Lezen

Jaklientje

Mijn kater legde een muizenlijkje op de vloer naast de tafelpoot. In de verte was het een donkere vlek, een grillige vorm aan een draadje, het viel niet op in het geheel van de kamer. ‘Jaklientje,’ dacht ik, en ik sprak de naam drie keer uit om te proeven of hij wel naar dode muis smaakte.   Ik legde de muis op het blauwe deksel van een tupperware doosje, een vierkant, van die doosjes die je gebruikt om soep in te bewaren. Ze paste er precies in, behalve haar staart, die hing een beetje over de rand. Het einde van die staart was een lus, zoals een koord aan een muziekknuffel, en ik trok aan de staart van Jaklientje tot ze geluid maakte, maar ze verschoof alleen een beetje.   Ik legde het lijkje op de vensterbank omdat ik wilde zien hoe ze verging. Dat wilde ik vaker, zien hoe dingen vergaan. Planten, een appel, alles wat tijdelijk is, maar niet als het mensen zijn.   De voorpoten van de muis waren gekromd, je kon haar ergens over haken. Het oor waarop ze lag was verfrommeld, zoals spek wanneer het gebakken wordt, en het bleef zo staan omdat ze dood was. Op haar vacht was gekauwd, dat zag je, dus ik bestudeerde het gebit van mijn kat of ik zijn tandafdrukken herkende. Een boog kleine gaatjes en links moest er een gat zijn, want daar had hij een kankergezwel.   Aan de zichtbare kant van haar kop had de muis geen oog meer. Het was een gaatje, zoals een gaatje waar je een naald door haalt, en ik zag het voor me, hoe ze aan een draad geregen werd, een sleutelhanger, ik was blij dat ze al dood was.   Na drie dagen op de vensterbank was Jaklientje gekrompen. Ze leek niet meer op een slapende muis die toevallig dood was, maar op iets weerloos, een velletje met klitten eromheen. Ik nam haar omtrek met een lintmeter, ze was al voor de helft verdwenen, alleen de staart bleef intact. Ik probeerde een lijst te bedenken van dingen die intact blijven, maar zelfs de kleur van inktvissen verandert. En vroeger lustte ik slagroom, en nu niet meer.   De lucht boven de muis had toefjes slagroom. Ze zeggen dat de hemel bestaat uit springkastelen. Als er al een hemel was, dan wou ik dat Jaklientje stopte met verdwijnen, want zonder zwaartekracht zou ze alleen maar kunnen liggen, tot iemand vlak naast haar sprong en ze omhoog veerde.

Kristien Spooren
38 1

Mokerslag

  Aan de oostzijde van het dorp Halfstede, langs de rand van een groepje huizen die in eenzelfde zomer werden neergezet en er allemaal eender uitzagen, lag een klein parkje, een bescheiden stukje groen. Er stonden een paar bomen, één bank met de rugzijde naar straat gekeerd, aanleunend tegen een rij struiken,  en een bescheiden gazon waarvoor de gemeentediensten nauwelijks een half uur nodig hadden het om te maaien. Een kindvriendelijke toets werd bij de aanleg niet vergeten: een klimhuisje met een glijbaan van nog geen meter hoog, en twee wiebeltuigjes in de vorm van een paddenstoel op een grote veer gemonteerd. Kortom, een klein vredig plekje, een uitnodiging om te verpozen, gewaardeerd door iedereen in de buurt. Op een frisse, regenachtige morgen in maart verscheen een man in het park. Hij zette enkele stappen op het kleine grasveld, bleef staan, bracht zijn armen achter zijn lichaam en liet zijn jas in een paar schokjes van zijn rug glijden en op de grond vallen. Hij keek er niet naar om, alsof het een stuk afgeworpen dode huid betrof. Hij droeg een blauwe jeans en een lichtkleurig hemd, netjes alledaags. Hij was helemaal niet op het vervolg gekleed, want hij nam een bijl uit een tas, gloednieuw, plantte de steel stevig in beide handpalmen en klemde alle vingers er rond. Hij ging voor een boom staan. Plots dreef hij zonder aanleiding en met een ongeziene brutale kracht de bijl in de stam. Door de slag vluchtte een duif door de takken weg. Vloekend wrikte hij de bijl los. De vezels kraakten en hingen als stroeve draden uit de stam. Hij sloeg opnieuw, en opnieuw. Er leek geen welbepaalde plaats te zijn waar hij zijn bruut geweld op richtte. Hij sloeg enkele keren op de ene plaats en beukte dan op een andere, bedacht zich opnieuw en viseerde dan weer een andere plek. In zijn allesomvattende woede kwam hij handen tekort.  Het liefst had hij de boom overal tegelijkertijd willen treffen, op eenzelfde moment. Bij elke slag was er een dof trillend geluid dat in het vochtige hout uitstierf, en harsdruppels liepen dik en langzaam langs de stam naar beneden. De man kreunde bij elke uithaal zoals tennissers op televisie plegen te doen. Af en toe schreeuwde hij iets onverstaanbaars, haalde onverwacht een paar keer vastberaden uit naar de onderzijde van de stam, ging een stap opzij en zette plots zijn zinnen dan weer op een grote tak boven zijn hoofd. Hij maakte een paar keer gekke sprongetjes terwijl hij hem te lijf ging. Het duurde een tijd voor iemand het opmerkte, maar na twintig minuten stonden er een vijftiental omstaanders toe te kijken. ‘Wat bezielt die man toch?’ zei er iemand, en vertolkte daarmee iedereens indringende vraag.  Iemand wou op de woesteling afstappen maar werd door anderen tegengehouden. ‘Niet doen, het is een gek uit die instelling verderop.'  Het was waanzin wat ze zagen. ‘Hé, wat richt jij daar uit?’, riep tenslotte iemand vanop een veilige afstand. Hij hield niet op met de bijl in het hout te drijven, leek de man eerst niet te horen, maar zonder op te kijken schreeuwde hij zichzelf tussen twee slagen schor. ‘Laat me met rust! Bemoei je met je eigen zaken!’ Het was gewoonweg ontstellend zielig, de boom werd in zijn razernij onherstelbare schade toegebracht en was nu stervende. Overal stukken bast op de grond, zichtbare, verscheurde en gapende wonden in het bleke spinhout, loof dat overal verspreid lag, takken die op gebroken armen leken. 'Hebben we misschien bomen te veel in de wereld misschien?’ werd hem opnieuw toegeschreeuwd. Hij antwoorde niet meer, speeksel liep langs zijn wang en in zijn haar, zijn hemd hing uit zijn broek, een kleed in zwijgzaamheid gehuld dat somber en gevaarlijk aanvoelde.   Iemand belde de politie. Toen twee eenheden zonder sirene en zwaailichten maar wel in kogelvrije vesten arriveerden lag de boom geveld op zijn zijde, en zag eruit alsof hij urenlang een tyfoon het hoofd had moeten bieden. Het was niet genoeg dat hij tegen de grond lag. De man hakte en houwde verder. Een agent beval hem onmiddellijk op te houden. Hij hield inderdaad even halt maar sprak vreemd genoeg de boom aan. ‘Sapstroom ? Waar ben je ? Sapstroom?’ Daarna begon hij te huilen. Het leek op het huilen van zijn prille begin als kind, wanneer zijn moeder hem voor de eerste keer naar de kleuterklas bracht. De agent keek zijn collega aan en fluisterde. ‘Compleet door het lint. Hou je klaar.’ De agent probeerde hem al pratend te bereiken en sprak hem verzachtend als een grote broer toe. ‘Zie je, je hebt hem omgehakt nu, je hebt je doel bereikt. Je bent klaar hé? Kun je die bijl een eindje van je weggooien? Dan kunnen we rustig even praten.’ Voorovergebogen keek de man de agent aan terwijl hij zwaar stond te snuiven, zijn borstkas hevig op en neer ging, de bijl rustend op zijn knie. Een splinter hout lag op zijn onderste lip. Het leek even of hij ging braken terwijl hij het tesamen met andere troep uitspuwde. Iemand zei: ‘Drugs natuurlijk’, wat op veel bijval kon rekenen. ‘De druk op de gezinnen mag je tegenwoordig ook niet onderschatten’ zei een ander. ‘Ze persen je uit als een citroen, straks werken we tot ons tachtigste.’  Maar allemaal waren ze het er over eens dat bomen onschuldige wezens waren die ’s nachts zuurstof afgaven en daarom met grenzeloos respect bejegend moesten worden. ‘En, wat denk je? Kan je mij  jouw naam zeggen?’  vroeg de agent rustig. Het enige antwoord dat volgde was een onbedaarlijk snikken dat in alle hevigheid weer toenam. ‘Man, ik zie dat je het moeilijk hebt’ zei de goed opgeleide agent. Plots, met een krachtige haal die alle vorige overtrof, dreef hij een laatste keer de bijl in de verwoeste stam en liet hem daar zitten. Vanaf dan ging het snel. Bijna ogenblikkelijk wierpen drie agenten zich op hem, spreidden armen en benen in veiligheidshouding op de grond uit en fouilleerden van boven naar beneden. Voor de nieuwtjes onder hen was het een goede praktijkoefening. Onder de wirwar van armen en benen zag je de man niet meer liggen. Hij bood geen weerstand. Je hoorde hem alleen roepen.  ‘Geen vruchten meer ! GEDAAN ! Niet groen, maar ZWART ZWART ZWART ! ‘ De politiemannen zeiden niets terwijl hun volle aandacht naar het in hechtenis nemen ging. Ze brachten zijn polsen samen op zijn zijn rug en boeiden hem. Net op dat moment kwam een fietser langs, zag de twee politiewagens en het tumult op het gras. Nadat hij door het groepje toeschouwers uitvoerig op de hoogte werd gesteld fronste hij zijn wenkbrauwen terwijl de man werd weggeleid. ‘Is dat Peter Van Hul niet?’ zei hij hoogst verwonderd. Alle ogen keken naar de man op de fiets. ‘Hoezo, ken je hem?’ ‘Natuurlijk. Peter heeft hier vlakbij gewoond. Onze kinderen zaten bij elkaar op school. Af en toe hoorde ik nog iets van hem, maar ik had onlangs liever niet vernomen dat zijn dochter Judith in een ongeval om het leven was gekomen. ‘O, maar die arme man is gek geworden! ’ viel iemand hem bij. De man op de fiets keek naar de plek en staarde naar de boom die in een deplorabele toestand op de grond lag. Hij speurde het park af en begon zich iets te herinneren. ‘Ik geloof dat…’ Hij zocht in zijn geheugen naar steunpunten. ‘Het is nog altijd geen reden om de natuur zo te vernietigen als ik het eerlijk mag zeggen’ zei een oudere vrouw. Dit keer zei niemand iets. ‘Ik geloof dat die boom daar...’ ‘Wat dan?’ Alleen wie dicht genoeg stond kon het hem horen zeggen. ‘Ze hebben die boom daar bij haar geboorte geplant.’  

Lode Van Wabeke
0 0

HUGO

Ik adem diep in, open de deur en stap de danszaal binnen. Mijn voeten draaien zich vanzelf in de eerste positie wanneer ze de vertrouwde houten balletvloer raken. Mijn rug recht zich, mijn kin gaat lichtelijk omhoog en ik wandel de zomer van het jaar tweeduizendvijf binnen. ‘Is het dansant genoeg?’ Hugo staat voor me en wipt van het ene been op het andere. Hij heeft een tutu van witte repen papier aan, met daaronder een witte onderbroek. Verder is hij naakt. Ik ben eenentwintig en ik heb er net het eerste jaar filmschool opzitten. Ik heb even lak aan alles wat kunstzinnig en cultureel verantwoord is. Vakantie is er om de ‘Elle’ te lezen en naar Madonna te luisteren. Zoals Hugo hier voor me staat, een late veertiger in wit papieren rok, weet ik niet goed hoe ik me daarbij moet voelen. ‘Snap je de intensiteit mijn choreografie? Zie je de streep poëzie in mijn bewegingen?’ vraagt hij, nu met lichte aandrang. ‘Hoe bedoel je dat net, Hugo?’ vraag ik en trek mijn ogen tot spleetjes. Ik probeer tijd te kopen, zodat ik een fatsoenlijk antwoord op zijn vraag kan bedenken. ‘Kijk,’ zegt hij, duidelijk leerkracht in het dagelijkse leven ‘dansen is een taal. De focus ligt op één lichaamsdeel, maar je hele lichaam moet volgen. Wanneer de initiatie bijvoorbeeld niet in je benen zit, kunnen zij zich toch verplaatsen om de beweging te faciliteren. Dat kan cerebraal starten, maar dan moet je het lichaam laten overnemen. Alsof je sporen nalaat, een combinatie van gevoel, lichaam en hoofd. Spanning creëren enzo.’ Ik knik, maar heb geen idee wat Hugo me net heeft willen duidelijk maken. ‘Maar de vraag is: is ze dansant genoeg, mijn choreografie?’ herhaalt hij. ‘Euh ja,’ antwoord ik met lichte twijfel. ‘Doe het anders nog eens, je dansje.’ ‘Mijn choreografie,’ verbetert Hugo me. Hij loopt parmantig naar de stereoketen en start zijn muziek: ‘Light my fire’ van The Doors. Zeven volle minuten geeft Hugo alles wat er in zijn ontblote lijf zit. Wanneer het einde nadert, verliest hij zich in een pirouette waarvan ik denk dat hij er nooit meer uit zal raken. Het heeft iets wanhopig en aandoenlijk tegelijk. De witte papieren rok scheurt en Hugo valt als de stervende zwaan op de grond. Ik hou mijn adem even in, maar voor ik hem kan helpen staat Hugo al weer op. ‘En?’ hijgt hij. ‘Ja, heel dansant,’ zeg ik vol overtuiging. Het erge is, dat ik het nog meen ook. De kwetsbare passie die ik net bij Hugo zag, hebben vreemd genoeg mijn ogen geopend. Zijn dans op zich was misschien niet geweldig, maar ik heb het gevoel dat ik recht in de ziel van deze man heb gekeken. Soms is het een kunst, om kunst te zien. Er rolt een wit pluisje over de dansvloer. Lichamen vouwen zich als zoekende kunstwerken op de zwevende parketvloer. Altijd anders, altijd mooi, altijd aandoenlijk. Het is weer tweeduizendachttien. Mijn ogen prikken en zoals elke zomer vraag ik me af of Hugo nog zou dansen.   ‘Hugo’ schreef ik deze zomer in de Zomeracademie Dworp en verscheen deze week in het online literair magazine De Vallei Nr39 op pagina 36.https://devallei.wordpress.com/  

Ans DB
0 1

IJsbreker

Er zijn momenten geweest waarin ik dacht dat hij me echt zag. Zijn ogen stonden zo vol begrip en medeleven, dat het niet anders kon dan dat hij me aannam voor wie ik was.   Hij zag MIJ.   Hij zag me op momenten dat ik mezelf niet kon zien. Ik ben hem ontzettend dankbaar daarvoor, meer dan dat ik in staat ben uit te drukken.   Ik ben niet aandachtig genoeg geweest tijdens die momenten, mijn hart en gevoelens waren bevroren. Het is pas achteraf dat ik heb beseft hoe hij mijn ijs heeft laten smelten, geleidelijk aan. Haast onmerkbaar.   Deze dagen kom ik door met een rugzak vol spijt. Spijt dat ik me aan hem heb vastgeklampt, spijt dat ik hem te dicht heb gelaten om hem vervolgens niets te zien doen met al die informatie die hij over me kreeg.   Spijt.   Er is te veel om op te sommen.   Soms denk ik dat hij me nu nog steeds ziet, al is het maar een fractie van een seconde, maar het volgende moment verstaat hij me terug mis. Het is onmogelijk uit te drukken hoe hard het kwetst wanneer hij me verkeerd opvat.   De onzekerheid of hij me ooit wel heeft gezien voor wie ik ben, komt dan naar boven, gevolgd door alle momenten waarop ik me kwetsbaar opstelde.   Ik heb enkel vragen, geen antwoorden.  Waarom stelt hij zich zo op alsof er niets is gebeurd? Heb ik het me verbeeld?   Hoe denkt hij, die prachtige persoon dat hij lijkt te zijn, over iemand zoals ik, gevangen tussen de persoon die ik wil zijn en de persoon die ik ben?   Voel ik me zo tot hem verbonden door zijn lichtblauw gekleurde irissen, die zich al zo vaak in mijn onderbewustzijn hebben gewaagd? Hij liet mijn ijs smelten door me hoop te geven; niet alleen dat, hij schonk me de kracht van het verlangen.   Maar ik, verwend dat ik ben, had veel meer nodig dan gewoon een ijsbreker. Want wie zou me opwarmen na die ijskoude ervaring?

Justine-e
0 0

De wachter van Rubjerg Knude Fyr

De ijzige wind sloeg genadeloos toe op de kale krijtrotsen. De laatste jaren hadden de natuurkrachten lelijk huis gehouden op de laatste vuurtoren van de streek. De meeste van de rotsen waren ondertussen bijna volledig afgebrokkeld, waardoor de vuurtoren elk moment dreigde in te storten, al tuimelend de dieperik in. Wanneer dit kon gebeuren, kon niemand vertellen. Het kon elk moment gebeuren, maar evengoed kon het er nog enkele jaren tegenaan. Iedereen vroeg zich af waarom Erland weigerde te vertrekken. Emotioneel gebonden, zoals hij het altijd mooi kon verwoorden. Maar de laatste tijd leek het alsof hij stilaan toch begon te twijfelen. Hij kwam in ieder geval verward over volgens de trouwe wandelaars die er wekelijks passeerden, steeds verloren lopend in zijn eigen, diepe gedachten. Onwetend wat er echt in Erland omging.   De laatste donderdag van November had Erland er genoeg van. Vandaag zou het gebeuren, had hij beslist. Het moest uitsluitend vandaag. Hij trok zijn laatst gekochte kostuum aan, een donkerblauw driedelig maatpak van Zegna, en knoopte zijn das. Het was even geleden, maar de handeling zat er nog steeds ingebakken. Een laatste spier herinnering aan zijn legerdienst. Hij greep zijn nieuwe loafers en deed deze zorgvuldig aan. Hij wilde er absoluut piekfijn uitzien voor deze gelegenheid. Loafers vond hij gemakkelijk, ook al zag hij nog steeds een klassiek geklede schoen nog altijd het liefste. Sinds het ongeval kon hij echter niet meer zo goed door zijn rug, dus wilde hij de simpele handeling van veters knopen liever achterwege laten. Zijn ogen dwaalden nog een laatste keer door de vuurtoren, zijn hand al glijdend over de zetel waar hij de laatste jaren elke avond in doorbracht. Een langspeelplaat van Miles Davis, een kop warme koffie en een boek van zijn favoriete auteur, meer had hij niet nodig. Een TV had Erland niet; hij wilde niet gehersenspoeld worden door alle hersenloze inhoud van wat ze tegenwoordig hoogstaande televisie noemden. Dit was dan ook het eerste dat hij had weggegeven. Nadien volgden steevast het merendeel van zijn bezittingen. Hij wilde een simpeler, minimalistisch leven leiden. Eén met de natuur rondom, dat was zijn grootste wens. Vandaag, vandaag ging het werkelijkheid worden. Hij liep door de grote, houten deur en liet zijn hand nog een laatste keer rusten op het hout dat de natuurkrachten met trots had doorstaan. Zo wilde Erland ook zijn, gehardend door al de gebeurtenissen in zijn leven, maar hij kon het niet. Een gebroken man stond nu buiten aan de vuurtoren van Lønstrup.   De natuur had ervoor gezorgd dat de hele omgeving omringd werd door duinen. Op een warme zomerdag waande je jezelf in de Sahara woestijn. Doorheen de jaren begon het zand meer en meer ruimte in te palmen. Begin dit jaar begon het uiteindelijk ook de vuurtoren te consumeren. Stuk voor stuk werden de duinen groter en groter, tot het tenslotte het licht van de vuurtoren blokkeerde en het compleet van zijn enige taak ontnam. Het lot van de toren werd hiermee bezegeld. Binnen dit en een jaar zal het ofwel volledig verdwijnen onder een dikke zandlaag of het zou te pletter storten in de oceaan. Erland probeerde de diepe zandputten te vermijden. Gelukkig lagen de meeste aan de andere kant van de toren. Met kleine, welgeplaatste stappen verplaatste hij zich richting de kliffen. Een laatste blik werpen op de woeste oceaan, dat is wat hij wou. De plaats waar hij verscheidene schippers de weg toonde in deze woeste wateren. Hij had een vaste plaats waar hij vroeger met Laerke, zijn vrouw, kwam kijken naar het ontembare water. De momenten dat hij kwam kijken met haar leek het water rustiger dan anders. Het was alsof ze ook een kalmerend effect had op de oceaan, net zoals ze dat ook had bij Erland. Het duurde echter niet lang voor deze plaats en de bijhorende herinneringen aan zijn vrouw, hem emotioneel maakten en de eerste tranen uit zijn ogen ontsnapten, die bijna onmiddellijk door de wind werden opgeschept. Dit was het, dit was het moment dat alles zou eindigen voor hem.   Erland nam een laatste keer diep adem, knoopte netjes zijn vest dicht en trok zijn das millimeter juist. Hij maakte zich klaar om één laatste grote stap te nemen in het oneindige. Eén grote stap en een grote dosis moed was al wat hij nodig had op dit moment. Het laatste beeld van de oceaan stond op zijn netvlies gebrand zodra hij zijn ogen zachtjes sloot. Erland raapte al zijn moed bijeen en maakte zich klaar om zijn laatste daad als vuurtorenwachter te verrichten. Net op dat moment voelde hij iets langs zijn benen bewegen. Zijn verbazing was groot toen hij een zwarte kat opmerkte, strijkend langs zijn benen. Dit was de allereerste keer dat Erland hier een dier zag dat geen vogel was, laat staan dat hij hier een huiskat zou tegenkomen. Zijn ogen werden begroet door twee, grote starende kattenogen, zonder ook maar één keer te knipperen. Het leek net alsof het iets wou van Erland. Nooit had hij verwacht dat hij op zijn laatste dag verwikkeld zou geraken in een staarwedstrijd met een typische huiskat. Uiteindelijk moest hij het onderspit delven en kon hij het niet laten om als eerste te knipperen. Vol trots strijkte de kat een laatste keer langs zijn been om zich nadien te begeven naar de bank waar Erland altijd met zijn vrouw ging kijken naar de golven. Toen Erland zich terug richting de oceaan keerde, werd hij tegengehouden door luid gemiauw. Het was alsof deze kat hem riep naar zijn vertrouwde plek. Het gemiauw werd steeds luider en luider, tot het moment dat hij het niet meer kon negeren en hij richting de zitbank werd aangetrokken.   Erland maakte zijn vest los en nam plaats op de bank. Zodra hij nog maar het hout rakelings raakte, duwde de kat haar kop tegen zijn zij. Het was niet meer dan een lichte aanraking, maar Erland voelde vrijwel meteen een vertrouwensband met het dier. “Wat is er allemaal?” vroeg hij terwijl hij zijn hand liet neerdalen op het voorhoofd van de kat. Hij wist zeer goed dat een kat natuurlijk niet kon antwoorden op zijn vraag, maar dit weerhield hem echter niet om zijn vraag toch te stellen. Niet dat hij een antwoord verwachtte, maar het zat in de menselijke aard om dit te doen. Niettemin hielp het tegen het eenzame gevoel dat hij al dagen met zich meedroeg. “Wat doe je hier toch? Dit is helemaal geen plaats voor een kat!” Als een manier van antwoord nestelde de kat zich helemaal in tegen de zij van Erland. Minutenlang keken ze zo samen naar de neerslaande golven. “Weet je,” de stilte doorbrekend, “Ik kwam hier eigenlijk naartoe om er een einde aan te maken.” Niet dat de kat hem überhaupt begreep, maar toch vertelde hij verder. “Ze hebben besloten om uit veiligheidsredenen de vuurtoren te verlaten. Dit was nog de enige bezigheid die ik had na de dood van mijn vrouw.” De kat gaf een iets harder kopje, gevolgd door spinnende geluiden. “Ah zo, je wil meer weten over mijn vrouw?” Erland staarde een tijdje naar de kat, alsof hij nog steeds op een antwoord wachtte. “Wel,” begon hij te vertellen, “Ik leerde Laerke kennen vlak voor ik naar de oorlog vertrok. Je kan je natuurlijk inbeelden dat dit niet zo gemakkelijk was, voor geen van beiden.” Erland begon plots te lachen toen hij besefte dat hij nog steeds tegen een kat aan het praten was. “Natuurlijk kan je je dat niet inbeelden, haha. Maar goed, doorheen de hele periode dat ik overzee was hielden we contact door middel van brieven. Ik kan me inbeelden dat dit een heel bange periode voor haar was. Nooit met zekerheid weten of ik wel heelhuids naar haar zou terugkeren. Het geluk kon dan ook niet op toen ik onaangekondigd voor haar deur stond met een boeket bloemen en een amulet die ik speciaal voor haar had uitgekozen. Op een lokaal marktje viel mijn oog net op een amulet in de vorm van een apenhand die een heilige steen uit de Mekong rivier vasthield. Deze waren blijkbaar door een sjamaan gebruikt bij zogenaamde genezingen. De amulet zou dan op de te behandelen plaats worden gelegd als hulpmiddel bij een genezing. Volgens mijn toenmalige gids waren amuletten zoals deze vrij tot zeer zeldzaam. Dus natuurlijk twijfelde ik geen seconde en kocht hem met mijn laatste lokale munten. Laerke had een fascinatie voor apen, dus ik wist met absolute zekerheid dat ze hier blij mee zou zijn.” De wind was ondertussen geminderd en geleidelijk aan begonnen er kleine openingen te ontstaan in het dichte wolkenpak boven de kliffen. De verdwaalde zwarte kat lag nog steeds in Erland zijn zij gekruld, nog steeds spinnend van tevredenheid. Erland kon zelf ook niet geloven dat zijn humeur stilaan beterde. Zijn rechter mondhoek ging een klein beetje omhoog. Het was duidelijk dat hij een glimlach probeerde te onderdrukken. Ook al zou hij het zelf niet zo snel toegeven, maar dit deed hem deugd. Zijn verhaal ging verder.   “Het was moeilijk om mij terug aan te passen aan de maatschappij nadat ik van de oorlog was teruggekeerd. Niet dat ik vreselijke dingen had gedaan, maar het was tenslotte een oorlog. Verschrikkelijke dingen heb ik gezien, terwijl ik machteloos stond toe te kijken. Nu zouden ze dit posttraumatische stressstoornis noemen, maar deze diagnose bestond toen nog niet. Gelukkig had ik Laerke die me erdoor hielp. Zonder haar zou ik er nu waarschijnlijk niet meer zijn. Maar ook zij kon mij niet beletten om een toevlucht te zoeken tot alcohol. Whisky en absint waren mijn beste vrienden. En nu, nu zijn ze mijn ondergang geworden. Het waren zij die mijn leven verwoest hebben, in samenwerking met mezelf.” De kat maakte zich los van Erland en kroop met uiterste zachtheid op zijn schoot. Een paar zachte dabjes met zijn voorpoten was al de voorbereiding die ze nodig had om zich tot een balletje om te vormen. Erland liet zijn hand rusten op de kleine zwarte pluisbal op zijn schoot. Met elke ademhaling voelde hij zijn hand op en neer gaan. “Ik had moeite om een job te behouden. Ik ging van de ene werkplaats naar de andere. Door mijn dienstplicht heb ik mijn studies nooit kunnen afmaken, dus werken met mijn handen was al dat ik kon. Ik ging van timmerman naar loodgieter, van houthakker naar dakwerker, maar door mijn aanhoudende drankprobleem kon ik het nergens langer dan een jaar uithouden. Uiteraard had ik verscheidene pogingen ondernomen om er vanaf te geraken, maar telkens gebeurde er iets waardoor ik herviel in de wereld van alcohol. Tot er iets gebeurde dat heel mijn wereld ondersteboven zette, dat mij wakker heeft geschud. Helaas met een onbetaalbare tol, het leven van mijn vrouw.” Een traan ontsnapte langs zijn linker ooghoek. Het begon met één, maar door deze gebeurtenis terug op te rakelen, volgde er snel een rivier van verdriet.   “Na mijn zoveelste ontslag ben ik op een avond dronken achter het stuur gekropen. Ik dacht dat ik hiertoe nog in staat was, in die mate dat ik zelfs een fles whisky in mijn hand had achter mijn stuur. Ik was bijna thuis, zag onze oprit steeds dichterbij komen, toen plotseling mijn fles uit mijn hand op de vloer viel. In mijn toestand wilde ik geen druppel van mijn vloeibare vrienden verspillen, dus ik bukte mij om het op te rapen. Had ik dit niet gedaan , had ik waarschijnlijk gemerkt dat Laerke naar buiten was gekomen en mij stond op te wachten op de oprit, aan het begin van de straat. Ik merkte pas wat er gebeurd was toen de auto tot stilstand was gekomen tegen de garagepoort. Laerke was op slag dood en zat nog steeds gekneld tussen de wagen en de garagepoort.” Deze gebeurtenis had Erland gebroken. Sinds dat moment heeft hij nooit meer in een auto gezeten, zelfs niet als passagier. De zwarte kat keek hem aan met grote, gele ogen. Het was alsof Erland naar een volle maan in een ver melkwegstelsel aan het kijken was. Toen de kat zich nogmaals omdraaide en in een andere positie ging liggen, viel het hem pas op dat het een witte plek had op haar borststreek. Een vorm die hij vaag herkende, maar voor hij deftig kon kijken, plaatste ze haar kop terug op zijn schoot. “Ik wou mij volledig afzonderen van de wereld,” ging Erland verder, “toen er een vacature als vuurtorenwachter vrijkwam aan de andere kant van het land, greep ik deze kans met beide handen. Ik verdiende het in mijn ogen niet om nog langer actief te zijn in de gemeenschap. Dus dit was de ideale manier, afgezonderd en ik kon boete doen om toch nog mensen te helpen. Talloze schippers heb ik op deze manier gered. Het is pas nu dat ik vind dat ik ook nog maar een klein beetje van boete heb gedaan voor mijn daad, ook al zal het nooit genoeg zijn.” Nu ze ook dit van hem zouden afnemen, zag Erland nog maar één uitweg, één worden met de natuur, want zoals de vuurtoren Rubjerg Knude Fyr heeft duidelijk gemaakt: de natuur overwint altijd!   Erland maakte aanstalten om recht te komen, waardoor de kat van zijn schoot sprong. Erland stond recht, maakte de knop van zijn vest terug vast, aaide de zwarte kat nog een laatste keer over haar kop en keek in de richting van de kliffen. De oceaan was nog steeds ruw en golven sloegen hardnekkig toe op de rotsen. De zon had ondertussen alle wolken verdreven. Een idyllisch plaatje voor zijn laatste daad als vuurtorenwachter. Stap voor stap begaf hij zich richting de afgrond. Net voor hij het einde naderde, hoorde hij een luid gemiauw, komende van de bank waar hij net zijn levensverhaal had verteld. Toch kon Erland het niet laten om nog een laatste keer achterom te kijken. Daar zag hij in de verte de vuurtoren. Vanaf hier zag hij pas hoe genadeloos de natuur had toegeslagen. De onderste gebouwen waren bijna volledig bedolven onder het oprijzende zand van de duinen. Het was een wonder dat hij nog steeds binnen en buiten kon. Hij liet zijn blik neerdalen richting het bankje, waar hij de zwarte kat rechtop zag zitten met haar staart rond haar voorpoten gewikkeld. Haar goudkleurige ogen staarden diep in zijn ziel. Toen merkte Erland de witte vlek op haar borst op, een kleine plek in de vorm van een hand. In het midden zat nog een klein zwart vlekje, net zoals de amulet die hij van Laos had meegebracht voor Laerke. Vrijwel meteen viel Erland op zijn knieën in het zand. Zijn handen bedekten zijn ogen en niet veel later barstte hij in tranen uit. Eindelijk had hij het gevoel dat hij niet meer alleen hoefde te zijn. Zijn taak als vuurtorenwachter zat er eindelijk op.

Nick Van Loy
22 0

Verlamd

Verlamd van angst. Dat zou ik wel willen zijn. Maar dat ben ik niet. Ik ben verlamd tot in de eeuwigheid. Mijn linkeroor en linkerteen kan ik bewegen. That’s it. Ik ben 16. De man die mij aanreed 34. Ik had een vriendje, Kane, en ik was populair. Ik dacht dat ik vrienden had. Maar blijkbaar niet. Je ware vrienden leer je kennen als er iets ergs gebeurd. Wie er dan voor je klaarstaat, dát zijn goede vrienden. Enkel mijn vader komt op bezoek. Mijn moeder heeft het te druk met Calvin en Cameron, mijn  kleine tweelingbroertjes. En soms komt Riley. Mijn zus van 24. Ik ben Avalon, en dit is mijn verhaal. Het was een weddenschap. Cameron zat om geld verlegen en Calvin wou hem niet lenen. Hij daagde me uit. De auto’s in onze straat reden snel. Dat wist iedereen. Ik moest vlak voordat de auto langsraasde over de weg sprinten. Anders kreeg hij €10. Ik wou het niet doen, maar Jackson kwam erbij, een goede vriend van me voor de ontknoping wie mijn vrienden eigenlijk echt waren, en hij zei dat als ik het zou doen, ik van hem €20 zou krijgen. Ik was ook niet bepaald rijk, dus ik ging de uitdaging aan.   Je denkt natuurlijk dat ik te laat naar de overkant sprintte en dat de auto tegen me knalde. Dat was niet zo. Ik was probleemloos aan de overkant geraakt. Het gebeurde toen mijn broertje wou oversteken. Ik zag dat hij te laat aanzette. Ik zag dat hij het niet zou halen. Ze noemen het zelfopoffering. Ik noem het De Reflex Van Liefde. Het gebeurde vanzelf. Ik sprong naar Cameron en smeet hem aan de kant. Ik droom elke nacht terug van zijn gelaat, zijn gezichtsuitdrukking toen hij zag dat hij het niet zou halen. De opluchting toen ik hem aan de kant smeet. De verbijstering toen hij zag hoe ik werd overreden. Platgewalst. Uitgeperst. Ik was populair op school. Ik was mooi, had amandelvormige, blauwe ogen, en gitzwart haar. Ik had van nature lange wimpers en ik had vrolijke kuiltjes in mijn wangen. Ik was al 3 jaar met Kane samen. Ik hield oprecht van hem. Ik dacht hij ook van mij. Hij is me niet één keer komen opzoeken in het ziekenhuis. Volgens zijn profielfoto op Facebook was hij de dag na het ongeval al met Amalia. Van mijn klas zijn Cheyenne en Nevaeh geweest. Eén keer. Om huiswerk af te geven. Huìswerk! Alsof ik nu huiswerk kan maken. Ik kan niet eens spreken! Ik lig gewoon te liggen en filmpjes te kijken op het grote tv-scherm aan het voeteinde van het witte ziekenhuisbed. Ik hunker naar mijn kleerkast met allerlei kleren van mijn favoriete merken, zoals Forever 21, Sephora en Coco Chanel. In plaats daarvan kan ik niet eens vràgen of ik iets anders aan mag dan deze oude omaonderbroeken en -overhemden.   Voor de zevenduizendste keer komt Spongebob op de televisie. Ik kan mijn hoofd niet afwenden. Dat is best jammer. Nu ben ik verplicht om naar de onzin van Spongebob en zijn vrienden te luisteren. Ik moet een manier vinden om te communiceren. Dit gaat niet langer. Ik wil niet voor de rest van mijn leven naar een levende spons kijken. Waarom zouden mensen Spongebob mooi vinden? Hij heeft één van de beroemde zeven schoonheden (spleetje tussen de voortanden). Ik heb er vier. Contrast in het kleur van mijn haar en mijn ogen, kuiltjes in de wangen, lange wimpers en amandelvormige ogen. Pfuh. Ben ik lekker mooier dan een spons. Ik geef het op. Ik kan het niet meer aan. Ik pak de afstandsbediening en zet de tv uit.

Xanthippe Aetrelli
0 0