Lezen

Op reis gaan en niets gezocht maar ook niets gevonden (R Anker - Goede manieren, XIV)

Junkiebloed dat stroomt en hij lacht eens aangekomen. Hij is vertrokken maar zo voelde thuiskomen. Nieuwe routines als verslaving dit keer. Hij is de laatste dagen wat stil. Gelukkig liegt dit land niet, is het recht voor zijn raam zichtbaar als een schilderijtje dat hij eens kocht in zijn al vergeten roots. Het hangt er nu wat te hangen en bedoelt daarmee niets. Wij kijken fout. Bijgevolg voelen we net niet genoeg   om onder de radar te blijven. Daar zijn we, we zuchten, en vegen daarmee elke laatste vlek bestaan weg. ‘Wel zo zal het al helemaal niet lukken, dat - hoe noemt u het - dat ontnuchteren.’ We leggen niets uit, oke, dus zwijgen is een voorkeur. Gesprekken waaien toch altijd aan als hoogste toon in de holle ruimte, de bocht van bestaan, onder het juk van het moraal. Vertegenwoordigd door het nu blijft er niets dan taal voor ons over. Het zal weinigen verbazen dat het zootje dode dichters op mijn nekvel glijdt tot ik me corrupt voel. Pas op parasiet. Pas op hij is allergisch aan standvastigheid & zekerheden. Waarna hij de laureaat wordt ergens in Athene en de gouden ik-schrijf-soms-boeken-prijs mee naar huis sleept als trofee van een kort leven, hem in zijn geheugen klieft, lustig de taal doceert aan zij die niet weten hoe schuin door een boek te lezen, of tussen de letters de liefde zouden kunnen bedrijven, maar niet heus. Met taal zal je gooien zegt hij of je kan de aangeslagen ruit inwijden door er je voornaam in te tekenen. Hij blijft verbaasd voor zich uit staren als dit tot hem doordringt, je had maar niet moeten slapen zeg ik nadat hij droomt, de deur klap ik dicht, mijn stem heb ik eigenlijk onaangeroerd gelaten.

Dries Verhaegen
0 0

Het maar ik

  JijJij weet het niet Maar ikJaIk weet het wel Dat meen je nietJe liegt tegen jezelfZo heb het niet bedoeld Zie jeDat ben ikZo ben ik danIk ben Maar jijJij twijfelt,Je meent het nietWaaromDat wil ik nietIk wil niet dat je liegt NeeIk ben wie ik ben dusJa Ik meen het datIk twijfelHet isHet is zoals het isWaaromIk wil dat niet Maar jijJij meent het gewoonJij meent het en het is waarHet is gewoonZo gewoon Ik ben het gewoon zoIk weet wat het isHet is zoals het isWaaromHet is ik Je twijfelt waaromWaarom Het is te mooiMaar ik Het is mooi zoZo is hetIk Ik zie jeIk die het zieJe ziet wat je wil Je ziet nietIk wil stervenWaarom Sterven het is te mooiWaarom sterven maar wetenSterven dat jij het weetHet is mooi zoMaar goedIk weet het Zie jeJe wil niet Sterven ondanks Het is maarIk Zie hetIk wil dat je weet je weet dat ik het weetWeet je Meen hetIk twijfelTwijfel niet meer WilNiet sterven WaaromIk vraag aan jou waaromNiet Ik vraag het aan jouAan jou en niemand andersAan jou omdat niemand anders weetZie jeNiemand ziet Zie je niet dat ik ook twijfelWeet jeOmdat ik niet lieg tegen ik Is het Maar ikHet is maarIk ben het niet meer Het moetIk moet zwijgenZeg me waaromWaarom ben je zo moe JaMaarJa zeggenJa het moet Het moeten willenNiet mogen stervenIk wil niet meer Je moetJaZeggenJe magNiets zeggen Nee Sterven voor jouw twijfelOmdat ik het weetIk weet het gewoon Ik wil sterven voor jouMaar jij wil niet dat ikIk meen hetSterven wil je ook Niet mogenWil ik dat nog Maar ik ben echtJe weet hetWeet het gewoon Je weet het niet zekerWeet van niet beterHet isMaar ik meen Je weet het ook niet meerKan dat niet wetenMag ik niet weten watIk weet niet wat je zegtEcht Ken jezelf Dat is ZoMaar goedDat ben ik maar Ik zou dat nooit doen Mag nietMoetIk kan het niet meer zeggenIk mag nietMaar ik wil sterven Ik ken mezelf Ik wil niet sterven in het zwijgenIk wil sterven en wetenHet weten dat wil ikIk wil dat waarom Waarom wetenJe meent het echtMeen je dat ik niet mag Zou kunnenHet zou mogen Maar IkWil sterven en weten dat jij weet dat Niet gewoon bent om anders te zijnIk ben andersGoed Dat ik anders ben maar echtAnders gewoonDat wil ik zijnIk kan niet anders Ik mag niet gewoon Kan niet zijnMoet het gewoon worden Wie ik benAllesGewoon worden Ik moet niet allesAlles gewoon wordenVan jouWil ik allesAlles voor jouAnders dan jezelf Jij bent gewoonDat wil ik ookGewoonJe wil dat ik word wie ik benAlles Ik wil dat zeker zijnBen je Zeker dat ik het meenIk Waarom jij Niet ik Waarom wil ikSterven voor waaromWaarom niet voor mijVoor jouDat wil ik nietIk wil dat je wordt wie je bent Maar jijJij weet niet waarom Ik      

Robijn Bodijn
9 0

De Raadselige Roos 2019: schrijfwedstrijd voor amateurs van Literair Café Venray

Een nieuwe Raadselige Roos van Literair Café Venray  Zoals elk jaar nodigt Literair Café Venray en de organisatie van De  Roos , alle amateur-dichters en     -prozaïsten in Nederland en Nederlandstalige België uit om deel te nemen aan de inmiddels alweer 27ste editie van de schrijfwedstrijd ‘De Raadselige Roos’.    Ten opzichte van de voorafgaande jaren zijn er enkele wijzigingen, verbeteringen doorgevoerd om deze schrijfwedstrijd nóg aantrekkelijker en toegankelijker te maken voor meer amateur-schrijvers en -dichters. Deelname is voortaan mogelijk voor iedereen vanaf 16 jaar en woonachtig in héél Nederland en Nederlandstalig België. De inschrijfkosten voor deelname zijn verlaagd van € 25,- naar € 20,- voor deelnemers van 26 jaar en ouder en naar € 10,- voor deelnemers van 16 jaar tot en met  25 jaar.      Een gedicht moet uit minimaal 50 tot maximaal 150 woorden bestaan. Een prozaverhaal uit minimaal 500 tot maximaal 1500 woorden. Zowel een  ingezonden gedicht als verhaal mag niet eerder gepubliceerd zijn. Iedereen kan aan De Raadselige Roos-schrijfwedstrijd deelnemen door vóór 1 oktober 2019 één gedicht en/of één verhaal per e-mail in te zenden naar: raadseligeroos@literaircafevenray.nl. Wanneer men een gedicht én een verhaal inzendt, dan zijn de inschrijfkosten respectievelijk € 25,-  of € 15,- euro. Dit jaar is gekozen voor het thema ‘bevrijd’, dat  centraal staat in en het verplichte thema is voor alle inzendingen, zowel poëzie als proza. Een vakjury-poëzie en een vakjury-proza kiezen elk een eerste, tweede en derde prijswinnaar. Hun inzendingen worden opgenomen in de bundel De Raadselige Roos 2019. Beide nomineren eveneens vijf werken van dichters en verhalenschrijvers voor publicatie. Daarnáást kiest een publieksjury één winnaar in de categorie poëzie voor de Rooje Roos-prijs en nomineert zij eveneens het gedicht van vijf dichters voor publicatie in de bundel.   De feestelijke bekendmaking van de winnaars en genomineerden vindt plaats op zondag 19 januari   2020 in de foyer van de Venrayse Schouwburg. Voor de beide eerste prijswinnaars in de categorie poëzie en proza en de winnaar van De Rooje Roos-prijs, zijn er een mooie trofee, het juryrapport en een boekenbon van € 30,- . Voor de tweede en derde prijswinnaars in de beide categorieën zijn er het juryrapport en een boekenbon van respectievelijk € 25,- en € 20,-. U kunt alles over Literair Café Venray, De Raadselige Roos, het reglement voor en verder informatie over de schrijfwedstrijd nalezen op: www.literaircafevenray.nl 

literaircafevenray
123 0

Pimpelmees van de foor.

Hoewel ik haar blik wou vermijden, ontmoetten onze ogen elkaar halverwege het gejoel, ergens tussen het schietkraam en de autoscooter, al heette die attractie in die tijd gewoon nog de botsauto’s. Zij keek snel verlegen weg en ik deed hetzelfde. Indien ik haar was blijven aankijken zou het me zeker zijn opgevallen dat ze lichtjes bloosde en dat ze met de tong voorzichtig haar bovenlip beroerde maar ik was nog veel te groen achter de oren om dat op te merken, dus keek ik ook snel achteloos weg, naar de prijzen die één kapotgeschoten pijpje in het schietkraam zouden kunnen opleveren. Zij kon onmogelijk weten dat ik heel veel moeite had gedaan om haar preutse oogopslag te vangen want telkens ze mij in de gaten kreeg, keek ze schaapachtig weg. Ik zal ook wel gebloosd hebben en mijn ogen zullen wel geblonken hebben maar dat was haar ook niet opgevallen. Mocht ik haar nu tegen het lijf lopen, ik zou haar garderobe goedkoop en een beetje vulgair vinden, maar toen gaven de zwarte plak-netkousen die ze onder haar grijze plooirokje droeg met daarboven een rode wollen jas met veel te brede schoudervulling haar iets mysterieus en onbereikbaar. Voor mij was ze de diva van de foor. ‘For your eyes only’, Sheena Easton zong door luidsprekers in woorden die ik maar half verstond omdat de BBC alleen aan de kust in het zenderpakket zat en we thuis dus alleen maar keken naar Nederlands gesproken uitzendingen van BRT één, BRT twee en Holland één. Ik had vijftig frank, drie jetons voor de botsauto’s en twee kaartjes voor de rups in mijn broekzak. Die zouden die bewuste namiddag nog goed besteed worden op het dorpsplein van Muizen waar de kermiskaravaan voor het lange weekend was neergestreken. In zaal Rerum Novarum vond op dat moment naar jaarlijkse gewoonte tijdens de grote kermis ook de vogelshow plaats. Een paar lokale duivenmelkers toonden hun prijsduiven en een handvol parkietenkwekers en kanarieliefhebbers gaven met evenveel lawaai als de vogels die ze tentoonstelden commentaar op hun favoriete gepluimde vrienden. Toevallig of niet maar zij paradeerde daar ook. Ze laveerde er tussen kooien en keven die overvol zaten met kippen en hanen en tussen volières waar exotische paradijsvogels en Chinese nachtegalen in rondfladderden. ‘Wist je dat de pimpelmees de trouwste zangvogel is en dat de rest van de mannetjesvogels al vreemd gaat vanaf het ogenblik dat de eieren gelegd zijn’, vroeg ik haar stompzinnig omdat ik geen andere veilige openingszin kon verzinnen. Toen ik haar met die wetenschap overviel zal ik zeker zo rood zijn aangelopen als de pioenen die bij mijn grootmoeder een paar straten verder in de voortuin bloeiden. ‘En wat voor vogel zijt gij dan wel? Een pimpelmees, een straatmus of een papegaai want ge kwettert wel nogal.’ Haar brutale antwoord stond me wel aan want ik antwoordde met heel slecht geacteerd zelfvertrouwen, dat ik haar dat wel in haar oor zou fluisteren in de rups. ‘Binnen vijf jaar dan toch’, bitste ze terug,  ‘wanneer ge uit uw korte broek gegroeid zijt’, en er verscheen een soort van glimlach op haar veel te rood gestifte lippen zodat het een grijns leek. Na twee zinnen stond ze al voor op punten en dat was slecht nieuws voor mijn gespeelde zelfverzekerdheid maar ik liet me er net als de vogels niet door uit mijn kot lokken. ‘Ziet ge die eend daar in die keef?’ en ik wees naar een mannetjeseend met een groene kop die wat verderop in een rieten mand nerveus rond trappelde. ‘Die is er veel slechter aan toe dan wij want als die gaat, waggelt zijn gat zo hard dat het lijkt alsof hij de ganse dag heeft paardgereden. Nu ziet ge dat niet maar als die stapt krijgt die zij poten niet meer toe.’ Ze probeerde ongeïnteresseerd haar ogen te rollen maar omdat zij een veel slechtere actrice was dan ik proestte ze het na twee seconden toch uit. ‘Gij zijt een grappig baazeke met uw korte broek en uwe grote mond, van waar zijt ge want ik heb u hier nog niet gezien?’ ‘Van over de stationsberg, van aan den overkant van de Steenweg. Zeg, zijt gij die vogels ook niet een beetje moe? Gaat ge met mij niet mee in de rups, ik heb al kaartjes.’ ‘Ja, om mij proberen binnen te doen zeker? Vergeet het maar, daarvoor is uw broek nog veel te kort. Betaal mij liever ne gesponnen suiker, als ge centen hebt tenminste, daarbij ge hebt me nog niet eens gezegd of ge nu een pimpelmees zijt of niet.’ Door die twee gesponnen suikers en die twee appels op een stokje was mijn kermisbudget een uur later al met een vijfde gesloken. Ik zat precies met een dure vogel op mijn dak bedacht ik en ik moest met mijn resterende veertig frank en met mijn drie jetons nog twee dagen toekomen. ‘Moogt gij karekollen?’ vroeg ik haar goed wetende dat haast geen enkel meisje van vijftien karrekollen lust. ‘Beikes!’, was dan ook zoals te verwachten haar antwoord omdat meiskes van standing in die tijd nog niet ‘ieuw’ zeiden. ‘Dat ga ik nooit van mijn leven eten, dat zijn precies dikke snottebellen uit de zee’, zei ze met een gezicht alsof ze die ooit al eens gegeten had. ‘Ik denk ook niet dat gij dat durft’, zei ik heel zelfzeker omdat ik wist dat ik met dat doordacht manoevre een lijn uit smeet ik waarmee ik in het Vrijbroekpark al dikkere karpers had bovengehaald. ‘Wat krijg ik als… , en ik zeg wel als ik dat toch doe?’ En ze liet die als klinken alsof de beloning er niet mee toe deed maar wel alsof ze tegenover een brutale snaak in korte broek geen gezichtsverlies wou leiden. ‘Ge moet met mij niet durven of doen spelen als ge dat niet wilt he, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat ge straks ziek wordt …’ Ik kreeg de kans niet om mijn zin met ‘..in de rups’ af te maken want ze onderbrak me met een vastberadenheid alsof ik al haar dapperheid en pit met mijn opmerking in vraag had gesteld.  ‘Peisde echt dat ik dat niet durf, zeg het maar he, wat krijg ik of durft gij niet meer misschien?’ Ik toonde haar mijn jetons van de botsauto’s en de kaartjes voor de rups en zei, ‘als ge dat wilt kan ik u vandaag vrijhouden, ge moogt overal mee in waar ik in ga en ik wil er zelfs nog een kaartje van het spookhuis bijdoen, maar dan moet ge wel op die slakken bijten en ze niet zo maar doorslikken.’ De karrekollen kraakten tussen haar kiezen zoals zand dat doet wanneer je slecht gewassen mosselen proeft. Door het speels geplaag was de romantische spanning de hele middag naar een climax opgevoerd dus wisten we geen van beiden wie de weddenschap nu gewonnen had en wie ze verloren had. Toen in de krakende houten rups, tijdens het vierde rondje dat achterwaarts gereden werd de groene kap dicht viel en ze in mijn oor fluisterde dat ze hoopte dat ik een pimpelmees was, had ik nog veertien frank en vijfentwintig centiemen.

jan pultau
0 0