Lezen

Ruïnes

Het grondplan van ons appartementje ziet er uit alsof we zelf in één van de ruïnes van Rome onze nachten doorbrengen. Getekend in gehavende lijnen en met de restjes van een kopieermachine achterhaald, probeert het ons duidelijk te maken waar er o.a. een brandblusser is, de plaats van onze kamer, de douche en die van het keukentje. Of wat het kamertje vroeger was. Wat het keukentje en de douche moesten voorstellen.  In feite mocht ons appartementje effectief naast de ruïnes gaan liggen. Geen toerist of bejaarde romein die het verschil zou merken. Ik drink een glaasje cola aan de halve bar in het weinig verluchte, muffe keukentje. Nep marmer. Het is tien voor zes.  Buiten brandt het nog altijd 30 graden of hoger. Mijn vriend ligt op de kamer. Sinds vier uur afgepeigerd te staren naar z'n gsm. Het felle lichtje accentueert z'n rimpels die bij grote moeheid z'n gezicht besluipen. Wat we vanavond nog gingen doen? "Mag jij wel eens uitkiezen", zucht hij. Hoewel de cola al van gisteravond in de koelkast stond, wordt ze snel lauw en prikloos in het glas. Het doet me bitter glimlachen. Gek, zo is het ook tussen ons. Lauw en prikloos. Ik kan me alleen niet meer herinneren wanneer die prik er is beginnen uitgaan. Is er nog over? Of is alles er uit? Te vroeg om te zeggen.   Doorheen de dagen wandelen we soms hand in hand, waarna we elkaar snel weer loslaten om elk onze eigen bezienswaardigheden interesse te geven. Ik voel amper zijn handpalm tegen de mijne op de weinig intiem vervulde momenten. Het voelt eerder als een formaliteit, gerepeteerd. Het wordt gewoon verwacht.   Een romein trekt een foto van ons twee.  Daarop kan ik alleen twee vage mensen - getekend met gehavende gezichten - herkennen. Niet ons. Wie was "ons"? Met de restjes van een vroegere liefde amper achterhaald. Net zoals het kopie van het appartement. Het moet een mooi koppel voorstellen.  Of wat ze ooit waren geweest.    https://inkognitoweb.wordpress.com/

Nachtpieker
0 0

Oostende

Madensuyu start met eerlijkheid die me met rust kan laten; vooralsnog loopt het gesmeerd: de lucht oogt voorspelbaar,de wegenwacht afwezig, Tobin draagt nog net geen heden, abstracte ideeën over de liefde kunnen aanwezig zijn in de werkelijkheid of ons idee daarover, wij zijn het nieuwe anti en dat denk ik luidop.     Maar ergens verdraagt men het niet meer: de realiteit die onder de huid alles en iedereen uitbuit, de zee in zichzelf opsluit en de tranen verderzet. Eens aangekomen: de staat van het alles blijft onveranderd: al het aanwezige oogt me dubbel in de irissen en vrijt zich op een zucht van mijn liefde, de werkelijke afgrond van de huid in, mij dus, in ontbinding die zich kenmerkt langs de buitenkant. De zee is kraakbaar. De twijfel slaat dan toe.     of we met z’n 2 z’n 4 zouden kunnen zijn, ik vermoed van wel dan de dagelijkse omkeerbaarheid van minuten die in 2 dagen de rand opzoeken van bestaan zonder te overdrijven bijna onmogelijk maar of niet alles zo is ik heb daar naar de hemellichamen boven ons gestaard en me afgevraagd wat ik eigenlijk aan het zien was dat me blauw maakte staren van een buitenkant die dubbel oogt jezelf klein terugvinden  in een kosmos een kosmos die je bekijkt langs buiten en waarin alles verkleint tot dingen ik omgeef me alleen nog maar met dingen     Het alarm van een terugkomst die bijt in de kuiten, we zullen ze dragenwe kunnen de wereld met z’n 4 wel verplaatsen naar een buitenkant die zich het kwalijke dubbel ter verantwoording roept in een taal die buiten isbuiten het samenhorige want hier is de vijand ronduit scherp, vriend en zeer weinig aanwezig, onontkoombaar, vrij, alles, wat je niet zou willen.     verder: een gesloten gevel hier woont iedereen wij botsen op een tegenliggende straat het is hier warm van alle mogelijkheden dus wat in ons zich bevindt is van ons het anti  bijvoorbeeld                                                

Dries Verhaegen
36 0

Moonrock

Ik denk dat het omstreeks 21:13 geweest moet zijn dat de waanzin in de schoenen schoof, van daaruit alleen maar opwaarts, in een spiraalvormige beweging, een hoofd vol weldra, hoofd was een zware put geworden die een nieuw draagvlak voor de toekomst werd, we werden een vriendschap op houterige benen die bonkte in de kiezen en klapperde in de wijsheid. De drank was vroeg, de werkelijkheid oneindig; wij zouden weggegaan zijn naar een vrede moest er liefde ontstaan zijn, en die was er: een atmosferisch hoogtepunt dat willekeurig abstracties uitkoos: de opgezette pauw (kieskeurig) de ambivalentie die ook in de lucht hing (standvastig en immer aanwezig) de hiërarchie tussen de spraakmakers (altijd bereidwillig) maar hij ontstak slechts even af tegen het gelige schijnsel ‘avond’ die de muur bewerkte met pars pro toto. IK MOET JE HERKEND HEBBEN DAARIN. Daarna droomde ik weg:   de kasseien: eindeloos, vermeerderingseffect, de weg is in feite niet zo lang, het is alsof je kruipt in je stappen die de wil willen en de wijsheid begeren vooraleer te domineren en werkelijk ieder mens was een ding geworden als ik draaide door de steegjes op zoek naar de wagen ik vond de wagen niet meer ik heb nog nooit geweten dat ik zo blauw was de kasseien eindeloos het hoofd gewoon erg lang en moegestreden en iedere vriend had ik gewoonweg even niet meer voor een keer was ik anders maar dat-ligt-niet-aan-mij Tuxedomoon citaat zeer toepasselijk op ronddolen want het is hun klank die mij vastzet op de opdracht   de benen kermden en de wielen sputterden geelzucht en alles werd vroom zo ook de tastzin alles wat me nog restte en ik ben nooit vergeten hoe je anders was in mijn anders dat ik je aanreikte en vroeg en zeg nou zelf we waren een ander paradijselijk gebeuren   En ergens boven de beweging stopte de beweging al met versnellen boven waar de toekomst nu voorspeld werd en genegeerd. In mijn hoofd is alles zeer helder maar daarbuiten zwijg ik liefst en draai me om naar de buitenkant die is anders ziet u. Mijn benen zullen kermen en de wielen sputteren maar het hoofd het hoofd is een baken die ik vertrouw mijn boei van geweld, alleen hiermee kan ik nog standvastig de praktijk van angst beoefenen en een gebrek aan uitwegen verplichtte me de waanzin te kopen in mijn voeten het hoofd in.     Gelukkig ben ik nooit vergeten wat anders was en de vertrekken met slaap inkleurde en het gebonk verduisterde tot een tinnitus die me nooit echt zorgen baarde want ik was een jong vaandel- drager van de kleuren en zo heb ik me altijd ingezet te blijven.I’m a keeper, so you can keep me close bijgevolg en inderdaad de telefoon rinkelde plots:   Het was een stem die groette geen boodschap maar is dat niet in het zovele het zovele dat alles verschuilt in de minimale toevoegingen die elkaar opstapelen en elkaar opzeggen Het was een archeoloog die mij vond. Nee. Geen 2e Brussel, alleen maar een zoektocht naar het overgeblevene dat zweeg.  

Dries Verhaegen
7 0

Ode aan O

Een man blaast op een fluit die de vorm van een hond heeft. Is het alsof hij haast heeft, dat hij bijna leeft. Stilzwijgen want daarmee zegt hij niets van wat hij goed zou kunnen doen, de hond uitlaten als die aan hem gegeven is, huizen in de dromen van een schrijver, het zal je maar overkomen.   Is het alsof hij zegt: als ik leef als ik denk en schrijf. Daar is hij: tussen de lijnen gedrukt en is het nooit en net dan dat hij voor en na de letters komt: een alfabet maar dan metamorfose, een stilte maar dan pauze.   Ieder woord op zijn reeds ingevroren plaats roepen, slechts zo zal het woord zijn taalevolutie en de tijd overleven: schudden en daar en hier zijn, frequentie: trillen wordt tijd, tijd wordt taal en die begrijpen we.   De azerty van toen is de O P Q van nu.   Een cliché van een schrijver is je beste vriend. Je wou dat je hem was. Door je neergepende zinnen word je weer individu, een kluwen van vormen herkenning die groeit langs de randen van je straat, een denkbeeldige stad die in je zakt als het alfabet bij de geboorte.   Zo reilt en zeilt de taal: het kijkt achterom naar wie het altijd al was.   Een man blaast op een hond die op een fluit lijkt, is het alsof hij het bijna gelooft dat hij taal was. Dat de zaal voor hem vol zit, dat hij je in je schouders zakt en jij je verhaal doet.   Hij lijkt op tv, en ik dus ook op hem. Dit willen we. Hopelijk wordt die gelijkenis alleen maar erger. Zo hoop je op je verhaal. Abracadabra en je bestaat. Sensatie die in de schemering van je literaire kwaaltjes nog steeds sensatie is, een bekentenis aan mezelf. Op je gesprek met de zaal, let op, een plek, een thuis, een uitwuifgebaar van het gekende naar hetzelfde gesteente.   Ik ontdekte een woord, als een ander woord, maar noemde het mijn woord. Daarna benam ik me taal en schreef dat op.    

Dries Verhaegen
0 0

Den Tommy

Maak je dat ooit mee? Dat ze je naam verkeerd schrijven? Waarschijnlijk wel. Alles is natuurlijk afhankelijk van de moeilijkheidsgraad die in je naam verscholen zit. Op dat gebied heb ik echt alles mee. Van de i in mijn voornaam maken ze acht keer op tien een ypsilon. En de ypsilon in onze familienaam wordt meestal een lange ij. Ze schrijven het zo vaak fout, dat ik het op de duur zelf niet meer weet.  Maar weet je wat nog erger is? Dat mensen je aanspreken met een andere voornaam. Ken je dat? Of maak ik dat alleen mee? Echt waar, niet gelogen, een oude kennis lapt het elke keer. Het straffe is, ik kom hem alleen maar tegen als hij op de fiets zit. “Hey Tommy”, roept hij dan. Tommy begot. Echt ongelofelijk. De laatste keer was mijn vrouw getuige van het Tommy verschijnsel. "Waarom zeg je niet dat het Rudi is”, zei ze. "Het gaat niet”, antwoordde ik. “Je ziet dat toch. Het gaat te snel. Hij is zo gepasseerd. Ik heb geen tijd om te zeggen dat het Rudi is. En niet Tommy.” Het gevolg is natuurlijk dat hij me met Tommy blijft aanspreken. Ik moet er toch iets aan doen, anders begint het een eigen leven te leiden, met die naamsverwarring. Ik kan me al een gesprek voorstellen waar hij bij aanwezig is. “Heb je het gehoord van dinges van Lavreysen?” “Van wie? De Rudi?” “Nee nee, niet de Rudi. Den Tommy.” “Den Tommy, die ken ik niet. Is er dat ook ene van die familie?” “Tja, dat weet ik ook niet. Ik ken alleen den Tommy. De Rudi ken ik niet zo goed.” Afijn, ik ga hem tegenhouden als hij de volgende keer op de fiets passeert. Dinges, dju, hoe heet hij toch ook al weer?  

Rudi Lavreysen
20 1

Kamperen voor Dummies (vervolg) - Je buren.

  Men zegt; ‘Beter een goede buur dan een verre vriend.’ Of het huis van steen is, van tentzeil of van plastiek, ook hier geldt het aangehaalde citaat. Kampeerders zijn speciaal in hun soort, in de goede zin. Af en toe zit er eens een mierenneuker of een ezel bij maar die vinden we aan de cafétoog ook. Is het de vakantiesfeer, de natuur, het gevoel aan vrijheid… feit is dat de meeste kampeerders goedhartige mensen zijn die verdraagzaamheid hoog in hun vaandel dragen. Ben je niet in het bezit van een ‘Moover’ (op afstand bedienbare motor voor het aandrijven van de wielen) waarmee je de caravan zonder moeite kunt parkeren tot op de centimeter, dan weet je waarom ze kamperen de sportieve vakantie noemen. Je riskeert meteen een spierscheur of een verschot omdat je spieren functioneren naargelang de hoeveelheid beweging tijdens het jaar. Als je hoofd rood aanloopt weten de andere kampeerders meteen dat je gymabonnement geruime tijd verlopen is of je interesses ergens anders liggen. Dit is het moment waar je buren spontaan komen aanlopen om je onbaatzuchtig te helpen met het plaatsen van de caravan. Ontroerd ben je onmiddellijk bereid om je voorraad zorgvuldig uitgekozen bieren te ontstoppen. Geloof me, Belgisch bier brengt er meteen de sfeer in. Voor je het weet heb je een schare bewonderaars waaraan je niets kan misvragen. De vrouwen kijken goedkeurend toe of genieten mee. Geen jaloezie, na-ijver of lasterpraatjes. De wereld is mooi! Net als in het trouwboekje steunen we elkaar in voor- en tegenspoed zonder er één handtekening werd gezet. En net als bij een geslaagd huwelijk wordt er om beurten een feestje georganiseerd. Toegegeven niet zo luxueus, eerder primitief maar niet minder leuk, totdat het uurwerk 22u aangeeft. Als bij toverslag zakken de decibels tot het gemurmel van het plaatselijk beekje, de stoelen worden rond een spaarzaam lampje gezet zodat alle aanwezigen samenzweerderig hun hoofden naar elkaar toe neigen om het gesprek toch voort te zetten of af te ronden. Bestaat er een heiliger moment? De adem, de geur van totaal onbekende mensen vermengen zich alsof ze nu één zijn, Goed nieuws voor wie met de tent kampeert. Ja, ook u kan het wonder van samenhorigheid beleven.  Onervaren of is het lang geleden dat je de tent in elkaar hebt gezet? Dan kan het gebeuren dat je meer tentstokken overhoudt dan voorzien in het plan – wie heeft er nog nooit een Ikea kastje in elkaar gezet – ook dan komen de buren toegesneld met hun logisch denken waardoor de hiervoor beschreven ceremonie vanzelfsprekend wordt. Geen heren of knechten, Broederschap, zusterschap, vrede… Er is nog hoop voor de wereld.  ‘Camper, live long and prosper ‘(1)      Zie: Star trek    

Fanny Vercammen
0 0

Het stond geschreven..

  Nu amper drie maanden na zijn moeder ook zijn vader overleden was, moest, met het oog op de verkoop, de ouderlijke woonst worden leeggemaakt. Het leeghalen van de woning was niet alleen fysiek maar ook emotioneel een zwaar karwei gebleken, maar de klus was geklaard.  Nu enkel nog de boeken. Hij had wel geweten dat zijn vader een boekenfan was, maar van de met boeken volgestouwde bibliotheekrekken in de studeerkamer had hij toch wel even opgekeken. Zelf was hij niet zo’n fervent lezer. De suggestie de boeken zelf te houden had hij, ietwat smalend, afgewimpeld, zeggend dat hij thuis al een boek had. Via een zoekertje in de plaatselijke krant had hij een opkoper bereid gevonden de toch wel honderden boeken voor 100 Euro over te nemen. Ze moesten enkel nog worden ingepakt om te worden opgehaald . Hij was kartonnen dozen beginnen vullen, alles door elkaar, meer in functie van grootte en dikte van de boekdelen dan naar onderwerp of auteur. Toen echter hij de vierde volle doos wilde wegzetten, scheurde die en vielen enkele boeken open op de grond . Er dwarrelde ook een 100-euro biljet neer.   Hij raapte de boeken en het biljet op, liet de pagina's door zijn vingers glijden en vond nog een tweede biljet. Het duurde enige tellen alvorens hij begreep wat er gebeurd was maar onmiddellijk nadien kwam het besef : zijn ouders hadden cash geld verstopt in een boek in de bibliotheek. In één boek of in meerdere ? Had zijn vader niet altijd gezegd dat zijn rijkdom in de boeken te vinden was.   Hij bekeek de boeken nu wat nader. Titels noch kaften, noch enig bijzonder merkteken lieten vermoeden dat er geld in verborgen zat. Ook de plaats waar ze in de boekenkast hadden gestaan vormde geen aanwijzing. Deze boeken verschilden niet van de andere. Het geld kon dus in gelijk welk boek zijn verstopt.   Hij doorzocht de andere boeken van de doos, daarna die uit de andere dozen en begon toen de nog in de rekken staande boeken te doorbladeren. Zijn aandacht werd getroffen door de titel en omslag van een boek dat hij net had doorzocht en in de doos wilde stoppen, “De alchemist” van ene Paulo Coelho. Een alchemist is toch iemand die lood in goud kan veranderen ! Geïntrigeerd begon hij willekeurig een alinea te lezen. Hij vond het verhaal op het eerste gezicht wat simplistisch aandoen, maar, door bepaalde gebeurtenissen en dialogen in het boek aan het denken gezet, raakte hij toch wel geboeid en begon hij te lezen van voor af aan. Het was het verhaal van Santiago, een Andalusische herdersjongen die zijn kudde verkocht en have en goed achterliet om zijn schat te zoeken bij de Egyptische piramiden en na talloze omzwervingen en ontmoetingen, tenslotte weer belandde in zijn eigen Andalusië en daar de schat vond in de oude kerkruïne waar hij altijd al met zijn schapen had overnacht.   Na het omslaan van het laatste blad, bleef hij in gedachten verzonken. Hij bedacht dat Santiago verkeerd had gezocht..… of toch niet, want zonder de jarenlange tocht, de meevallers en tegenvallers en de wisselvalligheden van het lot had de jongen nooit het geluk, zijn legende, in zijn eigen stek in Andalusië gevonden. Maar, dacht hij verder, zelf had hij ook verkeerd gezocht…...of toch ook niet, want als de doos niet was opengescheurd en de boeken er niet waren uitgevallen en hij daardoor niet naar het geld in de boeken was beginnen zoeken, had hij nooit dit boek ingekeken, laat staan gelezen, en begrepen hoe boeken je dieper konden doen ingaan op de “dingen des levens” en je eigen innerlijke zelf en te volgen levensweg hielpen ontdekken. Dit was de rijkdom waarover zijn vader het had gehad.   Hij dacht aan de kristalverkoper en zei bij zichzelf : “Maktub, het staat geschreven”, belde de opkoper af en bracht de hele collectie naar zijn eigen huis en rangschikte ze, nu naar onderwerp en auteur, in de met het gevonden geld betaalde boekenrekken.    

Kelhaut
3 0

pffffaddderrrr

De misselijkheid bepaalt mijn leven nu ongeveer drie weken. Misschien vier. In het begin tel je niet zo goed, vandaar wellicht mijn verwarring over het begin van de periode van misselijkheid. De misselijkheid belet me eender wat te doen. Zo lig ik al drie (of vier) weken op bed. Ik check mijn Facebook, ik kijk op Instagram. Kijk of er nieuwe mails zijn binnengekomen. Ja, ik heb nooit eerder mijn e-mailbox zo goed op orde gehad als in de afgelopen weken. Ik kijk vooral veel films. Soms illegaal, maar meestal niet, want als nu ook nog mijn computer crasht, ben ik feitelijk zo goed als verloren. ‘t Is momenteel het weidse internet dat mijn enige uitzicht bepaald.   _____________________   Daarnet loog ik. Ik weet wel wanneer de misselijkheid is begonnen. Precies de datum herinner ik me zelfs. Ik kwam thuis om te eten. Had me bijna bedacht, maar ging toch maar thuis eten. Mijn vader zat over mij aan tafel. Hij ontleedde een vis. Zijn blote, harige buik hing er verslagen bij. Hij zag mij kijken en zocht mijn blik. Zijn ogen waren getroubleerd, rooddoorlopen.   Hij complimenteerde mijn bloes. Schepte extra op van het eten dat mijn zus had gemaakt. Stelde mijn broer gerust over het werk waar hij een paar dagen later zou beginnen. Zijn handen trilden terwijl hij alle liefde die hij in zich had rondspuidde.   ((Ik keek in zijn ogen. Nee, alsof ik in mijn eigen ogen keek)).   Nooit eerder had ik hem zo gezien. Zijn ogen staarden mij aan als droeve, een beetje onbeholpen hondenogen.   Hij, de man die ik vaak zo gehaat had, die mij pijn had gedaan, met wie ik altijd zwoer niks meer te maken wilde hebben vanaf ik genoeg geld had om het huis te verlaten, Hij was nu plots een droeve man. De vijand stuikte voor mijn ogen ineen. De houten man stond in brand. Het ijzer smolt weg.   Ik was bits en at snel.   Later, alleen in mijn kamer, stelde ik mij voor hoe hij nu vertrok naar zijn vergadering. Onbeholpen (opnieuw), en eeuwig alleen, zoals hij altijd was en altijd zou zijn. Dat hij het altijd is.   Ik stelde mij ineens voor dat hij, met zijn bloeddoorlopen ogen, onderweg zou sterven. Ik was in paniek: deze mens mocht NIET sterven. Nooit zo. ((De simpele reden was dat ik dan ook zou sterven.))   Sindsdien ben ik niet meer uit bed gekomen vanwege de misselijkheid. Lig ik hier -het komt in de buurt van vrijwillig- geketend.           foto: "Black Girl" (Ousmane Sembène, 1966)

Mees Ruun
0 0