Lezen

Dag 3

Dag 3   De doodgereden kraai begint stilaan te ontbinden, en iemand die hem die eerste dag niet gezien heeft, zou er ondertussen moeite mee hebben de soort van de zwarte vogel te onderscheiden. Zou het beest ooit geweten hebben dat het op een dag zo platgereden op een onverschillige asfaltweg zou liggen?   Ik fiets verder op de ongelijke stenen van het fietspad. De vlaggen die aan de supermarkt ophangen, zijn als tongen. Tongen die driftig bewegen tegen mijn fietsrichting in. Ik passeer het appartementsgebouw waar mijn lief ooit seks heeft gehad met een vriendin van mij. En hoewel spontane verontwaardiging opborrelt, gebeurde dat lang voor ik er was -misschien is dat het wel; dat ik niet bestond, er niet was-. Voor hen is de herinnering waarschijnlijk al verder vergaan dan die kraai die hier ligt, maar hij werd nieuw leven ingeblazen door mijn fantasie. De herinnering, tenminste. De kraai nieuw leven inblazen zou niet zo simpel zijn. Gelukkig maar.   Thuis zit ik voor mijn bureau in de kamer met zijn nauwe muren. Ik kijk naar het witte bureaublad. Mokkakleurige koffiekringen en wat niet te definiëren andere vlekjes. Een dood vliegje. Verder rommel in de vorm van pennenzakjes, boeken, papiertjes, blocnotes, en zo meer. En waarschijnlijk nog méér.   Aan tafel wordt er opnieuw gediscussieerd tussen J. en M., maar lang geleden al heb ik het opgegeven mij te bekommeren om welke mening er nu weer door het slijk wordt gehaald. Vaak eindigen die discussies in tranen, maar dan ben ik al lang weer naar boven gevlogen. De meesten van het gezelschap, trouwens. In gauweten blinken we uit.   ‘s Avonds maak ik een lange wandeling; tegen beter weten in geloof ik dat ik na de beweging snel zal kunnen inslapen die avond. Tegen beter weten in. Wat de daaropvolgende nacht nog maar eens bewees.   Die nachten tel ik de houten latjes van het plafond. Tel ik het aantal blaadjes die een gemiddelde tak van de krulvaren op mijn kamer telt. Tel ik hoeveel zinnen ik die dag ongeveer zou hebben uitgesproken, soms ook de woorden, maar dat doe ik altijd pas na het aantal zinnen. Dat tellen, dat gebeurde enkel in de goede nachten. Het kon erger.   Dag 4   Ik wachtte de hele nacht op hét Licht, maar de volgende dag is zo grauw dat ik beter had geslapen dan zitten wachten op licht dat zich niet liet zien. àls ik had kunnen slapen.  Fijne motregen valt als draadjes uit de lucht. Ik besluit te fietsen, maar wel in regenpak. Ik moet de putten in de weg nog tellen. Ik moet de windrichting van de waaiende vlaggen bepalen. Ik moet de kraai nog monsteren. Het karkas van de kraai, bedoel ik. Ik moet naar de les, want ik heb een diploma nodig. Ik moet heel veel, maar ik moet vooral dankbaar zijn dat het allemaal kan. Ja Ja Ja Ja Ja.   Snot druipt uit mijn neus door de koude wanneer ik het gesloopte flatgebouw passeer. Dat betekent dat ik in de buurt van de school kom. Ik lach naar een vent, maar hij draait zijn hoofd als hij het ziet.   ….   Ik rijd naar huis. Zo kortgeleden lijkt het dat ik de fietstocht hierheen ondernam en ik ben alweer op pad.  Ik fiets langs het dok. Vroeger kon je als je gewoon op het fietspad rechtdoor bleef rijden recht het donkere water infietsen. Alsof het duistere water van het dok vanzelfsprekend de bestemming was. Nu hebben ze er hekken voor gezet.   Dag 5   Gisteren was de regen vergelijkbaar met fijne draden, maar vandaag valt ze met bakken uit de lucht.  ‘Zo kan je niet fietsen’, stelt M. Al voel ik meteen een onwillig gevoel opborrelen en heb ik zin tegendraads te doen en toch door de regen te fietsen, zelfs ik begrijp dat je inderdaad zo niet kan fietsen.  Dus neem ik de lijnbus. Bedompt en met aangedampte ruiten komt ze aanrijden. De bus is vol en ik schamp met mijn rugzak tegen iemands rug. Boos gesis. Ik draai me niet om, ‘s morgens vroeg is niet het moment om met vieze adem ruzie te staan maken over iets waar niemand zich feitelijk druk om zou hoeven te maken. Ik probeer me zo min mogelijk te concentreren op de geur van ongewassen lijven en tanden en nog minder op het feit dat er nergens verluchting is in deze bus, en ik straks dus waarschijnlijk zal ruiken naar dit openbare vervoer.   …   Ik kan uren in de bibliotheek blijven zitten om de terugweg zo lang mogelijk uit te stellen, maar ooit moet ik natuurlijk wel weer terug op huis an, zoals ze zeggen.   Lege ogen van mensen die eerder bij de bus zijn geraakt dan ik, staren mij aan. Vooral de oude mensen kijken hol uit hun ogen.   Ik heb zeven nachten niet geslapen en begin mensen soms in hun reeds ontbonden vorm te zien. Dat is eng, maar ook behoorlijk interessant.   Twee zwarte kinderen stappen in. Ze zijn behoorlijk jong. Het jongste kind huilt. Nogal hard. In mijn oren voel ik een dwingend piepgeluid. Ach ja ook, ik was vergeten dat ik geen hard lawaai verdraag.   De man achter mij maakt bezwaar. Hij steekt een hele tirade af tegen het kind dat het huilende kind vergezelt. Dat hij ervoor moet zorgen dat dat kind kapt met huilen. Maar zo zegt hij het niet. Hij roept. Zijn taalgebruik is waardeloos. Even vraag ik me af waar hij zo heeft leren spreken.   ‘Excuseer’, probeer ik tussen zijn tirade te komen. Hij geeft me niet de kans, maar richt zijn bliksemende frustraties nu op mij. Alsof ik dat kind aan het huilen heb gebracht. Alsof ik ertegen kan. ‘Nu moet u even luisteren’, zeg ik. Ik gebruik nog steeds een beleefde aanspreking. Terwijl de rotvent me intussen uitscheldt voor stronterige bakvis.   Maar hij luistert niet. Hij is onwilliger dan ik vanmorgen tegenover M. en nog onwilliger dan mijn slaap ‘s nachts.   Ik voel hoe ik opsta, maar ‘t gaat vooral vanzelf.   Wanneer de man op de grond valt na de enorme vuistslag die ik hem midden in zijn lelijke tronie heb gegeven, kom ik weer bij bewustzijn.   ‘gespuis’, zeg ik.    Maar ‘t blijft niet zonder gevolgen, natuurlijk. Ik heeft een diploma nodig, en ik heb eigenlijk slaap nodig, en er zijn egels en orde nodig en dan is er nog straf, dat ik nodig heb.    

Mees Ruun
0 0

Vlezige oorlellen en grote oren

Het was een doodgewone bruine kroeg die je vroeger in elk dorp vond. Er hing een intieme sfeer van huiselijke gezelligheid en geborgenheid die je alleen in zulke cafés aantreft. Het doorleefde karakter van dat staminee was authentiek en daarom niet na te bootsen. De verweerde spiegels en de zwart wit, vergeelde foto’s in de houten bruine omlijstingen deed vermoeden dat de krocht vroeger ook nog dienst had gedaan als coiffeurszaak. Tegenover een groep mannen aan de toog die luidruchtig praatten, zat een ongewoon koppel. De man, hooguit een paar jaren ouder dan ikzelf, had het muffe uiterlijk van iemand die zich in een bureau van het plaatselijke postkantoor helemaal in zijn element zou voelen. De dame die in zijn gezelschap vertoefde, was fris en fruitig. Hoewel het behaaglijk, zelfs iets te warm was, stonden twee kippen met de bek door de draad naar mij te staren. Waarom de dame in kwestie, onder die witte bloes geen bh droeg en waarom me dat opviel is vreemd maar niet geheel onlogisch omdat belangrijke details mij nu eenmaal altijd onmiddellijk in het oog springen. Net zoals de subtiele tekening van jing en jang die op haar pols, in permanente inkt was gekerfd, me ook direct was opgevallen. Hij (de man dus), had helemaal niets weg van George Clooney of van Harrison Ford en die vergelijking was een onderschatting. Zijn hoofd was veel te groot voor het kleine gezicht dat hij maar had. Het was een vreemde snijboon. Door het zware hoofd leek zijn nek te lang voor de karakterkop die hij ermee moest torsten maar het waren vooral zijn grote oorlellen die opvielen. Ze waren donzig en vlezig en er groeide dikke grijze haren op. “Eens er haar uit neus en oren groeit, is het vet van de soep”, taxeerde ik de zonderling zonder een verder aanwijsbare reden, die mijn minzaamheid zou kunnen verantwoorden. Op zijn paarse aardappelneus, die rood dooraderd was balanceerde een vierkant brilletje met beduimelde glazen. De trenchcoat die hij droeg, zat vol met vlekken en ingebrande sigarettengaten. Toch hing de jonge vrouw, van hooguit dertig vol bewondering, haast gebiologeerd aan zijn lippen, alsof hij haar de mooiste woorden toe fluisterde. Zonder aarzelen nam ik curieus plaats naast het vreemde stel. Ik was op gehoorafstand gezeten zodat ik weldra, nieuwsgierig zou kunnen achterhalen wat de snuiter allemaal te vertellen had en vooral waarom de liefelijke verschijning al haar aandacht er aan opofferde. Ik werd bediend met koffie. Of wat er moest voor doorgaan. De bak troost werd door een dame met witte schort helemaal naar de verdoemenis geholpen omdat het zwarte sap dat door de espressomachine aan de gemalen koffieboon ontwrongen was, aangelengd werd met veel te veel water. Water dat dan nog te heet was, waardoor de natuurlijke bitterheid van de boon helemaal verbrand werd. Mijn voorkeur gaat eerder uit naar ‘slow coffee’ die traag doorsijpelt in een filterzakje waardoor alle aroma’s en smaken zich op het juiste tempo vrijgeven zodat de bittere zuurte in alle schakeringen kan geproefd worden. Al dan niet met wat zoetigheid. De harde botertruffel met chocoladeschilfers die bij de zwarte leute bij geserveerd werd, compenseerde gelukkig wel ruimschoots de slapte van het brouwsel. ‘Hoe krijgt hij dat toch voor elkaar?’, dacht ik met ingehouden, niet-gespeelde jaloezie, absoluut niet wetend waarover hun conversatie ging of wat hun onderlinge relatie was. Na drie te slappe koffies en drie te harde schilfertruffels, kwam ik erachter dat de man buiten een academische ‘ik begrijp het en hoe voel je je daarbij of hoe ben je daar dan mee omgegaan’, helemaal niets te vertellen had. Met zijn veel te grote oren deed hij niets meer maar ook niets minder dan alleen maar luisteren. Naar dramatische, in trieste verhalen van een jonge dame die al veel te veel had mee gemaakt voor de jaren die nog maar op haar teller stonden. Toen ze even later de deur van de kroeg achter zich hadden dichtgetrokken en elk hun eigen weg gingen dacht ik. Het is helemaal niet door sterke verhalen te vertellen of straf uit te pakken met goed bedoeld slecht advies dat je eerlijke aandacht krijgt. Die krijg je volgens mij alleen maar door er gewoon oprecht geïnteresseerd naar te luisteren. Naar hoe ze ontstaan zijn en naar wat ze aangericht hebben. Ik bestel nog een vierde koffie en besluit ook nog maar wat verder te zwijgen. Misschien mag ik dan straks ook luisteren naar een innemend verhaal zodat ik ook kan vragen hoe je daar dan mee bent om gegaan. Misschien koop ik ook nog wel eens een oude trenchcoat met vlekken en met ingebrande sigarettengaten. Wanneer er grijze haren uit mijn neus en oren groeien.

jan pultau
11 1

Hoe lang was het geleden… de eeuwige stilte?

Hoe lang was het geleden? Het verhaal in het verleden voor de mensen van heden. Hoe lang was het geleden? Dat ze elkaar terug in de ogen konden kijken? Een zerk ertussen. Van de melkboer, die van zijn melk was toen zijn zaak van melk op de fles ging. Tetra Pak. Dat was de toekomst hadden twee Zweden bedacht. En het was afgelopen met melk en fruitsap in flessen. Zijn zaak en zijn hart begaven het. Nu ligt hij spelbreker te wezen tussen hen. Zij die daar in elkaars ogen keken en zagen dat het goed was. Die elkaars hart hoorden tikken. Tot ze alleen hun dikke hoorapparaat nog zagen als ze hun dikke bokaalglazen met de wind voelden tikken op hun dikke neuzen die in tegenovergestelde richting stonden. In melkwitte letters staan hun namen nu geschreven in dikke basalt. En tussen hen in met gouden grote dikke krullen die van een melkboer die zijn tijd had gehad. De koeien stonden werkloos in de wei. Sojabonen moest het nieuwe stadsvolk hebben. En tofu en glutenvrij brood. De molenaar verbleekte op een oude prentbriefkaart. De oude tijd zou verhuizen naar filmarchieven. Zelfs de bibliotheken deden hun beeldenstorm met letters en woorden. Digitalisering. Computerisering. Online. Lenen en ontlenen zonder stof of zorgen. De oude bank verdween. Versleten en niet vervangen. Alleen de Leie bleef meanderen zoals voorheen. Ze keek alleen in de bocht de andere kant op. Weer drie knipogen de oude rivier verder de stad in begeleiden. Een mist stak op. Het werd weer avond.   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
0 0

Hoe lang was het geleden?

Hoe lang was het geleden? Niemand zou het weten. Hoe lang had het geduurd voor ze elkaar zagen? Ze konden niet helder denken, alleen vragen. Was het een herfstdag, lente of in mei? Dat ze daar zaten, een bankje aan de Leie. Ze keken elkaar aan. Ze waren dezelfde en toch anders. Anders dan voorheen. De nieuwe oude kennismaking. Een gebaar, een streling, een gewaarwording. Veel te lang had het geduurd. Zoveel water door de Leie. De boten van voorheen waren reeds versleten. Van een ‘goede behouden vaart’ naar ‘uit de vaart’. Ze vluchtten niet langer in het verleden.   De nieuwe tijd sloot oude wonden en bracht leed en nieuwe wonden. Een andere tijd met een oude piano. Een piano die niet gestemd moest worden. Voor stemming was geen tijd. En hun oren waren reeds jaren versleten. Versleten, maar het bleven oren. Lang, uitgerokken, verweerd door tijd en jaren. Ze hoorden elkaars glimlach en ze zagen het schuren van eikenbladeren over de weg van het leven. Horen werd zien en zien werd horen. Dat schijnt zo te horen. Er waren niet langer beperkingen. Er waren niet langer aparte zintuigen. Ze waren één geworden met de houten bank. Verweerd door weer en wind.   De groene verf afgebladerd. Het hout gebarsten zoals een barstend hoofd na een avondje te veel gaan stappen. De oude zitbank had zichzelf verzopen in het grijze water van de Leie. Het riet verborg niet langer de vogels die voor schaamte waren weggedoken. Het riet gaf het op. De zwaarste storm had het doorstaan, maar de maandenlange regen verrotte de boel tot in de holte van de stengel. De houten bank was de schaduw van de dinsdag- en donderdagmiddagen en fleurde alleen op zondagochtend nog op. De week werd korter. Het oudere koppel bleef langer weg. Tot alleen hun namen waren te lezen op het kerkhof aan de andere kant van de Leie.   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
0 0

Kruistocht in pamper

Geween maakt me wakker. Het is 7 uur en ik had nog een half uurtje extra slaap voorzien. Maar het geluid is dwingender dan een op hol geslagen brandalarm. Negeren is geen optie. Spurtje naar de keuken voor een immer troostend flesje. Dat brengt vandaag weinig soelaas. Ik merk dat ook zij nog een half uurtje extra slaap had kunnen gebruiken. Ze is zich daar zelf ook van bewust, ondervind ik aan het gehuil dat enigszins vervelt tot gejammer. Gejammer dat me vergezelt wanneer ik in de douche sta, mij aankleed en haar naar beneden wil dragen. Bovenaan de trap zet ze kracht bij. Gejammer wordt gekrijs. Want naar beneden gaan, kan ze sinds twee dagen helemaal zelf. Enig inschattingsvermogen van de mogelijke gevolgen van hysterisch gekrijs bovenaan trappen, heeft zich niet parallel ontwikkeld. Ik vraag me kort af hoe pedagogisch verantwoord het is om toe te geven aan dat hysterisch gekrijs, waarop ik resoluut voor de lieve vrede kies. Deze houdt de volle 15 minuten stand. Tot ik me schuldig maak aan een mensonterende behandeling waar ze zich hevig tegen verzet. Haar kleren en schoenen aantrekken. Het blijken bovendien de foute schoenen. Haar rode Conversejes hebben afgedaan. Het zijn de roze katsjoe botten die haar voorkeur wegdragen. Opnieuw ben ik in dubio, maar ditmaal houd ik voet bij stuk. Pluim op mijn hoed. Represailles van haar kant. Tijdens de drie minuten durende rit naar de crèche, besluit ze Anunagewijs nog even alles uit de kast te halen. Opdat ik het geweten zou hebben, dat ik haar het recht op katsjoe botten niet zomaar kan ontzeggen. Een mens zou bijna denken dat het hierop volgend kiss&ride-moment een opluchting is. Maar mijn moederhart bloedt. Hoewel er volgens mij foltertechnieken bestaan die babyaans gekrijs impliceren, kan ik niet wachten om het opnieuw te aanhoren. Tot dat moment zich weer aandient, dat spreekt.

freelise
0 1