Lezen

Voortuinen

Zoals de bijen druk zijn met het  verzamelen van nectar en zodoende van bloem tot bloem er met hun hele lijfje gretig in rondgonzen, de tong als een zweepje om de meeldraden slaan, zo is ook menig mens vandaag in zijn voortuin bezig. En in deze wijk zijn er net zoveel voortuinen als een bij in anderhalf uur bloemen aandoet. Er wordt gewied, gesnoeid, gewroet en gezwoegd dat het een lieve naam mag hebben. Ik heb intussen geleerd dat men kan schrikken van een plots bezoek in de voortuin. Ook als bewoners net terug zijn gekomen van het boodschappen doen en met hun rug naar je toe bij de voordeur staan, is het verstandig luid en duidelijk, nog voor je de tuin betreedt, ‘goedemiddag’ te zeggen. Dat bespaart in de meeste gevallen een slok op een borrel qua schrik. Het is net zoiets als niet bukken op zaterdag als je per ongeluk een brief hebt laten vallen, maar hurken. Praktische dingen die je snel doorkrijgt. (* Als je voorover bukt op zaterdag, dondert je hele ‘huis aan huis’ uit je tas. Bij mij wel.)   Dus het is oppassen vandaag met al die geconcentreerde mensen op de materie die uit de grond van hun tuinen bloeit en woekert. Ik zou niet willen dat ze er vroegtijdig door mijn toedoen in zouden moeten verdwijnen.   Een vrouw staat gebogen energiek te schoffelen met een handhark. Ik kan nog net haar rode en bezwete voorhoofd vanaf de zijkant zien als ze plots met een kwartslag haar rug naar me toedraait. Ze heeft me niet zien aankomen en kan dat nu al helemaal niet meer. Ik adem in om mijn duidelijke en gearticuleerde ‘goedemiddag’ in te zetten. Op het moment dat mijn adem zich uit het strottenhoofd en langs de stembanden wil persen om het gewenste ‘goedemiddag’ te kunnen produceren, laat de vrouw een harde wind. Ik voel me een seconde lang een buiksprekerspop. Niet veel langer, want een nog luidere boer, een liter fris of bier waardig, volgt er meteen op. Het zijn misschien de bijverschijnselen van een soort medicatie, hoop ik. Ik durf nu niet meer meteen het geluid van onvermoeid voortschoffelen te onderbreken en begin behoedzaam achteruit te sluipen op zoek naar een tweede kans.  Als ik weer aan het begin van de voortuin sta, loop ik er in en kan nu wel mijn tekst uitspreken. Met gewenst effect. De vrouw gaat rechtop staan en rijkt haar hand uit. ‘Geef maar hier hoor, dat scheelt je weer een wandeling’. Vanuit haar blos breekt een lach open met natte glinsterende witte tanden die een hapje zonlicht nemen. Ik zie dat ze plezier heeft in haar tuinwerk. Het doet haar zichtbaar goed en ze maakt een bevallige indruk, met opgebonden haar in een knotje, gekleed in korte broek, hemd en teenslippers. ‘Ik hoop dat je snel klaar bent. Er is onweer voorspelt. Het gaat straks flink donderen’. ‘Ik hoorde er al van’, zeg ik, ‘zal wel goedkomen’.   Op het volgende pleintje van de wijk komen twee ventjes van een jaar of vijf naar me toegelopen. Ik sta bij mijn fiets de bundels post uit de tassen te pakken en van de elastieken te ontdoen. Ze blijven op een veilige drie meter afstand staan. De rolverdeling is duidelijk. De een spoort de ander middels een vingerprik tegen de arm aan om hun vraag te stellen. Of ik ook ‘stiekjes’ heb. Ik trek de laatste twee elastieken van de bundel post af en hang ze om het stuur van mijn fiets. ‘Nee, ik heb geen elastiekjes’. Het mannetje blijft me aankijken en draait zijn hoofd schuin, knijpt een oog dicht en laat in een grimas zijn inmiddels wisselende melkgebit zien. Zijn vriendje buigt het hoofd en bestudeerd zijn schoenen. Duidelijk zelf de veters gestrikt.  Dat ze nu dit moeten treffen. Een postbode op hun plein die zegt geen ‘stiekjes’ te hebben terwijl ze kwantitatief in getale net zoals de pruimen die Jantje ooit zag, duidelijk ‘als eieren zo groot’ om het stuur van zijn fiets hangen. En nu zal deze leugen net zolang duren tot ik weer verdwenen ben. Of langer. Een gek. Die op hun plein rondloopt. Langs elk huis. De zon is de maan, zegt hij.  Ik laat ze niet nog langer in hun bedremmelde ongeloof . ‘Hoeveel willen jullie er?’ Dat is een moeilijke zo niet onmogelijke vraag weet ik. Ik haal er drie van het stuur en geef er twee aan het ene ventje en de ander aan zijn vriendje. Verdeel en heers. De een ziet meteen het verschil. Nu de elastieken blijkbaar wel bestaan gaat het over in een andere ontkenning. Ik zie ze denken en voelen. ‘Moeten we hier blij mee zijn?’ Nu ben ik gepromoveerd van gek naar krent. Ik geef het jongetje met maar één elastiekje er nu nog eens vijf. Er komt een glimlach op zijn koppie. Nu begint het ergens op te lijken. Hij kijkt naar zijn vriendje die mij weer aankijkt met dichtgeknepen oog. Nu geef ik hem de helft van alle andere elastieken. Het hek is van de dam en ze moeten erom lachen. Als ik ze alle elastieken heb gegeven en zie hoe ze elk hun bos inspecteren zeg ik: ’ ze zijn maar een euro per stuk’. Kind noch kraai die dat nu gelooft en ze grinniken. De buit is binnen. Wat ze ermee gaan gaan doen vraag ik nog. Een bal maken, voor een gitaar, voor opa, voor een vliegtuig om te maken, voor om te repareren, voor om te...het floept er allemaal uit. In een ding ben ik heel duidelijk: niet op straat laten liggen! Alsof ik toch weer niet goed bij mijn hoofd ben. Dit goud? Ze gaan bij de schommels zitten en verdelen ze onderling. Zonder mobiel, tablet of Netflix. Stiekjes.   Bij een van de laatste voortuinen is het ook weer druk. Alleen gaat de arbeid hier gepaard met ferme aanwijzingen.  ‘Nee Jan, neehee, deze, deze moet eerst! Nee, die, die...verdomme Jan! Je bent ook soms een trut, Jan, gewoon een trut!’ Eerst even rustig inventariseren wat dit huisnummer aan post heeft. Een tuinblad, een ‘blauwe rat’, nog een tuinblad, een tuinmeubilair catalogus en een paarse reep van het Rijks. Die verstop ik netjes tussen de rest. Men is nooit blij met bekeuringen die persoonlijk worden overhandigd. Misschien moet ik dit adres even overslaan. Jan heeft het al druk genoeg zo te horen. ‘Neehéé Jan, die, ja diehie! Ik word zo moe van jou Jan! Trut! Een trut ben je!’ Aangezien dit nog wel even lijkt te gaan duren, besluit ik toch mijn intrede te doen. Door weer en wind gaan we immers.  De man, 60 plus, die besluiteloos met een zak tuinaarde in zijn armen staat, de mond toegestopt met bolknak waaraan driftig wordt getrokken, moet Jan zijn. Een bijna tot het uiterste gedreven stomende en zwetende, rood aangelopen locomotief. Ziet er allesbehalve truttig uit. De verbale aanwijzingen komen van een vrouw die in een rolstoel zit en dirigeer-aspiraties heeft. Met een kruk prikt ze in de lucht richting een hoop zakken met diverse soorten tuinaarde en mest.  ‘Die!, diehié Jan!’  ‘Goedemiddag!’ Heel even staat alles stil. De locomotief puft echter voort, met zak tuinaarde, pas op de plaats. ‘Ja, ja, geeft u maar hier hoor’, zegt de vrouw in de rolstoel en strekt haar arm uit. In de andere de kruk die bevend blijft wijzen op de berg zakken met tuinaarde. Ik reik haar de post en groet weer mijn ‘goedemiddag’. Als ik de tuin verlaat kijkt de puffende bolknak me deerniswekkend na. Alsof ik hem verlaat in dit moeilijke moment. Vanuit de volgende tuin hoor ik hoe het delegeren verdergaat.  ‘Ja, die moet daar Jan. Nee...Ik word moe van je Jan! Diehié, neehee...’. Ik vraag me af wat er zou kunnen gebeuren als Jan straks met een hark aan de slag moet. Even is het stil.  ‘En wat is dit dan Jan? Ooh, een bekeuring Jan? Een bekeuring!? Jan!’                             

Stanley
0 0

De wandtekening

In de prehistorie maakte de mens al rotstekeningen en grotschilderingen voordat het schrift was uitgevonden.   Men hoeft echter niet zover te zoeken of terug te gaan in de tijd voor het ontdekken van interessante wandtekeningen.   Na het overlijden van moeder zaliger werd met spijt in het hart het ouderlijk huis verkocht. Daarin sprak één ruimte tot ieders verbeelding.   Achter een mysterieuze deur in de kamer van onze oudste broer lag een trap. Die was net zo lang en hoog als de trap die liep van het gelijkvloers naar de slaapkamers op de eerste verdieping.   De geheimzinnige trap leidde naar een grote ruimte onder het dak.  In die ruimte was een zolderkamer. Voor de kamer was er nog een stuk beton maar verder lagen links en rechts enkel balken met daartussen het plaaster van de plafonds van de kamers eronder.   Waagde men zich daar op, zou men dwars door het plafond zakken.  Langs een dakraampje viel bij daglicht een straaltje licht binnen maar verder was het er pikdonker en best akelig.   Zo stond er een zwart kistje dat ooit had toebehoord aan vaders broertje  dat op vijfjarige leeftijd was overleden.  Er zouden nog spullen van hem in zitten maar niemand durfde er ooit in te kijken. Luguber!   Er stond ook een kast met oude kranten, tijdschriften, documenten en boeken.  Wij werden niet verondersteld er in te kijken maar alle kinderen hebben er op tijd en stond stiekem in gesnuisterd.   Van de ouders zelf kregen wij weinig voorlichting.  Mogelijk hoopten zij al even stiekem dat wij ooit de boekjes wel zouden ontdekken waarin ze zelf in hun jeugdjaren de inspiratie gevonden hadden.   Aan het eind van de trap was een deur die toegang gaf tot een ruime zolderkamer.  Er was een groot raam waardoor men ver over de daken kon kijken.  De zee van licht maakte het een best aangename kamer waardoor ze door de kinderen achtereenvolgens gebruikt werd om er  in alle rust te gaan studeren of er kattenkwaad uit te halen.   Er stond een grote ingemaakte kast en de muren waren niet geverfd of behangen.  Dit leidde ertoe dat op het witte pleister  één van de broers schilderwerken van kentekens uit de jeugdbeweging had aangebracht. Fel groen, rood en blauw.   Tot ergernis van moeder was vader een verwoed verzamelaar van allerlei spullen die geleidelijk hun weg naar deze zolderkamer vonden.   Na zijn overlijden was één van haar eerste bekommernissen  (of was het haar guilty pleasure?) om de kamer leeg te maken.  De spullen werden door het grote raam van twee verdiepingen hoog naar beneden gekeild.   Door de jaren vervagen de vele herinneringen aan het huis en wat er allemaal voorviel in een tijdspanne die later niet langer bleek te beslaan dan een tweetal decennia.   Hoe groot was de verrassing toen de huidige eigenaar van het huis ons meer dan veertig jaar later een foto bezorgde.  Het was een tekening die werd gevonden op de binnenmuur van de ingemaakte kast van onze geliefde zolderkamer.   Wij hebben nog niet uitgemaakt welke holbewoner als maker van het kunstwerk mag bestempeld worden en of er een pagina op Wikipedia aan gewijd  zal worden.  

Vic de Bourg
20 1

Hoe vertel je een kind dat de dierentuin een leeuwin heeft doodgeschoten?

Zoals je weet werd er gisteren een leeuwin in de dierentuin doodgeschoten. Ze was uit haar kooi ontsnapt. Gewoon naar buiten gewandeld eigenlijk. Iemand van de verzorgers had de deur laten openstaan. Verstrooid zijn heet dat en dat kan iedereen overkomen. Een leeuwin is de mama leeuw. Maar deze leeuwin was pas twee jaar, dus nog niet echt mama. Om zelf welpjes te hebben moet je iets ouder zijn. Welpjes dat zijn de kleintjes van een leeuw en leeuwin, zoals in de Lion King. Iedereen in de dierentuin heeft geprobeerd om de ontsnapte leeuwin te vangen. Maar Rani, zo heette ze, was veel te snel en kon zich telkens verstoppen achter een boom. Je moet altijd voorzichtig zijn met een leeuwin, je kan niet zomaar op haar afstappen, een leeuwin is een groot en sterk dier. Soms helpt fluisteren of op een rustige manier vragen of ze terug naar haar kooi wil gaan, maar Rani was een dove leeuwin, dus hoorde ze niet wat er werd gevraagd. Daarom heeft de dierentuin een dierenarts gebeld. Die is zo snel hij kon gekomen. Iets te snel want hij was de batterijtjes voor het hoorapparaat van Rani thuis vergeten. Gelukkig had hij wel pijltjes mee om haar te verdoven. Zo'n pijltje steek je in een lange buis waar je dan zo hard als je kan op blaast. Pfffffffffffff tsjaka tsjaka. Twee keer heeft de dierenarts geblazen, maar de pijltjes vlogen de verkeerde kant op. Bijna in het oog van een baby in een kinderwagen en net naast de billen van een jongen met een truitje van de Rode Duivels. Ondertussen had Rani een treinwagon zien staan. Ze werd nieuwsgierig en wilde eens gaan kijken of die wagon ook kon rijden. Wat niet zo was. Het was er eentje zonder machinist, zoals in Harry Potter. Uiteindelijk is de politie erbij gekomen omdat er paniek in de dierentuin was ontstaan. Rani had 's morgens geen ontbijt gekregen en iedereen dacht dat ze de mensen in de trein wilde opeten. En toen heeft een agent gedaan wat hij moest doen. Driemaal geschoten. Wat er in het hoofd van Rani omging op de laatste seconde van haar leven weet niemand. Maar volgens een getuige had ze een Hakuna matata-blik in haar ogen.   RIP Rani 21 juni 2018          

Sascha Beernaert
0 0