Lezen

Meneer K. Goossens

Meneer K. Goossens parkeert zijn Opel Corsa binnen de lijnen. Hij stapt uit, sluit de wagen af en loopt een keer helemaal rond. Ja, hij staat in het vak, het rechterachterwiel op de witte lijn, maar dat is nog binnen. Toch, zoals in het voetbal? Hij twijfelt even, de autosleutel nog in zijn hand, maar besluit het zo te laten. De Opel Corsa is de enige wagen op het parkeerterrein. Hij knoopt zijn petroleumkleurige mantel dicht – te laat om de koude rilling over zijn rug te voorkomen – en wandelt in de richting van het water. Zijn stadse schoenen soppen in het drassige gras tussen het parkeerterrein en de rivieroever. Meneer K. Goossens tracht er niet aan te denken hoe het zachte, glimmende leer in aanraking komt met modder of vuiligheid. Hij zet grote stappen om snel op het jaagpad te zijn. Dan ziet hij een eind verderop een kiezelpad dat hij had kunnen nemen. Hij keert zich af van het hinterland en richt zijn blik op de stroom. Het water vloeit als vanouds; de tegenwind laat nu en dan een golfje oprijzen dat snel, met een zachte plons, weer opgaat in de watermassa. Geen nieuws hier. Aan de overzijde liggen akkers en weiden, de gesloten fabriek en het huisje van Deirdre. Meneer K. Goossens schuift zijn linkermouw lichtjes omhoog om de tijd af te lezen van zijn Ruckfield-horloge: twintig voor vijf, bijna. Te vroeg natuurlijk, zoals altijd. Hij neemt nooit het risico om te laat te komen. Hij vreest de rampen en cataclysmen die verborgen liggen achter de tijd. Hij zet zich schrap, ademt diep in, ruikt de geuren van de andere oever: omgespitte aarde, koeienmest, tractordiesel. Hij probeert de rivier zelf te ruiken, maar die mikt op zijn andere zintuigen. De laaghangende zon die hard in het water kaatst, de kilte van de wind die tegen de dijk op kruipt.  Op het water drijft een plastic fles, voor de helft gevuld met een bruine vloeistof. Meneer K. Goossens volgt de fles op haar reis naar zee. Even wordt ze opgetild door wind en golven. De vloeistof ontploft, schittert in de zon. Het doet hem denken aan mazout, zoals het mengsel van bier en cola vroeger werd genoemd. Hij lustte het toen wel. Net genoeg alcohol om een beetje te ontspannen, maar het bleef toch onschuldig en zoet. Zoals hijzelf had kunnen zijn. Hij proeft de smaak nu in zijn mond: peperkoek, of nee, karamel. Moet een chemische reactie geweest zijn tussen de suiker en de alcohol. Het plakte aan je tanden.  Opnieuw raadpleegt hij de Ruckfield. Er zijn nauwelijks vijf minuten voorbijgegaan. Om vijf uur wordt het donker, dan kan hij zien of er licht brandt in het huisje van Deirdre. Meneer K. Goossens recht zijn kraag, graaft zijn handen diep in zijn zakken en geeft de wind vrij spel met zijn haren. Het ene moment stijgen zijn lokken ten hemel, meteen daarna valt een gordijn voor zijn ogen. De duisternis. Niets meer zien. Hij laat het gebeuren. Het overkomt een ander, een vreemde man aan de rand, de benen lichtjes uit elkaar om de schokken op te vangen. De windschokken. Hij aanschouwt zichzelf, pas wanneer de kou zijn lippen uitdroogt wordt hij weer één. Hij likt zijn lippen, proeft karamel. De wind die zijn mond verdort, maakt zijn ogen vochtig. Hoe vreemd is de wereld. Het landschap valt uiteen in duizend facetten. De vogels sluiten de dag, de tractor trekt een laatste voor. Het water borrelt en bruist. Plots is alles luid. Hij hoort hoe Deirdre de deur opent en het licht aanklikt. Zijn mouw wrijft zijn ogen droog. Het is waar: er brandt licht in het huisje waar hij had kunnen zijn. Maar hij is hier, niet aan gene zijde. Meneer K. Goossens bewaart afstand. Deirdre weet niet langer wie hij is. Laatst zag hij haar bij het postkantoor. Ze haalde een pakje uit de muur, ja, zij gaat mee met de tijd. Hij zei geen woord, knikte of glimlachte zelfs niet. Ze liep hem zonder boe of bah voorbij, spoedde zich naar haar Toyota vol modderspatten en miste bij het uitrijden maar net de slecht geparkeerde Opel Corsa. Hij keek haar even na, ging dan het kantoor binnen om postzegels te kopen. Hoe donkerder de rivieroever wordt, hoe lichter en warmer lijkt het leven achter Deirdres ramen. Meneer K. Goossens ziet beweging. Ze bergt haar boodschappen op, denkt hij. Ze zet de kachel hoger, denkt hij. Ze neemt een boek uit de kast, denkt hij. Dan loopt ze naar het raam en sluit de gordijnen. Dag Deirdre. Gaat ze het avondmaal bereiden, of zet ze zich met haar boek dicht bij de kachel? Hij knijpt zijn ogen bijna dicht om iets te kunnen onderscheiden achter de gordijnen. Even snel als het stromende water gaat een gedachte door hem heen: hij kan in de Opel Corsa stappen en naar de noordoever reizen. Van het parkeerterrein naar de hoofdweg, twee kilometer tot de brug, net voor het dorp links afslaan, de onverharde weg door het bos, plassen, spatten, takken, krassen, de lichten gedimd om dieren en Deirdre niet te verontrusten, de open plek in het bos, parkeren voor de slagboom, huiveren in het maanlicht, te voet het laatste deel van het pad naar de rivier, halt houden voor het huisje, twijfelen, woorden zoeken, ken je me nog?, betere woorden, ik was toevallig in de buurt, mooiere woorden, je huisje is bouwvallig, andere woorden, bevallig, bedoel ik, vragende woorden, waarom?, doorvragende woorden, waarom wou je niet mevrouw K. Goossens zijn? Onbewogen laat hij zijn blik een laatste keer de rivier oversteken. De nacht neemt het landschap in bezit. Alleen het zwakke licht achter de gordijnen zweeft als verloren vierkantjes door het zwart. Meneer K. Goossens besluit het hierbij te laten en loopt terug naar de Opel Corsa. Hij doet zijn vuile schoenen uit en legt ze in de koffer. Wanneer hij vertrekt, bedient hij de pedalen met kousenvoeten. Het doet een beetje pijn.

R.F.G. Vandenhoeck
21 0

De Hand van God

Stijl: mijmeringen over voetbal, talent, en waarom sierlijkheid belangrijker is dan resultaat   De beste is niet altijd de mooiste. De winnaar is niet altijd elegant of verfijnd   De eenzame hoogte is veelal tijdelijk als vergankelijke sakura, de Japanse kersenbloesem verval is pejoratief voor vluchtig   wie daar niet mee kan leven is te dicht bij de zon de was smelt Ikaros stort te pletter   Japan blinkt uit in esthetiek het is wat anders dan de platonische 'waarheid is goedheid' de gruwel van schoonheid namelijk   de beste Braziliaanse voetballer aller tijden O Rei Pelé staat in eigen land in de schaduw van de berooid gestorven goddelijke kanarie Garrincha, Mané, een dribbelkont die allegria bracht een manke Hephaistos met één X-been en één O-been en iedereen op het verkeerde ...   voetbal is de kunst van de misleiding van gebronsde namen Sindelar, Masopust, Andrade, Socrates, Leonidas, Teofilo Cubillas Bolivariaanse paradijsvogels uit revolutionaire moerassen en mangroves de koperen ploert hoog aan het firmament daar   Equatoriale visioenen van vergoddelijking volksjongens uit de barrio littekens van meervoudig messcherpe duels op de snee het wk van 1966 werd niet gewonnen door gentleman Hurst tegen de BRD maar door De Zwarte Panter uit Mozambique de Portugese Perola Negra Eusebio   en de wk's van 74 en 78 zijn natuurlijk gewonnen door het Oranje totaalvoetbal niet Beckenbauer niet Kempes maar Johan Cruyff 'Een pass heeft pas zin als je een tegenstander uitspeelt' dribbelkunstenaar en woordgoochelaar 'Als ik zou willen dat je het begreep, zou ik het beter hebben uitgelegd' want wat zijn genieën eenzaam als het stadionlicht dooft   en dan kwam El Pibe De Oro in 1986 Mexico de toorn van Montezuma Argentina nam wraak voor Las Islas Malvinas Pelusa, El Diez, D10S when Inglaterra ruled the waves een zwalpend schip nu Thatcher tegen de tango uit Fiorito de Barrilete Cosmico, Genio, Genio !?   en de val, de waanzin van genieën, de poëzie van het afglijden Dionysos, furieën en bacchanten, Ho visto Maradona ...   de stijl, charisma, sommigen hebben het nog minder dan Mateus rosé maar Hij, Pluisje, Diego Armando, was eigenlijk guerrillero, vrijheidsstrijder in de arena, gladiator volksheld met sangre Guaraní tot zijn hart het begaf, wereldwijd, van Buenos Aires tot Napoli, lag la pelota stil, geen streling van het leer die dag de belangrijkste bijzaak ter wereld I love football   stijl is klasse wk 2016, niemand herinnert zich Frankrijk, iedereen de drie twee van België tegen Japan Robots winnen, mensen begeesteren Stijl is feilbaar   De universaliteit van de spanning tussen kunde en kunst is overal Tony Hawk is de beste skater ooit Hosoi de elegantste de eerste maakte salonfähig wat altijd misdadig had moeten blijven skate and destroy verdiende dollars aan PlayStation de tweede zat in de bak en aan crystal meth en is nu een reborn Christian Hosoi's airs zijn iconisch: Christ Air, Rocket Air, de meest gracieuze Method Air in de geschiedenis, het is weer eens wat anders dan een 900°   stijl is tijdloos Muhammad Ali Sugar Ray Leonard Mike Tyson Michael Jordan John McEnroe Carl Lewis Marco Pantani Eddy Merckx de kunst van de misleiding stijl is alles Il Pirata De Kannibaal Cristiano Ronaldo over lijken 'I took it personally' Air Iron 'Cassius Clay was a slave name, I am no longer a slave. Muhammad means worthy of all praises and Ali most high'   Parkinson's syndrome ... de lichten doven  'Djedjuge, djedjuge, I am still Ali!'   In the spotlight het amphitheater de arena, het colloseum, gij zult zijn als goden amoreel aan drank drugs of vrouwen zult gij ten onder gaan Olympus kibbelende Goden op de ijle bergtop Ethos is zwoegen   de muze daarentegen is schijnbaar moeiteloos flow alles vloeit panta rhei   zij waren bezeten nimmer zichzelf immer zichzelf god’s Geschenk   hun geheim controle maar wie over wie over de bal? over de tegenstrever? over zichzelf?   stijl,  dat is orfisch occult mystiek zij waren mystici ingewijden Godenkinderen   Maradona's Napoli teammates are singing that they’re honoured just because they've seen 'Maradona'

Kameraad 60
24 1

Verfoeide fooi

'Het is goed zo!' Mijn standaardzinnetje bij het geven van een fooi. Ik zeg het niet meer zo vaak, althans niet bij het vereffenen van een rekening in de horeca. Wél, en misschien nog net wat uitbundiger, in de thuissituatie. Als mijn vrouw heel goed bezig is en het binnen de kortste keren helemaal in orde gaat komen. 'Nog, nog!' kreun ik dan in eerste instantie. Meestal ligt de klemtoon daarna anders en is mijn stemtimbre wat lager, soms op het hijgende af, een grote lust en satisfactie verradend. Voor haar een signaal dat ze heel goed bezig is en dat het einde er zit aan te komen. Ondertussen zijn we zo op elkaar ingespeeld dat het allemaal op gevoel gaat. Echt genieten is dat, zeker omdat ik gewend ben om het bijna altijd zelf te doen, omdat ik regelmatig alleen ben. Tot het voor mij genoeg is, en dan zeg ik met diepe stem dat het goed geweest is, ook al heeft zij altijd nog de drang om even door te gaan. Ja, ik kan het echt enorm waarderen als ze mijn glas cola bijvult, maar ik drink niet graag uit een glas dat tot aan de rand gevuld is.  Een gevoel dat mijn portefeuille al lang niet meer kent. 't Is weer een hele tijd geleden dat hij nog uitpuilde of tot de rand gevuld was. Zoals wij allemaal, betaal ik tegenwoordig doorgaans digitaal. Soms zelfs contactloos. Daardoor geef ik bijna nooit nog een fooi, al zijn er hier en daar ook restaurants met van die betaalkastjes waarop de mogelijkheid geboden wordt om een percentage fooi of een bepaald bedrag extra toe te kennen. In mijn hoofd is dat nog koeler, kunstmatiger, onmenselijker en onnatuurlijker dan contactloos. Vroeger vond ik het ongepast om, weliswaar te gepasten tijde, te betalen met gepast geld. Het waren andere tijden. Uitgaan was nog betaalbaar. Niet dat ik er zelf aan deelnam, maar er werd bijvoorbeeld nog gedanst. Nu doen alleen de prijzen dat, swingend, de pan uit. Tegenwoordig denk je wel eens even na vooraleer je met drinkgeld begint te strooien. Over pannen gesproken, in het verleden ging ik ook veel vaker uit eten dan tegenwoordig. Hoe groter het gezin, hoe groter ook de kans dat niet iedereen zin heeft om de maaltijd buitenshuis te nuttigen. Als thuiskok beschouw ik dat als een groot compliment en zing en swing ik zelf wel een deuntje terwijl ik met de pannen rondzwier. Mijn geswing wordt nog wel gesmaakt, maar mijn zangstem serveert alleen gerechten die niemand lust.  Enfin, ik heb het gisteren dus nog eens gezegd. 'Het is goed zo!' Daarbij wreef ik bijna op sensuele wijze een briefje van vijftig in de handjes van de knappe jeugdige serveerster, nadat ze ons op vriendelijke wijze en met de (mooie) glimlach van spijs en drank had voorzien. Het feit dat ze zelf ook goed voorzien was, speelde zeker niet in haar nadeel. Zeg maar gerust wel in haar twee voordelen. 'Het is goed zo!' zei ik dus als vanouds, een fooi van dik vier euro toestaand. Het voelde fijn en natuurlijk, zoals het hoort. Mijn mee-eter, tegelijk ook mijn echtgenote, vond het maar niks. Ze tssss!-te zelfs, waarmee ze openlijk te kennen gaf dat ze me wel doorhad, zonder veel te zeggen. Die 'vetzak!' die ze gromde, was totaal overbodig. Ook al was het nadat ik gezegd had dat ik die hete serveerster liever die vier euro had laten teruggeven, waarna ik zou zeggen dat ze die in haar spaarpotje mocht steken. Doelend op haar decolleté. Dat ik het indien gewenst met veel plezier zelf zou doen. De jeugd moet ook leren hoe ze met geld moet omgaan.      

Danny Vandenberk
0 0

Werkplek

Kwaad stormde ze mijn kantoor binnen dat mijn kantoor niet is. Mijn niet-mijn-kantoor is een ruimte die ingericht werd voor collega’s die in alle rust willen werken. Niet dat je er veel rust krijgt, mensen lopen binnen en buiten, de geluiden van de publieke ruimte ernaast stromen binnen bij vloed, trekken even weg bij eb en vervolgens, bij vloed, stormen mensen kwaad binnen met de melding, niet de vraag, de melding: ‘ik dacht dat er ging geholpen worden.’  Helpen wilde ik zeker, had de loper bij mij gelegd, klaar om telefoons te beantwoorden zodat mijn collega in alle stilte en rust in haar eigen kantoor zou kunnen werken, waar er effectief stilte en rust heerst en niemand binnen en buiten loopt, want de deur daar is nooit geopend. Echter bleek ik de verkeerde loper bij mij in mijn onrustig kantoor te hebben gelegd en kwam er geen enkele telefoon bij mij in mijn kantoor dat niet van mij is terecht. ‘Sorry,’ zei ik, ‘sorry’ en ging het juiste toestel halen. Mijn hart klopte onrustig en ik weet niet of dat kwam door de kwade melding of door het opgejaagd zoeken naar een toestel dat het mijne niet, maar wel mijn verantwoordelijkheid was op deze zonnige, maar koude namiddag. Vol schuldgevoel ging ik door met werken aan een tekst dat niets met mijn werk te maken heeft en alles met mijn werk te maken heeft. Een tekst over mijn werk en over al wat daar, dus hier, gebeurt. Alle gebeurtenissen zijn werkelijk een verhaal waardig. Nuja, waardig, wanneer zijn gebeurtenissen een verhaal waard? Uiteindelijk is niets en alles een verhaal waard, het hangt er steeds van af hoe je het al dan niet waardevolle verhaal verwoordt en het komt er uiteindelijk wellicht gewoon op neer om gebeurtenissen te verwoorden op een manier dat het verhaal, ook al zonder inhoud, een verhaal waardig wordt. Misschien zijn alle verhalen zonder inhoud, zijn alle verhalen met inhoud en is de inhoud en de toegekende waarde afhankelijk van de persoon die er een bepaalde waarde aan toekent, niet? Ik weet het niet, ik vraag de ‘niet’, niet om bevestiging te krijgen, maar om af te toetsen wat jij er van vindt. Wat vind jij er van? Ik vraag altijd wat jij er van vindt, maar wat vind ik er van? Dat weet ik niet en die vraag stelde ik niet aan jou, maar aan mij. Antwoorden heb ik niet, nooit, maar ik blijf zoeken, niet om te vinden, maar om te zoeken en in dat zoeken vind ik waar ik naar zoek.  Een tweetal jaar geleden kwam ik terecht op deze werkplek die een plek is waar wel degelijk gewerkt wordt, al denken mensen vaak dat dit geen werkplek is, maar een plek waar zaken kunnen opgeëist worden, waar werknemers geen mensen zijn, maar werknemers en de werknemers geen werknemers zijn maar robots die moeten kunnen blijven lachen om steeds dezelfde grappen die elke minuut verteld worden door steeds een andere klant. Een plek waar collega’s enkel collega’s zijn als zij de collega zijn en de collega een ondergeschikte en een  mens zijn voor zichzelf wanneer iemand eens iets meer vraagt en werknemer zijn wanneer het gevraagde valt onder het strikt afgebakende pakket aan taken waar niemand iets van afweet. Een plek waar collega’s kwaad binnenstormen in ruimtes die ingericht werden om in alle rust en stilte te kunnen werken om te melden dat er toch geholpen zou worden, dat was toch de afspraak? En geholpen wordt er zeker, eenzijdig, dat wel, maar geholpen wordt er zeker. Een tweetal jaar geleden kwam ik hier terecht en sindsdien heb ik mijn ogen uitgekeken naar hoe mensen omgaan met mensen en hoewel het hier vooral werken is met mensen ben ik steeds minder graag onder mensen omdat mensen, welja, mensen zijn. En ik ook, dat is het ergste. Ik heb kleine kantjes van mezelf gezien, opgemerkt, genegeerd, met het schaamrood op de wangen onder ogen gekomen en kleine kantjes van anderen gezien, opgemerkt, tegen ingegaan en met het schaamrood op de wangen beseft dat ik bij hen hoor, bij deze mensensoort waar elk lid er van een vreemde is en op de vlucht is voor zichzelf. Er zit geen lijn in het verhaal over deze werkplek en toch een duidelijke lijn. Alles verliep tot nu toe in één rechte lijn, zoals de tijd in één rechte lijn doorloopt en tegelijk kruisen gebeurtenissen elkaar, overlappen ze elkaar, gaan ze in elkaar over, kruisen ze elkaar opnieuw, kronkelen langs elkaar, is het één grote warboel en ontwar een warboel maar eens na twee jaar. Ach, wat is twee jaar. Het is eerder dat ik geen zin heb om te ontwarren, de warboel is de warboel en zou niet zijn wat het was mocht ik het ontwarren. Ik ben een ongelooflijk ongeduldig persoon en heb ook het geduld niet om een genuanceerd, duidelijk, rechtlijnig verhaal te vertellen. Dat ben ik niet, dat kan ik niet, misschien kan ik het wel, maar dat ben ik niet en hoe ongelooflijk moeilijk is het om te zijn wie je niet bent en toch ben ik zo vaak wie ik niet ben, maar wie mensen willen en verwachten dat ik ben. Nee, geen specifieke mensen, eerder dè mens. Nee, dat is ook geen waar, niet dè mens want dè mens is los van verwachtingen en maatschappelijke constructies. Dè mens zit enkel vast aan dè mens, niet aan wat dè mens en de mensen construeerden en schiepen. Ik maak een warboel van de warboel en knoop er nog wat meer touwen doorheen.  Wilde ik hier dan een verhaal van maken en verdwaal ik in een doolhof van woorden, zinnen, gedachten, dus laat ook maar. Later misschien. Misschien. 

Lorin Clercq
0 0