Lezen

Artemis & Orion

Het laatste daglicht verdween uit haar haren. Een frisse bries streelde haar wakker. Door haar halfopen ogen zag ze de maan boven de heuvel uitkomen. Het zilveren licht verspreidde zich over de vallei en bereikte haar nest van zacht, sappig mos, zorgvuldig gevlochten takken en uitgekozen veertjes. Ze ontwaakte in de schaduw van haar dichte woud. Nog even duwde ze zich dieper in het mos. Haar blik bleef bij de maan hangen. Haar maan. Vanavond was ze niet vol. Ze was gekrompen tot een stralende sikkel. Artemis glimlachte zacht. Net genoeg licht viel over de donkere hemel om ook het verborgen deel van de maan zichtbaar te maken. Het stuk waar niemand op lette. Het stuk dat zij zelf het liefst verhuld hield. Ze stond op en baadde in het asgrauwe licht. Ze liet het over haar huid stromen, over haar zachte borsten, langs haar vermoeide armen, naar de warmte onder haar navel. Ze leidde het naar binnen, alsof ze de maan zelf in zich wilde bewaren. Daarna keek ze naar de donkere zijde, die ze koesterde als een zeldzame zwarte parel. Artemis voelde hoe het natte mos aan haar voeten zoog. Ze maakte haar blik los van de hemel en zocht haar boog. Haar vingers gleden over de pees. Ze trilden niet. Maar diep in haar borst rolden wilde golven af en aan. Haar geest daverde, terwijl haar lichaam er roerloos onder bleef. In het schijnsel van de maan tekende het pad naar de open plek zich af. Orion. Haar jager. Hij wachtte. Vanavond nam ze slechts één pijl mee. Al weken kon ze zich niet meer aan haar jacht overgeven. Elke pijl die ze afvuurde, vond haar prooi, maar drong nooit echt door. Nochtans was haar grip rond de boog sterk, en haar blik trefzeker. Ze verwondde slechts. En elke wonde die zij maakte, leek zich ook in haar eigen ziel af te tekenen. Ze speurde opnieuw de hemel af, op zoek naar het donkere deel van de maan. Hij was degene die het in haar had aangeraakt. Hij had iets in haar gezien wat zijzelf zorgvuldig verborgen hield. Hij raakte aan haar mysterie, en sinds hij dat had gedaan, voelde haar ongenaakbaarheid niet langer als kracht. Waar zijn blik haar raakte, leek haar huid te gloeien. Het zilver in haar werd vloeibaar en zakte langzaam naar een brandpunt diep onder haar navel. Meer dan eens had ze haar boog in het mos willen werpen en haar vingers daarheen willen brengen. Maar ze had een eed afgelegd. Ze omklemde de boog steviger. Hij stond al op haar te wachten. Zijn eigen boog lag naast hem in het gras. De pijl lag ernaast, onaangeroerd. Ze stapte op hem af. Hij nam haar vast en kuste haar. In één beweging brak iets open wat eeuwenlang gesloten was gebleven. Een honger die ze niet kende, of misschien veel te goed kende, trok door haar heen. Haar handen sloten zich om zijn hals. Ze hield zich aan hem vast alsof ze daarmee haar voeten op de aarde kon houden. Ze wilde niet langer een hemellichaam zijn. Het maanlicht leek om hen heen te pulseren. Haar onaantastbaarheid gleed van haar af. Hij maakte haar boog los. Ze verzette zich niet, ze stak hem haar laatste pijl toe. De pijl die hem had moeten raken. Ze wandelde enkele passen terug, draaide zich om en keek hem strak aan. Geen van beiden bewoog. Toen trok hij de pees van haar boog strak. Ze voelde hem niet binnendringen. Alleen de slag, diep in haar kolkende kern. De pijl drong niet door, zelfs al had hij haar vol geraakt. Ze wankelde niet. En toen begreep ze het: zij was hem geworden, en hij haar. Orion kwam naar haar toe. Hij nam haar vast en legde zijn hand op haar onderbuik, precies daar waar de warmte al die tijd had gewacht. ‘Orion,’ fluisterde ze, bijna zonder stem, ‘heb ik je dan eindelijk gevonden?’ Hij bracht zijn gezicht naar het hare en kuste haar opnieuw. Dit keer ontloken haar lippen in warmte. Haar adem stokte. Hij trok zich terug en in zijn ogen zag ze iets veranderen. De wonde die hij haar had toegebracht, had ook hem bereikt. Iets wat hij zo lang had verborgen gehouden, kwam naar boven en liet zich niet meer terugduwen. Ze maakte zich van hem los en voor het eerst zagen ze elkaar naakt. Er nestelde zich een broze warmte in hun lichamen. Ze keek naar de pijl die tussen hen in lag en liet haar blik omhoog glijden naar de maan, naar het donkere deel dat zich niet langer verborg. Voor het eerst wist ze niet meer wie van hen beiden de jager was.   

Jolien Van de Velde
250 0

Septembermensen

Stel u voor: Freddie Mercury, Agatha Christie, Sophia Loren, Leonard Cohen, Roald Dahl, Karl Lagerfeld, Tolstoj en ik zitten samen aan tafel. Freddie zorgt voor ambiance. Agatha onthoudt wie er van welk glas gedronken heeft. Sophia hoeft alleen maar te zitten. Leonard filosofeert over schoonheid. Karl zet zijn zonnebril op en Tolstoj is nog bezig aan zijn antwoord op de vraag hoe het gaat. Ik zit naast Roald Dahl. Dat heb ik zo geregeld. Het is mijn column en hij is mijn idool. Ik hoor u al mompelen: waarom dat zootje bij elkaar? Dat is duidelijk: het zijn septembermensen. Allemaal. Wat zijn septembermensen en wat drijft hen? Tijd voor een grondig, geheel onafhankelijk onderzoek. Onder leiding van mezelf. Ik ben er zeker van dat gij er ook minstens één kent: Ge ging maar een halfuur blijven. Twee uur later zit ge er nog, weet die mens iets wat ge eigenlijk niet ging vertellen en ligt er thuis iets in de diepvries dat al lang in de oven had gemoeten. Uw jas hebt ge ondertussen uitgedaan. Zo iemand. Volgens mij hebben die mensen iets meegekregen van hun maand. September is de maand waarin zomer en herfst elkaar de hand geven en dan nog even blijven staan praten. Ze hebben geen haast. De ene heeft nog van alles te vertellen, de andere moet zijn jas nog niet uitdoen. Er wordt nog gezwommen, maar het bos wordt alweer herontdekt. Aan de achterdeur staan slippers naast bergschoenen. Ge vertrekt met blote benen en een pull over uw arm, die ge overdag overal laat liggen en ’s avonds dankbaar over uw hoofd trekt.  Het licht wordt zachter. Het strijkt langs gevels, blijft hangen in kruinen en valt schuin over een tafel waaraan ge eigenlijk allang had moeten opruimen. Zelfs de kruimels liggen daar schoon. De zon moet niet meer bewijzen dat ze de hele wereld kan platleggen. Ze verwarmt uw knieën, uw gezicht, dat stukje nek boven uw kraag.  En dan die geur. Die rijpe, zwoele geur van september, alsof de wereld zelf op zijn zondags is. Gewassen, maar nog warm van het slapen. Ergens hangt was buiten, ergens staat een raam open waaruit de geur van gestoofde appels komt. Onder de bomen ligt fruit in het gras. Sommige appels zijn opengebarsten, wespen zitten met hun hele lijf in het zoet. Ge ruikt aarde, vochtige bladeren, warm gras en iets dat bijna te rijp is. Een geur waar ge trager van gaat lopen, zonder goed te weten waarom. De natuur is hoogzwanger. Alles hangt, zwelt en weegt. Takken buigen onder hun appels, pompoenen liggen breeduit in de moestuin alsof ze daar betaald worden per ingenomen vierkante meter. Ge kunt nauwelijks ergens op bezoek gaan of er moet iets mee naar huis. Courgettes, peren, een zak appels. "Neemt nog wat. Echt, wij krijgen dat niet op." In keukens staat confituur te pruttelen en op aanrechten wachten potten waarvan de etiketten niet helemaal zijn losgekomen. Daar gaat straks de zomer in. Ondertussen geeft september orde. Na twee maanden waarin ‘we zien wel’ een volwaardige dagindeling was, kopen we een schrift. Een agenda. Een balpen die schoon schrijft. We gaan weer koken, op tijd slapen en mails beantwoorden voordat de afzender vraagt of we zijn vorige mail goed ontvangen hebben. Buiten barst alles uit zijn voegen, binnen steken wij papieren in mapjes. Dat vind ik schoon aan september: dat ge nog gulzig aan het leven kunt zitten en tegelijk denkt dat ge het dit jaar misschien eens georganiseerd krijgt. Misschien zit het daarin, bij die septembermensen. Dat ze weten hoe fijn het is als er nog iets bij kan. Nog een uur buiten. Nog iemand aan tafel. Nog een verhaal terwijl de koffie eigenlijk al op is. Ze schuiven wel wat op. Er is genoeg. Dat ik zelf op zestien september geboren ben, maakt mij uiteraard bijzonder geschikt om dat allemaal vast te stellen. Ik zeg ook nergens dat ik al die kwaliteiten voortdurend ter beschikking heb. Er zijn openingsuren. Bovendien heb ik mijn onderzoek uitgebreid naar mensen van wie ik wél weet of ze na het feest de stoelen helpen stapelen. Mijn lievelingschiroleiders: in elke generatie is er zeker één. September. Van die mensen aan wie ge een bende kinderen toevertrouwt en denkt: dat komt goed. Er gaat misschien een schoen verloren, maar iedereen zal mee zijn. Mijn favoriete vriendin? September. Mijn lievelingsverkoopster van jeansbroeken? Ook september. Onderschat dat laatste niet. Iemand aan wie ge uw achterwerk onder tl-licht toevertrouwt, staat behoorlijk hoog in de hiërarchie van de liefde. Mijn schrijfjuf? Ja hoor. Zij ook.  Dat ik uitsluitend mensen heb geselecteerd die ik graag zie, lijkt me geen bezwaar. Ge moet ergens beginnen. In Touché hoorde ik Guido Belcanto zeggen: ‘De twee belangrijkste dagen in je leven zijn de dag dat je geboren wordt en de dag dat je te weten komt waarom.’ Misschien weten andere mensen dat tweede soms eerder dan gijzelf. Die Chiroleider is allang vergeten wat hij voor dat ene kind gedaan heeft. Dat kind weet het nog. Mijn vriendin neemt haar telefoon op. Voor haar is dat gewoon haar telefoon opnemen. Voor mij kan het precies zijn wat die dag nog nodig had. Ik zie die septembermensen zo graag. Ge komt thuis en iets zit wat losser. Ge hebt uzelf horen lachen. Op het aanrecht zet ge een pot confituur die ge bij het vertrekken in uw handen geduwd kreeg. Er zijn ongetwijfeld ook fantastische mensen uit andere maanden. Die mogen mij altijd overtuigen. Ik wil daar gerust eens een halfuurtje voor langskomen.

Katrien Daniels
46 5

STIP IT

Ik vroeg me af of ik er dit jaar nog eens iets over zou schrijven of niet. Want er zijn nog steeds kinderen en bij uitbreiding volwassenen die gepest worden. Men kan er niet langs kijken. De jaarlijkse actie STIP IT staat weer in de kijker. Als kind heb ik zelf die stippen nooit gehaald, ze waren er eenvoudig nog niet en ik werd zelf gepest. Uit ervaring leid ik af dat pesters niet zo bezig zijn met latere gevolgen voor de gepeste. Zijn zij nog bezig met wat ze als kind uitgevreten hebben? Ik schreef er ooit over een aantal jaren geleden. Toen ik droomde van die jongen...   Het betekent vaak dat meneerke of mevrouwtje Niemand beter gezelschap is dan het vermoeiende geblaat van de pesters. Het betekent dat je een antenne krijgt voor andere gepeste kinderen en je niet weet of je moet ingrijpen of niet. Je hebt al zoveel ellende op je - inmiddels door de pesters verfrommelde - boterham liggen. Kennismaken met kinderen buiten de school of buren, op vakantie bijvoorbeeld, verloopt moeizaam. Opgeven in de kennismaking is sneller dan de teleurstelling tegemoet kijken! Een plaats in een groep vinden wordt even benauwend als ergens in het midden aan een tafel zitten waarbij je niet weet welke conversatie je moet volgen; links van je, rechts van je of tegenover je. Dus je zwijgt! Zelf ook een kind pesten, want je denkt dat je dan wél populair wordt, is pas een afknapper. De echte pesters zijn de eersten om je over te brieven. Je bent weer de klos! Je poppen, speelgoed, je fantasie worden je beste vrienden! En alles, echt alles wat je probeert om jezelf te kunnen zijn en dat te tonen lijkt telkens net niet goed genoeg. Nogal wiedes want je durft niet meer!  Veel van die dingen lopen door in het volwassen leven. Als je een pester van vroeger tegenkomt, of zelfs zo iemand uit je volwassen leven, word je bijna fysiek ziek. Enig duidelijk en kordaat gedrag hielp mij om er komaf mee te maken: Me omdraaien en mijn rug laten zien die in hun verte verdwijnt!  ‘Boeit niet!’ en ik ben stiekem blij dat deze uitdrukking in ons taalgebruik is geslopen. Het zegt zoveel meer dan het beleefd blijven en is minder energie rovend. Al word je er niet blij van. Wie ligt daar ook nog van wakker? Hopelijk ouders van kinderen en andere betrokkenen.

Anemos
8 1