelijke. Geen schouderklopjes. Geen gevechten.     Zichzelf met de voeten bedienen kan natuurlijk ook. Je vindt daar vast wel enkelen die handig genoeg zijn om een taart met hun tenen en een groot mes aan te snijden. Het schijnt dat in deze bizarrre steden zelfs uit het staartbeentje van sommige inwoners opnieuw een staart is gegroeid, waarmee zij zich bedienen. Survival of the fittest. Daar is niets mis mee.     Schrijven? Neen. Of in een kraaienpotengeschrift met de tenen. Dat verklaart iets van de krabbelige, onleesbare brieven die men eens uit deze streek ontving. Doet het een belletje rinkelen? Juist ja, daar kwamen die vreemde brieven dus vandaan. Vertellen kan daar wel natuurlijk. Toch het spreken is het mooist wanneer het met de ogen gebeurt.     Deze mensen hebben zichzelf opnieuw uitgevonden, of alleszins hoe ‘menselijkheid' zich manifesteert. Geen dieven met koevoet. Geen politie met matrakken. Geen koks met een grote soeplepel. Geen kinderen die in de herfst bladeren verzamelen. Geen schelpjes op het strand. Geen overwinnaars die triomfantelijk de beker in de lucht steken. Geen pianostemmers. Geen vaandeldragers. Geen vlindervangers. Geen dokters met spuiten. Geen rozenverkopers die breedlachend met hun boeket het café binnenvallen. Tenzij uiteraard in alternatieve versies met voeten of staart.     Het is vreemd hoe alles in deze steden is geworden. Hoe deze mensen, deze cultuur, zich heeft ontwikkelt? Zoals vermoedelijk alles in de geschiedenis: noodzakelijk geworden toeval. Echter enkele historici en antropologen menen dat deze mensen hun diepe afschuw tegenover de handen mogelijks uit het feit ontspruit, dat zij nooit wc-papier ontwikkelt hebben.                            http://jensvydt.be/blog

Zduma
42 1

Exitum

M’n handen waren bezweet, m’n hart stond stil. De figuur richtte een revolver op mijn gezicht terwijl hij me koelbloedig aankeek. Hij kon elk moment schieten. Kijkend naar de grond durfde ik hem niet aan te kijken. Ik zou elk moment kunnen sterven, dat wist ik. Dan zou ik op de grond vallen en langzaam verdwijnen uit deze wereld… ‘RENNEN, VERDOMME. REN!’ schreeuwde hij terwijl hij naast me sprintte. We liepen, weg van die plek. Ik keek af en toe achter me, de gloeiende rode ogen waren nog steeds zichtbaar. We begonnen te sprinten terwijl er overal zweet te ruiken was. We zouden ooit moeten stoppen, ik kon dit niet lang meer volhouden. De angst zorgde ervoor dat ik bleef doorlopen. Het was donkerder dan in het holst van de nacht, het was donkerder dan ooit. De takken van de bomen bewogen hevig in de wind terwijl we sprintten door de vele struiken. M’n voeten hadden nog nooit zo veel pijn gedaan, m’n longen schreeuwden dat ik moest stoppen. Ik kon niet stoppen, sorry longen. Het beest zat nog steeds achter ons aan, de gloeiende ogen waren het enige wat zichtbaar was in het donkere verlaten bos. We stopten toen we ontdekten dat we het einde hadden bereikt. Hoge hagen stonden voor ons, het leek op een of ander doolhof. De hoeven van het beest klonken steeds dichterbij, we hadden geen andere optie. Hij keek me aan, ik wist wat hij dacht: ‘We moeten hier in, het is nu of nooit.’ Van stilstand begonnen we al snel weer te sprinten, de doolhof in. Mijn ademhaling was oncontroleerbaar, ik moest stoppen. Shit, ik was op een doodlopend pad uitgekomen. Al snel bewoog ik me weer de andere kant op, de hoeven van het beest waren sterk hoorbaar. Hij liep niet meer naast me, ik was nu alleen en moest mezelf zien te redden. De geruststelling dat we het beest mogelijk te samen konden verslaan, was volledig verdwenen. Ik rende verder tussen de hagen, er moest een uitgang zijn. Dat moest gewoon. Het wapen van het beest maakte een angstaanjagend geluid terwijl het over de grond sleepte. Uitgekomen op een kruispunt, stopte ik even. Links of rechts? LINKS of RECHTS? Links of rechts? KIES. Er was geen tijd te verliezen, ik sprintte het linker pad op. Het beest zat me nog steeds nauw op de hielen. Door de hagen heen kon ik het beest langzaam zien bewegen terwijl het zijn metalen voorwerp achter zich meesleepte. Ik was nog steeds niet op de een doodlopend einde uitgekomen, het leek de juiste keuze te zijn. Te vroeg gejuicht, het pad leidde naar het midden van de doolhof. Een luid geschreeuw weerklonk terwijl de bomen nu nog heviger bewogen. De fontein die zich in het midden bevond spuugde een rode vloeistof die raar genoeg op bloed leek. Het beest had hem te pakken gekregen, ik was de enige die nog leefde. Het kwam dichterbij, ik hoorde het luid hijgen doorheen de bladeren. Mijn handen beefden in het wild toen ik de rode ogen voor me zag. Het had een lijk op zijn schouder die hij langzaam liet vallen in de fontein. Ik zou de volgende zijn, ongetwijfeld. Hij leek nog te leven, want toen het hem in de fontein dumpte stond hij weer recht. Hij en het beest keken me allebei koelbloedig aan. Ik schrikte toen ik zag dat hij nu ook gloeiende rode ogen had. Dit moest een nachtmerrie zijn, het moest wel. M’n handen trilden heviger dan ooit, zweet drupte van mijn vingers. M’n hart stond stil, hij richtte een revolver op mijn gezicht. Dit kon niet waar zijn, hij zou me nooit willen vermoorden. Hij zou dat nooit doen, toch? Klik. Het geweer was geladen, nog enkele tellen en het was gedaan met mij. Peng. De kogel vloog door de lucht, dit zijn mijn laatste momenten dacht ik. Een zwarte gedaante verscheen voor mij, de kogel weerkaatste de andere kant op.

Nova
19 0

De schrijver van het Hoge Noorden

Hij was een van de eerste uit San Francisco die op weg ging naar Yukon, Canada. Daar was goud gevonden. Hoe hij daar heelhuids is geraakt, hoe hij daar leefde in de winter bij temperaturen van 50 graden onder nul weten we niet. Het verhaal van zijn tocht naar en in Yukon heeft hij nooit verteld. Het verhaal kennen we gedeeltelijk via zijn brieven, zijn dagboeken, zijn fictiewerk en enkele artikels die hij verkocht aan kranten. We weten dat hij onder meer Milton en Darwin bij zich had, want de 21-jarige Jack London (1876-1916) was een fervent lezer. Zijn carrière als goudzoeker was kort. Net als zovele kreeg hij scheurbuik, na 9 maanden niets anders dan bonen, bacon en brood te hebben gegeten. Het goud dat hij had gevonden was niet veel waard bij aankomst in San Francisco. Maar in Yukon had de avonturier zichzelf gevonden, was hij gelouterd. Echt was de fysieke pijn: de constante pijn in zijn heup en benen. Als hij in de spiegel zag, herinnerde de littekens in zijn gezicht hem aan zijn ontberingen in Canada. Yukon als keerpunt Nauwelijks hersteld gooide hij zich op schrijfwerk. Want sinds hij in 1893 een schrijfwedstrijd had gewonnen met een verhaal over een tyfoon voor de kust van Japan, had hij de smaak voor schrijven te pakken gekregen. Het tyfoonverhaal was ongetwijfeld een van de vele waarmee volmatroos en begenadigd verteller London naar huis was gekomen. Voor Yukon waren er nog avonturen geweest. Bovendien kon hij een hele lijst aan jobs, voornamelijk als arbeider, voorleggen. De Londons waren arm en Jack droeg al jong zijn steentje bij. Maar Yukon was een keerpunt. Na Yukon was hij vastbesloten om zijn brood met schrijven te verdienen. De weg naar commercieel succes was hard. Aanvankelijk had hij weinig succes met het verkopen van zijn werk aan tijdschriften, net zoals hij voor Yukon geen succes had gekend bij uitgeverijen. Maar met vallen en opstaan begreep hij wat uitgevers van tijdschriften zochten: avonturenverhalen. Twee jaar na zijn Canadese ontberingen mocht hij zichzelf de best betaalde schrijver van kortverhalen in de VS noemen. Dit voornamelijk dankzij zijn verhalen over het Hoge Noorden. Want de lezers waren dol op die realistische verhalen over het harde leven in het Hoge Noorden. De roep van de wildernis Het idee voor zijn bekendste werk ‘The Call of the Wild’ (De roep van de wildernis) kwam er na een mislukte opdracht als undercoverjournalist in de sloppenwijken van het Londense East End. Voor hij het goed en wel wist had hij een novelle in plaats van een kortverhaal geschreven. Hij stuurde het naar zijn vriend en mentor, George Platt Brett Sr, uitgever bij Macmillan Publishing. Brett besefte dat hij een meesterwerk in handen had en kocht de rechten voor $ 2000. Dat geld kreeg al meteen een bestemming. De schrijver-avonturier kocht er een boot mee. In het begin van de twintigste eeuw leefde London als een filmster. Zijn verhalen, zijn journalistiek werk en zijn lezingen waren goed voor zo'n $ 10 000 per maand. Rijk was hij niet, want hij gaf altijd meer uit dan dat hij verdiende. Verhalen over zijn echtscheiding, zijn tweede huwelijk, zijn ranch, zijn engagement voor de Socialist Labor Party en zijn boottocht naar Polynesië vonden hun weg naar de kranten. Hij belichaamde immers de Amerikaanse droom en was publiek bezit. Zijn plotse dood Na 'The Call of the Wild' (1903) groeide London wereldwijd uit tot een van de meest gelezen schrijvers van zijn tijd. Zijn plotse dood op 22 november 1916 was voer voor de sensatiepers. Was het een natuurlijke dood? Of had hij zelfmoord gepleegd? Dat laatste was alvast een romantischer einde voor het avontuurlijke leven dat hij had geleid. De waarheid was allesbehalve romantisch: door overmatig alcoholgebruik hadden zijn nieren het laten afweten. Zijn laatste levensjaren werden gekenmerkt door kwalen als dysenterie en reuma. Dit naast de pijn die hij had overgehouden van zijn tijd in Yukon. Zijn alcoholverslaving heeft nooit een invloed gehad op zijn productie als schrijver. Jack London schreef in zijn korte carrière 50 boeken, ontelbare kortverhalen en artikels over economie, sociale vraagstukken en Polynesië. Zijn erfenis Na zijn dood deed de Amerikaanse literaire elite hem af als een prutser, die enkel eenvoudige verhalen over het Hoge Noorden en over honden kon schrijven. Hoewel 70% van zijn werk inderdaad gaat over die korte tijd die hij in Yukon doorbracht, schreef hij evengoed over filosofie, politiek en vele andere onderwerpen. Volgens hedendaagse literatoren was zijn stijl simpel, maar verre van oppervlakkig. Zijn invloed op de literatuur was groot. Zo beïnvloedde hij schrijvers als Ernest Hemingway en Jack Kerouac. De klassieker '1984' van George Orwell hebben we te danken aan 'The Iron Heel' (1908) van Jack London. Naast Orwell was ook Jorge Luis Borges een bewonderaar van London.

Danielle Cobbaert
0 0

Effect

Rode vlekken verspreiden zich over het grid en wentelen zich zachtjes om lichamen  vol met ledematen. Iedereen pulseert, als het al te laat is. De uitwisseling begon voortvluchtig, eindigde als passant, raakte ingeburgerd en verbleef, in lichamen, in motieven, hoekjes, overgebleven aan kijkende aristocraten met ooglapjes.Toen begon de overdracht: trillend, voorbijgaand dan weer beginnend voorzichtig vibrerend,  verplaatse de vlekken zicht naar elkaar, dan weer naar ons, en versmolten met de uitegstoken  ledematen, uitgestoken, omdat ze magnetisch zich aanpasten aan de situatie, en overvloedig aanwezig.  De vlekjes vulden de uiteindes ervan met rood licht. Onze lichamen rood, maar het zicht werd groter; vermengde zich met verleden, heden, en weer terug.  Dit effect duurde even maar lang genoeg om mee te gaan en belichamen wat gebeurd was.  Tijd was iets abstracter en kreeg een mede-lichaam.  Quasi onherkenbaar rold zij zich uit aan ons, en verdween verscheen verdween;pulserend niet ontzienbaar.  Mijn lichaam zag rood van de aanwezigheid en ik die mij dierlijk afvroeg hoe ik het daarbij mee overbleef. Het was een effect van voorbijgaande aard jammer genoeg en niet veel later, pulseerden onze lichamen weer afwezig, passant.    Ik was nog niet vergeten hoe dat een ruimte in kon nemen en spreidde mij over je mechanisme.  Plaatse mijzelf over maar tussen jou en mij in. Werd baken, werd anker,  werd fluisteraar, werd mede.  Jouw bloedbanen, die ervoor zorgden dat je zodanig aanwezig bleef,  hielden jou afgeschermd van een globe, een sferisch beeld, dat groter werd en meer ruimte in nam.  Mijzelf als baken uitrollend was al wat ik nog deed herinneren. Greep je mij vast; dan was ik er niet, omdat ik was wat ik was geweest, en dit niet bleef. Greep je naast me, dan was ik al wat er was, omdat ik niet bleef wat ik was, en  dat is alles wat ik altijd al was. 

Dries Verhaegen
20 1

Techno-logie

Rondom de kamer schepsels, cirkelend rond een huis met daarin een kamer, ruimte gemaakt voor en door ruimte, stil, volkomen volmaakt en berekend op de apocalyptische verslaggeving binnenin geluiden, die via een beeldbuis de kamer in, ik, de zijweg ingeslagen, op zoek naar ik. Je sluit je facebook aan op je dromen. Een rave in het hoofd. Hoofd losjes en aangeslagen op de nek. Onthoofd zonder seperation. Set me free! Klaagzang. Kunnen sie ETWAS - En er waren eens mensen en die konden communiceren. … is alles wat ik me herinner. Heimelijk elkaar brieven sturen is ook “sturen”. Zonder vijftigers geen zestigers. Schepsels, losgemaakt van de omgeving, worden beschreven.Er wordt online ruzie gemaakt, zonder audience. Als je wist waar ik het over had, had je kunnen ingrijpen. Als in: een ingrijpend verslag, verlangt ernaar gelezen te worden door een massa. Mijn brieven daarentegen, zouden succesvol kunnen zijn, maar staan op Tumblr, en mijn 15 jaar oude lichaam wordt snel bevredigt, omdat ik erover wrijf met mijn schrijfhand. Het is leesbaar, gelukkig; zonder taal was er al lang geen vrede meer. Geen vrede? zeg je (luidop). Schelden & vloeken verspreiden als hoax. Spam in de mailfolder gesorteerd onder ‘reclame’? Haha. Tumblr opent een nieuw tabblad: het is zomertijd over exact een week.Meer licht, meer tijd om op te gaan.Meer aanstalten maken tot wederopstanding, meer lentelicht. Lentelicht: het verspreidt zich in de wetenschap dat we het niet kunnen zien, dus, je voelt voorzichtig, en even maar. Genoeg om rood aangelopen opnieuw te verspreiden.Ook mensen verspreiden zich, dat weten we, goed genoeg hé.

Dries Verhaegen
0 0

Massale onvrijwille doodslag in rusthuizen

WAARSCHUWING : deze titel behoort tot de categorie ‘fake news’ en de onderstaande column is pure fantasie.   Nog geen jaar geleden, het was juni, de zon zomers en het asfalt rond het rusthuis warm. Met zijn vijven zaten we rond een rechthoek, een tafel in een kleine vergaderruimte van Westervier, een rust- en verzongingshuis te Sint-Kruis (Brugge). ‘Je mag blij zijn dat ik een plaats gevonden heb’, was de repliek van mijn zus geweest op mijn minder enthousiaste reactie na de opname van mijn moeder in dit rusthuis, en dat 'het op aanbevelen van de geriater was’. Ons moeder zat daar in die kamer, of beter lag daar de ganse dag op dat bed, het centrale meubelstuk. Het was een tegelijk haar slaapkamer, living, en verveelruimte, maar ze had geluk, haar kamer was aan de noordoostkant van het gebouw, de ochtenzon kon zonder argwaan binnenschijnen en kreeg verder weinig kans om de kamer al te veel op te warmen gedurende de rest van de dag. Maar na een maand of drie vond ze het genoeg geweest, mijn moeder. Ze wilde terug naar huis. Ik beloofde haar het nodige te doen en daar zaten we, enkele dagen later, aan die tafel in die vergaderruimte. Het lijkt me ook bedroevend dat bij die ouderen doorgaans de indruk gewekt wordt dat ze niets meer zelf te beslissen hebben -ook al zijn ze nog volkomen rechtsbekwaam-, dat daar eerst over beraadslaagd dient te worden, met alle kinderen, met de huisarts en de verantwoordelijke van het rusthuis. Ik had me niet aan een situatie één tegen allen verwacht. Ik bleek de enige te zijn die nog echt oor had voor de wensen van mijn moeder. Het rusthuis zou een veiligere, meer stabiele plaats voor mijn moeder zijn. Opgesloten was ze daar niet. Het scheelde niet veel. Maar wij -dat zijn mijn moeder en ik-, wij hadden er genoeg van. Dit was niet de omgeving waarin mijn moeder haar laatste levensjaren wilde slijten, waar ze wilde wachten op de dood en enkele weken later, nam ik haar mee naar mijn huis, waar ze stilaan weer tot leven kwam, taken in het huishouden weer op zich nam. Het huis van mijn moeder had mijn zus al willen verkopen. Het bleef van mijn moeder. Ze woont er nu weer, in haar eigen huis, ver weg van die rusthuizen, die nu stilaan echte doodshuisjes worden. Oké, het is goed gelopen voor mijn moeder, ze is beter geworden, ze woont weer zelfstandig in haar eigen huis, maar ze had even goed bij ons, bij ons gezin mogen blijven, in quarantaine desnoods, en ik heb het niet gelezen in het 10-puntenplan van Wouter Beke, om zoveel als mogelijk ouderen die nog gespaard bleven van covid-19 op te nemen in het gezin van één van de kinderen. CD&V, de partij van het gezin, die zoiets niet eens voorstelt. Wake up, Wouter, rusthuizen zijn een ziek symptoom van een zieke tijd, waar het eigenbelang voorrang krijgt op de zorg voor de eigen ouders en ik durf zelf te stellen: wie midden maart, toen het duidelijk werd wat ons te wachten stond, zijn ouder niet uit zo’n ziek rusthuis redde, die heeft nu stront aan de knikker, die is nu mede verantwoordelijk voor de dood van zijn eigen moeder of vader. De passiviteit van éénieder die een ouder in een rusthuis heeft, mag gerust misdadig genoemd worden. Besef dat je een leven had kunnen redden en wat je naliet, dat je een doodsvonnis velde over je eigen vader of moeder. Is dat cru gesteld? Kan zijn. Had je iets kunnen doen? Ja! Om een leven te redden? Hoogstwaarschijnlijk! Slaapwel, Wouter. Slaapwel, kind dat zijn vader of moeder achterliet in het rusthuis. Hun dood aan corona mag gerust op je geweten liggen en het proces over de onvrijwillige doodslag zal niet gevoerd worden. Je gaat vrijuit. Dat is normaal in deze zieke tijd.

Roderick Podenco
0 0