Lezen

Djoembier

    Nagels wijzen naar de lucht. Aan een tros ballonnen, kijk, het kind drijft weg en boven wacht een hemelmeer, dobbert er een luchtmatras. Het punthoofd is van de fakir.   Ricky wil ook naar de top en bij het winkeltje, bij de belegde broodjes, honing, ooretter in potjes, daar begint het pad. Je moet eerst door het bos van de gewurgde tijd, pluk er bessen, zwammen worden best venijnig, als je zomaar stippen op de hoedjes tekent.   Ricky is een doorzetter. Nochtans. Zijn koffertje het bulkt van onheil en verlossing. Alles is geregeld. Blijf kalm! Ginds beneden achter bergkammen wacht een knalblauw busje. Op de laadvloer kan je alle knopen vinden, het tapijt is lekker hard.   Ach Ricky, de spits van de Djoembier, je bent er zo. Zotten hebben alles geplaveid, de brokken ziek geschikt en in de hut verblijven alle daders, eten ze goulash met knedla. Een haardvuur knettert, kiekjes schiet je, vang het uitzicht, lach of kwetter, tongen proeven sap van zoet gelul.   Genoeg, het zal, geloof me, vriend, je hebt gedroomd van beterschap toekomst, papegaaien met te grote tieten, een drol smeulde in de microgolfoven, echt waar, ik zweer het, niets is van mij, geen ene streek, het schilderij is zonder vorm, de worm wilde geen vel, appelsienen zonder schil worden gesneden voor een peuter. Zwaai niet. Ga nu. Bergaf.   Er is een kabelbaan die niet eens rammelt, Milan heeft een hendelhand, stap in, maant hij en in de gondel zit hij stil, naast die fakir met zijn een blik vol gaten. Kijk toch naar beneden!   Zonder lier en zonder kabel zouden zij nu vliegen. Over liefdeshuizen, klinieken voor abortus van de kleinigheden en in zijn tuin heeft een man de tomaten vrolijk ingekleurd. Wat gebeuren moet vindt plaats, onder het zitje zit het spul, een paardenmiddel. Dood lust leed en wonder!   Sluit ze, Ricly, je ogen, de beelden van de smurrie, van de smeerlapperij. Zeg geen vaarwel aan uitgezongen krekels, groet de sheriff van de stoere zielen niet want alles is te moe, de lucht in de ballonnen, zelfs de melkkoe braakt oranje en de mussen mijden kruimels van het kind.   Zwijg. Het is zoals een boom. Laat los alle ballonnen. De bladeren, die snel hun groen verloren, heb je volgeschreven. Volg de takken stam en wortels, nagels bijten doet geen haan, geen kraai. Ontspan. Loop leeg. Slaapwel. De bodem wordt van jou.         uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 0

Verlossing

De man met de rode jas staat al een halfuur aan het loket aan te schuiven voor hij aan de beurt is. Gelukkig gaat het goed vooruit. Onderaan het bordje ‘ Dienst Bevolking’ is inderhaast een papier met plakband vastgekleefd waarop te lezen staat: ‘Elegancy Plan 70+’. ‘Volgende.’ ‘Morgen. Een dubbele aanvraag graag.’ ‘Moeder én vader?’ ‘Inderdaad.’ ‘Vanaf wanneer hebben zij hun wens te kennen gegeven meneer?’ De man denkt even na. De ambtenaar achter het loket kijkt hem aan en duwt zijn bril op zijn neusrug omhoog. ‘Hoe lang is de vraag al actueel bedoel ik’ voegt hij er verduidelijkend aan toe, waarna hij zorgvuldig de datum noteert. Tussen haakjes vult hij in hoe lang de vraag al tussen hemel en aarde hangt: 7 maanden. Ook dat valt binnen de redelijke termijn. ‘En beiden hebben u  herhaaldelijk te kennen gegeven dat zij hun leven wel degelijk als voltooid beschouwen?’ ‘Jazeker, ik heb hier een schriftelijke…’ ‘Niet nodig hoor meneer, we geloven de mensen wel. Het wordt ze al lastig genoeg gemaakt met al die procedures. De laatste wetswijziging is een echte verbetering gebleken, de kinderen worden nu erkend in hun poging om redelijkheid in die oude hoofdjes binnen te brengen wanneer die maar al te vaak vast blijven houden aan voorbijgestreefde ideeën. Vanaf een bepaalde leeftijd ben je gewoonweg hulpbehoevend, ook in het maken van sommige keuzes.’ ‘Ja, die vereenvoudiging heeft het gelukkig voor iedereen wat toegankelijker gemaakt’  zegt de man. ‘Uiteraard. Het is veel laagdrempeliger geworden meneer, voor alle lagen van de bevolking,  zoals de wet hoort te zijn : duidelijk en transparant voor elke burger’ zegt hij opgetogen. ‘Ik heb een attest bij van de huisarts, men raadde ons…’ ‘Geeft u maar.’ Zonder het document te bekijken schuift hij het tussen het doorzichtige mapje naast hem. Hij vinkt het begin van een paragraaf af. ‘We gaan ervan uit dat na jaren huisbezoek de huisarts zich loyaal opstelt ten overstaan van zijn patiënten. De eerstelijnszorg bestaat bij gratie uit deze attitude meneer, ze is er de basis van.’ De man in rode vest knikt. ‘Hoe oud zijn uw ouders meneer?’ ‘Mijn moeder vierenzeventig, vader is drie jaar ouder.’ Samen uit, samen thuis hé?’  grinnikt de ambtenaar. ‘Hoe romantisch vind ik dat altijd toch.’ Zijn gezicht verandert plots en valt uitdrukkingsloos even stil, maar herstelt zich vrijwel onmiddellijk. ‘Vanaf vijfentachtig  is er de basispremie, die elk aflopend jaar al snel de hoogte in gaat. Uw moeder valt in een lagere categorie.’ ‘Mijn vader bedoelt u?’ ‘Nee meneer, het is verbazend hoe veel mensen dat denken, maar hoe jonger de kandidaat, hoe hoger de premie. Iemand die niets meer in te brengen heeft, economisch op de rug van de samenleving renteniert, en waar de staat nog pakweg twintig jaar moet voor zorgen in plaats van tien, dat  valt heel wat duurder uit. Die zienswijze klinkt logisch uiteraard, de federale overheid heeft dat knap gezien.’ Instemmend geknik aan de andere zijde van de balie. ‘Ik ben ook verheugd  u te mee te kunnen delen dat samenverlaters een extra premie bovenop de voor ieder apart geldende regeling krijgen, enfin, de nabestaanden bedoel ik dan. Als alles samen door kan gaan, de drukker, de dienst, de koffietafel, wettelijke afhandeling en notariskosten, noem maar op, dat drukt de prijs enorm, dat begrijpt u vast wel.’ ‘Dat wist ik niet, maar nu u het zo zegt…’ ‘Uiteraard. De nieuw aangenomen wet stipuleert dat...euh..waar staat het hier…ja, hierzo, en de man wijst de paragraaf met zijn balpen onderaan het document aan: “ het Koninklijk Besluit van 12 januari kent een premie toe aan nabestaanden die kandidaat-voltooiden ervan kunnen overtuigen hun verantwoordelijkheid ten aanzien van maatschappij en significante naasten op te nemen.” ‘Bovendien, ziet u’ zegt de ambtenaar, ‘en dat wou ik toch nog maar eens herhalen, is er die bijkomende premie voor diegene die samen wensen te gaan. Hoe schoon is dat toch, na al die jaren? Geen verdriet voor de partner die anders achterblijft. In goede en kwade dagen! Goede zorg noem ik dat.’ ‘Gemakkelijk is het toch allemaal niet’ werpt de man in rode jas tegen. ‘Natuurlijk niet meneer, dat beseffen we maar al te goed, we zijn ook geen onmensen, u heeft het beste met hen voor. Uiteraard is dat zo.’ Hij kijkt bijzonder begripvol naar de man die voor hem staat. ‘Maar eigenlijk, als je er goed over nadenkt’ gaat hij verder, ‘moeten zij u dankbaar zijn dat u dit in alle wijsheid bespreekbaar maakt. U behoedt ze immers voor verdere aftakeling, voor onnodige ontluistering. Alle ongewenste zaken snijdt u gewoon de pas af, ziet u, en onze welvaartsmaatschappij kan op die manier terug op adem komen, de sociale zekerheid staat niet langer onder ondraaglijke druk. En, ook niet onbelangrijk, er is terug plaats in de rusthuizen, weliswaar voor diegene die willen volharden in koppigheid. ‘Zij die nog even willen blijven bedoelt u?’ ‘Ja, zij die zeggen dat ze er nog niet klaar voor zijn, en, stel je voor, die zeggen dat ze nog van alles te doen hebben! Terwijl ze daar al die jaren de tijd hebben voor gehad! Maar geen nood, verwacht wordt dat er binnen een maand of drie een wetsontwerp wordt goedgekeurd dat onverstandigen voor alle kosten zal responsabiliseren. Zoals het al lang -en terecht ook - is ingeburgerd dat de vervuiler betaald, zo zal in deze particuliere gevallen de halsstarrige langlever ook dieper in de beugel moeten tasten. Maar ook voor dit zal een grenswaarde  worden gehanteerd. Tussen haakjes, het is knap om zien hoe uitgekiend de integraalberekeningen voor de leeftijdsvariabelen en inputparameters in elkaar steekt, het zit echt goed ineen, dat moet ik ze nageven. Zo zal bijvoorbeeld boven een bepaalde leeftijd een pacemaker gewoonweg niet meer verkrijgbaar zijn, of draait men de peperdure nierdialyse terug van drie naar eenmaal per week. Allemaal te verdedigen uitdoofscenario’s uiteraard, vindt u ook niet?’ De man in rode jas knikt opnieuw en durft niet te zeggen wat hij denkt: een vervaldatum. Dat zou te scherp zijn. Na een korte stilte stelt de ambtenaar, geheel tegen het werktuiglijke van het gesprek in, een persoonlijke vraag. ‘En hoe kijken uw ouders er zelf tegenaan meneer, hoe gaat het nu met hen?’ klinkt het onverwacht bezorgd. ‘Ja, goed hoor, dank u, gezien de omstandigheden toch. Een beginnende suikerziekte en een kleine beroerte hebben het gesprek wat in goede plooien doen vallen. Dankzij zou ik bijna zeggen. Er was wel wat overredingswerk voor nodig maar uiteindelijk zijn ze tot inzicht gekomen en willen zij het beste voor hun kinderen. En natuurlijk willen ze niet lijden, dat speelt ook wel mee, dat haalt een zinnig mens altijd wel over de streep denk ik altijd. We zijn hen heel dankbaar. We houden allemaal heel erg van onze ouders, weet u.’ ‘Daar twijfel ik niet aan meneer’ zegt de ambtenaar begrijpend. ‘Uiteraard.’ Hij schuift zijn bril hoger zijn neus op en lijkt het gesprek te gaan afsluiten. Hij steekt een paar documenten in het mapje en murmelt in zichzelf. ‘Hmm…heb ik hier alles? Dit is in orde…dit ook…heb ik gezegd…’ De punt van zijn balpen gaat langzaam van boven naar beneden over het blad. ‘O ja. Dit moest ik u nog vertellen.’ Hij graait in een stapeltje folders en overhandigt de man een fraaie kleurenbrochure met vooraan een melige foto van een gefotoshopte zonsondergang. ‘De overheid is een samenwerkingsverband aangegaan met de voornaamste uitvaartcentra waarvoor uw ouders – excuseer, u zelf– als nabestaande een tegemoetkoming kunt ontvangen, tenminste als u aan drie van de vijf criteria voldoet. U moet het maar eens lezen.’ De man in rode jas bekijkt de voorzijde waar in aantrekkelijke sierlijke letters staat  geschreven: ‘ExitPlus+’, met als ondertitel ‘Kies Zelf Uw Horizon.’ ‘Eerlijkheidshalve moet ik eraan toevoegen dat er ook andere  crematoria en begrafenisondernemers zijn die een gelijkaardige  variant van deze regeling aanbieden, niet alleen in Vlaanderen maar ook in Nederland. In Zeeland bijvoorbeeld, toch kortbij, heb je ‘Klaar is Kees’ waar je kan op intekenen, ook geen onaardige polis. Maar ik wil benadrukken dat geen enkele andere zo’n gesubsidieerd en substantieel belastingvoordeel heeft en om die reden dus de voordeligste is. Maar u maakt uiteraard in alle vrijheid een keuze meneer, wij bieden het u enkel maar aan.’ ‘Mooi. Ik bekijk het eens rustig.’ zegt de man. ‘Zo, ik denk dat we alles hebben gehad meneer. Binnen tien werkdagen ontvangt u alle documenten, ik mag hopen dat ik uw gegevens toch heb genoteerd...ja, hier heb ik ze. Zoals ik al zei, binnen tien werkdagen dus. Prettige dag verder, en innige deelneming voor de dag zelf.’ ‘Dank u. Heel vriendelijk van u.’ ‘Tot uw dienst.’ De rij achter hem is ondertussen even lang geworden als die bij zijn aankomst was geweest. Hij draait zich om en knikt eens beleefd naar de vrouw die achter hem in de rij staat. Hij is op weg naar de uitgang wanneer een jonge medewerker hem een tevredenheidsenquête onder de neus duwt. ‘Het duurt maar even meneer. Het is belangrijk te weten of we het goed doen. Zijn altijd bereid te leren uit onze fouten.’ Verveeld vult hij vlug op alle plaatsen een vier op vijf in, en ziet woorden voorbijdrijven als ‘voldoende ingelicht’ en ‘wat vond u van..’  Hij geeft het document met een flauwe glimlach terug. ‘De dienst bevolking en binnenlandse zaken bedankt u voor uw medewerking.’ klinkt het vanbuiten gestudeerd. Hij loopt door de draaideur naar buiten, de nog frisse en heldere morgen tegemoet. Hij is blij in de open lucht te zijn, ademt opgelucht diep in en uit en overziet de bedrijvigheid op het marktplein voor hem. Alles is geregeld. Geen zorgen meer, het valt van de schouders. Hij is ervan overtuigd dat hij samen met zijn ouders de goede beslissingen heeft genomen. Uiteraard.

Lode Van Wabeke
0 0

Kermisdinsdag

Voor de mensen die niet van ons stadje zijn, is het misschien een raar gegeven, maar op kermisdinsdag trekken onze stadsgenoten ’s morgens al naar de kermis. Sommigen kan je dan vroeg op de dag in één of andere drankgelegenheid treffen. De kermisjaarmarkt is niet meer dan een excuus. Ze duiken er fris in, maar ze komen er later op de dag iets minder fris uit. Want op kermisdinsdag mag het.   Zelf doe ik aan die kermisvoormiddagvreugde iets minder mee. Maar ik kuierde die dag al wel vroeg naar de krantenwinkel. Op de terugweg hoorde ik twee jongedames op leeftijd een gesprek voeren voor de deur van een taverne. Ze stonden op het punt het etablissement binnen te stappen met hun rollator. De ene mevrouw wees naar het stuur van haar looprekje. “Mijn handvatten zijn precies toch meer versleten dan die van u”, zei ze tegen haar vriendin. “Ik heb er waarschijnlijk meer mee gereden”. Ik overwoog nog even om halt te houden, mijn krant open te vouwen en te horen wat de andere mevrouw zei, maar dat leek me ongepast. Grappig was het alleszins. Het leken wel twee jonge patsers die bluften over de maximum snelheid van hun pas aangeschafte tweedehands brommer. Het was niet de enige vermakelijke conversatie waar ik op kermisdinsdag getuige van was.   Later op de middag stond ik onze gezamenlijke gang te poetsen. Een huishoudelijke taak die ik wel eens voor mijn rekening neem. Ik was het laatste stukje aan het opdweilen toen er twee kermisgangers passeerden. Of beter: kermisgangsters. Opnieuw jongedames op leeftijd, maar niet dezelfde als die van de voormiddag. “Kijk Maria, zie je dat, dat is nu de moderne man. Die moet ook kunnen poetsen”, hoorde ik één van de dames zeggen. Waarop de andere zei: “Ja, Louisa, maar misschien staat hij er alleen voor. Dan moet hij wel.”   Het deed me ’s avonds nog een paar keer gniffelen. Toen deze moderne man languit in de zetel lag met zijn krant.  

Rudi Lavreysen
0 0

Een zomerse afwijking

"Noem het een afwijking", zei ik tegen mijn vriend op het terras van het café. Het was één van die eerste warme dagen. Overdag was het zo warm geweest dat ik 's avonds mijn korte broek nog aan had. Het leek wel alsof het volop zomer was. Ik vertelde verder over mijn zogenaamde afwijking op basis van het artikel dat ik die dag in de Nederlandse krant had gelezen. "Lees je nu ook al Hollandse gazetten?" onderbrak hij me. "Ja, maar laat me eerst over die afwijking vertellen", zei ik beslist. "Het is bijna zomer en in die krant stond een artikel over Zwarte Piet. Over dat voorval met die protestbeweging. Noem ze maar de pro-pieten. Die hielden op de autostrade een andere beweging tegen. Dat waren eigenlijk de anti-pieten en die wilden in de stad tegen Zwarte Piet betogen. Volgens de rechtbank mocht de ene groep de andere niet tegenhouden en nu moeten de pro-pieten voor het gerecht komen." "Ik ben benieuwd waar dit naartoe gaat", zei mijn kameraad, terwijl hij een flinke slok van zijn pilsbier nam.   "Kijk", ging ik verder, "ik kan er gewoon niet tegen dat ze het nu, toch bijna zomer, in de krant over winterse toestanden hebben. Dat rijmt niet. Ik wil nu niets over Sinterklaas lezen. Dat is voor na de zomer. Wacht, nog een voorbeeld. Ik verdraag in de zomer ook niet dat ze op tv een winterse serie uitzenden. Ze moeten een beetje respect voor de seizoenen hebben. Nu wil ik op tv mensen met een t-shirt zien, of personen die zoals ons buiten op een terras zitten." Mijn vriend had ondertussen een nieuw rondje besteld. Voor hem was het een koffie. "Of wintergroenten", ging ik verder. "Die eet je toch ook niet in de zomer." "Tja, ik ben daar eigenlijk niet zo mee bezig", antwoordde hij, terwijl hij zijn handen aan zijn tas koffie opwarmde. "Ik eet gewoon waar ik zin in heb. Maar wat ik wel weet", zei hij op zijn beurt beslist, "is dat ik het aardig fris begin te krijgen. Volgens mij komt dat van jouw winterse verhalen. Je kan misschien beginnen met minder Hollandse gazetten te lezen. Daar word je precies niet vrolijk van." Ik zag nu ook dat de zon al achter de huizen was gezakt. Op mijn blote benen begon ik kippenvel te krijgen. En mijn glas bier voelde ijskoud aan. Gelukkig was er binnen nog plaats. Naast de verwarming.

Rudi Lavreysen
0 0

geloof

  “Ik vraag me af of ik je nog wel alleen kan laten met de kinderen”, zei ze, en trok de deur achter zich dicht. De afdruk van haar gezicht bleef enkele tellen hangen.Gespeelde verbijstering. Onmiskenbare voldoening.Juf Marleen. Of ik je nog wel alleen kan laten met de kinderen. De woorden echoden in mijn hoofd. “De kinderen”, dat waren een dertigtal acht jarigen waarvan er ik die middag twaalf onder mijn hoede had.Ik, de tweeëntwintigjarige leerkracht in opleiding. Sedert een week was ik begonnen aan mijn eindstage in de dorpsschool waar ik zelf tot mijn tiende school had gelopen. Het was in de maand mei. De maand waarin het merendeel van de achtjarigen hun Communie doen. Althans, in een katholieke school als deze. En dit jaarlijks evenement dat qua belang zowat gelijkstond aan het schoolfeest, vroeg voorbereiding. Een tweewekelijkse wandeling naar de dorpskerk en dan het toneeltje repeteren, onder het toeziend oog van klasjuf Marleen, in dit geval ook de godsdienstjuf. Een berisping nooit veraf. Drie verwittigingen en straf schrijven. Maar wel allemaal mooi en blij lachen op de heuglijke dag en vooral op de gezamenlijke foto.Twaalf ongedoopten deden niet mee aan het feestje en bleven samen met mij op school. “Laat ze maar binnen blijven in de klas. Geen communie? Dan moeten ze maar werken als wij gaan repeteren.” En zo vertrok de twintigkoppige processie, hun leider voorop, onder een stralende lentezon, terwijl ik de bundeltjes met taken uitdeelde aan de ongelovigen. Na een halfuurtje waagde er één het te vragen: “Juf, mogen we muziek opzetten?”Ik ben een ramp in namen onthouden maar je hebt van die kinderen waarvan je de naam meteen kent, omdat hun juf die voortdurend, vaak kwaad of geërgerd, herhaalt. Dit was er zo eentje. Sammy. “Waarom ook niet”, dacht en zei ik spontaan. Gejubel in de klas. Sammy zette de CD speler aan. Er klonk een rapnummer.“Juf, mag ik tonen hoe ik dans?”Ik dacht aan al die keren dat de naam Sammy op kwade toon door het klaslokaal galmde en aan die stoet kinderen buiten in de zon en zei: “Dat is goed.” Een glunderende Sammy smeet zich letterlijk en gaf een breakdance demonstratie, aangemoedigd door de rest. Plots een hoofd in het deurgat. De poetsvrouw. Die lawaai had gehoord en kwam kijken wat er was.En toen kondigde de bel de speeltijd aan. Nadien waren de anderen weer terug in de klas. Juf Marleen nam me op het eind van die middag nog even apart. De poetsvrouw had “het” haar verteld. En dat ze zich afvroeg of ze me nog alleen kon laten met de kinderen.De kinderen.En ik die me vijftien jaar later afvraag of ze nog steeds dansen.  

Vanessa Daniëls
51 0

De fietsers

Ik had ze bijna niet opgemerkt, deze bijzondere groep fietsers. Er passeren je tijdens het wandelen immers veel mensen op een tweewieler. Wielrenners met kleurige pakjes en veel elektrische fietsers op leeftijd, die je tegenwoordig bijna sneller voorbij racen dan de kleurige koersmannen. Of gezinnen met kleine kinderen, waarbij de rechterhand van papa of mama op de schouder van de nog maar pas zonder wieltjes fietsende zoon of dochter ligt. Wat ze met elkaar gemeen hebben, naast het fietsen natuurlijk, is het babbelen. Er zijn weinig fietsers die niet aan het kletsen zijn. Het gekke is, hoe harder ze fietsen, hoe luider ze praten. Let er maar eens op bij de wielrenners. Die hoor je al van ver roepen. Alsof ze met de snelheid van het geluid moeten rekening houden.    Omdat je dus zoveel fietsers ziet, had ik deze groep op een haar na gemist. Het waren in totaal zes fietsen, maar ze vervoerden twaalf mensen. Tandems inderdaad. Aan de blik van de achteraan zittende passagiers, kon je zien dat ze niets voor niets op die tweede zadel hun plek hadden. Ze waren allemaal blind of hadden een visuele beperking. Hun ogen hielden ze grotendeels gesloten. Maar ze luisterden geconcentreerd naar de geluiden van de omgeving en naar de stem van de man of vrouw vooraan op fiets. Die vertelde wat hij of zij wel te zien kreeg. Zo hoorde ik een man tegen zijn bijzit zeggen dat ‘het eerste groepje nu net achter de bocht verdwijnt. We halen ze zo wel in.’    Het moet een aparte ervaring zijn, dat je de wereld door de ogen van anderen te zien krijgt. Hoe geef je de wereld immers beeld? Als je die nooit gezien hebt? Hoe vertaal je de wereld, als je de ogen van iemand anders bent? Misschien wel mooier.  

Rudi Lavreysen
0 0

Groen, zo diepgroen

(Ter verduidelijking voor wie er nood aan heeft:  Nieve betekent sneeuw in het Spaans – Blanc is wit , Chasseur is Jager en Aupépine is Doorn in het Frans, enz…)   Niève Leblanc de Chasseur is moe. Sinds haar huwelijk met prins Baldwin de Termonde heeft ze vier kinderen op de wereld gezet. De twee prinsessen, Liliane  en Laura hebben met vriendinnen Lesley en Lisa een meidengroep opgericht en zingen uptempo covers van Duitse schlagers.  Sinds ze er achter kwamen dat al hun voornamen  met een ‘L’  beginnen, noemen ze hun groepje ‘The four L’s’. Bij optredens prijken op hun hagelwitte T shirts vier blauwgrijze opspringende vissen met het ‘4 L’s’-logo. Hun oudere tweelingbroers zijn ernstiger: de ene studeert voor landbouwingenieur en de andere veeartsenij (studenten aan de KULeuven noemen afgestudeerden van deze richting ook ‘paardendoktoors’).  Grootvader de Termonde heeft aangekondigd dat hij er de brui aan geeft en zoon Baldwin volgt hem weldra op aan het hoofd van zijn Immobiliënmaatschappij.  Daardoor heeft Baldwin het zo druk dat hij nog amper oog heeft voor zijn familie.  De jongens zijn op kot in de universiteitsstad. De twee vrolijke meiden wonen nog thuis en Niève zit zonder personeel  sinds de kosten voor haar kroost en het onderhoud van het prinselijk domein  de pan uit swingen. Ze zorgt daarenboven voor drie dwergen, die vroeger deel uitmaakten van een groep van zeven.  De zeven werden immens populair door optredens in Tv-series na hun bijrollen in de kas krakende jeugdfilm waarin Niève de hoofdrol vertolkte. Vier zijn inmiddels overleden en de overige delen een serviceflat.  Ze bezoekt het drietal regelmatig,  alléén, want haar kinderen zijn nooit geïnteresseerd geweest in de bejaarde, bebaarde mannetjes met hun rare mutsen. In haar ravenzwarte bobkapsel  duiken her en der grijze haren op. Voor een bezoek aan de kapper is er amper geld, laat staan voor een kleurplix,  zoals haar grootmoeder zaliger zich elke week kon permitteren. Gelukkig heeft ze de naaimachine van jeugdvriendin Rose d’Aubépine voor een prik kunnen overkopen.  Daar maakt ze babykleedjes mee, die ze doorverkoopt  aan een rondreizende koopman in diepvriesproducten, die ze op zijn beurt slijt aan jonge koppels in zijn klantenbestand. Met Rose is ze bevriend gebleven en samen met Fitness-vriendinnen Dusty van As en Bonnie Reddy,  vormen ze een hecht clubje dat niettegenstaande de crisis regelmatig de bloemetjes buiten zet. Enkel via facebook heeft ze nog contact met Cinderella  von Rosenthal en Alice Wunderland. Cinderella heeft destijds ook een prins gehuwd, wiens naam ze overnam.  De von Rosenthal’s zitten er warmpjes in: een authentiek ‘Schloss’ in Oostenrijk en drie wijnkastelen in het Zuiden, die ook als luxehotels fungeren en overspoeld worden door bemiddelde toeristen. Alice Wunderland is met een beroemde goochelaar getrouwd, die de wereld afstruint met een wervelende variétéshow. Stiekem hoopt Niève soms dat ze een dochter aan één van de zonen van Cinderella kan koppelen. Die van Alice liever niet, zij behoren tenslotte niet tot de gevestigde adel.  Maar ze hoorde waaien dat de jongens liever met hun bolides rondrijden en van één weet ze dat hij niet in meisjes geïnteresseerd is, dat zie je ook op de manier waarop hij loopt. Ach, dat lang en gelukkig leven, waarvan na hun trouwpartij gewag werd gemaakt is niet geworden wat ze verwacht had.  Maar ongelukkig  is ze niet.  Niève is alleen hondsmoe . Niettemin neemt ze zich voor om er bij het begin van het nieuwe jaar weer stevig tegenaan te gaan. In de aftandse jeep van de vroegere tuinman rijdt ze die morgen naar het dorp om brood.  Waar is de tijd dat ze met Mammie in de Bentley naar de bakker reed?  Haar grootmoeder was klein van gestalte en droeg steevast een haarwrong.  Men zag haar nauwelijks zitten achter het enorme stuurwiel, net of de wagen zonder chauffeur reed. Het immense bedrag dat de luxewagen jaren later opbracht  had amper volstaan om de enorme som aan successierechten te betalen, toen ze als enig kind het familiedomein erfde. In het bakkersatelier speelt radio Nostalgie oude Eurovisiesongfestivalnummers.  Isabelle Aubret zingt ‘Un premier amour….ne s’oublie jamais…….’. Niève betaalt de bakker en krijgt plots een raar gevoel, alsof twee priemen haar doorboren. In de spiegel achter de toog merkt ze dat een grote blonde kerel pal achter haar staat. “Dag mevrouw de Termonde.” Ze draait zich. “Of mag ik Niève, zeggen?”, vraagt de blonde God.  Ze kijkt in twee groene ogen.  Groen is wereldwijd de zeldzaamste kleur die ogen kunnen aannemen.  Ze beseft wie bij dit paar ogen hoort en stamelt “Conrad?” Dan weet ze met zichzelf geen blijf meer, rent de winkel uit en stapt in de jeep. Ze zit als versteend achter het stuur.  Het rechterportier zwaait open en zij hoort de diepwarme stem. “Heb ik u doen schrikken, mevrouw?  Sorry, dat ik mij zo onbehouwen gedroeg.  Maar u herkende mij toch meteen, niet ?” Ze knikt. “Je mag me tutoyeren, Conrad”, zegt ze. Haar stem trilt. “Waar was je al die tijd?”  Conrad vraagt “Mag ik?, en zet zich naast haar. “Dat dit ding het nog doet”, zegt hij en klopt op het dashboard van het voertuig.“Hij werd altijd prima onderhouden door je vader,”zegt Niève weifelend: “maar waar kom je zo plots vandaan?”“Om precies te zijn kom ik nu net uit Puerto Limón in Costa Rica. Ik ben dek officier ter lange omvaart”, zegt hij trots. “Wat is in godsnaam een dek officier?”, vraagt Niève.“Ik ken enkel dekhengsten van toen wij nog paarden hadden op het landgoed.” Ze voelt dat ze rood kleurt bij het gebruik van deze woordenschat. Hij merkt het, negeert het en lijkt haar te willen geruststellen met zijn antwoord.“Als dek officier, Niève, moet je een koopvaardijschip kunnen manoeuvreren, rekening houdend met stromingen, wind en stabiliteit. Je moet alles kennen over laden, stockeren en het behandelen van de lading. Vroeger was dit een taak van de stuurman.  Je moet een zeereis kunnen plannen en in alle wateren je positie weten te bepalen met je kennis van kustnavigatie en van astronomie.” Niève zucht dromerig: “De stand van de sterren, daar wist jij alles van, Conrad. Hoe dikwijls lagen we er ‘s nachts niet naar te kijken op de heuvel naast het kasteel?”Ziet zij het goed?  Ja, de haar zo vertrouwde  groene kijkers zijn vochtig.  Zacht neemt hij haar bleke pols in zijn getaande zeemanshand. Hij brengt haar hand naar zijn mond, kust ze teder en fluistert  “Vayo con Dios, mi princesa.” Dan springt hij uit de wagen en verdwijnt. Even blijft ze beduusd achter. Dan glimlacht ze, start de jeep en rijdt gezwind neuriënd huiswaarts.  Haar vermoeidheid is verdwenen. Ze kan opnieuw de hele wereld aan.   Voetnoot: alle verwijzingen naar sprookjesfiguren als Sneeuwwitje, de zeven dwergen, Doornroosje, Assepoester, Roodkapje, Cinderella, Alice in Wonderland, enz…zijn pure verzinsels.      

Vic de Bourg
15 1

Tomootje en Dennomo

  Een donderdagse marktdag in een vergeten Vlaams gat.    De zon schijnt en dan verschijnt ook Tomootje, dat weet haast iedereen in dit meestal verstilde boerendorp, Hij neemt plaats op zijn geliefde plekje: de stoel dicht aan de stoeprand waar vanaf halftwaalf - hij weet het goed - de zonnestralen de zitplaats van deze zonaanbidder bereiken. Wat kan Tomootje genieten, daar in dat terrashoekje van café ‘In de drie Stommeriken’.   De zaken draaien blijkbaar opperbest want het bier en de rosé-tjes vloeien rijkelijk. Monster, het hondje van de kroegeigenaar, een waarschijnlijke kruising van een chihuahua en een dwergpoedel, paradeert van tafel tot tafel en troggelt zo menigeen koekje af van de koffieslurpers, want die zijn als naar gewoonte ook van de partij.   ‘Laat de zon in je hart’ keelt Willy Sommers door de luidsprekers die aan weerszijden van de toog opgehangen zijn. Telkens als het marktdag is zet Monsters baasje de muziek extra luid zodat je de schlagers vanaf het terras kunt meebrullen. Zodra Jo Vally met zijn interpretatie van ‘Santa Maria’ alles definitief in vuur en vlam zet, laat ook Dennomo zijn stembanden meetrillen. Hij is de vriend van Tomootje en hij zit aan de andere kant van de zonnetafel, nog net in de schaduw. De lommer is de natuurlijke habitat van deze lamme goedzak. Hij is druk in gesprek met een jongedame, die de ene sigaret met de andere opsteekt en naar zijn verhalen luistert. 'Ik ben daar nog gaan opgetreden,' zegt hij en hij verwijst naar een balzaal enkele boerendorpen verder. 'Wij hadden er veel succes met onze countryband. Bel mij eens op,' dringt hij aan, 'je gaat mijn voicemail horen en dan hoor je me zingen'. Het jonge wicht durft niet anders dan zijn smeekbede op te volgen, neemt haar smartphone en tikt het nummer in dat de loebas haar dicteert. 'Before the next teardrop falls' hoort ze Dennomo kwelen in erbarmelijk Engels. 'Schoon' zegt ze en hij wil niet inzien dat zij hem voorliegt. Een leugentje om bestwil, denkt ze. 'Nadat ik destijds gestopt ben met muziek te maken heb ik les gegeven in linedance. Dat waren nog eens tijden.' Ze hoopt stilletjes dat hij op zijn stoel blijft zitten.   Er komen weer nieuwe terrasgapers toe. Het is een ouder koppel dat dadelijk de belangstelling krijgt van Monster. Het mormel weet dat ze komen koffiekletsen. Het echtpaar doet aanstalten om aan de al druk bezette tafel onder het zonneterras plaats te nemen. Alras worden tafels en stoelen verschoven want blijkbaar behoren zij bij het clubje van de reeds gezetenen. Het vrouwmens ploft in de bijgeschoven rieten stoel neer die het bijna begeeft onder het nadrukkelijke gewicht. Haar evenzeer corpulente man pakt voor de zekerheid een metalen exemplaar. Monstertje ziet zijn kans schoon en wipt op madams schoot. Haar sacoche gaat open en ze haalt een hondensnoepje boven dat onmiddellijk de geest geeft in de hunkerende muil van de bastaard.   Dennomo ziet het lieflijk tafereeltje gebeuren en glimlacht. Het heeft een half mensenleven geduurd en een twintigjarig huwelijk met een vrouw, voor hij wist dat hij eerder op mannen viel. Tomootje was vroeger een van zijn bankcliënten en het zakelijke had na verloop van enige tijd plaats gemaakt voor amoureuze praktijken. Het had destijds even geduurd eer de goegemeente het met de mantel der liefde had toegedekt maar sindsdien was het mannenkoppel onafscheidelijk, Tomootje als een schriele en dunne Stan en Dennomo als een verwijfde dikke Ollie.   Agnes, de vroegere meid van de pastoor, heeft ondertussen postgevat voor Dennomo's buurmeisje en geeft haar drie smakkerds. Ze steekt een aangeboden sigaret tussen haar lippen, ze trekt en blaast de rook als een oude stoomlocomotief in het rond. Het nicotinegoedje krijgt nauwelijks de kans om haar longen aan te tasten. Zelden is een kankerstok zo'n kort leven beschoren geweest.   'Ik neem vandaag de trein' zingt Ann Christy vrolijk.  'Kom jongen' zegt dikkerdje, 'wij moeten ook ons treintje halen. 't Is al kwart voor één geworden'. Dan gebeurt er iets wonderlijks. Dennomo en Tomootje staan recht. Ze bezoeken iedere tafel en schudden handen en kussen wangen dat het een lieve lust is. Iedereen neemt afscheid van het koppel. Ze nemen de trein naar de stad waar ze onlangs een appartement gekocht hebben.  Twee vroegzeventigers lopen richting station hand in hand. Tomootje draagt onder zijn linkerarm een watermeloen. Hij lijkt wel een voetbalscheidsrechter die seffens de aftrap gaat blazen. Dennomo draagt in zijn rechterhand een boodschappentas waarboven de poreistengels uittorenen. Volgende donderdag zijn ze weer van de partij. Daar mag je donder op zeggen. De kastelein heeft even genoeg van de schlagers en 'Thunder' van AC/DC buldert door de luidsprekers. De meeste terraszitters zijn toch hardhorig. Tomootje en Dennomo gaan bijna het hoekje om maar niet alvorens nog eens te zwaaien. Het terras zwaait terug. 'Duizend terrassen in Rome' zingt Bart Kaell en het terras valt in.

Marc M. Aerts
12 1