Lezen

De Snorrenclub

Of het een toeval is, weet ik niet. Maar de Snorrenclub van Antwerpen heeft haar clublokaal in de Adriaan Brouwerstraat. Nu moet u niet denken dat ik er lid van ben, al draag ik sinds een aantal jaren wel een snorbaard. Hun clublokaal ligt vlakbij het MAS, het Museum aan de Stroom, waar we net vandaan kwamen. De straat was verkeersvrij gemaakt want er vond een feestje plaats in en buiten “De Konincklijke Snor”. Er werd volop gedanst en gebarbecued door de snorren. “Kom, we gaan een kijkje nemen”, zei ik tegen mijn vrouw. Maar omdat één van ons twee geen snor heeft, besloten we om het vanop een afstand gade te slaan. We zagen diverse snorren. Kleine, grote en heel grote. Zo van die snorren met een krul, u kent ze wel. De dames op de dansvloer, gewoon het midden van de straat eigenlijk, waren ook niet van een snor voorzien, maar mochten gewoon mee feesten. Het bleek de jaarlijkse verkiezing van ‘Snor van het jaar’ te zijn. Wie er met de hoofdprijs is gaan lopen, weet ik niet. Ook niet wat de criteria waren of wat de hoofdprijs was. Maar het feestje was dik in orde in de Adriaan Brouwerstraat.   Juist, ik moet u nog vertellen waarom het een mooi toeval is dat ze in die straat zitten. De schilder Adriaan Brouwer, een generatiegenoot van Rubens, schilderde wel eens taferelen waarbij er een aardige pot bier gedronken werd. De meester van emoties wordt hij genoemd. En veel van de mannen op zijn schilderwerken zijn niet alleen van een gezichtsuitdrukking, maar ook van een fraaie snor voorzien. Misschien moet ik het eens gaan vertellen bij de Snorrenclub. Indien ze me ervaren als lid natuurlijk. Maar dat (ik vermoed dat u deze had zien aankomen) zit wel snor denk ik.  

Rudi Lavreysen
0 0
Tip

Het idool

Na drie maanden elke dag rond te slenteren op diezelfde plek, werd mijn geduld eindelijk beloond en liep ik hem tegen het lijf.   Of misschien moet ik Hem schrijven, met een hoofdletter. Voor een artiest van Zijn allooi is dat wel gepast. Als de bliksem diepte ik een sigaret op uit de zak van mijn leren jasje, stak die op en snelde op Hem af.   De fascinatie was jaren geleden al begonnen. Ik kende Hem wel van Zijn veelvuldige media-optredens, maar had me nooit zeer diepgaand in Zijn oeuvre verdiept. Tot mijn blik viel op één van de columns die Hij voor een weekblad schreef. Daarin las ik dat Hij gestopt was met drinken op de dag dat ik geboren ben, wat een periode waarin Hij dagelijks een fles porto, een fles whiskey en tien pinten consumeerde abrupt tot een einde bracht. Dat, op de dag waarop ik het levenslicht zag. Dit historisch feit bezorgt ons een bijzondere spirituele connectie, een verbondenheid die ik ongetwijfeld met geen enkele andere schrijver zou kunnen bereiken. Meteen wist ik waar mijn toekomst lag: in de letteren, en nergens anders. Nu Zijn haren stilaan zilver begonnen te kleuren, kon ik een gooi doen naar die gouden plak als Jonge Oppergod der Vlaamse Letteren.   Schrijven werd toen mijn nachtelijks ritueel. Daarmee bedoel ik: ik sloeg één van Zijn boeken open op een willekeurige pagina, nam er een stapel papieren en een balpen bij en pende alles letter per letter over. Af en toe aarzelde ik of ik een zin anders zou neerschrijven of een woord zou aanpassen. Gelukkig verdween die twijfel snel uit mijn hoofd. Als Hij het zo geschreven had, moest ik daar niet aan twijfelen. Zijn werk herschrijf je niet. Toen ik besloot dat ik mijn pen voldoende gescherpt had door Zijn voorbeeld te volgen en een volwaardige stap richting meesterschap kon zetten, begon ik aan mijn eigen schrijfsels. Aanvankelijk waren deze zeer autobiografisch geïnspireerd, doch na maanden noest gewroet wist ik dat beschrijvende niveau te ontstijgen en doorwrochte fictie voort te brengen, uiteraard volledig in Zijn onmiskenbare stijl en woordenschat.   Maar om Zijn troon op te eisen, moest ik verder durven te reiken. Er volledig uitzien als Hij, bijvoorbeeld. Het rafelige leren jasje vond ik redelijk snel in de kringloopwinkel. Ook al was mijn zicht perfecter dan dat van een steenarend, toch bestelde ik een bril bij een gedegen opticien. Met vensterglazen, weliswaar, maar met een gelijkaardig montuur als datgene wat op Zijn neus prijkt.   Het kapsel was een ander paar mouwen. Mijn haar woekert redelijk dik op mijn kruin, waardoor de wilde manen die Hem kenschetsen moeilijk te imiteren zijn. Elke dag moet ik mijn haren grondig wassen en regelmatig vraag ik de kapper om de puntjes bij te knippen, anders zou ik er gaan uitzien als een klaploper zonder toekomst.   Uiterlijk is echter niet alles: Zijn volledige levensstijl moest ik de mijne maken. Het nieuws dat Hij plotsklaps een jongedame die vijfendertig lentes minder telde dan Hijzelf Zijn vriendin mocht noemen, sloeg in als een bom. Dat maakte een liefdesleven voor mij volkomen onmogelijk. Mijn muze zou nu dan immers min elf moeten zijn, wat betekent dat zij pas binnen meer dan een decennium geboren wordt en ik dan alsnog, gezien enkele grondwettelijke en strafrechtelijke details, bijna twee decennia zal moeten wachten voor ik me tegen haar aan zal kunnen vleien. Dat maakt de anekdotes over minnekozerij en geslachtsgemeenschap in al haar verschijningen die Zijn oeuvre zo kenmerken, compleet onbereikbaar voor mij. Hij had mij schaakmat gezet. Bijgevolg moest ik kiezen tussen een langdurig celibatair leven, wat compleet andere pennevruchten zou opleveren dan de Zijne, of zondigen tegen Zijn levensloop, en daarmee het risico lopen niet te worden zoals Hij. Uit bittere noodzaak koos ik uiteindelijk voor het compromis: actief ging ik achter het andere geslacht aan, daarbij gebruikmakend van literaire vleierijen van de bovenste plank, maar onbegrijpelijkerwijs tot op heden zonder enig aantoonbaar succes.   De zwaarste dobber bleek echter Zijn voedingspatroon. Ik rekende uit dat Hij op mijn geboortedag zesendertig was geweest. Dat geeft mij op dit moment nog twaalf jaar de verplichting om te drinken. Aan Zijn tempo, uiteraard. Elke ochtend sjok ik braafjes naar de drankenspeciaalzaak om de hoek voor mijn fles porto en mijn fles whiskey, die ik vervolgens in vaste intervals soldaat maak. De tien pinten die het alcoholdieet vervolledigen, sla ik traditiegetrouw in de kroeg aan de overkant van de straat achterover. Elke avond tegen negenen, om precies te zijn. Dan kom ik binnen en heeft de barman mijn eerste horde al klaargezet. Die is uiteraard het moeilijkst, maar daarna ligt de weg open voor een zegetocht die me met elke slok dichter bij Zijn eenzame hoogten brengt. De eeuwige uitspraken van topsporters dat enkel door ijzeren discipline het niveau van hun helden te bereiken valt, gaan dus ook op voor de meest verheven sport van allemaal: de schrijverij. Ook de sigaretten nam ik er dan graag bij. Eeuwige roem is mij meer waard dan mijn gezondheid, en eeuwige roem is immers waarvoor ik geboren ben.   Dit alles had me voorbereid op de ultieme confrontatie: de ontmoeting met Hem. Uit betrouwbare bronnen had ik vernomen dat Hij, mensenschuw als Hij is, of juist te intelligent om contact met stervelingen vrijwillig op te zoeken, één keer gezien was in de centrale winkelstraat van de stad. Dag na dag rookte ik vervolgens mijn sigaretten terwijl ik als de bewaker van kroonjuwelen de straat op en af marcheerde, mijn blik niet gericht op de kleurrijke etalages van de winkelpanden of de historische gebouwen waarin zij gehuisvest zijn, maar op de gezichten van de passanten, voorbereid op het signaleren van Zijn gelaatstrekken.   En dan had ik eindelijk beet. Zonder een woord te zeggen dook ik op voor Hem en keek ik Hem recht in de ogen, niet bevreesd om mijn illustere voorbeeld te ontmoeten. Ik had verwacht dat Hij verbaasd zou zijn, maar integendeel, Hij gaf geen kik. Al wat Hij deed was mij aankijken van top tot teen, een eindeloze seconde lang.   Toen schoot Hij pas in actie. In één vloeiende beweging griste Hij met Zijn linkerhand de sigaret uit mijn mondhoek en vertrappelde die onder Zijn rechtervoet, terwijl Hij met Zijn rechterhand mijn bril afnam en die aan gruzelementen trapte met Zijn linkervoet. Daarna rukte Hij het leren jasje van mijn lijf en hield mijn lange haren samen boven mijn hoofd, als een koppensneller die op het punt stond mij te scalperen. Ik bleef echter onbeweeglijk. Enkel Hij kon oordelen over mijn lot.   Na een volle zwijgzame minuut liet Hij me los en wandelde ervandoor. Even draaide Hij zich nog lichtjes om, om me over Zijn schouder gedag te wuiven.   Ik leid uit dat teken af dat ik nog niet goed genoeg ben. Mijn poging Hem te evenaren zat vol beginnersfouten. Ik heb nu een nieuwe bril besteld, met exact hetzelfde montuur als de Zijne. Ook het jasje krijgt een tweede kans: nu zal ik er één dragen dat zelfs kreuken heeft op dezelfde plaatsen als dat van Hem. En de sigaretten die ik rookte bleken van het verkeerde merk te zijn, net als de whiskey en de porto. Eens ik al die dingen heb rechtgezet, zijn er geen grenzen meer. Op een dag zal ik er staan.   Zijn wegen zijn ondoorgrondelijk.

Felix Sandon
53 0

Gulden Treingedachten

Veel verschil was er niet ten opzichte van andere dagen. De ochtend liep grotendeels zoals gewoonlijk. Thuis maakte hij zijn lunchpakket voor s’ middags, at hij heel snel nog een boterham om niet nuchter naar buiten te moeten gaan en, eens aan het perron, was hij zoals altijd net op tijd om zijn trein te halen. Toen Albrecht eenmaal aan boord ging kon hij zijn ogen niet geloven. De trein had namelijk het interieur van een oude trein, ingedeeld in coupés met een deurtje aan, waardoor het leek alsof elke coupé een eigen kamertje leek te zijn. Albrecht zette zich neer, sloot de deur en nam zoals gewoonlijk een leesboek uit zijn tas. De treinrit naar zijn werk en terug waren de momenten waardoor hij toch nog iets of wat kon opschieten in de vele boeken die hij wou lezen. Maar het leek erop alsof zijn hoofd het hem niet toeliet om te lezen. De hele tijd dwaalde hij af naar buiten, door het raam van de trein. Alsof zijn ogen hem verplichtte om te genieten van de treinrit en de rijzende zon. En prachtig dat die was! Een opkomende winterse zon die de donkerblauwe schemerende hemel geleidelijk aan rood kleurde. Wat het nog meer ontspannen maakte was het feit dat de trein heel traag reed, wat Albrecht helemaal niet erg vond. Hij kwam toch altijd meer dan te vroeg aan en had dus tijd zat. “Heerlijk!” Dacht hij bij zichzelf. En dat was het zéér zeker. De ochtend beginnen met zo’n fantastisch spectakel terwijl de trein op het gepaste ritme met de juiste snelheid reed, doorheen een moment waar genoeg tijd aanwezig was, ingekleurd door het winterse morgenrood van de zonsopgang. Dat soort momenten zijn zeldzaam tot zelfs uniek, en dat wist hij goed genoeg. Het besef daarvan , van de kostbaarheid van tijd, achtervolgde hem dagelijks doorheen zijn drukke leven. Hij werkte veel te veel, veel te veel om  te kunnen genieten van dat soort momenten. Zoveel dat het hem angst aanjoeg om te verzeilen in een periode dat hij niet voldoende tijd meer had voor dat soort vormen van genot en dat hij het grootste deel van de tijd die hij door had gebracht had weggesmeten in het zwarte gat waarmee onze verplichtingen dag in dag uit het grootste deel van onze levens mee absorbeert. Hoe meer Albrecht daarover nadacht, hoe klaarder het werd buiten. De roodkleurige gloed  van het zonlicht werd lichter van kleur, des te hoger de zon rees, waardoor het kleurenpallet aan de lucht werd geleid door een oranjekleurig spektakel van zonnestralen en wolken die er als een gordijn rond hingen. Plots stond de trein stil midden in een weiland. Even leek hij te denken ‘waar zijn we ergens?’ maar die gedachte werd gauw weg gefilterd als hij doorhad dat hij daar dagelijks voorbijreed. Het zag er alleen anders uit, een andere plek. Verdwaald was hij niet. De trein moest waarschijnlijk gewoon een andere trein doorlaten. “Maar toch zo anders…” bleef Albrecht verwonderd. Was het de stand van de zon, of het feit dat de bomen daar op het weiland kaal waren, of de combinatie van de twee, hij wist het niet. Hij wou het ook niet bepaald weten. Albrecht wou alleen dat hij dat beeld van hoe het weiland er op dat moment uitzag kon hebben. Niet hoe het er op andere dagen hetzelfde uitzag, maar hoe het er op dat moment anders uitzag. En als het mogelijk was, op andere momenten, als het er hetzelfde uitzag, dat wou hij dan ook hebben. Datzelfde beeld, maar dan op het hoogtepunt van zijn pracht in alle mogelijke delen van de dag, de tijd en de seizoenen. Maar het was niet puur de schoonheid van de beelden die hem dat deden verlangen en dat werd al snel duidelijk toen de trein stilletjes aan begon verder te rijden. Toen de trein dichter bij de volgende halte kwam werd het uitzicht ineens sterieler. Ontdaan van de glorie die Albrecht er niet lang daarvoor nog in vond. De gebouwen die de bomen vervingen en de meerdere passagiers die hij zag opstappen maakte een eind aan de vrede. Er was een zekere warmte rond het eigenlijke heen gesluierd. Dat had hij door toen het ineens kouder begon te lijken. Men had kunnen zeggen dat het kwam doordat de lucht klaarder aan het worden was, maar dat was het niet. Het was niet louter een gevoel of iets visueels. Albrecht realiseerde zich dat wat hij nog niet lang daarvoor allemaal verlangde, voornamelijk werd veroorzaakt door vergangkelijkheid. Diezelfde drang waardoor fotografen de nood hebben om momenten vast te leggen. De angst om dat moment kwijt te raken. Al dat mooie van voordien lag allemaal te ontbinden in de dieptes van zijn geweten waardoor de details die het zo volledig maakte verdwenen in het proces en enkel de gevoelens, gemoedstoestand en gedachten die hij toen, in dat heden had, de kern van de herinnering eraan vormde. Het was weg. Het was verdwenen en het kon nooit meer terug komen. Ook al waren de plekken waar hij langs voorbij reed op dat moment ook mooi, toch deden ze hem niets. Albrecht was bijna aan zijn halte en had het gevoel alsof dat hij iets verloren had gedurende de treinrit. Dat gevoel was zijn grootste angst, de angst die gepaard ging met dat constante besef van hoe kostbaar tijd wel niet was en hoe weinig hij zijn tijd wel niet kon vullen met pracht in plaats van verplichtingen. Het vreugdevolle dat zijn gemoedelijkheid versierde leek verdorven te zijn en Albrecht stapte, eens aangekomen aan zijn halte, af met een leeg en teleurgesteld gevoel.     Hij was niet kwaad toen hij naar zijn werk stapte. Het was eerder een kwestie van de nostalgie te weten opvatten. De dageraad had al eventjes de toon gezet waardoor het een prachtige, zonnige winterdag leek te worden. “Moest het niet zo zonnig zijn…” dacht Albrecht “…en in plaats daarvan grijs, dan zou ik me vast ellendig gevoeld hebben.” En dat klopte, want het door de zon overgoten dak die boven hem hing was dan ook de ruggengraad van zijn humeur. Hierdoor kon zijn geest de duisternis die hij iets daarvoor aanschouwde gelukkig niet voldoende visualiseren. Want het was die duisternis die dat prachtige heden, toen hij vertrok op de trein, helemaal vernietigde en ervoor zorgde dat hij de schoonheid ervan niet voldoende wist te voelen omdat de angst van de sterfelijkheid ervan groter was en had geprevaleerd over de kern die het kneedde tot wat toen enkel nog maar een herinnering was.    

IL. Martius
0 0

Toen roken nog heel normaal was

‘Ga je dat eten?’ vraagt het meisje.  ’Nee, hoor. Ik rol een sjekkie.’  De oude man is bijna klaar. Hij likt met zijn tong het vloeitje dicht. ‘Doe je dat in je koffie?’ ‘Het is geen suiker!’  De oude man steekt zijn sigaret op. Hij neemt een trek.  Hij zuigt zijn wangen naar binnen.  Alsof er een stofzuiger in zijn mond zit.  Net als bij de knuffels van het meisje wordt zijn gezicht vacuüm gezogen. ‘Jij hebt de kleinste koffie.’ Het meisje wijst naar zijn kopje en schoteltje.  ‘En hij heeft de grootste koffie.’  Nu wijst ze naar de medewerker van de snackbar. Hij drinkt zijn koffie uit een mok. ‘Hij heeft een grote mond!’ klaagt de oude man.  ‘En hij draagt een rok!’ grinnikt het meisje. De medewerker draagt een schort met het logo van de snackbar. De oude man lacht. ‘Hoe heet je?’  ’Jaap. En jij?’ ‘Yoshino.’ ‘Jordijn?’ ‘Nee, Yoshi-no.’  ‘Joshi-mo?’ ‘Nee. Yoshi-no.  NO.’  De oude man shudt met zijn hoofd. Wat een moeilijke naam. Hij heeft geen Engels geleerd op school. ‘Meisje, eet eerst je mond leeg.’ Het meisje neemt een lik van haar ijsje. Ze morst op haar nieuwe T-shirt. De moeder veegt de plek weg met een servet. ‘Hoe oud ben je meisje?’ ‘Ik ben drie. Ik word vier. Dan ga ik naar de basisschool, he mam?’ De moeder knikt. ‘En wat wil je later worden?’ ‘Niks.’ ‘Dat is het beste!’ zegt de oude man. ‘Eet nou maar snel je ijsje op voordat je helemaal onder zit!’ zucht de moeder. Het meisje likt alsof haar leven er van af hangt. De oude man neemt nog een trek van zijn sigaret.  ‘Straks heeft hij geen lucht meer in zijn longen,’ denkt de moeder bezorgd. 

Margaretha Juta
30 0

Ode aan jou, deel 2 - Kristien

‘Een wild paard tem je om het te kunnen berijden, niet om er een tamme ouwe knol van te maken’ Tenkei Roshi    Een ruit wordt ingegooid. Geroep. Paniek. De jonge vrouw verstart. Zijzelf en haar collega’s zitten als een prooi vast in een gebouw met als enige uitgang de voordeur. Buiten staan mensen te wachten. In massa. Al uren lang. Het geroep neemt toe en overdondert de vrouw. Hoe lang zal het duren alvorens de dunne voordeur met aan beide kanten enorme ramen met kleine ruiten het zal begeven? Hoe zal ze aan haar organisatie rapporteren dat mensen werden vertrappeld?   De tijger ontwaakt. Ze sleept een tafel vlakbij de voordeur. De collega’s snellen haar te hulp. Met een stoel kruipt ze op de tafel. Het gebonk op de deur wordt harder. Haar collega’s roepen naar de massa. De vrachtwagen met voedsel komt aan. Een tweede ruit sneuvelt. Vanop de stoel brult ze de massa toe. Eerst in haar eigen taal, vervolgens in het Engels. Een collega, Nanuli, klimt eveneens op de tafel en vertaalt. Het voedsel zal enkel uitgedeeld worden als de massa rustig is en als de dader van de vernieling gevonden is. De massa wijst een man aan. Viktor sleept op bevel van de vrouw een man met een bebloede hand naar binnen. De man met een ruige baard, dikke snor en lang haar spartelt en buldert. De vrouw springt van de tafel, zondert hem af en staart hem recht in de ogen. Ze spuwt taal op hem uit. De man blaft terug. Ze legt haar hand op zijn schouder. Hij klopt haar hand weg. Haar benen trillen onder haar lange broek. Onzichtbaar Ze kijkt hem nog eens doordringend in de ogen en legt een vinger op haar mond. Na minuten komt er eindelijk beweging. De man ontwaakt, krijgt zijn driften onder controle en wordt opnieuw mens. Hij luistert en mompelt. Hij is het wachten beu. Ook de massa die tegen hem duwt, de puinhoop in zijn land en de oogkleppen van de wereld. Hij wil eten, werk en opnieuw een gezin. Samen met Nanuli vraagt ze hem de voedselbedeling mee te organiseren. De man leeft zich de hele dag uit. Hij roept op zijn mensen en sleurt hen in een rij. De voedseluitdeling verloopt chaotisch zonder gewonden. Slechts een baboesjka valt even flauw. Iedereen op de lijst keert bepakt naar huis terug. Ook de man.   ‘Goed gedaan. Het scheelde niet veel of er was hier een veldslag’. De jonge vrouw omhelst Nanuli. ‘Zonder jou, was het niet gelukt Nanuli’. Nanuli bloost. ‘Ik wist niet dat jij zo goed mensen kon raken. Plots waren ze vergeten te duwen en luisterden ze naar jou. Jij wordt nog een groot spreekster.’ In Azië had de vrouw nooit zo fel gesproken. Luid en direct. Het zou gezichtsverlies geweest zijn en het einde van een werkrelatie.   Buiten op de motorkap van de Lada start de picknick voor haar en de collega’s. Een homp brood, een stuk kaas en bloedrode tomaten. Viktor komt met een stoel dat hij ergens in het gebouw vond, naar buiten en ploft zich er breed lachend op neer. De stoel is echter veel te zwak. Het hele team giert het uit. Viktor krabbelt overeind en zet zich achter het stuur. ‘Dit is blijkbaar mijn plaats’. De vrouw brengt hem eten en klopt op zijn schouder. Vaak heeft Viktor haar omver geblazen. Zo ook die dag. Zijn vrouw, die veilig over de grens woonde en die hij tweemaal per jaar vluchtig bezocht, was bevallen en had de baby naar de jonge vrouw genoemd.   Het team rijdt terug naar het kantoor. Geleidelijk aan worden de voedselpakketten onderweg met hun nieuwe eigenaars schaarser. Na vijftien kilometer is de weg opnieuw uitgestorven. De wind speelt in de haren van de vrouw. Nog twee maanden. Dan zal ze weer haar valies opvullen, van haar vrienden voor het leven achter laten en een nieuwe werkbestemming moeten zoeken. Gisteren had ze met Nanuli over het onontkoombaar afscheid gesproken. Het was zondag. Ze had in de ochtend een briefje op de eettafel voor haar slapende internationale collega’s achtergelaten. ‘Ik ben even wandelen. Tot vanavond. Have a nice day.’. Met een walkie talkie met een bereik van vijf kilometer, had ze door de doodse stad met zijn kapotgeschoten gebouwen en verroeste lantarenpalen gelopen. Vergane glorie. Voor de oorlog was het Saint-Tropez voor de Russen. Na een uur had ze nog geen zin om terug te keren naar haar vier muren. Lucht en gezelschap had ze nodig. Ze had zich niet aan de regels gehouden en was een compleet eenzame weg ingestapt. Kilometers lang. Leegstaande huizen zonder vensters, wapperende verrotte deuren en verwilderde tuinen. Griezelig stil. Eindelijk na drie uur stappen was ze bij het flatgebouw van Nanuli aangekomen. Plastiek voor de gebroken ramen en planten op een balkon verwezen naar leven in het grauwe vochtige gebouw. Nanuli en haar oude moeder hadden de onverwachte, bezwete vrouw omhelsd en warm binnengelaten. De oude moeder had zich teruggetrokken in de keuken en de jonge vrouw had mee helpen koken. Het was een feest geworden. Een geborduurd tafellaken, gehaakte onderleggers, maïskoek met maïs uit hun veld, kaas met melk van hun koe en wijn van hun druiven. De hele namiddag was de vrouw bij Nanuli en haar moeder gebleven. Nanuli had ronduit over haar vermiste tweelingbroer gebabbeld. De jonge vrouw over haar pas gestorven grootmoeder. Ze hadden elkaars energie aangewakkerd en de tijd rijkelijk vast gehouden.   Viktor heeft de jonge vrouw een duw. Ze schrikt op en stapt uit. De collega’s vertrekken naar huis. Ze blijft in haar kantoor plakken en neemt haar dagboek.   ‘Ogen gekwetst door verdriet getekend door de dood vragend om voedsel zoekend naar hoop ... en ’s avonds in de spiegel ogen vol vraagtekens.’   Niet voor lang. Ze snakt naar buiten, vooral nu de avondklok nog niet gestart is. Even glipt ze haar kamer binnen. Een kamer op haar maat. Een matras op de grond. Een badkamer met lopend water. Een balkon met buitenlucht. Ze gooit haar kleren in een hoek, trekt een badpak aan en bindt een helder blauw Afrikaans doek rond haar lenden. Op teenslippers verlaat ze het gebouw, steekt de straat over en staat vlug op het brede strand. Helemaal verlaten. Met haar armen open rent ze naar het water. Ze gooit het doek en de teenslippers op de platte ronde stenen, duikt het water in en zwemt in crawl slag recht de zee in. Weg van bommen en kidnappers. Richting einde van de wereld. Ze zwemt en zwemt. Tot haar hoofd leeg is, de vlekken in de lucht opnieuw meeuwen zijn, het strand een lijntje is en de gebouwen opnieuw intact zijn. Daar ontbloot ze haar bovenlichaam, drijft met open gestrekte armen en benen op het water en ademt diep in en uit. Te midden van het grijsblauw weids water geeft ze zich over aan de stralen van de avondzon. Rimpelloos en vrij.  -----------------------------------------------------   ‘Er zijn zo veel soorten liefde, als dat er ogenblikken in tijd zijn.’ Jane Austen    Het is tien uur, zondagmorgen. Zes dagen geleden landde ze, deze keer met een contract van drie jaar op zak. Het langste contract dat ze ooit zou hebben doorheen de jaren in het verre buitenland. Na twee jaar daarentegen zou ze, op haar eigen vraag, overgeplaatst worden naar een project met meer uitdaging. De hoofdstad die ze vijf jaar geleden achterliet, is moeilijk te herkennen. Veel nieuwe brede wegen, hogere appartementencomplexen, meer brommers. Niet alles is echter veranderd. Het ouderlijk huis van haar vriend is nog identiek. De voordeur met zijn brede houten planken. De kleine winkel waar noedelssoep in de ochtend wordt verkocht. Ze passeerde er reeds verschillende keren. Niemand kwam er echter per toeval naar buiten. Vandaag zou haar vriend van zijn business trip terug komen en haar om vier uur kunnen ontmoeten.   Om de vlinders die in alle richtingen in haar buik rondfladderen te kalmeren, springt ze op haar donkergroene fiets. De straten zijn bezaaid met mensen en verkeer. De zon staat hoog en de lucht draagt de vochtigheid van een hamam. Ze slaat een zijstraat in. De schaduw van de hoge bomen schenken een zachte verkoeling. In de verte vertragen brommers. De witte vrouw komt dichterbij. Mensen kijken gefascineerd naast de weg en gooien geld in de goot. De vrouw laat haar fiets uitbollen en kijkt eveneens in de goot. Ze schrikt. Zonder nadenken parkeert ze in het midden van de straat en stapt af. Langzaam. De toeschouwers kijken nu naar haar. Traag loopt ze naar de goot, alsof ze met elke stap dichter naar het sterfbed van haar moeder toestapt, alsof ze opnieuw een laatste adem zal horen. Ze stopt en hurkt zich neer. Op de bodem van de goot ligt een kind. Klein. Opgerold. Veilig bij zichzelf. Mensen geven het een duw. Het beweegt niet. Het is vel over been.   Samen met een toeschouwer raapt de vrouw het kind op. Het kind zakt door zijn benen. Ze ondersteunen het en plaatsen het op het bagagerek van haar fiets. Met één hand houdt de vrouw het enige armpje van de jongen stevig om haar middel vast. Met de andere stuurt ze door het drukke verkeer. De jongen hangt tegen de vrouw aan. Hij antwoordt niet op haar spreken. Voor een eenvoudige eetkraam stopt ze en haalt de jongen van het bagagerek. Het is net alsof het zien van eten hem kracht geeft. De uitbater kijkt de kleine jongen op blote voeten met een lange grauwe T-shirt argwanend aan. De vrouw houdt de hand van de jongen zacht vast en stapt kordaat naar binnen. Aan een kleine tafel zetten ze zich neer. Ze bestelt rijst met vlees en groenten. Klanten begluren de witte vrouw en de ongewassen jongen vanachter hun rijstkommen en fluisteren met elkaar. De uitbater plaatst twee kommen neer. De vrouw geeft de jongen eetstokjes. Zonder woorden neemt de jongen de stokjes aan, kijkt naar zijn kom en slokt alles naar binnen. De vrouw eet nauwelijks en slaat hem gade. Hij verslikt zich niet. Als afscheid geeft ze de jongen een extra portie. Hij glimlacht, huppelt weg en zwaait met het eetzakje naar andere straatkinderen. De vrouw kijkt hem na. Zijn armstompje bengelt aan de linkerkant. Haar moederhart twinkelt broos. Ze neemt haar fiets en trapt de andere kant op, richting groene velden, weg uit de grootstad.   Ze fietst over de lange brug over de brede rivier naast bezwete vrouwen en mannen. Krakend en nauwelijks verstaanbaar. De vrouwen en mannen hebben in de vroege uren vóór het aanbreken van de dag groenten geplukt en zijn deze naar de grootstad gaan verkopen. Nu keren ze sloom naar huis terug. Morgen zullen ze deze dagindeling herhalen. De dag erop ook. Alle dagen van het jaar. Na een half uur is de witte vrouw eindelijk tussen de geurende, lichtgroene rijstvelden. Mensen verplanten met blote voeten in het ondiepe water de jonge rijstplanten. Ze zwaait glimlachend terug naar mensen die dag roepen. Na het tijdje komt ze aan de kleine pagode die ze had gehoopt terug te vinden. Ze plaatst haar fiets aan de ingang en veegt haar gezicht droog met een kleine handdoek. Een monnik komt naar buiten en herkent haar van de bezoeken langgeleden. Samen wandelen ze door de gangen. Voor een Boeddhabeeld brandt ze diep bij zichzelf drie wierookstokjes en buigt haar hoofd licht.   In de schaduw van de pagode zet ze zich op een grote steen en neemt haar dagboek. ‘Hanoi, jij drukke stad, jij die mensen van het platteland aantrekt, jij die buitenlandse investeerders aantrekt, jij waar glinsterende verlichting ons allen verblindt, waarom dwalen kinderen hier alleen rond? Zou de kleine jongen nog ouders hebben? Wat zou hij nu aan het doen zijn? Als kind had ik een eigen slaapkamer met een zacht bed en kadertjes aan de muur. In mijn jeugd werd ik alleen op pad gestuurd met een volle valies, kon ik nieuwe plaatsen verkennen en sporten leren. Hoe kan ik met mijn opvoeding het leven hier verstaan?’ Een groepje kinderen uit het dorp, dringen zich om haar heen en gapen. In het Engels begroeten ze haar giechelend. ‘Pictures, OK?’ vraagt ze. In het Vietnamees maakt ze een grapje. Onmiddellijk kruipen de vier kleine jongens dichter tegen elkaar en slaan hun arm om elkaars schouder. Ze glimlachen, behalve één. Hij houdt zijn lippen strak op elkaar geperst, trekt zijn vriend dichter naar zich toe en kijkt de witte vrouw recht in de lens aan. Pas als ze met hem praat, merkt ze het. De bovenste melktanden zijn kwijt.   Ze neemt afscheid van de monnik en fietst in snel tempo naar de hoofdstad terug. Ze is te vroeg. Ze installeert zich in een cafeetje en bestelt een vruchtensap. Een mix van papaja, banaan, geconcentreerde gesuikerde melk en ijs. Straks zal haar vriend komen. Een jongen met een houten kistje van 40 op 20 centimeter en een sticker van Coca Cola erop, komt naast haar op de grond zitten. Hij wijst naar haar schoenen en knikt ondertussen ja. Ze geeft hem de schoenen en krijgt ter vervanging zijn plastieken teenslippers. Vanuit de hoogte slaat ze hem gade en drinkt langzaam met een rietje van de vruchtensap. Gehurkt verwijdert de jongen het stof van haar schoenen. De lichtbruine pet met Angel erop geborduurd verbergt zijn gezicht. Ze schat hem acht. Hij neemt een beetje zwarte schoensmeer vanuit een bijna leeg potje en poetst de schoenen. ‘What is your name?’ ‘Hung. And you?’ ‘Vy. Hoe oud ben je?’ ‘Twaalf’ ‘Ben je hier alleen?’ ‘Nee, mijn broer poetst schoenen twee straten verder. Wij wonen al vier jaar in Hanoi. S’ Avonds vinden we altijd ergens een slaapplaats. Ben jij getrouwd?’ ‘Nee nog niet. Waar zijn je ouders?’ ‘Ze wonen met mijn twee jongere zussen op het platteland. We sturen hen elke maand ons geld. Hoeveel verdien je elke maand?’ ‘Dat hangt er vanaf hoeveel ik werk.’ ‘Waar droom je van?’. Hung zijn ogen glinsteren plots. ‘Ik wil met nieuwjaar mijn ouders in het dorp gaan bezoeken. Als ik veel geld zou hebben, zou ik een fietspomp en materiaal kopen en op de hoek van de straat fietsen repareren.’ Met haar loon zou ze al zijn dromen kunnen waarmaken. Met haar loon zal ze leven in tijden dat ze zonder werk zit. Hij geeft de schoenen aan de vrouw. Ze trekt de schoenen aan. Hij blinkt ze op met een lange, versleten stoffendoek. Ze betaalt hem. Op zijn teenslippers sloft Hung weg en spreekt een andere mogelijke klant aan. Zijn toekomst achterna.   Ze staart naar het drukke verkeer. Na al die jaren ziet ze hem te midden van de mensenmassa op de brommer. Ze staat recht en gaat opnieuw zitten. Ze popelt en laat hem naar haar toe stappen. Zoals het hoort op straat, geven ze elkaar een hand. Haar ogen glunderen. Ze gaan zitten. Enkel een laag tafeltje staat tussen hen in. Zoals het hoort, start hij. ‘Je ziet er stralend uit. Hoe gaat het?’ ‘Goed. Ik ben zo blij dat ik uiteindelijk terug ben. Hoe gaat het met jou?’ Hij kucht en speelt met zijn vingers. En dan plots, valt haar oog op zijn hand. Haar hart valt dicht en haar spieren verkrampen. Hij ziet haar blink en verbergt zijn rechter ringvinger met zijn linkerhand. ‘Ik had geen keus.’ ‘Ik had zo naar je uitgekeken.’ Zijn onbeantwoorde brieven krijgen op slag een antwoord. ‘Ik kon niet langer op je wachten. De druk van mijn familie was enorm. Ze hebben een rijke partij voor me gevonden. Nu moet ik mijn leven uitbouwen. Jij ook.’ Ze staart naar het lege glas voor zich. Seconden worden minuten. Op een zee van herinneringen zweeft ze weg. Hij redt haar. ‘Ik kan niet lang blijven. Ze verwachten me thuis. Welkom terug in Vietnam’. Ze kijkt hem zonder woorden aan. Hij veert op. Het liefst zou ze de tijd terugdraaien, onder de grond wegkruipen, hem achterna lopen of gewoon oplossen in de lucht.   Hij springt op de brommer. Zij op de fiets. Beiden rijden een andere kant uit. Elk hun eigen weg. Hij de traditie achterna. Zij een nieuwe bestemming.   Ze kan niet naar de leegte van haar kamer. Ze moet in beweging blijven. Ze fietst. Nergens heen. Na uren brengt de fietst haar nat bezweet naar het stationsplein waar het krioelt van mensen. Reizende. Slenterende. Gehaaste. Verdwaalde. Haar rooddoorlopen ogen zoeken naar het straatkind. Ze vinden hem niet. Andere kinderen met postkaarten, nootjes en koeken drummen rond de witte vrouw. Alles is te koop. Een meisje trekt aan haar okergele bloes. De vrouw ontwaakt en kijkt haar wazig aan. Een klein meisje met pikzwarte kijkers op blote voeten. Ze draait zich om en verlaat het stationsplein. Ze verwijt zichzelf dat ze niet langer bij de straatjongen gebleven was. Ze had hem meer aandacht moeten geven, alsook haar contactgegevens. De komende weken en maanden zal ze naar een teruggetrokken jongen met één arm blijven zoeken. Ze zou plannen blijven maken, hem bij haar thuis uitnodigen en proberen zijn ouders te vinden. Ze zou hem naar school laten gaan en een schooluniform geven. Een wit hemd, donkerblauwe broek en rood sjaaltje. Hij zou er mooi mee staan. Ooit.  ----------------------------------------------------- ‘Liefde is de enige kracht die in staat is  een vijand in een vriend te veranderen.’ Martin Luther King    Het regent. Onder een plastieken zeil, opgehangen aan een mangoboom en twee houten palen, discussiëren de vrouw en Afrikaanse collega’s over het programma van de dag. De collega’s kiezen dorpen dichtbij het kamp. De vrouw kiest voor de verste bestemming, neemt haar schoudertas, gevuld met een fles water met chloortabletten, fototoestel en notitieboek en verlaat met de tolk, Mabior, de kampplaats. Al snel komen ze in het centrum van een dorp. Het is een marktdag met veel volk. Sommigen hebben een paraplu. Anderen lopen doorweekt rond. Blote voeten pletsen door de modder. Geiten, melk en zeep worden verhandeld. Het lokaal gebrouwen bier en de witte vrouw zorgen voor plezier.   Ze verlaten het dorp en stappen over een open vlakte naar een kaal bos met lage bomen met kleine droge bladeren. Ze zijn benomen door hun gesprekken. Plots houdt Mabior halt. Een geluid nadert. ‘Run, loop’, roept hij. Ze lopen naar het bos. Eénmaal onder een boom luisteren ze aandachtig. Een vliegtuig vliegt laag. ‘Down!’, brult Mabior boven het lawaai van de motoren uit. De vrouw gooit zich net als Mabior op de grond. Haar hart bonkt in de keel. Pas als er geen ronkende geluiden meer te horen zijn, staan ze op. ‘De bommen van de Antonov zijn voor een ander doelwit. Deze keer zijn we gespaard’. Ze vervolgen hun weg. De regen is gestopt. Onmiddellijk brandt de zon. Al vlug bereiken ze een rivier. De vrouw rolt haar bruine broek op en zoekt evenwicht in de slibberige ondergrond waar ze vijftien centimeter diep in wegzakt. Na enkele stappen zit ze tot aan haar lende in het water. Met één hand houdt ze de schoudertas boven het hoofd en met de andere houdt ze de hand van Mabior stevig vast. Langzaam waden ze door het hoge riet naar de andere kant. ‘Jullie witte mensen hebben echt geen evenwicht’. Mabior lacht en wordt wat losser. ‘Hoe groot is je familie?’ ‘Ik heb een vader en een broer. Mijn moeder is overleden.’ ‘Ze is dus voor een lange reis vertrokken’. Ze knikt en glimlacht. Welke bestemmingen zou haar moeder bezocht hebben? Zou ze het licht gezien hebben? Zou ze rust gevonden hebben? ‘Ben je getrouwd?’ ‘Nee’ ‘En jij?’ ‘Ja, ik heb 2 vrouwen. Ik trouw weldra mijn derde vrouw. Ze is 14 jaar. Ik ben in topvorm. Het is een goede verjongingskuur voor mij’. Mabior danst naast haar. ‘Je bent dus een rijk man’. Mabior straalt en is nieuwsgierig. ‘Hoeveel stieren moet de man geven voor een meisje in jouw land?’ ‘Geen enkele, als twee mensen elkaar graag zien en hun leven samen willen delen dan kunnen ze trouwen of samenwonen.’ ‘Dan kom ik naar je land en trouw ik daar’. Ze glimlacht. ‘Ja maar, wij willen onze man niet delen met een andere vrouw.’ Mabior staat versteld. ‘Waarom niet? Ik zal er één in je land nemen. Dan blijf ik daar en soms zal ik terugkomen om te produceren. Als ik meer vrouwen heb, kan ik ook meer kinderen hebben. ’ ‘Wij vrouwen praten veel met onze man en omgekeerd. Wij willen dat hij ook helpt bij het koken, wassen en grootbrengen van de kinderen’. ‘Als wij veel met onze vrouw praten, dan krijgen we verwijten van de omgeving. We zeggen dus slechts enkele woorden. Het is voor ons ook verboden om met de vrouw samen te eten’. ‘En hoeveel kinderen heb je?’ ‘6 van mijn twee vrouwen. Maar na de dood van mijn broer, heb ik zijn 3 vrouwen en 14 kinderen overgenomen.’ ‘Dus je hebt veel werk.’ ‘Nee, de vrouwen werken hard en kunnen voor zichzelf zorgen. En hoeveel kinderen hebben mensen in jouw land?‘. ‘Twee of drie per gezin’ ‘Zo weinig! Wat als het enkel meisjes zijn? Sterft de familie dan uit? Heeft de familie dan voor niets geleefd?’ Liefde. Relaties. De man delen met andere vrouwen, nooit weten hoe laat de man thuiskomt en geen hoederecht hebben over de kinderen. Ze zou nooit een goede vrouw voor een typische Afrikaanse man kunnen zijn. Ze is te vrijgevochten. Generaties hebben vrouwen in haar land er over gedaan om te staan waar ze nu staan.   Als de zon pal boven hen staat en de lucht net een haardroger is, komen ze aan in het dorp. De dorpschef verwelkomt hen en brengt enkele vrouwen en mannen op een erf bijeen. Allen zetten zich met gestrekte benen op rieten matten op de grond, de mannen langs één kant en de vrouwen langs een andere kant. Via de tolk, stelt de witte vrouw zichzelf voor en begint gegevens voor haar enquête te verzamelen. ‘Met hoeveel wonen jullie in een gezin?’ ‘Wat hebben jullie dit jaar geoogst?’ ‘Wat hebben jullie gisteren gegeten?’ De antwoorden zijn hard. Eenmaal per dag eten ze. Een vrouw had een koe verkocht om haar kind vrij te kopen dat door de Arabieren als slaaf gevangen was genomen. Een man had twee koeien geruild voor voedsel voor zijn kinderen.   Mensen zijn slim. Hoe minder voedsel ze beweren te hebben, hoe meer eten de grote vogel hen zal brengen. Ook Mabior vertaalt in het voordeel van zijn volk en vergroot de tekorten. Nochtans, de honger staat te lezen in de zichtbaar mislukte oogsten, de zeer schamele maaltijden en de zeer magere lichamen. Vliegtuigen zullen de komende maanden weer tonnen voedsel uit de lucht komen droppen. Op het einde van het gesprek, danken ze de witte vrouw. Een vrouw, toegetakeld door de Arabieren, heft hees haar stem boven de roepende massa. ‘Dank je voor je bezoek. We zijn blij dat je gekomen bent. We zijn nu gerust over de toekomst want jij zal ons helpen.’ De schouders van witte vrouw worden zwaar. ‘Ik zal jullie boodschap overbrengen. Jammer genoeg is er niet zoveel voedsel.’   De witte vrouw en Mabior staan op en voeren nog twee groepsgesprekken met andere dorpsbewoners. Ze probeert zich te concentreren. Haar maag grolt. Uit respect voor wie voor haar zit, eet en drinkt ze niet. Haar ogen dwalen af naar de diep gegroefde handen, de uitgemergelde kinderen die aan de moeders hangen, de schaarse en grauwe kledij van de mensen en de verdorde akkers. De gesprekken zijn tegen drie uur afgelopen. Vanaf nu moeten ze zich haasten. Zo niet zullen ze in een hut ergens onderweg moeten slapen. Ze hebben slechts drie uur om de 18 km naar hun kampplaats te stappen. In het donker is dit gebied levensgevaarlijk. Sissende slangen. Verscholen rebellen. Via uitgedroogde tuinen verlaten ze het dorp. Opeens trekt een hoopje in de schaduw van een hut de aandacht van de witte vrouw. Een vrouw ligt roerloos op een rieten mat onder een deken. Het zweet staat op haar hoofd. Ze rilt. De witte vrouw kijkt naar de vrouw die overgelaten is aan de natuur en de kracht van lokale geneesheren, gaat rustig op haar hurken naast haar zitten en houdt de wezenloze hand van de vrouw een moment lang vast. ‘Een malaria-aanval’, zegt Mabior, ‘Ze heeft een infuus nodig maar er is geen hospitaal in de omgeving. Vorige week is haar dochter aan malaria overleden’. Zullen de nog zes levende kinderen kunnen opgroeien met een moeder aan hun zij? Of zullen ze het leven met een moederleegte verder bewandelen?   -----------------------------------------------------  ‘Mislukkingen vormen de vruchtbare bodem waarop nieuwe bloemen bloeien’ Lisette Thooft    De modderwegen liggen er droger bij. Ze wandelen met snelle voet. Nu en dan kruisen ze een tegenligger. Mabior stopt. ‘Hallo’, groet Mabior. ‘Hallo’, antwoordt de tegenligger. ‘Hoe gaat het?’ ‘Goed, en met jou’. ‘Ook goed, en met je familie’ ‘Goed, en bij jou?’ ‘Goed, waar kom je vandaan?’ De vrouw loopt wat verder, wacht in de schaduw van een boom en verjaagt de vliegen op haar gezicht. Haar T-shirt en gezicht zijn nat van de inspanning en de volle zon. Hallo, hoe gaat het? En de familie? En de dieren? Ze kent de traditie om elkaar ten volle te begroeten vanuit Mali, Congo en Guinea. In haar thuisland knikte ze wel eens dag naar onbekenden vanwege de Afrikaanse gewoonte. Zelden kreeg ze een groet terug. Meestal bleven de mensen in hun eigen wereld verder stappen of keken ze achterom om te zien naar wie de vrouw geknikt had. Het gesprek van Mabior met de man gaat verder. De tijd ook. Ze zet zich neer op een omgevallen boom. Voor haar lopen rode mieren vlijtig in een rij voorbij. Waar gaan ze heen? Wat drijft hen? Waarom loopt zij hier rond?   Maanden geleden vloog ze van Vietnam naar Kenia. Ze mocht haar valies uitpakken in een appartement in het centrum van Nairobi. Op het eerste zicht had alles normaal geleken. Al snel overviel haar het donker van de kamers zonder elektriciteit. De onhandigheid van een kraan zonder water. Het horen van haarzelf in afwezigheid van muziek, telefoon of internet. De angst om op straat, in de wagen of in huis overvallen te worden. Op het eerste zicht had ook de stad een modern voorkomen. Hoge flatgebouwen. Brede geasfalteerde wegen. Rijdende wagens en bussen. Mannen in kostuum en vrouwen in tailleur. Pas daarna had ze de kinderen gezien die snuivend aan flessen gevuld met geurige lijm door de straten slenterden. De mensen die water schepten uit beken. De mensen die kilometers stapten bij gebrek aan geld voor het openbaar vervoer. De overvolle minibussen. De zingende kerken met een uitgesproken geloof. Haar werkterrein was echter Zuid-Soedan. Als de oorlog er te hevig woekerde, palaverde collega’s met haar in het kantoor in Nairobi over de noodhulppramma’s. Als de oorlog weer even verborgen was, werd ze met een rugzak naar Zuid-Soedan gevlogen om de programma’s op te volgen. De contrasten van de verschillende werelden en het steeds weer op een andere plaats waakzaam zijn, brachten haar in de war. Gelukkig had ze enkele keren de werelden achter zich kunnen laten. Zo ook die ene keer. Met de hulp van een lokale gids had ze in het midden van de nacht de tweede hoogste berg van Afrika beklommen. De zwarte man had langzaam met regelmatige pas voor haar gestapt. In zijn voetsporen was ze hem gevolgd. Enkel zwart zand en rotsblokken had ze te overwinnen. Haar adem had bij elke stap naar zuurstof gesnakt. Haar hart had diep in de aders gebonkt. Na drie uur had hij haar met een vaste greep over de laatste rots van de immens hoge berg getrokken. De wind had haar ijzig en hard geslagen en achter een rots gedreven. De donkere bergwanden hadden geleidelijk vorm gekregen. Fluo. Roze. Blauw. Grijs. Enkele minuten later was de zon opgekomen en was de wereld heel ver onder haar voeten wakker geworden. Ze had zich toen afgevraagd of ze ooit een man zou vinden om de bergtoppen van het leven te beklimmen. Jaren later, tien om precies te zijn, zou ze de zwarte man terug opzoeken en zouden ze samen de trein nemen. Elk op hun manier. Soms zou ze even afstappen, onbedacht op een trein springen of tevergeefs achter een trein aanhollen. Soms zou hij op een sneltrein zitten en zij op een stoptrein. Of omgekeerd. En soms zouden ze in dezelfde wagon naast elkaar hand in hand van het voorbijglijdende landschap genieten.   ‘Let’s go’. Het gesprek is afgelopen. Zonder woorden drijven Mabior en de vrouw hun snelheid op. Juist na het vallen van de nacht naderen ze de kampplaats. De collega’s snellen hen tegemoet. Arm in arm stappen ze de kampplaats met zijn vier tenten, voedselbevoorrading, lange afstandsradio en vijf kampwachters binnen. De witte vrouw kruipt in haar tent, zoekt droge kleren en gaat naar de badplaats. Ze hangt haar lendendoek voor de opening van de open ruimte, kleedt zich uit, zet zich gehurkt voor de kuip met water, zeept zich in en spoelt zich met een plastieken beker af. Het zweet en de warmte glijden van haar lichaam. Van alle kanten vallen muggen haar echter aan. Uit schrik voor malaria sluit ze haar ontspanningsmoment vlug af.   Netjes gewassen zet ze zich bij de anderen aan tafel. Ze eten maïspap met bonen uit blik en praten over de dag. In het donker vanachter de mangoboom duikt plots een man op. ‘Hello?’ fluistert de man zacht. Een vrouw en drie kinderen verschijnen eveneens op het toneel. ‘Sorry Madam, we zijn al 2 dagen op de vlucht. Ons dorp is volledig verwoest. We gaan naar het volgende vluchtelingenkamp. Kunnen jullie ons alstublieft wat water geven?’ Mabior geeft aan een kampwachter de opdracht water te brengen. De vluchtelingen trekken zich terug onder de boom en drinken in enkele seconden het water op. Ze verdwijnen opnieuw in het donker. De witte vrouw kijkt de man met een bundel om zijn schouder, de vrouw met een baby op de rug gebonden en de kleine kinderen op hun blote voeten en gescheurde T-shirts na. Als kind genoot ze van spannende nachtspelletjes bij de jeugdbeweging, van koekjes na een wandeling en van olijke verjaardagsfeestjes. Wie zou ze zijn mocht ze hier geboren zijn?   Terwijl de anderen nog napraten, neemt ze haar notitieboekje. ‘Ze komen aangevlogen van verre met tienen, honderden, duizenden   Alles hebben ze mee Niets hebben ze achtergelaten behalve hun nest   Op zoek naar water, voedsel en een veilige plek trekken ze verder opgejaagd door de wind’   Niet voor lang. De muggen vinden haar billen doorheen de gevlochten stoel.  -----------------------------------------------------  ‘Men hoeft de wereld niet te begrijpen, men moet alleen zijn plaats erin weten te vinden.’ Albert Einstein    Om acht uur zit ze met een volle maag in kleermakerszit in haar iglotent. Warm en vochtig. Ze neemt een kleine spiegel. Een bloedrood gezicht en blauwe ogen staren haar aan. Ze glimlacht. Met behulp van een lamp op zonne-energie schrijft ze in haar dagboek. ‘Het was een lange indrukwekkende dag. Ik ben hier de blanke. Mensen verwachten, dat als ze wat vragen, ze het zullen krijgen. Ik weet niet wat zeggen als ik een meisje van 18 zie met haar drie kinderen en hoor dat ze net weduwe geworden is door een nachtelijke aanval van de rebellen. Ik probeer open te staan voor de vele kronkelingen in het leven. Waar draait het leven rond, als je zomaar doodgeschoten kan worden, als je gekwetst kan worden voor het leven en als plots alles gedaan kan zijn? Laat me hard zijn. Laat me zacht zijn. Laat me een ander zijn. Laat me mezelf zijn. Laat me opgewekt zijn. Laat me triestig zijn. Laat me mijn ogen openen. Laat me mijn ogen sluiten. Daar waar nodig.’   Na een uur legt ze zich neer op een mat en probeert te slapen. Tevergeefs. Buiten wordt er in het dorp op de drum gespeeld en luid gezongen. Waarschijnlijk dansen ze rond een vuur. Waarschijnlijk is er weer iemand overleden. Ze luistert. Eens temeer snapt ze niets van deze diepgewortelde cultuur. Ze doorbladert haar leesboek over de kunst van geven en ontvangen. ‘Met alle bochten en wendingen vindt de rivier tenslotte haar weg naar de zee. Doorsta het met een gerust hart en hoopvolle verwachting.’   Het gezang en de warmte in haar kleine tent nemen toe. Haar hoofd ontploft. Bijna. Ze spuit zich in met anti-muggenspray en ritst geluidloos de tent open. Met een lendendoek om haar pyjama, sluipt ze op teenslippers het kamp uit en komt onmiddellijk bij de airstrip. Ze kijkt naar de langgerekte en onverharde landingsstrook omsingeld door hoge grassen. Weg kan ze niet. Zolang het regent, worden vluchten afgelast. Bovendien zijn er in het hele gebied geen wegen en wagens.   Onder een kleine maan wandelt ze geruisloos over de airstrip. De putten en de kleine grashopen zijn nauwelijks te onderscheiden. Ze doet de teenslippers uit en stopt ze tussen haar rug en lendendoek. De open vlakte lijkt vrij van wilde beesten. De frontlijn met de vechtende mannen is ver en de wrede bandietenbendes zijn al in dagen niet gesignaleerd. Al lang is ze niet meer gaan lopen. Als vrouw mag ze in Soedan niet lopen en in Nairobi is het te gevaarlijk. Ze speurt de omgeving nogmaals af. Niemand. Ze geeft haar voeten en lichaam de vrijheid en loopt langzaam. Haar pas versnelt en versnelt. Van ver lijkt ze een vertrekkend vliegtuig. Haar voeten kunnen met moeite volgen.   Plots in het midden van de airstrip stopt ze. Het getrommel van de drum weergalmt zeer ver. Alleen haar hijgen doorbreekt de rust van de nacht. Vele duizenden sterren fonkelen hoog. Vlug vindt ze Orion. Hij staat helder boven haar. Ze glimlacht. In een piepklein afgelegen dorp in Laos had ze Orion, met de hulp van een man, ontdekt. De man was net zoals zij op dat moment toerist. Zacht had hij een arm rond haar schouder geslagen. Vol geduld had hij tussen de vele sterren aan de donkerblauwe hemel de zeven sterren aangewezen. De voeten, de handen en het zwaard. Bij afscheid hadden ze een hand gegeven, in de ogen gekeken en elkaar nog een goede reis gewenst. Niets meer en niets minder. Ondertussen heeft Orion haar overal vergezeld, op een bed in een afgelegen dorp in Mali, in de woestijn in India, op het strand in Vietnam en op een Maya tempel in Guatemala.   Ze stapt langzaam en aandachtig terug naar haar tent. Ze kijkt achter zich. Overal sporen van blote voeten. De hare zijn ertussen geprint. ---------------------------------------------------------   Toen aan een klein meisje werd gevraagd waar ze woonde, zei ze: ‘Waar moeder is’. Keith L. Brooks   De zwarte man trekt de deur dicht. Zijn stappen weergalmen en dijen weg op het einde van de lange, kale gang. De witte vrouw buigt zich over de metalen tafel in de hoek van de witte kamer. Zij zal net zoals miljarden vrouwen over de hele wereld dit gebeuren zonder partner doorstaan. Ze neemt een donkerbruine stift en schrijft sierlijk een naam op een hard kaartje. Nog eens. En nog eens. De kaartjes zal ze weldra naar vrienden en kennissen kunnen sturen. Eindelijk. Na al die jaren. De witte vrouw glimlacht met de naam. Zoon van de zee. 9 maanden geleden zwierf ze samen met de zwarte man weken door de groene heuvels van zijn land. Ze leefden op het ritme van de dag en van wat ze ter plaatse bij de boeren of in kleine winkels konden kopen. De zon wees hen de richting. S’ nachts sliepen ze in hun tent op de velden van de boeren of verscholen in de bossen. Zo ook die dag. Ze waren een heuvel helemaal naar boven geklommen. Onderweg hadden ze bloemen geplukt. Rode, witte, gele, blauwe. Lange en korte. Met twee takken en een draad van haar sjaal hadden ze een kruis gemaakt. Op de top van de heuvel, te midden van andere heuvels, hadden ze op hat gras geknield en het kruis in een hoopje zand geplaatst met de bloemen er omheen. In stilte hadden ze hun hoofd gebogen en waren ze bij de neef van de witte vrouw. De neef had het leven niet overleefd. Hij had de dag voorheen zijn laatste kracht gebruikt om zichzelf te bevrijden van de pijn die hem dagelijks achtervolgde. De familie van de vrouw had haar gebeld en gevraagd naar haar moederland terug te komen voor de viering. Ze had geweigerd. Ze had beslist om haar leven in eigen handen te nemen en zich te nestelen in de armen van de zwarte man. Die nacht hoog in de heuvels ver van de bewoonde wereld dicht bij de natuur ontstond Mtoto. Kind van de natuur.   De witte vrouw wrijft over haar buik. Mtoto is op weg naar de buitenwereld. Samen met Mtoto wacht ze op het moment. Ze krijgt weer een buikkramp, staat op, waggelt naar het bed en legt zich neer. De vrouw staart naar buiten. De zon schijnt hard. Het is drie uur. Deze ochtend werd ze plots ongerust. Mtoto bewoog zich niet meer in haar ronde, gespannen buik. De zwarte man had over haar buik gewreven en haar gezegd dat alles goed kwam. Ze was met hem naast haar rustig naar het ziekenhuis gereden. In het ziekenhuis was haar water gebroken. Samen met de zwarte man was ze naar buiten gestapt om de spullen voor Mtoto in de auto op straat te halen. Heel even had ze gedacht om weer naar huis te rijden. Naar het huis dat ze een maand geleden had gekocht. Het huis dat hun thuis mocht worden. De zwarte man had haar hand genomen en samen waren ze het ziekenhuis met zijn vele verdiepingen, gangen en kamers opnieuw binnen gestapt. Binnen was de zwarte man de witte vrouw gevolgd. Hij was stil. Muisstil. Beweeglijk stil. Hij was pas twee weken in het land van de vrouw. In het land dat zo overdonderend anders was dan het zijne. In het land dat hem altijd zou roepen omwille van de witte vrouw en de kinderen.   Ze krijgt een kramp. Nog één. Ze ademt zoals ze geleerd heeft in de prenatale groepslessen. Diep in en rustig uit. Ook daar was ze als enige zonder partner. Diep in en rustig uit. De krampen volgen zich sneller op. Ze drukt op een knop naast haar bed. Een verpleegster en dokter komen de kamer na vijf minuten binnen. Ze kijkt hen met grote ogen aan. De verpleegsters legt de benen van de witte vrouw over de kniesteunen van het bed en houdt haar linkse hand vast. De vrouw luistert naar de duidelijke instructies van de dokter. Met drie vrouwen moet het lukken, stelt ze zichzelf gerust. Ze ademt. Ze perst. Ze ademt. Ze perst. Plots, zichzelf van niets bewust, knipt de dokter haar. In een flits is ze terug in Congo. Bij de pijn van de diep verkrachtte vrouwen en kinderen. Drie maanden geleden bezocht ze voor haar werk samen met Mtoto de vrouwen. Ze had hen gesproken. De vrouwen en kinderen waren door hun familie verstoten omdat ze door de verminking niet meer zindelijk waren en stonken. Mensen. Beesten. De vrouwen hadden haar buik aangeraakt, geglimlacht en haar succes toegewenst.   De dokter maant haar aan dat ze moet persen, dat het anders nooit zal lukken. Ze perst. De pijn is overheersend. De knip scheurt verder. Er is geen weg terug. Ook al zou het ziekenhuis in brand staan. Al zou de hele wereld trillen. Ze moet, willen of niet, de eindstreep halen. Mtoto heeft de buitenlucht nodig. Ze knijpt haar ogen dicht, voelt de hand van de verpleegster, zondert zich van de wereld af en perst. Van heel diep komt een schreeuw. De schreeuw. Mama. Mama. De woorden weergalmen in de kamer. In haar weergalmt de vraag. Hoe zal ze ooit zonder moeder een goede moeder kunnen zijn? En dan. De opluchting. De verlossing. De verpleegster legt de kleine, donkerroze jongen op de buik van de vrouw. De kleine jongen snuffelt. De witte vrouw brengt hem voorzichtig iets hoger vlakbij haar borst. De kleine jongen nestelt zich met opgetrokken kikkerbilletjes op haar blote bovenlichaam en zuigt met zijn rode glimmende lippen zachtjes aan haar tepel. De waakvlam van de vrouw ontvlamt. Haar borst stuwt. Haar hart gloeit. Haar ogen staan hemelsblauw zoals het heldere kleur van een oceaan na een hevige storm. De kamer is stil. De witte vrouw wordt genaaid. De verminkte vrouwen en meisjes in Congo niet. De dokter legt langzaam haar benen van de kniesteunen op het bed en trekt een laken over haar. De vrouw neemt een doek van het land van de zwarte man en legt het over de kleine jongen. Hij zuigt verder. Bloedvlekken overal. Op haar T-shirt. Op zijn rug. Op haar handen. Op zijn gezicht. Gekleurd door het leven gaan ze samen de wereld tegemoet.   Er wordt op de deur geklopt. De zwarte man stapt geruisloos de kamer binnen. Hij komt bij het bed van de witte vrouw en de kleine jongen. Hij streelt hen beiden, gaat naast hen zitten en bekijkt hen stilzwijgend. Zijn zwartbruine ogen stralen, zijn witte tanden glinsteren en zijn donkere huid blinkt. Geleidelijk vinden ze enkele woorden. Later op de avond komt de vader van de vrouw. Fier tot achter zijn oren. Ze bespreken het gebeuren, toosten op het leven en maken foto’s. De zwarte man is op zijn manier beleefd aanwezig, streelt de kleine jongen geregeld, glimlacht naar haar en tast het nieuwe land af met de voelsprieten van zijn verre land. Laat na toegestane bezoekuur vertrekken de twee mannen.   De kleine jongen blijft de hele nacht aan de borst en op de lege buik van de witte vrouw. Een doek en haar hand vergezellen hem. De vrouw aanschouwt hem. Het wonderlijke geschenk van de natuur. Het geschenk dat steeds groter zou worden. Hij geeuwt, strekt zich uit, drinkt gretig, boert, slaapt en ademt. Piepkleine handen ontspannen tot vuisten. Een handpalmklein hoofd met pikzwarte platte haren. Vredig op haar. Ze dommelt nu en dan in. Morgen zal ze hem verfrissen. Morgen zal ze hem kleden.  -----------------------------------------------------   ‘De natuurlijke vonken hebben meer kracht dan de bedachte dingen.’ Toon Hermans    De jaren gaan voorbij. De vrouw schenkt het licht aan een tweede zoon. Ze gaat werken, organiseert de verbouwingen thuis, verzorgt het huishouden en speelt moeder en partner. Het lichaam van de witte vrouw geeft nu en dan storingssignalen maar ze ploetert verder. Ze wacht tot haar automatische piloot terug op volle toeren zal overslaan. Tevergeefs.   Ergens midden november zit de vrouw zoals de meeste werkdagen op kantoor voor de computer. Ze focust zich op de zwarte doos. Zeventien nieuwe mails. Een navorming moet georganiseerd worden. Drie vergaderingen moeten voorbereid worden. Een visietekst moet voor de 23ste keer herlezen worden. Ze tuurt naar de mails. De woorden dringen niet binnen. Haar vingers krijgt ze niet in beweging. Haar hoofd ook niet. Ze tuurt naar buiten. De zon schijnt. Mensen lopen over straat. Ergens heen. De gedachten van de vrouw glijden zacht weg naar een safaritrip in een natuurpark in Afrika lang geleden. Ze werkte toen voor een voedselorganisatie in een door oorlog geteisterd land, had twee weken vrij en trok met haar vader onder begeleiding van een lokale gids in een jeep door een uitgestrekte savanne vlakte. Een grote kudde wilde beesten rende voor hun wielen voorbij. Vanop afstand sloegen de vrouw en de vader de beesten gade. De kudde rende vermoedelijk al dagen. Het gedaver van de hoeven op de veel te droge aarde was oorverdovend. Water zochten ze. Leven. Gnoes, zebra’s en antilopen renden als één groep met duizenden samen. Allen renden ze hun instinct om erbij te horen en te overleven achterna. Een grote gnoe rende aan de zijlijn mee. De pas van het beest vertraagde. Het beest stopte even en rende weer verder. Stop en verder. Stop en voortdoen. De kudde bleef naast het beest op hogere snelheid verder rennen. De afstand tussen de kudde en het beest werd groter. Het beest herpakte zich minder vlot. Het zakte door zijn poten. Het duwde op zijn voorpoten maar zijn zware lichaam kreeg het niet op. Het legde uiteindelijk zijn hoofd neer op de gebarsten grond en strekte zijn poten. Het wedijveren, het steeds verder crossen op zoek naar morgen was voorbij. Het gedaver van de kudde dijde weg. Enkel een grote stofwolk bleef aan de horizon achter. De buik van het beest ging op en neer. Samen met de hitte van de zon en de uitgesproken stilte wachtte het beest op wat komen zou.   Het schreeuwt in haar. Ze wil er nog zijn voor haar kinderen, man, vader en broer. Rond haar rennen mensen mee met de kudde en vallen nu en dan af. Zij wil halt houden om daarna op volle toeren te draaien, weliswaar met de buitenlucht en de stilte als bondgenoot.   Ze tuurt naar de vier witte muren om zich heen en buigt zich opnieuw over de computer, zonder resultaat. Met een krop in de keel belt de vrouw na enkele uren de dokter. Eenmaal bij de dokter hoeft ze maar twee zinnen te zeggen. Haar tranen vertellen de rest. Met een briefje van 9cm op 18cm staat ze na vijftien minuten buiten. Ze rijdt traag met haar grijze auto naar school om de kinderen op te halen. Bij de schoolpoort aangekomen, stapt de vrouw uit en loopt snel naar binnen. De kinderopvang is vijftig minuten geleden gestart. De kinderen zien de moeder aankomen en spelen vlijtig met de andere kinderen verder. De moeder kijkt hen aan en zoekt hun boekentas, vest en brooddoos. Na tien minuten rennen de kinderen naar de moeder en wandelen ze hand in hand naar de auto. De jongens maken luid door elkaar lawaai. Hun dag zal zich in volle glorie thuis verder zetten. De moeder krijgt hen in de auto, maakt hen in de kinderstoel vast en sluit hun deur. Alvorens zelf in te stappen absorbeert ze vlug enkele minuten de kalmte van het verlaten dorpsplein. Ze probeert voldoende zuurstof op te nemen om zonder tranen en geroep aan de avondshift thuis te beginnen. Onderweg maken de jongens hun gordels los. De moeder maakt zich boos. De jongens spelen onder elkaar verder. Eenmaal thuis, opent ze hun deur. Als kuikens die veel te lang binnen hebben gezeten, lopen ze de kleine tuin in en slingeren aan de schommel. Beiden willen op het enige schommelzitje. Vervolgens willen ze beiden aan de enige turnringen. De moeder doet de achterdeur dicht, kijkt van achter het raam naar de kinderen en sleept zich naar het kookaanrecht.   Zoals elke werkdag, komt de zwarte man om 17u08 van zijn werk terug. De witte vrouw opent de achterdeur. Ze geven elkaar een kus. De ogen van de vrouw staan rood. Hij kijkt haar vragend aan. Ze snikt en zegt dat ze een tijdje thuis moet blijven van de dokter. De zwarte man omhelst haar in stilte en zegt met volle stem dat alles goed komt. De vrouw herpakt zich en kookt verder. Na het eten, doet de zwarte man de afwas en brengt de vrouw de kinderen naar bed. De vrouw stapt traag naar boven, alsof ze met elke trede meer leeg vloeit. Ondertussen bereiden de kinderen boven hun leescocon voor. Ze sluiten de gordijnen van hun kamer, steken het licht aan en plaatsen alle hoofdkussens op één bed. De moeder schudt haar hoofd en glimlacht. De kinderen glimlachen terug en geven haar elk hun favoriete prentenboek. Ze leest met wankele stem enkele pagina’s voor. De kinderen slaan de volgende pagina om en willen meer. Zij niet. De kinderen geven niet op. Zij wel. Zonder klank beeldt de moeder roodkapje en de wolf uit. De kinderen lachen luid en improviseren mee. Zonder klank gebiedt ze hen na een tijdje te gaan slapen. Ze kruipen in hun bed. De moeder stopt hen onder de lakens en geeft een kus. Ze omhelzen haar innig. Zonder klank staat ze op, werpt hen een laatste handkus toe, knipt het licht uit en gaat ook slapen. Onmiddellijk glijdt ze net zoals Doornroosje in een diepe, vredige slaap.   De volgende dagen volbrengt ze traag haar moederlijke taken, slaapt veel overdag en maakt kleine wandelingen. De computer laat ze dicht en opent soms haar dagboek. ‘Verdorie toch. Ik wil in actie schieten maar het lukt me niet. Soms trilt mijn hele lichaam alsof het diep van binnen uitgehongerd is en geen vijf minuten langer rechtop kan staan. Ik ben net een marionet die door buitenaf bestuurd wordt en waarvan de touwtjes elk moment kunnen doorknappen. Straks kunnen ze me met een vuilblik opvegen. Rust heb ik nodig zonder die moeheid die mijn tijd steeds opslorpt om te slapen. Hoe zou het leven zijn mochten de jongens een grootmoeder hebben die even mijn rol kon overnemen? Ik snak ook naar een babbel met mijn man, naar echtheid. Maar hij is tegenwoordig in zijn wereld terug getrokken. Ik zit weer met een vreemde aan tafel. Vroeger gaven we elkaar lof bloosden we samen rood raakten we elkaar aan vlogen we oneindig ver weg   Nu blijft geen woord over enkel een diep ademhalen een licht snurken tijdens slapeloze nachten’   En toen. Enkele dagen later belt een vriendin van de vrouw en vertelt haar over een cursus ‘spreken voor publiek’ met als eindopdracht een speech van twintig minuten voor een groot publiek. De woorden van de vriendin raken het hart van de vrouw. Plotseling slaat een vonk aan. Tranen komen naar boven. Meer dan zeven jaar lukte het de vrouw niet om te schrijven. Zeven jaar was ze druk bezig met haar nieuwe leven, omringd door de twee jongens en de man. Letters vormden geen woorden en het papier bleef wit. Zou ze eindelijk de remmen durven los te laten en de verhalen van de wereld naar buiten brengen? Zou ze eindelijk een boodschap de wereld mogen insturen? De volgende dag schrijft de vrouw zich in voor de cursus. Ze zou enkele zaterdagen les krijgen met vijf andere cursisten en via webcam zou ze de theorie te horen krijgen. De daaropvolgende maanden wakkert de cursus de geest van de vrouw aan.   Dankzij woorden reist ze zonder vliegtuigticket naar de plaatsen waar ze ooit werkte en naar de mensen die ze ooit ontmoette. Soms komen tranen naar boven, verrast een glimlach haar of kunnen haar vingers bij het schrijven haar woordenstroom niet snel genoeg volgen. Haar lichaam blijft echter broos en heeft meer slaap nodig. De dokter schrijft de vrouw nog enkele briefjes voor. Elke dag na het afzetten van de kinderen aan school, maakt ze een wandeling. Na een tijd ziet ze de blaadjes van de struiken en de eenden in de beek, hoort ze de auto’s in de verte en de vogels in de lucht, voelt ze de glimlach in haar hart en krijgt ze meer zuurstof. Het liefst stapt ze naar de top van de heuvel. In de verte ziet ze dan een andere heuvel waarachter Afrika, Azië en de hele wereld zich schuilhouden. Eenmaal thuis maakt ze thee met theeblaadjes van het land waar ze vier jaar woonde, gaat aan de grote eettafel zitten met zicht op de hoge plataan van de buren, zet haar rode leesbril op en neemt een stylo. De blauwe inkt van de stylo raakt het magische, witte blad en brengt de vrouw punt voor punt dichter bij wat haar bezig houdt en bij wat in haar verborgen zit. Onuitwisbaar.   Na 21 weken, krijgt de vrouw eindelijk zicht op de boodschap van haar speech en schrijft de intro. ‘Goede namiddag. Ik weet niet of het jullie al overkomen is, maar eind vorig jaar had ik een dipje. Mijn werk lukte niet. Mijn kinderen weerspiegelden me meer dan ooit, en mijn man had het nog moeilijker om me te begrijpen. Ik had nood om nog eens op reis te gaan en verloren te lopen. Ik had nood om nog eens stil te staan bij mijn leven. Ik zocht en uiteindelijk vond ik wat ik nodig had. Het werd een zes maand durende tocht met vallen en opstaan en met een duidelijke eindbestemming. Een speech geven voor jullie op de eerste zomerdag.’   Voldaan kijkt ze naar de plataan. Een zwarte vogel brengt een takje naar het nest hoog in de boom en vliegt vervolgens ijverig weg. Ze slurpt traag van de groene thee. ‘-------------------------------------------------- 'Geef een mens het idee dat hij bijzonder is, en hij gaat bijzonder doen.’ A. Honkoop   De grote dag breekt aan. Vandaag zal de vrouw haar speech brengen in een theaterzaal in de stad. Ook al is het zondag, de witte vrouw staat vroeg op. Ze ontbijt met de kinderen, maakt een appelcake voor haar medecursisten en verdringt haar moeheid met groene thee. De zwarte man heeft de hele nacht ontspannen in gezelschap van de teevee en een fles drank en slaapt nog diep, zich niet bewust van de stress die de vrouw aan het opslorpen is. Na twee uur kan de vrouw de drukte van de kinderen niet meer aan. Ze roept de zwarte man wakker. Het liefst zou ze zich nu afzonderen zoals ze vroeger deed bij haar examens. Toen liet ze haar zenuwen door haar hele lijf kruipen om er elke vezel wakker te maken en om zich te concentreren op wat nodig was. De man staat snel beneden. Met een glimlach maakt hij zijn thee en maant hij de kinderen aan om hun speelgoed op te ruimen. De vrouw maakt het middageten voor de kinderen klaar en verwelkomt de babysit. Na een half uur zitten de man en de vrouw in de auto. Terwijl de witte vrouw de snelweg oprijdt, vraagt ze de zwarte man stil te zijn. Aan 120 km per uur draagt ze haar speech op. Ook hier had ze het liefst alleen geweest om zich helemaal diep met de speech te verbinden. Het voorstel aan de man om met een vriendin van de vrouw naar de theaterzaal te rijden, had geen gehoor bij hem gevonden. De man wou het liefst bij de vrouw zijn.   Aan de theaterzaal nemen ze afscheid. De man zal voor enkele uren de stad intrekken en op tijd voor de speech terug zijn. De vrouw stapt het theatergebouw binnen met een koffer met daarin drie broeken, vier bloezen en twee paar schoenen. De docente, een bekende actrice, en de vijf medecursisten verwelkomen haar. Tijdens de repetitie loopt het mis. De vrouw stapt het podium op. De zaal met zijn lege, roodfluwelen zetels kijkt haar aan. De grootsheid overvalt haar en op slag is ze helemaal haar tekst kwijt. Ze kan geen woord uitbrengen. Alles is weg. Ze is weer het kleine kind die niet weet hoe haar zeer mondige vader te beantwoorden. Ze is weer de studente die door een militair in Afrika brutaal wordt aangesproken. Ze is weer de jongvolwassene die haar mening niet mocht geven in Azië. Tranen ontspringen in haar ooghoeken. Ze wil weg. De deur uit. De wijde wereld in.   De docente kijkt de vrouw teder aan, begeleidt haar van het podium en zegt dat alles goed komt. In de kleedkamer kiest de docente voor de vrouw een groene, aansluitende, Aziatische bloes, een witte lange broek en smalle blauwe schoenen uit de koffer en vlecht de haren van de vrouw. In de coulissen neemt de witte vrouw plaats op een stoel naast de medecursisten en focust zich op de ademhaling. Haar gezicht staat strak en de glimlach is weg.   Nog twee sprekers en de vrouw mag opkomen. Even denkt ze terug aan de korte vakantie van enkele weken terug. Het was haar toen gelukt om thuis een week vrij te krijgen. Ze was een week naar een Grieks eiland getrokken. De uitgestrekte zee, de golfslagen, het vers gekookte eten en de eenpersoonskamer hadden haar rust gebracht. De vrouw had er na enkele rustdagen, bladzijden vol geschreven met woorden van pijn, liefde, verdriet en dankbaarheid en met vertrekpunt de moeder, de zwarte man, de kinderen en de hele grote wereld. Op een bergtop had ze, met energie in de aders, haar speech opgedragen aan de uitgestrekte lucht. De nacht voor het vertrek van het kleine eiland had de vrouw, aangemoedigd door de zwoele buitenwind, de vol gekrabbelde bladzijden verzameld en verbrand. Met de as in een witte Kleenex was ze op een rots vlak aan het zeewater geklommen. Toen een grote golf haar dreigde te overspoelen, had ze het pakje ver in de zee gesmeten. De Kleenex had zich geopend en de as had enkele seconden door de lucht gedwarreld alvorens in de donkere zee terecht te belanden. Op dat moment was de volle maan achter de wolken te voorschijn gekomen en had ze zich gerealiseerd dat ze net ouder geworden was dan haar moeder ooit geweest was.   De witte vrouw slikt. Haar moeder zit ook deze keer niet tussen het publiek. De vrouw slikt opnieuw en kijkt naar de docente. De docente geeft teken dat ze recht mag staan en kondigt de vrouw aan. Het publiek applaudisseert luid. De vrouw neemt diep adem, recht haar rug, brengt de borstkas naar voor en stapt het podium op. De vrouw kijkt de donkere, volle zaal in, glimlacht en begint de speech. De adrenaline doet haar werk. De woorden zijn teruggekomen. Het publiek beweegt mee en lacht op geregelde momenten. De vrouw spreekt eindelijk uit wat ze jaren in zich draagt en benoemt hoe ze de wereld ziet. Ze prijst ook Meneer Bao, een Aziatische man van zestig, die jaren in concentratiekampen doorbracht en met haar over de ‘art of living’ filosofeerde. Ze prijst Mevrouw Mimosa, een oude vrouw, die haar man en twee kinderen verloor in de Kaukasus oorlog en die de witte vrouw dagelijks bedankte voor de maaltijd van het voedselprogramma.   De twintig minuten vliegen snel voort. Nog even en de speech is voorbij. Ze neemt een slok water en zet het laatste deel van de speech in. ‘Vaak als ik de bomen met hun takken zie wuiven, als ik de vele auto’s als door de straten mieren zie krioelen en als ik mijn kinderen spontaan zie spelen, Dan denk ik, wat zou het super zijn, als we vlugger stop zeggen aan al de moetes en vlugger foerten. Wat zou het super zijn als we de tijd nemen voor een glimlach in ons hart. En ja ik stel me dan een wereld voor waarin we allen de wereld zien als één bol met respect voor elkaar. Laat de bloem in u zelf bloeien. Ze is uniek, en geniet van de bloemen om u heen. Dank u.’ Het publiek applaudisseert luid. Zoals het hoort, buigt ze twee keer diep en met een brede glimlach verlaat ze opgelucht het podium. In het café van het theater wachten haar vader, vrienden en de zwarte man de vrouw met lof op. De vader voert het hoogste woord. Met een warm gezicht geeft de vrouw iedereen een kus. De zwarte man staat er afwezig stralend bij. De vrouw trakteert iedereen en bedankt hen voor hun komst en steun.   Bij het afscheid, feliciteert de docente de vrouw en raadt haar aan meer speechervaring op te doen. De witte vrouw bloost en krijgt het warm van binnen. Na die dag, contacteert de vrouw enkele organisaties met het voorstel om te komen spreken. Niemand is geïnteresseerd. Speechen begraaft ze voor ooit misschien. Schrijven houdt ze warm. Soms zit ze vast en soms schrijft ze enkele regels. Soms moedigt iemand haar aan en soms drijven de vlinders in haar buik de vrouw naar hogere oorden.   Dertig jaar na de dood van haar moeder zit de vrouw aan de grote eettafel met zicht op de hoge plataan, zet ze haar rode leesbril op en schrijft in stilte de laatste woorden van haar boek ‘Lieve mama. Rust in vrede. Je kleinkinderen zijn trots op jou. In mijn verhalen en in mijn glimlach leef je verder. Dank je wel.’ Ze zet haar bril af, strijkt door haar witgrijze haren, staat op, opent de deur en stapt naar buiten.    

Kristien Vliegen
0 0

Ode aan jou, deel 1 - Kristien

Hoe het allemaal juist is gegaan, weet ze niet meer. Ze weet wel nog dat ze soms vleugels kreeg. Brede, krachtige vleugels. Dan vloog ze weg. Heel even. Heel hoog. Genoot ze van de uitgestrekte lappen grond, van de blokken die figuren vormden, van de stippen die over de kronkelende lijnen bewogen, van de wind rond haar lijf. Boven wist ze niet wie ze was.   Ze vloog. Ze was vrij. Tot plots de zon te warm werd en ze, als door een donderslag, weer op de grond terecht kwam en weer zichzelf werd. Ze krabbelde recht en begon te stappen. Kilometers en nog eens kilometers. Stap voor stap sloeg de automatische piloot aan en wist ze wanneer ze stop had moeten zeggen, wanneer ze had moeten doorgaan en wanneer ze had geleefd. Helemaal echt. Telkens opnieuw. ________________________________________________________________________________________   ‘Een vogel zingt niet omdat hij een antwoord heeft. Hij zingt omdat hij een lied heeft.’ Maya Angelou   Een groot meisje stapt op de dijk. De lucht kleurt rozig, blauwig grijs. Onder haar wijde vest verstopt ze haar lichaam en houdt ze haar hart strak. Ze stapt arm in arm met een vrouw. De moeder. Naast hen stapt een man. De vader. Ze luistert gedeisd naast de moeder, knikt en antwoordt kort. De vader geeft nu en dan een opmerking. Het grote meisje knikt nog meer.   Het wandelen gaat traag. Te traag. Het meisje stopt plots, opent de rits van de vest, glimlacht naar de moeder en vader, draait zich om en rent over het strand naar het water. De haren van het meisje wapperen in de wind. De vest fladdert mee. Ze rent en rent. De hele wereld zit op haar hielen. Grote en kleine mensen. Dikke en dunne. De vader en de moeder. De lucht waait hard en het zand snijdt diep. Ze rent verder. De zee houdt haar echter tegen. Ze stopt, staart naar de horizon en haalt diep adem. Standvastig staat ze daar. Opgenomen in vrije rust. Omgeven door gezichtsvolle verhalen. Een traan op haar wang verklapt haar hart. Pablo. Op vakantie in het buitenland had ze de arme kleine jongen elke dag eten kunnen geven ondanks het protest van de moeder en de vader. Sofie. Op school luisterde ze naar de verscheurende verhalen van haar vriendin en beloofde zichzelf deze niet verder te vertellen. De nacht ervoor had ze een boek over Gupta in het verre Buitenland gelezen. De letters hadden beelden gevormd. De beelden waren levens geworden, levens met oren en ogen, met kinderen en zorgen, met honger en dorst. De moeder was de kamer van het grote meisje binnen gedrongen en het boek afgepakt. Het meisje was met rode ogen ingeslapen.   De golfslag maakt het meisje wakker. Ze begint met de armen cirkels in de lucht te tekenen, springt op en neer en loopt parallel met de zeelijn verder. Richting ondergaande zon. Een witte Kleenex die ze uit haar zak haalt om haar neus te kuisen, valt op het zand en waait weg. Het meisje rent de zakdoek achterna. Ze bukt zich. Op dat moment neemt de wind de zakdoek opnieuw mee. Ze glimlacht, speelt hond en rent het papiertje achterna.   De moeder en de vader zwaaien naar haar. Ze zwaait terug. Uitgewaaid loopt ze naar hen terug. Arm in arm stappen ze verder. Zonder woorden.   Thuisgekomen, nestelt het meisje zich in haar kamer, gaat achter de bureau zitten en legt 13 schelpen in wit, grijs, dof blauw en beige op de witte Kleenex naast zich neer. Ze neemt het dagboek en buigt zich diep.   'Een kind op afstand braaf braaf gemaakt door een omgeving een omgeving van knikken en aanvaarden   Een kind op afstand wild wild gemaakt door vragen vragen van waarom en twijfels   Een kind op afstand wijs wijs gemaakt door zwijgen zwijgen van stilte en feiten’   Mama je slikt dagelijks zoveel pillen, 5 's morgens, 4 's middags en 4 's avonds. Jouw lichaam is op. Verdorie toch. Je maakt je druk over mijn kledij, over de boeken die ik lees en over mijn gewicht. Verdorie toch. Wat kan ik voor jou doen? Hoe kan ik er voor jou zijn? Mijn hart vult zich met wat het ziet. Ik ben wie ik ben. Of dat probeer ik toch. Waarom kan ik mijn wereld niet met jou delen?’   Ze klapt haar dagboek dicht, stapt naar beneden en gaat naast de moeder in de zetel zitten. Ze kijken elkaar aan, praten over het weer, overlopen het medicatieschema van de dag, eten samen warme appelcake en glimlachen. Na een tijdje buigt het meisje zich naar de moeder toe, verwijdert het fuchsia aquagroene hoofdsjaaltje van de moeder, neemt een dagcrème en smeert het droge haarloze hoofd van de moeder in. Zacht en broos. De moeder sluit haar ogen. Het meisje ook.  -------------------------------------------------   fluo roze blauw ieder moment ontvouwen andere kleuren   In enkele dagen is het groot meisje jongvolwassen geworden. De moeder van het meisje zou het op deze manier niet gewenst hebben. De winter is op komst. Ooit zou het meisje ervan dromen om voor een groot publiek te spreken. Vandaag krijgt ze die kans. Buiten ligt een wit sereen laagje sneeuw die de geluiden dempt. Binnen in de grote witte ruimte met haar hoge plafond, bruine stoelen en doffe wierookgeur wachten donker geklede toehoorders. In grote getallen. Van ver gekomen. Ze bewegen wat onrustig op hun stoelen en kuchen nu en dan om hun droge keel te ontlasten. De jongvolwassene stapt naar voor. Het liefst zou ze nu op het strand lopen. Vrij van het weten dat ze een stukje meer alleen verder moet. Vrij van het verdriet van nooit meer. In haar hand draagt ze de tekst die ze vijf dagen geleden schreef. Ze zat toen naast het bed van de moeder. De lakens waren kraak wit gesteven. De ontsmettingsgeur overheerste de boeketten rozen en de korven met fruit. De moeder ademde zwaar in en uit en liet haar handen opgeblazen door het vocht van de baxters rusten op haar buik. Het meisje met een lichaam dat sprekend leek op de jongere generatie van het doorgelegen lichaam van de moeder liet haar hart spreken.   ‘Hier zit ik dan, wachtend op het moment dat je me weer zal aansporen ik weet wel hoe het zou moeten jij was immers mijn bloedverwante mijn mama, mijn vriendin, mijn voorbeeld   Jij, die altijd zo goed kon luisteren Jij, die zelf op zwakke momenten, niemand wou lastig vallen Jij, die de bloemekes hun stengeltjes schuin afsneed, opdat ze toch wat langer zouden bloeien Jij, die als je een kind zag, een knipoogje, een vriendelijk woord gaf   ´T ja : woorden schieten me vaak te kort maar de essentie blijft gemakkelijk uit te drukken: jij   Vergeet nooit: jouw glimlach laat bij iedereen een vlammetje na   Dank je. Je dochter'    Ze kijkt naar het publiek. Enkele gezichten glimlachen naar haar. Ze zoekt de ruimte af. Hier en daar zit een bekende. De hele ruimte is gevuld. Van overal kwamen ze voor haar moeder. De moeder is vandaag een beevee. Ze hoopt dat de man die beweert haar lief te hebben, de ruimte zal opkleuren en haar straks zal ondersteunen. Maanden hadden ze uren gepraat en weken hadden ze samen opgetrokken ondanks het afwijzende oog van de moeder en de vader. De gekleurde man wou zich settelen in het Noorden. De jongvolwassene was hiervoor een mogelijke kandidaat. De jongvolwassene had genoten van de gesprekken met een werelds accent. Haar lichaam had ze echter voor zichzelf weten te houden. Nu weet ze dat dit de juiste beslissing was. Alle gezichten voor haar zijn winters bleek.   Ze kucht, kijkt naar de kist voor haar en krachtig draagt ze de tekst op aan haar moeder. Het hele gebeuren is een groot toneelstuk. Voor haar leeft de moeder verder. In haar verhalen. In haar glimlach. In haar kijk naar de wereld. Zakdoeken worden bovengehaald. Ingetogen verlaat ze het podium. Ze neemt terug plaats tussen haar vader en broer. Ze voelt hun warmte.    ------------------------------------------------ ‘de hele wereld is een schouwtoneel en alle mensen zijn maar acteurs.’ William Shakespeare    De jongvolwassene herneemt haar studies. Ze concentreert zich, neemt deel aan de studentenactiviteiten en speelt moeder in het WE. De wereld blijft haar lokken. Waarvoor wou haar moeder haar beschermen? Zal ze de tocht vol uitdagingen, ontmoetingen, vraagtekens en van moeder-zijn aan kunnen? Voor haar eindwerk vertrekt ze voor de eerste keer naar het andere continent. Afrika. De vader brengt de jongvolwassene in een donker blauw kostuum, lichtblauw gestreept hemd en donker rode kravat naar de luchthaven. Hij vertelt haar over zijn business trips. En over de gevaren alsof hij er zelf bij was. Ze knikt, glimlacht en belooft hem dat alles goed komt. Ze omhelzen elkaar. De studente neemt haar valies en stapt de douane door. Aan de andere kant van de wereld zou ze opgewacht worden door een dame van haar land.   Na een lange vlucht komt ze aan. Het douanepersoneel kijkt de witte studente indringend aan en vraagt wat ze voor hen meebrengt. Ze kijkt hen verward aan, glimlacht en stapt verder naar buiten. In de zwarte massa gedrukt tegen een hoge metalen omheining ziet ze een witte dame staan. De enige. Snel stapt de studente naar de witte dame. Ze geven elkaar een stevige handdruk. De dame, Thérèse, neemt de valies over. Samen met drie zwarte dames stappen ze naar een lichtgrijze auto. Thérèse, een dame van rond de 60 jaar, neemt het stuur en ze rijden weg van de luchthaven. De zwoele kleverige warmte, de overheersende chaos, de krakkemikkige wagens en de petroleumlichten in de kraampjes langs de straten maken de studente stil. De wagen ontwijkt diepe putten, slaat de drukke hoofdstraat af, rijdt door kleine stegen en komt tot stilstand voor een klein geel gebouw te midden van een grote verzorgde tuin. Een witte en zwarte vrouw verwelkomen haar.   De volgende ochtend om 5 uur komt een zwarte man de studente ophalen. Ze stappen langs de spoorweg en vele kleine steegjes. Doorheen de buitenwijken. Zwarte schimmen lopen snel langs haar voorbij met of zonder gewicht op het hoofd of verkopen brood, nootjes of bananen gehurkt naast de weg. De drift om te overleven drijft hen voort. Een drift om eten voor de dag te vinden. Evenals geld voor water en houtskool. De studente beweegt met hen onopvallend mee. In het donker met een doek rond haar hoofd en losse kleren is ze onzichtbaar. Voor even. Na een uur komen ze aan het sojamelk bedrijf. Hier zal de studente informatie voor haar eindwerk moeten verzamelen. Thérèse en de drie dames van de dag ervoor zijn al druk bezig de sojabonen te wassen en de machines klaar te maken. De studente draait mee. Na de middag gaan ze de sojamelk aan een zeer lage prijs verkopen in de sloppenwijken. Erna stapt ze met de zwarte man terug naar het klooster. Het avondeten gebeurt in de grote zaal beneden. De witte en zwarte moederoverste praten kort tegen de studente, maar praten niet met elkaar en bedienen elkaar niet. IJzig stil. De student propt zich uit verveling vol met soep, hoofdgerecht en dessert en snelt naar haar kamer. De vier muren brengen haar echter geen rust. Ze neemt haar dagboek en gaat op bed zitten. ‘Vorige week kon ik nog gaan wandelen waar ik wou. Nu is mijn wandelgebied beperkt tot een kleine tuin. Opgesloten als een beest in de dierentuin. Eergisteren droomde ik nog van Afrika. Nu ben ik er en zit tussen vier muren. Met twee ramen zo hoog dat ik niet kan buiten kijken. Vandaag zag ik weer die vele mensen stappen. Blijkbaar kilometers en kilometers. Bij ons kan je de bus nemen. Is er plaats voorzien voor oude mensen, een kinderkoets en gehandicapten. Alles netjes geregeld. Hier worden de mensen als beesten gepropt in taxi-minibussen. Zelfs dat vervoermiddel kunnen de meeste niet betalen. Soeur Colette, een dikke zwarte non die gezellig lijkt, en Soeur Marie Louise, een witte, magere non die op alles een opmerking geeft, willen beiden het hoogste woord voeren en brengen me ook niet dichter bij Afrika.’ Buiten op straat speelt muziek opgewekt luid. Roepen kinderen naar elkaar alsof er een grote voetbalmatch gespeeld wordt. De studente mag niet naar buiten. Enkel onder begeleiding. En niet s ‘avonds. De poorten van het klooster zijn al lang op slot alsof ze elk moment een aanval verwachten.   De volgende maanden volgt de witte vrouw dit dagritme tijdens de werkweek. Ze komt de laatste nieuwtjes op een luchtige wijze te weten, de prijsstijgingen, de sluiting van benzinestations, de knagende honger en de uitzichtloosheid van de huidige regering. Ze stelt vragen, glimlacht , leert de lokale taal en observeert. Ze wordt vertrouwd met het leven in de grootstad en past de lokale gewoontes toe die voor haar haalbaar zijn. Eten met de handen. Zich wassen in een plastieken bassin. Gaan slapen kort na zonsondergang.   Het is vrijdag. Thérèse nodigt de studente uit om voor het WE bij haar thuis te komen. De ogen van de studente stralen. Ze rijden de stad uit. Naar de universiteitscampus. De nacht valt met een snelheid zoals het gordijn in de schouwburg na een toneelvoorstelling. Op de campus staan vele grote gebouwen. Wat een glorie. Voor een donkergrijze poort stopt Thérèse en claxonneert. Een jong meisje opent de poort. De studente stapt uit. Een groep zingende en dansende kinderen verwelkomt haar. De studente kleurt rood en stapt met aan elke hand een kind het huis binnen. Het grote huis van Thérèse. 35 jaar geleden kwam Thérèse, als bioloog, samen met haar man en hun vier kinderen, aan om les te geven aan de universiteit. Geconfronteerd door de moeilijkheden van vele studenten, openden ze hun huis voor enkele alleenstaande moederstudenten. Door de jaren heen, kwamen er meer bewoners bij, waaronder ook wees- en straatkinderen. Het geloof in God hield hen recht. De volgende ochtend wandelen drie moederstudenten met de witte studente over de campus en plaatsen haar in het middelpunt van de belangstelling. De campus is verlaten. Kapotte vensters. Afgeschilferde gele verf op de groenvochtige gebouwen. Vergane glorie.   Na een mens-vol weekend wordt de studente terug aan het steriele klooster afgezet. De kilte overvalt haar en ze trekt zich terug in haar kamer. ‘Wat een wereld. Op straat is de situatie gespannen. Ik verdiep me niet in de politiek want het is veel te complex. Ik ben maar een simpele student. De professoren en leerkrachten worden al maanden niet betaald door de overheid en staken nu. De universiteit is voor onbeperkte tijd dicht. Sommige studenten waren bijna afgestudeerd, bijna klaar om eindelijk geld te verdienen. Nu wachten ze gelaten. Hoe zou je zelf zijn? Normaal slapen de studenten met vijf of zes in klamme eenpersoonskamers. Hun aula’s zijn muffig en te klein voor de vele studenten. Rechtstaand moeten ze les volgen en alles noteren want syllabi zijn te duur. Vier studenten vroegen me om een beurs te regelen zodat ze in het Noorden een toekomst kunnen uitbouwen.’ Ze zucht, sluit haar dagboek, gaat op het bed liggen en staart naar de ventilator aan het plafond. Net de schroeven van een helikopter. De elektriciteit valt uit. De muziek buiten en de helikopter ook. Twee vliegen zoemen rond haar hoofd verder.  ------------------------------------------------------   de zwarte vogel pikt met zijn bek op het dicht bevroren water    Elk weekend gaat de witte studente naar het huis van Thérèse. Ook deze keer. Buiten op straat rommelt het. De studente wordt aangemaand naar binnen te gaan. Vanuit de stoel op het donkere terras staat ze recht. Ze wuift naar de drie zwarte studenten die in het maanlicht de wacht houden over het grote, verduisterde huis en gaat op de tast naar binnen. Haar ogen wennen aan het donker. Alle kamers liggen vol met matrassen, kleren, boeken en mensen. Ze doet haar sandalen uit en legt zich op een matras op de grond in de gang. Naast haar liggen een baby, een moeder en studenten. Ze slaat een doek om zich heen en valt in slaap. Ze schrikt wakker en gooit het beest dat over haar gezicht kruipt weg. De lange kakkerlak vliegt weg en zet zich vast op de muur naast haar. Ze slaapt niet meer in. De stilte buiten wordt nu en dan verbroken door een kreet of een knal. Op de tast zoekt ze haar zaklamp. Ze zet zich recht en neemt het dagboek uit haar rugzak. ‘Ik ben zo ongerust. Buiten wordt er geschoten. Militairen hebben belangrijke plaatsen ingenomen. Ik zou graag papa en Steven verwittigen maar de telefoon is al drie dagen afgesneden. We kunnen niet weg want de auto is leeg en in de stad is er geen benzine meer. Straks plunderen ze misschien ons huis en zullen ze mij en al deze lieve onschuldige mensen afslachten. Wat zal papa zonder zijn dochter doen en Steven zonder zijn zus? Nee ik wil leven. Ik wil het overleven. Die militairen voelen zich nu de koning te rijk. Maar voor hoelang?’.   Het wordt licht. De studente staat op, plaatst de matras achter een deur en groet de huisgenoten die wakker zijn. Het dagritme hervat zich. Kinderen lopen overal rond. Buiten werken enkele studenten in de moestuin. De witte studente moet binnenblijven. Onrustwekkende berichten sijpelen binnen. De militairen zijn op 200 meter van het huis aan het plunderen. De studenten verstoppen hun diploma’s in een put in de tuin en nodigen de witte studente uit hetzelfde te doen. De studente geeft hen haar pasport en fototoestel. Thérèse organiseert het middagmaal. De witte studente volgt haar en helpt de studenten met het snijden van de maniokbladeren uit de tuin. Het gebeuren in de stad is het middelpunt van de conversaties. Allen lachen ze met het voorval dat een man de etalage van een schoenwinkel leeggehaald en thuis ontdekte dat hij alleen schoenen voor de linkervoet meegebracht had. Het middagmaal is klaar. Thérèse brengt een kom rijst en groenten naar het terras. Twaalf kinderen zitten met een plastieken bord voor zich. Ze volgen met volle ogen de kom. Thérèse schept op. In slilte slokken ze hun bord leeg.   De spanning in huis stijgt. Op elke hoek van het huis houden de bewoners scherp de wacht. Plots wordt aan de poort gebeld. Iedereen in huis is alert. Zijn het de militairen? Misschien een buur in nood? Een studente schuift voorzichtig het uitkijkluifel van de poort open. Een zwarte man in zwart kostuum en witte das staat voor de poort, maant haar aan de poort te openen en de witte vrouw snel te roepen. Thérèse komt tussen beiden, verstaat de man en roept haar landgenoot. Een zwarte wagen rijdt de oprit op. De studente moet mee. Er is geen tijd om deftig afscheid te nemen. Met tranen in de ogen omarmt ze vlug enkele kinderen en Thérèse en neemt haar pasport, fototoestel en rugzak van een jonge moeder aan. De studente stapt traag in de wagen en zwaait van achter de geblindeerde vensters naar het luchtledige. Niemand kan haar zien. De poort wordt vlug dicht gedaan. Ze staart naar het voorbijglijdende straatbeeld. De straat is leeg. Mensen zijn binnen gebleven voor de veiligheid. Alles is geplunderd, overal glasscherven, in brand gestoken benzinestations en autowrakken. Alles is vernield door mensenhanden. Alsof een troep mieren een krekel aanviel en enkel het skelet overliet. Zelfbediening voor de sterksten. Ze komen aan op de ambassade van het land van de studente. De bewaker herkent de nummerplaat. De poort gaat open en de bewaker commandeert hen met zijn mitrailleur snel binnen te komen. De wagen rijdt binnen. De studente is veilig. Haar collega’s en vrienden buiten niet. Zij moet vluchten. Thérèse mag blijven. In de ambassade loopt het vol witte mensen. Na een uur krijgen ze zalm, kaviaar, hesp, kaas en brood voorgeschoteld. Er wordt gegeten. De studente eet niet. Ze kan niet. Zij in het huis van Thérèse ook niet. De kinderen eten er maïsmeel met water, zonder melk, zonder suiker, zonder vlees. Bedden zijn geïnstalleerd in de gangen en kamers. Er wordt geslapen. De studente schrijft afscheidsbrieven voor de mensen bij Thérèse en neemt haar dagboek. ‘Overal Ogen Monden Gewoonten   En toch, de jouwe zijn anders.   Het zijn de jouwe’ Ze sluit haar ogen en is bij het leven van Thérèse. ------------------------------------------------------    ‘als hij kon toveren, kon toveren, kon toveren, kon toveren, dan hielden alle mensen van elkaar’ Herman Van Veen   Het huis om haar heen is groot. Te groot. De kamers bewoond door bedden, matrassen, kasten en tapijten zijn leeg. Een week geleden lag ze omringd op een matras op de grond in het huis bij Thérèse. De muren zwijgen. Buiten rijdt een eenzame auto voorbij. De studente stapt uit bed, laat het water over haar lichaam vloeien, trekt een broek en een T-shirt aan en springt op de fiets.   Ze stapt de supermarkt binnen. Roze, witte, gele yoghurt. Water in blauwe, groene en witte flessen. Een hele frigowand vol soorten vlees. Een hele wand vol soorten brood. Bakken stampvol met groenten en fruit. Ze staart naar haar boodschappenlijst, haar benen zijn als lood en ze kijkt opnieuw rond zich heen. Stapvoets vult ze haar winkelkar.   Een week geleden had ze moeten vluchten. Ze was in een cohorte van 15 wagens gevuld met andere witte mensen naar de luchthaven gebracht. Langs leeggeroofde bureaus, gebroken ruiten en kapotgeschoten transportbanden werden ze naar het vliegveld geleid. Daar hadden ze uren in de blakende zon op een vliegtuig gewacht. Sommigen hadden bagage. Anderen stonden er in een T-shirt en pantoffels. Sommigen waren vanop hun dak met een helikopter bevrijd geweest. Anderen waren met eigen vervoer naar de verzamelplaatsen voor de witte mensen gereden. Een raamloos goederenvliegtuig had de vluchtende witte mensen naar de hoofdstad van het buurland gebracht. Van daaruit waren vrouwen en kinderen met een passagiersvliegtuig naar het land van de studente overgebracht. In de vroege ochtend was de studente gewikkeld in een deken wazig uitgestapt en werd ze naar het militaire ziekenhuis geleid. Warme koffie en croissants vulden de opvangruimte. Ooit zouden massa’s mensen uit het zwarte continent en omgeving naar haar land trekken. Over land en zee. In een vrachtwagen. Opgesloten. Op een boot. Overladen. Wie zou hen verwelkomen?   Beladen fietst ze naar huis. Ze kneedt, wast, kookt en bakt de ingrediënten urenlang. Ze gaat helemaal op in de radio en zingt luidkeels mee ‘you can go your own way’. Plots hoort ze een sleutel in de voordeur. De vader van de studente stapt met zijn aktentas binnen samen met de broer die van zijn kot terugkomt. Ze geven elkaar een kus. Het huis vult zich op slag met stemmen. De vader trekt zich met zijn aktentas terug in zijn bureau. De broer duikt in de zetel. De studente neemt de zak van de broer, propt de kleren in de wasmachine en nestelt zich opnieuw in de keuken.   Eindelijk rinkelt de deurbel verschillende keren. Ze omhelst de bezoekers. De grootmoeder omhelst ze het innigst. Een week geleden was de vader op zakenreis. De grootmoeder was de studente met een taxi komen ophalen aan het militaire ziekenhuis. Met tranen in de ogen waren ze in elkaars armen gevallen en hadden ze elkaars geur opgemerkt. Eau de Cologne 4711 en ongewassen droog Afrikaans stof. Al vlug zit de hele familie rond de gevulde tafel. Zelfgemaakt suikerbrood. Rijstpap gebaseerd op het recept van de grootmoeder. Een kom sla met een vinaigrette van olijfolie, balsamicoazijn en yoghurt. Zeven soorten kaas. Vijf soorten vlees. Een groentetaart van broccoli, prei en zalm. Een fles rode en witte wijn.   De studente staat op en stapt naar de diaprojector. Ze laat de dia’s spreken en geeft nu en dan een korte uitleg. ‘Hier stap ik door een sloppenwijk om de soyamelk rond te delen.’ ‘Je bent zeker wel blij dat je terug bent?’ ‘Dit is Maman Thérèse en de alleenstaande moeders die ze een thuis geeft.’ ‘Ze zien er zo gelukkig uit.’ ‘Dit zijn Dieu en Symeon. De twee broers zijn vier en zes. Hun moeder is drie jaar geleden gestorven en hun vader is onbekend. Op een bepaald moment kon hun grootmoeder niet langer voor hen zorgen. Ze wou de kinderen niet de straat opsturen in de gevaarlijke sloppenwijk en bracht ze via via naar Maman Thérèse. Isa, een alleenstaande moeder die net haar enige zoon verloren had, nam de twee jongens aan. De grote dagelijkse vreugde van de jongens is om naar school te gaan en hun nieuwe mama rond zich te hebben.’ ‘Wat een schattige jongens.’ ‘Hier eten straatkinderen bij Thérèse rijst en maniokbladeren.’ ‘Je rijstpap is verrukkelijk. De bruine suiker erbij maakt het helemaal af.’ De familie lacht en praat er op los.   Kort voor middernacht is het huis opnieuw leeg. De broer gaat slapen. De vader en de studente ruimen alles op. In haar kamer haalt ze het dagboek uit haar rugzak. ‘Vandaag was de hele familie er. Je broers en zussen, de nichten en neven. Ik heb je weer enorm gemist. Hocus pocus pas. Kom alsjeblief nog eenmaal terug. Al is het maar voor een week, een dag, een uur of vijf seconden. Juist lang genoeg om je nog eens goed vast te houden, nog eens diep in je ogen te kijken, je te verwennen, je geur op te snuiven en je stem te horen. Vandaag had ik ook o zo graag voor mijn vrienden in Afrika gekookt.’   Het Weekend is kort. De vader brengt de studente tegen valavond naar het station. Met haar rugzak stapt ze tussen de menigte naar het volle perron. De trein stopt. In massa drummen de studenten zich op de trein. De lege plaatsen zijn snel ingenomen. Allemaal. Enkel rond één tafeltje zijn nog drie zitplaatsen vrij. De studente stapt er recht op af, laat zich neer ploffen en glimlacht naar de gekleurde dame voor zich. De trein komt in beweging. De studente ook. ------------------------------------------------------    ‘klaar voor wat groeien zal?’   Langzaam opent ze de enveloppe. ‘Bonjour. Comment ça va? We stellen het goed. Dieu en Simon vragen elke dag wanneer je terug komt. Jouw sjaal houdt me ’s nachts warm. Begroet je vader en je broer van mij. God zege je. Isa’. Ze vouwt het papiertje met de blauwe letters dicht en glimlacht door het raam naar de lichtblauwe zomerhemel, bezaaid met zachte witte wolken. Ook al functioneren de post en de telefoon in het Afrikaanse land niet, toch heeft deze brief haar via via bereikt. Vervolgens blaast ze op haar vlakke hand in de richting van de wolken en stuurt hen een boodschap voor Isa.   De studente trekt een pull aan, springt op de fiets en installeert zich in de stadsbibliotheek met vele boeken om zich heen. Het witte blad voor haar blijft echter leeg. Ze zucht. Hoe kan ze wetenschappelijk haar bevindingen van Afrika weergeven als ze er voortijdig is moeten vertrekken en bijna geen gegevens verzamelde? Na twee uur verlaat ze de bib en fietst naar het station. Ze springt op het nippertje op de trein en komt net op tijd voor haar afspraak aan bij een hoogleraar die lang in Afrika werkte. Ze noteert en noteert. Hiermee zal haar eindwerk al wat geleerder overkomen. Na afloop gaat ze een broer van haar moeder bezoeken. Vol lof verwelkomt hij haar. Uren praten ze over zijn zus, haar moeder, en Afrika. Haar lijf warmt op.   Laat in de avond, bereikt ze haar kot. Nieuwsgierig kijkt ze in de brievenbus en vindt een spierwitte enveloppe met een blauwe stempel. Ze neemt langzaam de brief en leunt met haar rug tegen een muur. Het studentehuis klinkt stil. Ze gaat naar boven, zet zich op de stoel achter haar bureau, opent de brief waar ze al zolang op wacht en haalt het getypte A4 blad eruit. Traag leest ze letter voor letter. De vele verslagen en de verre bezoeken zijn beloond. De prof heeft haar aanhoord en geloofd. Zij is uitverkoren. De studenten in Afrika niet. Straks zal ze haar vader bellen. Straks zal ze naar de fuif gaan. Met de brief op haar borst, legt ze zich neer op bed. Haar lichaam neemt de vorm van de matras aan. Alle spanningen vloeien weg alsof een badstop uitgetrokken wordt.   Diep in de nacht schiet ze plots wakker. Ze gooit het donsdeken en de brief van zich af, wast haar ogen uit met koud water aan de lavabo in de hoek van de kamer en springt op de fiets. Enkele studenten verwelkomen haar. Het lawaai overdondert haar. Uiteindelijk dringt ze de ruimte met zijn drank- en lijfgeur binnen en geeft ze zich geleidelijk over aan de muziek. ‘if I could turn back time, ...’. Ze danst. Ze botst tegen de studenten naast haar. Ze blijft dansen. Met gesloten ogen. Met haar moeder. Met Thérèse. Dieu. Isa. Simon. En de hele wereld.   Felle lichten verbreken ineens de betovering. Met zijn achttien staan ze op een kale dansvloer. Lege bekers verspreid over de grond. Met zijn achttien. Belabberd. Opgewekt. Moe. De koning te rijk. Ze fietsen in zigzag naar de fakbar. Warme croissants wachten hen op. De studente is na haar ochtendgymnastiek helemaal wakker. Ze fietst naar de les. De anderen naar hun kot. Ze zet zich op de achterste rij. De prof verkondigt aan een halfvolle aula zijn geloof. Waterzuurstof. Koolstofverbindingen en nog veel meer. De studente slaat gade. Volgend jaar zal ze dankzij een beurs in het buitenland gaan studeren. Ze weet nog niet dat ze ook daar de andere kant van de wereld zal omhelzen en dat het land van de stageplaats haar tweede thuis zal worden. De muziek speelt na in haar hoofd ‘everything I do, I do it for you’.   ------------------------------------------------------   ‘Mensen struikelen niet over bergen, alleen over molshopen’ Confucius    Als kind kon ze moeilijk buiten de lijntjes kleuren. Ondertussen leerde ze, als ze snakte naar lucht, lijnen uit te gommen en te hertekenen. Bladzijden vol te krabbelen. Kleuren op haar manier te mengen. Kladpapieren weg te gooien. Kleurenplaten te creëren die voldeden aan de normen van de buitenwereld.   Het hotel slaapt. Ze neemt haar rugzak en verlaat de kamer die ze reeds betaalde. Zonder zaklamp stapt ze de koele, donkere ochtend in. Het dorp dommelt in de bergmist. Hier en daar hoort ze gerommel in een huis. Ze laat het hooggelegen dorp met zijn bergvolk achter. Haar stappen weergalmen over de verlaten asfalt. Ze heeft twaalf uur de tijd om het station in de grote grensstad helemaal beneden te bereiken. Volgens de hotelbaas zou de trein naar de hoofdstad om 7 uur vertrekken.   Boven de bergen komen langgerekte zonnestralen geleidelijk tussen de wolken door. De hemel overheerst. Roos. Oranje. Grijs. De mist verbergt geheimzinnig de rijstvelden en houten dorpen in de vallei. Ze haalt diep adem en laat de frisse, verse ochtendlucht door haar lichaam stromen. Ze stapt en zucht. Nog een maand en haar stage zit erop. De voorbije maanden mocht de witte vrouw met een lokaal team het land mee afgereizen. In verafgelegen plekken hadden ze kinderen gewogen en enquêtes afgenomen. Het team sprak met moeite Engels en had haar op de achtergrond gehouden. Ze was te jong, Westers en een vrouw. Het team kon haar naam niet uitspreken en had haar Vy, blije kleine meid, genoemd.   De cadans van haar voetstappen brengen de vrouw rust. Morgen zal ze zich opnieuw integreren in de drukte en op kantoor aan het stageverslag werken. Van overal vervoegen mensen in indigoblauwe kledij de hoofdweg, bepakt met brandhout of landbouwgereedschap. De witte vrouw stapt hen voorbij en zegt goedendag in hun taal. De zon warmt de berg en de weg meer en meer op. Geregeld drinkt ze water van haar fles. Een volgeladen bus teutert en stopt. Ze schudt het hoofd. De bus rijdt verder.   Nog een maand. Het afscheid zal moeilijk zijn, vooral van haar nieuwe vriend. Enkele maanden geleden leerden ze elkaar kennen in een café. Hij had rechten en Engels gestudeerd en werkte in de hoofdstad. Uren zaten ze naast elkaar aan meertjes in de stad en redeneerden over het leven. Hun samenzijn is verdoken, vooral voor zijn ouders en haar vader. Nu en dan sluipt hij weliswaar haar guesthouse s’ nachts binnen en vertrekt hij voor iemand opstaat. Dankzij hem heeft ze een stuk van het andere leven geproefd. In zijn armen verdrinkt ze graag, veilig naar de diepte van de oceaan.   Als de grensstad beneden opduikt, zet ze zich aan de kant van de weg en eet de kleefrijst die ze de dag ervoor kocht langzaam op. Al snel komt een bergvrouw in een indigoblauwe bloes, rok en hoofddoek bij haar staan. Ze is tenger en ingetogen. De witte vrouw staat op en wil de bergvrouw kleefrijst geven. De bergvrouw glimlacht warm, schudt het hoofd en haalt vanonder haar bloes een verfrommelde foto. Op de foto staat de bergvrouw met een heel klein meisje op haar arm en naast haar een opgeklede dame met een strakke blik. De bergvrouw vertelt een gans verhaal. Soms stralen haar ogen. Soms staan ze verdrietig. Ondertussen sust ze het kind gebonden op haar rug door op de benen te wiegen en houdt ze de kleine jongen dichtbij haar in de gaten. De witte vrouw verstaat hier en daar een woord. Meisje. Ik mama. Dochter. Grote stad. Nieuwe mama. Nu acht jaar. Nu school. De vrouw bekijkt de foto aandachtig en steekt verschillende keren haar duim op. De twee vrouwen glimlachen naar elkaar, zijn bij het kleine meisje, houden elkaars hand vast en vervolgen elk hun weg.   Het drinkwater van de vrouw geraakt op. Tevergeefs zoekt ze kraampjes onderweg. Uiteindelijk vraagt ze een oude man die aan de kant van de weg zit, water. Hij doet teken te volgen. Ze loopt hem langs een paadje achterna. Ze bereiken een houten huisje. Op het erf van platgestampte aarde dolen een bijna kale kip en een hangbuikvarken rond. De man nodigt de vrouw uit om naar binnen te gaan. Ze aarzelt. Op dat ogenblik komen een meisje en een oudere vrouw het huis uit. Ze begroeten elkaar in de lokale taal. De witte vrouw stapt binnen. Het is er halfdonker en broeierig warm. Ze gaat op een houten bank zitten, krijgt water om haar twee flessen op te vullen en staat op. De man vraagt haar te wachten tot zijn echtgenote terugkomt. Hij neemt de rode thermos met bloemenmotief, giet warm water op de losse thee in een gebarsten theepot en geeft haar een kopje lichtgroene thee. Bitter en scherp. De middagzon zakt dieper. Na bijna twee uur komt de echtgenote fier de kamer binnen. Ze zet een kom rijst en gekookte kip neer voor de vrouw. De vrouw heeft geen honger. Ze wil zo vlug mogelijk vertrekken. Uit beleefdheid vult ze een kommetje met rijst en een stukje kip. De man, echtgenote en meisje kijken naar de vrouw en hun kip. Met stokjes eet ze het kommetje snel leeg en steekt haar duim om hoog. Allen glimlachen. Bij het afscheid schudden ze elkaar stevig de hand.   Ze herneemt de weg. De zon blijft zakken. Voorbij elke bocht komt een nieuwe bocht. De grote stad ver beneden lijkt een fata morgana. Onbereikbaar. Ze verhoogt haar tempo.   De veertig kilometer haalt ze. Om precies 18 uur stapt ze voldaan het station binnen. Haar T-shirt en hele lijf zijn nat van het zweten. Haar voeten zijn oververhit van de asfalt. Plots klopt iets niet. Tot haar ontzetting is het loket gesloten. Ze loopt vlug rond het station op zoek naar het juiste loket. Tevergeefs. Het station is leeg.   In de verte ziet ze een spoorwegwerker. Overstuur loopt ze naar hem. De man informeert haar dat er eenmaal per dag een trein naar de hoofdstad rijdt telkens om 17 uur. Ze krijgt tranen in de ogen. Haar hotelbaas had 7 uur gezegd. De spoorwegwerker nodigt haar uit om bij zijn collega’s thee te drinken. Ze twijfelt even. Zou ze de man vertrouwen? Zou ze beter in het donker een kamer zoeken in de stad op 3 kilometer? Ze is moe. De vrouw volgt tenslotte de man. Al vlug zitten tien mannen, even bezweet en stinkend als de vrouw, rond haar in een donker lokaal dat verlicht wordt door een kaars. Ze trekt haar schuchter terug op een rieten mat tegen de muur. Een man brengt haar een kopje thee en kijkt haar begerig aan. De vrouw zet het kopje neer, wendt haar hoofd af en neemt een zaklamp en dagboek uit haar rugzak. ‘Wat een WE. Ver in de bergen maakte ik lange wandelingen. De rijstterrassen waren indrukwekkend. De kinderen onbezonnen. De mensen leven er in harmonie met de natuur en hebben nog bijna geen buitenlanders gezien. Daarnet ontmoette ik een lieve mama. Ze gaf haar kind weg aan een rijke dame met veel beloftes. De rijke dame zou voor het kind zorgen en het naar school laten gaan. Wie ben ik om te zeggen dat dit goed of slecht is? Het is zo vreselijk dat de mama niet de middelen heeft om zelf voor haar kind te zorgen, ook al ploetert ze elke dag op de rijstvelden. Hopelijk had de dame uit de grote stad inderdaad goede bedoelingen. Hopelijk zien het meisje en de mama elkaar terug. Nu zit ik hier vast. Ik weet niet hoe ik hier weg geraak. Verdorie. Ik had beter die toeterende bus genomen.’   De mannen kaarten en letten niet meer op de witte vrouw. De vrouw is het wachten echter beu en vraagt hen hoe ze in de hoofdstad kan geraken. Er blijkt nog één goederentrein om 23 uur te vertrekken. Ze krijgt hoop. Met een spoorwegwerker stapt ze over de sporen. Na lang praten en smeken, mag ze van de machinist mee.   Als enige passagier bestijgt ze de trein. In de hoek van een wagon vindt ze een houten kist en gaat erop zitten. Niet lang erna vertrekt de trein. Ze rijdt wiebelend de donkere nacht in. Opgelucht. Weg van die grote drukke grensstad. Weg van de mannen die haar vuile opmerkingen toeslingeren.   Door de openstaande treindeur laat ze het luisterspel op haar indringen. Het knarsen van de geroeste wielen op de sporen. De krekels in uitgestrekte vlaktes. De blaffende honden in de ijle nacht. De fluitende spoorwegsignalen langs verlaten oversteekplaatsen. Na uren haalt ze de lendendoek van Afrika uit de rugzak, legt die op de vuile metalen vloer en gaat erop neerliggen, met al haar kleren aan en haar hand om de rugzakriem. Ze sluit haar ogen. Morgen zal ze als stadsmens met een deftige schoudertas en een gestreken bloes en broek achter haar bureau zitten. Ze sluit haar ogen en denkt aan de mama die haar kleine meisje een toekomst wou geven, aan haar vriend die haar morgenavond zal vasthouden en aan het gezin dat haar hun laatste kip weggaf. Wiegend valt ze in slaap.    ------------------------------------------------------   ‘Een vriend is iemand bij wie je de volledige vrijheid krijgt jezelf te zijn.’ Jim Morrison   Stapvoets en nog trager rijdt de witte vrouw, als een kameleon onopvallend, op de brommer in een menigte van honderden mensen. Mensen op brommers, in bussen, op fietsen of in auto’s. Zoals in een kikkenhok, zijn ze allen op elkaar geprangd. Het zweet loopt over het gezicht van de vrouw. Haar bloes plakt aan haar lijf. Het is vijf uur, kleverig warm en klammig vochtig. De miljoenenstad draait op zijn drukst. Het verkeer staat daverend stil. Een man wringt zich met zijn fiets boven het hoofd door het vastgedraaid verkeer en duwt de witte vrouw bijna omver. Ze roept hem na. De politieman in het midden van het kruispunt is nauwelijks zichtbaar en fluit tevergeefs naar de fietsman. De uitlaatgassen bevangen de vrouw. Ze kijkt wanhopig naar de lucht. Haar hoofd zit vol. Het heeft zuurstof nodig, duizenden liters en meer.   Na de stampvolle straten, rijdt ze een kleine steegje in. Ze ademt opnieuw. Kinderen spelen op straat. Vrouwen verkopen noedelssoep, in rijst gerolde gebakken bananen of rijstpudding met kokosmelk. De drukte glijdt geleidelijk van haar schouders. Voor een klein, wit huis met een metalen deur stopt ze en toetert. Meneer Bao, een man van ongeveer zestig, opent de deur. ‘Welcome, kom binnen’. Ze geven elkaar de hand. Hij duwt haar brommer de woonkamer binnen. Ze laat haar sandalen aan de deur staan en gaat rechtstreeks naar de keuken achteraan. Mevrouw Hang, zijn echtgenote, komt de vrouw glimlachend tegemoet. Ze omhelzen elkaar. ‘Kom je voor je wekelijkse les?’ ‘ja, en ook voor jouw gezelligheid en lekkere eten’. Ze lachen beiden.   Ze stapt terug naar de woonkamer met overal schilderijen en sculpturen van meneer Bao. Hij is verzonken in een boek. De diepe groeven in het gelaat en het taaie lichaam vertellen zijn verleden. Jaren zat hij opgesloten in heropvoedingskampen omdat hij in de oorlog samengewerkt had met de Fransen en Amerikanen. Zijn kinderen was het gelukt om als bootpeople naar Amerika te vluchten. Hijzelf en zijn vrouw nog niet. Vijf maanden geleden was de witte vrouw haar werk in de visfabriek beu. De lokale bazen waren het grootse deel van de tijd afwezig, de arbeiders kregen een hongerloon en de machines en de visconserven boeiden haar niet. Ze had nood iets bij te leren en wou de lokale denkwereld beter verstaan. In het instituut voor traditionele Oosterse geneeskunde had ze Meneer Bao, die er les gaf over de ‘art of living’, ontmoet. Vanaf toen hadden ze elkaar wekelijks gezien.   De witte vrouw gaat met haar notitieblok voor Meneer Bao op de frisse stenenvloer zitten. Hij schenkt haar een kopje thee in. De donkergroene theeblaadjes zakken naar de bodem. Ze neemt een slok van de lichtgroene, heldere thee. Hij vertelt over de kunst om te ademen. De kunst om naar een bloem te kijken. Hij gaat dieper in op de kunst om te eten; over het kauwen van de rijst, het kleine rijstplantje en de mensen in de rijstvelden. Ze luistert en stelt vele vragen. Zijn levensinterpretaties klinken als zoete sprookjes. Onbevangen gaat ze er in mee. Een uitlaatklep voor even. Ooit zouden in haar thuisland, mensen overrompeld worden door de consumptiemaatschappij en ook snakken naar nieuwe overlevingsstrategieën. Boeken over mindfullness, duizenden stappen, nooit meer diëten en vertragen zouden als champignons uit de grond rijzen. Mensen zouden de boeken kopen, lezen of aan hun ToDo-lijst toevoegen.   Mevrouw Hang komt binnen en plaats een grote ronde, metalen dienblad met schalen op de vloer. Gebakken garnalen, tofu in tomaten saus, gestoomde spinazie, gekookte kip en papajasalade. Uit de rijstkoker schept Mevrouw Hang kommetjes rijst in. De vrouw neemt haar kommetje met twee handen aan en buigt het hoofd licht. Met zijn drie eten en praten ze hele avond verder.   De vrouw rijdt naar haar kamer boven het naaiatelier. De ruimte van vier op vier met zijn witte vloer, bureau, boekenkast en stoel, en het grote terras met zijn bamboezetel stralen deze keer rust uit.   In de vroege ochtend staat ze op. Op het terras stretcht ze zich volgens de oefeningen van Meneer Bao. Ze wast zich boven een plastieken kuip, kleedt zich aan en vertrekt met de brommer. Bij een straatverkoopster bestelt ze een kom noedelssoep en slurpt deze snel op.   Na vele drukke wegen komt ze aan in het visbedrijf. Negendertig arbeiders pellen garnalen. De drie bazen zitten achter hun bureau. Een ervan spreekt de vrouw aan. De productielijn die de baas uit haar land hier opstartte, loopt alweer vast en de ingeblikte garnalen geven niet de gewenste kwaliteit. De hele ochtend zoeken ze samen naar een oplossing.   Kort na de middag krijgt ze een fax, ‘Onze afspraak vanavond gaat niet door’. Haar baas bekijkt haar nieuwsgierig. Ze steekt de fax weg, stapt zonder woorden het gebouw uit en wandelt de straat op. Haar hoofd tolt. Ze had een baan gezocht in het land van haar vriend en ook gevonden, weliswaar in een stad op 2000 km van hem vandaan. Hij had haar gefeliciteerd en was blij geweest. Ze hadden afgesproken elkaar om de drie maand te zien, afwisselend bij haar en bij hem. Deze keer zou hij vanavond landen en een heel WE blijven. Verdorie, ze keek zo naar zijn komst uit. Hoe zal ze het WE nu overbruggen? Ze snakt naar ruimte en beweging. Waar kan ze heen? Als ze terug stapt naar het visbedrijf, glimlacht ze. Haar vriend had haar baas niet veel info voor roddelpraat gegeven. Straks zal ze haar vriend bellen en zullen ze elkaar weer moed inspreken.   De volgende ochtend fietst ze naar het busstation en vindt een bus die naar de grootste badplaats zal rijden. De chauffeur sjort haar fiets vast naast de andere bagage op het dak. Met een overvolle bus verlaten ze de miljoenenstad. De vrouw zit vooraan naast het raam. De wind is haar reisgezel. Kilometers voor de badplaats stapt ze af. Parallel met de kustlijn fietst ze naar een vissersdorp, waarvan ze gehoord heeft dat het er rustig is en vrij van hoogbouw en drukke stranden. Ze passeert zoutwinnings- en rijstvelden en dunbewoonde dorpen. In een simpel, klein hotel vlak aan het strand vindt ze een kamer. Ook al lonkt de zeegeur haar, toch trekt ze zich terug in haar kamer.   Na het middagdutje, wandelt ze naar de zee. De zonnestralen nemen af in kracht en worden aangenaam. Haar oog valt op een grote zandheuvel enkele kilometers verder vlak aan zee. Langs de zeelijn, stapt ze met blote voeten door het water dat bijna geluidloos aanspoelt. Al snel zijn er geen strandgangers meer. Ze passeert een bos met dichte, donkergroene naaldbomen en een vervallen pagode. Na een uur staat ze beneden aan de heuvel. Vol moed, klautert ze de heuvel met zijn los, fijn zand op. Helemaal boven aan vindt ze de ideale ontspannngsplek. Een grotesk zicht. Een weidse zee. Kilometers strand helemaal verlaten. Een zwoele avondbries.   In kleermakerszit gaat ze op het zachte, witte zand zitten, drinkt een slok water, neemt het dagboek en kijkt naar de gladde zee. Een eenzame vogel vliegt voorbij. Ze neemt haar pen. ‘in de stilte word ik stil hoor ik de stilte die steeds dieper dieper gaat tot niets meer te horen is   en alleen jij in beeld komt’   Ze recht haar rug, legt haar handen gevouwen in haar schoot en kijkt met half gesloten ogen naar de verre horizon. Geleidelijk sluit ze haar ogen. Ze volgt de adem in haar lichaam, rustig in en uit. Ze ziet zichzelf als een bloem, fris; als een berg, stevig; als water, weerspiegelend; en als ruimte, vrij. Haar gezicht ontspant. Haar gedachten laat ze op witte wolken voorbij vliegen. Met gesloten ogen neemt ze de ruimte en de geluiden rond haar waar. De laatste zonnestralen raken haar teder.   Uit het niets hoort ze plots een hond blaffen. Ze opent haar ogen en springt recht. Een man met drie honden aan de leiband stapt met forse stap de heuvel op. Haar hart gaat tekeer. Haar voelsprieten hebben haar in de steek gelaten. Enkele jaren geleden had ze zichzelf beloofd altijd en overal extra waakzaam te zijn. Ze had toen met een lokale gids een vulkaan beklommen. Op de top had ze zich neergelegd om even te rusten. Compleet onverwachts had hij, echtgenoot en vader van zes kinderen, op haar gesprongen. Ze had hem kordaat weggeduwd en aangesproken. Ongeschonden was ze toen beneden geraakt.   Ze steekt vlug het dagboek en de fleswater in de rugzak. Te laat. De man staat naast haar, bekijkt haar zonder woorden van kop tot teen en houdt zijn blik op haar zak. ‘Xin chao, hallo’, uit ze onzeker en verzet haar voeten. De man bromt iets onverstaanbaar. Ze daalt heel langzaam de heuvel af. De man volgt haar op de voet. ‘Anh co khoe khong? Hoe gaat het?’ Hij bromt weer iets. ‘Het is hier mooi’. Ze wil het beest in de man gedempt houden. ‘Je hebt een mooi land’. Ze verwacht geen antwoord. De man blijft plakkend naast haar wandelen en jut zijn honden op. Ze versnelt. Hij ook. Ze wijst naar de honden. ‘Dep, mooi’. De man knikt. Eindelijk contact. Ze wijst naar de zee, ‘mooi’. Naar de bomen, ‘mooi’. Naar de lucht, ‘mooi’. De lichten van het dorp komen dichterbij. De stem van de vrouw krijgt kracht en haar lichaam meer lucht. Het strandt vult zich met koppels en kleine groepen mensen. Ze wijst naar de heuvel achter haar ‘mooi’. De man stopt en draait zich om. Razendsnel loopt ze op een groep mensen in. De man wil haar volgen maar krijgt zijn honden niet snel mee. Ze loopt vele meters. Abrupt vertraagt ze en stapt gebukt met een koppel mee, het dorp in.   Hijgend valt ze haar hotelkamer binnen, vergrendelt de deur, sluit de ramen en gooit zich op bed. Slechts na een uur staat ze op en neemt een douche. Het water spoelt het zand, het zweet en de bibber in haar lijf weg.   De volgende ochtend verlaat ze heel vroeg haar kamer, fietst hard, neemt een bus en komt in de namiddag in haar kamer in de miljoenenstad aan.   Het rusten en ontspannen lukt niet. Teveel lawaai buiten. Te warm. Teveel gedachten. Ze neemt haar brommer en rijdt naar het zwembad. Onder water is het stil en wordt ze kalm, telkens voor dertig seconde. Afgekoeld leest ze een boek in een nabijgelegen eettent en neemt haar pen. ‘de straat een groot toneelstuk vele acteurs maar achter elk gelaat een eigen verhaal’   Met de wind in haar haren en bloes, rijdt ze naar huis. De hoofdweg is rustig. Ze slaat een steegje in. De kalmte verwelkomt haar. Televisies zijn uitgezet en mensen slapen. Ze stopt voor het huis van de kleermaker, opent de deur en zet de brommer voorzichtig tussen de toonbank en de naaimachine. Op de tippen van haar tenen loopt ze naar de bovenverdieping. Ze opent het grote raam, hangt over de balustrade van het terras en slaat de taferelen in de verschillende leefruimtes van de buren gade. Iedereen lijkt te slapen. Alvorens naar binnen te gaan, staart ze nog even naar de maan. Wat zou haar vriend nu doen? Zouden haar broer, vader en vrienden deze avond ook naar de maan kijken?   Binnen rolt ze de rieten mat open, hangt het roze muskietennet op en trekt een losse lichtkatoenen pyjama aan. Onder het net legt ze zich uitgestrekt neer en luistert naar de ronkende ventilatoren in de verte. Pas morgen om 5 uur, zal het orkest opnieuw beginnen. Het schreeuwen van de straatverkopers, de klaagliederen van voorbijtrekkende begrafenisstoeten, het toeteren van de brommers en het roepen van de mensen. Pas morgen zal ze opnieuw naar de fabriek gaan. ---------------------------------------------------------------- ‘de enige manier om te komen waar je wilt zijn, is te zijn waar je bent’, Anna Vali    De jonge vrouw staat op het perron. Naast haar staat een jonge man, de broer van de vrouw, en een metalen valies, met net afgewogen 23 kilogram. Zij is de enige die weet dat ze in het land die ze in haar hart draagt Vy wordt genoemd. Het land waar ze 2 jaar woonde. Het land met zijn overdrukke straten, zijn miljoenen bezige mensen en zijn uitgestrekte rijstvelden.    Ze ziet de trein dichterbij komen, steeds dichter. De broer maakt grapjes. Zij laat de grappen over haar heenglijden zoals de regendruppels over een blad. De trein stopt. Zij is niet gehaast. De broer reikt haar de valies aan. Ze treuzelt, ze kijkt om zich heen en neemt uiteindelijk de valies aan. Ze stapt op, zet de valies neer en hangt aan de deur naar buiten. Zou ze het wagen om op het perron te springen? Zou ze de valies alleen de lange reis laten maken? Zou ze de organisatie die strijdt tegen de honger in de wereld en die haar verwacht in het hoofdkantoor in het buurland in de steek laten? Enkele maanden was ze terug in haar thuisland. Ze had er vrienden opnieuw ontmoet. Ze had werk gezocht en nu gevonden. De wereld verkennen, voelen en beleven. En toch. Het afscheid is telkens een opgave. De conducteur fluit. De jonge vrouw haalt diep adem en zwaait enthousiast naar de broer. Een volgende keer zal ze blijven.   De reis duurt lang. Uren en uren. Al die tijd kijkt de jonge vrouw uit het raam, met haar blik op het voorbijglijdende landschap. Alleen zij weet dat achter de horizon en nog veel verder haar vriend nu op de brommer rijdt, nu op kantoor zit, nu rijstsoep slurpt en straks gaat slapen met een lege kant in bed. Dat hoopt ze toch. Eindelijk, na vijf uur, bereikt de trein de bestemming. De jonge vrouw blijft zitten. De trein verlaten betekent zich opnieuw openen voor een onbekende stad, onbekende mensen en een onbekend project. Een minuut. Twee. Drie. Ze zucht, neemt de valies en houdt deze stevig vast. Binnen een week zou ze de valies volledig kunnen uitpakken. De winter- en zomerkleren. De broekzakgrote wekker met één AA batterij. De toiletspullen met een volle tube tandpasta. De kleine CD speler op batterijen met twee CD’s. Het dagboek met vier kleuren stylo’s, een potlood en 11 kleurpotloden. Een foto van haar vriend, moeder, vader en broer. Exact 23 kilogram bekende spullen. Zonder zichzelf mee gerekend.   Ze stapt uit en kijkt om zich heen. Het is koud. De mensen op het perron begeven zich allen in één richting, zoals een stoet van mieren die een mierennest opbouwt. De jonge vrouw schakelt over op de automatische piloot. Ze volgt de massa. In haar hand omklemt ze stevig de zware valies. Het bekende wil ze niet kwijt. De massa blijft zich voortbewegen. Ze laat zich leiden. Plots staat ze buiten het station op straat. De regent overvalt haar.  Met de valies tussen haar voeten, haalt ze een papiertje uit haar vest met de eindbestemming van de dag erop. Ze is een doorreizende bezoeker. Of zouden ze haar hier vluchteling noemen? Of toch niet? Ze heeft een eigen identiteitskaart op zak en heeft maar enkele uren gereisd. De ogen van de jonge vrouw speuren de straat af. Een man komt op haar afgestapt. Ze neemt haar valies, kijkt recht voor zich uit en stapt met volle stap naar de rij ordelijk geparkeerde taxi’s. Zonder woord, doet ze een portier open en stapt in.   De taxichauffeur spreekt de jonge vrouw met een vreemd accent aan. Ze glimlacht. De auto vertrekt geluidloos tussen de vele auto’s. Steeds verder van het station. Ze ontspant. In de metalen doos met de zachte kussens is ze veilig voor de buitenwereld. Een verkennend gesprek ontvouwt zich. Ze luistert en stelt meer vragen. Ze staart uit het raam. Hoge gebouwen. Rechte asfaltwegen. Mensen met aktentassen, mensen in jogging, mensen met een kind. Ergens heen. Ook zij.  ----------------------------------------------------------------   ‘Plan je toekomst, maar doe het in potlood’, Jon Bon Jovi   Twee zwart geklede oude vrouwen lopen alleen op een verlaten weg in een uitgestrekte vlakte zonder enig teken van leven in de naaste omgeving. De één ondersteunt de ander. Beide lopen ze krom. Ergens heen. Vanuit een rode Lada staart de jonge vrouw hen aan. Een van hen doet teken naar de auto om te stoppen. De chauffeur naast de jonge vrouw rijdt om de oude vrouwen, baboesjkas, heen. Ze kijkt naar de chauffeur met gefronste wenkbrauwen en vervolgens door de achterruit. De baboesjkas strompelen in het midden van de weg verder. Zij hebben een lang leven gezwoegd en nieuwe pagina’s van hun unieke levensverhaal beleefd. Miljarden en nog veel meer zijn hen voorgegaan. Deze twee zijn misschien op zoek naar voedsel of een dokter of op weg naar de begraafplaats van één van hun kinderen.   De jonge vrouw concentreert zich op de gaten in de weg. Terwijl haar vrienden in het thuisland een hele dag achter de computer werken, zit zij in gezelschap in de auto. Uitgestrekte vlaktes glijden langs haar voorbij, evenals gebombardeerde huizen en opgeblazen bruggen. In het Russisch praten twee collega’s op de achterbank en speelt de muziek levendig revolutionair. Plots remt Viktor, de chauffeur, bruusk. Hij brengt de Lada tot stilstand voor enkele gewapende soldaten. Iedereen stapt rustig uit. De soldaten aan de controlepost doorzoeken de Lada. Soldaten, tralies, prikkeldraad, geweren, met daartussen de simpele mens. Mensen hebben hier geleerd los te laten, open te staan voor iets nieuws, met kapot geschoten ramen midden in de winter zonder verwarming te slapen naast de lege bedden van de vermiste familieleden. Een en al zen. Na negen maand is de jonge vrouw het nog niet gewoon. De eerste dag was ze via een stuk niemandsland het onbekende land binnengestapt. Naast haar liepen enkele zwaarbepakte jonge vrouwen, oude mensen met duwkarren en kinderen, net zoals haar grootvader heel lang geleden voedsel over de grens had gesmokkeld. Viktor die haar had opgehaald met de Lada, had haar joviaal begroet ‘Welcome to hell’. Ze had toen niet beseft dat ze politie zou moeten spelen, dat ze geen technische ondersteuning van de werkgever zou krijgen en dat communicatie met het thuisfront enkel via moeilijk leesbare faxen en trage brieven zou verlopen.   Ze stappen terug in. Viktor zet de muziek wat luider. Een uur later komen ze aan een kantine in een groot gebouw. Een mollige dame met een witte voorschort op sportschoenen komt de jonge vrouw tegemoet. Ze omhelzen elkaar teder. De wereld staat even stil. Hun harten versmelten. De jonge vrouw houdt heel even haar moeder vast. De dame, Luda, houdt heel even haar dochter vast en heeft tranen in de ogen, net zoals de vorige keren. De jonge vrouw heeft blijkbaar dezelfde bleke gelaatskleur, hetzelfde bruine stijl haar en de zelfde grote schoenmaat als de dochter van Luda. De dochter die Luda ooit hoopt terug te horen. De dochter die tijdens de oorlog in de vroege ochtend naar Rusland vluchtte. Richting vrede. Richting toekomst. ‘Kak dela? Hoe gaat het?’. De jonge vrouw doorbreekt het slepende gemis. ‘Goed’, glimlacht Luda, ‘wacht hier even. Ik verwachtte je’. Luda snelt het gebouw binnen, komt met glinsterende ogen terug en geeft de vrouw een zelfgemaakte lekkernij. Walnoten geregen aan een draad en gedoopt in druivensap dik gezoet met gesmokkelde suiker. De vrouw bergt de lekkernij voorzichtig tussen enkele papieren in haar draagtas op. Arm in arm stappen ze de kantine binnen. De kilte van de winter hangt nog in de ruimtes. Ze hernemen hun taken. De jonge vrouw inspecteert de netheid van de keuken, controleert de bevoorrading en checkt de lijst van de geselecteerden voor de voedselhulp. De twee collega’s volgen haar voorbeeld. Luda roert met lege blik opnieuw in de immense kookpotten.   De jonge vrouw stapt door de grote blauwe kantine. Honderden uitverkorenen voor de maaltijd zijn geduffeld in gewatteerde mantels, wollige mutsen, robuuste berenmutsen en warme sjaals. Een feest voor het oog. Met een homp wit brood, een bord plat gekookte rijst met bruine bonen en een tas gesuikerde thee zitten ze aan vierkante tafels versierd met een dennentak in een flesje. Sommige uitverkorenen staren naar hun bord. Anderen gaan op in het gezelschap van de kantine. Aan een tafeltje in de hoek herkent ze Mimosa, de dame met de rode lippenstift, het witte haar, de lichtgroene hoed en de fiere blik. Mimosa was vroeger lerares Duits. Sinds de oorlog heeft ze geen inkomen meer, zijn ook haar kinderen gevlucht en is haar man omgekomen. Mimosa staat moeizaam recht. ‘Kak dela?’ De jonge vrouw geeft Mimosa een hand en ondersteunt haar. Geleidelijk vindt Mimosa woorden in het Duits. ‘Gans gut. Ik ben vandaag zo blij. Vroeger gaf ik geld aan het Rode Kruis om de armen in Afrika te helpen. Nu zijn jullie gekomen om ons eten te geven’. De jonge vrouw bloost. ‘Dank je, we leven allemaal op dezelfde bol. We kunnen elkaar beter helpen, niet? Ik ben ook blij dat ik je mocht leren kennen.’ Op wankele benen maakt Mimosa een kleine rondedans.   In de keuken verdelen de kokkinnen het eten dat nog in de potten overblijft onder elkaar. De jonge vrouw en de twee collega’s schuiven mee aan de tafel. Ze praten over de laatste nieuwtjes en maken grappen. Luda geeft hen een bord warme rijst met malse bonen. De vrouw eet gezapig. In het thuisland hebben haar vrienden nu een brooddoos of een belegd krokant broodje voor zich. Met stralende ogen laat ze Luda het bord opnieuw vullen. Ooit zal ze op haar lijn letten. In de namiddag gaat ze met de twee collega’s enkele mogelijke kandidaten voor voedselhulp bezoeken. Net als het donker gevallen is en de avondklok startte, bereiken ze de omheining van het ex-hotel. Het viersterrenhotel was in de oorlog compleet vernield. Stukken ervan werden gerenoveerd en hebben nu kantoor- en slaapkamers voor internationale organisaties.   Ze stapt naar haar kantoor, installeert zich achter het bureau en analyseert de gegevens die ze de laatste weken verzamelde tijdens de voedseluitdeling. Ze houdt het niet lang vol. Na tien minuten neemt ze haar dagboek en laat haar pen spreken. ‘Mama, het was weer een speciale dag. Vandaag bezocht ik enkele families. Het eerste gezin woonde met zes kinderen in een klein houten huis op een heuvel. Naast de kachel waar de bonen op pruttelden zaten tien kuikens in een open bak. Een jongen fluisterde in het oor van zijn moeder dat hij Engels wou leren want hij vond mijn taal mooi. Ik gaf de jongen een knuffel. Hij glimlachte zijn melktanden bloot. Ik kom uit een land waar ik na schooltijd naar huis fietste en waar ik bij mijn thuiskomst de kasten maar moest openen om mijn buik te vullen. Wat kon ik deze magere jongen vertellen? Ik bezocht ook een vrouw van ongeveer 45 jaar. Ze woonde in een huis in een groene tuin. Een deel van het huis was buiten gebruik want er was een bom in gevallen. Ik stelde wat vragen voor het project. Ze antwoordde verlegen en verontschuldigde zich dat ze ons geen koffie en noten kon aanbieden. Ze was verpleegster, had geen werk, was niet getrouwd, werd geliefd door de mensen in het dorp en had een weesmeisje van negen jaar geadopteerd. Het meisje zat teruggetrokken op een stoel mee te luisteren. Na een tijdje vertelde de vrouw dat ze sinds drie maand een stekende pijn had onder haar oksel. Ze voelde er een bobbeltje dat steeds groter werd en wilde dat ik er aan voelde. Ze was nog niet naar de dokter geweest want ze had geen geld om de bus te betalen, laat staan de consultatie en medicijnen. Ik kom uit een land waar mensen, ondanks goede verzorging, sterven aan kanker, net zoals jij. Wat kon ik deze vrouw zeggen?’   Ze sluit haar ogen. De beelden blijven. Wie is wie in deze wereld? Wie is zij om te beslissen wie er wel of geen eten krijgt? Met welk doel lijden mensen? Waarom is ze op deze plaats terecht gekomen? Wanneer niemand in de gang meer te horen is, stapt ze met het

Kristien Vliegen
0 0

vervolg opdracht 8

            * * *     Later nodigt een collega-docent zich zelf uit bij haar thuis. Mag hij eens afkomen met een collega van hem, die fel geïnteresseerd is in wat de jongeren van vandaag bezig houdt. En jij bent zoveel met de studenten bezig, jij geniet hun vertrouwen, aan jou vertellen ze waar ze écht om geven. Wel ja, waarom niet? Als het hem kan helpen met zijn wetenschappelijk werk. Edouardo Carrasquilla. En Pablo, de vriend. Twee Cubanen. We praten. Bij mij thuis – niet in de sociale school. Hij stelt de vragen, zij antwoordt. Wie zijn volgens jou de studenten met de grootste leiderscapaciteit? Geen enkele bel gaat rinkelen. Naar volle waarheid antwoordt ze: met voorsprong German.  Dan noemt ze nog een stuk of zes andere namen.   Joris en zij, ze maken nog een grote reis door Zuid-Amerika. Hun laatste Zuid-Amerikaanse reis. Frida weet: ze wil hier nooit, nooit terugkomen. Haar hart breekt als ze er aan denkt dat ze dit alles zullen achterlaten. Dat wil ze nooit, nooit opnieuw meemaken… Ze krijgen een kaartje van German met nieuwjaarswensen. Begin maart varen ze terug naar Europa. Dat is een verhaal voor later. Wat hier in deze scène van belang is, wat Frida van zesentwintig niet, wat Frida van alle leeftijden nooit zal vergeten, wat ik in haar plaats nu voor het eerst vertel. Het is lente in België.  Ze zit in de tuin: de vogeltjes zingen, de zon schijnt. Uit het niets, zonder verwittiging, overvalt haar een diep verdriet. German is dood, loopt door haar gedachten.  Ze borstelt de gedachte, het gevoel opzij. Waanzin. Hoe komt ze daar nu op! Toch weer niet opnieuw… Ze is geschrokken, het gaat niet over.   Enkele maanden later krijgen ze bezoek uit Colombia. De directeur van de sociale hogeschool moet in Duitsland met een geldschieter praten over subsidies. Hij komt bij Joris en Frida op bezoek. Hij vertelt dat Carrasquilla werkte voor de C.I.A.. Dat ze hem ontmaskerd hebben. Hij was één van die fameuze Cubanen die naar de States zijn verhuisd als Fidel Castro aan de macht is gekomen. Die als spionnen zijn gaan werken. En dat German is neergeschoten. Hij was op de terugweg naar huis, na de cursus. Hij was met vrienden mee gaan betogen. De militaire politie heeft hem neergeschoten. Hij is dood.   Het gaat niet over. Het gaat nooit over.                                                                  * * *                 En er was geen pleister voor deze wonde er was ook geen tegenstand geen opstand Frida ging mee vanzelfsprekend. we moesten er op toezien dat onze bagage, onze twee kisten die we mee naar huis zouden nemen we moesten controleren dat ook dat nog niet hier zou achterblijven en we liepen rond in de mooiste havenstad aan een turkooizen zee en ze gingen naar huis in Europa ze bleven niet in Bocagrande, ze reisden niet verder naar de beroemde badplaats Santa Marta, ze wilde de Atlantische Oceaan niet zien en waar heeft Aureliano/ Arcadio Buendia het karkas gevonden van het schip waarmee… het was niet hier vrees ik, nee,  haar hart was al gebroken het  weigerde zich nog te hechten één keer gebroken is meer dan genoeg het moest zich nu concentreren op. Het verstond niet waarom ze terug gingen naar dat verre België. Het was Joris. Iets in het hoofd van Joris zegde dat het niet klopte met wat hij wilde, dat zijn beste laatstejaarsstudenten slag op keer vertrokken naar de States en dat ze enthousiaste brieven schreven naar doctor Joris dat ze vlot konden aansluiten in de lessen daar en dat is dank zij u en dat was dan wat ze de hersenvlucht noemden in studies over ontwikkelingslanden één van de grote factoren die de ontwikkeling belemmerden. En er was ook de opkomst van de computer, hij was er razend nieuwsgierig naar en daar was hier in Colombia op dit ogenblik geen nood aan. En dus besloot hij dat ze beter terug naar huis gingen en voor haar Frida was het niet vanzelfsprekend maar ze waren nu meer dan twee jaar getrouwd en iets in haar begon zich te roeren begon begon te zeggen dat nee het was niet iets in haar het was heel tastbaar bevoelbaar te zien er was Alfonso geweest de weesjongen de gamin het straatkind dat ze ontmoetten die eerste kerstdag dat ze in Colombia waren en ze had een beetje schrik dat op die feestdag opeens de heimwee die ze eigenlijk niet gevoeld had maar die ze zou moeten gevoeld hebben, toch, dat is niet meer dan normaal, dat die haar toch nog  haar zou hen zou overvallen. Ze wist toen nog niet dat ze werkelijk zo weinig heimwee zou hebben en ze zouden die dag met Leticia die vriendin sociale werkster naar een weeshuis gaan ze zouden snoep en geschenkjes meebrengen ze zouden het kerstfeest vieren met diegenen die arm als de herders geboren werd in een stal diegenen waarvoor ze eigenlijk naar hier waren gekomen make love no war en het was weer helemaal anders dan ze had gedacht  het waren geen lieve weeskindjes die met sterretjes in de ogen de geschenkjes dankbaar zouden aannemen en zij die ontroerd zou denken hoe juist het was geweest om naar hier te komen maar het waren astrante kinderen die eigenlijk bijna niets zegden hier en daar stond er eentje te wenen en een begeleidster van de groep trachtte hen te troosten maar wat kan je getroost worden als. Voilà. Voilà. Ja, ik zie het nu, laat het me zelf maar vertellen. Het waren allemaal jongens, geen meisjes en ze dansten ze dansten om te vergeten en ze dronken coca cola die hadden wij ook meegebracht en één van hen had blond haar en had een grote zonnebril opgezet hij viel zo ook al op want hij was blond van haar en dat zag je niet veel hier hij was de mono en hij kwam heel opvallend altijd weer naar ons zwaaien en lachen en een paar weken later was Leticia weer bij ons op bezoek en ze vroeg of we niemand kenden die voor een paar nachten één van de gamines van het weeshuis wou opvangen het was de mono, Alfonso, hij was niet meer komen opdagen in het weeshuis en nu had ze hem gevonden en als ze hem nu opnieuw liet gaan dan zou ze hem gegarandeerd nooit meer terugvinden dan was hij verloren en natuurlijk wist ze dat we zouden zeggen breng hem maar naar hier we hadden niet veel tijd nodig om dat onmiddellijk te beslissen en hij kwam en hij bleef maanden en maanden bij ons wonen hij ging opnieuw naar school hij had een studiejaar overgeslagen maar dat was voor hem geen probleem en op een dag zaten ze aan tafel hij zat aan het hoofdeinde en hij slaat de handen voor het gezicht en hij weent hij weent en ‘alle dagen bid ik tot god , vraag ik hem dat ik niet langer moet leven’ en natuurlijk bleef hij bij ons en hij bleef en hij bleef en toen besefte ik dat hij was als een kind van hen maar dat dit nog niet de tijd was voor hen ze hadden zelf nog geen kinderen ze nam de pil en dit kind was al negen of tien jaar en ze was zelf maar net vijfentwintig het klopte niet we moesten een thuis vinden voor Alfonso waar hij met kinderen van zijn leeftijd zou kunnen leven bij hen was hij plots het verwende enige kind. En we praatten met Leticia en we zochten en vonden een uitzonderlijke thuis: een gewoon huis in een gewone wijk in de stad niet arm niet rijk waar een Catalaan van de JOC vader was voor maximum twaalf kinderen en er was een plaats vrij en ja Alfonso zou bij hen passen en hij ging bij hen wonen en hij kwam elke week – denk ik toch – bij hen op bezoek en hij leerde zonder enige moeite hij haalde prachtige cijfers en toen werd de Catalaan dodelijk ziek hij moest zich laten verzorgen in Barcelona hij had een tumor n de hersenen hij stierf kort daarop en de gamines waren opnieuw wezen. En wat met Alfonso. Ondertussen hadden we don Antonio leren kennen, nee, niet die van de tugurios. Een Nederlander die al tientallen jaren hier woonde hij had hier fortuin gemaakt hij was getrouwd met een dame uit de Colombiaanse high society hij was rijk en godvruchtig hij had zelf geen kinderen deed gul aan liefdadigheid hij was een belangrijke weldoener van een melaatsendorp een eind buiten de hoofdstad er woonden hoofdzakelijk melaatsen maar er was ook een internaat voor jongens en als we accoord waren kon Alfonso daar verder studeren ja natuurlijk en natuurlijk ja we betalen de kosten en Alfonso ging en alle vakanties zat hij bij ons en van tijd tot tijd ging hij bij don Antonio en dona Esther op bezoek en toen gingen we terug naar huis. En wat. Hoe moeilijk. En mijn verstand maakte me wijs dat het zonde zou zijn Alfonso mee naar Europa te brengen opnieuw een fuga de los cerebros en ja, don Antonio , zou jij voor hem kunnen zorgen , wij zullen de kosten betalen en zo zou het gebeuren en wat een lafheid, wat een huichelarij van haar denk ik later. Maar langs de andere kant het lot is onvoorspelbaar. Natuurlijk leert Alfonso verder. Hij maakt zijn middelbare studies af maar hij moet er weer voor vechten want don Antonio is een weldoener en deze keer is het extra gemakkelijk wij betalen alles voor Alfonso en Alfonso dreigt toch nog verloren te lopen maar hij herpakt zich, en na zijn middelbare studies willen wij dat hij een tijdje gaat werken om zijn kost te verdienen totdat hij weet wat hij verder met zijn leven wil doen. En dan neemt don Antonio het van ons over ook financieel en hij overtuigt Alfonso om naar het seminarie te gaan en wij kennen hem dat wordt niks maar laat hem maar proberen en na zes maanden houdt Alfonso het voor bekeken in het seminarie. En nee, schrijft don Antonio, hij mag bij mij op het bedrijf komen werken en don Antonio wordt oud en misschien is hij ook eenzaam en hij krijgt hoe langer hoe meer belangstelling voor onze monito en die beslist dat hij graag geneeskunde zou studeren en don Antonio betaalt en Alfonso mag nu permanent bij hem thuis wonen en Alfonso is een schitterende student hij specialiseert zich nog een extra jaar in de States en dan het grote nieuws. Don Antonio en dona Esther zullen Alfonso adopteren…   Dat weet ze natuurlijk nog niet als ze daar bij het brede gele strand met een zwaar hart wacht op het schip dat hen terug naar Europa zal brengen ze kan nog niet weten en ze weet nog niet hoe ze zelf  ze wil wel voor hem zorgen maar ze wil eerst eigen kinderen maar mijn hart, denkt ze , mijn hart. Wat ik hier allemaal achter laat…       En ze scheept in. De Hamburg – Amerikalijn. Een Duitse maatschappij die hoofdzakelijk goederen vervoert. Maar op het schip is er aanpassing voor twaalf passagiers. Joris en Frida kijken er letterlijk op toe dat hun twee koffers aan boord van het schip worden gebracht.  Ze zullen rechtstreeks van Cartagena naar… Antwerpen varen, zonder stop. Rechtstreeks naar Antwerpen!  Ze zullen aan land gaan op de kade van MIJN stad, denkt Frida. Familie en vrienden zullen ons daar opwachten! Dat is een beetje troost, toch?               Gewoonlijk duurt het minstens drie weken om de Atlantische over te steken. Het zullen twaalf dagen worden, zo probleemloos verloopt de reis. Er is alleen nog dag en nacht, de tijd van de maaltijden, het dek van het schip – de matrozen installeren zelfs een klein zwembad – de eetplaats, de eigen kajuit. De oceaan en de lucht bepalen het decor. Blauwe lucht, turkooizen water. Golven met schitterende randen . In het begin achtervolgen ons nog de meeuwen. Dan worden het dolfijnen! dolfijnen! Walvissen, ook walvissen! Dios mios, wat een kolossen! En hun sierlijk ballet op het decor van water en lucht…Dan worden het water en de lucht minder blauw. Elke dag een beetje minder. De realiteit van de toekomst komt dichterbij. Het wordt koud. Gelukkig waren ze er op voorbereid: Frida trekt truien aan en een lange broek, geen minirokjes meer. Het zwembad wordt afgebroken. Het stormt. De passagiers blijven in hun kajuit. Frida niet: ze constateert dat ze zeebenen heeft! De tafel in de eetplaats wordt gedekt met natte tafelkleden: zo schuift het eetgerei niet van hot naar haar. Eén keer kapseist het schip zo erg, dat de soepterrine vlot over de rand schuift. De vrouw van de kapitein gaat bijna mee over stag, haar man houdt haar nog nipt overeind. We zijn het Nauw van Kales door. De kust van West Europa… Frida staat op het dek en ziet, voelt de kou die op haar afkomt. Het is Lente. 21 maart. Ze hadden zich er op verheugd. Alles is koud en grijs.                                                                * * *     ‘ Marc! Zit gij hier ook?’. ‘Ja zeker. En ze zullen hard moeten werken om mij hier buiten te krijgen…’. Marc blijft zitten, de billen vastgelijmd aan zijn bureaustoel. Hij doet geen moeite om op te staan, haar te verwelkomen. Dit kan niet waar zijn, denkt ze. Dit is een fata morgana. Hier: het Steunpunt Sociale Zekerheid, waar studies gepubliceerd worden in verband met de armoede in België. Marc een medestudent  in Leuven! En het was begin jaren zeventig, Andreas Baader, Gudrun Esslin, Ulrike Meinhof en Horst Mahler stampten in West-Duitsland de Rote Armee Fraktion uit de grond; in Italië richtten enkele studenten de Brigate Rosse op; in het Baskenland was de Eta actief; in Ierland vocht het IRA; in Palestina ageerde het Volksfront voor de bevrijding van Palestina; de kasseien in de straten van Parijs hadden nog altijd heimwee naar mei ‘68 met Daniel Cohn – Bendit, droegen de galm verder van wat Sartre, Derrida, Marcuse, Lacan,  luidop in hun aula’s doceerden; in de USA betoogden burgers hoe langer hoe heviger tegen de oorlog in Vietnam; in Tsjecho- Slovakije bloeide de Praagse lente. En hier, Marc, amper  zesentwintig, in de volle bloei van zijn jeugd: ze zullen hard moeten werken om mij hier buiten te krijgen…  Zuid Amerika overvalt haar. Het instituut waar zij werkte, het enthousiasme waarmee haar collega’s en zij het onrecht  aanklaagden, bestreden. En hier… Ze is perplex. Helaas, ze is terug in België. Ze woont in het Brusselse. Joris vond werk, niet in het Antwerpse zoals zij had verondersteld, maar in hartje Brussel. Wetenschappelijk onderzoek in verband met software van computers. Voor hem is het recht in de roos. Zij… Geen gezeur! Ze heeft er mee ingestemd om terug naar huis te gaan. Ze heeft er zelf voor gekozen! De familie is niet veraf. Maar niet bij de hand. Het is een koude lente: ze kan geen minirokjes dragen, ze bibbert op haar benen, zelfs met wollen panty’s aan. Zelf zou ze liever eerst werk maken van kinderen. Maar Joris was niet op zijn best, terug in Europa. Miste hij Colombia, besefte hij nu maar pas wat hij allemaal achtergelaten had? Hij is altijd moe, lacht zelden als hij met haar alleen is, bant alle romantiek. Hij is neerslachtig. Raar, want hij heeft toch die job waar hij naar verlangde. En ze wil die kinderen zo graag, ze… Geen gezeur. Ze gaat werken. In  een instituut voor sociale planning, in Brussel, in de Koningsstraat, een studie over kansarmoede. Het lijkt haar interessant.  Een prof, schrijft de inleiding, zet de studie in het juiste perspectief, coördineert. Een medewerker van het instituut , Marc dus maar toen wist ze de naam nog niet, schrijft het tweede deel. Zij zal het derde deel verzorgen. Ze neemt dus elke dag dezelfde bus en dezelfde metro om op haar werk te geraken. Ze komt uit Zuid-Amerika: ze zegt haar medereizigers opgewekt goeiedag. Ze staan elke dag op het zelfde uur met haar op dezelfde bus, dezelfde metro te wachten, toch? Na drie dagen komt een man op haar af, stopt haar vlug vlug zijn visitekaartje in de hand: als ze zin heeft om eens met hem op zijn appartement te komen praten?.... Ai, Zuid –Amerika…   Ze vindt haar draai niet in de academische wereld. Het is er zo formalistisch, gericht op zoveel publicaties in dat en dat tijdschrift en in zoveel tijd. Wedijver, por dios …  Jaloezie… Vandaag zit ze met de secretaresse van het instituut en een paar collega’s in het visrestaurant, juist om de hoek van het grote hotel waar een bla bla bla-seminarie plaats had. Het is een echte Brusselse zaak, je kan er nog in het Nederlands terecht. Eigenlijk is het geen restaurant, het is een open viskeuken in een viswinkel. De vis is er glimmend heldervers, ruikt delicaat, zoals het vis betaamt. Tenminste een goed einde van deze verloren dag, denkt ze. Dat seminarie! Het gelul! En de directeur van het instituut, haar baas,  die als een gedresseerde aap vooraan de ene nonsens na de andere staat te verkopen. Maar ja er moet geld gevonden worden voor het onderzoek en dan moet je al eens buigen om niet te barsten. De sukkelaar. Ze zou niet in zijn schoenen willen staan . En als je het haar zou vragen: ze vreest dat het enige gevolg van heel deze paljasserij zal zijn dat er nog meer formulieren moeten ingevuld worden om nog meer overbodige statistieken op te maken die dan toch weer verkeerd gebruikt of geïnterpreteerd zullen worden.  Ze wordt zenuwachtig: ze zit  hier al zeker twintig minuten te wachten op haar paling in het groen. Ze wil naar huis. Achter haar zit een vrouw met een vreselijk parfum – ze veronderstelt toch dat het een vrouw is – het verpest de geur van de visbereidingen uit  de open keuken. Het is hier niet op zijn plaats. Waarom kiest zo’n parvenue om hier te komen zitten in deze populaire viskeuken. Dat ze toch blijft op de avenue Louise of in de galerij aan de Naamse Poort! Waar blijft die verdomde paling nu! Wablief? nog een pintje?  Ja, doe maar. En hoe gaat het met je man vraagt de secretaresse en ze weet dat ze dat vraagt om eigenlijk geen antwoord te krijgen, dat de secretaresse hoopt dat zij, Frida zal zeggen dat het goed is, maar vertel eens: hoe zit dat me de jouwe?  Al dat gebrabbel, al dat geklets waar blijft nu toch die paling ! Achter haar bestelt een vrouw luid en met een opschepperig accent mosselen en  champagne daarbij. Mosselen met champagne! In het Nederlands nog wel, hier in Brussel! Dat is zeker dat stuk parfum. Straks krijgt ze haar mosselen-met -champagne nog eerder dan wij! Frida neemt de pint die voor haar staat. ‘Verdomd,’ zegt ze,  even luidop en boven het lawaai uit.  ‘Als ik dan met zoveel chi-chi champagne bestelde,  zou ik daar toch minstens oesters bij eten.’ Er wordt gegrinnikt aan de tafeltjes rondom en ze ziet de ogen van de secretaresse groot opengaan. Ze staart naar iets achter Frida’s rug en de andere collega’s kijken gegeneerd de andere kant op plots is het aan hun tafel zo stil als in een ongebruikte diepvrieskast en ze draait zich om om te zien wat er achter haar rug  gebeurt en kijkt recht in de ogen van de directeur van het Instituut. De vrouw die naast hem zit, zijn vrouw,  bekijkt Frida woest. ‘ Nou weet u’  zegt ze weer luid tot de dienster ‘ ik verdraag geen oesters...’                                                                * * *                 En wat zou je denken, Frida de Jonge, wat zou je denken . Natùùrlijk houden de Jezuïeten hun soldaten in het oog, natùùrlijk weten ze het van de grupos de professionales in Colombia, het succes van het onderricht  van Joris aan de universiteit en van haar populariteit, hoe gemakkelijk zij omgaat met de mensen. Natùùrlijk nemen ze contact op. Natùùrlijk kennen ze nog andere jonge mensen die zich verdiepen in  de bevrijdingstheologie, die gesprekspartners zoeken want wat er nu gebeurt in de wereld en hoe kunnen we opkomen tegen verdrukking en indoctrinatie door oude structuren zonder geweld te gebruiken en wat betekent het fenomeen van de priester-arbeiders, einde ’68 is de Jezuïet Egied Van Broeckhoven toch verongelukt in die staalfabriek, waarop steunde hij de keuze om daar te gaan werken en waarom woonde hij  in  een armenwijk  en hoe vermijden we dat onze eigen donkere kanten niet de bovenhand krijgen, hoe stellen we onszelf in vraag. En natuurlijk happen Joris en Frida toe als hongerige vissen in stromend water en ze draaien en wentelen en keren tot ze een plaats gevonden hebben waar ze willen waar ze kunnen blijven. Ze willen wonen in een basisgemeenschap. Het vraagt jaren tijd. Jaren van dialoog, discussie, ruzie, van vriendschap voor het leven van samen iets uit de grond stampen, van gortdroge, bijna theologische gesprekken waar Frida compleet gek van wordt, maar ze moet toegeven dat het een dynamiek op gang houdt waardoor ze gedwongen wordt op haar eigen manier te formuleren waar ze in haar leven voor kiest .       J.- Natuurlijk moet ge dan ergens de gebeurtenissen in ogenschouw nemen, en die volgens bepaalde criteria en inzichten en gegroeide keuzes bekijken. En beoordelen in functie van de beslissing die ge moet nemen. En dat is dan inderdaad, ja, dat kunt ge in zekere zin  theoretisch noemen, in die zin dat ge zegt, dat ge uw globaliteit daar stelt ter beoordeling en als voorwerp van en keuze. Dat vind ik een voorwaarde tot vrijheid. Andes neemt ge nooit een beslissing op basis van de gebeurtenissen die zich aan u opdringen. IK vind, als ge dat theorie noemt, dan kunt ge dat theorie noemen maar vind ik die theorie onontbeerlijk. Waar ik bij u mee akkoord gegaan ben, dat het beoordelen van de situatie en het kiezen,  een rol spelen en nieuwe gebeurtenissen moeten verwekken. Daar ben ik mee akkoord, ik denk dat ge dan niet een globale synthese zomaar voorgeschoteld krijgt, dat dat niet gaat. S.- Natuurlijk, het is ambetant hé, we zouden nu evengoed over mijn werk kunnen beginnen, dus… Wees gerust, ik maak me daar niet druk om, om te zeggen: we gaan nu eens uw situatie onder de loupe nemen. Maar ja, kom, het is er nu gekomen omwille van het niet opschieten van ons onderzoek, hé. Ha, we kunnen evengoed over mijn situatie beginnen, hé. Maar van buitenaf gezien zou ik zeggen: laten we stoppen met die vage terminologie van binnen en buiten en gaan we naar de concrete feiten om te kunnen vertrekken en dan te kijken wat we er kunnen uithalen. Wat ik van buiten zie is, dat je , aan de ene kant, bij je job beweerde dat je teveel in beslag genomen werd door die job om hier, binnen , te kunnen zijn. Dat heb je toch gezegd, denk ik. Langs de andere kant dat de situatie aan het verrotten was en dat er van die wetenschappelijke research niet veel meer van in huis zou komen.   Die wetenschappelijke research, dat is niet gelukt, dus , en dan hebben ze u en plaats aangeboden die interessant was, praktisch gezien in allerlei opzichten van allerlei nieuwe zaken, waar ge praktisch uw eigen baas kunt zijn om iets op te richten, misschien, een interessante werksituatie en heu, ik ben ik geloof, ja hoe moet ik het zeggen, ik kan moeilijk geloven dat in één , twee drie, gij daarin iets ontdekt hebt dat iets anders is dan een interessant werk zoals Frida vorige week zegde. Ik denk van niet, dat zal moeten blijken, ik kan me daarin vergissen , dan moet ge me maar eens uitleggen ik geloof niet, ik geloof dat ge moest werk hebben , dat er u een interessante job werd aangeboden en dat ge ja hebt gezegd omdat ge niet anders kunt. Punt. Dat dan nog reuze meegevallen is ook nog. Dat ge niet zomaar hop, plots daar vanuit een kritische situatie of wat dan ook in die zin, van een actie in de zin van decentralisatie… Daar geloof ik niet in… Die kwestie van de keuzemogelijkheid, dat vind ik een heel belangrijke zaak. Maar is dat noodzakelijk… is dat noodzakelijk voor mij buiten? J.- Voor u waarschijnlijk niet ,hé. S.- Ja maar dat betekent dat… Dat hangt er van af wat, dus. Hoe gaat ge voor u buiten definiëren? Ik bedoel: dat buiten alles is wat niet binnen onder ons is. En dat hoe we die buiten concreet beleven, dat dat opnieuw een keuze is. Ik denk dat, wat we hier concreet moeten aanpakken, de vraag is: hoe definiëren WIJ buiten. Dat is dan volgens mij geen theorie. ..  J.- Wat van belang is, is wat de relatie is tussen binnen en buiten. Het is zinloos om van buiten te spreken, zonder ook binnen er bij te betrekken. Het is de spanning tussen de twee die telt. En die spanning is voor mij de basis van creativiteit. Ja maar ik stel voor dat we niet meer spreken over binnen en buiten. Ergens lijken me dat volledig onbruikbare termen, totaal vaag. Van binnen en buiten weten we niets…                  Absurd. Hilarisch, zulke soort gesprekken. Maar het dwingt Frida  wel om na te denken. Om zelf te zeggen hoe ze het ziet zitten. Om… het op te schrijven…. Om te schrijven…   ‘Wat verwacht ik van het leven in een gemeenschap? Als ik hier blijf wonen, is het omdat ik denk dat zulke kernen van wonen nodig zijn. Om een stimulans te zijn voor elkaar in het creëren van een alternatieve cultuur: instellingen, gedragspatronen (familie, politiek, onderwijs, godsdienst, ontspanning. Kinderen. Ik zie mijn kinderen hier glunderend tussenlopen. Kinderen. ). Om leed en ellende uit de wereld te helpen. Om liefde te stellen in plaats van haat. Om het begrijpen van anderen te stimuleren, in plaats van hen te  veroordelen. Om mezelf te leren begrijpen en aanvaarden . Om het te leren, hoe elke mens gebaat is bij het zoeken naar oplossingen waarmee iedereen gediend is. Om een stimulans te zijn voor elkaar in verantwoordelijkheid t.o.v. het leven. Om vreugde te vermenigvuldigen. Om humor en koppigheid en moed aan te kweken, zelfhumor ook, in plaats van agressiviteit. Om door anderen gekend te worden en zo ook door mezelf (wat jullie zo mooi noemen: broederlijke correctie. Mag daar iets zusterlijks bij?). Intense menselijke verhoudingen met de totaal andere mens… Een alternatieve maatschappij op microniveau.’   Het loopt. Niet altijd gemakkelijk: één koppel breekt er mee, na negen maanden. Pijnlijk. Verdrietig. Onbarmhartig. Zoals een echtscheiding, waarschijnlijk. De andere twee koppels – S en M, met hun drie kinderen, en Frida en Joris, blijven bij elkaar. Hebben plaats en tijd voor elkaar én voor anderen. Ze vangen mensen op die ten einde raad zijn. Die uit de gevangenis moeten gehouden worden. Die depressief zijn, waar ze bij de treinsporen naar op zoek gaan als ze om twee uur ’s nachts nog niet thuis zijn. Die pas uit een instelling komen, die met dementie geconfronteerd worden en ’s nachts opeens in je slaapkamer verschijnen, die aanvallen krijgen van epilepsie, die verbannen werden uit het land waar ze werkten omdat ze zich verzetten tegen de dictator, die…     En ze hebben plezier. Zoals op hun eerste kerstfeest samen.  Frida heeft een consommé gemaakt, een heldere bouillon: Bocuse! Drie dagen is ze er mee bezig. De consommé is perfect. Ze heeft gekookt, ze kan dus zonder zorgen mee een aperitiefje drinken met de anderen: S zal de consommé in elegante kommetjes opdienen. Ze praten, lachen. Plots een doodse stilte in de keuken. Schoorvoetend komt S tevoorschijn. ‘Frida,’ zegt hij bedrukt. ‘Ik was op zoek naar jouw consommé, zag de grote pot staan, dacht: er zit nog een heleboel  water in van gekookte aardappelen of zo. Ik heb de pot leeggegoten. Toen rook ik hoe héérlijk dat geurde…’ Frida bekijkt hem,  ogen wijd open. Dan begint ze te lachen. De anderen nemen het over. Frida hikt: ‘Zo helemaal jij, S. Zo helemaal jij.  Jij zou die professor uit de stripverhalen van Jommeke kunnen zijn. S…Hoe bestààt het. Niemand gelooft me als ik dit vertel…’                                                              * * *   Ik, de verteller, ik krijg altijd zo’n leuke ideeën die ik zou willen uitproberen. Zoals nu: ik zou graag een koor opstellen, naar het voorbeeld van de Griekse tragedies. Met aan de ene kant de drie mannen, (o.a.de twee Jezuieten) die met ingewikkeld vocabularium het engagement benadrukken. Die declameren over geweld en haat en moed en opoffering en liefde  . Langs de andere kant drie vrouwen (waaronder haar moeder en haar meter), die bidden en hopen dat eindelijk, eindelijk een vrouw in hun rangen  zich emancipeert . En toch eindigen met: ‘Nederigheid, kind. Liefde. Verzoening. En als Joris dat echt wil… Als je met hem trouwt, moet je mee… ‘   Maar ik heb de tijd niet meer, het aantal bladzijden die mij zijn toegewezen, zijn bijna volgeschreven. De historie van vijf jaar samenleven kan ik nooit op een paar bladzijden uit de doeken doen.  Hoe dat nu zit met vrijen, met seks. Bloot lopen door de wei in de jaren zestig, zeventig… En wat met dat gemeenschappelijk bezit. Hoe Joris zijn weg maakt in het opbouwen van alternatieve organisatiestructuren. Ik kan het niet meer hebben  over wat er met Frida daarbuiten gebeurt. Wat ik fantaseer dat had kunnen gebeuren. Zoals een vriendschap met E, die mee een studentenrevolte organiseert  tegen het toekennen van een eredoctoraat aan een Zuid-Afrikaanse prof,   medestander van het apartheidssysteem. De staking, de betogingen, de manifestaties houden maandenlang aan. Hij organiseert mee, moedigt aan, overlegt , en zo voort en zo verder… Maar ik heb geen tijd, geen plaats meer (wees gerust: de studenten hebben gewonnen: er komt geen eredoctoraat! En dat verhaal, dat wil ik later vertellen!).   En toch. ik moet het nog wel hebben over de Appeltuin, de eerste Freinetschool in Vlaanderen. Want dat is ook een rechtstreeks gevolg van ons samenwonen met S en M,  ons samen zoeken. Het belang van opvoeding. Frida! Frida! Het is jouw beurt weer, komaan! .                                                  * * *   Eerste vergadering: er was een groep Portugezen in Leuven, op de vlucht voor of verbannen door dictator Salazar. Ze organiseerden een oproep om te starten met een alternatieve kleuterschool. De eerste vergadering waren er vijftien? twintig? mensen. De tweede vergadering waren er nog een zevental? een tiental? De derde vergadering stond ik daar. Met Riet. Wij tweeën alleen.   ‘Wat doen we?’ vroeg Riet. Ze had er geen moed meer op: ze had al eerdere experimenten meegemaakt, er waren toch al een paar alternatieven in Leuven, ze gaf dit weinig kans op slagen. ‘We doen het.’ zegde ik. Ik had het belang van opvoeding leren begrijpen in Zuid-Amerika: Pablo Freire. En ik was enthousiast over de methode die wij in onze gemeenschap hadden gevonden om met kinderen om te gaan: Summerhill. Dus organiseerde ik een volgende bijeenkomst. Er kwamen weer meer mensen. En meer en meer. Zo is het gestart.   Weet je, de moeilijkheid is dat er zo weinig tijd is om na te denken en te kiezen: er zijn zoveel beelden, zovele woorden, er is zoveel gebeurd. Na nog een paar vergaderingen, zijn we gestart met de  Heiberg-groep. Dat is de kleine groep mensen die begonnen zijn, die de idee hebben laten sudderen en marineren, die ‘het’ hebben uitgeprobeerd, die aanvoelden dat er wat kon groeien met deze groep, die het risico hebben genomen, die er hun energie wilden in steken, die vonden dat kinderen die energie in het lang en het breed waard waren. We, dat waren Roos en Jo, Riet en Leo, Magda en Frans, Rita en Piet, Hedwig, Marie Roos en Laurent, S. en M. en ik. Ik had zelf geen kinderen – de jongste van S en M speelde hier wel met plezier.   Toen werd de Heiberg-groep de Appeltuin: we zitten in Leuven, ik word een soort vaste kracht, tussen al die moeders en vaders die ateliers inrichten en pedagogen die mee begeleiden.  Roos kookt met  enthousiaste kleuters. Lieve werkt met  textiel, leert de kinderen kijken, passen, voelen, durven iets in elkaar zetten. Rozemarie geeft een  weefatelier. Riet en ik, we  zingen en dansen met de kinderen, Riet brengt trommelstokken mee naar het muziekatelier. De andere Roos evolueert in het schildersatelier. Hubert brengt op een wit paard sinterklaas naar de Appeltuin . En iedere week bedenken ouders hoe je de ideeën die we hebben over manieren van leren, in de praktijk kunnen omzetten. Want dit is vooral de tijd van zoeken. We wisten sommige dingen wel tamelijk zeker. Het emancipatorisch werken, bijvoorbeeld. We wisten dat we de kinderen zoveel mogelijk zelfstandig wilden laten beslissen. En dat we een structuur nodig hadden om dat ook in het schoolse leren waar te maken. Maar de structuur die paste bij onze ideeën, die hadden we nog niet gevonden. We gingen actief kennismaken met andere opvoedingsprojecten.   Anderhalf jaar later had Jo de Freinet-methode ontdekt, zit de Appeltuin op de boerderij in Egenhoven en zijn er vaste krachten die de Freinet-methode kennen.  Het is de grote tijd van bouwen: structuren opbouwen, fundamenten graven. Ook materieel: de ruimte van het boerderijtje was te klein, we waren toen toch al met om en rond de negentig kinderen, denk ik. Als het niet meer was… We trokken onze plan: we zetten een bouwkeet bij. Eén? Twee? Dus: werkweekenden in de vakanties, waar iedereen een beurtrol had en  schilderde, metselde, kuiste, organiseerde, timmerde, opruimde... We moesten toen de Appeltuin nog met eigen bijdragen  rechthouden: er was in die jaren een scholenstop.  En dan de druk bijgewoonde algemene en andere vergaderingen, boven op de zolder. Het aantal kinderen bleef groeien. Er waren drukke discussies, bijvoorbeeld over onze ervaring dat een groep kinderen van zeven, van? twaalf? meer dan voldoende was om nog fatsoenlijk het groepsproces te kunnen begeleiden. We voerden de beslissingen ook uit! ... En die eerste schoolinspectie die we toen kregen. De positieve beoordeling! Eindelijk werden we gesubsidieerd! En het geniale schoolrapport dat er kwam.   En de formele organisatie van de Appeltuin, de structuren die toen uitgezet zijn…  En dat we alles, alles zelf moesten kuisen? En  geduveld dat er  werd als iemand zijn  kuisbeurt was vergeten of als het kuisen maar met de losse hand was gebeurd…    Alles moesten we zelf doen. We hebben het gedaan. Voor de kinderen,  voor een bepaalde manier van leren, van opvoeden, voor velen ook van de maatschappij bekijken. Bijna nooit was er iemand ziek, er waren kinderen die ook  in het verlof graag naar school wilden...  En dan, de grote proef op de som:  de eerste appeltuindertjes die  naar het middelbaar onderwijs zijn gegaan. Het lukte! Het was, ook in dat opzicht, oké.    En plots zaten we dan terug in Leuven, het gebouw met de glas-in-loodramen  in de Weldadigheidsstraat.   De laatste jaren van ik als vrijwilliger in de Appeltuin waren voor mij: oogsten wat er gezaaid was in de vorige jaren. Het was geweldig. De creativiteit bij iedereen, ouders, vaste krachten. En vooral de kinderen: het was om stil van te worden soms. Het is teveel om op te noemen. Ik beperk mij tot één persoonlijke ervaring:  Het indianen-project.   Een  groepje kinderen wou leren over de indianen.  Ik had met Joris toch  tweeënhalf jaar in Zuid-Amerika gewoond, de kinderen vroegen me of ik mee het project wou begeleiden.  Ik herinner me het bezoek aan het Museum in het Jubelpark in Brussel. Het gemak waarmee de kinderen vragenlijstjes opstelden, telefonisch afspraken maakten met de verantwoordelijken van het museum, waarmee ze vrijwilligers zochten om mee naar Brussel te rijden: ik stond er van te kijken. Ook al was ik al van in het begin bij  de Appeltuin.    Er werden verslagen gemaakt, teksten geschreven, er werd getekend, geschilderd; Simone naaide met de deelnemers aan het project  drie indrukwekkende tippies: we konden er zelf inzitten. Er werd gediscussieerd, nagedacht, er werd gemeten, als ik het goed voorheb werden er patronen gemaakt, de tippies werden versierd.  Maanden nadien stonden ze nog in de grote hal. Met lege tonnetjes van waspoeder  werden prachtige totempalen gebouwd. Ik bracht spullen mee van indianen uit Peru, Ecuador en Colombia en vertelde over hun grote culturen, hun rijkdom- ook letterlijk; over de uitbuiting van de indianen, al van begin ; over hun sociale verdrukking, ook nu nog; over de straatkinderen waar ik zelf mee in contact was geweest. We deden opzoekingen over de indianen van Noord- en Midden-Amerika.  Hedwig organiseerde een dansnamiddag, waar de kinderen heel fysiek gewaar werden wat het wilde zeggen: dat de indianen werden opgejaagd, dat hun land werd afgepakt , dat ze in reservaten moesten gaan wonen. Het kan zijn dat er nog andere dingen bij te pas kwamen.     En dan later de voorstelling, voor de hele school. Het totale project duurde enkele weken. Schitterend.    Ik weet het wel: er zijn in de Appeltuin ook conflicten geweest. Ook voor de kinderen zelf is het niet altijd een paradijs op wolkjes geweest: de school in weerbaarheid, in omgaan met jezelf en met anderen, in leren je eigen project in handen te nemen, is niet mals. Maar nu, zovele jaren later, nu ik weet wat ik weet en zie hoe enthousiast jonge ouders met hun kinderen blijven komen, blijf ik erbij: de Appeltuin is één van de meest zinvolle projecten van mijn leven.       * * *   Frida wordt stil. Want ook dat andere project.  Vertel!                                                                            * * *                 Ik wil kinderen. Ik wil kinderen. We zitten in de tuin. Nog maar eens. Ver weg knettert een brommer de lucht tot flinters, naast mij kakelen eerbiedwaardige Mechelse Koekoeken en sourdine, een vliegtuig boort zich door de lichtgrijs benevelde blauwige lucht, er vliegen bromvliegen langs, er komt van alles langs alle kanten tevoorschijn, van heel heel lang verdreven vergeten ondergestopt, ik moet nog heel veel, het is niet goed genoeg zeggen stemmen die alleen nog nabestaan het is niet goed genoeg ik wil kinderen ik ben drieëndertig ik wil kinderen en Joris en ik we zijn tien jaar getrouwd en we hebben de bolwassing van het huwelijk door de tijd doorstaan ik wil kinderen en Zuid-Amerika is achter de rug en gemeenschappelijk bezit is uitstekend om na te denken over welke rol geld speelt in intieme relaties maar ook op wereldschaal hoe je ik wil kinderen hoe je het nodig hebt hoe het ingebakken zit in de structuren het militair-industriële complex ik wil kinderen en we komen in opstand we weten het we hebben het gezien we hebben het meegemaakt de tragedie van goed en kwaad en hoe diep ze geworteld zit  en de oorlog in Vietnam is al enkele jaren achter de rug maar de gevolgen en nu weer de moord op de Italiaanse premier Aldo Moro door de Brigate Rosse en alle ellende zullen ook wij niet uit de wereld kunnen helpen maar toch we dragen bij voor dit en we ondersteunen dat en ik wil kinderen en we weten het nu de prof heeft het bevestigd het zou niet moeilijk zijn om er zelf te krijgen en we vrijen graag en vrijen is heerlijk maar en moet ik nu van hem vragen ik wil kinderen  moet ik vragen dat hij omdat ik ik wil kinderen ik wil kinderen en dan weet ik het het moet gebeuren ik moet zeggen ik wil ik zeg het mijn lijf zegt het ik zeg het ik wil kinderen en dat dit voor mij een reden zou zijn om weg te gaan van u ik wil kinderen en weet je, Joris, sinds die jongen met die opgezwollen buik die dood lag onder de bloeiende mimosaboom, sinds het kind in een nest van gebroken wit, sinds de gamines, sinds Alfonso wilden we er altijd al minstens  één adopteren bij de vier andere die we zelf zouden maken maar dat ze van onszelf zijn heeft voor mij niet zoveel belang, denk maar aan Alfonso, denk maar aan de klein gasten van S en M we hebben liefde we hebben ervaring en het verlangen ik toch laat ons er adopteren misschien adopteren we er best dadelijk een paar jij bent toch ook en stuk van een tweeling ik wil kinderen.               Ik wil.   ‘Ze uitkiezen dat moet jij maar doen,’ had Joris gezegd.  ‘Ik zou niet weten hoe.’ Ik had er geen enkel probleem mee gevoeld.   En nu zijn we hier. Negen maanden later. Exact negen maanden. We zijn per taxi naar het weeshuis gekomen. Het weeshuis ligt in een volksbuurt in Delhi, India. Vlak voor de ingang staat een grote moerbeiboom. We lopen door een deur, lopen tussen twee witgekalkte muren naar de ruimte waar de kinderen verzorgd worden. Het zijn kleine kinderen, ze passen nog allemaal in een kinderbedje of in een box. Er staan er tientallen. Ik stap zonder gedachte, zonder gevoel, zonder paniek, leeg, tussen de bedjes en de boxen en de kinderen. En ik zie hem. Hij staat te dansen en te zingen in een kinderbox. Die hoort bij ons, die is bij ons thuis, weet ze. Het is gebeurd voor eeuwig.   En waarom ga ik nu verder, Joris en ik we hebben toch gevraagd dat we een tweeling konden adopteren de zusters hadden dat een goed idee gevonden en toch wandel ik  verder. Mijn god denk ik, zie die rijen en rijen bedjes met kleine babietjes, pasgeborenen nog haast, ze liggen dwars, met drieën in één bedje en op een opgeplooid doekje naast iedere  baby een flesje. Wie de weg naar het tuttertje vindt blijft leven, denk ik en plots zie ik dat ene boeleke, het is er eentje zoals haar zus voor ogen had toen ze het vertelde over de adoptie. ‘Breng een meisje mee,’ had ze gezegd. ‘ Ze wordt later als de Indische vrouwen, met die lange, zwarte vlecht en die bruine ogen, die prachtige lichtbruine huid, zoals Zuid-Europeanen.’ En daar lag ze. Pas geboren. Die haarbos! Die komische dichte haarbos rond een vertrokken gezichtje vol lijden. Een pakje mens. Zal ik je oppakken, zal ik je op mijn borst leggen… ‘Ze heet Nirmala,’ zegt een stem naast mij. ‘Ze is een maand oud nu. Ze was twee dagen oud toen ze hier bij ons kwam. Ze was te vondeling gelegd onder de moerbeiboom, hier vlakbij ons tehuis.’ Maar ik hou wat ik voel in toom . We hebben afgesproken dat het een tweeling wordt! Dus we gaan naar huis met in een blij hart dat jongetje daar. Veertien maanden oud.   De zusters moeten niet lang zoeken ze hebben weeshuizen over heel India. Er is een meisje in een weeshuis op een paar uur vliegen daarvandaan. Ze is geboren op dezelfde dag, hetzelfde uur als onze Radjesh, onze keizer der keizers. We nemen het vliegtuig en een paar uur later… Ai! ai! ai! Het tweelingmeisje mag niet langer geadopteerd worden: ze heeft kinderverlamming… En dadelijk weet ik: we gaan terug naar Delhi dan kunnen we dat busseltje mens in het weeshuis daar, het kindje dat ik in mijn armen wou nemen, dat kunnen we dan dadelijk bij ons nemen, samen met haar Radjesh-broer. ‘We hebben zo vele kinderen hier,’ zegt de vriendelijke zuster,. ‘Wandel rond, kies ééntje van bij ons. Dat meisje daar met haar verminkte lijfje, haar verbrande gezichtje? We hebben haar nog juist uit het vuur kunnen redden. Het was een meisje, de ouders zouden er later een bruidsschat voor moeten betalen als ze werd uitgehuwelijkt. En ze hadden al twee meisjes, een derde konden ze niet meer hebben en dus wierpen ze het in het vuur.’ Ik gruw, ik gruw er nog van, nu ik het vertel. Zoals ik gruwde, twee weken vroeger, toen ik samen met Joris Benares bezocht, waar de asse van de overledenen in de Ganges wordt gestrooid.  Het lichaam van een overleden man wordt op de brandstapel gelegd.  Het wordt verbrand. Zijn echtgenote moet zich in het vuur werpen. Ze moet met hem verdwijnen.  Nee, denk ik. Nee. Het zal moeilijk genoeg zijn, een adoptie. Dat weet ik. Ik heb me voorbereid. We vliegen terug naar Delhi, naar het jongetje en het meisje dat op ons, nee, waar ik op wacht. Naar Radjesh, de keizer van de keizers. En naar Nirmala, de zuivere, de onschuldige.   Ja, ik wil.

versta
21 0

Seks en zomeer. Ik wil.

Seks. Ja. Seks. Natuurlijk zou ik daar mee kunnen beginnen. Wat een bres er in die jaren zestig is geslagen in onze manier van elkaar bekijken, beluisteren, strelen, naar elkaar te verlangen, te vrijen. Hoe je vòòr die dijkbreuk bij overtreding van wat mocht niet mocht, je zonder slag of stoot werd buiten gebonjourd.   Zoals dat klasmaatje dat al een tijdje de binders van haar lichtblauwe geruite schort los liet hangen. Ze vond dit mooier, zeker? Wisten wij veel. Op een dag kwam ze niet meer naar school. Haar schriften en haar boeken werden weggehaald. Er werd van hogerhand geen commentaar gegeven. Van school veranderd, dachten we. Of was ze  verhuisd, woonde ze te ver om nog in `t stad te geraken? Later hoorden we het van elkaar: ze was in verwachting. Over en out. Ze bestond niet meer.   Als een lichte zomerregen begon de pil in het sociale weefsel door te dringen. Maar paus Paulus de zesde, de pillenpaus, proclameerde voor de hele wereld (dat het voor de hele wereld was: dat dacht hij, dat dachten wij toen ook nog): het condoom, de pil: verboden!   Op de proclamatie aan het einde van het schooljaar, zongen wij, leerlingen van het laatste jaar klassieke humaniora, in uniform, op het podium, gniffelend, dat we een jeugd van maagden wilden zijn. We dansten rock-‘n-rol.               Maar is dit de juiste weg? Moet ik het – nu al – moet ik het met jullie, voor jullie, al hebben over die seks-tant? Er is in de sixties en de seventies zoveel gebeurd. Belangrijker? Who knows. Maar vooral: het gaat hier niet over wat IK wil of wat JIJ graag zou weten. Het gaat over ZIJ. Hoe laveerde ZIJ door die jaren? Waarvoor liep ZIJ te hoop? Ik sluit de ogen en ik weet het weer. Duidelijker dan toen. De tijd geeft mij begrijpen, toont mij het hele schilderij: de jaren zestig, zeventig. En ZIJ. Toen.                                                              * * *   Toen registreerde ze sommige dingen en klasseerde ze zonder meer op de zolder van haar geheugen. Ze voelde dat het belangrijk was, ongewoon.  Ze plakte er geen naam op, zag niet waar het naartoe ging. Maar het was er. Het hing in de  lucht, lag te wachten in de platenbakken van de mediatheek –wat een uitvinding- thuis keek het je aan op het televisiescherm, of vanaf de nieuwe zetels in Scandinavisch design.  De Amerikanen stemden de jongste verkozen president ooit het Witte Huis binnen, ze briesten bij het zicht van Cuba, Fidel Castro, Che Guevara, kwamen massaal aangezet in Zuid-Vietnam. Er ging bij haar geen licht op.     De Congolezen dansten het triomfantelijk, jaren geleden al: ‘Indépendance, chachacha! Indépendance, chachacha!’. Er werd door de volwassenen met interesse over het fenomeen  gesproken. Maar zij was nog te jong, toen. Nu, aan de unief,  kwam ze het tegen in de boeken van Sartre, van Camus, Simone de Beauvoir. Het zwierf rond, het werkte. Het deed met haar zoals Vietnam deed met de USA. Het kwam haar leven binnen, verspreidde zich onderhuids, oncontroleerbaar, verstoorde waar ze mee bezig was, bepaalde op de duur naar welke fuiven ze ging, hoe ze zich kleedde, zich coiffeerde, waarover ze praatte, waar ze winkelde, welke vrienden ze zag.   En dan was er dat incident. Een bijeenkomst van studenten over de politiek van Noord Amerika in Zuidoost Azië. De Amerikaanse ambassadeur nam het woord. Iedereen luisterde, geïnteresseerd. En opeens, van tussen de studenten, was er de stem van een vrouw die luid een verhaal riep over napalm, ontbladering, bommentapijten. Twee forse mannen verschenen vanuit nergens. Ze tilden de vrouw op,  droegen haar buiten. Ze riep verder. 1966. Een vergadering in een studentenclub. Ze begon het zich te realiseren.   En er was de kwestie Leuven Vlaams. ‘Wàlen buìten! Wàlen Buìten!’. De stemmen van duizenden studenten botsten tegen de gevels van de statige gebouwen. De gevestigde machten gingen overstag: de boeken van de grote bibliotheek werden in twee gedeeld, de walen verhuisden naar Louvain - la Neuve! Met Bob Dylan en Boudewijn De Groot zongen we triomfantelijk :        Kom vaders en moeders, kom hier en hoor toe. Wij zijn jullie praatjes en wetten zo moe. Je zoons en je dochters die haten gezag, je moraal die verveelt ons al tijden. En vlieg op als de wereld van nu je niet mag, want er komen andere tijden.   De streep is getrokken, de vloek is gelegd op alles wat vals is en krom en onecht. Jullie mooie verleden was bloedig en laks. Wij zullen die fouten vermijden. En de man bovenaan is de laagste van straks, want er komen andere tijden.     Er werd gedacht, gediscussieerd, het broedde. Maar nergens schreeuwde het al op een muur: ‘DE VERBEELDING AAN DE MACHT’. Nog nergens was het mei ’68.                                                  * * *         Nee! NEE! En nog eens NEE! Mei 68! Ik voel het al komen. De oorlogen, wereldwijd, de flower powerbeweging, het anti-autoritaire denken: de Grote Principes van Deze Tijd. Ik wil het er hier niet over hebben.  Daar werden al zoveel woorden aan vuil gemaakt, soms ben ik het zat. Het gaat hier om een autobiografie! En trouwens, een overzicht over die oorlogen en zo, dat is fout: dat is een opsomming. En opsommingen kùnnen niet. Dat leest te moeilijk. En het is te abstract. Wablief, te ABSTRAKT? Een meisje, negen jaar oud, naakt,  schreeuwend, zonder vader, zonder moeder, dat vlucht uit haar dorp dat met napalm werd bestookt, bommen die een wijk in de stad van het ene moment op het andere in een hel veranderen, honderden doden. Te abstract? De campings in de Haute Provence, die in de zomer her en der enthousiast uit de grond schieten, waar mannen ongegeneerd hun edelste delen blootgeven, vrouwen op de place publique vrolijk hun kinderen de borst geven; die zorgvuldig hun schaamhaar, hun oksel-en hoofdhaar coifferen. Te abstract?               Nee, dus. Maar toch: dat is geen autobiografie. Mijn protagonist, mijn hoofdpersoon, ziet nog niet de grote lijnen, kan wat er gebeurt nog niet in abstracte woorden vatten. Ze kan het nog niet beseffen. Ze zit in het tweede jaar unief. Ze studeert graag. Ze heeft een warme thuis. Ze is gelukkig. Ze is naïef. Wat zeggen ze, die studenten op de achterste rij?   * * *.   Trouwens, wat zit dat meiske daar te doen? Welk meiske? Die por daar, op de tweede rij. Ja zeg, zeveraar! Er zijn maar twee rijen porren: de twee voorste. Ik vraag me af: zouden die nu nooit eens goesting hebben om mee hierboven bij ons, op de tweeëntwintigste rij te komen zitten? Dan hebben ze tenminste een overzicht. En wij interessante compagnie. Veel gezelliger, toch? Enfin. Wie bedoelt ge nu eigenlijk? Hewel, die por daar met dat bruin haar en die groengrijze ogen. Ah, die! Een toffe griet, hé man. De Soi zegt dat ze op Audrey Hepburn trekt. Dat zal de Soi wel zeggen over -en liever nog aan- de helft van alle porren hier in Leuven. Die meiskeszot! Zie ze in de weer zijn met haar cursus! Die wil er werk van maken, hé. Ze zou beter haar best doen om een lief aan de haak te slagen. Ze gaat nog altijd met niemand. En ons vader zegt, dat meiskes enkel en alleen naar de unief komen, om een goede partij te vinden… Wat zou ze studeren? Rechten? Psychologie? Weet ik veel. Maar als ge er zo curieus naar zijt, waarom vraagt ge het haar niet zelf? Schrik, manneke? Durft ons Kareltje niet? Onnozelaar. Nee, zeg. Maar ik heb gehoord dat ze zo serieus is. Ze gaat nooit op de lappen. En als ze al eens naar een thee dansant gaat, is het samen met die vriendinnen van haar: niet gemakkelijk om er u tussen te wringen. Nochtans, Kareltje, nochtans… ze zit op het eerste meisjeskot hier in Leuven zonder kotbaas of kotmadam! Negen porren, hun eigen baas! Als ge daar een voet in huis zoudt krijgen… Laat het uit, zeg! Véél te serieus voor mij! Als ze uit gaat, is het naar het theater of naar een concert. Of naar die mannen van de kleinkunst. Naar Louis Verbeek. Of die zanger, Miel Cools. Of Hugo Raspoet, … Ge weet toch dat Hugo Raspoet verleden week ladderzat in de grote aula op het podium stond? De aula zat vol – uw vlam daar was er ook, ik heb ze gezien. Ge zoudt u voor minder een stuk in uw kraag drinken als ge moet staan zingen voor zo’n vijfhonderd man… Maar die Audrey Hepburn hé, die zit elke week in den Bellarmino. Dat is dat studentencentrum van de Jezuïeten. Ze gaat daar naar een vergadering, gesprekken over onderontwikkelde landen, allez, de missies. Hebben ze mij verteld. Ziet ge mij al zitten? ’t Is spijtig, het is een toffe griet, zo te zien. Maar ik ga ‘s avonds toch liever een pintje pakken in den Boule d’Or. …                                                              * * *               Daar gaat ze… En het is weer hetzelfde. Schrijven is tricky voor mij. Ik weet niet altijd klaar en duidelijk het onderscheid te maken tussen ik en zij. Schrijven neemt me mee naar schemerplaatsen in mezelf, naar gedachten, naar gevoelens, die er wellicht altijd al waren maar waar ik nog nooit zo scherp mee geconfronteerd ben geweest.   Maar laat ik hààr nu maar volgen. Laat ik hààr aan het woord. Dan kan ik mezelf even vergeten… Zo was ze dus.                                                                * * *            ‘Het is het licht - denkt ze - dit schemerlicht. Alles is erin verzopen.’  En ze stapt het lome weer in van eerste warme zomerdagen. Zalig, hoe ze zomaar, zonder jasje, zomaar, in haar jurk, met blote armen, met blote benen door de stad kan wandelen, denkend, voelend, bijna blindelings, bijna op de tast    Hoe ze vervuld is van waar ze daarjuist nog over praatten. Dat alle mensen gelijk zijn. Dat je zelf toch wéét dat je het beste voorhebt met de andere. Je buurman ook. Dat hij zou reageren als jij, tenminste, als hij voldoende vertrouwen had. Maar dat ons eeuwen en eeuwenlang werd aangeleerd en ingeprent dat een mens zelfzuchtig is, een wolf voor de medemens. En dat we dus wantrouwig zijn tegenover elkaar en agressief. Dat we niet beter weten.   Maar dat het anders zou worden. Zij, de jongeren van nu, zij zouden hier mee breken. Ze zouden anders gaan leven, radicaal. Zij zouden kiezen voor de liefde. Love and Peace. Geen saaie conventies, geen verstarde instituten zouden hun leven beheersen. Geen oorlog meer, geen legerdienst: burgerdienst. Of helpen in ontwikkelingslanden. Niet domineren.   Ze zouden houden van alle mensen, zonder onderscheid van rang of stand of kleur. Haar leek dat vanzelfsprekend. Houden van was bij haar ingesijpeld langs wat ze had gevoeld, langs wat ze had gezien, gehoord en meegemaakt, hoe de mensen rondom haar, en toen ze het in de boeken las, en toen ze merkte hoe iedereen er naar, en wat straal je zo vroegen haar vriendinnen maar ze wàs niet verliefd op Jules of Jef, ze was verliefd op leven. Zalig. Zoals vanavond.   Hoe ze hier stapt. Nooit nog zal ze zo gelukkig zijn – dat voelt ze en ook nu al het heimwee van later. Naar deze tijd dat ze is, vertroeteld, aangemoedigd, draagster van verwachtingen, die van zichzelf, die van anderen, nog niemand gefrustreerd - ook niet zichzelf - door de gemaakte keuzes. Alles is mogelijk. Ze is alles in allen. Nu.   Ze wandelt, ze stapt het ritme, ze stapt voorbijglijdende tijd, onaangedaan, als het tikken van een klok van vroeger, het druppelen van een lekke kraan, onbezorgd genoeg om houden van te laten overstromen, iedereen, alles mee te sleuren, te omvatten. Het ligt als dauw in haar ogen, ze absorbeert het, straalt het uit. En ze geniet. Van elke stap. Van het geroezemoes op de caféterrasjes. Van het gelach uit de open ramen van de studentenhuizen. Van de idee dat god liefde zou zijn en dat Alle Menschen Brüder werden.   Hij is de donkere vlek aan een raam op de tweede verdieping. Hij ligt buiten haar ritme, buiten de kadans van haar benen, buiten wat ze denkt en voelt. Buiten. Ze komt hier rond dit uur bijna elke avond voorbij de laatste tijd. Ze heeft een kamer in het studentenhome voor meisjes, twee straten verder. Hij is haar gevolgd.   Hij haat haar. Ze is vandaag begeerlijker dan alle andere avonden. Alles is anders deze avond. Het is het weer - denkt hij. Die ongewone warmte. En dat stuk ongeluk daar in zijn broek, dat niet kan wachten en hij ook niet. Hij weet niet hoe je het hier kan aanmaken, hij heeft al veel te lang gewacht. Hij weet niet hoe hij hier... hier in dit regenland, zo stijf en koud en grijs en ontoegankelijk.   De hete teef zie ze daar lopen met haar chique kleren en haar nonnengezicht zie ze draaien met haar kont ze vraagt erom ze daagt uit wil laten voelen nee ik heb geen koorts maar wijven van haar soort...   Alle Menschen werden Brüder... mensen positief benaderen. Ze hebben er al zo dikwijls over gediscuteerd. Ze ziet het gebeuren, zich verspreiden als stuifmeel in de lente, als een melodie die kabbelt, samenkomt met andere stemmen, ondersteboven wordt gekeerd, in harmonie terugkeert. Houden van.     En ze fêteert haar negentien jaar, ze stapt de straten door alsof ze op een catwalk loopt, vrijend, met alles, met iedereen, tot alles bereid voor iedereen gekruisigd dit moment, deze zomeravond, alsof het een intrede in Jeruzalem is, een wake in een hof van olijven, een vers uit een Hooglied: wie is zij die daar komt als het rijzend morgenlicht, heerlijk als de maan, schitterend als de zon, geducht als een leger in slagorde geschaard.   En dan weer die melodie, de cello’s die natrillen op de plaats waar zij haar voeten heeft gezet en die smeken om piëdad, om mededogen met de wereld, met iedereen met vergeef ons onze schulden en misschien zong de muziek voor niets misschien was het al te laat maar dan was het beter te laat met grootmoedigheid met vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren en dan kunnen we daarna opgaan misschien in de mist in de stralen van de avondzon in I had a dream in de muziek der sferen.   ‘Hoerenjong’ denkt hij. ‘Ik zal je hebben ik zal je leren ik zal je laten voelen hoe die van jouw soort deden toen we gevangen waren, hoe ze Marissa, hoe ik moest toezien hoe ze na elkaar op haar kropen hoe ze haar kut hebben opengereten en haar lippen stukgebeten. Ik zal je – vloekte hij - ik zal je...’ En toen Marissa bijna niet meer reageerde, toen hun plezier voorbij was, hadden ze haar doodgeschoten. Hij was gevlucht.  ‘Maar ze moest niet denken dat... Ik zal ze ... Ik zal ze...’   Geluk. Wat is geluk. Ze hoopt er op maar voelt dat het misschien anders is. Misschien is er geluk met ander soortelijk gewicht. Zwaarder. Moeilijk. Verdrietig soms. En ook hemelhoog. En stralend. Niet alleen moeder en kind. Ook zo’n melodie maar met boven-en ondertonen. Polyfonie. En dat het niet vergeefs zou zijn. Dat ze wou afzien – als het moest. Maar dat ze ook zou krijgen. Dat het Im Ganzen in evenwicht zou zijn. Dat de muziek zou blijven stromen, sotto voce soms, in mineur waarschijnlijk, maar altijd muziek. Altijd leven.   Ze is er nu bijna. Nog deze straat door. Het licht is gekanteld: het is donker. De straat is leeg. Het loopt niet gemakkelijk met hakken op de kasseien.  Bakstenen muren aan weerkanten van de straat. Aan de ene kant een meisjescollege, aan de andere kant een kloostertuin. Allebei eeuwenoud, binnen de eigen muren gevangen. Verlaten op dit uur. Ze ziet de schaduw niet die zich losmaakt uit het zwart van de muur, als nauwelijks een zuchtje wind waar zij nog juist daarvoor bewoog.    Het is nu echt donker. En fris. Ze rilt. Het loopt door haar hoofd wat haar doopmeter haar verleden zaterdag vroeg: ‘Heb je er al eens over nagedacht, Frida, wat je voor jezélf zou willen? Zonder al die sukkelaars die je zou willen helpen en die je zullen opeten? Je gaat toch niet naar ’t klooster gaan, zeker? Je wordt toch geen non? Nee. Gelukkig. Hewel, wie wil je dan zijn, binnen, pakweg, tien jaar?’. Zo was ze, die meter, ze nam geen blad voor de mond. Zeker niet als haar moeder er niet bij was. Ze heeft er over nagedacht de voorbije dagen, jawel. En het antwoord is: nee. Ze weet het niet. Zijzelf? Wat ze wil worden? Wie zal het zeggen? Wìl ze iets worden, gewoon, voor zichzelf? Verrek! Het was zo’n volmaakte dag. En nu loopt ze weer te  piekeren! Wat waren die prachtige verzen van Goethe weer? Über alle Gipfeln gibt’s Ruhe... denkt ze. En ook, met zoet verdriet, als bij liederen van Schubert, nocturnes van Chopin, dat haar vriendinnen nu bijna allemaal met een lief rondlopen en zij niet  en dat ze zo alleen is en zou ze ooit...  Ze is nu bij de stenen brug en de vervallen watermolen, een eenzame plek - bizar, zo in de stad. Het was hier altijd al buiten de muren, onbeschermd gebied, ook in de middeleeuwen. De straat splitst: rechts haar studentenhome, links brakke grond. Ze is midden op de brug. En spert de ogen open voelt weet paniek vingers die langs haar slapen fladderen als vleugels van een mot rond het licht van de lamp een hand die tast naar haar mond een arm die probeert haar vast te klemmen haar lijf reageert  ze glipt uit de armen rent de straat van het studentenhome in schreeuwt attention je crie tu sais weet  ziet de schaduw die de straat van de brakke grond in loopt.   Ze heeft dit nooit verteld, aan niemand.    * * *   Een week later, amper een week later staat ze op de hoek van de straat van het museum en het zonnige plein voor de bibliotheek.  Alles gaat zijn normale gang: wandelaars, fietsers, auto’s, duiven. Ze wacht. In de schone maand van mei, jochei! Ze wacht. Verrukt. Opgetogen. Ze wacht op HEM! Op de student waarvan ze deze morgen een brief heeft gekregen.  Ik heb je lief - had hij geschreven. Ik heb je lief met alle verwarring die daar normaal blijkt bij te passen. Verwarring waaruit ik alleen toch niet kan komen. Conclusie: jij zult er mij moeten uit helpen. Verontschuldig mij voor dit bevel: ik zie me tenslotte verplicht jou voor het dilemma te plaatsen waarvoor ik zelf sta.   De eenvoudigste manier om mij te bereiken, is te bellen naar het nummer 28 83 52. Jouw zwijgen is mij een teken, evenveel waard als je spreken.   Ze kende hem van de vergaderingen over ontwikkelingslanden, over het engagement van christenen in deze tijd. Ze vond hem toen, nee, ze dacht toen, nee, ze vond, nee, ze voelde zich, nee, ze dacht dat dàt een man was, ja, daar zou ze, hij was, hij had iets wat haar aantrok, nee, niet iets deftigs, iets voornaams, hij was iemand interessant, hij had een lage, zware stem die verstandige dingen zegde, hij maakte indruk maar hij was helemaal geen Streber, met zò iemand, op zò iemand zou ze verliefd kunnen worden. Het stak de kop op maar ze sabelde het dadelijk, genadeloos neer – haar moeder… Maar nu had hij die brief geschreven en ze was dadelijk  himmelhoch jaugzend  en ze hadden een afspraak gemaakt om dit uur en op deze plaats . En daar stond ze en de lucht is blauw en ik hou van jou en boordevol verwachting en hoezo hij was er niet hoezo hij is te laat iedereen kan wel eens te laat komen dat is toch geen ramp en de lucht is blauw en ik hou van jou en zie nu toch die duiven hoe gulzig en schrokkerig en de lucht is blauw en ghequetst ben ic van binnen en hij is al zoveel te laat en het zal toch geen grap en ghequetst ben ic van binnen ghequetst so lanc so meer en de lucht is blauw en schrokkerig en daar is Jos op de fiets, hij heeft zijn zwarte jezuïetentoga met fietsspelden vastgeklemd, hij komt zeker weer van één of andere vergadering over ontwikkelingslanden en      ‘Frida, alles goed?’ ‘Dag Jos. Ja, dank u. Ik sta hier te wachten op iemand. Maar hij is een beetje laat. Nu toch al een kwartier. En…’ ‘Frida, jij bent toch niet op Joris aan ’t wachten?’ ‘Jawel. Hoe…’ ‘Snel. Ik ga hem halen. Ik heb hem juist nog gesproken. Hij staat een straat verder te wachten. Ook op iemand. Op jou, dus. Ik ga hem verwittigen dat jij hier staat.’   Jos stapt op de fiets en crost weg. En zij wacht opnieuw verblijd en Ic en kan gerusten dach noch nachte en ze grinnikt ze lacht opgelucht en daar is Joris daar komt HIJ, ze lopen naar elkaar toe en gooien zich in elkaars armen en de voorbijgangers glimlachen en het licht omstrengelt hen als klimop de bomen en ze lachen hij verontschuldigt zich hij heeft zich van straatnaam vergist en ze plaagt hem hij hoeft zich niet te verontschuldigen maar nu heeft ze levenslang permissie om te laat te komen op afspraken met hem en zijn handen strelen haar haren en die blauwe ogen achter die donkere bril zijn zware lippen op de hare en ze zoenen en dat is ambrosia wat vloeit mij aan uw schedelveld is koelder maan en alle appels blozen…                                                         * * *     Er is het beeld van de twee bomen. Ze komen recht op mij af. Dan is er niets. Dan is er helder licht, ginder ver. Ik kom er langzaam dichterbij. Dan is er niets. Dan voel ik de warmte van de zon op mij. Dat is zo goed, dat doet zo’n deugd: thuis wil het maar niet zomeren. Dan is er niets. Dan zegt iemand naast mij - in het Frans? in het Nederlands? - dat ik stil moet blijven liggen, dat de ziekenwagen onderweg is. Dan weer niets. Dan vloekt iemand naast mij, boos: ‘Merde! Espèce de cochon! Il ne veut pas nous laisser passer!’. Ik lig in een ziekenwagen. De sirene loeit. Dan is er weer niets. Dan lig ik op een hoog brancard-bed, in een grijze kamer zonder ramen. Er brandt neonlicht. Ik lig in een kliniek, denk ik. Dan weer niets meer. Dan is Lieve, mijn oudere zus, bij mij. Ze is verpleegster. Ze vertelt dat de R4 waarin ik zat, in een ravijn is geslingerd. Twaalf meter diep, twintig meter verder. De twee jongere zussen,  hebben blauwe plekken en builen maar verder niets.  Jorismijnlief heeft een paar gebroken ribben. Dat doet pijn. Het vraagt zijn tijd om te genezen. Maar het is niets ernstigs. En er is iets met mijn nek, dat onderzoeken ze verder hier in de kliniek . Je ligt in de kliniek in Bordeaux, wist je dat niet? Dan weer niets – geen paniek of zo. Gewoon niets.    Tot ze – ik herinner me geen gezichten – tot ze me komen zeggen dat mijn nek oké is. Ik moet nu rechtstaan. Dat mag, dat moet, want er is niets met mijn nek. Hij is gezwollen, maar hij is oké. Ik wil rechtop gaan zitten. Ik schrik: mijn nek doet afschuwelijk pijn. Ik leg me weer neer, stuur weg wie me zou helpen. Hij/zij laat me begaan. En ik laat het  over aan mijn wijze lijf: eén been beweegt zich over de rand van het brancard-bed, bengelt naar beneden. Het andere been zet zich af, bekken, romp en hoofd leggen zich dwars op de brancard, het hele lichaam glijdt naar beneden. Om de pijn te vermijden, houden de handen het hoofd recht, op één lijn met de ruggengraat. De voeten raken de grond, de romp is nog gebogen want het hoofd ligt nog op het brancard-bed. Dan recht zich de romp, de handen tillen het hoofd op en zetten het zorgvuldig op zijn plaats op de wervelkolom.   Wat er hier gebeurt beleef ik verbaasd, bewonderend. Hoe kan je lichaam zoiets intuïtief doen? Het besef ervan wordt voor het leven opgeborgen. Maar nu duurt het niet. Ik wandel  naar de deur. Naar buiten. Daar wordt op me gewacht.                                                                  * * *   De avond daarvoor kampeerden we. We, dat waren mijn oudere broer Hugo, mijn oudere zus Lieve en vriend Leo. Ze reden vòòr ons in een goudkleurige BMW. Jorismijnlief, mijn jongere zussen Agnes en Rita en ik volgden in een bordeauxkleurig R4-tje. Het was de eerste keer dat we kampeerden, maar we deden het als de groten: we zetten twee tenten op, installeerden slaapzakken, kampeergerief, maakten een kampvuur om te koken. De tenten en zo lukten prima, het eten was slecht. Gewoon: slecht: het was het eten van de streek dat we in de boerderij van onze kampeerplaats kochten: conservenblikken andouilles: geprepareerde varkensdarmen, de specialiteit van de streek. Bordeauxwijn maakte alles vrolijk. Met veel gelach en geplaag waren we de volgende dag vertrokken naar de playas in het noorden van Spanje. Er was toen nog niet zoveel te doen over El Generalissimo Franco. Lieve, Leo en Hugo reden voorop. Joris zat bij ons achter het stuur. Er waren de perfect onderhouden Franse asfaltwegen tussen volwassen ronde heuvels en groene dalen, bossen en de boomgaarden , weiden met grazende, bezadigde koeien, schapen en lammeren, velden en velden zonnebloemen, blauwe lucht langs alle kanten. Agnes tokkelde op de gitaar, Joris stak een wagen voorbij. Dan even niets. Dan die twee bomen die op me afkwamen.  Agnes zat opeens met de gitaar in de armen in de wei beneden. Rita zag, voelde de auto over zich heen donderen. Joris is ook uit de wagen geslingerd – gelukkig: de wagen is schroot.    Later de treinreis, terug naar huis. Ik mag Joris niet aan ’t lachen maken: één van zijn gebroken ribben drukt venijnig op zijn lever, dat is erg pijnlijk. Vakantie in het ravijn gevallen: zo’n vijf verdiepingen diep. Alle vier uit de wagen geslingerd. Maar we zijn oké, ik ben oké, dat hebben ze in de kliniek in Bordeaux verzekerd. Ik mag met de trein naar huis. Luc en ik, we liggen in de trein in couchettes naast elkaar. Zijn hand wriemelt zich onder mijn deken, speelt met de tepels van mijn borsten. Zalig. Heerlijk. Ik lééf.                                                              * * *   Later thuis. Eindelijk is het ook bij ons zomer, we leven weer in de tuin. Ik werk aan mijn thesis en speel met neefjes en nichtjes: ‘Gendarm en Dief!’. Enkele gendarmen moeten een groep dieven oppakken: ze tikken ze aan en stoppen ze in het gevang . Wie dief wordt en wie gendarm, wordt door het toeval beslist: iemand van de neefjes en nichtjes  slaat enthousiast op mijn rug  terwijl hij vraagt: ‘Gendarm of dief?’.  Het is een buitenkansje voor de neefjes en de nichtjes: er zijn een paar kleppers bij met flink wat levensvreugde en ze kunnen niet alle dagen zo stevig doorkloppen op de rug van de tante. Op mijn rug. Op de rug van twaalf meter diep en twintig meter verder. Want alles is oké. De specialist in het ziekenhuis thuis heeft massages voorgeschreven en behandelingen met warme klei. Lieve is verpleegster op die afdeling, ze volgt me op. Alles is oké, alles gaat goed: het weer, het leven, de liefde, de ‘slachtoffers’, de nek. De verzekering: Joris treft geen schuld, hij deed zijn inhaalmanoeuvre perfect. Maar de wagen had een klapband, Joris had het gevoeld, wou stoppen langs de kant van de weg, daar lag een hoop grint, de R4 was geslipt en zodoende… Dus alles in orde! Ik ga voor de thesis in september! Alleen: mijn arm begint meer en meer pijn te doen als ik schrijf. En ik schrijf veel: de thesis! Na een paar weken  moet ik zelfs  stoppen met schrijven, gaan liggen en wachten tot de pijn over is. De specialist verstaat het niet , neemt opnieuw foto’s van mijn nek. De ligamenten van de ruggenwervels C4, C5 en C6 zijn gebroken. De ruggenwervels zijn al anderhalve millimeter verschoven. Nog een halve millimeter verder en de zenuwen in de wervelkolom zouden onherroepelijk beschadigd zijn: het hele onderste gedeelte van mijn lichaam zou verlamd zijn.   Donderdag wordt het geconstateerd. Zaterdag lig ik in de universitaire kliniek van Leuven.                                                                 * * *     Eigenlijk is het een draaispit op mensenmaat. Het is  gemonteerd op het karkas van een ziekenhuisbed. Aan hoofd - en voeteneinde twee metalen balkjes, rechtop, een kleine twee meter(?)hoog, acht à tien centimeter dik. Een stuk boven de bodem van het bed is er een opening in die balkjes. Daarin horizontaal, van de ene kant naar de andere, een discrete ronde staaf. Waarop een brancard. Daarop een kampeermatrasje, een  laken,  een hoofdkussen, een bovenlaken, een deken. En ik, de zijkanten van mijn schedel kaalgeschoren. Aan elke kant van het hoofd, in de tussenruimte tussen de twee harde schedellagen, hebben specialisten een soort koptelefoon aangebracht, waaraan een kabel, de dikte van een koord. Die kabel loopt naar een gootje in de top van het metalen balkje aan het hoofdeinde, passeert het gootje, hangt naar beneden, achter het ziekenbedkarkas. Aan die draad hangen gewichten. Elke dag een beetje zwaarder. Zo krijgen ze  de wervels van de ruggengraat weer strak in het gelid. Alleen als de ruggengraat kaarsrecht is, kunnen de losgeslagen wervels opnieuw vastgezet worden. En zal ik geen invalide worden, half verlamd, zoals mijn kamergenote, een vrouw van veertig? vijftig? jaar. Verlamd vanaf de romp. Niet meer gaan, niet meer  staan, tot daartoe, zegt ze. Elke dag drie keer eten. Natuurlijk. Maar daarna de vertering, de stoelgang… Ze moet het me niet vertellen. Ik beleef het elke dag mee. Een kalvarie….   De ruggengraat mag niet bewegen. Niet rechtzitten, dus. Ook niet een beetje. Om te eten. Te wassen. Te plassen. En zomeer. Het wassen, het plassen en zomeer is een gewone ziekenhuis affaire. Maar eten? Twee keer per dag wordt boven op de ene brancard een andere brancard stevig vast geriemd. En word ik omgedraaid. Een worst aan het draaispit op een tuinfeest…   Aan het hoofdeinde is er in de brancard een stuk stof uitgespaard. Het voorhoofd steunt op de brancard, het gezicht is vrij. Ik lig dus op de buik en kan door dat ‘raam’ eten en lezen. Dat is mijn redding: lezen. Tolstoï, Dostojewski, Stendahl, Camus, Flaubert, Daphne du Maurier, Boon, Elsschot. Familie en vrienden brengen zichzelf en de boeken mee. Ze maken afspraken, denk ik nu, wie wanneer aan mijn draaispit zal zitten.  En er is natuurlijk ook Jorismijn lief…       Mijn lief ,   “Nu je daar zo half kaal ligt,  nog half verdwaasd van de verdoving, is het alsof de liefde die je me gegeven hebt de laatste tijd, pas nu volledig tot me doordringt en mij overwint. Ik dronk gisteravond werkelijk vrede en vreugde uit je ogen en je lach. Het is alsof je machteloos liggen, je hulpeloos zijn, mij sterk maken en mij helpen te blokken en goed te zijn en rustig te blijven en mij werkelijk doen leven… Gisteren heb ik nog nagedacht over wat dat nu juist is, verliefd zijn. Iets vreemds is het niet, want dat betekent dat het nieuwe er van af zou gaan. Eigenlijk, verliefd zijn: het is iets anders. Iets dat je samen met allen en alles rond je verandert. Een bekering, zoiets als. Het is een prijsgeven van mezelf, een stuk willen worden van jou en jou als een stuk van mij aanvaarden.  En alle kale hoofden op de wereld veranderen daar niets aan… Frida, zonnekind, prinses… “                                                    * * *               Na drie weken tractie zijn de wervels die het ruggenmerg zouden kunnen beschadigen, terug op hun plaats geschoven . Een meevaller: de chirurgen hadden gedacht dat het zes weken zou duren. Maar deze patiënte is jong en soepel. Ze zouden nu stukjes uit het heupbeen kunnen snijden, via de nek tussen de wervels plaatsen en laten vastgroeien zodat de wervels niet meer kunnen wegglijden. Dat hebben ze al tien keer gedaan. De nekwervels zijn dan wel onbeweeglijk: patiënten kunnen het hoofd niet meer draaien, ze moeten het hele bovenlichaam gebruiken om naar links of naar rechts te kijken. Natuurlijk, dat is een minder kwaad: het gevaar voor verlamming is verdwenen. Maar. Ondertussen zijn er nieuwe stappen gezet in het onderzoek: als de wervels langs de voorkant zouden vastgezet worden, langs de hals dus,  zou de beweeglijkheid van de nek veel groter zijn. Goed, maar hoe geraak je via de hals bij de nekwervels: er is geen zichtbaarheid. Wel, dat hebben de chirurgen in theorie al uitgedokterd: er zouden doorlopend röntgenfoto’s genomen worden van de nekwervels en die zouden geprojecteerd worden op een televisiescherm. De chirurgen zouden dan opereren via het televisiescherm. Ze gaan dit bij mij voor het eerst ook echt doen, stellen ze voor. De operatie is een wereldprimeur. Ze wordt gefilmd.   Wat gebeurt.  Met succes. Nog eens drie weken later word ik uit het ziekenhuis ontslagen. Ik val als ik opnieuw wil lopen: als je zes weken je benen niet gebruikt, zijn het flanellen stokjes geworden.  Maar ik tors vol vertrouwen mijn nek, die van kin tot schouders  ondersteund wordt door een stevige plastic kraag. Beetje bij beetje mag ik hem losmaken en uitdoen. Een paar maanden later, in de lente, wordt een introductie op de wetenschappelijke film opgenomen. En vertel ik met een beweeglijke, slanke hals, hoe ik in een ravijn lag. ‘Dan voel ik de warmte van de zon op mij’ zeg ik. ‘Dat is zo goed, dat doet zo’n deugd: thuis wil het maar niet zomeren.’ ‘Cut!’ roept de regisseur.                                                                * * *     Ik, toen... Frida. En ja, dit is wat de mensen der letteren een keerpunt noemen, denk ik. Een  gedwongen wending in mijn leven.  Alles is druk, zo druk dat er geen verdere gedachte kon zijn over wat mijn andere leven had kunnen worden. Ik was er achter gekomen: ik wil journaliste worden, naar Eindhoven nog een jaar cursus volgen. Maar wat dan met Joris, met Zuid-Amerika. Misschien, misschien – maar haar gedachten werden zo erg dun als ze dit dacht, ze leken nog nauwelijks garendraadjes - maar. misschien. kunnen we trouwen, kan ik meegaan naar Zuid-Amerika; op een langere huwelijksreis. Dan kom ik terug, volg die opleiding, zien we elkaar van tijd tot tijd: het is toch maar voor één jaar… Ik sta te snotteren aan de afwasbak als ik dit vertel aan mijn moeder. Die is boos op Joris. ‘Waarom kan hij niet gewoon zijn militaire dienst doen, zoals je broers gedaan hebben. Maar nee. Als je trouwt, moet je met hem meegaan.’.  Ze is boos. Als je met hem trouwt. De gedachte is dood geboren. Een ander leven voorbij.                                                               * * *   Hoe naïef was je, Frida, hoe onschuldig, hoe onvoorbereid. Ondanks alle cursussen sociale leer van de kerk en sociologie en politieke en sociale filosofieën en ethiek van de pers aan de universiteit, boeken en schriften vol. Hoe je in het kokende bad van de verre wereld werd gegooid – hoe je jezelf er hebt ingesmeten – samen met dat lang stuk halve Jezuïet van je, waar je tot over je oren verliefd op was. Hoe je het dramatische ongeval met de wagen overleefde. Hoe je amper de tijd kreeg om te ademen voordat je, hals over kop, twee dagen nadat je was getrouwd, bent vertrokken naar Colombia, Zuid-Amerika: vierentwintig uur (?) met het vliegtuig onderweg naar dat passionerende, schokkende stuk van de wereld. Een jonge bruid. Je was nog niet eens bekomen van je gebroken nek…je mocht nog maar sinds een paar maanden zonder halsprothese  rondlopen… Tant pis. Ik heb beslist dat ik dit zou schrijven. Ik doe het. Ik beschrijf Frida, toen. Tenminste, ik zal het proberen…                                                                  * * *     Ginder is Frida een gringa. De meeste mensen denken in het begin dat ze uit de USA komt. Want ze is lang,  met grijsgroene ogen en bruin haar. ‘Gringa’ is hier niet onverdacht een eretitel. Ze legt dus altijd uit dat ze uit Europa komt. Uit België. België, waar ligt dat?  Ambèrres – probeert ze dan – Brusèlas. Maar dat slaat zelden aan. Ze moet er Frankrijk bijhalen, Parijs, Duitsland, de Noordzee, Engeland, Londen... Ah, zo! Europa! Bolivar! De onafhankelijkheid!.. Vanaf dan is ze geen gringa meer. Maar dona Frida. Of doctora. Of meer liefkozend: monita. Blondje: alles wat niet ravenzwart is. Het is een geliefd koosnaampje.   Ze heeft nagedacht  over wat ze gaat aantrekken. Jeans en laarzen. Want ze heeft schrik voor de vuiligheid, de modder, de mest, de vliegen, de luizen, de graatmagere  honden, de groezelige handen, de ziektes die in de tugurios krioelen.   Ze zal haar regenlaarzen aandoen en de beige hemdsbloes met lange mouwen, die tot bovenaan goed sluit.  Ze is er bijna zeker van dat ze met vlooien thuis zal komen. Geen luizen. Ze heeft nooit luizen. Ze doet haar ruana niet aan. De hare is van soepele wol: dat trekt teveel de vlooien en is moeilijk te wassen. Ze draagt een trui: deze maand regent het iedere dag driftig één, twee uur lang. Dan is de zon er terug. Maar even kan het koud zijn, op 2 700 meter hoogte:  het is hier winter deze maand.   Ze gaat  mee met Leticia, een vriendin. Leticia is ouder dan Frida – tenminste, dat denkt Frida toch. Ze komt uit een welstellende familie. Ze is sociale assistente bij de Bienestar Familial. ‘ ‘De senorita’ noemen de mensen haar. Ze werkt in deze miljoenenstad met de onderklasse van de allerarmsten: de twaalfduizend straatkinderen jonger dan tien jaar - de  gamines. Ze zijn weggelopen van huis, weggejaagd, het zijn weeskinderen, ze waren teveel, ze werden aan de deur gezet, weggeslagen, op een marktplein achtergelaten. Ze overleven en sterven op straat. Zoals bijna alle kleine mensen, draagt Leticia altijd een ruana van ongebleekte, stroeve wol. Zij is van hier.     Ze gaat op huisbezoek  bij een familie in de krottenwijken, die aan de rand van de stad tegen de geërodeerde bergwand uit de grond zijn geschoten. De twee oudste kinderen, de jongens, acht en zes jaar,  zijn gamines. De twee meisjes, ééntje van drie jaar en ééntje van acht maanden, hangen nog letterlijk aan hun  moeders’ rokken.  Leticia gaat praten met de man en de vrouw: de man heeft de vrouw weer afgeslagen. De vrouw heeft een gat in het hoofd. Haar jongens zijn het komen zeggen.    Ze gaat mee met de sociale assistente. Ze heeft schrik van armoede. Ze heeft schrik van de stank, haar maag draait er van om; ze heeft schrik van dieven; ze heeft schrik van graaiende handen op de bus, die in het ijle zweven, die aan geen lichaam schijnen toe te horen en portefeuilles stelen; ze heeft schrik van lange, gele nagels aan gekromde vingers, die te dicht bij haar polsen komen; ze heeft schrik van niet- zichtbare messen onder poncho’s en ruana’s; ze heeft schrik van veel volk samen; ze heeft schrik van wat mensen doen als ze wanhopig zijn. Maar anderhalf jaar nadat ze hier is aangekomen, wil ze meegaan.   Nu. Nu ze de taal een beetje kent, nu ze verstaat wat er gezegd wordt, nu ze heeft geleerd hoe mensen elkaar hier begroeten, nu ze soms al voelt wanneer ze kan praten en wanneer ze beter zwijgt, nu ze niet meer panikeert als er ratten over de weg lopen, nu ze het verhaal kent van dit land van orchideeën, van anjers, van kolibri’s, arenden, caymanes, papegaaien, van anaconda’s, van koeien, muilezels en paarden, van lulo’s, papayas, aguacates en mango’s, van granaatappelen, van chirimoyas en guayabas, van appelsienen, limoenen, pruimen, kersen en bananen; van jasmijn, mimosa, palmbomen, bouguinvilleas, van katoen- en koffieplantages;  van eindeloze,  gelige vlaktes in de hoge paramos, van de besneeuwde bergtoppen in de Sierra Nevada, van  de eeuwiggroene bergketens van de Andes, van witte stranden aan een  helderblauwe oceaan, van broeierige wouden, van okerkleurige rivieren, van smaragden, van goud, van irridium en olievelden,   nu ze zonder nadenken het verschil kan voelen tussen een cumbia, een san juan, tussen porro, paseito, merengue, gaita,  bambuco, chorope, patacore; nu ze ze ook al wat kan dansen; nu ze de sensuele verleiding kent van sierlijk geheven armen, lage schouders, wiegende heupen,  die iedere stramme westerling in het begin jaloers, gegeneerd weg doen kijken; nu ze ook de afgebeulde mensen verstaat, de geëngageerde doeners, denkers en artiesten, de familienamen weet van de herodiaanse grootgrondbezitters, machtig als despoten, nu ze ook daarin een onderscheid kan maken,   nu ze het weet van de vuiligheid, van het klagende geroep van bedelaars, van de stompjes armen en benen die plots onder haar neus worden geduwd, van het gebonk van lichamen van mensen die in doodse stilte vechten met elkaar; nu ze het weet van de knallen die ’s nachts door de bergen galmen dat het geen vuurwerk is, maar schoten van pistolen en geweren; nu ze het weet in welke bario’s en op welk uur van de dag  ze hoe met wie naar toe kan gaan; nu ze weet wat je moet doen opdat je hart niet zou breken als je ze ziet, de haveloze groepjes opdringerig bedelende kinderen; nu ze gewoon is geraakt aan politiemensen met mitraillettes in aanslag in het midden van de stad; nu ze de droefheid kan verdragen en de haat in de ogen van de mensen kan verstaan; nu ze er klaar voor is, nu wil ze mee. Ze wil het. Ze wil het weten. Ze wil het met eigen ogen zien.   Ze rijden met de bus de berg op zover het kan. Daarna stappen ze op platgetrapte grond, een smalle holle weg voor voetgangers, muilezels en stromend modderwater: se hace camino al andar – denkt ze grimmig.  Ze ziet geen vuiligheid. Ze ziet de grond, wat moet doorgaan voor de muren van de krotten, de golfplaten die bij de gelukkigen dienst doen als daken. Ze ziet niet veel beweging. Ze ziet wat haar vriendin een huis noemt: muren gemaakt van grote platgeslagen benzineblikken, van vermolmde planken, stukken karton en vele gaten, rond een vierkant van drie meter op drie aangestampte grond. Een aarden pot op een paar stenen voor een vuur dat zelden brandt. En overal grond en vuil en grauw. En de moeder.   De indianenvrouw heeft een groezelig vod rond het hoofd gebonden, als iemand met een zere tand in een oud stripverhaal. Ze staat daar niets te zeggen bijna zich te verontschuldigen dat ze bestaat ze staat. Bijna is ze een boom bijna bewegen haar lippen niet bijna vluchten de woorden weg nog voor de lucht  zich met lucht vermengen bijna beklagen zich tanden en tong dat er toch woorden worden gevormd en het verhaal toch wordt verteld van een man die geen werk heeft en geen eten voor zijn kinderen die doet wat alle mannen doen hier in de buurt om niet te zien hoe zwart die elke dag de vrouw de kinderen schopt en slaat als ze ‘honger’ durven denken die met de andere mannen zuipt die niet te spreken is hij kan niet spreken hij kan alleen willen vergeten.    En als ze ziet dat hij stomdronken is en wild en dat zijn ogen gloeien jammert ze vanuit verre tijden het onderdrukte klagen van haar onteerde volk triestig triestig het geluid van een gekwetste duif van een kat op zoek naar haar verdronken jongen van een afgeranselde hond van wind in een verlaten huis.  Het maakt hem razend dat zij hem ziet en weet hij kan niet spreken hij heeft geen macht hij rukt een plank los van de muur en slaat wat hij hoort tot stilte -   maar het gilt het gilt en er loopt bloed over de vrouw en ze heft de baby naar hem op en de baby krijst en hun kleine meisje staat voor de moeder ze houdt zich aan  haar rokken vast en hij gooit de plank met de bebloede nagels van zich af en hij zwalpt weg en het verhaal zwalpt weg het is beschaamd het is vernederd het is angstig het valt stil. Ze jankt nu voor zichzelf alleen. Ze wiegt de baby in haar armen. ‘Padresito’ noemt ze de man terwijl het bloed nog verder druppelt.   Ze scheurt een reep van een stuk stof en legt ze op de wonde, draait ze een paar keer rond haar hoofd. Ze zet zich doodmoe op het bed, leunt tegen de muur, de meisjes in haar rokken. ‘Arme mijn man – denkt ze - padresito’.  Hij is de vader van haar kinderen. Hij heeft het niet bedoeld – ze weet het. Ze weet het vuur dat hem verbrandt.  Maar alles voor haar ogen draait. Zijn het haar jongens die ze ziet? Misschien worden haar jongens anders misschien misschien worden ze thuisgebracht misschien worden ze niet vermoord worden ze niet in het gevang  gesmeten misschien worden ze niet verkracht misschien gaan ze niet aan de drugs want er is de senorita van de Bienestar Sociàl. Misschien gaan ze toch naar de school misschien kunnen ze later lezen en schrijven misschien kunnen ze iets anders doen dan elke dag de dood uitstellen elke dag razen van honger van schuld en van niets weten misschien geven zij  de familie later wel te eten...   Dan weet ze het niet meer. ‘ En nu vandaag bent u er , senorita,  met een gringa. Hoe weet u dat... ‘ Natuurlijk! ‘ Senorita,  waar zijn de jongens?’ vraagt ze.  Zij zijn het,  zij hebben het verhaal bij de buurjongens gevangen. Zij hebben het de weg gewezen tot bij de senorita en ze wil weten hoe het met de jongens is  ze zijn  toch niet ze hebben toch niet   Het kleine meisje is  overal. Ze is een spin: in iedere hoek, voor iedere spleet, voor alles wat een raam of deur zou kunnen zijn  hangt ze een spinneweb;  ze zweeft voor elk dreigend gevaar; ze staat de armen wijd gespreid om alles buiten te houden  te proberen dat het niet gebeurt dat de geesten binnenkomen dat de duivel danst als het vuur onder de ketel wordt aangestoken dat de wind krijst rond de muren van het huis dat de regen de grond onder hun voeten verandert in een modderpoel en alles dreigt weg te spoelen. Ze is een vlinder: ze spint een cocon rond hun huis zodat het niet kan breken.   Leticia zegt Ola, ola, dona Clemenza. Stil maar, rustig maar. Ik kom alleen maar kijken . Nee, nee, ik ken u wel. Hij heeft het niet slecht bedoeld, hij was bezopen. Ik zal niet naar de politie gaan. Of wel? Nee. Dat dacht ik. Ola, dona Clemenza, laat me uw hoofd bekijken. Doe die lap eens weg. De jongens? Ja, ze zijn het komen zeggen. Waar ze nu zijn? Ik weet het niet, ze willen nog niet bij ons wonen, dat weet u. Ze zeggen dat ze een thuis hebben: hier, bij u. Ze gaan nu elke morgen naar school. Ze stellen het eigenlijk wel. God geve dat ze geen lijm gaan snuiven. Niet wegtrekken, ik moet zien of die wonde erg diep is. Hebt u ze al uitgewassen? Por Dios, dona Clemenza, dat gaan we dan eerst doen. Ik heb iets speciaals meegebracht. Het gaat pijn doen, maar het moet. Zo. U mag niet ziek worden, dan zouden de kinderen niemand meer hebben. U moet sterk zijn. En waar is hun vader, don Antonio, ik wil met hem praten. Zeg hem dat hij eens bij ons langs komt, hij weet het wel: bij de Bienestar Familial, op de hoek van de vijfde straat met de Plaza Bolivar. Ik ben er elke morgen van de week.  De gringa ziet vooral de kleuren. Bruin. Grijs. Grauw. De vloer, de muren, de planken, het karton, de vodden op het bed in de hoek, de vrouw, het meisje van twee? drie? jaar: allen, alles bekleed met dezelfde huid, uit de grond genomen. Er zijn ook andere kleuren ziet ze nu.  De platgeslagen verroeste blikken, rood en wit, met blauwe drukletters bedrukt: GASOLINA, benzine. En soms ESSO. Of MOBIL. Het is alsof het huis bij elkaar wordt gehouden  door zeefdrukken van een popartist.  Van Andy Warhol, bijvoorbeeld: zijn reeks ‘Soepen’, tussen de kleur van slijk en wrakhout en de lucht.   Het riekt er naar een stal. Nee, ze ziet geen gat in de grond. Ze hebben waarschijnlijk buiten een latrine gegraven. Het is niet zoals op die trap in het gesloten trappenhuis waar ze één keer toevallig is beland, ook met Leticia, in een meer doenbare buurt, waar de mensenstront en het braaksel zomaar op de overloop lagen te stinken. Ze hoort vooral: dat weinige geluid, dat bijna niets, dat stomme. Ze hoort de onmacht, het te zwak zijn,  te gekwetst, te onderdrukt:  een elegie van kleinkinderen, kinderen, moeders, grootmoeders, overgrootmoeders, generaties aan elkaar geregen in een gevecht met ongelijke wapens in ellende, in honger, in zich schikken in het lot,   De gringa hoort het hoe de moeder voelt dat dit niet is zoals het moet, maar dat ze niet de woorden. het woord.  niet durft te denken, niet onrecht durft, kan denken,  dat ze gevangen is in angst, in slaag. De gringa hoort het verhaal dat siddert, beeft,  dat zich verbergt in de zeven lagen onderrokken van de indiaanse: ze verwarmen de lucht waarin de moeder leeft, ze nemen de geur aan van haar kinderen van melk van grond van mest van stenen van zweet van zaad van bloed; als de onderste rok weer de bovenste wordt, verschijnt het patroon, het enige wat telt: dat ze moet verder leven.   De gringa hoort hier niet. Ze is een indringer, een Peeping Tom, door niemand aangekeken, overal bespied, door iedereen geweten dat je beter van haar afblijft ze is met de senorita van de Bienestar Social ze spreekt de taal bij haar valt niets te rapen ze kent de trukken van de foor. Maar daar denkt ze niet meer aan. De schrik is weg. Want in de hoek waar het bed staat - gelukkig denkt ze ‘bed’ - op het bed,  midden tussen de vodden, tussen de kleur van aardappelen en grond is een nest gebroken wit   en daarin zit een kind. Het is een maand of zes en het is levend, gaaf, de bruine ogen glanzen. Het kijkt rond het zit alsof er niets aan de hand is; alsof niet vijfentachtig procent van de grond van haar land in handen is van tien procent van de bewoners (?); alsof er op de wereld geen klopjacht aan de gang is naar meer en meer en van mij alleen en pas op en we vreten het op we stoppen het in een versterkte kluis nog voor er iemand anders aan kan raken we speculeren ermee op de beurs; alsof er  daarvoor geen oorlogen worden gevoerd, geen mensen worden afgeslacht,  uitgezogen, in slavernij gedreven,  gemarteld, in geheime gevangenissen gestopt, levend in de oceaan worden gesmeten, neergeknald;   het kind zit en kijkt alsof ze is: vanzelfsprekend,  zoals de  neefjes en nichtjes van de gringa, de kinderen van de koningin, het petekind van  Inneke Peeters van op de radio, het nichtje van de president, het kleinkind van mevrouw Jansens van om de hoek; alsof ze even bekoorlijk zal zijn,  even vol  verhalen, met even veel te zeggen later. Het weet nog niet dat voor haar alleen het grauw wordt gereserveerd,  geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst grauw geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst niet niet niet niet niet.   Dat ze dievegge wordt, waarschijnlijk.  Waarschijnlijk zal ze, als ze zes is, met grauwe vodden rond haar lijfje, de haren stijf van vuiligheid, met blauwe wallen onder de ogen, waarschijnlijk zal ze, lenig als een kat, gaan hangen aan het open raam van de auto’s, die stoppen aan het rode licht; waarschijnlijk zal ze haar groezelige handje dreigend onder de neus van de bestuurder duwen en bedelen en terug spuwen en wegspringen als er naar haar wordt uitgehaald. Maar ze rekent er op, de uitgekookte helleveeg, dat de mensen haar iets zullen geven om van haar af te zijn: ze heeft de lagere school van wie in bittere armoe leven al doorlopen. De hogeschool is drugs en afpersing en moord en prostitutie. Dat komt later- dat denkt de gringa toch.   En de gringa kan haar niet oppakken en meenemen ver van dit grauwe krot haar hart is nog niet groot genoeg het moet op deze grote hoogte nog dieper leren pompen en ook het kan niet want ze kan niet alle kinderen en dit kind heeft nog een moeder met zeven rokken en een vader die naar huis komt en een zus en twee oudere broers. Misschien als die jongens er in slagen misschien heeft ze dan de Bienestar Familial of de Beneficencia  en kan ze leren. Ze heeft dus nog heel veel ze is niet uitgemergeld nu nog niet ze ligt nog niet roerloos met opgezwollen buik langs de kant van de weg onder een mimosaboom. Ze is springlevend en kijkt rond. En je zou wel willen dat ze gelukkig wordt maar je weet dat ze geen toekomst heeft ze is gebroken wit tussen zoveel grauw ze is onwetend tussen tekort aan woorden die onbekend wensen te blijven die niet willen bestaan ze heeft geen ze is opgeschreven ten   Als de gringa terug thuis is, stopt ze haar kleren onder water. Ze neemt een douche. Drie vlooien springen van haar weg, spoelen met het water de afloop in. Ze trekt nieuwe kleren aan. Ze zet zich neer. Ze weent. Het is avond. Het is zwart.    Toevallig leest ze kort daarna een artikel in een vroom blad. Er staat een reportage in van een pater. Ook hij ging op bezoek in een krottenwijk. Hij zag er een familie met een gezonde baby. Hij schrijft dat de baby een bloem is op een mesthoop.   De tranen springen haar van woede in de ogen. In haar verbeelding huilt en tiert ze tegen hem. Ze valt hem aan, ze wil hem slaan, altijd opnieuw als ze aan hem denkt. Mesthoop! Don Antonio, dona Clemenza, het dappere meisje, de gevluchte broers: een mesthoop! Ze gooit hem buiten. Ze zet geen voet meer in zijn kerk.     * * *     En aan zulke mensen mag ik les geven! denkt Frida.  Ze houdt zich een beetje op de achtergrond, ze kijkt rond, ze zal wat hier gebeurt vertellen aan Edward, een vriend van haar die nu ontwikkelingswerk doet in Zaire.  Zijn laatste brieven klinken zo pessimistisch. Dit zal hem opvrolijken. Ze ziet ze discuteren, wandelen, lachen, de dertig mannen en vrouwen, syndicalisten, studenten, mensen uit de arbeidersbeweging, jeugdwerkers, nonnen, pastoors. Haar studenten! Mensen die ervaring hebben in de sociale strijd. Zoveel moed, liefde, idealisme bij elkaar! Zij geeft hen een theoretische inleiding tot de politieke wetenschappen! Stel je voor! Een onnozele geit is ze, vergeleken met hen.  Ja, ze heeft het vereiste diploma. En ja, ze spreekt  een aardig mondje Spaans: taxichauffeurs vragen haar of ze uit Chile komt, of uit Argentinië. Maar wat betekent dat in vergelijking met… Maar ze hebben haar aanvaard. De Jezuïeten die dit instituut hebben opgestart, de mensen die er werken, de studenten. Misschien dat ze het voelen, hoe alles in haar in opstand komt  tegen hebzucht, machtswellust, onrecht. Dat ze oprecht is. Misschien heeft ze een voetje voor, juist omdat ze zo jong is, een vrouw, nog een meisje haast, amper zesentwintig, onervaren. En willen ze haar bijbrengen hoe deze wereld achter de schermen echt functioneert…    Als ze met haar alleen zijn, vertellen ze hun verhalen. Ze brengen ze mee uit Nicaragua, Mexico, Honduras, San Salvador, Santo Domingo, Venezuela, Bolivia, Paraguay, Argentinië, Peru, Ecuador, Colombia. Ze spreken over wat hen bezielt. Er leeft zoveel hoop in dit continent, op dit moment.  De prachtige dansmuziek, hun ritmes, de weemoedige liederen beginnen zich te verspreiden. ( ook hier: concrete namen ?) Gabriel Garcia Marquez schrijft zijn Honderd Jaren Eenzaamheid. Mario Vargas Lloza, Jose Maria Arguedas, Jorge Isaacs, Miguel Angel Asturias, Julio Cortazar, Jorge Luis Borges, Pablo Neruda: hun gedichten en boeken brengen Zuid-Amerika tot ver buiten de eigen grenzen.  En de droom van Salvador Allende, die volgend jaar de eerste democratisch verkozen socialistische president van Zuid-Amerika  kan worden… Ze heeft het hele continent, de mensen, hun manier van doen stevig in haar hart gesloten.   Ze probeert het te beschrijven in de brieven naar huis. Ze heeft nauwelijks heimwee – wel schrik, soms, en veel verdriet. Dan doet het deugd als ze er aan kan denken dat Joris geen militaire dienst wilde doen en dat zij mee was gegaan: make love, not war; aan de vele vrienden die ze hier hebben. En dat ze hier dat instituut gevonden heeft. Hoeveel ze hier leerde!   Ook op bijeenkomsten zoals deze. Ze zijn  een paar dagen op stap met de hele groep: studenten, secretaressen, schoonmaakster, docenten, directeur. Het huis (een pensionaat? een seminarie?) waar ze verblijven, ligt in clima café: een gordel in de bergen, zo’n 1500 meter hoog, met een klimaat als aan de Middellandse Zee, het hele jaar door. Hier worden koffiebonen gekweekt met het heerlijkste aroma, de open, warme lucht spant zijn verleidelijkste blauw over groene palmbomen, groene koffieplantages, oranje, gele, roze, rode, blauwe, paarse bloemen, over lustige beken, over vriendelijke wegen, over witte huizen en boerderijen  met grote terrassen.   Ze zitten op zo’n terras. Het is avond, hier de kleur van warme zomernacht. Prachtig toch, denkt ze, hoe dat hier gebeurt: wachten. Geen zenuwen, geen ongeduld. Hoe ze hier omgaan met de tijd. Tijd is niet de dwingeland van hun leven. Ze houden hem in toom, ze laten hem passeren, bepalen zelf wanneer hij gekomen is. Klopt dat niet met de tijd van de tegenspeler? Geen nood. Je kan zoveel doen in de tussentijd die wachten is, het leven is zo rijk. Je kan praten, bijvoorbeeld, kennismaken met de mensen in de buurt. Je kan een cafésito drinken, kijken wat er rondom zich afspeelt. Als het echt belangrijk is dat je iemand ontmoet, wacht je gewoon. Dat loont dan de moeite, toch? Het heeft geduurd voor ze dit begreep, voor ze dit kon denken, voor ze dit  kon uitleggen in de brieven naar vrienden en kennissen over de oceaan.   Ze ziet de Mexicaanse studente, Malva, in de weer met Pacho, de Venezolaan. Pacho heeft van tijd tot tijd een aanval: hij schreeuwt, krimpt in elkaar, houdt de armen afwerend voor zich uit, zijn ogen zijn verwilderd en hij ziet weer de militairen op hem afkomen die hem zullen martelen tot hij de namen zal geven van de makkers die mee de stakingen en betogingen hebben georganiseerd.  Een beetje verder staat German. Hij is één van de twee Argentijnen in deze cursus.  German eet soms nauwelijks, drinkt  dagenlang alleen maar botermelk. Hij heeft een maagzweer, al van toen hij als student scherp in de gaten werd gehouden door de geheime politie, omdat hij druk bijgewoonde vergaderingen organiseerde over het werk van Dom Helder Camara in Brazilië, of over  bisschop Romero in San Salvador, of over de Katholieke Universiteit van Leuven, in België, in Europa, waar vele Latijns- Amerikanen de ideeën gingen bestuderen die daar werden onderwezen over onderdrukking, over sociale rechtvaardigheid en de relatie met de boodschap van bevrijding in de bijbel.    Het is op die German, de gaucho, dat ze wachten. Hij zal deze avond een malamba dansen,  een traditionele gaucho-dans uit zijn geboortestreek. Hij staat nog te praten met de andere Argentijn. Die zal de bongodrum bespelen.  Ze omhelzen elkaar. German stapt naar het midden van de cirkel. De bongo zoekt zijn weg, vindt een droge,  krachtige slag. German heft de armen. En danst.    Frida ziet: dit is geen gewone dans van hier. Hier gaat het  niet om het plezier van het dansen, om het wiegen van heupen, het draaien van schouders, het bewegen van benen, armen,  handen, vingers zoals aangeleerd vanaf de tijd aan de moederborst. En soms, maar dat had ze nog niet dikwijls meegemaakt, de magie van twee lichamen die naar elkaar gezogen worden, waarvoor iedereen plaats maakt en die plots als enige nog dansen in het midden van de kring, door iedereen bewonderd of met afgunst bekeken.    Deze dans is anders.  German danst. Hij danst beelden in de hoofden van wie hier zit en eerst zijn het beelden van indianen die als slaven moeten werken voor de grootgrondbezitter, beelden van gamines, van een dona Clemenza een don Antonio in grauwe tugurios, ze ziet het kind in een nest gebroken wit ze voelt haar hart ze verstaat niet wat hier gebeurt ze is weer een vreemde ze kent dit niet ze is verward hier wordt toch alleen maar gedanst haar ogen zoeken German en ze ziet ze hoort hem bewegen niet als een balletdanser, daarvoor is hij te struis ze ziet zijn soepele, sterke lijf, zijn laarzen die de vloer betasten, de grond, de aarde, la tierra madre, die hem de kracht geeft om op te springen, als op en af een paard in volle galop;  om met de handen op de dijbenen en met het geroffel van de bongodrum het beeld te dansen van de gaucho:  de man die niet wil eten uit de hand van de despoot; hij danst dat het kàn, dat het bestaat dat de mens zijn trots behoudt dat je daarvoor een prijs betaalt zoals de gaucho hij is de eenzaat, hij is een vagebond, een paard is het enige wat hij echt bezit, de eeuwig groene grasvlakten van de pampas zijn zijn thuis maar het kan. German getuigt hij ìs de gaucho, vrij, nobel, genereus, een man van weinig woorden, trots, betrouwbaar, solidair. Hij vecht als hij wordt geprovoceerd. Hij trotseert. Hij is de leider nu hij danst, de armen krachtig gespreid, hij neemt iedereen mee, drukt iedereen aan het hart, hij roffelt met de hielen, de bongo volgt hém, hij bakent de ruimte af die hij nodig heeft, drukt er zijn stempel op, tekent haar, betekent haar: het kan!    De finale.  De knieval in de richting van de maan en de sterren. In de richting van waar de toekomst ligt. In de richting van waar de vrouwen zitten. In de richting van Frida.     En ’s nachts de serenade.  De krekels tsjirpen uitzinnig. Alles geurt. Onder haar slaapkamerraam, een gitaar. Een hoge tenorstem, zijn stem. Ze streelt het duister van de nacht, weemoedig. ‘Quando tu te habras ido, ya volveran las sombras...' ‘Als jij weg zult zijn, zullen de schaduwen opnieuw tevoorschijn komen...’ ‘We moeten het licht aansteken,’ fluistert haar kamergenote. ‘Doodstil blijven. En luisteren.’                                                              * * *               Ze verstaat het niet. Ze is verliefd. Op het prachtige land, wil ze denken. Op de mensen,  wil ze denken. Op German, weet ze. Ze verstaat het niet. Het zal toch niet, dat één romantische nacht haar zover krijgt dat… Het gaat wel over, rationaliseert ze. Zo snel als het gekomen is.   Het gaat niet over. Het gaat nooit over.                                                               * * *   vervolg zie bis    

versta
0 0

Seks en zo meer. Ik wil

                                                         Seks en zomeer.                               Ik wil.                                                                         vera staes.           Seks. Ja. Seks. Natuurlijk zou ik daar mee kunnen beginnen. Wat een bres er in die jaren zestig is geslagen in onze manier van elkaar bekijken, beluisteren, strelen, naar elkaar te verlangen, te vrijen. Hoe je vòòr die dijkbreuk bij overtreding van wat mocht niet mocht, je zonder slag of stoot werd buiten gebonjourd.   Zoals dat klasmaatje dat al een tijdje de binders van haar lichtblauwe geruite schort los liet hangen. Ze vond dit mooier, zeker? Wisten wij veel. Op een dag kwam ze niet meer naar school. Haar schriften en haar boeken werden weggehaald. Er werd van hogerhand geen commentaar gegeven. Van school veranderd, dachten we. Of was ze  verhuisd, woonde ze te ver om nog in `t stad te geraken? Later hoorden we het van elkaar: ze was in verwachting. Over en out. Ze bestond niet meer.   Als een lichte zomerregen begon de pil in het sociale weefsel door te dringen. Maar paus Paulus de zesde, de pillenpaus, proclameerde voor de hele wereld (dat het voor de hele wereld was: dat dacht hij, dat dachten wij toen ook nog): het condoom, de pil: verboden!   Op de proclamatie aan het einde van het schooljaar, zongen wij, leerlingen van het laatste jaar klassieke humaniora, in uniform, op het podium, gniffelend, dat we een jeugd van maagden wilden zijn. We dansten rock-‘n-rol.       Maar is dit de juiste weg? Moet ik het – nu al – moet ik het met jullie, voor jullie, al hebben over die seks-tant? Er is in de sixties en de seventies zoveel gebeurd. Belangrijker? Who knows. Maar vooral: het gaat hier niet over wat IK wil of wat JIJ graag zou weten. Het gaat over ZIJ. Hoe laveerde ZIJ door die jaren? Waarvoor liep ZIJ te hoop? Ik sluit de ogen en ik weet het weer. Duidelijker dan toen. De tijd geeft mij begrijpen, toont mij het hele schilderij: de jaren zestig, zeventig. En ZIJ. Toen.   * * *   Toen registreerde ze sommige dingen en klasseerde ze zonder meer op de zolder van haar geheugen. Ze voelde dat het belangrijk was, ongewoon. Ze plakte er geen naam op, zag niet waar het naartoe ging. Maar het was er. Het hing in de  lucht, lag te wachten in de platenbakken van de mediatheek –wat een uitvinding- thuis keek het je aan op het televisiescherm, of vanaf de nieuwe zetels in Scandinavisch design.  De Amerikanen stemden de jongste verkozen president ooit het Witte Huis binnen, ze briesten bij het zicht van Cuba, Fidel Castro, Che Guevara, kwamen massaal aangezet in Zuid-Vietnam. Er ging bij haar geen licht op.     De Congolezen dansten het triomfantelijk, jaren geleden al: ‘Indépendance, chachacha! Indépendance, chachacha!’. Er werd door de volwassenen met interesse over het fenomeen  gesproken. Maar zij was nog te jong, toen. Nu, aan de unief,  kwam ze het tegen in de boeken van Sartre, van Camus, Simone de Beauvoir. Het zwierf rond, het werkte. Het deed met haar zoals Vietnam deed met de USA. Het kwam haar leven binnen, verspreidde zich onderhuids, oncontroleerbaar, verstoorde waar ze mee bezig was, bepaalde op de duur naar welke fuiven ze ging, hoe ze zich kleedde, zich coiffeerde, waarover ze praatte, waar ze winkelde, welke vrienden ze zag.   En dan was er dat incident. Een bijeenkomst van studenten over de politiek van Noord Amerika in Zuidoost Azië. De Amerikaanse ambassadeur nam het woord. Iedereen luisterde, geïnteresseerd. En opeens, van tussen de studenten, was er de stem van een vrouw die luid een verhaal riep over napalm, ontbladering, bommentapijten. Twee forse mannen verschenen vanuit nergens. Ze tilden de vrouw op,  droegen haar buiten. Ze riep verder. 1966. Een vergadering in een studentenclub. Ze begon het zich te realiseren.   En er was de kwestie Leuven Vlaams. ‘Wàlen buìten! Wàlen Buìten!’. De stemmen van duizenden studenten botsten tegen de gevels van de statige gebouwen. De gevestigde machten gingen overstag: de boeken van de grote bibliotheek werden in twee gedeeld, de walen verhuisden naar Louvain - la Neuve! Met Bob Dylan en Boudewijn De Groot zongen we triomfantelijk :        Kom vaders en moeders, kom hier en hoor toe. Wij zijn jullie praatjes en wetten zo moe. Je zoons en je dochters die haten gezag, je moraal die verveelt ons al tijden. En vlieg op als de wereld van nu je niet mag, want er komen andere tijden.   De streep is getrokken, de vloek is gelegd op alles wat vals is en krom en onecht. Jullie mooie verleden was bloedig en laks. Wij zullen die fouten vermijden. En de man bovenaan is de laagste van straks, want er komen andere tijden.     Er werd gedacht, gediscussieerd, het broedde. Maar nergens schreeuwde het al op een muur: ‘DE VERBEELDING AAN DE MACHT’. Nog nergens was het mei ’68.   * * *         Nee! NEE! En nog eens NEE! Mei 68! Ik voel het al komen. De oorlogen, wereldwijd, de flower powerbeweging, het anti-autoritaire denken: de Grote Principes van Deze Tijd. Ik wil het er hier niet over hebben.  Daar werden al zoveel woorden aan vuil gemaakt, soms ben ik het zat. Het gaat hier om een autobiografie! En trouwens, een overzicht over die oorlogen en zo, dat is fout: dat is een opsomming. En opsommingen kùnnen niet. Dat leest te moeilijk. En het is te abstract. Wablief, te ABSTRAKT? Een meisje, negen jaar oud, naakt,  schreeuwend, zonder vader, zonder moeder, dat vlucht uit haar dorp dat met napalm werd bestookt, bommen die een wijk in de stad van het ene moment op het andere in een hel veranderen, honderden doden. Te abstract? De campings in de Haute Provence, die in de zomer her en der enthousiast uit de grond schieten, waar mannen ongegeneerd hun edelste delen blootgeven, vrouwen op de place publique vrolijk hun kinderen de borst geven; die zorgvuldig hun schaamhaar, hun oksel-en hoofdhaar coifferen. Te abstract?   Nee, dus. Maar toch: dat is geen autobiografie. Mijn protagonist, mijn hoofdpersoon, ziet nog niet de grote lijnen, kan wat er gebeurt nog niet in abstracte woorden vatten. Ze kan het nog niet beseffen. Ze zit in het tweede jaar unief. Ze studeert graag. Ze heeft een warme thuis. Ze is gelukkig. Ze is naïef. Wat zeggen ze, die studenten op de achterste rij?   * * *.   Trouwens, wat zit dat meiske daar te doen? Welk meiske? Die por daar, op de tweede rij. Ja zeg, zeveraar! Er zijn maar twee rijen porren: de twee voorste. Ik vraag me af: zouden die nu nooit eens goesting hebben om mee hierboven bij ons, op de tweeëntwintigste rij te komen zitten? Dan hebben ze tenminste een overzicht. En wij interessante compagnie. Veel gezelliger, toch? Enfin. Wie bedoelt ge nu eigenlijk? Hewel, die por daar met dat bruin haar en die groengrijze ogen. Ah, die! Een toffe griet, hé man. De Soi zegt dat ze op Audrey Hepburn trekt. Dat zal de Soi wel zeggen over -en liever nog aan-de helft van alle porren hier in Leuven. Die meiskeszot! Zie ze in de weer zijn met haar cursus! Die wil er werk van maken, hé. Ze zou beter haar best doen om een lief aan de haak te slagen. Ze gaat nog altijd met niemand. En ons vader zegt, dat meiskes enkel en alleen naar de unief komen, om een goede partij te vinden… Wat zou ze studeren? Rechten? Psychologie? Weet ik veel. Maar als ge er zo curieus naar zijt, waarom vraagt ge het haar niet zelf? Schrik, manneke? Durft ons Kareltje niet? Onnozelaar. Nee, zeg. Maar ik heb gehoord dat ze zo serieus is. Ze gaat nooit op de lappen. En als ze al eens naar een thee dansant gaat, is het samen met die vriendinnen van haar: niet gemakkelijk om er u tussen te wringen. Nochtans, Kareltje, nochtans… ze zit op het eerste meisjeskothier in Leuven zonder kotbaas of kotmadam! Negen porren, hun eigen baas! Als ge daar een voet in huis zoudt krijgen… Laat het uit, zeg! Véél te serieus voor mij! Als ze uit gaat, is het naar het theater of naar een concert. Of naar die mannen van de kleinkunst. Naar Louis Verbeek. Of die zanger, Miel Cools. Of Hugo Raspoet, … Ge weet toch dat Hugo Raspoet verleden week ladderzat in de grote aula op het podium stond? De aula zat vol – uw vlam daar was er ook, ik heb ze gezien. Ge zoudt u voor minder een stuk in uw kraag drinken als ge moet staan zingen voor zo’n vijfhonderd man… Maar die Audrey Hepburn hé, die zit elke week in den Bellarmino. Dat is dat studentencentrum van de Jezuïeten. Ze gaat daar naar een vergadering, gesprekken over onderontwikkelde landen, allez, de missies. Hebben ze mij verteld. Ziet ge mij al zitten? ’t Is spijtig, het is een toffe griet, zo te zien. Maar ik ga ‘s avonds toch liever een pintje pakken in den Boule d’Or. …   * * *    Daar gaat ze… En het is weer hetzelfde. Schrijven is tricky voor mij. Ik weet niet altijd klaar en duidelijk het onderscheid te maken tussen ik en zij. Schrijven neemt me mee naar schemerplaatsen in mezelf, naar gedachten, naar gevoelens, die er wellicht altijd al waren maar waar ik nog nooit zo scherp mee geconfronteerd ben geweest.  Maar laat ik hààr nu maar volgen. Laat ik hààr aan het woord. Dan kan ik mezelf even vergeten… Zo was ze dus.     * * *   ‘Het is het licht - denkt ze - dit schemerlicht. Alles is erin verzopen.’  En ze stapt het lome weer in van eerste warme zomerdagen. Zalig, hoe ze zomaar, zonder jasje, zomaar, in haar jurk, met blote armen, met blote benen door de stad kan wandelen, denkend, voelend, bijna blindelings, bijna op de tast    Hoe ze vervuld is van waar ze daarjuist nog over praatten. Dat alle mensen gelijk zijn. Dat je zelf toch wéét dat je het beste voorhebt met de andere. Je buurman ook. Dat hij zou reageren als jij, tenminste, als hij voldoende vertrouwen had. Maar dat ons eeuwen en eeuwenlang werd aangeleerd en ingeprent dat een mens zelfzuchtig is, een wolf voor de medemens. En dat we dus wantrouwig zijn tegenover elkaar en agressief. Dat we niet beter weten.   Maar dat het anders zou worden. Zij, de jongeren van nu, zij zouden hier mee breken. Ze zouden anders gaan leven, radicaal. Zij zouden kiezen voor de liefde. Love and Peace. Geen saaie conventies, geen verstarde instituten zouden hun leven beheersen. Geen oorlog meer, geen legerdienst: burgerdienst. Of helpen in ontwikkelingslanden. Niet domineren.   Ze zouden houden van alle mensen, zonder onderscheid van rang of stand of kleur. Haar leek dat vanzelfsprekend. Houden van was bij haar ingesijpeld langs wat ze had gevoeld, langs wat ze had gezien, gehoord en meegemaakt, hoe de mensen rondom haar, en toen ze het in de boeken las, en toen ze merkte hoe iedereen er naar, en wat straal je zo vroegen haar vriendinnen maar ze wàs niet verliefd op Jules of Jef, ze was verliefd op leven. Zalig. Zoals vanavond.   Hoe ze hier stapt. Nooit nog zal ze zo gelukkig zijn – dat voelt ze en ook nu al het heimwee van later. Naar deze tijd dat ze is, vertroeteld, aangemoedigd, draagster van verwachtingen, die van zichzelf, die van anderen, nog niemand gefrustreerd - ook niet zichzelf - door de gemaakte keuzes. Alles is mogelijk. Ze is alles in allen. Nu.   Ze wandelt, ze stapt het ritme, ze stapt voorbijglijdende tijd, onaangedaan, als het tikken van een klok van vroeger, het druppelen van een lekke kraan, onbezorgd genoeg om houden van te laten overstromen, iedereen, alles mee te sleuren, te omvatten. Het ligt als dauw in haar ogen, ze absorbeert het, straalt het uit. En ze geniet. Van elke stap. Van het geroezemoes op de caféterrasjes. Van het gelach uit de open ramen van de studentenhuizen. Van de idee dat god liefde zou zijn en dat Alle Menschen Brüder werden.   Hij is de donkere vlek aan een raam op de tweede verdieping. Hij ligt buiten haar ritme, buiten de kadans van haar benen, buiten wat ze denkt en voelt. Buiten. Ze komt hier rond dit uur bijna elke avond voorbij de laatste tijd. Ze heeft een kamer in het studentenhome voor meisjes, twee straten verder. Hij is haar gevolgd.   Hij haat haar. Ze is vandaag begeerlijker dan alle andere avonden. Alles is anders deze avond. Het is het weer - denkt hij. Die ongewone warmte. En dat stuk ongeluk daar in zijn broek, dat niet kan wachten en hij ook niet. Hij weet niet hoe je het hier kan aanmaken, hij heeft al veel te lang gewacht. Hij weet niet hoe hij hier... hier in dit regenland, zo stijf en koud en grijs en ontoegankelijk.   De hete teef zie ze daar lopen met haar chique kleren en haar nonnengezicht zie ze draaien met haar kont ze vraagt erom ze daagt uit wil laten voelen nee ik heb geen koorts maar wijven van haar soort...   Alle Menschen werden Brüder... mensen positief benaderen. Ze hebben er al zo dikwijls over gediscuteerd. Ze ziet het gebeuren, zich verspreiden als stuifmeel in de lente, als een melodie die kabbelt, samenkomt met andere stemmen, ondersteboven wordt gekeerd, in harmonie terugkeert. Houden van.     En ze fêteert haar negentien jaar, ze stapt de straten door alsof ze op een catwalk loopt, vrijend, met alles, met iedereen, tot alles bereid voor iedereen gekruisigd dit moment, deze zomeravond, alsof het een intrede in Jeruzalem is, een wake in een hof van olijven, een vers uit een Hooglied: wie is zij die daar komt als het rijzend morgenlicht, heerlijk als de maan, schitterend als de zon, geducht als een leger in slagorde geschaard.   En dan weer die melodie, de cello’s die natrillen op de plaats waar zij haar voeten heeft gezet en die smeken om piëdad, om mededogen met de wereld, met iedereen met vergeef ons onze schulden en misschien zong de muziek voor niets misschien was het al te laat maar dan was het beter te laat met grootmoedigheid met vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren en dan kunnen we daarna opgaan misschien in de mist in de stralen van de avondzon in I had a dream in de muziek der sferen.   ‘Hoerenjong’ denkt hij. ‘Ik zal je hebben ik zal je leren ik zal je laten voelen hoe die van jouw soort deden toen we gevangen waren, hoe ze Marissa, hoe ik moest toezien hoe ze na elkaar op haar kropen hoe ze haar kut hebben opengereten en haar lippen stukgebeten. Ik zal je – vloekte hij - ik zal je...’ En toen Marissa bijna niet meer reageerde, toen hun plezier voorbij was, hadden ze haar doodgeschoten. Hij was gevlucht.  ‘Maar ze moest niet denken dat... Ik zal ze ... Ik zal ze...’   Geluk. Wat is geluk. Ze hoopt er op maar voelt dat het misschien anders is. Misschien is er geluk met ander soortelijk gewicht. Zwaarder. Moeilijk. Verdrietig soms. En ook hemelhoog. En stralend. Niet alleen moeder en kind. Ook zo’n melodie maar met boven-en ondertonen. Polyfonie. En dat het niet vergeefs zou zijn. Dat ze wou afzien – als het moest. Maar dat ze ook zou krijgen. Dat het Im Ganzen in evenwicht zou zijn. Dat de muziek zou blijven stromen, sotto voce soms, in mineur waarschijnlijk, maar altijd muziek. Altijd leven.   Ze is er nu bijna. Nog deze straat door. Het licht is gekanteld: het is donker. De straat is leeg. Het loopt niet gemakkelijk met hakken op de kasseien.  Bakstenen muren aan weerkanten van de straat. Aan de ene kant een meisjescollege, aan de andere kant een kloostertuin. Allebei eeuwenoud, binnen de eigen muren gevangen. Verlaten op dit uur. Ze ziet de schaduw niet die zich losmaakt uit het zwart van de muur, als nauwelijks een zuchtje wind waar zij nog juist daarvoor bewoog.    Het is nu echt donker. En fris. Ze rilt. Het loopt door haar hoofd wat haar doopmeter haar verleden zaterdag vroeg: ‘Heb je er al eens over nagedacht, Frida, wat je voor jezélf zou willen? Zonder al die sukkelaars die je zou willen helpen en die je zullen opeten? Je gaat toch niet naar ’t klooster gaan, zeker? Je wordt toch geen non? Nee. Gelukkig. Hewel, wie wil je dan zijn, binnen, pakweg, tien jaar?’. Zo was ze, die meter, ze nam geen blad voor de mond. Zeker niet als haar moeder er niet bij was. Ze heeft er over nagedacht de voorbije dagen, jawel. En het antwoord is: nee. Ze weet het niet. Zijzelf? Wat ze wil worden? Wie zal het zeggen? Wìl ze iets worden, gewoon, voor zichzelf? Verrek! Het was zo’n volmaakte dag. En nu loopt ze weer te  piekeren! Wat waren die prachtige verzen van Goethe weer? Über alle Gipfeln gibt’s Ruhe... denkt ze. En ook, met zoet verdriet, als bij liederen van Schubert, nocturnes van Chopin, dat haar vriendinnen nu bijna allemaal met een lief rondlopen en zij niet  en dat ze zo alleen is en zou ze ooit...  Ze is nu bij de stenen brug en de vervallen watermolen, een eenzame plek - bizar, zo in de stad. Het was hier altijd al buiten de muren, onbeschermd gebied, ook in de middeleeuwen. De straat splitst: rechts haar studentenhome, links brakke grond. Ze is midden op de brug. En spert de ogen open voelt weet paniek vingers die langs haar slapen fladderen als vleugels van een mot rond het licht van de lamp een hand die tast naar haar mond een arm die probeert haar vast te klemmen haar lijf reageert  ze glipt uit de armen rent de straat van het studentenhome in schreeuwt attention je crie tu sais weet  ziet de schaduw die de straat van de brakke grond in loopt.   Ze heeft dit nooit verteld, aan niemand.    * * *   Een week later, amper een week later staat ze op de hoek van de straat van het museum en het zonnige plein voor de bibliotheek.  Alles gaat zijn normale gang: wandelaars, fietsers, auto’s, duiven. Ze wacht. In de schone maand van mei, jochei! Ze wacht. Verrukt. Opgetogen. Ze wacht op HEM! Op de student waarvan ze deze morgen een brief heeft gekregen.  Ik heb je lief- had hij geschreven. Ik heb je lief met alle verwarring die daar normaal blijkt bij te passen. Verwarring waaruit ik alleen toch niet kan komen. Conclusie: jij zult er mij moeten uit helpen. Verontschuldig mij voor dit bevel: ik zie me tenslotte verplicht jou voor het dilemma te plaatsen waarvoor ik zelf sta.   De eenvoudigste manier om mij te bereiken, is te bellen naar het nummer 28 83 52. Jouw zwijgen is mij een teken, evenveel waard als je spreken.   Ze kende hem van de vergaderingen over ontwikkelingslanden, over het engagement van christenen in deze tijd. Ze vond hem toen, nee, ze dacht toen, nee, ze vond, nee, ze voelde zich, nee, ze dacht dat dàt een man was, ja, daar zou ze, hij was, hij had iets wat haar aantrok, nee, niet iets deftigs, iets voornaams, hij was iemand interessant, hij had een lage, zware stem die verstandige dingen zegde, hij maakte indruk maar hij was helemaal geen Streber, met zò iemand, op zò iemand zou ze verliefd kunnen worden. Het stak de kop op maar ze sabelde het dadelijk, genadeloos neer – haar moeder… Maar nu had hij die brief geschreven en ze was dadelijk  himmelhoch jaugzend en ze hadden een afspraak gemaakt om dit uur en op deze plaats . En daar stond ze en de lucht is blauw en ik hou van jou en boordevol verwachting en hoezo hij was er niet hoezo hij is te laat iedereen kan wel eens te laat komen dat is toch geen ramp en de lucht is blauw en ik hou van jou en zie nu toch die duiven hoe gulzig en schrokkerig en de lucht is blauw en ghequetst ben ic van binnen en hij is al zoveel te laat en het zal toch geen grap en ghequetst ben ic van binnen ghequetst so lanc so meer en de lucht is blauw en schrokkerig en daar is Jos op de fiets, hij heeft zijn zwarte jezuïetentoga met fietsspelden vastgeklemd, hij komt zeker weer van één of andere vergadering over ontwikkelingslanden en      ‘Frida, alles goed?’ ‘Dag Jos. Ja, dank u. Ik sta hier te wachten op iemand. Maar hij is een beetje laat. Nu toch al een kwartier. En…’ ‘Frida, jij bent toch niet op Joris aan ’t wachten?’ ‘Jawel. Hoe…’ ‘Snel. Ik ga hem halen. Ik heb hem juist nog gesproken. Hij staat een straat verder te wachten. Ook op iemand. Op jou, dus. Ik ga hem verwittigen dat jij hier staat.’   Jos stapt op de fiets en crost weg. En zij wacht opnieuw verblijd en Ic en kan gerusten dach noch nachte en ze grinnikt ze lacht opgelucht en daar is Joris daar komt HIJ, ze lopen naar elkaar toe en gooien zich in elkaars armen en de voorbijgangers glimlachen en het licht omstrengelt hen als klimop de bomen en ze lachen hij verontschuldigt zich hij heeft zich van straatnaam vergist en ze plaagt hem hij hoeft zich niet te verontschuldigen maar nu heeft ze levenslang permissie om te laat te komen op afspraken met hem en zijn handen strelen haar haren en die blauwe ogen achter die donkere bril zijn zware lippen op de hare en ze zoenen en dat is ambrosia wat vloeit mij aan uw schedelveld is koelder maan en alle appels blozen…          * * *     Er is het beeld van de twee bomen. Ze komen recht op mij af. Dan is er niets. Dan is er helder licht, ginder ver. Ik kom er langzaam dichterbij. Dan is er niets. Dan voel ik de warmte van de zon op mij. Dat is zo goed, dat doet zo’n deugd: thuis wil het maar niet zomeren. Dan is er niets. Dan zegt iemand naast mij - in het Frans? in het Nederlands? - dat ik stil moet blijven liggen, dat de ziekenwagen onderweg is. Dan weer niets. Dan vloekt iemand naast mij, boos: ‘Merde! Espèce de cochon! Il ne veut pas nous laisser passer!’. Ik lig in een ziekenwagen. De sirene loeit. Dan is er weer niets. Dan lig ik op een hoog brancard-bed, in een grijze kamer zonder ramen. Er brandt neonlicht. Ik lig in een kliniek, denk ik. Dan weer niets meer. Dan is Lieve, mijn oudere zus, bij mij. Ze is verpleegster. Ze vertelt dat de R4 waarin ik zat, in een ravijn is geslingerd. Twaalf meter diep, twintig meter verder. De twee jongere zussen,  hebben blauwe plekken en builen maar verder niets. Jorismijnlief heeft een paar gebroken ribben. Dat doet pijn. Het vraagt zijn tijd om te genezen. Maar het is niets ernstigs. En er is iets met mijn nek, dat onderzoeken ze verder hier in de kliniek . Je ligt in de kliniek in Bordeaux, wist je dat niet? Dan weer niets – geen paniek of zo. Gewoon niets.    Tot ze – ik herinner me geen gezichten – tot ze me komen zeggen dat mijn nek oké is. Ik moet nu rechtstaan. Dat mag, dat moet, want er is niets met mijn nek. Hij is gezwollen, maar hij is oké. Ik wil rechtop gaan zitten. Ik schrik: mijn nek doet afschuwelijk pijn. Ik leg me weer neer, stuur weg wie me zou helpen. Hij/zij laat me begaan. En ik laat het over aan mijn wijze lijf: eén been beweegt zich over de rand van het brancard-bed, bengelt naar beneden. Het andere been zet zich af, bekken, romp en hoofd leggen zich dwars op de brancard, het hele lichaam glijdt naar beneden. Om de pijn te vermijden, houden de handen het hoofd recht, op één lijn met de ruggengraat. De voeten raken de grond, de romp is nog gebogen want het hoofd ligt nog op het brancard-bed. Dan recht zich de romp, de handen tillen het hoofd op en zetten het zorgvuldig op zijn plaats op de wervelkolom.   Wat er hier gebeurt beleef ik verbaasd, bewonderend. Hoe kan je lichaam zoiets intuïtief doen? Het besef ervan wordt voor het leven opgeborgen. Maar nu duurt het niet. Ik wandel  naar de deur. Naar buiten. Daar wordt op me gewacht.       * * *   De avond daarvoor kampeerden we. We, dat waren mijn oudere broer Hugo, mijn oudere zus Lieve en vriend Leo. Ze reden vòòr ons in een goudkleurige BMW. Jorismijnlief, mijn jongere zussen Agnes en Rita en ik volgden in een bordeauxkleurig R4-tje. Het was de eerste keer dat we kampeerden, maar we deden het als de groten: we zetten twee tenten op, installeerden slaapzakken, kampeergerief, maakten een kampvuur om te koken. De tenten en zo lukten prima, het eten was slecht. Gewoon: slecht: het was het eten van de streek dat we in de boerderij van onze kampeerplaats kochten: conservenblikken andouilles: geprepareerde varkensdarmen, de specialiteit van de streek. Bordeauxwijn maakte alles vrolijk. Met veel gelach en geplaag waren we de volgende dag vertrokken naar de playas in het noorden van Spanje. Er was toen nog niet zoveel te doen over El Generalissimo Franco. Lieve, Leo en Hugo reden voorop. Joris zat bij ons achter het stuur. Er waren de perfect onderhouden Franse asfaltwegen tussen volwassen ronde heuvels en groene dalen, bossen en de boomgaarden , weiden met grazende, bezadigde koeien, schapen en lammeren, velden en velden zonnebloemen, blauwe lucht langs alle kanten. Agnes tokkelde op de gitaar, Joris stak een wagen voorbij. Dan even niets. Dan die twee bomen die op me afkwamen. Agnes zat opeens met de gitaar in de armen in de wei beneden. Rita zag, voelde de auto over zich heen donderen. Joris is ook uit de wagen geslingerd – gelukkig: de wagen is schroot.    Later de treinreis, terug naar huis. Ik mag Joris niet aan ’t lachen maken: één van zijn gebroken ribben drukt venijnig op zijn lever, dat is erg pijnlijk. Vakantie in het ravijn gevallen: zo’n vijf verdiepingen diep. Alle vier uit de wagen geslingerd. Maar we zijn oké, ik ben oké, dat hebben ze in de kliniek in Bordeaux verzekerd. Ik mag met de trein naar huis. Luc en ik, we liggen in de trein in couchettes naast elkaar. Zijn hand wriemelt zich onder mijn deken, speelt met de tepels van mijn borsten. Zalig. Heerlijk. Ik lééf.   * * *   Later thuis. Eindelijk is het ook bij ons zomer, we leven weer in de tuin. Ik werk aan mijn thesis en speel met neefjes en nichtjes: ‘Gendarm en Dief!’. Enkele gendarmen moeten een groep dieven oppakken: ze tikken ze aan en stoppen ze in het gevang . Wie dief wordt en wie gendarm, wordt door het toeval beslist: iemand van de neefjes en nichtjes  slaat enthousiast op mijn rug  terwijl hij vraagt: ‘Gendarm of dief?’.  Het is een buitenkansje voor de neefjes en de nichtjes: er zijn een paar kleppers bij met flink wat levensvreugde en ze kunnen niet alle dagen zo stevig doorkloppen op de rug van de tante. Op mijn rug. Op de rug van twaalf meter diep en twintig meter verder. Want alles is oké. De specialist in het ziekenhuis thuis heeft massages voorgeschreven en behandelingen met warme klei. Lieve is verpleegster op die afdeling, ze volgt me op. Alles is oké, alles gaat goed: het weer, het leven, de liefde, de ‘slachtoffers’, de nek. De verzekering: Joris treft geen schuld, hij deed zijn inhaalmanoeuvre perfect. Maar de wagen had een klapband, Joris had het gevoeld, wou stoppen langs de kant van de weg, daar lag een hoop grint, de R4 was geslipt en zodoende… Dus alles in orde! Ik ga voor de thesis in september! Alleen: mijn arm begint meer en meer pijn te doen als ik schrijf. En ik schrijf veel: de thesis! Na een paar weken moet ik zelfs  stoppen met schrijven, gaan liggen en wachten tot de pijn over is. De specialist verstaat het niet , neemt opnieuw foto’s van mijn nek. De ligamenten van de ruggenwervels C4, C5 en C6 zijn gebroken. De ruggenwervels zijn al anderhalve millimeter verschoven. Nog een halve millimeter verder en de zenuwen in de wervelkolom zouden onherroepelijk beschadigd zijn: het hele onderste gedeelte van mijn lichaam zou verlamd zijn.   Donderdag wordt het geconstateerd. Zaterdag lig ik in de universitaire kliniek van Leuven.     * * *     Eigenlijk is het een draaispit op mensenmaat. Het is  gemonteerd op het karkas van een ziekenhuisbed. Aan hoofd - en voeteneinde twee metalen balkjes, rechtop, een kleine twee meter(?)hoog, acht à tien centimeter dik. Een stuk boven de bodem van het bed is er een opening in die balkjes. Daarin horizontaal, van de ene kant naar de andere, een discrete ronde staaf. Waarop een brancard. Daarop een kampeermatrasje, een  laken,  een hoofdkussen, een bovenlaken, een deken. En ik, de zijkanten van mijn schedel kaalgeschoren. Aan elke kant van het hoofd, in de tussenruimte tussen de twee harde schedellagen, hebben specialisten een soort koptelefoon aangebracht, waaraan een kabel, de dikte van een koord. Die kabel loopt naar een gootje in de top van het metalen balkje aan het hoofdeinde, passeert het gootje, hangt naar beneden, achter het ziekenbedkarkas. Aan die draad hangen gewichten. Elke dag een beetje zwaarder. Zo krijgen ze de wervels van de ruggengraat weer strak in het gelid. Alleen als de ruggengraat kaarsrecht is, kunnen de losgeslagen wervels opnieuw vastgezet worden. En zal ik geen invalide worden, half verlamd, zoals mijn kamergenote, een vrouw van veertig? vijftig? jaar. Verlamd vanaf de romp. Niet meer gaan, niet meer  staan, tot daartoe, zegt ze. Elke dag drie keer eten. Natuurlijk. Maar daarna de vertering, de stoelgang… Ze moet het me niet vertellen. Ik beleef het elke dag mee. Een kalvarie….   De ruggengraat mag niet bewegen. Niet rechtzitten, dus. Ook niet een beetje. Om te eten. Te wassen. Te plassen. En zomeer. Het wassen, het plassen en zomeer is een gewone ziekenhuis affaire. Maar eten? Twee keer per dag wordt boven op de ene brancard een andere brancard stevig vast geriemd. En word ik omgedraaid. Een worst aan het draaispit op een tuinfeest…   Aan het hoofdeinde is er in de brancard een stuk stof uitgespaard. Het voorhoofd steunt op de brancard, het gezicht is vrij. Ik lig dus op de buik en kan door dat ‘raam’ eten en lezen. Dat is mijn redding: lezen. Tolstoï, Dostojewski, Stendahl, Camus, Flaubert, Daphne du Maurier, Boon, Elsschot. Familie en vrienden brengen zichzelf en de boeken mee. Ze maken afspraken, denk ik nu, wie wanneer aan mijn draaispit zal zitten.  En er is natuurlijk ook Jorismijn lief…       Mijn lief ,   “Nu je daar zo half kaal ligt,  nog half verdwaasd van de verdoving, is het alsof de liefde die je me gegeven hebt de laatste tijd, pas nu volledig tot me doordringt en mij overwint. Ik dronk gisteravond werkelijk vrede en vreugde uit je ogen en je lach. Het is alsof je machteloos liggen, je hulpeloos zijn, mij sterk maken en mij helpen te blokken en goed te zijn en rustig te blijven en mij werkelijk doen leven… Gisteren heb ik nog nagedacht over wat dat nu juist is, verliefd zijn. Iets vreemds is het niet, want dat betekent dat het nieuwe er van af zou gaan. Eigenlijk, verliefd zijn: het is iets anders. Iets dat je samen met allen en alles rond je verandert. Een bekering, zoiets als. Het is een prijsgeven van mezelf, een stuk willen worden van jou en jou als een stuk van mij aanvaarden.  En alle kale hoofden op de wereld veranderen daar niets aan… Frida, zonnekind, prinses… “     * * *    Na drie weken tractie zijn de wervels die het ruggenmerg zouden kunnen beschadigen, terug op hun plaats geschoven . Een meevaller: de chirurgen hadden gedacht dat het zes weken zou duren. Maar deze patiënte is jong en soepel. Ze zouden nu stukjes uit het heupbeen kunnen snijden, via de nek tussen de wervels plaatsen en laten vastgroeien zodat de wervels niet meer kunnen wegglijden. Dat hebben ze al tien keer gedaan. De nekwervels zijn dan wel onbeweeglijk: patiënten kunnen het hoofd niet meer draaien, ze moeten het hele bovenlichaam gebruiken om naar links of naar rechts te kijken. Natuurlijk, dat is een minder kwaad: het gevaar voor verlamming is verdwenen. Maar. Ondertussen zijn er nieuwe stappen gezet in het onderzoek: als de wervels langs de voorkant zouden vastgezet worden, langs de hals dus,  zou de beweeglijkheid van de nek veel groter zijn. Goed, maar hoe geraak je via de hals bij de nekwervels: er is geen zichtbaarheid. Wel, dat hebben de chirurgen in theorie al uitgedokterd: er zouden doorlopend röntgenfoto’s genomen worden van de nekwervels en die zouden geprojecteerd worden op een televisiescherm. De chirurgen zouden dan opereren via het televisiescherm. Ze gaan dit bij mij voor het eerst ook echt doen, stellen ze voor. De operatie is een wereldprimeur. Ze wordt gefilmd.   Wat gebeurt. Met succes. Nog eens drie weken later word ik uit het ziekenhuis ontslagen. Ik val als ik opnieuw wil lopen: als je zes weken je benen niet gebruikt, zijn het flanellen stokjes geworden.  Maar ik tors vol vertrouwen mijn nek, die van kin tot schouders  ondersteund wordt door een stevige plastic kraag. Beetje bij beetje mag ik hem losmaken en uitdoen. Een paar maanden later, in de lente, wordt een introductie op de wetenschappelijke film opgenomen. En vertel ik met een beweeglijke, slanke hals, hoe ik in een ravijn lag. ‘Dan voel ik de warmte van de zon op mij’ zeg ik. ‘Dat is zo goed, dat doet zo’n deugd: thuis wil het maar niet zomeren.’ ‘Cut!’ roept de regisseur.     * * *     Ik, toen... Frida. En ja, dit is wat de mensen der letteren een keerpunt noemen, denk ik. Een  gedwongen wending in mijn leven.  Alles is druk, zo druk dat er geen verdere gedachte kon zijn over wat mijn andere leven had kunnen worden. Ik was er achter gekomen: ik wil journaliste worden, naar Eindhoven nog een jaar cursus volgen. Maar wat dan met Joris, met Zuid-Amerika. Misschien, misschien – maar haar gedachten werden zo erg dun als ze dit dacht, ze leken nog nauwelijks garendraadjes - maar. misschien. kunnen we trouwen, kan ik meegaan naar Zuid-Amerika; op een langere huwelijksreis. Dan kom ik terug, volg die opleiding, zien we elkaar van tijd tot tijd: het is toch maar voor één jaar… Ik sta te snotteren aan de afwasbak als ik dit vertel aan mijn moeder. Die is boos op Joris. ‘Waarom kan hij niet gewoon zijn militaire dienst doen, zoals je broers gedaan hebben. Maar nee. Als je trouwt, moet je met hem meegaan.’.  Ze is boos. Als je met hem trouwt. De gedachte is dood geboren. Een ander leven voorbij.    * * *   Hoe naïef was je, Frida, hoe onschuldig, hoe onvoorbereid. Ondanks alle cursussen sociale leer van de kerk en sociologie en politieke en sociale filosofieën en ethiek van de pers aan de universiteit, boeken en schriften vol. Hoe je in het kokende bad van de verre wereld werd gegooid – hoe je jezelf er hebt ingesmeten – samen met dat lang stuk halve Jezuïet van je, waar je tot over je oren verliefd op was. Hoe je het dramatische ongeval met de wagen overleefde. Hoe je amper de tijd kreeg om te ademen voordat je, hals over kop, twee dagen nadat je was getrouwd, bent vertrokken naar Colombia, Zuid-Amerika: vierentwintig uur (?) met het vliegtuig onderweg naar dat passionerende, schokkende stuk van de wereld. Een jonge bruid. Je was nog niet eens bekomen van je gebroken nek…je mocht nog maar sinds een paar maanden zonder halsprothese rondlopen… Tant pis. Ik heb beslist dat ik dit zou schrijven. Ik doe het. Ik beschrijf Frida, toen. Tenminste, ik zal het proberen…       * * *     Ginder is Frida een gringa. De meeste mensen denken in het begin dat ze uit de USA komt. Want ze is lang,  met grijsgroene ogen en bruin haar. ‘Gringa’ is hier niet onverdacht een eretitel. Ze legt dus altijd uit dat ze uit Europa komt. Uit België. België, waar ligt dat? Ambèrres – probeert ze dan – Brusèlas. Maar dat slaat zelden aan. Ze moet er Frankrijk bijhalen, Parijs, Duitsland, de Noordzee, Engeland, Londen... Ah, zo! Europa! Bolivar! De onafhankelijkheid!.. Vanaf dan is ze geen gringa meer. Maar dona Frida. Of doctora. Of meer liefkozend: monita. Blondje: alles wat niet ravenzwart is. Het is een geliefd koosnaampje.   Ze heeft nagedacht over wat ze gaat aantrekken. Jeans en laarzen. Want ze heeft schrik voor de vuiligheid, de modder, de mest, de vliegen, de luizen, de graatmagere  honden, de groezelige handen, de ziektes die in de tugurios krioelen.   Ze zal haar regenlaarzen aandoen en de beige hemdsbloes met lange mouwen, die tot bovenaan goed sluit.  Ze is er bijna zeker van dat ze met vlooien thuis zal komen. Geen luizen. Ze heeft nooit luizen. Ze doet haar ruana niet aan. De hare is van soepele wol: dat trekt teveel de vlooien en is moeilijk te wassen. Ze draagt een trui: deze maand regent het iedere dag driftig één, twee uur lang. Dan is de zon er terug. Maar even kan het koud zijn, op 2 700 meter hoogte:  het is hier winter deze maand.   Ze gaat  mee met Leticia, een vriendin. Leticia is ouder dan Frida – tenminste, dat denkt Frida toch. Ze komt uit een welstellende familie. Ze is sociale assistente bij de Bienestar Familial. ‘ ‘De senorita’ noemen de mensen haar. Ze werkt in deze miljoenenstad met de onderklasse van de allerarmsten: de twaalfduizend straatkinderen jonger dan tien jaar - de gamines. Ze zijn weggelopen van huis, weggejaagd, het zijn weeskinderen, ze waren teveel, ze werden aan de deur gezet, weggeslagen, op een marktplein achtergelaten. Ze overleven en sterven op straat. Zoals bijna alle kleine mensen, draagt Leticia altijd een ruana van ongebleekte, stroeve wol. Zij is van hier.     Ze gaat op huisbezoek  bij een familie in de krottenwijken, die aan de rand van de stad tegen de geërodeerde bergwand uit de grond zijn geschoten. De twee oudste kinderen, de jongens, acht en zes jaar,  zijn gamines. De twee meisjes, ééntje van drie jaar en ééntje van acht maanden, hangen nog letterlijk aan hun  moeders’ rokken.  Leticia gaat praten met de man en de vrouw: de man heeft de vrouw weer afgeslagen. De vrouw heeft een gat in het hoofd. Haar jongens zijn het komen zeggen.    Ze gaat mee met de sociale assistente. Ze heeft schrik van armoede. Ze heeft schrik van de stank, haar maag draait er van om; ze heeft schrik van dieven; ze heeft schrik van graaiende handen op de bus, die in het ijle zweven, die aan geen lichaam schijnen toe te horen en portefeuilles stelen; ze heeft schrik van lange, gele nagels aan gekromde vingers, die te dicht bij haar polsen komen; ze heeft schrik van niet- zichtbare messen onder poncho’s en ruana’s; ze heeft schrik van veel volk samen; ze heeft schrik van wat mensen doen als ze wanhopig zijn. Maar anderhalf jaar nadat ze hier is aangekomen, wil ze meegaan.   Nu. Nu ze de taal een beetje kent, nu ze verstaat wat er gezegd wordt, nu ze heeft geleerd hoe mensen elkaar hier begroeten, nu ze soms al voelt wanneer ze kan praten en wanneer ze beter zwijgt, nu ze niet meer panikeert als er ratten over de weg lopen, nu ze het verhaal kent van dit land van orchideeën, van anjers, van kolibri’s, arenden, caymanes, papegaaien, van anaconda’s, van koeien, muilezels en paarden, van lulo’s, papayas, aguacates en mango’s, van granaatappelen, van chirimoyas en guayabas, van appelsienen, limoenen, pruimen, kersen en bananen; van jasmijn, mimosa, palmbomen, bouguinvilleas, van katoen- en koffieplantages; van eindeloze,  gelige vlaktes in de hoge paramos, van de besneeuwde bergtoppen in de Sierra Nevada, van  de eeuwiggroene bergketens van de Andes, van witte stranden aan een helderblauwe oceaan, van broeierige wouden, van okerkleurige rivieren, van smaragden, van goud, van irridium en olievelden,   nu ze zonder nadenken het verschil kan voelen tussen een cumbia, een san juan, tussen porro, paseito, merengue, gaita,  bambuco, chorope, patacore; nu ze ze ook al wat kan dansen; nu ze de sensuele verleiding kent van sierlijk geheven armen, lage schouders, wiegende heupen,  die iedere stramme westerling in het begin jaloers, gegeneerd weg doen kijken; nu ze ook de afgebeulde mensen verstaat, de geëngageerde doeners, denkers en artiesten, de familienamen weet van de herodiaanse grootgrondbezitters, machtig als despoten, nu ze ook daarin een onderscheid kan maken,   nu ze het weet van de vuiligheid, van het klagende geroep van bedelaars, van de stompjes armen en benen die plots onder haar neus worden geduwd, van het gebonk van lichamen van mensen die in doodse stilte vechten met elkaar; nu ze het weet van de knallen die ’s nachts door de bergen galmen dat het geen vuurwerk is, maar schoten van pistolen en geweren; nu ze het weet in welke bario’s en op welk uur van de dag ze hoe met wie naar toe kan gaan; nu ze weet wat je moet doen opdat je hart niet zou breken als je ze ziet, de haveloze groepjes opdringerig bedelende kinderen; nu ze gewoon is geraakt aan politiemensen met mitraillettes in aanslag in het midden van de stad; nu ze de droefheid kan verdragen en de haat in de ogen van de mensen kan verstaan; nu ze er klaar voor is, nu wil ze mee. Ze wil het. Ze wil het weten. Ze wil het met eigen ogen zien.   Ze rijden met de bus de berg op zover het kan. Daarna stappen ze op platgetrapte grond, een smalle holle weg voor voetgangers, muilezels en stromend modderwater: se hace camino al andar – denkt ze grimmig.  Ze ziet geen vuiligheid. Ze ziet de grond, wat moet doorgaan voor de muren van de krotten, de golfplaten die bij de gelukkigen dienst doen als daken. Ze ziet niet veel beweging. Ze ziet wat haar vriendin een huis noemt: muren gemaakt van grote platgeslagen benzineblikken, van vermolmde planken, stukken karton en vele gaten, rond een vierkant van drie meter op drie aangestampte grond. Een aarden pot op een paar stenen voor een vuur dat zelden brandt. En overal grond en vuil en grauw. En de moeder.   De indianenvrouw heeft een groezelig vod rond het hoofd gebonden, als iemand met een zere tand in een oud stripverhaal. Ze staat daar niets te zeggen bijna zich te verontschuldigen dat ze bestaat ze staat. Bijna is ze een boom bijna bewegen haar lippen niet bijna vluchten de woorden weg nog voor de lucht zich met lucht vermengen bijna beklagen zich tanden en tong dat er toch woorden worden gevormd en het verhaal toch wordt verteld van een man die geen werk heeft en geen eten voor zijn kinderen die doet wat alle mannen doen hier in de buurt om niet te zien hoe zwart die elke dag de vrouw de kinderen schopt en slaat als ze ‘honger’ durven denken die met de andere mannen zuipt die niet te spreken is hij kan niet spreken hij kan alleen willen vergeten.    En als ze ziet dat hij stomdronken is en wild en dat zijn ogen gloeien jammert ze vanuit verre tijden het onderdrukte klagen van haar onteerde volk triestig triestig het geluid van een gekwetste duif van een kat op zoek naar haar verdronken jongen van een afgeranselde hond van wind in een verlaten huis.  Het maakt hem razend dat zij hem ziet en weet hij kan niet spreken hij heeft geen macht hij rukt een plank los van de muur en slaat wat hij hoort tot stilte -   maar het gilt het gilt en er loopt bloed over de vrouw en ze heft de baby naar hem op en de baby krijst en hun kleine meisje staat voor de moeder ze houdt zich aan  haar rokken vast en hij gooit de plank met de bebloede nagels van zich af en hij zwalpt weg en het verhaal zwalpt weg het is beschaamd het is vernederd het is angstig het valt stil. Ze jankt nu voor zichzelf alleen. Ze wiegt de baby in haar armen. ‘Padresito’ noemt ze de man terwijl het bloed nog verder druppelt.   Ze scheurt een reep van een stuk stof en legt ze op de wonde, draait ze een paar keer rond haar hoofd. Ze zet zich doodmoe op het bed, leunt tegen de muur, de meisjes in haar rokken. ‘Arme mijn man – denkt ze - padresito’.  Hij is de vader van haar kinderen. Hij heeft het niet bedoeld – ze weet het. Ze weet het vuur dat hem verbrandt.  Maar alles voor haar ogen draait. Zijn het haar jongens die ze ziet? Misschien worden haar jongens anders misschien misschien worden ze thuisgebracht misschien worden ze niet vermoord worden ze niet in het gevang  gesmeten misschien worden ze niet verkracht misschien gaan ze niet aan de drugs want er is de senorita van de Bienestar Sociàl. Misschien gaan ze toch naar de school misschien kunnen ze later lezen en schrijven misschien kunnen ze iets anders doen dan elke dag de dood uitstellen elke dag razen van honger van schuld en van niets weten misschien geven zij  de familie later wel te eten...   Dan weet ze het niet meer. ‘ En nu vandaag bent u er , senorita,  met een gringa. Hoe weet u dat... ‘ Natuurlijk! ‘ Senorita,  waar zijn de jongens?’ vraagt ze.  Zij zijn het,  zij hebben het verhaal bij de buurjongens gevangen. Zij hebben het de weg gewezen tot bij de senorita en ze wil weten hoe het met de jongens is ze zijn  toch niet ze hebben toch niet   Het kleinemeisje is  overal. Ze is een spin: in iedere hoek, voor iedere spleet, voor alles wat een raam of deur zou kunnen zijn  hangt ze een spinneweb;  ze zweeft voor elk dreigend gevaar; ze staat de armen wijd gespreid om alles buiten te houden  te proberen dat het niet gebeurt dat de geesten binnenkomen dat de duivel danst als het vuur onder de ketel wordt aangestoken dat de wind krijst rond de muren van het huis dat de regen de grond onder hun voeten verandert in een modderpoel en alles dreigt weg te spoelen. Ze is een vlinder: ze spint een cocon rond hun huis zodat het niet kan breken.   Leticiazegt Ola, ola, dona Clemenza. Stil maar, rustig maar. Ik kom alleen maar kijken . Nee, nee, ik ken u wel. Hij heeft het niet slecht bedoeld, hij was bezopen. Ik zal niet naar de politie gaan. Of wel? Nee. Dat dacht ik. Ola, dona Clemenza, laat me uw hoofd bekijken. Doe die lap eens weg. De jongens? Ja, ze zijn het komen zeggen. Waar ze nu zijn? Ik weet het niet, ze willen nog niet bij ons wonen, dat weet u. Ze zeggen dat ze een thuis hebben: hier, bij u. Ze gaan nu elke morgen naar school. Ze stellen het eigenlijk wel. God geve dat ze geen lijm gaan snuiven. Niet wegtrekken, ik moet zien of die wonde erg diep is. Hebt u ze al uitgewassen? Por Dios, dona Clemenza, dat gaan we dan eerst doen. Ik heb iets speciaals meegebracht. Het gaat pijn doen, maar het moet. Zo. U mag niet ziek worden, dan zouden de kinderen niemand meer hebben. U moet sterk zijn. En waar is hun vader, don Antonio, ik wil met hem praten. Zeg hem dat hij eens bij ons langs komt, hij weet het wel: bij de Bienestar Familial, op de hoek van de vijfde straat met de Plaza Bolivar. Ik ben er elke morgen van de week.  De gringa ziet vooralde kleuren. Bruin. Grijs. Grauw. De vloer, de muren, de planken, het karton, de vodden op het bed in de hoek, de vrouw, het meisje van twee? drie? jaar: allen, alles bekleed met dezelfde huid, uit de grond genomen. Er zijn ook andere kleuren ziet ze nu. De platgeslagen verroeste blikken, rood en wit, met blauwe drukletters bedrukt: GASOLINA, benzine. En soms ESSO. Of MOBIL. Het is alsof het huis bij elkaar wordt gehouden  door zeefdrukken van een popartist.  Van Andy Warhol, bijvoorbeeld: zijn reeks ‘Soepen’, tussen de kleur van slijk en wrakhout en de lucht.   Het riekt er naar een stal. Nee, ze ziet geen gat in de grond. Ze hebben waarschijnlijk buiten een latrine gegraven. Het is niet zoals op die trap in het gesloten trappenhuis waar ze één keer toevallig is beland, ook met Leticia, in een meer doenbare buurt, waar de mensenstront en het braaksel zomaar op de overloop lagen te stinken. Ze hoort vooral: dat weinige geluid, dat bijna niets, dat stomme. Ze hoort de onmacht, het te zwak zijn,  te gekwetst, te onderdrukt:  een elegie van kleinkinderen, kinderen, moeders, grootmoeders, overgrootmoeders, generaties aan elkaar geregen in een gevecht met ongelijke wapens in ellende, in honger, in zich schikken in het lot,   De gringa hoort het hoe de moeder voelt dat dit niet is zoals het moet, maar dat ze niet de woorden. het woord. niet durft te denken, niet onrecht durft, kan denken,  dat ze gevangen is in angst, in slaag. De gringa hoort het verhaal dat siddert, beeft,  dat zich verbergt in de zeven lagen onderrokken van de indiaanse: ze verwarmen de lucht waarin de moeder leeft, ze nemen de geur aan van haar kinderen van melk van grond van mest van stenen van zweet van zaad van bloed; als de onderste rok weer de bovenste wordt, verschijnt het patroon, het enige wat telt: dat ze moet verder leven.   De gringa hoort hier niet. Ze is een indringer, een Peeping Tom, door niemand aangekeken, overal bespied, door iedereen geweten dat je beter van haar afblijft ze is met de senorita van de Bienestar Social ze spreekt de taal bij haar valt niets te rapen ze kent de trukken van de foor. Maar daar denkt ze niet meer aan. De schrik is weg. Want in de hoek waar het bed staat - gelukkig denkt ze ‘bed’ - op het bed,  midden tussen de vodden, tussen de kleur van aardappelen en grond is een nest gebroken wit   en daarin zit een kind. Het is een maand of zes en het is levend, gaaf, de bruine ogen glanzen. Het kijkt rond het zit alsof er niets aan de hand is; alsof niet vijfentachtig procent van de grond van haar land in handen is van tien procent van de bewoners (?); alsof er op de wereld geen klopjacht aan de gang is naar meer en meer en van mij alleen en pas op en we vreten het op we stoppen het in een versterkte kluis nog voor er iemand anders aan kan raken we speculeren ermee op de beurs; alsof er  daarvoor geen oorlogen worden gevoerd, geen mensen worden afgeslacht, uitgezogen, in slavernij gedreven, gemarteld, in geheime gevangenissen gestopt, levend in de oceaan worden gesmeten, neergeknald;   het kind zit en kijkt alsof ze is: vanzelfsprekend,  zoals de  neefjes en nichtjes van de gringa, de kinderen van de koningin, het petekind van  Inneke Peeters van op de radio, het nichtje van de president, het kleinkind van mevrouw Jansens van om de hoek; alsof ze even bekoorlijk zal zijn,  even vol  verhalen, met even veel te zeggen later. Het weet nog niet dat voor haar alleen het grauw wordt gereserveerd,  geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst grauw geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst niet niet niet niet niet.   Dat ze dievegge wordt, waarschijnlijk.  Waarschijnlijk zal ze, als ze zes is, met grauwe vodden rond haar lijfje, de haren stijf van vuiligheid, met blauwe wallen onder de ogen, waarschijnlijk zal ze, lenig als een kat, gaan hangen aan het open raam van de auto’s, die stoppen aan het rode licht; waarschijnlijk zal ze haar groezelige handje dreigend onder de neus van de bestuurder duwen en bedelen en terug spuwen en wegspringen als er naar haar wordt uitgehaald. Maar ze rekent er op, de uitgekookte helleveeg, dat de mensen haar iets zullen geven om van haar af te zijn: ze heeft de lagere school van wie in bittere armoe leven al doorlopen. De hogeschool is drugs en afpersing en moord en prostitutie. Dat komt later- dat denkt de gringa toch.   En de gringa kan haar niet oppakken en meenemen ver van dit grauwe krot haar hart is nog niet groot genoeg het moet op deze grote hoogte nog dieper leren pompen en ook het kan niet want ze kan niet alle kinderen en dit kind heeft nog een moeder met zeven rokken en een vader die naar huis komt en een zus en twee oudere broers. Misschien als die jongens er in slagen misschien heeft ze dan de Bienestar Familial of de Beneficencia  en kan ze leren. Ze heeft dus nog heel veel ze is niet uitgemergeld nu nog niet ze ligt nog niet roerloos met opgezwollen buik langs de kant van de weg onder een mimosaboom. Ze is springlevend en kijkt rond. En je zou wel willen dat ze gelukkig wordt maar je weet dat ze geen toekomst heeft ze is gebroken wit tussen zoveel grauw ze is onwetend tussen tekort aan woorden die onbekend wensen te blijven die niet willen bestaan ze heeft geen ze is opgeschreven ten   Als de gringa terug thuis is, stopt ze haar kleren onder water. Ze neemt een douche. Drie vlooien springen van haar weg, spoelen met het water de afloop in. Ze trekt nieuwe kleren aan. Ze zet zich neer. Ze weent. Het is avond. Het is zwart.    Toevallig leest ze kort daarna een artikel in een vroom blad. Er staat een reportage in van een pater. Ook hij ging op bezoek in een krottenwijk. Hij zag er een familie met een gezonde baby. Hij schrijft dat de baby een bloem is op een mesthoop.   De tranen springen haar van woede in de ogen. In haar verbeelding huilt en tiert ze tegen hem. Ze valt hem aan, ze wil hem slaan, altijd opnieuw als ze aan hem denkt. Mesthoop! Don Antonio, dona Clemenza, het dappere meisje, de gevluchte broers: een mesthoop! Ze gooit hem buiten. Ze zet geen voet meer in zijn kerk.     * * *     En aan zulke mensen mag ik les geven! denkt Frida.  Ze houdt zich een beetje op de achtergrond, ze kijkt rond, ze zal wat hier gebeurt vertellen aan Edward, een vriend van haar die nu ontwikkelingswerk doet in Zaire.  Zijn laatste brieven klinken zo pessimistisch. Dit zal hem opvrolijken. Ze ziet ze discuteren, wandelen, lachen, de dertig mannen en vrouwen, syndicalisten, studenten, mensen uit de arbeidersbeweging, jeugdwerkers, nonnen, pastoors. Haar studenten! Mensen die ervaring hebben in de sociale strijd. Zoveel moed, liefde, idealisme bij elkaar! Zij geeft hen een theoretische inleiding tot de politieke wetenschappen! Stel je voor! Een onnozele geit is ze, vergeleken met hen.  Ja, ze heeft het vereiste diploma. En ja, ze spreekt  een aardig mondje Spaans: taxichauffeurs vragen haar of ze uit Chile komt, of uit Argentinië. Maar wat betekent dat in vergelijking met… Maar ze hebben haar aanvaard. De Jezuïeten die dit instituut hebben opgestart, de mensen die er werken, de studenten. Misschien dat ze het voelen, hoe alles in haar in opstand komt tegen hebzucht, machtswellust, onrecht. Dat ze oprecht is. Misschien heeft ze een voetje voor, juist omdat ze zo jong is, een vrouw, nog een meisje haast, amper zesentwintig, onervaren. En willen ze haar bijbrengen hoe deze wereld achter de schermen echt functioneert…    Als ze met haar alleen zijn, vertellen ze hun verhalen. Ze brengen ze mee uit Nicaragua, Mexico, Honduras, San Salvador, Santo Domingo, Venezuela, Bolivia, Paraguay, Argentinië, Peru, Ecuador, Colombia. Ze spreken over wat hen bezielt. Er leeft zoveel hoop in dit continent, op dit moment.  De prachtige dansmuziek, hun ritmes, de weemoedige liederen beginnen zich te verspreiden. ( ook hier: concrete namen ?) Gabriel Garcia Marquez schrijft zijn Honderd Jaren Eenzaamheid. Mario Vargas Lloza, Jose Maria Arguedas, Jorge Isaacs, Miguel Angel Asturias, Julio Cortazar, Jorge Luis Borges, Pablo Neruda: hun gedichten en boeken brengen Zuid-Amerika tot ver buiten de eigen grenzen.  En de droom van Salvador Allende, die volgend jaar de eerste democratisch verkozen socialistische president van Zuid-Amerika  kan worden… Ze heeft het hele continent, de mensen, hun manier van doen stevig in haar hart gesloten.   Ze probeert het te beschrijven in de brieven naar huis. Ze heeft nauwelijks heimwee – wel schrik, soms, en veel verdriet. Dan doet het deugd als ze er aan kan denken dat Joris geen militaire dienst wilde doen en dat zij mee was gegaan: make love, not war; aan de vele vrienden die ze hier hebben. En dat ze hier dat instituut gevonden heeft. Hoeveel ze hier leerde!   Ook op bijeenkomsten zoals deze. Ze zijn  een paar dagen op stap met de hele groep: studenten, secretaressen, schoonmaakster, docenten, directeur. Het huis (een pensionaat? een seminarie?) waar ze verblijven, ligt in clima café: een gordel in de bergen, zo’n 1500 meter hoog, met een klimaat als aan de Middellandse Zee, het hele jaar door. Hier worden koffiebonen gekweekt met het heerlijkste aroma, de open, warme lucht spant zijn verleidelijkste blauw over groene palmbomen, groene koffieplantages, oranje, gele, roze, rode, blauwe, paarse bloemen, over lustige beken, over vriendelijke wegen, over witte huizen en boerderijen  met grote terrassen.   Ze zitten op zo’n terras. Het is avond, hier de kleur van warme zomernacht. Prachtig toch, denkt ze, hoe dat hier gebeurt: wachten. Geen zenuwen, geen ongeduld. Hoe ze hier omgaan met de tijd. Tijd is niet de dwingeland van hun leven. Ze houden hem in toom, ze laten hem passeren, bepalen zelf wanneer hij gekomen is. Klopt dat niet met de tijd van de tegenspeler? Geen nood. Je kan zoveel doen in de tussentijd die wachten is, het leven is zo rijk. Je kan praten, bijvoorbeeld, kennismaken met de mensen in de buurt. Je kan een cafésito drinken, kijken wat er rondom zich afspeelt. Als het echt belangrijk is dat je iemand ontmoet, wacht je gewoon. Dat loont dan de moeite, toch? Het heeft geduurd voor ze dit begreep, voor ze dit kon denken, voor ze dit  kon uitleggen in de brieven naar vrienden en kennissen over de oceaan.   Ze ziet de Mexicaanse studente, Malva, in de weer met Pacho, de Venezolaan. Pacho heeft van tijd tot tijd een aanval: hij schreeuwt, krimpt in elkaar, houdt de armen afwerend voor zich uit, zijn ogen zijn verwilderd en hij ziet weer de militairen op hem afkomen die hem zullen martelen tot hij de namen zal geven van de makkers die mee de stakingen en betogingen hebben georganiseerd. Een beetje verder staat German. Hij is één van de twee Argentijnen in deze cursus.  German eet soms nauwelijks, drinkt  dagenlang alleen maar botermelk. Hij heeft een maagzweer, al van toen hij als student scherp in de gaten werd gehouden door de geheime politie, omdat hij druk bijgewoonde vergaderingen organiseerde over het werk van Dom Helder Camara in Brazilië, of over  bisschop Romero in San Salvador, of over de Katholieke Universiteit van Leuven, in België, in Europa, waar vele Latijns- Amerikanen de ideeën gingen bestuderen die daar werden onderwezen over onderdrukking, over sociale rechtvaardigheid en de relatie met de boodschap van bevrijding in de bijbel.    Het is op die German, de gaucho, dat ze wachten. Hij zal deze avond een malamba dansen,  een traditionele gaucho-dans uit zijn geboortestreek. Hij staat nog te praten met de andere Argentijn. Die zal de bongodrum bespelen.  Ze omhelzen elkaar. German stapt naar het midden van de cirkel. De bongo zoekt zijn weg, vindt een droge,  krachtige slag. German heft de armen. En danst.    Frida ziet: dit is geen gewone dans van hier. Hier gaat het  niet om het plezier van het dansen, om het wiegen van heupen, het draaien van schouders, het bewegen van benen, armen,  handen, vingers zoals aangeleerd vanaf de tijd aan de moederborst. En soms, maar dat had ze nog niet dikwijls meegemaakt, de magie van twee lichamen die naar elkaar gezogen worden, waarvoor iedereen plaats maakt en die plots als enige nog dansen in het midden van de kring, door iedereen bewonderd of met afgunst bekeken.    Deze dans is anders. German danst. Hij danst beelden in de hoofden van wie hier zit en eerst zijn het beelden van indianen die als slaven moeten werken voor de grootgrondbezitter, beelden van gamines, van een dona Clemenza een don Antonio in grauwe tugurios, ze ziet het kind in een nest gebroken wit ze voelt haar hart ze verstaat niet wat hier gebeurt ze is weer een vreemde ze kent dit niet ze is verward hier wordt toch alleen maar gedanst haar ogen zoeken German en ze ziet ze hoort hem bewegen niet als een balletdanser, daarvoor is hij te struis ze ziet zijn soepele, sterke lijf, zijn laarzen die de vloer betasten, de grond, de aarde, la tierra madre, die hem de kracht geeft om op te springen, als op en af een paard in volle galop; om met de handen op de dijbenen en met het geroffel van de bongodrum het beeld te dansen van de gaucho:  de man die niet wil eten uit de hand van de despoot; hij danst dat het kàn, dat het bestaat dat de mens zijn trots behoudt dat je daarvoor een prijs betaalt zoals de gaucho hij is de eenzaat, hij is een vagebond, een paard is het enige wat hij echt bezit, de eeuwig groene grasvlakten van de pampas zijn zijn thuis maar het kan. German getuigt hij ìs de gaucho, vrij, nobel, genereus, een man van weinig woorden, trots, betrouwbaar, solidair. Hij vecht als hij wordt geprovoceerd. Hij trotseert. Hij is de leider nu hij danst, de armen krachtig gespreid, hij neemt iedereen mee, drukt iedereen aan het hart, hij roffelt met de hielen, de bongo volgt hém, hij bakent de ruimte af die hij nodig heeft, drukt er zijn stempel op, tekent haar, betekent haar: het kan!    De finale.  De knieval in de richting van de maan en de sterren. In de richting van waar de toekomst ligt. In de richting van waar de vrouwen zitten. In de richting van Frida.     En ’s nachts de serenade.  De krekels tsjirpen uitzinnig. Alles geurt. Onder haar slaapkamerraam, een gitaar. Een hoge tenorstem, zijn stem. Ze streelt het duister van de nacht, weemoedig. ‘Quando tu te habras ido, ya volveran las sombras...' ‘Als jij weg zult zijn, zullen de schaduwen opnieuw tevoorschijn komen...’ ‘We moeten het licht aansteken,’ fluistert haar kamergenote. ‘Doodstil blijven. En luisteren.’   * * *   Ze verstaat het niet. Ze is verliefd. Op het prachtige land, wil ze denken. Op de mensen,  wil ze denken. Op German, weet ze. Ze verstaat het niet. Het zal toch niet, dat één romantische nacht haar zover krijgt dat… Het gaat wel over, rationaliseert ze. Zo snel als het gekomen is.   Het gaat niet over. Het gaat nooit over.    * * *     Later nodigt een collega-docent zich zelf uit bij haar thuis. Mag hij eens afkomen met een collega van hem, die fel geïnteresseerd is in wat de jongeren van vandaag bezig houdt. En jij bent zoveel met de studenten bezig, jij geniet hun vertrouwen, aan jou vertellen ze waar ze écht om geven. Wel ja, waarom niet? Als het hem kan helpen met zijn wetenschappelijk werk. Edouardo Carrasquilla. En Pablo, de vriend. Twee Cubanen. We praten. Bij mij thuis – niet in de sociale school. Hij stelt de vragen, zij antwoordt. Wie zijn volgens jou de studenten met de grootste leiderscapaciteit? Geen enkele bel gaat rinkelen. Naar volle waarheid antwoordt ze: met voorsprong German.  Dan noemt ze nog een stuk of zes andere namen.   Joris en zij, ze maken nog een grote reis door Zuid-Amerika. Hun laatste Zuid-Amerikaanse reis. Frida weet: ze wil hier nooit, nooit terugkomen. Haar hart breekt als ze er aan denkt dat ze dit alles zullen achterlaten. Dat wil ze nooit, nooit opnieuw meemaken… Ze krijgen een kaartje van German met nieuwjaarswensen. Begin maart varen ze terug naar Europa. Dat is een verhaal voor later. Wat hier in deze scène van belang is, wat Frida van zesentwintig niet, wat Frida van alle leeftijden nooit zal vergeten, wat ik in haar plaats nu voor het eerst vertel. Het is lente in België.  Ze zit in de tuin: de vogeltjes zingen, de zon schijnt. Uit het niets, zonder verwittiging, overvalt haar een diep verdriet. German is dood, loopt door haar gedachten. Ze borstelt de gedachte, het gevoel opzij. Waanzin. Hoe komt ze daar nu op! Toch weer niet opnieuw… Ze is geschrokken, het gaat niet over.   Enkele maanden later krijgen ze bezoek uit Colombia. De directeur van de sociale hogeschool moet in Duitsland met een geldschieter praten over subsidies. Hij komt bij Joris en Frida op bezoek. Hij vertelt dat Carrasquilla werkte voor de C.I.A.. Dat ze hem ontmaskerd hebben. Hij was één van die fameuze Cubanen die naar de States zijn verhuisd als Fidel Castro aan de macht is gekomen. Die als spionnen zijn gaan werken. En dat German is neergeschoten. Hij was op de terugweg naar huis, na de cursus. Hij was met vrienden mee gaan betogen. De militaire politie heeft hem neergeschoten. Hij is dood.   Het gaat niet over. Het gaat nooit over.       * * *     En er was geen pleister voor deze wonde er was

versta
60 0

opdracht 8 DEEL 2 - Sabine Steels

Diamonds on the Soles of her Shoes/Paul Simon- Sheaboter trekt bijtjes aan, merkt ze. Ze zoomen gedurig rond haar benen en scheren af en toe zacht langs haar nek. Telkens schrikt ze op en slaat het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op haar gezicht en eigenlijk is het kleed dat ze draagt te warm. Ze hoort alleen maar natuur, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch is ze ongemakkelijk. Omdat ze iets zou moeten maar het niet aan het doen is. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ze wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel ze van alle genodigden het korst bij wonen, komen ze toch laat aan. Ze parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ze spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ze niet meteen kan plaatsen. Ze feliciteert eerst Tony, en werkt dan de ronde af waarin hij staat. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ze is trots op haar kinderen, het zijn toffe, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter haar rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het doet goed deze mensen terug te zien. Altijd. Patrick kent bijna iedereen. Ze merkt dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ze weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ze krijgt een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mama. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ze ziet aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ze vraagt zich telkens opnieuw af of het aan haar ligt dat ze de kakafonie van geluiden niet goed verdraagt of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles tegoed te willen doen. Ze spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij hen te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze hen uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules-  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeftze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan -  de dag zelf -  alles vlot laten verlopen. Zijis maître d’orchestreen ze is de beste in haar vak. Ze ziet vanuit haar ooghoek dat het zover is. Tony heeft Patrick beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Patrick weet dat ze Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vindt, daarvan heeft ze hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ze zich kan herinneren – haar hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden zij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Zij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat ze zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij hen op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde hen. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en zij begrepen daar de zin niet van. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleengeweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen. Een aantal mensen die ze nog niet had gegroet, lopen richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monstert ze de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ze roept haar kinderen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. Ze hebben er nu vierendertig, waarvan zevenentwintig kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens haar doet het papa denken aan het bucolische samenleven zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn.  Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten ze wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mama, die hem gedurig commandeert. Ze hoort een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche. Mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind en er zijn regendruppels gesignaleerd. Ze horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes -  behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan. Ze zoekt haar man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Ze heeft Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk.Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Terwijl Patrick en Annick verder praten, kijkt zij vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar hen wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ze kijkt of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkeld die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Door de operaties heeft hij zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van haar vader. Ze weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat haar beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in haar zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is haar nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ze denkt dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.   Aan dat feest denkt ze, vol bewondering voor zoveel energie. Ze zijn in alle opzichten geslaagd, haar ouders. Behalve dan wat haarzelf betreft. Boordevol talent, veelbelovend en toch niet uit de startblokken gekomen. Wat durven ze vertellen over haar wanneer ze ergens op bezoek zijn en er wordt over de kinderen opgeschept? Ze blijf maar vasthangen in dat verleden, komt niet los van dat aardige nest. Haar dromen over net zo’n leven, met een grote vriendenkring, avontuurlijke reizen, veel cultuur, zwoele avonden vol discussie en galmende lachsalvo’s, een eigen, bloeiende zaak en de allure van een vrijgevochten, onafhankelijke vrouw. Niets daarvan heeft ze weten te realiseren. Ze hoort een auto dichtslaan op de oprit. Haar man is er. Hij vraagt haar wat ze aan het doen is. Wat ze gedaan heeft vandaag. Ze mompelt iets terug terwijl ze de tuin in loopt en naar de beek staart, daar waar het water een verdiepinkje valt en in een ijltempo wegstroomt.   Tompkin Square Park/Mumford and Sons- Ze is sinds gisteren in de rouw voor iemand die tien jaar geleden is gestorven. I am Heath Ledgeris heel heftig binnengekomen, de dood zelf, maar ook de kwetsbaarheid van het moederschap, de kwijtgespeelde jeugd, de verspilde talenten, de voorbije vriendschappen, de beloftes van die eerste liefde. Hoe je als een pijl zo de hoogte in kan schieten en zo nietsontziend prachtig kan knetteren, ze werd van haar sokken geblazen. De manier waarop hij zo onverdroten en bijna heldhaftig elk moment wil vastleggen, bevriezen, verdubbelen, vertienvoudigen, en tegelijkertijd zo veel aandacht en consideratie voor zijn vrienden hield, niet omhoogviel, wild bleef, zoals haar eerste lief, radicaal, voor zijn passie ging, geen aandacht voor de regels, zijn eigen pad volgen, mooi, om zachtjes te strelen, zo’n gezicht, bewust van zijn lichaam, dansend, aantrekkelijk, speels, eerlijk, geen doekjes, geen rol. Heel hard leven, niet stoppen, mensen meetrekken, aandacht vragen, ideeën hebben, ideeën uitvoeren, doen, niet twijfelen, springen, she was flabbergasted. Ze is gisteren op slag terug verliefd geworden op iemand die tien jaar geleden is gestorven. Iemand die ze altijd had willen zijn. Ze heeft haar ware ik gisteren ontmoet. Iemand zoals ze in haar eerste lief heeft ontmoet, en in haar beste vriend, en in diens beste vriend, en iemand zoals zij nooit meer zal worden wanneer ze nu rondom zich kijkt. Ze weent om een tijdperk dat voorbij is en het is hartverscheurend. Er is niemand over die het kan begrijpen.     2024   Zij heeft Gene en Tine uitgenodigd, en natuurlijk schuiven George, Ben en Maren aan. Patrick en de kinderen. Wanneer ze Limme op de binnenkoer de kaarsen ziet plaatsen, stopt ze met sla wassen en blijft ze voor het grote, open raam staan. Hij ziet er goed uit, haar oudste kind, zo groot en zo lenig. Zijn broek is te kort geworden, merkt ze nu. Als hij nu toch maar wat meer zou willen vertellen over wat er in hem omgaat, maar ze wordt uit die gedachte gerukt door Kasper Jan die met veel zwier de binnenplaats oprijdt en net voor zijn broer zijn fiets stevig doet slippen. Hij laat hem met een smak vallen en springt op de rug van zijn oudere broer. “Kasper jan, heb je die eetbare bloemen gevonden?” onderbreekt ze hun gedol. “Jip” roept hij terug en komt naar haar toe gelopen. Dat kind doet haar denken aan een frisse, volle boerenaardappel, vers van het veld. Hij is ook groot maar veel steviger, geblokter dan zijn broer, enthousiast, wild en onbekommerd. Hij doet niet liever dan met zijn handen in de aarde wroeten, zich vuil maken, de spieren gebruiken. Samen met hem stroomt er een heerlijk koele lucht binnen in de grote, oude leefkeuken. “Ik heb ook bessen geplukt, mama. Ik dacht: ‘die zullen haar sla extra pimpen’, en zodus, tada: besjes.” Hij opent zijn hand, toont zijn trofee en buigt zich naar haar toe, plakt een zoen op haar voorhoofd. “Gaan jullie vanavond spelen?” “We gaan wat jammenals je dat bedoelt, mama. We hebben niets voorbereid maar we doen wel wat. Liever geen drums, dacht ik, toch?”, dat laatste woord rekt hij en laat hij naar boven lopen. Hij doet dat expres en laat intussen zijn wenkbrauwen op en neer dansen. “liever geen drums, zoon” “Wie komen er?” “The Ususal Suspects: Gene en Tine, George, Ben en Maren, want het is haarboek. “Mmmm….., Guitige, Gulle Maren…. Mogen Karel en Toni ook mee aanschuiven, ze komen straks langs?” “Natuurlijk, maar dan moet je de tafel veranderen. Ik had voor negen gedekt. Vraag aan Limme of hij ook nog iemand verwacht.” “Neen, ik verwacht niemand”, lacht Willem Frederik die de deur openzwaait en op zijn moeder afstapt. Hij knuffelt haar en fluistert in haar oor: “de kaarsen: check”. “Zullen we vanavond de Ballade doen, Kaps?” Willem Frederik staat in het midden van de keuken, met de rug naar de piano, kin omhoog en de schouders naar achteren geklapt. Luid en zeer formeel declameert hij, zijn armen maken grote gebaren: “Frères humains, qui après nous vivez,N'ayez les cœurs contre nous endurcis,Car, si pitié de nous pauvres avez” waarna hij abrupt stopt en naar de sla op tafel staart. “Die salade is prachtig, mama, die paarse bloemen erin. Kan je die opeten?” Willem Frederik houdt van mooie dingen, heeft oog om kleuren te combineren, maar van praktische zaken kent hij niets.  “Het zijn viooltjes, natuurlijk zijn ze eetbaar, spast” antwoordt zijn broer schertsend maar liefdevol en tikt hem in het voorbijgaan op zijn woeste krullen. Willem Fredrik gaat hem achterna en knijpt hem in de lende.  “Flink hoor, dikzak, flink, flink, flink”. “Vergeet die tafel niet, Kasper Jan”, roept ze hen achterna, maar ze zijn al in de living verdwenen. Het huis is ruw, robuust maar gezellig. De zetels in de living lijken al een heel leven mee te gaan. Ze staan wat schots en scheef op de blauwe steen. De grote open haard doet heel het huis ruiken naar verkoold hout. Alle deuren staan hele dagen open, alsof iedereen op elk moment mag binnenwaaien: vrienden, katten, hommels, een verloren rups. Om op de binnenkoer te komen moet je eerst een poort door, volledig overwoekerd door klimop, en een pad langs. Wat dieper ligt de oude molen, met rechts het woonhuis, en dwars daarop het atelier. Ze kan er via de achterkeuken rechtstreeks binnen, maar dat doet ze nooit. Ze gaat naar haar werk via de binnenkoer. Dat zullen ze vanavond ook doen, voor het eten. Met z’n allen naar de overkant, waar Marens eerste boek ligt. Ze was meteen verkocht toen ze het werk van deze jonge vrouw voor het eerst zag. Ruwe, zelfzekeren lijnen, geblokte composities, nonchalante, ingekleurde vlakken en gedurfde kleurencombinaties. Het was een parel geworden. Het boek zou internationaal landen, daar was ze zeker van, en die euforie wilde ze vanavond in hun samenzijn voelen. Tot laat in de nacht samen eten en muziek maken, met de ramen van de keuken groot open. Geen kat die hen in de ruime omgeving kon horen.    

Sabine Steels
0 0